Friedrich Engels
Anti-Dühring


V. Staat, gezin, opvoeding

Met de beide vorige hoofdstukken hebben wij nu de economische inhoud van het ‘nieuwe socialitaire stelsel’ van de heer Dühring vrijwel uitgeput. Hoogstens zou nog op te merken zijn, dat ‘de universele wijdte van het historisch perspectief’ hem niet belet zijn eigen speciale belangen te behartigen, ook afgezien van de bekende matige extra-consumptie. Daar de oude arbeidsverdeling in de socialiteit blijft bestaan, zal de bedrijfscommune, behalve met architecten en kruiers, ook met letterkundigen van beroep rekening moeten houden, waarbij dan de vraag rijst hoe het er met het auteursrecht zal uitzien. Deze vraag houdt de heer Dühring meer dan enige andere bezig. Overal, bv. waar van Louis Blanc en Proudhon sprake is, komt het auteursrecht de lezer tussen de benen gelopen, om eindelijk negen bladzijden van de ‘Cursus’ lang breed uitgemeten en in de vorm van een mysterieuze ‘arbeidsbeloning’ — hetzij met of zonder een matige extra-consumptie, dat wordt er niet bij gezegd — behouden in de haven van de socialiteit te worden binnengeloodst. Een hoofdstuk over de plaats die de vlo in het natuurlijke systeem van de maatschappij inneemt, zou even goed op zijn plaats en in ieder geval minder vervelend geweest zijn.

Over de staatsorde van de toekomst geeft de ‘Filosofie’ uitvoerige voorschriften. Hier heeft Rousseau, hoewel ‘de enige voorganger van betekenis’ van de heer Dühring, toch de grondslag niet diep genoeg gelegd. Zijn diepzinniger opvolger weet dat grondig te verhelpen, door Rousseau tot het uiterste te verdunnen met een waterige soep getrokken van de afvallen van Hegels Rechtsfilosofie. ‘De soevereiniteit van het individu’ vormt de grondslag van Dührings toekomststaat. Zij behoort door de heerschappij van de meerderheid niet onderdrukt te worden, maar moet daarin eerst recht haar hoogtepunt bereiken. Hoe gaat dat in zijn werk? Heel eenvoudig.

‘Wanneer men in alle richtingen overeenkomsten van ieder met ieder ander tot grondslag neemt en wanneer deze verdragen de wederzijdse hulpverlening tegen onrechtvaardige krenkingen regelen — dan wordt slechts de macht tot handhaving van recht versterkt en wordt geen recht ontleend aan de eenvoudige overmacht van de menigte over de enkeling of van de meerderheid over de minderheid’.

Zo gemakkelijk glijdt de levende kracht van de ‘werkelijkheidsfilosofische’ hocus-pocus over de onoverkomelijkste hindernissen heen. En wanneer de lezer meent dat hij daarna niets wijzer is dan voorheen, antwoordt de heer Dühring hem dat hij de zaak vooral niet te licht moet opvatten, want

‘het geringste mistasten in de opvatting van de rol van de algemene wil zou de soevereiniteit van het individu vernietigen; en het is deze soevereiniteit alleen, wat (!) tot de afleiding van werkelijke rechten voert’.

De heer Dühring behandelt zijn publiek, wanneer hij het voor de mal houdt juist zoals het dit verdient. Hij zou het er zelfs nog veel dikker op kunnen leggen, de navolgers van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ zouden het toch niet bemerkt hebben.

De soevereiniteit van het individu bestaat nu hoofdzakelijk daarin dat

‘de enkeling aan de absolute dwang van de staat onderworpen wordt’, maar dat deze dwang slechts in zoverre te rechtvaardigen is, als hij ‘werkelijk de natuurlijke gerechtigheid dient’. Tot dit doel zullen er ‘wetgeving en rechters’ zijn, maar zij ‘moeten in handen van de gemeenschap blijven’. Verder een weerbaarheidsbond die zijn uitdrukking vindt in de ‘samenwerking in het leger of in een afdeling van de uitvoerende macht voor de inwendige veiligheid’,

dus ook leger, politie, gendarmes. De heer Dühring is reeds zo vaak een brave Pruis gebleken, hier bewijst hij dat hij de vergelijking kan doorstaan met de model-Pruis die, volgens wijlen minister Von Rochow, ‘zijn eigen gendarme in zijn boezem draagt’. Deze toekomstgendarmerie zal echter niet zo gevaarlijk zijn als de tegenwoordige ‘knolsmerissen.’ Wat zij ook aan het soevereine individu moge begaan, er blijft hem altijd een troost:

‘het recht of onrecht dat hem dan, al naar omstandigheden, door de vrije maatschappij wordt aangedaan kan nooit iets erger zijn dan wat ook de natuurtoestand zou meebrengen’.

