Friedrich Engels
Anti-Dühring


IX. Natuurwetten van de economie. Grondrente

Tot dusver hebben wij met de beste wil niet kunnen ontdekken hoe de heer Dühring ertoe komt, om er op het gebied van de economie

‘aanspraak op te maken dat hij optreedt met een nieuw systeem, dat niet alleen voor ons tijdperk voldoende, maar ook voor dit tijdperk van beslissende betekenis is.’

Wat wij echter niet konden zien bij de theorie van het geweld, bij de waarde en het kapitaal, dat springt ons misschien zonneklaar in het oog bij de beschouwing van de door de heer Dühring opgestelde, ‘natuurwetten van de economie’. Want, zoals hij zich met de hem eigen originaliteit en scherpte uitdrukt,

‘de triomf van de hogere wetenschappelijkheid bestaat daarin, boven het enkel beschrijven en indelen van de als het ware rustende stof tot het levende, het ontstaan belichtende inzicht te geraken. De kennis van de wetten is daarom de volmaaktste, want zij toont ons hoe de ene gebeurtenis de andere tot voorwaarde heeft.’

Direct al de eerste natuurwet van alle economie is speciaal door de heer Dühring ontdekt.

Adam Smith ‘heeft zonderling genoeg niet alleen de belangrijkste factor van alle economische ontwikkelingen niet vooropgesteld, maar hij verzuimde ook daarvan de speciale formulering te geven, en daarmee heeft hij onwillekeurig de macht die op de moderne Europese ontwikkeling haar stempel gedrukt heeft tot een ondergeschikte rol vernederd’. Deze ‘grondwet die vooropgesteld moet worden, is die van de technische uitrusting, ja men zou kunnen zeggen, van de bewapening der van nature de mensen gegeven economische kracht’.

Deze door de heer Dühring ontdekte ‘fundamentele wet’ luidt als volgt:

Wet nr. 1. ‘De productiviteit van economische middelen, natuurlijke hulpbronnen en menselijke kracht wordt door uitvindingen en ontdekkingen verhoogd.’

Wij staan verbaasd. De heer Dühring behandelt ons precies zoals die grappenmaker bij Molière de nieuwbakken geadelde, aan wie hij het nieuws meedeelt dat hij zijn leven lang proza gesproken heeft zonder het te weten. [134] Dat uitvindingen en ontdekkingen in vele gevallen de productieve kracht van de arbeid verhogen (in zeer vele gevallen echter ook niet, zoals blijkt uit de ontzaglijke massa scheurpapier in de archieven van alle patentbureaus ter wereld) dat hebben wij reeds lang geweten. Dat echter deze stokoude afgezaagdheid de fundamentele wet van de hele economie is — deze opheldering danken wij de heer Dühring. Wanneer ‘de triomf der hogere wetenschappelijkheid’ in de economie, evenals in de filosofie, slechts daarin bestaat de eerste de beste gemeenplaats een hoogdravende naam te geven, hem tot een natuurwet of zelfs tot fundamentele wet te proclameren, dan wordt het ‘diepere grondslagen leggen’ en het teweegbrengen van een omwenteling in de wetenschap inderdaad voor iedereen, zelfs voor de redactie van de Berlijnse Volkszeitung [135] bereikbaar. Wij zouden dan genoodzaakt zijn ‘met alle gestrengheid’ het oordeel van de heer Dühring over Plato op de heer Dühring zelf als volgt toe te passen:

‘Als zo iets intussen economische wijsheid moet heten, dan heeft de schepper van de’ kritische grondslagen [136] ‘deze wijsheid gemeen met iedere persoon bij wie wel eens de een of andere gedachte aan iets voor de hand liggend is opgekomen’ of die er zelfs alleen maar eens over heeft gepraat.

Wanneer wij bij voorbeeld zeggen: de dieren vreten, dan spreken wij in onze onschuld zonder het te beseffen een groot woord uit. Want wij behoeven alleen maar te zeggen dat het vreten de fundamentele wet van heel het dierlijke leven is en wij hebben de hele zoölogie omgewenteld.

Wet nr. 2. Arbeidsverdeling. ‘Het splitsen van beroepstakken en het verdelen van werkzaamheden verhoogt de productiviteit van de arbeid.’

In zoverre dit juist is, is het sinds Adam Smith eveneens een gemeenplaats. In hoeverre het juist is, zal in het derde deel blijken.

Wet nr. 3. ‘Afstand en transport zijn de voornaamste oorzaken, waardoor het samenwerken van de productieve krachten gehinderd en bevorderd wordt.’

Wet nr. 4. ‘De industriestaat heeft een onvergelijkelijk grotere bevolkingscapaciteit dan de landbouwstaat.’

