Friedrich Engels
Anti-Dühring


VII. Natuurfilosofie. De organische wereld

‘Van de mechanica van druk en stoot tot aan de verbinding van gevoelens en gedachten voert één enkele homogene reeks van schakels.’

Met deze verzekering spaart de heer Dühring zich de moeite over het ontstaan van het leven iets nader te zeggen, hoewel men van een denker die de ontwikkeling van de wereld tot op de aan zichzelf gelijke toestand gevolgd heeft en die op andere hemellichamen zo thuis is, wel verwachten mag dat hij ook hiervan precies op de hoogte zou zijn. Overigens is die verzekering maar half juist zolang zij niet door de reeds genoemde knopenlijn der maatverhoudingen van Hegel aangevuld wordt. Bij alle geleidelijkheid blijft de overgang van de ene bewegingsvorm naar de andere steeds een sprong, een duidelijk keerpunt. Aldus de overgang van de mechanica van de hemellichamen naar die van de kleinere massa’s op een afzonderlijk hemellichaam; evenzo de overgang van de mechanica van de massa’s naar die van de moleculen — welke die bewegingen omvat die wij in de eigenlijke zogenaamde natuurkunde behandelen: warmte, licht, elektriciteit, magnetisme; evenzo voltrekt zich de overgang van de natuurkunde der moleculen naar die van de atomen — naar de scheikunde — wederom door een besliste sprong, en dit is nog sterker het geval bij de overgang van de gewone scheikundige reacties naar het chemisme van het eiwit, dat wij leven noemen. [46] Binnen de sfeer van het leven worden de sprongen dan steeds zeldzamer en onopvallender. Het is dus weer Hegel, die de heer Dühring verbeteren moet.

Voor de logische overgang naar de organische wereld bedient de heer Dühring zich van het begrip ‘doelmatigheid’. Dit is wederom aan Hegel ontleend, die in de Logica — de leer van het begrip — door middel van de teleologie of de leer van de doelmatigheid, van chemisme tot leven overgaat. Waar wij ook heen zien stoten wij bij de heer Dühring op een hegeliaanse ‘grofheid’ die hij heel ongegeneerd voor eigen wortelvaste wetenschap uitgeeft. Het zou te ver voeren hier te onderzoeken, in hoever de toepassing van de begrippen doel en middel op de organische wereld gerechtvaardigd en op haar plaats is. In elk geval leidt ook de toepassing van Hegels ‘innerlijk doel’, — d.w.z. van een doel dat niet door een opzettelijk handelende derde (zoiets als de Wijsheid der Voorzienigheid), in de natuur is binnengebracht, maar dat in de noodzakelijkheid van de zaak zelf ligt — bij filosofisch onvolledig geschoolde mensen telkens tot het gedachteloos binnensmokkelen van bewust een opzettelijke handelingen. Dezelfde heer Dühring, die bij de minste ‘spiritistische’ pretenties van andere mensen in mateloze verontwaardiging geraakt, verzekert

‘met beslistheid, dat de instinctieve gevoelens... hoofdzakelijk geschapen zijn terwille van de met hun werking verbonden bevrediging’.

Hij vertelt ons dat die arme natuur

‘altijd weer opnieuw de stoffelijke wereld in orde moet houden’ en daarnaast nog het een en ander te doen heeft, ‘wat van de natuur meer subtiliteit verlangt dan men gewoonlijk toegeeft’. Maar de natuur weet niet alleen waarom zij dit of dat doet, zij heeft niet alleen de plichten van dienstmeisje te vervullen, zij bezit niet alleen subtiliteit, wat toch werkelijk al een fraaie volkomenheid in het subjectief bewuste denken is, zij heeft ook een wil. Want wat de instincten terloops als toegift verrichten, — namelijk de natuurlijke functies van voeding, voortplanting enz. ‘mogen wij niet als direct, maar slechts als indirect gewild beschouwen’.

