Karl Marx
Het Kapitaal, boek 2: Het circulatieproces van het kapitaal
Hoofdstuk 14


De omlooptijd

Alle tot nu toe behandelde omstandigheden die verschillen veroorzaken in de omloopperiodes van de verschillende kapitalen die worden ingezet in de verschillende bedrijfstakken en daardoor ook in de tijdsperiodes waarvoor kapitaal moet worden voorgeschoten, ontstaan binnen het productieproces zelf, net als het verschil tussen vast en vlottend kapitaal, het verschil in de arbeidsperioden etc. De omzettijd van het kapitaal is echter gelijk aan de som van zijn productietijd en zijn omloop- of circulatietijd. Het is daarom evident dat verschillen in de omlooptijden de omzettijd en daardoor de lengte van de omzetperiode verschillend maken. Dit wordt het duidelijkst zichtbaar wanneer men twee verschillende kapitaalinvesteringen vergelijkt, waarbij alle andere omstandigheden die de omzet veranderen gelijk zijn en enkel de omlooptijden verschillend zijn, of wanneer men een gegeven kapitaal neemt met een gegeven samenstelling uit vast en vlottend kapitaal, een gegeven arbeidsperiode etc., en enkel de omlooptijden hypothetisch laat variëren.

Het ene en relatief belangrijkste gedeelte van de omlooptijd bestaat uit de verkooptijd, de periode waarin het kapitaal zich in de toestand van warenkapitaal bevindt. Al naar gelang de relatieve grootte van die termijn verlengt of verkort de omlooptijd en daardoor ook de omzetperiode. Er kan t.g.v. opslagkosten etc. ook een extra investering van kapitaal nodig zijn. Het is bij voorbaat duidelijk dat de noodzakelijke tijd voor de verkoop van afgewerkte producten zeer verschillend kan zijn voor de afzonderlijke kapitalisten in één en dezelfde bedrijfstak, dus niet enkel voor de kapitaalhoeveelheden die in verschillende bedrijfstakken ingezet zijn maar ook voor de verschillende zelfstandige kapitalen die in feite slechts verzelfstandigde onderdelen vormen van het totale kapitaal dat in dezelfde productiesfeer wordt ingezet. Onder verder gelijkblijvende omstandigheden zal de verkoopperiode voor hetzelfde individuele kapitaal veranderen met de algemene schommelingen van de marktverhoudingen of met de schommelingen in een specifieke bedrijfstak. Hier zullen we niet langer bij stilstaan. We constateren slechts het simpele feit: alle omstandigheden die doorgaans een verschil veroorzaken in de omzetperioden van de ingezette kapitalen in de verschillende bedrijfstakken, hebben indien ze individueel werken (indien bv. de ene kapitalist de kans heeft sneller te verkopen dan zijn concurrent, indien de ene meer methoden toepast die de arbeidsperioden verkorten dan de andere etc.), eveneens een verschil in de omzet van verschillende, zich in dezelfde bedrijfstak bevindende afzonderlijke kapitalen tot gevolg.