En dan, nadat de heer Dühring ons nog eens over zijn onvermijdelijk auteursrecht heeft laten struikelen, verzekert hij ons dat er in zijn toekomstwereld

‘een natuurlijk volkomen vrije en algemene advocatenstand’

zal zijn. ‘De nu uitgedachte vrije maatschappij’ wordt steeds heterogener. Architecten, kruiers, letterkundigen, gendarmes en nu ook nog advocaten! Dit ‘solide en kritische gedachtenrijk’ lijkt als twee druppels water op de verschillende hemelrijken van de verschillende godsdiensten, waarin de gelovige steeds dat in verheerlijkte staat weervindt, wat hem zijn aardse leven verzoet heeft. En de heer Dühring behoort immers tot die staat, waarin ‘ieder op zijn eigen wijze zalig kan worden’. [225] Wat wil men meer?

Wat wij zouden willen doet hier echter niets ter zake. Het komt er op aan wat de heer Dühring wil. En van Frederik II verschilt deze daarin, dat in de toekomststaat van de heer Dühring in geen geval ieder op zijn eigen wijze zalig kan worden. In de grondwet van die toekomststaat heet het:

‘In de vrije maatschappij kan geen eredienst bestaan, want elk van haar leden heeft het primitief-kinderlijke oergeloof overwonnen, dat er achter of boven de natuur wezens zouden bestaan waarop men door offers of gebeden zou kunnen inwerken’. Een ‘juist begrepen socialiteitssysteem moet daarom... aan alle uitrustingen voor geestelijke tovenarij en daarmee aan alle wezenlijke bestanddelen van de eredienst een einde maken’.

De godsdienst wordt verboden.

Nu is iedere godsdienst niets anders dan de fantastische weerspiegeling in de hoofden van de mensen van die uiterlijke machten die hun dagelijks bestaan beheersen, een weerspiegeling waarbij de aardse machten de vorm van bovenaardse aannemen. In de begintijden van de geschiedenis zijn het allereerst de machten van de natuur die weerspiegeld worden, en die in de verdere ontwikkeling bij de verschillende volkeren veelvuldige en bonte verpersoonlijkingen doorleven. Dit eerste proces heeft men, althans voor de Indo-europese volkeren, door de vergelijkende mythologie tot op zijn oorsprong in de Indische Veda vervolgd en in zijn voortgang is het bij Indiërs, Perzen, Grieken, Romeinen, Germanen, en voor zover het materiaal het toelaat, ook bij Kelten, Litouwers en Slaven in bijzonderheden aangetoond. Maar weldra oefenen naast de natuurmachten ook maatschappelijke machten hun werking uit, machten die tegenover de mensen even vreemd en in het begin even onverklaarbaar staan, die hen met dezelfde schijnbare natuurnoodzaak beheersen als de natuurmachten zelf. De fantasiegestalten, waarin zich oorspronkelijk slechts de geheimzinnige krachten van de natuur afspiegelen, krijgen daardoor maatschappelijke attributen, worden vertegenwoordigers van historische machten [a9].

Op een iets hogere ontwikkelingstrap worden alle na-natuurlijke en maatschappelijke attributen van de vele goden op één almachtige god overgedragen, die op zijn beurt slechts de afspiegeling van de abstracte mens is. Zo ontstond het monotheïsme dat historisch het laatste product van de latere Griekse gevulgariseerde filosofie was en in de Joodse, uitsluitend nationale god Jahwe zijn verpersoonlijking vond. In deze gemakkelijke, handzame, aan alles aan te passen gestalte kan de religie voortbestaan als onmiddellijke, d.w.z. in het gevoel wortelende vorm van de betrekking der mensen tot de hen beheersende vreemde, natuurlijke en maatschappelijke machten, zolang de mensen onder de heerschappij van zulke machten staan. Wij hebben echter herhaaldelijk gezien dat in de tegenwoordige burgerlijke maatschappij de mensen beheerst worden door de door hen zelf geschapen economische verhoudingen en de door hen zelf geproduceerde productiemiddelen, als door een vreemde macht. De feitelijke grondslag voor de werkzaamheid der religieuze weerspiegeling bestaat dus verder en daarmee de religieuze weerspiegeling zelf. En wanneer ook de burgerlijke economie een zeker inzicht in het oorzakelijke verband van deze vreemde heerschappij mogelijk heeft gemaakt, verandert dit toch niets aan de zaak zelf. De burgerlijke economie kan noch de crisissen in hun geheel verhinderen, noch de afzonderlijke kapitalist voor verliezen, kwade schulden en bankroet, of de afzonderlijke arbeider voor werkloosheid en ellende behoeden. Het is nog altijd: de mens wikt en god (d.i. de aan de mens vreemde heerschappij van de kapitalistische productiewijze) beschikt. Het inzicht alleen, ook al zou dat verder en dieper gaan dan dat van de burgerlijke economie, is niet genoeg om maatschappelijke machten aan de heerschappij van de maatschappij te onderwerpen. Daarvoor is in de eerste plaats een maatschappelijke daad nodig. En wanneer die daad volbracht is, wanneer de maatschappij door inbezitneming en planmatig beheer van de gezamenlijke productiemiddelen zichzelf en al haar leden heeft bevrijd uit het knechtschap waarin zij thans door deze productiemiddelen — die zij zelf hebben voortgebracht, maar die als overweldigende vreemde macht tegenover hen staan — zijn gebracht; wanneer dus de mens niet meer alleen wikt, maar ook beschikt, dan eerst verdwijnt de laatste vreemde macht die zich nu nog in de godsdienst weerspiegelt, en daarmee verdwijnt ook de religieuze weerspiegeling zelf, om de eenvoudige reden, dat er dan niets te weerspiegelen is.