Hiermee zijn wij bij een bewust denkende en handelende natuur aangekomen, staan dus reeds op de ‘brug’, weliswaar niet van het statische naar het dynamische, maar dan toch van het pantheïsme naar het deïsme. Of wenst de heer Dühring ook eens een beetje ‘natuurfilosofische rijmelarij’ ten beste te geven?

Onmogelijk. Alles wat onze werkelijkheidsfilosoof over de organische natuur weet te zeggen, beperkt zich tot de strijd tegen deze natuurfilosofische rijmelarij, tegen ‘de kwakzalverij met haar lichtvaardige oppervlakkigheden en zogezegd wetenschappelijke mystificaties’, tegen de ‘dichterlijke trekken’ van het darwinisme.

Vóór alles wordt Darwin verweten dat hij de bevolkingstheorie van Malthus van de economie naar de natuurwetenschap overbrengt, dat hij in de gedachtensfeer van een veefokker gevangen zou zijn, dat hij in zijn theorie van de strijd om het bestaan aan onwetenschappelijke rijmelarij zou doen en dat het hele darwinisme na aftrek van wat aan Lamarck ontleend is, een stuk tegen de beschaving gerichte bruutheid zou zijn.

Darwin had van zijn wetenschappelijke reizen de opvatting mee naar huis gebracht, dat de planten- en dierensoorten niet bestendig zijn, maar veranderen. Om deze gedachte thuis uit te werken stond hem geen beter arbeidsveld ter beschikking dan dat van dieren- en plantenteelt. Juist daarvoor is Engeland het klassieke land; wat andere landen, Duitsland bv., op dat gebied geleverd hebben, haalt in de verste verte niet bij wat Engeland in dit opzicht tot stand heeft gebracht. Daarbij stammen de meeste successen uit de laatste honderd jaren, zodat de vaststelling der feiten weinig moeilijkheden oplevert. Darwin vond nu dat deze teelt, op dieren en planten van dezelfde soort toegepast, kunstmatig verschillen te voorschijn gebracht had die groter waren dan die welke voorkomen bij algemeen als verschillend aangenomen soorten. Enerzijds was dus de veranderlijkheid der soorten tot op zekere hoogte aangetoond, anderzijds ook de mogelijkheid van een gemeenschappelijk voorgeslacht voor organismen die verschillende soortkenmerken bezaten. Darwin onderzocht nu of er niet in de natuur oorzaken te vinden waren die — zonder het bewuste opzet van de teler — toch op den duur bij de levende organismen dergelijke veranderingen teweeg moesten brengen, als dat bij de kunstmatige teling het geval was. Deze oorzaken vond hij in de wanverhouding tussen het enorme aantal door de natuur voortgebrachte kiemen en het geringe aantal van werkelijk tot rijpheid komende organismen.

Daar nu echter iedere kiem naar ontwikkeling streeft ontstaat er noodzakelijk een strijd om het bestaan, die zich niet slechts uit als directe lichamelijke bestrijding of elkaar verslinden, maar ook als strijd om ruimte en licht zelfs nog bij planten. En het is duidelijk dat in deze strijd die individuen de meeste kans hebben tot rijpheid te komen en zich voort te planten die een of andere, zij het nog zo onbeduidende, maar in de strijd om het bestaan hun tot eigen voordeel strekkende individuele bijzonderheid bezitten. Deze individuele bijzonderheden hebben dus de neiging tot overerving en wanneer zij bij talrijker individuen van dezelfde soort voorkomen, bestaat bij herhaling der overerving in de eenmaal genomen richting ook de neiging die bijzonderheden te versterken; terwijl de individuen die deze bijzonderheid niet bezitten, in de strijd om het bestaan gemakkelijker bezwijken en geleidelijk verdwijnen. Op deze wijze kan door natuurlijke teeltkeus een soort zich veranderen, en wel door het overleven van de meest geschikte.