Wet nr. 5. ‘In de economie geschiedt niets zonder een materieel belang.’

Dat zijn de ‘natuurwetten waarop de heer Dühring zijn nieuwe economie grondvest. Hij blijft zijn in het deel over de filosofie reeds uiteengezette methode trouw. Een paar, vaak bovendien nog scheef uitgedrukte vanzelfsprekendheden, hopeloos afgezaagd, vormen de axioma’s die geen bewijs behoeven, de fundamentele stellingen, de natuurwetten, ook van de economie. Onder het voorwendsel de inhoud te ontwikkelen van deze wetten die geen inhoud hebben, wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt voor een breed opgezette economische tingieterij over verschillende onderwerpen, waarvan de namen in deze zogenaamde wetten voorkomen — dus uitvindingen, arbeidsverdeling, transportmiddelen, bevolking, belang, concurrentie, enz.; een tingieterij, waarvan de platte alledaagsheid alleen gekruid wordt met orakelachtige grootspraak, en hier en daar met scheve opvattingen of gewichtig doenerige haarkloverij over allerlei casuïstische spitsvondigheden. Dan komen wij tenslotte tot grondrente, kapitaalwinst en arbeidsloon, en daar wij in het voorafgaande slechts de beide laatste vormen van toe-eigening behandeld hebben, willen wij tot besluit nog Dührings opvatting van de grondrente in het kort onderzoeken.

Wij laten daarbij alle punten buiten beschouwing waarop de heer Dühring eenvoudig zijn voorganger Carey overschrijft. Wij hebben niet met Carey te maken, wij behoeven ook niet Ricardo’s opvatting over grondrente tegen de verdraaiingen en dwaasheden van Carey te verdedigen. Ons gaat alleen de heer Dühring aan en deze definieert de grondrente als

‘dat inkomen dat de eigenaar als zodanig van de grond en de bodem trekt’.

Het economische begrip van de grondrente, dat de heer Dühring ons moet verklaren, vertaalt hij kortweg in het juridische, zodat wij niet wijzer worden dan wij waren. Onze diepere-grondslaglegger moet daarom, of hij wil of niet, tot nadere uiteenzettingen overgaan. Hij vergelijkt nu de verpachting van een stuk akkerland aan een pachter met het uitlenen van een kapitaal aan een ondernemer, komt echter al spoedig tot de ontdekking, dat de vergelijking, zoals menige andere, mank gaat.

Want, zegt hij, ‘zou men de analogie verder willen doortrekken, dan zou de winst die de pachter overhoudt na betaling van de grondrente, aan die rest van de kapitaalwinst moeten beantwoorden, die de ondernemer, die met het kapitaal werkt, na aftrek van de interest ten deel valt. Men is echter niet gewend, de winsten van de pachter als de voornaamste inkomsten en de grondrente als een rest te beschouwen... Een bewijs voor dit verschil in opvatting is het feit, dat men in de leer van de grondrente het geval, waarbij het land door de eigenaar zelf bewerkt wordt, niet afzonderlijk behandelt en dat men geen bijzonder gewicht hecht aan het verschil in grootte tussen rente in de vorm van pacht en rente die door de eigenaar zelf is voortgebracht. Men heeft althans geen aanleiding gevonden, om de grondrente die uit de bewerking door de eigenaar zelf voortkomt, zich zodanig gesplitst te denken, dat het ene deel als het ware de grondrente van het stuk grond, het andere het winstoverschot van de ondernemer zou vertegenwoordigen. Afgezien van het eigen kapitaal dat de pachter aanwendt, schijnt men zijn speciale winst meestal als een soort arbeidsloon te beschouwen. Maar het is bedenkelijk, hierover iets te willen beweren, daar men zich de vraag nooit in een zo concrete vorm heeft voorgelegd. Overal, waar het grotere bedrijven betreft, kan men gemakkelijk inzien, dat het niet aangaat, de eigenlijke pachterswinst als arbeidsloon te laten gelden. Deze winst berust namelijk zelf op de tegenstelling tot de arbeidskracht van hen die op het land werken, en wier uitbuiting alleen deze soort van inkomsten mogelijk maakt. Klaarblijkelijk is het een stuk rente, dat in handen van de pachter blijft, en waarmee de volle rente die de eigenaar door eigen bewerking van zijn grond zou hebben verkregen, verminderd wordt.’