Maar de heer Dühring kan niet afwachten, totdat de religie op deze wijze haar natuurlijke dood sterft. Hij gaat wortelvaster te werk. Hij is nog Bismarckser dan Bismarck. Hij vaardigt verscherpte meiwetten [226] uit, niet alleen tegen het katholicisme, maar tegen de godsdienst in het algemeen. Hij hitst zijn toekomstgendarmes tegen de religie op en bezorgt haar daarmee het martelaarschap en een langere levensduur. Waar wij ook kijken, het is alles specifiek Pruisisch socialisme.

Nadat de heer Dühring het aldus heeft klaargespeeld de religie te vernietigen,

kan nu de alleen op zichzelf en op de natuur aangewezen en tot het inzicht van zijn collectieve krachten gerijpte mens dapper alle wegen inslaan, die de loop der dingen en zijn eigen wezen voor hem openstellen’.

Ter afwisseling willen wij nu nagaan welke ‘loop der dingen’ de op eigen benen gestelde mens, aan de hand van de heer Dühring, dapper kan inslaan.

De eerste loop der dingen, waardoor de mens op zichzelf wordt aangewezen, is dat hij geboren wordt. Daarna blijft hij

voor de tijd van zijn natuurlijke onmondigheid aan de ‘natuurlijke opvoedster der kinderen’, de moeder, toevertrouwd. ‘Deze periode zal, zoals in het oude Romeinse recht, tot de puberteit, dus ongeveer tot het veertiende levensjaar reiken’. Alleen wanneer onopgevoede, oudere jongens voor de moederlijke waardigheid geen eerbied genoeg hebben, zullen de vaderlijke bijstand, maar vooral de openbare opvoedingsmaatregelen dit euvel onschadelijk maken. Met de puberteit komt het kind onder ‘de natuurlijke voogdijschap van de vader’, wanneer er nl. een vader met ‘boven alle twijfel verheven werkelijk vaderschap’ aanwezig is; anders wijst de gemeente een voogd aan.

Zoals de heer Dühring zich vroeger voorstelde dat men de kapitalistische productiewijze door de maatschappelijke zou kunnen vervangen zonder de productie zelf een nieuwe gedaante te geven, zo verbeeldt hij zich hier dat men het modern burgerlijke gezin van zijn gehele economische grondslag zou kunnen losrukken, zonder daardoor zijn gehele vorm te veranderen. Deze vorm is voor hem zo onvatbaar voor verandering, dat hij zelfs het ‘oude Romeinse recht’, zij het in ietwat ‘veredelde’ gedaante, voor het gezin tot in alle eeuwigheid tot maatstaf maakt en zich een gezin slechts als ‘erflatende’, d.w.z. als bezittende eenheid kan voorstellen. De utopisten staan hierin ver boven de heer Dühring. Voor hen was met de vrijwillige vermaatschappelijking van de mensen en de verandering van de huiselijke, particuliere arbeid in een openbare industrie, ook het vermaatschappelijken van de opvoeding der jeugd en daarmee een werkelijk vrije onderlinge verhouding van de gezinsleden direct vanzelfsprekend. En verder heeft Marx al (Het Kapitaal, blz. 515 e.v.) aangetoond hoe ‘de grote industrie met de beslissende rol die zij aan vrouwen, jeugdige personen en kinderen van beiderlei geslacht in maatschappelijk georganiseerde productieprocessen buiten het huiselijke leven toewijst, de nieuwe economische grondslag schept voor een hogere vorm van het gezin en van de verhouding tussen de beide geslachten’. [227]

‘Ieder sociaal-hervormingsgezinde fantast’, zegt de heer Dühring, ‘heeft natuurlijk zijn aan het nieuwe sociale leven beantwoordende opvoedkunde al gereed liggen’.

