Friedrich Engels
Anti-Dühring


Derde deel – SOCIALISME

I. Geschiedkundige kwesties

In de Inleiding [a0] hebben wij gezien hoe de Franse filosofen van de 18e eeuw, de wegbereiders van de revolutie, zich op de rede beriepen als de enige die bevoegd was om te oordelen over alles wat bestond. Een redelijke staat, een redelijke maatschappij moest geschapen, alles wat met de eeuwige rede in strijd was, moest onbarmhartig opgeruimd worden. Wij hebben eveneens gezien, dat die eeuwige rede in werkelijkheid niets anders was dan het geïdealiseerde verstand van de middelburger die zich juist toen tot bourgeois ontwikkelde. Toen nu de Franse Revolutie deze staat en maatschappij van de rede verwerkelijkt had bleken dan ook de nieuwe instellingen, hoe rationeel zij ook in vergelijking met de vroegere toestanden waren, geenszins absoluut redelijk te zijn. De staat van de rede was volledig aan diggelen. Het Maatschappelijk Verdrag van Rousseau had zijn verwerkelijking gevonden tijdens het Schrikbewind, waarvoor de bourgeoisie, die aan haar eigen politieke bekwaamheid was gaan twijfelen, eerst bij de corruptie van het Directoire en eindelijk onder de vleugels van het Napoleontische despotisme haar toevlucht had gezocht. [180] De beloofde eeuwige vrede was omgeslagen in een eindeloze veroveringsoorlog. Met de maatschappij van de rede was het niet beter gegaan. In plaats van het tot stand komen van een algemene welvaart, was de tegenstelling tussen rijk en arm verscherpt door de afschaffing van de privileges der gilden e.a., die deze tegenstelling in zekere mate overbrugd, en van de kerkelijke liefdadigheidsinrichtingen die haar enigszins verzacht hadden. De grote vlucht die de industrie op kapitalistische grondslag nam, verhief armoede en ellende van de arbeidende massa tot een levensvoorwaarde van de maatschappij. (De betaling in baar geld werd, naar de woorden van Carlyle, meer en meer de enige maatschappelijke band.) Het aantal misdaden nam van jaar tot jaar toe. Terwijl de vroeger op klaarlichte dag schaamteloos bedreven feodale ondeugden niet waren uitgeroeid, maar voorlopig toch op de achtergrond gedrongen, bloeiden de tot dusver slechts in stilte beoefende burgerlijke ondeugden thans des te weliger op. De handel ontwikkelde zich meer en meer tot afzetterij. De revolutionaire leuze der ‘broederschap’ [182] werd verwezenlijkt in de chicanes en de afgunst van de concurrentiestrijd. In plaats van de gewelddadige onderdrukking kwam de omkoperij. In plaats van de degen, als belangrijkst maatschappelijk machtsinstrument, het geld. Het recht van de eerste nacht ging van de feodale heren op de burgerlijke fabrikanten over. De prostitutie breidde zich in een tot nog toe ongekende omvang uit. Het huwelijk zelf bleef gelijk voorheen een wettelijk erkende vorm van en een officiële dekmantel voor de prostitutie, en werd bovendien aangevuld door rijkelijk voorkomende echtbreuk. Kortom, vergeleken met de pralende beloften van de Verlichters, bleken de uit de ‘overwinning van de Rede’ ontstane maatschappelijke en politieke instellingen, bitter teleurstellende karikaturen te zijn. Wat nog ontbrak waren de mensen die deze teleurstelling constateerden, en die kwamen bij de eeuwwisseling. In 1802 verschenen de ‘Brieven uit Genève’ van Saint-Simon. In 1808 verscheen Fouriers eerste werk, hoewel de grondslag van zijn theorie al van 1799 dateerde. Op de eerste januari 1800 nam Robert Owen de leiding van New Lanark op zich. [183]

Omstreeks die tijd was de kapitalistische productiewijze en daarmee de tegenstelling van bourgeoisie en proletariaat echter nog zeer onontwikkeld. De in Engeland zo juist ontstane grote industrie was in Frankrijk nog onbekend. Maar het is pas de grote industrie die enerzijds de conflicten ontwikkelt, die een omwenteling in de productiewijze tot een gebiedende noodzakelijkheid verheffen — conflicten niet alleen tussen de door haar geschapen klassen, maar ook tussen de door haar in het leven geroepen productiekrachten en ruilvormen zelf — en anderzijds, juist door deze reusachtige productiekrachten ook de middelen ontwikkelt om deze conflicten op te lossen. Wanneer dus omstreeks 1800 de conflicten die uit de nieuwe maatschappelijke orde voortkomen, nog pas bezig waren te ontstaan; nog veel sterker was dit het geval met de middelen tot de oplossing daarvan. Hoewel de bezitloze massa van Parijs tijdens het Schrikbewind een ogenblik de heerschappij had weten te veroveren, zij had daarmee slechts bewezen hoe onmogelijk die heerschappij onder de toenmalige verhoudingen was. Het proletariaat dat zich van deze bezitloze massa nog maar net begon af te zonderen als de kern van een nieuwe klasse, en dat nog volkomen onbekwaam was tot zelfstandige politieke actie, bestond slechts als een onderdrukte, lijdende stand die zonder in staat te zijn zichzelf te helpen, hoogstens door krachten van buiten en van boven al geholpen kon worden.