Tegen deze theorie van Darwin voert de heer Dühring nu aan dat de oorsprong der voorstelling van de strijd om het bestaan, zoals Darwin zelf heeft toegegeven, in een veralgemening van de opvattingen van de econoom en bevolkingstheoreticus Malthus te zoeken zou zijn en daarom dan ook belast was met alle euvelen die aan de priesterlijk malthusiaanse beschouwingen over de bevolkingsaanwas eigen zijn. Nu komt het in het geheel bij Darwin niet op te zeggen, dat de oorsprong van de voorstelling van de strijd om het bestaan bij Malthus zou zijn te zoeken. Hij zegt slechts dat zijn theorie van de strijd om het bestaan de theorie van Malthus is, toegepast op de hele dieren- en plantenwereld. Hoe groot de bok ook zijn mag die Darwin geschoten heeft, doordat hij in zijn naïveteit de leer van Malthus zo voetstoots aanvaardde, toch ziet ieder op het eerste gezicht dat men geen Malthus-bril nodig heeft om de strijd om het bestaan in de natuur waar te nemen — de tegenstrijdigheid tussen het ontelbaar aantal kiemen die de natuur kwistig voortbrengt en het geringe aantal dat tenslotte tot rijpheid kan komen; een tegenstrijdigheid die inderdaad grotendeels in een — hier en daar uiterst wrede — strijd om het bestaan wordt opgelost. En zoals de wet van het arbeidsloon haar waarde behouden heeft, ook nadat de malthusiaanse argumenten, waarop Ricardo haar grondvestte, reeds lang hadden afgedaan — zo kan de strijd om het bestaan in de natuur eveneens plaatsvinden zonder enige malthusiaanse uitlegging. Overigens hebben de organismen in de natuur eveneens hun bevolkingswetten, die zogoed als helemaal niet onderzocht zijn. Het vaststellen daarvan zal echter voor de theorie van de ontwikkeling der soorten van beslissend belang zijn. En wie heeft ook in deze richting de beslissende stoot gegeven? Niemand anders dan Darwin.

De heer Dühring wacht er zich wel voor op deze positieve zijde van de kwestie in te gaan. In plaats daarvan moet de strijd om het bestaan het steeds weer verantwoorden. Van een strijd om het bestaan onder bewustzijnloze planten en goedaardige planteneters kan volgens hem in het geheel geen sprake zijn:

‘nauwkeurig en strikt genomen komt de strijd om het bestaan onder de roofdieren slechts in zoverre voor als de voeding door middel van roof en verslinden plaatsvindt’.

En nadat hij het begrip — strijd om het bestaan — tot deze enge grenzen teruggebracht heeft, kan hij op de dierlijke roofzuchtigheid van dit door hem zelf tot roofzucht beperkte begrip zijn volle verontwaardiging loslaten. Met deze zedelijke verontwaardiging treft de heer Dühring echter alleen zichzelf, omdat juist hij de strijd om het bestaan in die bekrompen vorm uitgevonden heeft en er dus ook alleen verantwoordelijk voor is. Het is dus niet Darwin die

‘op het gebied van de roofdieren de wetten en de kennis van alle werkzaamheid der natuur zoekt’, —

Darwin immers heeft juist de gehele organische natuur in die strijd betrokken —, maar dit is een door de heer Dühring zelf in elkaar geknutseld fantasieproduct. De uitdrukking: strijd om het bestaan, kan trouwens gerust aan de hoog morele verontwaardiging des heren Dühring worden prijsgegeven. Dat de zaak ook onder planten bestaat, kan hem iedere weide, ieder korenveld, elk bos bewijzen en het gaat ook niet om de uitdrukking of men het ‘strijd om het bestaan’ moet noemen of ‘gebrek aan bestaansvoorwaarden en mechanische werkingen’, maar hoe dit feit op het behoud of de verandering van de soorten inwerkt. Daarover volhardt de heer Dühring in een hardnekkig aan zichzelf gelijk stilzwijgen. Het zal dus voorlopig wel bij de natuurlijke teeltkeus blijven.