De theorie van de grondrente is een specifiek Engels hoofdstuk der economie en moest het zijn, omdat alleen in Engeland een productiewijze bestond waarbij de rente ook in feite van winst en interest afgezonderd was. Zoals bekend heersen in Engeland grootgrondbezit en grootlandbouwbedrijf. De grondeigenaars verpachten hun landerijen in grote, vaak zeer grote stukken akkerland aan pachters die van voldoende kapitaal voor de exploitatie daarvan voorzien zijn en die niet, zoals onze boeren, zelf werken, maar als echte kapitalistische ondernemers gebruik maken van de arbeid van vaste arbeiders en dagloners. Hier hebben wij dus de drie klassen van de burgerlijke maatschappij, met het voor elk van hen specifiek inkomen: de grondeigenaar die de grondrente, de kapitalist die de winst en de arbeider die het arbeidsloon ontvangt. Nooit is het bij een Engelse econoom opgekomen de winst van de pachter, zoals dat de heer Dühring toeschijnt, voor een soort arbeidsloon te houden. Nog veel minder kon het hem bedenkelijk schijnen te verzekeren dat de winst van de pachter datgene uitmaakt, wat deze onbetwistbaar, klaarblijkelijk en tastbaar is, namelijk kapitaalwinst. Het is in een woord belachelijk wanneer hier gezegd wordt, dat men zich de vraag, wat eigenlijk pachterswinst is, in een zo concrete vorm in het geheel niet voorgelegd zou hebben. In Engeland behoeft men zich die vraag in het geheel niet eerst voor te leggen. Zowel de vraag als het antwoord liggen sinds lang in de feiten zelf voor het grijpen, en sedert Adam Smith heeft daaromtrent nooit enige twijfel bestaan.

Het geval van eigen bewerking, zoals de heer Dühring dat noemt, of juister de bewerking door beheerders voor rekening van de grondbezitter, zoals dat in werkelijkheid in Duitsland in de meeste gevallen gebeurt, verandert niets aan de zaak. Wanneer de grondbezitter ook het kapitaal levert en voor eigen rekening het bedrijf laat voeren, dan steekt hij behalve de grondrente ook nog de kapitaalwinst in zijn zak, zoals dat volgens de huidige productiewijze vanzelfsprekend is en ook helemaal niet anders zijn kan. En wanneer de heer Dühring beweert dat men tot nu toe geen aanleiding gevonden heeft om zich de rente (bedoeld is inkomen), die uit de eigen bewerking voortkomt, als gesplitst te denken, dan is dat eenvoudig niet waar. En bewijst hij daarmee in het gunstigste geval wederom alleen zijn eigen onwetendheid. Bijvoorbeeld:

‘Het inkomen, dat uit arbeid afkomstig is, heet arbeidsloon. Dat wat iemand uit het aanwenden van kapitaal trekt, heet winst... het inkomen dat uitsluitend uit de grond ontstaat, wordt rente genoemd en behoort aan de grondbezitter... Wanneer deze verschillende soorten van inkomen aan verschillende personen ten deel vallen, dan zijn zij gemakkelijk te onderscheiden. Vallen zij echter een en dezelfde persoon ten deel, dan worden zij, althans in het dagelijkse spraakgebruik, vaak dooreen gehaald. Een grondbezitter die een deel van zijn eigen grond zelf bewerkt, zou na aftrek van de bedrijfskosten zowel de rente van de grondbezitter als de winst van de pachter moeten ontvangen. Hij zal echter gemakkelijker, in de gewone taal althans, al zijn inkomsten winst noemen en zo de rente met de winst door elkaar halen. Dat is het geval met de meerderheid van onze Noord-Amerikaanse en West-Indische planters. De meeste bebouwen hun eigen bezittingen en zo horen wij zelden van de rente van een plantage, maar wel van de winst die zij afwerpt... Een tuinder die zijn eigen akker eigenhandig bewerkt, is in één persoon grondbezitter, pachter en arbeider. Zijn product moest hem bijgevolg de grondrente van de eerste, de winst van de tweede en het loon van de derde opleveren. Het geheel gaat echter gewoonlijk voor zijn arbeidsverdiensten door. Rente en winst worden hier dus samengenomen met het arbeidsloon.’

Deze passage staat in het zesde hoofdstuk van het eerste boek van Adam Smith. [137] Het geval van de eigen bewerking is dus reeds honderd jaar geleden onderzocht en de bedenkelijkheid en onzekerheden, die de heer Dühring hier zoveel zorg veroorzaken, komen louter en alleen uit zijn eigen onwetendheid voort.

Tenslotte redt hij zich met een koene greep uit de verlegenheid:

De pachterswinst berust op uitbuiting van de ‘landelijke arbeidskracht’ en is daardoor klaarblijkelijk een ‘stuk rente’ waar mee de ‘volle rente, die eigenlijk in de zak van de grondbezitter moest vloeien, ‘verminderd wordt’.