Deze historische situatie beheerste ook de stichters van het socialisme. Aan de toestand van onrijpheid van de kapitalistische productie en van de verhoudingen der klassen beantwoordden onrijpe theorieën. De oplossing van de maatschappelijke vraagstukken, die nog verborgen lag in de onontwikkelde economische verhoudingen, moest uit het brein geboren worden. De maatschappij gaf slechts wantoestanden te zien. Het was de taak van het denkende verstand ze op te ruimen. Het ging er om een nieuw, meer volmaakt systeem van maatschappelijke orde uit te vinden en dit de maatschappij van buiten af, door propaganda, zo mogelijk door het voorbeeld van modelproeven, op te leggen. Deze nieuwe sociale systemen waren bij voorbaat tot utopie veroordeeld. Hoe verder zij in bijzonderheden werden uitgewerkt, des te meer moesten zij in loutere fantasmas verlopen.

Na dit eenmaal vastgesteld te hebben, houden wij ons bij dezen, nu geheel tot het verleden behorende kant van de zaak geen ogenblik langer op. Aan literaire kruideniers van het slag van Dühring kunnen wij het overlaten om deze nu nog slechts vermakelijk aandoende fantasieën gewichtig uit te pluizen en de superioriteit van hun eigen nuchtere denkvermogen tegenover zulke ‘waanzin’ te stellen. Liever verheugen wij ons over de geniale gedachtekiemen en gedachten die overal door het fantastisch omhulsel heen breken en waarvoor die filisters blind zijn.

Saint-Simon werpt reeds in zijn Brieven uit Genève de stelling op dat

‘alle mensen moeten werken’.

In hetzelfde geschrift weet hij al dat het Schrikbewind de heerschappij van de bezitloze massa was.

‘Ziet,’ roept hij hun toe, ‘wat er in Frankrijk gebeurd is in de tijd dat uw kameraden daar heersten: zij hebben hongersnood teweeggebracht.’ [184]

Maar om de Franse Revolutie als een klassenstrijd tussen adel, burgerdom en bezitlozen op te vatten, dat was in het jaar 1802 een hoogst geniale ontdekking. In 1816 verklaart hij dat de politiek de wetenschap van de productie is, en voorspelt dat de politiek geheel en al in de economie zal opgaan. [185] Wanneer het inzicht, dat de economische toestand de grondslag van de politieke instellingen is, zich hier nog pas in de kiem toont, dan is toch de overbrenging van de politieke regering over mensen naar een beheer van dingen en een leiding van productieprocessen, bijgevolg de onlangs met zoveel rumoer in eindeloze herhalingen aan de orde gestelde afschaffing van de staat, reeds duidelijk uitgesproken. Evenzeer stak hij boven zijn tijdgenoten uit, toen hij in 1814, terstond na de intocht der Bondgenoten in Parijs, en nog eens in 1815, gedurende de oorlog van de Honderd Dagen, het bondgenootschap van Frankrijk met Engeland en in de tweede plaats dat van die beide landen met Duitsland als de enige waarborg voor de voorspoedige ontwikkeling en de vrede in Europa proclameerde. [186] Aan de Fransen van 1815 de alliantie met de overwinnaars van Waterloo te prediken, daartoe behoorde ongetwijfeld wat meer moed, dan om aan de Duitse professoren een praatjesoorlog te verklaren. [187]

Terwijl wij bij Saint-Simon een geniale ruimheid van blik ontdekken, waardoor bijna alle niet streng economische gedachten van de latere socialisten bij hem in kiem aanwezig zijn — vinden wij bij Fourier een echt Frans-vernuftige, maar daarom niet minder diep doordringende kritiek op de bestaande maatschappelijke toestanden. Fourier houdt de bourgeoisie, haar geestdriftige proleten van voor en haar belanghebbende lofzangers van na de revolutie, aan hun woord. Ongenadig legt hij de materiële en morele jammerlijkheid van de burgerlijke wereld bloot en stelt daarnaast de schitterende beloften van de Verlichters over een maatschappij waarin slechts de Rede zou heersen, over de alles gelukkig makende beschaving, over het onbegrensde vermogen tot vervolmaking van de mens. Hij stelt eveneens het vergoelijkende gepraat van de toenmalige bourgeois ideologen aan de kaak, toont hoe aan de hoogdravende frase overal de erbarmelijkste werkelijkheid beantwoordt en overlaadt dit reddeloze fiasco van de frase met bijtende spot. Fourier is niet alleen criticus, zijn altijd opgewekte natuur maakt hem tot satiricus en wel tot een der grootste van alle tijden. De met de neergang van de revolutie opbloeiende zwendelspeculatie, evenals de algemene kruideniersgeest van de toenmalige Franse handel schildert hij even meesterlijk als vermakelijk. Een nog groter meesterstuk is zijn kritiek op de burgerlijke vorm van de verhouding tussen de geslachten en de plaats van de vrouw in de burgerlijke maatschappij. Als eerste spreekt hij uit, dat in een bepaalde maatschappij de graad van emancipatie der vrouw de natuurlijke maatstaf voor de algemene emancipatie is. [188] Het indrukwekkendst echter toont zich Fourier in zijn opvatting van de geschiedenis der maatschappij. Hij deelt het hele verloop der geschiedenis tot op heden in vier ontwikkelingstrappen in: de wildheid, het patriarchaat, het barbarendom, de civilisatie, welke laatste met de thans zogenaamde burgerlijke maatschappij samenvalt. Hij toont aan,

