Friedrich Engels
Anti-Dühring


Uit het voorbereidende werk van Engels voor de Anti-Dühring [240]

EERSTE AFDELING

Bij het eerste deel: filosofie [b3]
Bij: III. Indeling. Apriorisme
[Ideeën — spiegelbeelden der werkelijkheid]

Alle ideeën zijn aan de ervaring ontleend, zij zijn spiegelbeelden — juist of verwrongen — van de werkelijkheid.

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[Materiële wereld en denkwetten]

Twee soorten ervaring — uiterlijke, materiële en innerlijke denkwetten en denkvormen. De vormen van het denken werden ook gedeeltelijk overgeërfd door ontwikkeling (vanzelfsprekendheid bv. van de wiskundige axioma’s voor Europeanen, zeker niet voor Bosjesmannen en Australische negers).

Wanneer onze veronderstellingen juist zijn en wij de denkwetten juist op hen toepassen, dan moet het resultaat met de werkelijkheid overeenkomen, net zoals een berekening van de analytische geometrie met de geometrische constructie overeenstemmen moet, hoewel beide gans verschillende werkwijzen hebben. Jammer genoeg is dit bijna nooit het geval, behalve in heel eenvoudige operaties.

De buitenwereld weer is op zijn beurt of natuur of maatschappij.

Bij: III. Indeling. Apriorisme. IV. Wereldschematisme. En X. Moraal en recht.
[Verhouding van het Denken tot het Zijn]

Het denken heeft als enige inhoud de wereld en de denkwetten.

De algemene resultaten van het onderzoek van de wereld verkrijgt men pas aan het eind van dit onderzoek, zij zijn dus geen principes, uitgangspunten, maar resultaten, einduitkomsten. Deze resultaten met het verstand te construeren, van hen als van grondslagen uit te gaan en dan hieruit met het verstand de wereld te reconstrueren is ideologie, een ideologie waaronder tot nu toe ook ieder materialisme geleden heeft. Hoewel daarvoor natuurlijk, tot op zekere hoogte, de verhouding van het denken tot het Zijn in de natuur duidelijk was, was de verhouding ten opzichte van de geschiedenis niet duidelijk, de afhankelijkheid van ieder denken van de historisch-materiële voorwaarden begreep het niet. — Daar Dühring van ‘principes’ uitgaat in plaats van feiten, is hij ideoloog en kan hij de ideoloog in hem alleen verheimelijken doordat hij zijn thesen zo algemeen en leeg opstelt dat zij axiomatisch, vlak lijken, waardoor dan echter ook niets uit deze stellingen af te leiden valt, maar wel een willekeurige betekenis erin gelegd kan worden. Zoals bv. de grondstelling van het enige Zijn. De eenheid van de wereld en de onzin van het hiernamaals is het resultaat van de hele wereldonderzoeking, maar hier moet dit a priori met het denkaxioma bewezen worden. Vandaar de onzin. Maar zonder deze omkering is een aparte filosofie niet mogelijk.

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[De wereld als samenhangend geheel. Kennis van de wereld]

Systematiek [b4], is na Hegel onmogelijk. Dat de wereld een eenheidssysteem (uniform systeem), d.w.z. een samenhangend geheel voorstelt, is duidelijk, maar de kennis van dit systeem heeft tot voorwaarde de kennis van de hele natuur en geschiedenis, die de mensen nooit zullen bereiken. Wie dus systemen maakt moet de talloze hiaten naar eigen goeddunken opvullen, d.w.z. irrationeel fantaseren, van een ideologisch standpunt uitgaan.

Rationele fantasie — anders gezegd combinatie!

Bij: III. Indeling. Apriorisme.
[Mathematische operaties en zuiver logische operaties]

Het rekenende verstand — een rekenmachine! — Een komische verwarring van de mathematische operaties, die materieel bewezen, gecontroleerd kunnen worden — daar zij op directe materiële, alhoewel abstracte beschouwing berusten — met zulke zuiver logische handelingen, die slechts bewezen kunnen worden door gevolgtrekking en die daarom niet de eigenschap bezitten van positieve zekerheid, die de mathematische operaties hebben — en hoe vele eronder blijken dan ook fout te zijn! Machine voor het integreren, vergelijk Andrews speech [b5], Nature, sept. 7, 1876 [241]

Schema = sjabloon

Bij: III. Indeling. Apriorisme. En IV. Wereldschematisme
[Realiteit en abstractie]

Met de stelling van de al-enigheid van het allesomvattende Zijn, — waar de paus en de Sjeik-ul-Islam [242] het mee eens zullen zijn, zonder hun onfeilbaarheid en religie ook maar enigszins prijs te geven — kan Dühring net zo weinig de uitsluitende materialiteit van al het Zijn bewijzen, als hij uit het een of andere mathematische axioma een driehoek, een bol construeren of de pythagorische leerstelling afleiden kan. Tot beide behoren reële premissen, en door die te onderzoeken kan men pas tot deze resultaten komen. De zekerheid dat buiten de materiële wereld er geen aparte spirituele bestaat, is het resultaat van een langdurig en moeilijk onderzoek van de reële wereld, y compris [b6] de producten en processen van de menselijke hersens. De resultaten van de geometrie zijn niets anders dan de natuurlijke eigenschappen van verschillende lijnen, oppervlakten en lichamen, resp. van hun combinaties, die grotendeels reeds in de natuur bestonden, lang voordat de mensen er waren (radiolariën, insecten, kristallen enz.).

Bij: VI. Natuurfilosofie, kosmogonie, fysica, scheikunde.
[De beweging — de bestaanswijze van de materie]

De beweging is de bestaanswijze van de materie, dus meer dan alleen maar haar eigenschap. Er bestaat geen materie zonder beweging en kan als zodanig ook nooit bestaan hebben. Beweging in het wereldruim, mechanische beweging van kleinere massa’s op een enkel hemellichaam, moleculaire trilling als warmte, elektrische spanning, magnetische polarisatie, chemische ontleding en verbinding, organisch leven tot aan zijn hoogste product, het denken — in de een of andere van deze vormen der beweging bevindt zich ieder afzonderlijk atoom der materie in ieder gegeven ogenblik. Al het evenwicht is óf slechts relatieve rust óf zelf beweging in evenwicht, zoals de beweging van de planeten. Absolute rust is alleen daar denkbaar, waar geen materie is. Dus noch de beweging op zichzelf, noch een van haar vormen, zoals de mechanische kracht, kan van de materie afgescheiden worden, als iets afzonderlijk, vreemd aan haar tegenovergesteld worden, zonder daarmee in het ongerijmde te raken.

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Natuurlijke teeltkeus]

Dühring zou blij moeten zijn met de natural selection theorie, daar deze toch het beste voorbeeld geeft voor zijn leer over het onbewuste doel en de middelen. — Wanneer Darwin de vorm onderzoekt, de natuurlijke selectie, waarin zich een langzame verandering voltrekt, dan verlangt Dühring dat Darwin ook de oorzaken van de verandering aantoont, waarover de heer Dühring evenmin iets weet. Wat voor successen de wetenschap ook boekt, de heer Dühring zal steeds verklaren dat er nog iets aan mankeert en zal daarom voldoende redenen om te mopperen hebben.

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Over Darwin]

De grootheid van de door en door bescheiden Darwin, — die niet alleen duizenden feiten uit de gehele biologie bijeenbrengt, ordent en verwerkt, maar ook met vreugde iedere voorganger citeert, zelfs als zijn eigen roem hierdoor verminderd wordt en deze voorganger nog zo onbetekenend was, — steekt wel heel gunstig af in vergelijking met de pronkende Dühring, die zelf niets presteert, maar voor wie niemand genoeg presteren kan en die...