Met deze zin als maatstaf, verschijnt de heer Dühring als ‘een waar wangedrocht’ onder de sociaal-hervormingsgezinde fantasten. Met de toekomstschool houdt hij zich minstens evenveel bezig, als met het auteursrecht en dat wil heel wat zeggen. Niet slechts voor de gehele ‘afzienbare toekomst’ heeft hij school- en universiteitsplannen kant-en-klaar, maar ook voor de overgangsperiode. Bepalen wij er ons intussen toe wat de jeugd van beiderlei geslacht in de definitieve socialiteit in laatste instantie bijgebracht moet worden.

De algemene volksschool biedt

‘alles wat op zich zelf en principieel voor de mensen aantrekkelijk kan zijn’, met name dus ‘de grondslagen en voornaamste resultaten van alle wetenschappen die verband houden met wereld en levensbeschouwingen’. Zij onderwijst dus in de eerste plaats wiskunde en wel zo, dat het gebied van alle principiële begrippen en hulpmiddelen, van het eenvoudige optellen en aftrekken tot en met de integraalrekening, ‘geheel doorgenomen’ wordt.

Dat betekent echter niet dat in deze school werkelijk gedifferentieerd en geïntegreerd zal worden, integendeel. Veeleer moeten daar geheel nieuwe elementen van de wiskunde in haar geheel onderwezen worden, die zowel de gewone elementaire, alsook de hogere wiskunde in de kiem dragen. Hoewel nu de heer Dühring van zichzelf beweert, dat hij ook reeds de

‘inhoud van de leerboeken’ voor deze toekomstschool ‘in hoofdtrekken schematisch voor ogen heeft’,

toch is het hem tot heden helaas niet gelukt om deze

‘elementen van de wiskunde in haar geheel’

te ontdekken; en wat hij niet bereiken kan, dat

‘is ook werkelijk pas van de vrije en toegenomen krachten van de nieuwe maatschappijtoestand te verwachten’.

Maar waar de druiven van de toekomstwiskunde voorlopig nog erg zuur zijn, zullen zich bij de sterrenkunde, de mechanica en natuurkunde van de toekomst des te minder moeilijkheden voordoen en deze zullen

‘de kern van het hele onderricht leveren’, terwijl ‘plant en dierkunde die, ondanks alle theorieën nog steeds voornamelijk van beschrijvende aard zijn... meer tot lichte ontspanning’ zullen dienen.

Zo staat het gedrukt, op blz. 417 van de ‘Filosofie’. Tot op de huidige dag kent de heer Dühring geen andere plant en dierkunde dan een voornamelijk beschrijvende. Van de gehele organische morfologie die de vergelijkende anatomie, de embryologie en de paleontologie van de organische wereld omvat zijn hem zelfs de namen niet bekend. Terwijl achter zijn rug op het gebied van de biologie geheel nieuwe wetenschappen haast bij dozijnen ontstaan, put zijn kinderlijk gemoed nog altijd ‘de eminent moderne opvoedingselementen van de natuurwetenschappelijke denkwijze’ uit Raff’s Natuurlijke historie voor kinderen en legt deze grondwet van de organische wereld ook aan de gehele ‘afzienbare toekomst’ op. De scheikunde is, zoals wij van hem gewend zijn, ook hier totaal vergeten.

Voor de esthetische zijde van het onderwijs zal de heer Dühring alles opnieuw moeten uitwerken. De bestaande dichtkunst deugt daar niet voor. Waar alle religie verboden is, kan de bij vroegere dichters gebruikelijke ‘opsmukking met mythologie of andersoortige religie’ in de school natuurlijk niet geduld worden. Ook ‘het poëtische mysticisme, zoals bijvoorbeeld Goethe dit sterk beoefend heeft’, is verwerpelijk. De heer Dühring zal er dus zelf toe moeten besluiten, ons de dichterlijke meesterwerken te leveren, die aan ‘de hogere eisen van een met het verstand harmoniërende fantasie beantwoorden’, en het echte ideaal vormen dat ‘de voltooiing der wereld’ betekent. Hij talme daarmee niet! Wereldveroverend kan de bedrijfscommune pas worden zodra zij haar intocht doet in de met het verstand verzoende stormpas van de alexandrijn.

Met de filologie zal de opgroeiende toekomstburger niet veel worden gekweld.