‘dat de geciviliseerde maatschappij iedere ondeugd die het barbarendom op eenvoudige wijze beging, tot een gecompliceerd, dubbelzinnig, tweeslachtig, huichelachtig bestaan verheft’,

dat de civilisatie zich in een ‘vicieuze cirkel’ beweegt, in tegenstrijdigheden die zij steeds opnieuw voortbrengt zonder ze te kunnen overwinnen, zodat zij steeds het tegenovergestelde bereikt van hetgeen zij bereiken wil, of voorgeeft te willen bereiken. [189] Zodat bv.

‘in de civilisatie de armoede uit de overvloed zelf ontstaat’ [190]

Zoals men ziet hanteert Fourier de dialectiek even meesterlijk als zijn tijdgenoot Hegel. Even dialectisch stelt hij tegenover het gepraat over het onbegrensde vermogen tot volmaking van de mens het feit, dat iedere historische fase haar stijgende maar ook haar dalende lijn heeft [191] en hij past deze beschouwingswijze ook op de toekomst van de gehele mensheid toe. Zoals Kant de toekomstige ondergang van de aarde in de natuurwetenschap, zo voert Fourier de toekomstige ondergang van de mensheid in de geschiedschrijving in.

Terwijl in Frankrijk de orkaan van de revolutie door het land raasde, had in Engeland een stillere, maar daarom niet minder geweldige omwenteling plaats. De stoom en de nieuwe werktuigmachinerie veranderden de manufactuur in moderne grote industrie en revolutioneerden daarmee de gehele grondslag van de burgerlijke maatschappij. De slaperige ontwikkelingsgang van de manufactuurperiode ging over in een ware storm-en-drangperiode van de productie. Met steeds toenemende snelheid voltrok zich in de maatschappij de scheiding tussen grote kapitalisten en bezitloze proletariërs tussen wie, in plaats van de vroegere stabiele middenstand, nu een onbestendige massa van handwerkers en kleine handelaars (het meest fluctuerende deel der bevolking) een wankel bestaan voerde. Nog was de nieuwe productiewijze pas aan het begin van haar stijgende lijn; nog was zij de normale, de onder de gegeven omstandigheden enig mogelijke productiewijze. Maar reeds toen bracht zij schreeuwende sociale wantoestanden teweeg: opeenhoping van een ontwortelde bevolking in de slechtste woonwijken van de grote steden — het verloren gaan van al de overgeleverde banden van herkomst, patriarchale levenswijze en familie — overwerktheid, vooral van vrouwen en kinderen in schrikbarende mate — massale demoralisatie van de plotseling in geheel nieuwe verhoudingen geworpen arbeidende klasse. Toen trad een negenentwintigjarige fabrikant als hervormer op, een man van een tot het verhevene kinderlijke eenvoud van karakter en tegelijk een geboren leider van mensen, als weinigen. Robert Owen had zich de leer van de materialistische Verlichters eigen gemaakt, volgens welke het karakter van de mens enerzijds het product is van zijn aangeboren eigenschappen en anderzijds van de hem gedurende zijn leven, maar vooral gedurende zijn ontwikkelingsperiode, omringende omstandigheden. In de industriële revolutie zagen de meeste van zijn standgenoten slechts verwarring en chaos, goed om in troebel water te vissen en zich snel te verrijken. Hij zag daarin de gelegenheid om zijn lievelingsstelling toe te passen en daarmee orde in de chaos te brengen. Reeds had hij het in Manchester als leider van de vijfhonderd arbeiders van een fabriek met succes beproefd. Van 1800 tot 1829 leidde hij de grote katoenspinnerij van New Lanark in Schotland als besturend vennoot in dezelfde geest, maar met grotere vrijheid van handelen en met een succes dat hem een Europese vermaardheid bezorgde. Een geleidelijk tot 2500 personen aangroeiende, oorspronkelijk uit de meest gemengde en grotendeels sterk gedemoraliseerde elementen samengestelde bevolking maakte hij tot een echte modelkolonie, waarin dronkenschap, politie, strafrechter, processen, armenzorg, behoefte aan liefdadigheid onbekende dingen waren. En wel eenvoudig doordat hij de mensen in menswaardiger omstandigheden bracht en vooral het opkomende geslacht een zorgvuldige opvoeding liet geven. Hij was de uitvinder van de bewaarscholen en voerde ze hier voor het eerst in. Van het tweede levensjaar af kwamen de kinderen in de school, waar zij zich zo goed amuseerden dat zij bijna niet meer naar huis te krijgen waren. Terwijl zijn concurrenten dertien tot veertien uren per dag lieten werken, werd in New Lanark slechts tien en een half uur gewerkt. Toen het bedrijf door een katoencrisis gedurende 4 maanden stilgelegd moest worden, werd aan de arbeiders die zonder werk waren het volle loon uitbetaald. En daarbij had de onderneming haar waarde meer dan verdubbeld en aan de eigenaars tot het laatst toe een ruime winst uitgekeerd.