Maar het darwinisme ‘brengt zijn veranderingen en verschillen uit niets voort’.

Ongetwijfeld ziet Darwin, waar hij het over de natuurlijke teeltkeus heeft, van de oorzaken af die de veranderingen bij de afzonderlijke individuen hebben doen ontstaan, en behandelt hij in de eerste plaats de wijze waarop zulke individuele afwijkingen allengs tot kenmerken van een ras, een variëteit of een soort worden. Darwin is het er vooreerst minder om te doen deze oorzaken te vinden — die tot nu toe deels geheel onbekend, deels slechts zeer in het algemeen aan te geven zijn — maar veeleer om een rationele vorm, waarin hun verschillende werkingen vastgelegd worden en blijvende betekenis krijgen. Dat Darwin daarbij aan zijn ontdekking een bovenmatig grote werkingssfeer toeschreef, haar tot de enig mogelijke hefboom van de soortverandering maakte en de oorzaken van de voortgezette individuele veranderingen verwaarloosde terwille van de vorm waarin ze algemene betekenis krijgen — dat alles is een fout die hij met de meeste mensen gemeen heeft die een werkelijke stap voorwaarts doen. Bovendien, wanneer Darwin zijn individuele veranderingen uit niets voortbrengt en daartoe uitsluitend de ‘wijsheid van de teler’ gebruikt, dan moet dientengevolge die teler de niet slechts wenselijke maar ook werkelijke veranderingen van dieren en plantenvormen uit niets voortbrengen. Wie echter de stoot gegeven heeft om te onderzoeken waaruit dan eigenlijk die veranderingen en verschillen ontstaan, is wederom niemand anders dan Darwin.

Onlangs werd, en wel door Haeckel, de voorstelling van de natuurlijke teeltkeus verder ontwikkeld en de soortverandering opgevat als product van de wisselwerking van aanpassing en overerving, waarbij dan de aanpassing als de verandering teweegbrengende, de overerving als de bestendigende factor in het proces beschouwd wordt. Ook dit is de heer Dühring weer niet naar de zin.

‘Werkelijke aanpassing aan levensvoorwaarden, zoals de natuur die geeft of onthoudt, veronderstelt door voorstellingen bepaalde drijfveren en vormen van activiteit. Anders is de aanpassing slechts schijn en de dan in werking tredende oorzakelijkheid komt niet uit boven de onderste trappen van het fysische, chemische en plantenfysiologische.’

Hier is weer de naam een doorn in het oog van de heer Dühring. Hoe hij echter het proces ook mag aanduiden, de vraag waar het hier om gaat is of door zulke processen veranderingen in de soorten der organismen veroorzaakt worden of niet? En weer geeft de heer Dühring geen antwoord.

‘Wanneer een plant in haar groei de weg neemt waarop zij het meeste licht krijgt, dan is de uitwerking van deze prikkel niets anders dan een samenstel van natuurkundige krachten en scheikundige werkingen en wanneer men hier, niet in beeldspraak maar werkelijk, van aanpassing spreken wil, dan moet dit de begrippen tot een spiritistische warwinkel maken.’

Zo streng tegenover anderen is dezelfde man die zo precies weet ter wille waarvan de natuur dit of dat doet, die van de subtiliteit van de natuur spreekt, ja zelfs van haar wil! Een spiritistische warwinkel inderdaad — maar bij wie, bij Haeckel of bij de heer Dühring?

En niet alleen een spiritistische, maar ook een logische warwinkel. Wij zagen, dat de heer Dühring er met alle geweld op staat het doelbegrip in de natuur te laten gelden:

‘De verhouding van middel en doel veronderstelt geenszins een bewust oogmerk.’

Maar wat is dan de aanpassing zonder bewust oogmerk, zonder tussenkomst van voorstellingen, waartegen hij zo tekeer gaat anders dan zulk een onbewuste doelmatige activiteit?