‘De dode talen vallen geheel en al weg... De vreemde levende talen echter zullen... bijzaak blijven’. Slechts daar waar de volksmassa zelf aan het verkeer onder de volkeren deelnemen, moeten deze talen ieder op gemakkelijke wijze, al naar behoefte, toegankelijk worden gemaakt. ‘De werkelijk vormende taalscholing’ wordt gevonden in een soort van algemene spraakkunst en vooral in ‘stof en vorm van de eigen taal’.

De nationale bekrompenheid van de huidige mensen is voor de heer Dühring nog veel te kosmopolitisch. Hij wil ook nog de beide hefbomen afschaffen, die in de tegenwoordige wereld althans nog gelegenheid geven boven het beperkte nationale standpunt uit te komen: de kennis van de oude talen die althans voor de klassiek gevormde mensen van alle volkeren een gemeenschappelijke, bredere horizon opent, en de kennis van de nieuwere talen, het enige middel waardoor mensen van verschillende naties zich met elkaar kunnen verstaan en nader bekend kunnen worden met wat buiten hun eigen grenzen geschiedt. In plaats daarvan moet de spraakkunst van het eigen land er grondig ingestampt worden. ‘Stof en vorm van de eigen taal’ zijn echter eerst dan te begrijpen, wanneer men hun ontstaan en geleidelijke ontwikkeling nagaat en dit is niet mogelijk zonder rekening te houden, ten eerste met haar eigen afgestorven vormen en ten tweede met de aan haar verwante levende en dode talen. Maar daarmee zijn wij weer op het uitdrukkelijk verboden gebied. Wanneer de heer Dühring echter zodoende de gehele moderne, historische spraakleer uit zijn schoolplan schrapt, dan blijft hem voor het taalonderwijs niets anders over dan het ouderwetse geheel in de stijl van de oude klassieke filologie gefatsoeneerde technische spraakkunst, met al haar op gebrek aan historische grondslagen berustende, casuïstiek en willekeur. De haat tegen de oude filologie brengt hem er toe om het allerslechtste product van de oude filologie tot ‘middelpunt van de werkelijk vormende taalscholing’ te verheffen. Men ziet duidelijk dat wij hier met een taalgeleerde te doen hebben, die van heel het historische taalonderzoek, dat zich sinds zestig jaren zo geweldig en met zoveel succes heeft ontwikkeld, nooit heeft horen spreken en die dus ‘de eminent moderne ontwikkelingselementen’ van het taalonderricht niet bij Bopp, Grimm en Diez zoekt, maar bij Heyse en Becker, zaliger nagedachtenis.

Met dit alles zou echter de aankomende toekomstburger nog lang niet ‘op eigen benen gezet’ zijn. Hiertoe behoort weer een diepere fundering, en wel door

‘het zich eigen maken van de laatste wijsgerige grondslagen’. ‘Een zodanige verdieping zal echter... allerminst een reuzentaak blijven’, sedert de heer Dühring hier vrij baan gemaakt heeft. Inderdaad, ‘zuivert men het weinige strenge weten, waarop de algemene schematiek van het Zijn kan bogen, van de onechte, scholastische kronkelingen en besluit men er toe, overal uitsluitend de’ door de heer Dühring ‘erkende werkelijkheid te laten gelden’, dan is de elementaire filosofie ook voor de toekomstjeugd volkomen toegankelijk gemaakt. ‘Men herinnere zich de hoogst eenvoudige wendingen, waarmee wij de oneindigheidsbegrippen en de kritiek daarop een tot dusver ongekende draagwijdte hebben gegeven’ — dan is ‘in het geheel niet in te zien waarom de door de tegenwoordige verdieping en verscherping zo eenvoudig uitgedrukte elementen van de universele opvatting van tijd en ruimte tenslotte niet in de rangorde van het voorbereidend onderwijs opgenomen zouden worden... De meest wortelvaste gedachten’ van de heer Dühring ‘mogen in de universele onderrichtsystematiek van de nieuwe maatschappij geen bijkomstige rol spelen’. De aan zichzelf gelijke toestand van de materie en het afgetelde oneindige getal zijn integendeel geroepen de mens ‘niet alleen op eigen benen te laten staan, maar hem ook uit zichzelf te doen begrijpen, dat hij het zogenaamde absolute onder de voeten heeft.’