Met dit alles was Owen niet tevreden. Wat hij zijn arbeiders verschaft had, was in zijn ogen nog lang geen menswaardig bestaan;

‘de mensen waren mijn slaven’;

de betrekkelijk gunstige omstandigheden, waarin hij hen had gebracht, veroorloofden bij lange na nog geen alzijdige en rationele ontwikkeling van karakter en verstand, laat staan de mogelijkheid een leven van vrije activiteit te voeren.

‘En toch produceerde het arbeidende deel van deze 2.500 mensen evenveel werkelijke rijkdom voor de maatschappij, als nauwelijks een halve eeuw tevoren een bevolking van 600.000 had kunnen voortbrengen. Ik vroeg mij af: wat gebeurt er met het verschil tussen de door 2.500 personen verbruikte rijkdom en die welke de 600.000 hadden moeten verbruiken?’

Het antwoord was duidelijk. Het was gebruikt om de bezitters van de onderneming vijf percent rente van het bedrijfskapitaal en bovendien nog meer dan 300.000 Pond Sterling (6.000.000 Mark) winst uit te keren. En wat voor New Lanark gold, dat gold in nog hogere mate voor alle fabrieken van Engeland.

‘Zonder deze nieuwe, door de machines geproduceerde rijkdom had men de oorlogen om Napoleon ten val te brengen en de aristocratische maatschappijbeginselen staande te houden, niet kunnen voeren. En toch was deze nieuwe macht de schepping van de arbeidende klasse.’ [192]

Haar moesten daarom ook de vruchten toebehoren. De nieuwe, geweldige productiekrachten die tot dusver slechts dienden tot verrijking van enkelen en tot knechting van de massa, boden aan Owen de grondslag voor een nieuwe inrichting van de maatschappij en hun bestemming was dat zij als gemeenschappelijk eigendom van allen slechts voor het gemeenschappelijk welzijn van allen zouden werken.

Op zulk een zuiver zakelijke wijze, om zo te zeggen als vrucht van een koopmansberekening, ontstond het communisme van Owen. Dit op de praktijk gerichte karakter behield het steeds. Zo stelde Owen in 1823 de opheffing van de ellende in Ierland door middel van communistische kolonies voor, en voegde er volledige berekeningen over oprichtingskosten, jaarlijkse uitgaven en vermoedelijke opbrengst aan toe. [193] Zo is in zijn definitief toekomstplan de technische uitwerking van bijzonderheden met zoveel kennis van zaken geschied dat, wanneer men eenmaal de methode van Owen tot hervorming van de maatschappij aanvaardt, er tegen de onderdelen zelf van vakstandpunt uit slechts weinig in te brengen is.

De schrede naar het communisme was het keerpunt in Owens leven. Zolang hij alleen als filantroop was opgetreden, had hij niet anders dan rijkdom, instemming, eer en roem geoogst. Hij was de populairste man in Europa. Niet alleen zijn standgenoten, ook staatslieden en vorsten luisterden met instemming naar hem. Toen hij echter met zijn communistische theorieën optrad nam de zaak een wending. Drie grote hinderpalen vooral schenen hem de weg tot maatschappelijke hervorming te versperren: de particuliere eigendom, de godsdienst en de tegenwoordige vorm van het huwelijk. Hij wist wat hem te wachten stond, wanneer hij ze aanviel: de gehele officiële maatschappij zou hem in de ban doen en zijn hele sociale positie zou hij verliezen. Maar hij liet er zich niet van afhouden, ze onverbiddelijk aan te vallen; en wat hij voorzien had, gebeurde. Verbannen uit de officiële maatschappij, doodgezwegen door de pers, verarmd door mislukte communistische proefnemingen in Amerika, waaraan hij zijn gehele vermogen opgeofferd had, wendde hij zich direct tot de arbeidersklasse en zette in haar midden nog dertig jaren zijn werk voort. Alle maatschappelijke bewegingen, elke vooruitgang die in Engeland in het belang van de arbeiders tot stand kwam, is met de naam Owen verbonden. Zo zette hij in 1819, na vijf jaren ingespannen arbeid, de eerste wet tot beperking van vrouwen- en kinderarbeid in de fabrieken door. [194] Zo was hij voorzitter van het eerste congres waar de Trade Unions van geheel Engeland tot één groot vakverbond verenigd werden [195]. Zo voerde hij als overgangsmaatregelen naar de volledige communistische inrichting van de maatschappij enerzijds de coöperaties in (verbruiks- en productiecoöperaties), die sindsdien althans het praktische bewijs hebben geleverd, dat zowel de koopman als de fabrikant alleszins ontbeerlijke personen zijn, en anderzijds de arbeidsbazaars, inrichtingen tot ruil van arbeidsproducten door middel van een arbeidspapiergeld, waarvan het arbeidsuur de eenheid uitmaakte. [196] Deze instellingen moesten noodzakelijkerwijze mislukken, maar zij liepen toch geheel op de veel latere ‘ruilbank’ [197] van Proudhon vooruit, waarvan zij juist verschilden doordat zij niet optraden als het universeel geneesmiddel voor alle maatschappelijke kwalen, maar slechts als een eerste stap op de weg naar een veel radicalere hervorming van de maatschappij.