Wanneer dus boomkikkers en bladetende insecten een groene, woestijndieren een zandgele, pooldieren hoofdzakelijk een sneeuwwitte kleur hebben, dan hebben zij zich die stellig niet opzettelijk of op grond van een of andere voorstelling aangeschaft. Integendeel, die kleuren zijn slechts uit natuurkundige krachten en scheikundige werkingen te verklaren. En toch is het niet te loochenen dat deze dieren door die kleuren aan de omgeving waarin zij leven, doelmatig aangepast zijn en wel zo dat zij daardoor voor hun vijanden veel minder zichtbaar zijn geworden. Zo zijn ook de organen waarmee bepaalde planten de daarop neerstrijkende insecten vangen en verteren, aan deze werkzaamheid aangepast, ja zelfs doelmatig aangepast. Wanneer nu de heer Dühring volhoudt dat de aanpassing door voorstellingen moet zijn teweeg gebracht, dan zegt hij alleen met andere woorden dat de doelmatige activiteit eveneens door middel van voorstellingen teweeggebracht, bewust, opzettelijk moet zijn. Waarmee wij weer zoals gewoonlijk in de werkelijkheidsfilosofie, bij de doelverwezenlijkende schepper, bij god terecht gekomen zijn.

‘Vroeger placht men zulk een oplossing deïsme te noemen en hechtte er niet veel waarde aan,’ (zegt de heer Dühring) ‘nu echter schijnt men zich ook in dit opzicht achterwaarts ontwikkeld te hebben’.

Van de aanpassing komen wij op de erfelijkheid. Ook hier is het darwinisme, volgens de heer Dühring, volkomen op een dwaalspoor. Heel de organische wereld, zou Darwin beweren, moet van één oerwezen afstammen, zou om zo te zeggen het kroost van één enkel wezen zijn. Het zelfstandig naast elkaar voorkomen van gelijksoortige voortbrengselen der natuur, zonder stamverwantschap, zou voor Darwin in het geheel niet bestaan en daarom zou hij met zijn achterwaarts gerichte voorstellingen terstond daar moeten ophouden waar de draad van de bevruchting of andere wijze van voortplanting afbreekt.

De bewering dat Darwin alle bestaande organismen van één oerwezen zou afleiden is, om het beleefd uit te drukken, een ‘eigen, vrije schepping en verbeelding’ van de heer Dühring. Darwin zegt uitdrukkelijk op de voorlaatste bladzijde van zijn ‘Origin of Species’ (Het ontstaan der soorten), 6de druk, dat hij

‘alle wezens niet als bijzondere scheppingen, maar als nakomelingen in rechte lijn van een gering aantal wezens[47] beschouwt.

En Haeckel gaat nog aanzienlijk verder en neemt

‘een volkomen zelfstandige stamboom aan voor het plantenrijk en een andere voor het dierenrijk’ en tussen deze beiden ‘een zeker aantal onafhankelijke stammen van protisten, van welke ieder afzonderlijk zich ontwikkeld heeft uit een eigen archigone [e] monerenvorm’ (‘Scheppingsgeschiedenis’, blz. 397) [48].

Dit oerwezen is slechts uitgevonden door de heer Dühring, om het in analogie met de oerjood Adam zoveel mogelijk in discrediet te brengen; hierbij overkomt hem — de heer Dühring wel te verstaan — het ongeluk, dat hem onbekend is gebleven, hoe door [George] Smith’s Assyrische ontdekkingen deze oerjood zich als oersemiet ontpopt heeft en hoe de gehele bijbelse geschiedenis van de schepping en de zondvloed deel blijkt uit te maken van de oudheidense godsdienstige sagencyclus die de Joden met Babyloniërs, Chaldeeërs en Assyriërs gemeen hadden.