De volksschool van de toekomst is, zoals men ziet, niets anders dan een enigszins ‘veredelde’ Pruisische Latijnse school, waar Grieks en Latijn door wat meer zuivere en toegepaste wiskunde, en in het bijzonder door de elementen van de ‘werkelijkheidsfilosofie’ vervangen zijn en het Duitse onderwijs weer tot Becker zaliger, dus ongeveer tot de derde klas wordt teruggebracht. Het is inderdaad ‘in het geheel niet in te zien’ waarom alle ‘takken van kennis’ van de heer Dühring, zoals wij die op de verschillende door hem aangeroerde gebieden als hoogst schooljongensachtig hebben gekenmerkt, of beter gezegd, wat er na voorafgaande grondige ‘zuivering’ dan nog van overblijft — waarom dat niet alles bij elkaar ‘uiteindelijk in de rangorde van het voorbereidend onderwijs zou kunnen worden opgenomen’, aangezien het in werkelijkheid die rangorde nooit verlaten heeft. Zeker heeft de heer Dühring er ook iets over horen verluiden, dat in de socialistische maatschappij arbeid en opvoeding met elkaar verbonden moeten worden en dat daardoor zowel een veelzijdige technische opleiding als een praktische grondslag voor de wetenschappelijke opvoeding moet worden verzekerd. Ook dit punt wordt daarom op de gebruikelijke wijze aan de socialiteit dienstbaar gemaakt. Daar echter de oude arbeidsverdeling, zoals wij zagen, in Dührings toekomstproductie in hoofdzaak rustig blijft voortbestaan, is dit technisch schoolonderricht van iedere latere praktische toepassing, van iedere betekenis voor de productie zelf afgesneden, en het heeft dan ook alleen betekenis voor de school, het moet nl. de gymnastiek vervangen, waarvan onze wortelvaste omwentelaar niets wil weten. Daarom kan hij ons ook slechts enige frases bieden, zoals:

‘jong en oud verrichten arbeid in de ernstige zin van het woord’.

Waarlijk deerniswekkend is echter deze hulpeloze en inhoudsloze tinnengieterij, wanneer men haar vergelijk met de passage in Het Kapitaal (blz. 508—515) waar Marx de stelling ontwikkelt dat ‘uit het fabriekssysteem, zoals men in bijzonderheden bij Robert Owen kan nagaan, de kiem van de opvoeding der toekomst is ontsproten, die voor alle kinderen boven een bepaalde leeftijd productieve arbeid met onderwijs en gymnastiek zal verbinden, niet slechts als een methode om de maatschappelijke productie te verhogen, maar als de enige methode voor het voortbrengen van alzijdig ontwikkelde mensen’. [228]

Slaan wij de universiteit van de toekomst over, waarin de ‘werkelijkheidsfilosofie’ de kern van al het weten zal vormen en waarin naast de medische, ook de juridische faculteit in volle bloei blijft bestaan. Gaan wij ook aan de ‘speciale vakinrichtingen’ voorbij, waarvan wij slechts te horen krijgen dat zij alleen ‘voor een paar leervakken’ zullen gelden. Nemen wij aan dat de jonge toekomstburger na het doorlopen van alle leergangen eindelijk zover ‘op eigen benen neergezet is’, dat hij een vrouw kan gaan zoeken. Welke loop der dingen stelt de heer Dühring dan voor hem open?

‘Met het oog op de belangrijkheid van de voortplanting voor behoud, uitroeiing en vermenging, ja zelfs voor nieuwe scheppende ontwikkeling van eigenschappen, moet men de diepste wortels van het menselijke of onmenselijke grotendeels in de geslachtelijke paring en keuze zoeken, en bovendien in het zorg dragen voor een bepaalde bevordering of vermijding van geboorten. Het oordeel over de roekeloosheid en stompzinnigheid die op dit gebied heersen, moet feitelijk aan een later tijdperk worden overgelaten. Toch moet tenminste reeds aanstonds, zelfs onder de druk van de vooroordelen, begrijpelijk worden gemaakt dat veel belangrijker dan het aantal geboorten, ongetwijfeld de aan de natuur of de menselijke voorzorg gelukte of niet gelukte schepping van de hoedanigheden der nieuwgeborenen is. Weliswaar zijn in alle tijden en onder alle rechtsverhoudingen gedrochten aan de vernietiging prijsgegeven, maar tussen het gezond-normale en het misvormde dat niets menselijks meer heeft, liggen veel tussenschakels... Wanneer de geboorte van een mens wordt voorkomen die toch slechts een gebrekkig schepsel zou worden, dan is dit feit klaarblijkelijk een voordeel’.

Eveneens wordt op een andere plaats gezegd:

‘Voor de wijsgerige beschouwing kan het niet moeilijk zijn om het recht van de ongeboren wereld op zo goed mogelijke compositie... te begrijpen... De ontvangenis en desnoods ook nog de geboorte geven gelegenheid om in dit opzicht voorbehoedende of bij uitzondering ook selectieve voorzorg toe te passen’.