Dat zijn de mannen op wie de soevereine heer Dühring uit de hoogte van zijn ‘definitieve waarheid in laatste instantie’ met de verachting neerziet, waarvan wij in de Inleiding enige voorbeelden hebben gegeven. En voor deze verachting bestaat, van één kant gezien, een voldoende reden: zij berust nl. in wezen op een waarlijk schrikbarende onwetendheid betreffende de geschriften van de drie utopisten. Zo wordt van Saint-Simon beweerd, dat

‘zijn grondgedachte in wezen steekhoudend was en afgezien van enige eenzijdigheden nog heden ten dage de leidende stimulans voor werkelijke hervormingen levert’.

Hoewel de heer Dühring inderdaad enkele van Saint-Simons werken in handen schijnt te hebben gehad, zoeken wij deze ‘grondgedachten.’ van Saint-Simon in de desbetreffende zevenentwintig bladzijden druk even vergeefs, als vroeger datgene wat het ‘Economische Tableau’ van Quesnay, ‘bij Quesnay zelf te betekenen heeft’. En zo moeten wij ons tenslotte laten afschepen met de frase:

‘dat de verbeelding en de filantropische gemoedsbeweging... met de daarbijbehorende overspannen fantasie de gehele ideeënkring van Saint-Simon beheerste!’

Wat de heer Dühring van Fourier weet en waaraan hij aandacht besteedt zijn slechts de in romantische bijzonderheden geschilderde toekomstfantasieën, wat zeer zeker voor het constateren van de oneindige superioriteit van de heer Dühring boven Fourier ‘veel belangrijker is’ dan te onderzoeken hoe deze ‘de werkelijke toestanden nu en dan tracht te kritiseren’. Nu en dan! Op bijna elke bladzijde van zijn werken sproeien namelijk de vonken van satire en kritiek over de misère der veelgeprezen civilisatie. Dat zou net zijn, alsof men zei, dat de heer Dühring slechts ‘nu en dan’ de heer Dühring tot de grootste denker van alle tijden uitroept. Wat nu echter de twaalf aan Robert Owen gewijde bladzijden betreft, daarvoor heeft de heer Dühring absoluut geen andere bron dan de miserabele biografie van de filister Sargant die de belangrijkste geschriften van Owen — over het huwelijk en over het communistische stelsel [198] — evenmin kende. De heer Dühring kan zich daarom brutaalweg de bewering veroorloven dat men bij Owen ‘geen consequent communisme veronderstellen’ mag. Het is waar dat indien de heer Dühring Owens Book of the New Moral World ook maar in de hand gehad had, hij daarin niet alleen het meest consequente communisme, met gelijke arbeidsplicht en gelijk recht op het arbeidsproduct — gelijk naargelang van de leeftijd, zoals Owen er telkens bijvoegt — zou hebben aangetroffen, maar ook de volledige uitwerking van het gebouw voor de communistische toekomstgemeenschap, met plattegrond, gevels en perspectief in vogelvlucht.

Wanneer men echter de ‘directe studie van de eigen geschriften der vertegenwoordigers van de socialistische gedachtenkring’ tot de kennis van de titel en hoogstens nog... tot die van het motto van enkele dezer geschriften beperkt, zoals hier de heer Dühring, dan blijft er inderdaad niets anders over dan zulk een onnozele en eenvoudig uit de duim gezogen bewering. Owen heeft niet slechts het ‘consequente communisme’ gepredikt. Hij heeft het ook vijf jaar lang (einde ‘dertig en begin’ veertig) in de kolonie van Harmony Hall [199] in Hampshire, waarvan het communisme aan consequentheid niets te wensen overliet, in praktijk gebracht. Zelf heb ik verscheidene vroegere leden van deze communistische modelproefneming gekend. Maar van dit alles, zoals trouwens van heel Owens werkzaamheid tussen 1836 en 1850, weet Sargant absoluut niets en daarom blijft ook de ‘diepere geschiedschrijving’ van de heer Dühring in pikduistere onwetendheid. De heer Dühring noemt Owen ‘in ieder opzicht een waar wangedrocht van filantropische opdringerigheid’. Wanneer echter dezelfde heer Dühring ons inlicht over de inhoud van boeken, waarvan hij ternauwernood de titel en het motto kent, dan mogen wij om de dood niet zeggen dat hij ‘in ieder opzicht een waar wangedrocht van onwetende opdringerigheid’ is, want dat zou toch in onze mond ‘gescheld’ zijn.