Het is stellig een hard, maar niet te weerleggen verwijt aan Darwins adres, dat hij terstond daar ophoudt waar bij hem de draad van de afstamming afbreekt. Jammer genoeg treft dit verwijt onze gehele natuurwetenschap. Waar bij haar de draad van de afstamming afbreekt, daar ‘houdt zij op’. Zij heeft het tot dusver nog niet klaargespeeld organische wezens zonder afstamming voort te brengen; nog niet eens het samenstellen van gewoon protoplasma of andere eiwitlichamen uit chemische elementen is haar gelukt. Zij kan dus over de oorsprong van het leven tot dusver met beslistheid slechts zoveel zeggen dat die oorsprong op scheikundige wijze moet hebben plaatsgehad. Misschien echter is de ‘werkelijkheidsfilosofie’ in staat hier te hulp te komen, aangezien zij toch over zelfstandig naast elkaar voorkomende scheppingen van de natuur beschikt, die niet verbonden zijn door gezamenlijke afstamming. Hoe kunnen die zijn ontstaan? Door generatio spontanea? [f] Maar tot op heden hebben zelfs de vermetelste voorstanders van dit denkbeeld er slechts aanspraak op gemaakt bacteriën, schimmels of andere zeer primitieve organismen langs deze weg te doen ontstaan maar geen insecten, vissen, vogels of zoogdieren. Wanneer nu deze gelijksoortige voortbrengselen van de natuur — organische wel te verstaan, waarvan hier alleen sprake is — niet door afstamming met elkaar in verband staan, dan moeten zij of moet elk van hun voorvaderen daar, ‘waar de draad van de afstamming afbreekt’, door een afzonderlijke scheppingsdaad ter wereld zijn gebracht. Zo komen wij dan opnieuw bij de schepper terecht en bij dat, wat men deïsme noemt.

Verder noemt de heer Dühring het een grote oppervlakkigheid van Darwin, dat hij

‘alleen de daad van het langs geslachtelijke weg samenvoegen van eigenschappen tot grondbeginsel van het ontstaan van die eigenschappen maakt’.

Dit is wederom een vrije schepping en verbeelding van onze wortelvaste filosoof. Integendeel verklaart Darwin nadrukkelijk: de uitdrukking natuurlijke teeltkeus geldt slechts voor de instandhouding van veranderingen, maar niet voor hun verwekking (blz. 63). Dit opnieuw aan Darwin toedichten van dingen die hij nooit gezegd heeft, moet echter dienen om ons de volgende Dühring-diepzinnigheid bij te brengen:

‘Had men binnen de grenzen van het telingsschematisme het een of andere beginsel van onafhankelijke verandering opgespoord, dan zou die gedachte zeer rationeel geweest zijn. Want het is een natuurlijke gedachte om het beginsel der algemene wording met dat van de geslachtelijke voortbrenging tot één te verbinden en de zogenaamde generatio spontanea van een hoger gezichtspunt, niet als absolute tegenstelling van de reproductie. Maar juist als een productie te beschouwen’.

En de man die zulke wartaal produceren kon, schaamt zich niet Hegel verwijten over zijn ‘jargon’ te maken!

Maar genoeg over de naargeestige haarkloverij en de vitterij tot tegenstrijdigheden, waarmee de heer Dühring zijn ergernis lucht geeft over de ontzaglijke vlucht die de natuurwetenschap dankzij de impuls van Darwins theorie genomen heeft. Noch Darwin, noch zijn aanhangers onder de natuuronderzoekers denken er aan van de grote verdiensten van Lamarck ook maar iets af te doen. Juist zij zijn het geweest die hem het eerst weer op een voetstuk geplaatst hebben. Maar wij mogen niet voorbijzien dat de wetenschap in Lamarcks tijd nog lang niet over voldoende materiaal beschikte om de vraag naar de oorsprong der soorten anders dan vooruitlopend, om zo te zeggen profetisch te kunnen beantwoorden. Behalve het enorme materiaal op het gebied zowel van de verzamelende als van de ontledende plant- en dierkunde, dat zich sindsdien heeft opgehoopt, zijn echter sedert Lamarck twee geheel nieuwe wetenschappen ontstaan die hier van doorslaggevende betekenis zijn: het onderzoek van de ontwikkeling der plantaardige en dierlijke kiemen (embryologie) en van de, in verschillende lagen van de aardkorst bewaard gebleven, organische overblijfselen (paleontologie). Er bestaat namelijk een eigenaardige overeenkomst tussen de trapsgewijze ontwikkeling van de organische kiemen tot rijpe organismen en de volgorde van de na elkaar in de geschiedenis der aarde optredende planten en dieren. En het is juist deze overeenkomst die aan de ontwikkelingstheorie de zekerste grondslag heeft gegeven. De ontwikkelingstheorie zelf is echter nog zeer jong en het is daarom niet te betwijfelen dat het verdere onderzoek de thans geldende, ook de streng darwinistische voorstellingen over de loop van de ontwikkeling van de soorten in zeer belangrijke mate wijzigen zal.