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld. En VIII.
Dühringiana. Darwinisme. [243]

Aanpassing van de planten is een combinatie van fysische krachten of chemische agentiën, dus geen aanpassing. Wanneer ‘de plant in haar groei de weg neemt, waar zij het meeste licht krijgt’, dan doet zij dat langs verschillende wegen en op verschillende manieren, die al naar de soort en gesteldheid van de planten verschillend zijn. De fysische krachten en chemische agentiën werken echter hier in iedere plant verschillend en helpen de plant, die toch iets anders is dan dat ‘chemische en fysische etc.’, het haar nodige licht op de haar, door langdurige voorafgaande ontwikkeling eigen geworden weg te bereiken. Ja, dit licht werkt als een prikkeling op de plantencellen in en zet in hen juist deze krachten en agentiën als reactie in beweging. Daar dit proces in een organische cellenstructuur plaatsvindt en de vorm van prikkels en reactie doormaakt, die hier net zo goed aanwezig is, als in de menselijke hersenen door middel van de zenuwen, wordt in beide gevallen dezelfde uitdrukking — aanpassing — gebruikt. En wanneer aanpassing nu absoluut door bemiddeling van het bewustzijn moet gebeuren, waar begint dan het bewustzijn, waar de aanpassing, en waar houdt het op? Bij de moneren, bij de insectenetende planten, bij de sponzen, bij de koralen of bij de eerste zenuw? Dühring zou de natuuronderzoekers van het oude slag een enorm genoegen doen als hij dé grens zou trekken. Protoplasmaprikkel en protoplasmareactie heeft men overal, waar levend protoplasma is. En aangezien de inwerking van de zich langzaam veranderende prikkel het vereist dat het protoplasma zich eveneens verandert, indien het niet wil ondergaan, is de uitdrukking aanpassing noodzakelijk voor alle organische lichamen dezelfde. [b7]

Bij: VII. Natuurfilosofie. De organische wereld.
[Aanpassing en erfelijkheid]

Haeckel beschouwt de aanpassing met betrekking tot de ontwikkeling van de soorten als negatief daar zij veranderingen veroorzaakt, de erfelijkheid als positief daar hierdoor de soorten behouden blijven. Dühring daarentegen beweert (blz. 122), dat de erfelijkheid ook negatieve resultaten, veranderingen, veroorzaakt (daarbij de klinkklare onzin over preformatie.) [244] Nu is er niets makkelijker dan bij al dergelijke tegenstellingen ze om te keren en aan te tonen dat de aanpassing juist door verandering van de vorm het wezenlijke, het orgaan zelf, behoudt, terwijl de erfelijkheid al door vereniging van steeds 2 andere individuen steeds veranderingen tot stand brengt, waarvan de opeenhoping een verandering van de soort niet uitsluit. De resultaten van de aanpassing worden immers toch ook overgeërfd! Daarmee komen wij echter geen pas verder. Wij moeten de feitelijke toedracht nemen en onderzoeken hoe deze is, en dan blijkt ongetwijfeld dat Haeckel het bij het rechte eind had toen hij de erfelijkheid in wezen als de conservatieve, positieve, de aanpassing als de revolutionerende, negatieve kant van het proces beschouwde. Het temmen en fokken van dieren, het kweken van planten, zowel als onwillekeurige aanpassing, zijn overtuigender dan alle ‘subtiele opvattingen’ van Dühring.

Bij: VIII. Natuurfilosofie. De organische wereld. (Slot).
Dühring, blz. 141.

Leven. Dat de stofwisseling het belangrijkste verschijnsel is van het leven, is al sinds 20 jaren door fysiologische chemici en chemische fysiologen x-maal gezegd en hier wordt het nog weer eens tot de definitie van het leven verheven. Maar noch precies, noch afdoend. Wij vinden de stofwisseling ook in de afwezigheid van het leven, bv. bij eenvoudige chemische processen, die bij voldoende toevoer van grondstoffen steeds opnieuw hun eigen voorwaarden verwekken en waarbij een bepaald lichaam de drager van het proces is (voorbeelden, zie Roscoe, blz. 102, zwavelzuurfabricatie) [245], bij endosmose en exosmose (door dode organische en zelfs anorganische membranen?), bij de kunstmatige cellen van Traube en hun medium. De stofwisseling, die het leven uitmaken moet, zou dus eerst zelf nog nader bepaald moeten worden. Met al de diepe grondlegging, subtiele opvatting en fijnere onderzoeking zijn wij dus nog niet tot de grond van de zaak doorgedrongen en vragen nog steeds, wat is het leven?

Definities zijn voor de wetenschap waardeloos, want altijd ontoereikend. De enig reële definitie is de ontwikkeling van het wezen van de zaak zelf, en dat is echter geen definitie meer. Om te weten en aan te tonen wat eenvoudig plastisch eiwit tot cel en daarmee tot orga-zoeken [staat er letterlijk – MIA] en in hun samenhang weergeven. Daarentegen kan voor het dagelijks gebruik een korte uiteenzetting van de meest algemene en tegelijkertijd meest typerende kenmerken in een zogenaamde definitie dikwijls nuttig en zelfs noodzakelijk zijn, en kan ook niet schaden, wanneer men er niet meer van verlangt dan zij in staat is uit te drukken. Laten wij dus proberen zo een definitie van het leven te geven, hoewel al zoveel mensen daarover gestruikeld zijn (zie Nicholson). [246]

Het leven is de bestaanswijze van de eiwitlichamen en deze bestaanswijze bestaat in wezen in de voortdurende vernieuwing van hun chemische bestanddelen door voeding en uitscheiding.. .

Uit de organische stofwisseling als wezenlijke functie van het eiwit en uit de hem eigen plasticiteit leiden zich dan alle andere eenvoudigste levensfuncties af — prikkelbaarheid, die al in de wisselwerking van voeding en eiwit ingesloten ligt — contractie bij de spijsvertering, groeivermogen, die op de laagste trap (moneren) de voortplanting door deling insluit — innerlijke beweging, zonder welke absorberen noch assimileren van de voeding mogelijk is. Hoe echter de ontwikkeling van het leven is, moeten wij alle wormen van het leven onder-nisatie [staat er letterlijk — MIA] zich voltrekt, dat moet de waarneming eerst leren, en een dergelijk onderzoek behoort ook niet in een eenvoudige populaire definitie van het leven. (Dühring kent, blz. 141, nog een hele tussenwereld, daar zonder een circulatiekanaalsysteem en een ‘kiemschema’ geen werkelijk leven bestaat. Deze passage is schitterend.)

Bij: X. Moraal en recht. De gelijkheid.
[Dühring — economie — Die beide mannen]

Zolang er rede is van de moraal, kan Dühring hen als gelijken beschouwen, maar zodra de economie begint, houdt dat op. Als bv. van deze beide mannen de één een Yankee broken in to all trades [b8] is en de ander een Berlijnse studiosus, die niets meebrengt behalve zijn abituriënteneinddiploma en de werkelijkheidsfilosofie en die daarbij zijn armen nooit heeft getraind, omdat hij uit principe nooit vecht, — waar blijft dan de gelijkheid? De Yankee produceert alles, de studiosus helpt alleen maar hier of daar en volgens de opbrengsten van elke prestatie richt zich de verdeling en binnenkort zal de Yankee de middelen hebben eventuele aanwas van de kolonie (door kinderen of immigranten) kapitalistisch uit te buiten. De hele moderne toestand, kapitalistische productie en alles, kan dus gemakkelijk uit die twee mannen ontstaan, zonder dat er een sabel bij te pas komt.

Bij: X. Moraal en recht. De gelijkheid.
Dühringiana

Gelijkheid en rechtvaardigheid. — De voorstelling dat de gelijkheid de uitdrukking van de rechtvaardigheid is, het principe van het volmaakte politieke of sociale stelsel, is geheel historisch ontstaan. Bij de primitieve gemeenschappen bestond deze niet, of dan toch alleen maar zeer beperkt, voor het ten volle gerechtigde medelid van afzonderlijke gemeenschappen en was bezwaard met slavernij. Dito in de antieke democratie. De gelijkheid van alle mensen, — Grieken, Romeinen en barbaren, vrijen en slaven, staatsburgers en vreemden, burgers en beschermelingen etc., — was voor het begrip in de oudheid niet alleen krankzinnig, maar ook misdadig, en het eerste begin ervan werd in het christendom consequent vervolgt. — In het christendom heeft men in de eerste plaats de negatieve gelijkheid van alle mensen voor god als zondaars en in nauwere betekenis de gelijkheid van deze zowel als andere kinderen gods, verlost door de genade en het bloed van Christus. Beide concepties ontstonden door de rol van het christendom als religie van de slaven, bannelingen, verstotenen, vervolgden, onderdrukten. Met de overwinning van het christendom raakt dit moment op de achtergrond, de tegenstelling tussen de gelovigen en heidenen, orthodoxen en ketters trad toen op de voorgrond. — Met de opkomst van de steden en daarmee van de meer of minder ontwikkelde elementen der bourgeoisie en het proletariaat, moest ook de eis tot gelijkheid als voorwaarde der burgerlijke existentie geleidelijk aan weer verschijnen en daaruit volgde ook dat de proletariërs uit de politieke gelijkheid de sociale gelijkheid begonnen af te leiden. Dit kwam voor het eerst scherp tot uitdrukking — natuurlijk in religieuze vorm — in de Boerenoorlog. — De burgerlijke kant van de eis tot gelijkheid werd voor het eerst scherp, maar toch nog als algemeen menselijk door Rousseau geformuleerd. Zoals bij alle vorderingen van de bourgeoisie staat ook hier het proletariaat als noodlottige schaduw daarnaast en trekt zijn conclusies (Babeuf). Dit verband tussen de burgerlijke gelijkheid en de proletarische logische gevolgtrekkingen is nader te ontwikkelen.