Een constant werkende oorzaak die verschillen doet ontstaan in de verkooptijd en daardoor ook in de omzettijd, is de afstand van de plaats van productie [1e en 2e oplage: verkoopplaats] tot de markt waar de waar verkocht wordt. Tijdens de hele reistijd naar de markt bevindt het kapitaal zich gebonden in de toestand van warenkapitaal; indien op bestelling geproduceerd wordt tot op het moment van de aflevering; indien niet op bestelling geproduceerd wordt, komt bovenop de reistijd naar de markt nog eens de tijd waarin de waar zich als koopwaar op de markt bevindt. Verbetering van de communicatie- en transportmiddelen verkort de reis van de waren absoluut maar heft het uit de omzwerving ontstane relatieve verschil in de omlooptijd van verschillende warenkapitalen of ook van verschillende delen van hetzelfde warenkapitaal die naar verschillende markten gaan, niet op. De verbeterde zeilschepen en stoomboten bv., die de reis verkorten, verkorten deze zowel voor de havens dichtbij als voor de havens veraf. Het relatieve verschil blijft hoewel deze vaak verminderd wordt. De relatieve verschillen kunnen echter t.g.v. de ontwikkeling van transport- en communicatiemiddelen verschoven worden op een wijze die niet overeenstemt met de natuurlijke afstand. Bv. een spoorweg die van de productieplaats naar een binnenlands handelscentrum leidt, kan de afstand naar een dichterbij gelegen punt in het binnenland dat niet via het spoor verbonden is, absoluut of relatief verlengen in vergelijking tot de natuurlijke afstand; net zo kan t.g.v. dezelfde omstandigheid de relatieve afstand van de productieplaats tot de grotere afzetmarkten zelfs verschoven worden waardoor het verval van oude en het opkomen van nieuwe productiecentra verklaard wordt door de veranderde transport- en communicatiemiddelen. (Hierbij komt nog dat transporten voor langere afstand relatief goedkoper zijn dan die voor kortere afstanden.) Gelijktijdig met de ontwikkeling van de transportmiddelen wordt niet enkel de snelheid van de ruimtelijke beweging vergroot en daarmee de ruimtelijke afstand in tijd verkort. Niet alleen neemt de hoeveelheid communicatiemiddelen toe zodat bv. veel schepen gelijktijdig naar dezelfde haven varen, meerdere treinen gelijktijdig op verschillende spoorwegen tussen dezelfde twee punten rijden, maar er vertrekken bv. ook tijdens de week gedurende verschillende opeenvolgende dagen vrachtschepen van Liverpool naar New York of op verschillende uren van de dag goederentreinen van Manchester naar Londen. De absolute snelheid – dus dit deel van de omlooptijd – wordt door die laatstgenoemde omstandigheid bij een gegeven capaciteit van de transportmiddelen echter niet veranderd. Maar opeenvolgende hoeveelheden waren kunnen in kortere opeenvolgende tijdsperioden de reis aanvangen en zo opeenvolgend op de markt komen zonder zich in grotere massa’s als potentieel warenkapitaal op te hopen tot aan de werkelijke verzending. Daardoor wordt ook het terugvloeien van kapitaal over kortere opeenvolgende tijdsperioden verdeeld zodat steeds een deel in geldkapitaal is veranderd terwijl het andere deel als warenkapitaal circuleert. Door deze verdeling van het terugvloeien over meerdere opeenvolgende periodes wordt de gehele omlooptijd verkort en daardoor ook de omzettijd. Vervolgens ontwikkelt zich de grotere of kleinere frequentie waarin de transportmiddelen fungeren, bv. het aantal treinen op een spoorweg, enerzijds in de mate waarin een productieplaats meer produceert, een groter productiecentrum wordt, in de richting van de reeds aanwezige afzetmarkt, dus naar de grote productie- en bevolkingscentra, naar exporthavens etc. Anderzijds echter veroorzaken omgekeerd deze bijzondere verkeersfaciliteiten en de daardoor versnelde omzet van het kapitaal (voor zover het bepaald wordt door de omlooptijd) een versnelde concentratie van enerzijds de productiecentra en anderzijds zijn marktplaatsen. Met de zo versnelde concentratie van mensen en kapitaal op bepaalde plaatsen gaat de concentratie van kapitaalmassa’s in weinig handen verder. Tegelijk vindt weer een verschuiving en verplaatsing plaats t.g.v. de, met de veranderde communicatiemiddelen, veranderde relatieve ligging van productie- en marktplaatsen. Een productieplaats die door zijn ligging aan een grote weg of kanaal een bijzonder plaatsvoordeel had, bevindt zich nu aan de rand van een zijspoor dat slechts in relatief grote intervallen fungeert terwijl een andere plaats die geheel van de hoofdwegen aflag, nu aan het kruispunt van meerdere sporen ligt. De tweede plaats bloeit op, de eerste verkommert. Er wordt dus door de verandering in de transportmiddelen een plaatselijk verschil in de omlooptijd van de waren geschapen, in de mogelijkheid om te kopen, te verkopen etc., of het reeds bestaande plaatselijke verschil wordt anders verdeeld. Het belang van die omstandigheid voor de omzet van het kapitaal toont zich in de ruzies tussen de commerciële en industriële afgevaardigden van de verschillende plaatsen en het spoorwegbeheer. (zie bv. het eerder [zie hoofdstuk 6.3 Transportkosten] geciteerde blauwboek van de Railway Committee.)

Alle bedrijfstakken die volgens de aard van hun product hoofdzakelijk op lokale afzet aangewezen zijn, zoals brouwerijen, ontwikkelen zich daardoor in de grootste omvang in de hoofdcentra van de bevolking. De snellere omzet van het kapitaal compenseert hier gedeeltelijk het duurder worden van menige productievoorwaarde, van de bouwplaats etc.

Wanneer enerzijds met het voortschrijden van de kapitalistische productie de ontwikkeling van de transport- en communicatiemiddelen de omlooptijd voor een gegeven hoeveelheid verkort, dan veroorzaakt hetzelfde voortschrijden en de met de ontwikkeling van de transport- en communicatiemiddelen gegeven mogelijkheid omgekeerd de noodzaak om voor steeds verder afgelegen markten, in één woord, voor de wereldmarkt te werken. De hoeveelheid waren die op weg is naar verre bestemmingen neemt enorm toe en daardoor absoluut en relatief ook het deel van het maatschappelijk kapitaal dat zich voortdurend voor langere termijn in het stadium van warenkapitaal binnen de omlooptijd bevindt. Daarmee neemt gelijktijdig ook het deel van de maatschappelijke rijkdom toe, dat, i.p.v. als direct productiemiddel te dienen, in transport- en communicatiemiddelen en in het voor haar werking vereiste vast en circulerend kapitaal geïnvesteerd wordt.