Wat voor positiefs heeft de ‘werkelijkheidsfilosofie’ ons nu wel over de ontwikkeling van het organische leven te zeggen?

‘De... veranderlijkheid der soorten is een aannemelijke veronderstelling’. Daarnaast geldt echter ook ‘het zelfstandig naast elkaar voorkomen van gelijksoortige voortbrengselen in de natuur, zonder stamverwantschap.’

Op grond hiervan zou men menen dat de ongelijksoortige voortbrengselen in de natuur, d.w.z. de zich veranderende soorten van elkaar afstamden, de gelijksoortige echter niet. Dit gaat echter ook niet helemaal op, want bij zich veranderende soorten zou

‘de verwantschap door middel van afstamming integendeel slechts een geheel ondergeschikte daad der natuur zijn’.

Dus toch afstamming, maar van de ‘tweede rang’. — Laat ons blij zijn dat de afstamming, nadat de heer Dühring haar zoveel slechts en duisters toegeschreven heeft, toch eindelijk door de achterdeur weer binnengelaten wordt. Evenzo gaat het met de natuurlijke teeltkeus, want na al de zedelijke verontwaardiging over de strijd om het bestaan, door middel waarvan de natuurlijke teeltkeus zich immers voltrekt, wordt plotseling gezegd:

‘De diepere grondslag van de geaardheid der organische wezens is dus in de levensvoorwaarden en kosmische verhoudingen te zoeken, terwijl de door Darwin gepropageerde natuurlijke teeltkeus pas in de tweede plaats in aanmerking kan komen.’

Dus toch natuurlijke teeltkeus, al is ze tweederangs; dus met de natuurlijke teeltkeus ook strijd om het bestaan en daarmee ook het priesterlijk malthusiaanse bevolkingsgedrang! Dat is alles, voor de rest verwijst de heer Dühring ons naar Lamarck.

Tenslotte waarschuwt hij ons voor misbruik van de woorden metamorfose (gedaanteverwisseling) en ontwikkeling. Metamorfose zou een onklaar begrip en het begrip ontwikkeling slechts in zover toelaatbaar zijn als er werkelijk ontwikkelingswetten aangetoond kunnen worden. In plaats van die beide moeten wij spreken van ‘compositie’, en dan is alles in orde. Het is weer de oude geschiedenis: de zaak blijft zoals zij was, en de heer Dühring is volkomen tevreden zodra wij maar de naam veranderen. Wanneer wij van de ontwikkeling van het kuiken in het ei spreken, dan stichten wij verwarring omdat wij de ontwikkelingswetten slechts gebrekkig kunnen aantonen. Spreken wij echter van zijn compositie, dan wordt alles duidelijk. Wij zullen dus voortaan niet meer zeggen: dat kind ontwikkelt zich prachtig, maar: het componeert zichzelf uitstekend, en wij mogen er de heer Dühring mee gelukwensen dat hij niet alleen wat zijn edel gevoel van eigenwaarde betreft waardig aansluit bij de schepper van de ‘Nibelungenring’, maar ook in zijn eigenschap als componist van de toekomst. [49]


Voetnoten

[e] oorspronkelijke. — Red.