Bijna de hele geschiedenis tot nu toe was er dus voor nodig om de stelling van gelijkheid = gerechtigheid uit te werken en pas toen er een bourgeoisie en een proletariaat bestonden is het gelukt. Het principe van de gelijkheid bestaat echter hierin dat er geen privileges bestaan mogen is dus in wezen negatief, verklaart de ganse geschiedenis tot nu toe voor slecht. Wegens het gebrek aan positieve inhoud en wegens het kortweg verwerpen van al het vroegere is dit principe net zo goed geschikt door een grote revolutie van 1789—1796 uitgeroepen te worden als door de latere systemenfabricerende sufferds. Maar om gelijkheid = gerechtigheid als hoogste principe en laatste waarheid te willen voorstellen is absurd. Gelijkheid bestaat alleen als tegenstelling van ongelijkheid, rechtvaardigheid van onrechtvaardigheid, deze begrippen zijn dus nog bezwaard met de tegenstelling tot de voorgaande geschiedenis, dus tot de oude maatschappij zelf [b9].

Dit sluit reeds uit dat de begrippen gelijkheid en rechtvaardigheid eeuwige gerechtigheid en waarheid kunnen uitdrukken. Enige weinige generaties van de maatschappelijke ontwikkeling onder communistisch regime en bij vermeerderde ressources moeten de mensen ertoe brengen, dat dit opscheppen over gelijkheid en recht net zo belachelijk zal lijken als het hedendaagse opscheppen over adellijke etc. geboorteprivileges, dat de tegenstelling tot de oude ongelijkheid en het oude positieve recht, als ook tot het nieuwe overgangsrecht uit het praktische leven verdwenen zal zijn, dat, wie op pedante wijze op uitkering van zijn gelijke en rechtvaardige productieaandeel blijft aandringen, met de uitkering van het dubbele ervan belachelijk zal worden gemaakt. Zelfs Dühring zal dit ‘afzienbaar’ vinden en waar blijft dan de gelijkheid en gerechtigheid, behalve in de rommelkamer van de historische herinnering? Omdat op het huidige ogenblik dergelijke leuzen voor agitatie uitstekend zijn, is het toch nog lang geen eeuwige waarheid.

(Inhoud van de gelijkheid te ontwikkelen. — Beperking op rechten enz.)

Overigens is de abstracte theorie van de gelijkheid ook heden en voor een nog tamelijk lange tijd in de toekomst een ongerijmdheid. Het zal trouwens geen socialistische proletariër of theoreticus invallen de abstracte gelijkheid tussen hem en een Bosjesman of een Vuurlander, ja zelfs tussen hem en een boer of een halffeodale landarbeider te erkennen. En vanaf het ogenblik dat dit alleen maar op de Europese bodem overwonnen wordt, is ook het abstracte standpunt van gelijkheid overwonnen. Met de invoering van de rationele gelijkheid verliest deze gelijkheid zelf alle betekenis. Wanneer de gelijkheid nu geëist wordt, zo gebeurt dat met de verwachting van de daarop, onder de huidige historische verhoudingen vanzelf volgende intellectuele en morele gelijkmaking. Een eeuwige moraal zou echter altijd en overal mogelijk geweest moeten zijn. Dit van de gelijkheid te beweren, valt zelfs Dühring niet in, integendeel, hij denkt dat een voorlopige repressie nodig zal zijn, geeft dus toe dat de gelijkheid geen eeuwige waarheid is, maar een historisch product en attribuut van bepaalde historische toestanden.

De gelijkheid van de bourgeois (afschaffing van de klassenprivileges) is zeer verschillend van die van de proletariërs (afschaffing van de klassen zelf). Nog verder doorgedreven dan dit laatste, d.w.z. abstract opgevat, wordt de gelijkheid dus onzin. Zoals dan ook de heer Dühring uiteindelijk genoodzaakt is het geweld weer door een achterdeur binnen te leiden in de vorm van bewapening, administratie, gerecht en politie.

Zo is dus de voorstelling van de gelijkheid zelf een historisch product, dat ontstond door de hele voorgaande geschiedenis. Dit begrip heeft dus niet altijd als eeuwige waarheid bestaan. Dat dit begrip nu door het merendeel der mensen — en principe [b10] — als vanzelfsprekend wordt aangenomen, is niet het resultaat van de axiomatische inhoud ervan, maar van de verbreiding van de ideeën van de 18e eeuw. En als daarom de beide fameuze mannen zich heden op de bodem van de gelijkheid stellen, dan komt dat juist daarom dat zij als ontwikkelde lieden van de 19e eeuw worden voorgesteld en dat dit begrip voor hen ‘natuurlijk’ is. Hoe de verhouding tussen de mensen werkelijk is en was, hangt en hing steeds af van de historische verhoudingen waaronder zij leefden.

Bij: XI. Moraal en recht. Eeuwige waarheden. En X. Moraal en recht. De gelijkheid.
[Afhankelijkheid der ideeën van de maatschappelijke verhoudingen]

De voorstelling, alsof de ideeën en voorstellingen van de mensen hun levensvoorwaarden schiepen en niet omgekeerd, wordt door de hele geschiedenis tot nu toe gelogenstraft, daar er steeds iets anders dan het gewilde uitkwam, meestal in het verdere verloop zelfs het tegendeel. Pas in een meer of minder verre toekomst kan dit begrip zich in die mate verwerkelijken, in welke de mensen de noodzakelijkheid van tevoren zullen inzien van een, door de zich veranderende verhoudingen geboden, verandering van de maatschappelijke toestand (sit venia verbo [b11]), en daarom deze verandering dan ook zelf willen, voordat deze zich onbewust en ongewild opdringt. — Dit geldt ook voor de begrippen van het recht dus van de politiek (en as far as that goes [b12], moet dit punt in het deel ‘Filosofie’ behandeld worden — het ‘geweld’ blijft voor de economie).

Bij: XI. Moraal en recht. Vrijheid en noodzakelijkheid. (zie ook: Derde deel, V. Staat, gezin en opvoeding.)

De juiste weerspiegeling van de natuur is al uiterst moeilijk, het product van een langdurige ervaringsgeschiedenis. De natuurkrachten hadden voor de oermens iets vreemd, geheimzinnigs, superieur. Op een zekere trap die alle beschaafde volkeren doormaken, assimileert hij er zich mee door personificatie. Juist deze personificatiedrang schiep overal goden en deze consensus gentium [b13], waarvan men uitgaat voor het bewijs van het bestaan van god, bewijst juist alleen de algemeenheid van deze personificatiedrang als noodzakelijke overgangstrap, dus ook van de religie. Pas de werkelijke kennis van de natuurkrachten verdrijft de goden of de god uit de ene positie naar de andere (Secchi en zijn zonnesysteem). Dit proces is reeds zo ver gevorderd dat het theoretisch als beëindigd kan worden aangezien.

In maatschappelijke verschijnselen is de weerspiegeling een nog moeilijkere zaak. De maatschappij wordt bepaald door de economische verhoudingen, productie en ruil, en tevens door de historische voorwaarden.

Bij: XII. Dialectiek. Kwantiteit en kwaliteit. (zie ook: inleiding)

Tegenstelling — wanneer een ding een tegenstelling inhoudt dan bevindt dit ding zich in tegenspraak met zich zelf. Dit is dan ook met de gedachtenuitdrukking ervan het geval. Bv. dat een ding tegelijkertijd hetzelfde blijft en zich toch steeds verandert, de tegenstelling van ‘het onveranderd blijven’ en de ‘verandering’ in zich besluit, is een tegenspraak.

Bij: XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie.

[Negatie van de negatie]

Alle Indogermaanse volkeren beginnen met gemeenschappelijk bezit. Bij bijna allen wordt het in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling opgeheven, genegeerd, door andere vormen verdrongen — particulier eigendom, feodaal eigendom, etc. Deze negatie te ontkennen, het gemeenschappelijke bezit op een hogere ontwikkelingstrap weer in te stellen — dat is de taak van de sociale revolutie. Of: de antieke filosofie was oorspronkelijk primitief materialisme. Hieruit ontstond het idealisme, spiritualisme, de negatie van het materialisme, eerst in de vorm van de tegenstelling van ziel en lichaam, daarna in de onsterflijkheidsleer en het monotheïsme. Door het christendom werd dit spiritualisme algemeen verbreid. De negatie van deze negatie is — de reproductie van het oude op hogere trap, het moderne materialisme, dat ten opzichte van het verleden in het wetenschappelijke socialisme zijn theoretische voltooiing vindt...

Deze natuurlijke en historische processen hebben vanzelfsprekend hun reflex in de denkende hersenen en reproduceren zich daarin, zoals dat reeds bij bovengenoemde voorbeelden van —a X —a etc., blijkt. En juist de hoogste dialectische opgaven worden alleen met behulp van deze methode opgelost.