De utopisten, zagen wij, waren utopisten, omdat zij niets anders konden zijn in een tijd waarin de kapitalistische productiewijze nog zo weinig ontwikkeld was. Zij waren genoodzaakt om de elementen van een nieuwe maatschappij uit hun hoofd te construeren, omdat deze elementen in de oude maatschappij zelf nog niet algemeen zichtbaar aan de dag traden. Zij moesten zich voor de grondslagen van hun nieuwe bouwwerk tot een beroep op de rede beperken, omdat zij zich nu eenmaal nog niet op de geschiedenis van hun tijd konden beroepen. Maar wanneer thans, bijna tachtig jaren na hun optreden, de heer Dühring ten tonele verschijnt en er aanspraak op maakt een ‘toonaangevend’ systeem van een nieuwe maatschappijorde te ontwikkelen, niet uit het voorhanden historisch ontwikkelde materiaal en als noodzakelijk resultaat daarvan, neen, maar uit zijn soevereine hoofd, uit zijn van definitieve waarheden zwanger verstand, dan is hij die overal epigonen speurt, zelf slechts de epigoon van de utopisten, de nieuwste utopist. Hij noemt de grote utopisten ‘sociale alchimisten’. Het zij zo. De alchimie was in haar tijd noodzakelijk. Maar sindsdien heeft de grote industrie de tegenstellingen die in de kapitalistische productiewijze sluimerden, tot zulke ten hemel schreiende tegenstrijdigheden ontwikkeld, dat de naderende ineenstorting van deze productiewijze om zo te zeggen met handen te grijpen is; dat de nieuwe productiekrachten zelf slechts in stand gehouden en verder ontwikkeld kunnen worden door invoering van een nieuwe productiewijze die aan hun tegenwoordige graad van ontwikkeling beantwoordt; dat de strijd tussen de beide, uit de tot dusver bestaande productiewijze voortgekomen en in steeds scherper tegenstelling gereproduceerde klassen, zich van alle beschaafde landen heeft meester gemaakt en van dag tot dag heftiger wordt; en dat het inzicht in deze historische samenhang, in de voorwaarden Voor de daardoor noodzakelijk geworden sociale omvorming en in de evenzeer daardoor bepaalde grondtrekken van deze omvorming ook reeds verkregen is. En wanneer nu de heer Dühring, in plaats van uit het voorhanden economische materiaal, uit zijn doorluchtige hersenpan een nieuwe utopische maatschappijorde construeert, dan beoefent hij niet maar eenvoudig ‘sociale alchimie’. Hij gedraagt zich veeleer als iemand die na de ontdekking en de vaststelling van de wetten van de moderne chemie, de oude alchimie weer in ere zou willen herstellen, en die de atoomgewichten, de moleculaire formules, de atoomvalenties, de kristallografie en de spectraalanalyse alleen maar zou willen gebruiken om — de steen der wijzen te ontdekken.


Voetnoten

[a0] Vergelijk ‘Filosofie’ I. [181]

[180] Engels bedoelt het begin van het eerste hoofdstuk van de Inleiding (zie blz. 16-17). Eerst werden in het blad Vorwärts de eerste 14 hoofdstukken van de Anti-Dühring gepubliceerd onder de titel De heer Eugene Dührings omwenteling in de filosofie. Te beginnen met de eerste aparte uitgave van het boek werden de eerste 2 hoofdstukken afgescheiden in een Inleiding t.o.v. de rest van het werk, de volgende 12 hoofdstukken werden deel I: Filosofie. De numeratie van de hoofdstukken werd echter niet veranderd: deze bleef hetzelfde voor de inleiding en het eerste deel. De voetnoot bij hoofdstuk 1 van deel Filosofie werd reeds door Engels gegeven bij de publicatie van de tekst van de Anti-Dühring in de krant en bleef zonder veranderingen bewaard in al de aparte uitgaven van het boek tijdens het leven van de schrijver.

[181] Schrikbewind — periode van de revolutionair-democratische dictatuur van de jakobijnen (juni 1793—juli 1794), toen in antwoord op de contrarevolutionaire terreur van de girondijnen en de royalisten de jakobijnen tot revolutionaire terreur overgingen.