Hierdoor komen wij tweeërlei te weten. Ten eerste, dat de pachter de rente van de grondbezitter ‘vermindert’, zodat het dus bij de heer Dühring, anders dan men zich tot dusver voorgesteld had, niet de pachter is die de grondbezitter, maar de grondbezitter die aan de pachter rente betaald, — ongetwijfeld een ‘fundamenteel originele opvatting’. En ten tweede krijgen wij eindelijk te horen, wat de heer Dühring onder grondrente verstaat, nl. het gehele meerproduct dat verkregen wordt door de uitbuiting van landarbeid in de akkerbouw. Daar zich dit meerproduct echter in de tot dusver geldende economie — met uitzondering dan van enige vulgair-economen — in grondrente en kapitaalwinst splitst, moeten wij vaststellen dat ook in zake de grondrente de heer Dühring ‘zich niet aan het gangbare begrip houdt’.

Grondrente en kapitaalwinst verschillen volgens de heer Dühring dus slechts daarin dat de eerste uit de akkerbouw verkregen wordt, de tweede in de industrie of de handel. Tot deze onkritische en verwarde wijze van voorstelling moet de heer Dühring noodgedwongen komen. Wij zagen dat hij van de ‘ware historische opvatting’ uitging, volgens welke de heerschappij over de grond alleen op de heerschappij over de mens berustte. Zodra er dus grond door middel van knechtenarbeid in de een of andere vorm bewerkt wordt, ontstaat voor de landheer een overschot en dit overschot is dan de rente, zoals het surplus van het arbeidsproduct boven het arbeidsinkomen in de industrie de kapitaalwinst is.

‘Op deze wijze is het duidelijk dat de grondrente altijd en overal in belangrijke mate dáár bestaat waar de landbebouwing door enigerlei vorm van onderwerping van de arbeid wordt bedreven.’

Bij deze voorstelling van de rente, als het gehele bij de akkerbouw verkregen meerproduct, staat hem nu enerzijds de Engelse pachterswinst en anderzijds de daaraan ontleende, in de gehele klassieke economie geldende verdeling van dat meerproduct in grondrente en pachterswinst, en daarmee het zuivere nauwkeurig bepaalde begrip grondrente in de weg. Wat doet de heer Dühring? Hij doet alsof hij zelfs bij geruchte nooit gehoord heeft van de indeling van het agrarische meerproduct in pachterswinst en grondrente en daarmee van de hele rentetheorie van de klassieke economie. Alsof in de hele economie de vraag wat de pachterswinst eigenlijk is ‘in deze concrete vorm’ nog in het geheel niet werd gesteld. Alsof het een nog in het geheel niet onderzochte zaak betreft, waarover niets anders bekend is dan schijnbaarheden en bedenkelijkheden. En hij vlucht uit het fatale Engeland — waar, geheel zonder de tussenkomst van enigerlei theoretische school, het meerproduct van de landbouw zo onbarmhartig verdeeld is in zijn bestanddelen: grondrente en kapitaalwinst — naar het hem zo dierbare land, waar het Pruisische Landrecht van kracht is, waar de bewerking van het land door de bezitter daarvan nog in zijn volle aartsvaderlijke bloei verkeert, waar ‘de landheer onder grondrente de inkomsten uit zijn landerijen verstaat’ en de opvatting van de heren jonkers over de grondrente nog de aanspraak maakt toonaangevend te zijn voor de wetenschap, waar dus de heer Dühring nog de hoop kan koesteren zijn begripsverwarring over rente en winst er door te smokkelen en zelfs geloof te vinden voor zijn nieuwste ontdekking, dat de grondrente niet door de pachter aan de grondbezitter, maar door de grondbezitter aan de pachter betaald zou worden.


Voetnoten

[134] Molière, Bourgeois gentilhomme (Burgerlijk edelman), bedrijf II, toneel VI.

[135] Volks-Zeitung (Volkskrant) — Duits democratisch dagblad, kwam uit in Berlijn vanaf 1853. In een brief aan Marx van 15 september 1860 had Engels het o.a. over de ‘wijs doende banaliteit’ van deze krant.

[136] Een toespeling op het boek van Dühring Kritische Grundlegung der Volkswirtschaftslehre (Kritische fundamentele leer over de staatshuishoudkunde), uitgegeven in Berlijn in 1866. Dühring verwijst naar dit boek in de Inleiding van het hier geciteerde werk Kritische geschiedenis van de nationale economie en het socialisme (2de uitg.).

[137] A. Smith, An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations (Een onderzoek naar de natuur en de oorzaken van de rijkdom van naties), vol. I, Londen 1776, blz. 63-65.