Nu bestaat er echter ook een slechte, onvruchtbare negatie. — De ware, natuurlijke, historische en dialectische negatie is juist de drijfveer (formeel genomen) van de hele ontwikkeling — de splitsing in tegenstellingen, hun strijd en oplossing, waarbij (in de geschiedenis ten dele, in het denken helemaal) op grond der opgedane ervaring opnieuw het oorspronkelijke uitgangspunt, maar op een hogere trap, bereikt wordt. — Daarentegen is de onvruchtbare negatie de zuiver subjectieve, individuele negatie, die niet een ontwikkelingsstadium van de zaak zelf, maar een van buiten naar binnen gedragen mening is. En daar er uit deze negatie niets kan voortkomen, kan deze ontkenner geen vrede met de wereld hebben en moet alles wat er is, bestaat en gebeurde, de hele historische ontwikkeling, al mopperend afkeuren. De oude Grieken hebben weliswaar iets gepresteerd, maar zij kenden geen spectraalanalyse, geen chemie, geen differentiaalrekening, geen stoommachine, geen straatwegen, geen elektrische telegraaf en spoorwegen. Waarom zal men zich nog langer bezighouden met de producten van dergelijke minderwaardige lieden. Alles is slecht — zover is dit soort ontkenner pessimist — met uitzondering van onze hoogsteigen persoon, daar wij volmaakt zijn, en daarom gaat ons pessimisme in ons optimisme over. En hiermee zijn wij zelf bij de negatie van de negatie beland!

Zelfs de voorstellingswijze van Rousseau over de geschiedenis: oorspronkelijke gelijkheid — verdorven door ongelijkheid — herstel van de gelijkheid op een hogere trap — is negatie van de negatie. [b14]

Idealisme — ideale opvatting etc. door Dühring voortdurend gepreekt. Wanneer wij uit de bestaande verhoudingen de gevolgtrekking voor de toekomst maken, wanneer wij de positieve kant van de in de loop van de geschiedenis werkzame negatieve elementen beseffen en onderzoeken — en dat doet zelfs op zijn manier de meest bekrompen progressist, zelfs de idealist Lasker — dan noemt Dühring het ‘idealisme’ en vindt daarom dat hij het recht heeft een fantastische — omdat het op onwetendheid berust — toekomstconstructie te maken waarbij hij het plan van de schoolopleiding niet vergeet. Dat hij zich daarbij ook aan negatie van de negatie schuldig maakt, ziet hij over het hoofd.

Bij: XIII. Dialectiek. Negatie van de negatie.
[Negatie van de negatie en tegenspraak]

Het ‘niets’ van iets positiefs is een bepaald niets, zegt Hegel. [248]

‘De differentialen kunnen bekeken en behandeld worden als werkelijke nullen, die echter onder elkaar in een bepaalde verhouding staan, voortvloeiende uit de gesteldheid van het gegeven vraagstuk’. Dit is mathematisch geen onzin, zegt Bossut. [249]

De breuk 0/0 zou een zeer bepaalde waarde hebben, als hij ontstaan was door gelijktijdig verdwijnen van de teller en noemer. Dito 0 : 0 = A : B, waar 0/0 = A/B dus met de waarde van A en B verandert (blz. 95, voorbeelden). En is het geen ‘tegenspraak’ dat nullen in verhoudingen staan, d.w.z. niet alleen überhaupt waarde, maar zelfs verschillende waarde kunnen hebben die in getallen uitgedrukt kunnen worden? 1 : 2 = 1 : 2; 1 — 1 : 2 — 2 = 1 : 2; 0 : 0 = 1 : 2 [250]

Dühring zegt zelf dat de aangevoerde optellingen van onbeperkt kleine grootheden, de hoogsten enz. der wiskunde zijn, of in het Duits uitgedrukt — de integraalrekening. En hoe voltrekt zich die? Ik heb 2, 3 of meer variabele grootheden, d.w.z. zulke grootheden die bij hun verandering een bepaalde verhouding onder elkaar laten zien. Voor mijn part zijn het er twee: x en y. Er moet nu een bepaalde, door gewone mathematici onoplosbare opgave opgelost worden, waarin x en y fungeren. lk differentieer x en y, d.w.z. ik neem x en y voor zo oneindig klein aan, dat zij t.o.v. iedere nog zo kleine werkelijke grootheid verdwijnen — dat er van x en y niets overblijft dan hun wederzijdse verhouding, zonder enige materiële grondslag, dan is dus dx/dy = 0/0, maar 0/0 uitgedrukt in de verhouding x/y . Dat deze verhouding tussen twee verdwenen grootheden, het gefixeerde moment van hun verdwijnen, een tegenspraak is, kan ons niet storen. Wat anders heb ik dus gedaan, dan dat ik x en y ontkend heb, maar niet zo dat ik mij niet meer om hen bekommer, maar op een aan de zaak beantwoordende wijze. In plaats van x en y heb ik nu hun negatie, dx en dy, in de hier gegeven formules of vergelijkingen. Ik reken nu met deze formules als gewoonlijk, behandel dx en dy alsof zij werkelijke grootheden zijn en op een bepaald punt — ontken ik de negatie, d.w.z. integreer ik de differentiaalformule, zet op de plaats van dx en dy de werkelijke grootheden x en y en ben daarmee niet weer net zo ver als voordien, maar ik heb daarmee de opgave opgelost, waarover zich de gewone geometrie en algebra tevergeefs het hoofd breken.

Bij het tweede deel: politieke economie. Bij: II. Theorie van het geweld

Slavernij. — Waar slavernij de hoofdvorm van de productie is, maakt deze de arbeid tot slavenwerk, dus onterend voor vrijen. Daarmee is de uitweg uit een dergelijke productiewijze gesloten, maar aan de andere kant is de slavernij voor de meer ontwikkelde productie een hinderpaal en moet dus afgeschaft worden. Aan deze tegenspraak gaat iedere op slavernij berustende productie en de hierop gevestigde maatschappij te gronde. De oplossing in de meeste gevallen is de gewelddadige knechting van de in verval geraakte maatschappij door andere, sterkere (Griekenland door Macedonië en later door Rome); zolang deze zelf op slavernij berusten, wordt het centrum alleen maar verplaatst en het proces op een hogere trap herhaald tot (Rome) eindelijk één volk verovert, dat een andere productievorm in plaats van de slavernij tot stand brengt. Ofwel de slavernij wordt onder dwang of vrijwillig afgeschaft en dan gaat de tot dan toe geldende productiewijze te gronde; in de plaats van grote plantages treedt het landbouwbedrijf in percelen, zoals bij de squatters in Amerika. Op deze wijze ging ook Griekenland aan de slavernij te gronde, en Aristoteles stelde al vast dat de omgang met slaven de burgers demoraliseert — afgezien daarvan, dat zij het voor de burgers onmogelijk maken te arbeiden (huisslavernij zoals in de Oriënt is een andere zaak: hier vormt zij de grondslag van de productie niet direct, maar indirect, als een bestanddeel van het gezin, en zij gaat onopgemerkt in het gezin over (haremslavinnen).

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)

De Dühringse, verwerpelijke geschiedenis wordt beheerst door het geweld. De werkelijke, voortgaande historische beweging wordt echter beheerst door materiële verworvenheden, die blijven.

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)

En waarmee wordt het geweld, het leger onderhouden? Met geld. Dus ook hier weer afhankelijkheid van de productie. Vgl. Athene’s vloot en de politiek (380—340 v.o. jaart.). Het geweld ten opzichte van de bondgenoten leed schipbreuk door het gebrek aan materiële middelen, om lange oorlogen energiek te voeren. De Engelse subsidies, door de nieuwe grootindustrie geleverd, versloegen Napoleon.