Directoire (bestond uit vijf directeurs waarvan ieder jaar een lid opnieuw gekozen werd) — leidinggevend orgaan van de uitvoerende macht in Frankrijk, opgericht in overeenstemming niet de constitutie van 1795, aangenomen na de val in 1794 van de revolutionaire dictatuur van de jakobijnen; bestond tot Bonapartes staatsgreep in 1799; onderhield een terreurregime tegen de democratische krachten en verdedigde de belangen van de grote bourgeoisie.

[182] Bedoeld wordt de leuze van de Franse burgerlijke revolutie aan het eind van de XVIIIe eeuw: ‘Vrijheid. Gelijkheid. Broederschap’.

[183] Letters d’un habitant de Genève à ses contemporains (Brieven van een bewoner van Genève aan zijn tijdgenoten) — is het eerste werk van Saint-Simon. Het werd in 1802 in Genève geschreven en in 1803 in Parijs anoniem gepubliceerd zonder plaats en tijdaanduiding.

Het eerste grote werk van Fourier was zijn boek Théorie des quatro mouvements et des destinées générales (Theorie van de vier bewegingen en het lot in het algemeen) werd in het begin van de XIXe eeuw geschreven en in 1808 in Lyon anoniem uitgegeven (waarschijnlijk vanwege de censuur werd op het titelblad Leipzig inplaats van Lyon genoemd).

New Lanark — katoenspinnerij in de nabijheid van de Schotse stad Lanark, opgericht in 1784, met een kleine nederzetting erbij.

[184] Engels citeert de tweede brief uit het werk van Saint-Simon Brieven van een bewoner van Genève aan zijn tijdgenoten.

[185] Engels bedoelt een fragment uit de Brieven van Saint-Simon aan een Amerikaan (brief acht). Deze brieven werden gepubliceerd in de bundel H. Saint-Simon, L’Industrie, ou Discussions politiques, morales et philosophiques, dans l’intérêt de tous les hommes livrés à des travaux utiles et indépendans (De industrie of politieke, morele en filosofische discussies in het belang van al de mensen die zich aan nuttige en onafhankelijke werken gewijd hebben), deel II, Parijs 1817.

[186] Engels bedoelt twee door Saint-Simon samen met zijn leerling A. Thierry, geschreven werken De la réorganisation de la société européenne, ou De la nécessité et des moyens de rassembler les peuples de l’Europe en un seul corps politique, en conservant à chacun son indépendance nationale (Over de reorganisatie van de Europese maatschappij, of over de noodzaak en de middelen om de volkeren van Europa te verenigen in een politiek lichaam waarbij ieder volk zijn nationale onafhankelijkheid bewaart) en Opinion sur les mesures à prendre contre la coalition de 1815 (Opinie over de tegen de coalitie van 1815 te nemen maatregelen). Beide brochures werden in Parijs uitgegeven, de eerste in oktober 1814, de tweede in 1815.

De geallieerde legers van de landen-deelnemers aan de zesde anti-Franse coalitie (Rusland, Oostenrijk, Engeland, Pruisen en andere staten) trokken op 31 maart 1814 Parijs binnen. Het keizerrijk van Napoleon viel en Napoleon zelf was na zijn abdicatie genoodzaakt zich in verbanning op het eiland Elba terug te trekken. In Frankrijk vond de eerste restauratie van de monarchie der Bourbons plaats.

Honderd dagen — korte periode van het tweede keizerschap van Napoleon, na zijn terugkeer van Elba in Parijs, van 20 maart tot 22 juni 1815, de datum van zijn tweede abdicatie na de nederlaag bij Waterloo.

[187] Bij Waterloo (België) werd het leger van Napoleon op 18 juni 1815 verslagen door de Engels-Hollandse legers onder het bevel van Wellington en het Pruisische leger onder bevel van Blücher. Deze slag speelde een beslissende rol in de veldtocht van 1815 en bepaalde de uiteindelijke overwinning van de zevende coalitie tegen Frankrijk (Engeland, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Zweden, Spanje en andere staten) en de val van het keizerrijk van Napoleon.

Over de ‘Klatschkrieg’ van Dühring met de Duitse professoren — zie voetnoot 9.

[188] Deze gedachte ontwikkelde Fourier al in zijn eerste boek: Theorie der vier bewegingen, waar o.a. de volgende algemene stelling in staat: “Les progrès sociaux et changements de période s’opérent en raison du progrès des femmes vers la liberté, et les décadances d’ordre social s’opérent en raison du décroissement de la liberté des femmes... En résumé: 1’extension des privilèges des femmes est le principe général de tous progrès sociaux.” (De sociale vooruitgang en de veranderingen van de periode gaan begeleid van het groter worden van de vrijheid der vrouwen, en het verval van de maatschappelijke orde gaat gepaard aan het verminderen van de vrijheid der vrouwen... In het kort samengevat: het uitbreiden van de privileges der vrouwen is het hoofdprincipe voor iedere sociale vooruitgang). Ch. Fourier, Oeuvres complètes, vol. I, Parijs 1841, blz. 195-196.