En verder:

‘De Griekse kunst die de mens in marmer idealiseerde, zal niet langer op dezelfde historische betekenis aanspraak kunnen maken zodra de minder artistiek-speelse, en daarom voor het levenslot van de miljoenen veel ernstiger taak ter hand genomen wordt, om de vorming van de mens in vlees en bloed te vervolmaken. Deze soort kunst is niet eenvoudig het bewerken van steen en haar kunstzin bepaalt zich niet tot het beschouwen van dode vormen’ enz.

Onze aankomende toekomstburger valt uit de wolken. Zelfs zonder de heer Dühring wist hij wel, dat het bij het huwelijk niet om de kunst van het steenbewerken gaat en ook niet om het aanschouwen van dode vormen. Maar diezelfde heer Dühring had hem toch beloofd, dat hij alle wegen kon inslaan die de loop der dingen en zijn eigen wezen voor hem openden om een meevoelend vrouwenhart en daarbij behorend lichaam te vinden. Geen sprake van, buldert hem nu de ‘diepere en strengere moraliteit’ toe. Het komt er in de eerste plaats op aan om aan de roekeloosheid en de stompzinnigheid, die op het gebied van de geslachtelijke paring en keuze heersen, een einde te maken, en met het recht van de nieuwgeboren wereld op zo goed mogelijke compositie rekening te houden. Hem gaat het er in dit plechtige ogenblik om de schepping van de mens in vlees en bloed te vervolmaken, om zo te zeggen, een Phidias in vlees en bloed te worden. Hoe moet hij dat aanvangen? De bovengenoemde geheimzinnige uitlatingen van de heer Dühring geven hem daartoe niet de geringste aanwijzing, hoewel deze zelf zegt dat het een ‘kunst’ is. Zou de heer Dühring misschien ook al een handboek voor deze kunst ‘in grondtrekken voor ogen’ hebben, zo ongeveer als er tegenwoordig zo vele in gesloten omslag in de Duitse boekhandel in omloop zijn? Inderdaad leven wij hier niet meer in de socialiteit, maar veeleer in de ‘Toverfluit’ [229], alleen met dit verschil dat de welgedane vrijmetselaarpriester Sarastro nauwelijks voor een ‘tweederangs priester’ kan doorgaan tegenover onze diepere en strengere moralist. De beproevingen die Sarastro aan zijn uit volgelingen bestaande liefdespaartjes oplegde, zijn een waar kinderspel vergeleken bij de ijzingwekkende beproeving waartoe de heer Dühring zijn beide soevereine individuen dwingt voordat hij hun toestaat in de staat van het ‘zedelijke en vrije huwelijk’ te treden. Zo kan het zowaar gebeuren, dat onze ‘op eigen benen neergezette’ toekomst-Tamino wel het zogenaamde absolute onder de voeten heeft, maar dat een van die voeten een paar graden van het rechte vlak afwijkt, zodat boze tongen hem voor een horrelvoet uitschelden. Ook ligt het binnen het gebied der mogelijkheid, dat zijn teerbeminde toekomst-Pamina niet zo kaarsrecht op het meergenoemd absolute staat, als gevolg van een lichte verschuiving ten gunste van de rechterschouder, die de afgunst zelfs voor een klein bocheltje uitmaakt. Wat dan? Zal onze diepere en strengere Sarastro hun verbieden de kunst der mensenvervolmaking in vlees en bloed te beoefenen, zal hij zijn ‘voorbehoedende zorg’ bij de ‘ontvangenis’ of zijn ‘schiftende’ bij de ‘geboorte’ laten gelden? Tien tegen een dat de dingen een andere loop nemen: het liefdespaartje laat Sarastro-Dühring staan en gaat naar de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Halt! — roept de heer Dühring. Zo was het niet bedoeld. Wees toch redelijk.

Bij de ‘hogere, echt menselijke beweegredenen voor heilzame geslachtsverbindingen... is de menselijk veredelde vorm van de geslachtsprikkel, waarvan het hoogtepunt zich uit als hartstochtelijke liefde, in haar tweezijdigheid de beste waarborg voor een vereniging die ook in haar gevolgen aannemelijk zal zijn... het is slechts een gevolg van de tweede orde, dat uit een op zichzelf harmonische betrekking ook een harmonisch samengesteld product voortkomt. Hieruit volgt op zijn beurt, dat iedere dwang schadelijk moet werken’ enz.

En zo komt alles op de beste wijze voor elkaar in de beste aller socialiteiten. Horrelvoet en bocheltje beminnen elkaar hartstochtelijk en bieden daarom ook in hun tweezijdigheid de beste waarborg voor een harmonisch ‘gevolg van de tweede orde’. Het gaat als in een roman: zij beminnen elkaar, zij krijgen elkaar en de hele diepere en strengere moraliteit verloopt, zoals gewoonlijk, in harmonisch lariefarie.