Bij: III. Theorie van het geweld (vervolg)
[Partij en militaire opleiding]

Wanneer men de strijd om het bestaan en Dührings declamaties tegen de strijd en de wapens wat nader beschouwt, moet de aandacht erop gevestigd worden dat het voor een revolutionaire partij noodzakelijk is ook de strijd te kennen. Zij zal mogelijk eenmaal een revolutie moeten volbrengen. Maar niet tegen de huidige militair-bureaucratische staat, dat zou politiek even zo waanzinnig zijn als Babeufs poging om vanaf het Directoire meteen in het communisme te springen, ja zelfs waanzinniger, want het Directoire was toch een burgerlijke en boerenregering. [251] Maar tegen de bourgeoisstaat die op de nu bestaande volgt, kan de partij tot revolutionaire stappen gedwongen worden om de door de bourgeoisie zelf gegeven wetten te beschermen. Vandaar dat de algemene dienstplicht in ons belang is, en zou door allen benut moeten worden om de strijd te leren, in het bijzonder door diegenen, die door ontvangen opleiding de mogelijkheid hebben als eenjarige vrijwilligers de militaire opleiding te genieten, die nodig is om officier te worden.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)
Over ‘geweld’

Men erkent dat het geweld eveneens een revolutionaire rol speelt, en wel in alle beslissende ‘kritische’ tijdvakken, zoals bij de overgang naar socialiteit, hoewel ook daar alleen als noodweer tegen reactionaire, vreemde vijanden. Maar de door Marx beschreven omwenteling van de 16e eeuw in Engeland had ook haar revolutionaire kant, daar deze een belangrijke factor was voor de verandering van het feodale grondbezit in burgerlijk grondbezit en voor de ontwikkeling van de bourgeoisie. De Franse Revolutie van 1789 gebruikte eveneens in aanzienlijke mate geweld, 4 augustus sanctioneerde alleen het gewelddadige optreden van de boeren en werd voltooid door de confiscatie van de adellijke en kerkelijke bezittingen. [252] De gewelddadige verovering door de Germanen, het stichten in de veroverde gebieden van rijken, waar het land en niet de stad heerste (zoals in de Oudheid), werd begeleid — en juist om deze laatste reden — met de verandering van de slavernij in de lichtere lijfeigenschap resp. horigheid (in de Oudheid de latifundia, begeleid met de verandering van het akkerland in veeweiden).

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)
[Geweld, gemeenschappelijk bezit, economie en politiek]

Toen de Indogermanen Europa binnentrokken, verdrongen zij de oerbewoners met geweld, waarna zij in landbouwgemeenschappen de grond bewerkten. Het bestaan van deze gemeenschappen is bij de Kelten, Germanen en Slaven nog historisch aan te tonen. Bij de Slaven, Germanen en zelfs de Kelten (rundale) bestaan deze nog, daarbij zelfs in de vorm van directe (Rusland) of indirecte horigheid (Ierland). Het geweld hield op zodra de Lappen en Basken verdreven waren. Binnen de gemeenschap heerste gelijkheid of resp. vrijwillig toegestane privileges. Daar, waar uit het gemeenschappelijke bezit particulier grondbezit van aparte boeren ontstond, voltrok zich deze deling onder de leden van de erfgemeenschappen tot aan de 16e eeuw absoluut spontaan, het vond meestal heel geleidelijk aan plaats en resten van het gemeenschappelijke bezit bleven een heel gewoon verschijnsel. Van geweld was geen sprake, dat richtte zich pas tegen de overblijfselen (Engeland 18e en 19e, Duitsland hoofdzakelijk 19e eeuw). Ierland is een bijzonder geval. Dit gemeenschappelijk bezit heeft in Indië en Rusland onder de meest verschillende vormen van gewelddadige veroveringen en despotisme rustig voortbestaan en was hun basis. Rusland is er een bewijs voor, hoe de productieverhoudingen de politieke verhoudingen van het geweld bepalen. Tot het einde van de 17e eeuw werd de Russische boer weinig onderdrukt, hij had vrijheid van vestiging en was nauwelijks horig. De eerste Romanow bond de boeren aan de grond. Met Peter begon de buitenlandse handel van Rusland, dat slechts landbouwproducten uit te voeren had. Daarmee begon de onderdrukking van de boeren, die in dezelfde mate toenam als de uitvoer, terwille waarvan zij plaatsvond, tot Catharina deze verdrukking compleet maakte door een wetsuitvaardiging. Deze wetgeving maakte het de grondbezitters echter mogelijk de boeren steeds meer uit te zuigen, zodat de verdrukking steeds meer toenam.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)

Indien het geweld de oorzaak van de sociale en politieke toestanden is, wat is dan de oorzaak van het geweld? De toe-eigening van vreemde arbeidsproducten en van vreemde arbeidskracht. Het geweld kon de consumptie van producten veranderen, maar niet de productiewijze zelf, het kon de herendienst niet in loondienst veranderen, of het moest dan zo zijn dat de voorwaarden daarvoor aanwezig waren en de herendienst een hinderpaal voor de productie was geworden.

Bij: IV. Theorie van het geweld (slot)

Tot nu toe geweld — van nu af aan socialiteit. Een zuiver vrome wens, eis van de ‘rechtvaardigheid’. Maar Th. More (Morus) heeft deze eis al 350 jaren geleden gesteld [253], zonder dat hij werd uitgevoerd. Waarom zou hij dan nu uitgevoerd worden? Dühring heeft daarvoor geen antwoord. In werkelijkheid stelt de grootindustrie deze eis niet vanwege de rechtvaardigheid, maar omdat hij noodzakelijk is voor de productie en dat verandert de hele zaak.

Bij het derde deel: socialisme
Bij: I. Historische aspecten

Fourier (Nouveau monde industriel et sociétaire — De nieuwe industriële en sociëtaire (vermaatschappelijkte) wereld) [254]

Element van de ongelijkheid: ‘daar de mens instinctief een vijand van de gelijkheid is’. (Blz. 59.)

‘Dit bedrieglijke mechanisme dat men civilisatie noemt’. (81.)

‘Men moest het vermijden, hen’ (de vrouwen), ‘zoals dat bij ons gebruikelijk is tot ondankbare taken, tot bediendenrollen te beperken, die hun door de filosofie toegewezen worden, die beweert dat een vrouw er slechts voor geschapen is om de vaat te wassen en oude broeken op te lappen’. (141.)

‘God heeft het werk in de manufactuur met een dergelijke dosis van aantrekkingskracht bedeeld, die maar met een vierde van de tijd overeenstemt, waarin de maatschappelijke mens zich aan de arbeid wijden kan’. De rest moet daarom aan de akkerbouw, de veeteelt, de keuken en de industriële legers behoren. (152.)

‘De tedere moraal, de goedige en zuivere vriendin van de handel’. (161.) ‘Kritiek van de moraal’. (162 e.v.)

In de tegenwoordige maatschappij, ‘in het geciviliseerde mechanisme’, heerst ‘gespletenheid’ van de handelingen, de tegenstelling tussen het individuele en collectieve belang’, het is ‘een algemene strijd van de individuen tegen de massa’.

En daar wagen het onze politieke wetenschappen van eenheid in actie te spreken!’ (172.)

‘Omdat de modernen de theorie van de uitzonderingen en overgangen, de theorie van de bastaarden niet kenden, hebben zij overal in hun studie van de natuur schipbreuk geleden’. (Voorbeeld van bastaarden: de kwee, de nectarine, de aal, de vleermuis etc.’) (191.)

TWEEDE AFDELING

[In zijn tweede afdeling bestaat het manuscript van de voorbereidende werken voor de Anti-Dühring uit uittreksels die overgenomen zijn uit de Cursus der nationale en sociale economie van E. Dühring. Wij geven hier alleen enkele kanttekeningen van Engels met korte verwijzingen op welke gedachtegang bij Dühring zij betrekking hebben. Bij de bewering van Dühring ‘dat de wilshandelingen waardoor de verenigingsvormen van de mensen geschapen worden, zelf aan natuurwetten onderworpen zijn’, merkte Engels op:]

Dus van historische ontwikkeling is geen sprake. Louter eeuwige natuurwetten. Alles is psychologie en deze blijkt helaas nog veel ‘achterlijker’ dan de politiek te zijn.

[In directe samenhang met de opstellen van Dühring over de slavernij, loondienst en eigendom door geweld als ‘vormen van een sociaaleconomisch stelsel die van zuiver politieke aard zijn’, schrijft Engels:]

Altijd hetzelfde geloof dat de economie alleen eeuwige natuurwetten heeft, dat alle veranderingen en vervalsingen door de boze politiek veroorzaakt worden.

In de hele theorie van het geweld is dus zoveel juist, dat tot nu toe alle maatschappijvormen voor hun behoud geweld nodig hadden en zelfs ten dele gewelddadig ingevoerd werden. Dit geweld, in zijn georganiseerde vorm heet staat. Wij hebben hier dus de trivialiteit, dat zodra de mensen zich boven de meest ongeciviliseerde toestanden verhieven, overal staten hebben bestaan, en om dat te weten heeft de wereld niet op Dühring gewacht. — Nu is echter staat en geweld juist dat wat alle tot nu toe bestaande maatschappijvormen gemeen hebben, en als ik bv. het Oosterse despotisme, de antieke republieken, de Macedonische monarchieën, het Romeinse keizerrijk, het feodalisme van de Middeleeuwen daarmee verklaar, dat zij alle op geweld berusten, dan heb ik nog helemaal niets uitgelegd. De verschillende sociale en politieke vormen moeten dus niet door het geweld, dat toch steeds hetzelfde is, maar door datgene verklaard worden, waarop het geweld toegepast wordt, door datgene wat geroofd wordt — de producten en de productiekrachten van elk gegeven tijdvak en de uit henzelf voortvloeiende beschikking daarover. En dan zou men ontdekken dat het Oosterse despotisme op de gemeenschappelijke eigendom berustte, de antieke republieken op de steden, die zich ook met de landbouw bezighielden, het Romeinse keizerrijk op de latifundia, het feodalisme op de heerschappij van het land over de stad, die z’n materiële redenen had, etc.