[189] Zie Ch. Fourier, Théorie de 1’unité universelle (Theorie van de wereldeenheid), vol. I en IV; Oeuvres complètes (Volledige werken), vol. II, Parijs 1843, blz. 78-79 en vol. V, Parijs 1841, blz. 213-214.

Over de ‘vicieuze cirkel’, waarin de bouw van de civilisatie zich beweegt zie Ch. Fourier, Le Nouveau Monde industriel et sociétaire, ou Invention du procédé d'industrie attrayante et naturelle distribuée en séries passionnées (De nieuwe industriële en societaire wereld of de uitvinding van een methode van een aantrekkelijke en natuurlijke arbeid, verdeeld in gepassionneerde series), Oeuvres complètes, vol. VI, Parijs 1845, blz. 27-46, 390. De eerste uitgave van het werk verscheen in Parijs in 1829. Zie tevens Ch. Fourier, Oeuvres complètes (Volledige werken), deel I, Parijs 1841, blz. 202-264.

[190] Ch. Fourier, Oeuvres complètes (Volledige werken), vol. VI, Parijs 1845, blz. 35.

[191] Ch. Fourier, Oeuvres complètes (Volledige werken), vol. I, Parijs 1841, blz. 50 en volgende.

[192] Hier geeft Engels in de Ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap een aantekening die verwijst naar de bron van de op deze bladzijde aangehaalde citaten: R. Owen, The revolution in the mind and practice of the human race; or the coming change from irrationality to rationality (De revolutie in de gedachte en de praktijk van het menselijke ras; of de komende verandering van irrationalisme naar rationalisme), Londen 1849.

De op de voorgaande bladzijde gegeven feiten uit de biografie van Owen werden uit dezelfde bron geput.

[193] R. Owen, Report of the proceedings at the several public meetings, held in Dublin... on the 18th March, 12th April, 191.h April and 3rd May (Rapport over de werkzaamheden op de verschillende publieke meetings, gehouden in Dublin... op de 18e rnaart, de 12e april, de 19e april en de 3e mei), Dublin 1823.

[194] In januari 1815 stelde Owen op een grote publieke vergadering in Glasgow verschillende maatregelen voor ter verlichting van de toestand van de kinderen en volwassen arbeiders op de fabrieken. De bill die op initiatief van Owen in juni 1815 werd ingediend, werd door het parlement als wet pas aangenomen in juli 1819, maar ook toen was hij sterk besnoeid. Deze wet regelde de arbeid op de katoenfabrieken, verbood het werk van kinderen beneden de 9 jaar, verkortte de arbeidsdag tot 12 uur voor personen onder de 18 en bepaalde dat alle arbeiders tweemaal schafttijd kregen, voor ontbijt en middageten, met een totale duur van 1½ uur.

[195] In october 1833 vond onder het voorzitterschap van Owen in Londen een congres van coöperatieve gemeenschappen en vakbonden plaats waarop formeel de Grote Nationale Vereniging van Productiebonden van Groot-Brittannië en Ierland werd gesticht; de statuten van de Vereniging werden in februari 1834 aangenomen. Volgens de idee van Owen zou deze Vereniging het bestuur van de productie op zich moeten nemen en langs vreedzame weg de volledige hervorming van de maatschappij moeten verwezenlijken. Dit utopische plan leed al heel vlug schipbreuk. De stichting ondervond sterke tegenstand van de zijde van de burgerlijke maatschappij en de staat, waardoor zij in augustus 1834 uiteenviel.

[196] Equitable Labour Exchange Bazaars (bazaars voor gerechte ruil van arbeidproducten) — werden gesticht door coöperatieve arbeidersverenigingen in verschillende steden van Engeland. De eerste bazaar werd in Londen in september 1832 door Robert Owen opgericht en bestond tot het midden van 1834.

[197] De poging om een ruilbank te organiseren ondernam Proudhon tijdens de revolutie 1848—1849. Zijn Banque de peuple (Volksbank) werd in Parijs op 31 januari 1849 opgericht. De bank bestond ongeveer twee maanden en dan alleen nog maar op papier. Hij ging failliet nog voor hij regelmatig functioneerde en werd begin april gesloten.

[198] W. L. Sargant, Robert Owen, and his social philosophy (Robert Owen en zijn sociale filosofie), Londen 1860.

De hoofdwerken van Owen over het huwelijk en het communistische stelsel zijn: The marriage system of the new moral world (Huwelijkssysteem van de nieuwe morele wereld), 1838, The book of the new moral world (Het boek over de nieuwe morele wereld), 1836—1844 en The revolution in the mind and practice of the human race (De revolutie in de gedachte en de praktijk van het menselijke ras), 1849.

[199] Harmong hall — naam van een communistische kolonie, die met R. Owen aan het hoofd door Engelse socialisten-utopisten aan het eind van 1839 op het grondbezit Queenwood (graafschap Hampshire, Engeland) werd gesticht. De kolonie bestond tot 1845.