Wat voor nobele opvattingen de heer Dühring in het algemeen van het vrouwelijke geslacht heeft blijkt uit de volgende aanklacht tegen de huidige maatschappij:

‘De prostitutie geldt, in de op verkoop van de ene mens aan de andere berustende onderdrukkingsmaatschappij, als de vanzelfsprekende aanvulling van de gedwongen huwelijksbanden ten gunste van de man, en het is een van de begrijpelijkste, maar ook een van de meest veelbeduidende feiten, dat iets dergelijks ten gunste van de vrouwen onbestaanbaar is’.

Voor niets ter wereld zou ik de dank in ontvangst willen nemen, die de heer Dühring voor dit compliment door de vrouwen zou kunnen worden gebracht. Zou de heer Dühring intussen nooit van de niet meer zo ongewone bron van inkomsten: de ‘rokkenstipendia’ gehoord hebben? En de heer Dühring is toch zelf referendaris [230] geweest en woont in Berlijn, waar reeds in mijn tijd, voor zesendertig jaar, om over de luitenants te zwijgen, het woord referendarius dikwijls genoeg rijmde op rokkenstipendarius... .

***

Men sta ons toe dat wij van ons onderwerp, dat zeker vaak droog en triest genoeg was, op een verzoenend opgeruimde wijze afscheid nemen. Zolang wij de afzonderlijke punten van onderzoek te behandelen hadden, was ons oordeel gebonden aan de objectieve, onbetwistbare feiten, en op grond van die feiten moest het maar al te vaak scherp en zelfs hard uitvallen. Nu filosofie, economie en socialiteit achter ons liggen, nu wij de schrijver, die wij in bijzonderheden moesten beoordelen, ten voeten uit voor ons zien staan, thans kunnen menselijke overwegingen de voorrang krijgen. Thans staat het ons vrij talrijke, anders onbegrijpelijke wetenschappelijke afdwalingen en overschatting uit persoonlijke oorzaken te verklaren en ons samenvattende oordeel over de heer Dühring te formuleren in de woorden: ontoerekeningsvatbaar wegens grootheidswaanzin.


Voetnoten

[a9] Dit later optredende dubbele karakter der godengestalten is een door de vergelijkende mythologie die zich eenzijdig aan hun karakter als weerspiegeling van natuurmachten houdt, over het hoofd geziene oorzaak van de latere hand over hand toenemende verwarring in de mythologieën. Zo heet bij enige Germaanse stammen de krijgsgod Oud-noors Tyr, Oudhoogduits Zio, in overeenstemming dus met de Griekse Zeus, de Latijnse Jupiter voor Diespiter; bij andere Er. Eor en stemt dus overeen met de Griekse Ares, in het Latijn Mars.

[225] Een uitdrukking uit de resolutie van de koning van Pruisen, Frederik 11, op 22 juli 1740 in antwoord op de interpellatie van minister Von Brand en de president van het consistorium Reichenbach aangaande de toelaatbaarheid van katholieke scholen in het protestantse Pruisen.

[226] Meiwetten — vier wetten die de Pruisische minister van cultuur Falk, er tijdens de Rijksdag van 11-14 mei 1873 op initiatief van Bismarck doorhaalde. Deze wetten stelden een strenge controle in op de activiteiten van de katholieke kerk en waren het culminatiepunt van de z.g. Kulturkampf. Zij waren de belangrijkste schakel van een hele serie wetgevende maatregelen die Bismarck in de jaren 1872—1875 invoerde tegen de katholieke geestelijkheid als de grootste steun van de partij van het ‘centrum’, die de belangen van de separatisten van Zuid- en Zuidwest-Duitsland voorstonden. De achtervolgingen van zijde der politie wekten een hardnekkig verzet bij de katholieken op en gaven hun het aureool van martelaren. In 1880—1887 werd de regering van Bismarck gedwongen haar optreden eerst te verzachten en daarna bijna al de antikatholieke wetten ongeldig te verklaren om hierdoor de vereniging van al de reactionaire krachten te bewerkstelligen voor de strijd tegen de arbeidersbeweging.

[227] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.

[228] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.

[229] De toverfluit (Zauberflöte) — laatste opera van Mozart, geschreven naar het libretto van E. Schikaneder. De opera werd geschreven en opgevoerd in 1791. In de opera zijn de ideeën van de vrijmetselaars tot uitdrukking gekomen. Zowel Mozart als Schikaneder waren vrijmetselaars. De in de tekst genoemde Sarastro, Tamino en Pamina zijn de hoofdfiguren uit deze opera.

[230] Duits: Referendarius — kleine beambte in Duitsland, meestal jurist die als praktikant bij het gerecht, of een staatsinstelling, meestal in onbezoldigde dienst is.