[Engels citeert de volgende woorden van Dühring: ‘De natuurwetten van de economie treden in alle strengheid pas daar duidelijk naar voren, waar men de werking van de staats en maatschappelijke inrichtingen (!) en vooral de werking van de geweldseigendom, die met de loonslavernij verbonden is, wegdenkt en men zich ervoor hoedt, de laatste als noodzakelijkheden van de blijvende natuur (!) der mensen aan te zien...’

Op deze woorden van Dühring maakt Engels de volgende opmerking:]

De natuurwetten van de economie worden dus alleen dan ontdekt, wanneer men ze van alle tot nu toe bestaande economie abstraheert; zij hebben tot nu toe nooit onvervalst gehandeld! — Blijvende natuur van de mensen — vanaf de aap tot Goethe!

Dühring wil met deze theorie van het ‘geweld’ verklaren hoe het komt dat overal en van oudsher de meerderheid uit overweldigden, de minderheid uit machthebbers bestond. Dat is op zich zelf al het bewijs, dat de verhouding van het geweld op economische voorwaarden gegrond is, die men niet zo eenvoudig langs politieke weg omverwerpen kan.

Bij Dühring wordt rente, profijt, cijns, arbeidsloon niet verklaard, maar gezegd, het geweld heeft dat zo gemaakt. Waarvandaan echter het geweld? Non est. [b15]

Geweld maakt bezit en bezit maakt economische macht. Dus geweld = macht.

Marx heeft in Het Kapitaal (accumulatie) bewezen hoe de wetten van de warenproductie op een bepaalde trap van de ontwikkeling de kapitalistische productie met alles wat er bij hoort, noodzakelijkerwijze doen ontstaan, en dat daarvoor helemaal geen geweld nodig is. [255]

Wanneer Dühring de politieke actie als laatste beslissende macht van de geschiedenis beschouwt en doet als zou dat wat nieuws zijn, dan zegt hij toch alleen maar wat alle geschiedschrijvers tot nu toe gezegd hebben, voor wie ook de sociale vormen slechts door de politieke, niet door de productie bepaald worden.

C’est trop bon! [b16] De hele school van de vrijhandel vanaf Smith, ja de hele vóór Marx bestaande economische leer ziet in economische wetten, zover als zij ze begrijpen, ‘natuurwetten’ en beweert dat hun werking door de staat, door de ‘werkingen van de staats en maatschappelijke inrichtingen’ vervalst worden!

Overigens is deze hele theorie slechts een poging om het socialisme op Carey’s leer te doen neerkomen: de economie is op zich zelf genomen harmonisch, de staat met zijn inmenging bederft alles.

Aanvulling van het geweld is de eeuwige gerechtigheid, zij verschijnt op blz. 282.

[De opvattingen van Dühring, die hij bij zijn kritiek op Smith, Ricardo en Carey ontwikkelt, worden door Engels als volgt gekarakteriseerd: ‘De productie kan men in haar meest abstracte vorm heel goed uit het voorbeeld van Robinson leren kennen; de verdeling tussen twee op een eiland alleenstaande mensen, waarbij men zich dus alle tussentrappen van volledige gelijkheid tot aan de volledige tegenstelling van heer en slaaf’ kan indenken...’ Engels citeert de volgende zin van Dühring: ‘Alleen door een ernstig sociaal (!) onderzoek kan men tot een inzicht komen, dat werkelijk, in laatste instantie, van beslissende betekenis is voor de verdelingsleer...’]

Hierop zegt Engels:]

Dus men abstraheert eerst uit de werkelijke geschiedenis de verschillende rechtsverhoudingen, scheidt deze dan af van de historische grondslagen, waarop zij ontstonden en alleen betekenis hebben, en draagt ze over op 2 individuen: Robinson en Vrijdag. Daar zijn die verhoudingen natuurlijk absoluut willekeurig. Nadat men ze zo op zuiver geweld heeft teruggebracht, brengt men ze weer over in de werkelijke geschiedenis en bewijst daarmee, dat ook hier alles op louter geweld berust. Dat het geweld op een materieel substraat toegepast moet worden en het juist daarom gaat de herkomst ervan aan te tonen, daarover maakt Dühring zich niet druk.

[Engels citeert de volgende passage uit Dührings Cursus der nationale en sociale economie: ‘Volgens de traditionele mening, waarmee alle politiekeconomische systemen het eens zijn, is de verdeling slechts een zogezegd lopende gang van zaken, die betrekking heeft op een als klare totale productie voorgestelde massa producten, ... een diepere grondslag moet, daarentegen, die verdeling in het oog houden, welke de economische of economisch werkzame rechten zelf betreft en niet louter de lopende en zich opeenhopende consequenties van deze rechten’. Hierbij maakte Engels de volgende opmerkingen:]

Inleiding en hoofdstuk over de theorie van het geweld (in Dührings Cursus der nationale en sociale economie) .

Dus het onderzoek van de verdeling van de lopende productie is niet genoeg.

Grondrente veronderstelt grondbezit, profijt — kapitaal, arbeidsloon — bezitloze arbeiders, eigenaars van louter arbeidskracht. Men moet dus onderzoeken, hoe dit allemaal ontstond. Voor zover dit hem aanging, met betrekking op het kapitaal en de bezitloze arbeidskracht, heeft Marx dit in Deel I gedaan. Het onderzoek van de oorsprong van het moderne grondbezit behoort tot dat van de grondrente, dus in deel II [256] — Dührings onderzoek en geschiedkundige motivering beperkt zich tot het éne woord: geweld! Hier reeds direct mala fides [b17] . Hoe Dühring het grootgrondbezit verklaart, zie Rijkdom en waarde; het is beter dat hierbij te halen.

Dus het geweld schept de economische, politieke etc. levensvoorwaarden van een tijdvak, van een volk etc. Wie echter schept het geweld? Het georganiseerde geweld is in de eerste plaats het leger. En niets hangt meer van de economische voorwaarden af dan juist de samenstelling, organisatie, bewapening, strategie en tactiek van een leger. De grondslag is de bewapening en deze is weer direct afhankelijk van de trap van ontwikkeling van de productie. Stenen, bronzen, ijzeren wapens, pantsers, ruiterij, buskruit en nu nog de enorme omwenteling die de grootindustrie in de oorlog deed ontstaan door achterladers met getrokken loop en artillerieproducten, die slechts de grootindustrie kon voortbrengen met zijn gelijkmatig werkende machines, die bijna absoluut identieke producten vervaardigen. Van de bewapening hangt weer de samenstelling en organisatie, de strategie en de tactiek af. De laatste hangt ook van de toestand van de wegen af — de tactiek en het succes van de slag bij Jena zou met de huidige straatwegen onmogelijk geweest zijn — en nu hebben we ook nog de spoorwegen! Hieruit volgt dat juist het geweld het meest van de geldende productievoorwaarden afhangt en dat heeft zelfs kapitein Jähns ingezien (‘K(ölnische) Z(eitung)’, Machiavelli etc.) . [257]

Hierbij moet bijzonder de nadruk worden gelegd op de moderne oorlogvoering, vanaf het geweer met bajonet tot en met het achterlaadgeweer, waarbij niet de man met de sabel in handen de zaak beslist, maar het wapen. De linie, de colonne bij slechte troepen, die echter gedekt worden door tirailleurs (Jena contra Wellington) en uiteindelijk het algemeen uiteenvallen in schutterseenheden en het overgaan van de langzame pas op de looppas.

[Volgens Dühring is ‘de vaardige hand of de knappe kop als een de maatschappij toebehorend productiemiddel, als een machine te beschouwen, waarvan de productie aan de maatschappij behoort’. Hierop zegt Engels:]

Maar de machine verhoogt de waarde niet, de vaardige hand echter wel! De economische waardewet wordt dus, quant à cela [b18], verboden, ofschoon deze toch blijven moet.

[Bij Dührings conceptie over de ‘politiek-juridische grondslag van de hele socialiteit’ merkt Engels op:]

Hiermee wordt dus tegelijk de idealistische maatstaf aangelegd. Niet de productie zelf, maar het recht.

[Over de Dühringse ‘begrijfscommune’ en het daarbinnen heersende systeem van de arbeidsverdeling, de verdeling, de ruil en het geldsysteem, maakt Engels de volgende opmerking:]

Dus ook het uitbetalen van loon aan iedere afzonderlijke arbeider door de maatschappij.