[f] Het ontstaan van levende wezens uit dode materie. — Red.

[46] Bij de voorbereiding in 1885 van de tweede uitgave van de Anti-Dühring was Engels van plan bij deze plaats een aantekening te geven (Over het ‘mechanische’ begrip van de natuur) die hij later bij het materiaal De dialektiek van de natuur gaf. (Zie ‘Aantekeningen bij de Anti-Dühring’ van de onderhavige uitgave.

[47] Ch. Darwin The Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (De oorsprong van soorten door middel van natuurlijke teeltkeus, of het behoud van bevoordeelde rassen in de strijd om het bestaan), 6de druk, Londen 1872, blz. 428; cursief van Engels. Dit is de laatste uitgave waarin Darwin toevoegingen en verbeteringen aanbracht. De eerste uitgave van het boek onder de titel On the Origin of Species etc. (Over de oorsprong van soorten etc.) verscheen in Londen in 1859. Verderop verwijst Engels naar dezelfde uitgave van het boek van Darwin.

[48] E. Haeckel Natürliche Schöpfungsgeschichte. Gemeinverständliche wissenschaftliche Vorträge über die Entwicklungslehre im Allgemeinen und die jenige von Darwin, Goethe und Lamarck im Besonderen (Natuurlijke scheppingsgeschiedenis. Populaire wetenschappelijke voordrachten over de ontwikkelingsleer in het algemeen en die van Darwin, Goethe en Lamarck in het bijzonder), 4de druk, Berlijn 1873. De eerste uitgave verscheen in Berlijn in 1868.

Protisten — volgens de classificatie van Haeckel — uitgebreide groep van de eenvoudigste organismen die bestaan uit eencellige en niet-cellulaire organismen en die tezamen niet de twee rijken van de veelcelligen (planten en dieren) een apart, derde, rijk van de organische natuur vormen.

Moneren — zijn volgens Haeckel kleine eiwitklompen, absoluut zonder structuur en zonder kern, met alle essentiële levensfuncties: voeding, beweging, reactie op prikkels, vermenigvuldiging. Haeckel onderscheidde oorspronkelijke, op het ogenblik uitgestorven moneren, die spontaan ontstonden (archegone moneren) en de nu nog bestaande moneren. De eerste waren het uitgangspunt van ontwikkeling van de drie rijken van de organische natuur. Uit de archegone moneren evolueerde de cel. De tweede groep behoort tot het rijk van de protisten en vormt hun eerste, eenvoudigste klasse. De tegenwoordige moneren bestaan volgens Haeckel uit verschillende soorten: Protamoeba primitiva, Protomyxa aurantiaca, Bathybius Haeckelii.

De termen ‘protisten’ en ‘moneren’ werden door Haeckel ingevoerd in 1866 (in zijn boek Generelle Morphologie der Organismen), maar vonden geen ingang in de wetenschap. Tegenwoordig worden de organismen die door Haeckel als protisten werden beschouwd, ingedeeld ofwel in de planten- ofwel in de dierenwereld. Het bestaan van moneren werd later ook niet bevestigd. Toch zijn de ideeën van de ontwikkeling van cellenorganismen uit vóórcellige formaties en van differentiatie van de oorspronkelijke levende wezens in planten en dieren in de wetenschap algemeen erkend.

[49] Der Ring des Nibelungen — operatetralogie van Richard Wagner: Rheingold, Walkure, Siegfried, Götterdämmerung. In 1876 werd het door Wagner gestichte Festspielhaus in Bayreuth met Der Ring des Nibelungen geopend.

“De componist van de toekomst” noemt Engels R. Wagner voor de grap, daar de tegenstanders Wagners muziek ironisch ‘toekomstmuziek’ noemden, naar aanleiding van diens werk Das Kunstwerk der Zukunft (Het kunstwerk van de toekomst), Leipzig 1850.