Dus ook de opeenhoping van schatten, woeker, krediet met alle gevolgen tot en met geldcrisissen en geldgebrek. Geld ondergraaft de bedrijfscommune net zo zeker als op dit ogenblik de Russische commune op het punt staat in duigen te vallen en zoals het de gezinscommune ruïneert, zodra de geldomloop tussen de afzonderlijke leden daarvan tot stand komt.

[Engels citeert de volgende zin van Dühring: ‘Werkelijke arbeid in welke vorm dan ook is dus de sociale natuurwet van gezonde formaties’ en voegt tussen haakjes daarbij: ‘(dus alles dat er tot nu toe bestond, was ongezond)...’

Bij deze uiteenzetting van Dühring merkt Engels op:]

Of de arbeid is hier als economische, materieel productieve arbeid genomen, en dan bevat de zin onzin en past niet bij heel de voorgaande geschiedenis. Of de arbeid is in een meer algemene vorm genomen, waaronder iedere vorm begrepen wordt van de in een periode nodige of bruikbare activiteit, regering, rechtspraak, wapenoefeningen en dan is deze weer een heilloos opgeblazen gemeenplaats en behoort niet in de economie thuis. Om echter socialisten met deze oude onzin te willen imponeren, terwijl men deze in ‘natuurwet’ omgedoopt heeft, is a trifle impudent [b19].

[Bij Dührings afschildering van de samenhang tussen roof en rijkdom, merkt Engels het volgende op:]

Hier is de hele methode. Iedere economische verhouding wordt eerst vanuit het standpunt van de productie bekeken, en daarbij ziet men de hele historische betekenis over het hoofd. Daarom kan hierover slechts het alleralgemeenste gezegd worden en wil Dühring hierboven uitkomen, dan moet hij de bepaalde historische verhoudingen van een tijdvak nemen, dus van de abstracte productie afstappen en verwarring teweegbrengen. Dan wordt dezelfde economische verhouding vanuit het gezichtspunt van de verdeling genomen, d.w.z. de loop van de geschiedenis tot nu toe wordt tot de zin over het geweld teruggebracht en daarna kan Dühring zich dan over de boze gevolgen van het geweld verontrusten. Waartoe dit leidt, zullen wij bij de behandeling van de natuurwetten zien.

[Bij Dührings bewering dat voor een economisch beleid op grote schaal ‘slavernij’ of ‘lijfeigenschap’ noodzakelijk zou zijn, merkt Engels op:]

Dus: 1. De wereldgeschiedenis begint met het grootgrondbezit! De bewerking van de bodem op grote landerijen is identiek met de bewerking door grootgrondbezitters! De bodem van Italië, die van latifundia in veeweiden veranderde, lag daarvoor woest! De noordelijke staten in Amerika hebben zich niet door vrije boeren zo enorm uitgebreid, maar door slaven, horigen etc!

Alweer een mauvais calembour [b20]: ‘Het bedrijven van de landbouw op grote terreinen’ moet het ontginnen van deze terreinen betekenen, wordt echter meteen als landbouw bedrijven op grote schaal = grootgrondbezit uitgelegd! En wat voor een enorm nieuwe ontdekking is het in deze zin dat, wanneer iemand meer land bezit, dan hij en zijn gezin kunnen bebouwen, hij het zonder vreemde arbeid niet stellen kan! De bebouwing door horigen betekent echter geen bebouwing van grotere terreinen, maar van percelen bouwland en de bebouwing van grond ging steeds aan de horigheid vooraf (Rusland, de Vlaamse, Hollandse en Frieze koloniën in de Slavische mark, zie Langethal), [258] de oorspronkelijk vrije boeren werden horig gemaakt, werden op sommige plaatsen zelfs formeel vrijwillig horig.

[Bij de bewering van Dühring dat de grootte van de waarde bepaald wordt door de grootte van de weerstand, waarmee het proces van de bevrediging der behoeften in aanraking komt en die ‘tot meer of minder gebruik van de economische kracht (!) dwingt’, merkt Engels op:]

Overwinning van de weerstand — een uit de mathematische mechanica overgenomen categorie, die absurd wordt in de economie. Ik spin, weef, bleek, druk katoen in de genoemde volgorde. Nu heet dit: ik overwin de weerstand van het katoen tegen het gesponnen worden, van het garen tegen het geweven worden, van het weefsel tegen het gebleekt en bedrukt worden. Ik maak een stoommachine, heet: ik overwin de weerstand van het ijzer tegen zijn verandering in een stoommachine. Ik druk het onderwerp op een hoogdravende omweg uit, die er niets aan toevoegt dan scheefheid. Maar nu kan ik de verdelingswaarde hierin betrekken, waar geacht wordt dat er ook een weerstand te overwinnen valt. Daarom ook!

[Bij de woorden van Dühring: ‘De verdelingswaarde is zuiver en uitsluitend alleen daar aanwezig, waar het beschikkingsrecht over ongeproduceerde dingen of (!) gewoner gezegd, deze’ (ongeproduceerde!) ‘dingen zelf tegen prestaties of voorwerpen van werkelijke productiewaarde geruild worden’, merkt Engels op:]

Wat is een ongeproduceerd ding? De grond die bebouwd wordt met moderne methoden of moet het dingen betekenen, die de eigenaar niet zelf geproduceerd heeft? Maar daarenboven hebben we de tegenstelling van ‘werkelijke productiewaarde’. De volgende zin toont dat het weer eens een mauvais calembour is. Natuurvoorwerpen, die niet geproduceerd worden door arbeid, worden op een hoop gegooid met ‘zonder tegenprestatie toegeëigende waardebestanddelen’.

[Dühring beweert dat alle menselijke inrichtingen en handelingen, ‘zoals in de speling van de uiterlijke krachten der natuur, in alle hoofdtrekken praktisch onveranderlijk’ zijn. Hierop geeft Engels het volgende commentaar:]

Dus natuurwet is het en blijft het.

Dat de wetten van de economie bij heel de tot nu toe bestaande planloze en onsamenhangende productie voor de mensen objectieve wetten zijn, waarover zij geen macht hebben, dus in de vorm van natuurwetten, daarover geen woord.

[Over Dührings ‘grondwet van de hele economie’: ‘De productiviteit van de economische middelen, hulpbronnen van de natuur en mensenkracht, wordt door uitvindingen en ontdekkingen vergroot, en dit geschiedt weliswaar geheel onafhankelijk van verdeling, die als zodanig altijd veranderingen van betekenis kan ondergaan of veroorzaken, maar het karakter (!) van de belangrijkste resultaten niet bepaalt,’ zegt Engels:]

Het einde van de zin: en dit geschiedt weliswaar etc. voegt aan de wet niets nieuws toe, want als de wet waar is, dan kan de verdeling er niets aan veranderen, en het is dus overbodig om te zeggen dat zij voor iedere verdelingsvorm juist is — anders zou zij toch geen natuurwet zijn. Het is er echter zomaar bijgevoegd omdat Dühring zich toch schaamde, de hele naakte wet zo naakt in al haar onbenulligheid neer te schrijven. Bovendien is het bijvoegsel ongerijmd, want als de verdeling altijd belangrijke veranderingen veroorzaken kan, dan kan men daar niet ‘helemaal van afzien’. Wij strepen het dus door en houden dan de wet puur en simpel — de fundamentele wet van de hele economie.

Dit is echter nog niet plat genoeg. Wij leren verder:

[Engels citeert verdere uittreksels uit het boek van Dühring Cursus der nationale en sociale economie:]

[Dühring beweert, dat de economische vooruitgang niet van de som van de productiemiddelen afhangt, ‘maar alleen van de kennis en de algemene technische werkwijzen’ en dit ‘is meteen te zien’ naar de mening van Dühring, wanneer men ‘het kapitaal in zijn natuurlijke zin als instrument van de productie begrijpt: Hierover schrijft Engels:]

De op de bodem van de Nijl liggende stoomploegen van de Kedive [259] en de in de schuren nutteloos staande dorsmachines etc. van de Russische edellieden bewijzen dat. Ook de stoom etc. heeft zijn historische voorwaarden, die weliswaar verhoudingsgewijs makkelijk te scheppen zijn, maar toch geschapen moeten worden. Maar Dühring is er heel trots op dat hij daarmee iedere stelling, die een heel andere betekenis heeft, zo ver heeft verdraaid dat deze ‘idee met onze aan de top gestelde wet samenvalt’, blz. 71. De economen dachten toch nog over iets reëel bij deze wet. Dühring heeft deze tot de uiterste banaliteit gereduceerd.

[Bij de Dühringse formulering van de natuurwet van de arbeidsverdeling: ‘De splitsing in de beroepstakken en de verdeling van de activiteiten verhoogt de productiviteit van de arbeid,’ merkt Engels op:]

Deze formulering is fout, omdat zij alleen voor de burgerlijke productie juist is en de verdeling in gespecialiseerde beroepen ook daar reeds een beperking voor de ontwikkeling van de productie wordt door de verminking en afstomping van de individuen, maar in de toekomst valt dat alles weg. Wij zien hier reeds, dat deze verdeling in gespecialiseerde beroepen op de tegenwoordige manier voor Dühring iets permanents heeft, dus ook voor de socialiteit.


Voetnoten

[b3] In dit deel worden de belangrijkste fragmenten uit de voorbereidende manuscripten van Engels voor de Anti-Dühring geplaatst. De verwijzing naar de delen en hoofdstukken van de Anti-Dühring en naar de bladzijden [in deze MIA-versie geschrapt] van de onderhavige uitgave, waarop de dienovereenkomstige fragmenten betrekking hebben, alsmede in de rechthoekige haakjes [in deze MIA-versie ronde haken] geplaatste aanduidingen der fragmenten zijn van de redactie van dit boek. [Progres dus] — Red.

[b4] Systematiek, hier in de zin van een absoluut, voltooid systeem. — Red.

[b5] rede — Red.

[b6] hierbij inbegrepen — Red.

[b7] Kanttekening van Engels: ‘en de willekeurige aanpassing is ook bij dieren de hoofdzaak’.

[b8] Een door de wol geverfde Yankee. — Red.

[b9] Kanttekening van Engels: ‘De voorstelling over de gelijkheid volgt uit de gelijkheid van de algemeen menselijke arbeid in de warenproductie’. (Kapitaal.) [247]

[b10] in beginsel — Red.

[b11] excuses voor het woord — Red.

[b12] voor zover het gaat — Red.

[b13] eensgezinde mening der volken — Red.

[b14] door Engels onderstreept — Red.

[b15] Er is geen (antwoord). — Red.

[b16] Dat is al te mooi. — Red.

[b17] te kwader trouw — Red.

[b18] Wat dit betreft — Red.

[b19] een tikkeltje onbeschaamd — Red.

[b20] slechte woordspeling — Red.

[240] De voorbereidende werken van Engels voor de Anti-Dühring bestaan uit twee delen. Het eerste deel bevat citaten uit de boeken van Dühring en aantekeningen van Engels, ten dele doorgestreept, wanneer hij deze al in de tekst van de Anti-Dühring gebruikt had. Het tweede deel bestaat uit vellen van groot formaat (in het geheel 17 met de hand geschreven bladzijden), die in twee kolommen zijn verdeeld: links staan in hoofdzaak citaten uit de tweede editie van het boek van Dühring Cursus der nationale en sociale economie. Rechts: kritische opmerkingen van Engels. Enkele plaatsen zijn verticaal doorgestreept als zijnde gebruikt in de Anti-Dühring.

Bovendien behoren tot de voorbereidende materialen voor de Anti-Dühring: een aantekening over de slavernij, uittreksels uit het boek van Fourier De nieuwe industriële en sociëtaire (vermaatschappelijkte) wereld, en de notitie over het moderne socialisme dat de eerste variant is van de ‘Inleiding’ tot de Anti-Dühring. Deze drie notities zijn te vinden onder het materiaal van Dialectiek der natuur. In de onderhavige uitgave worden de eerste twee notities gegeven in de voorbereidende werken voor de Anti-Dühring; de belangrijkste tekstverschillen tussen de eerste variant en de uiteindelijke tekst van de Inleiding zijn als voetnoten bij het eerste hoofdstuk van de Inleiding gegeven.

In deze uitgave zijn die voorbereidende werken geplaatst die de tekst van de Anti-Dühring aanzienlijk aanvullen. De notities van het eerste deel van de voorbereidende werken zijn hij de toebehorende tekst van de Anti-Dühring geplaatst. Fragmenten van het tweede deel worden in die volgorde gegeven die zij hebben in de manuscripten van Engels; de citaten uit het boek van Dühring waarop de kritische opmerkingen van Engels slaan, zijn verkort gegeven en staan tussen rechthoekige haakjes.

De notities, waaruit het eerste deel van de voorbereidende werken voor de Anti-Dühring bestaat, werden blijkbaar in 1876 geschreven en het tweede deel in 1877.

[241] Engels bedoelt de inleidende rede van Th. Andrews bij de opening van het in Glasgow op 6 september 1876 gehouden 46ste congres van de Britse Associatie ter bevordering van de vooruitgang in de wetenschap. De rede werd gedrukt in het tijdschrift Nature nr. 358 van 7 september 1876.

[242] Sjeik-ul-Islam — titel van het hoofd van de mohammedaanse geestelijkheid in het Turkije van de sultans (het Osmaanse rijk).

[243] De hier en verderop aangegeven bladzijden hebben betrekking op de Cursus der filosofie van Dühring.

[244] Preformatie — het voorafvormen van het volwassen organisme in de kiemcel. Vanuit het metafysische standpunt van de aanhangers van de preformatieleer, die onder de biologen van de XVIIe en XVIIIe eeuw de boventoon voerden, zijn alle delen van het volwassen individu al in de kiem in aanleg aanwezig. Op die manier is de ontwikkeling van het organisme terug te brengen op groei in omvang van reeds bestaande organen, terwijl de ontwikkeling in eigenlijke zin, in de zin van nieuwe vormingen (epigenesis), niet plaatsvindt.

[245] H. E. Roscoe, Kurzes Lehrbuch der Chemie nach den neuesten Ansichten der Wissenschaft (Kort leerboek van de chemie volgens de nieuwste opvattingen in de wetenschap), Brunswijk 1867, blz. 102.

[246] Engels bedoelt de Algemene inleiding bij het boek van H. A. Nicholson Manual of zoology (Handleiding voor de zoölogie), waar Nicholson in een speciale paragraaf gewijd aan de natuur en de levensvoorwaarden, verscheidene definities van het leven geeft.

[247] Zie K. Marx, Het Kapitaal, deel I.

[248] Hegel, Wetenschap der logica, boek I, deel I, hoofdst. I. Aantekening over de tegenstelling van het zijn en het niet-zijn in de voerstelling (G.W.F. Hegel, Werke. Bd. III, 2de uitgave. Berlijn 1841, blz. 74.)

[249] Ch. Bossut, Traités de Calcul différentiel et de Calcul intégral (Verhandelingen over differentiaal- en integraalrekening), vol. I, Parijs, jaar VI (1798), blz. 94.

[250] Op blz. 95-96 van het boek van Bossut wordt de stelling over de verhouding tussen nullen als volgt uitgelegd. Laten wij er aan toevoegen, zegt Bossut, dat er niets absurds of onaannemelijks is in de veronderstelling dat twee nullen in een zekere verhouding tot elkaar staan. Laten we deze proportie nemen A : B = C : D, waaruit volgt dat (A—C) : (B—D) = A: B; als C = A en daarom D = B is, dan is 0 : 0 = A : B; de verandering van deze verhouding hangt af van de betekenis van A en B. Engels illustreert deze beschouwing van Bossut met dit voorbeeld: A = C = 1 en B = D= 2.

[251] Over het Directoire zie voetnoot 181.

[252] Op 4 augustus 1789 annuleerde de Franse Constituante onder de druk van de steeds groeiende boerenbeweging plechtig een reeks van feodale plichten die in feite al door de in opstand gekomen boeren vernietigd waren. De direct hierna uitgegeven wetten schaften zonder afkoop slechts persoonlijke plichten af. Het afschaffen van al de feodale plichten zonder enige afkoping kwam pas tot stand in het tijdvak van de jakobijnse dictatuur, door de wet van 17 juli 1793.

Het decreet over de confiscatie van de eigendom van de kerk werd aangenomen door de Constituante op 2 november 1789 en het dekreet over de confiscatie van de eigendommen van de adellijke emigranten werd door de Wetgevende Vergadering op 9 februari 1792 uitgevaardigd.

[253] Bedoeld wordt het werk van Th. More Utopia, eerste uitg., Leuven 1516.

[254] Verder haalt Engels citaten aan uit dit werk van Fourier, dat in Oeuvres complètes (Volledige werken) werd uitgegeven. Deel VI, Parijs 1845.

[255] Engels bedoelt het zevende gedeelte (Accumulatieproces van het kapitaal) van deel I van Het Kapitaal. Een overeenkomstige plaats uit dit deel van Het Kapitaal haalt Engels aan in hoofdstuk II van het tweede gedeelte van de Anti-Dühring.

[256] Zie voetnoot 70.

[257] Zie voetnoot 100.

[258] Engels verwijst naar het vierdelige werk van Ch. E. Langethal Geschichte der deutschen Landwirtschaft (Geschiedenis van de Duitse landbouw), uitgegeven in Jena in 1847—1856.

[259] Kedive — titel van Egyptische onderkoningen tijdens de Turkse overheersing (vanaf 1867).