De louter relatieve lengte van de reis van de waar van de productie- tot afzetplaats veroorzaakt niet enkel een verschil in het eerste deel van de omlooptijd, de verkooptijd, maar ook in het tweede deel, de terugverandering van het geld in de elementen van het productief kapitaal, de aankooptijd. Bv. de waar wordt naar India gestuurd. Dit duurt bv. vier maanden. We zullen de verkooptijd gelijkstellen aan 0, d.w.z. de waar is op bestelling verstuurd en wordt bij aflevering betaald aan de handelsagent van de producent. Het terugzenden van het geld (de vorm, waarin het teruggezonden wordt, maakt hier niet uit) duurt opnieuw vier maanden. Zo duurt het in totaal acht maanden voordat hetzelfde kapitaal opnieuw als productief kapitaal kan fungeren, dezelfde operatie daardoor kan worden vernieuwd. De zo voortgebrachte verschillen in omzet vormen één van de materiële oorzaken van de verschillende krediettermijnen, zoals de overzeese handel bv. in Venetië en Genua überhaupt één van de bronnen van het eigenlijke kredietwezen vormt.

“De crisis van 1847 maakte het voor het bank- en handelswezen van die tijd mogelijk, het Indische en Chinese handelsgebruik” (voor de looptijd van wissels tussen daar en Europa) “van tien maanden na datum tot 6 maanden na zicht te verminderen en het verloop van 20 jaar met zijn verhoging van de snelheid en inrichting van telegraaf maakt nu een verdere vermindering nodig van zes maanden na zicht tot vier maanden na datum als eerste stap naar vier maanden na zicht. De reis van een zeilschip om de kaap van Calcutta naar Londen duurt gemiddeld minder dan 90 dagen. Een gebruik van vier maanden na zicht zou gelijk zijn aan een looptijd van laat ons zeggen 150 dagen. Het huidige gebruik van zes maanden na zicht komt overeen met een looptijd van laat ons zeggen 210 dagen.” (Londen Economist, 16 juni 1866)

Daarentegen:

“Het Braziliaanse handelsgebruik staat nog altijd op twee en drie maanden na zicht, wissels van Antwerpen” (op Londen) “worden drie maanden na datum getrokken en zelfs Manchester en Bradford trekken op Londen na drie maanden en langere periodes. Door een stilzwijgende overeenkomst krijgt de koopman zo voldoende gelegenheid om zijn waar te realiseren, hoewel niet vóór maar toch binnen de tijd waarin de daartegen getrokken wissel vervallen is. Daardoor is het gebruik van Indische wissels niet buitensporig. Indien men enige tijd voor de verkoop bijrekent kunnen Indische producten die in Londen meestal op drie maanden betalingstermijn verkocht worden, niet in veel kortere tijd dan vijf maanden gerealiseerd worden, terwijl een andere vijf maanden gemiddeld verstrijken tussen de aankoop in India en de aflevering in een Engels pakhuis. Hier hebben we een periode van tien maanden terwijl de tegen de waren getrokken wissels niet meer dan zeven maanden gelden.” (Ibid., 30 juni 1866) “Op 2 juli 1866 noteerden vijf grote Londense banken die hoofdzakelijk met India en China handelen, zoals het Parijse Comptoir d’Escompte [gecursiveerd door de vertaler], dat vanaf 1 januari 1867 haar nevenkantoren en agentschappen vanaf 1 januari 1867 in het oosten enkel nog wissels zouden kopen en verkopen, die over minder dan vier maanden na zicht getrokken worden.” (Ibidem, 7 juli 1866)

Die vermindering mislukte echter en moest opnieuw ingetrokken worden. (Sindsdien heeft het Suezkanaal dit alles in een versnelde ontwikkeling gebracht.)

Het spreekt voor zich dat met het verlengen van de omlooptijd van de waren het risico van een prijsverandering op de verkoopmarkt stijgt aangezien de periode waarbinnen de prijsverandering kan plaatsvinden langer wordt.

Een verschil in omlooptijd, deels individueel tussen verschillende afzonderlijke kapitalen van dezelfde bedrijfstak, deels tussen verschillende bedrijfstakken volgens de verschillende handelsgebruiken waar niet onmiddellijk contant betaald wordt, ontstaat uit de verschillende betalingstermijnen bij aan- en verkoop. We zullen hier niet langer stilstaan bij dit punt dat belangrijk is voor het kredietwezen.

Er ontstaan eveneens verschillen in de omzettijd die te maken hebben met de omvang van de leveringscontracten, die toeneemt met de omvang en de schaal van de kapitalistische productie. Het leveringscontract als transactie tussen koper en verkoper is een operatie die hoort bij de markt, bij de circulatiesfeer. De hierdoor veroorzaakte verschillen in de omzettijd ontstaan dus uit de circulatiesfeer maar werken onmiddellijk door in de productiesfeer en wel, afgezien van alle betaaltermijnen en kredietverhoudingen, dus ook bij contante betaling. Kolen, katoen, garen etc. zijn bv. discrete producten. Elke dag levert een hoeveelheid afgewerkt product. Aanvaardt nu echter de spinner of de mijneigenaar leveringen van een hoeveelheid producten die laat ons zeggen een periode van vier of zes weken aan opeenvolgende arbeidsdagen vereisen, dan is het voor wat betreft de tijdsduur waarvoor kapitaal moet worden voorgeschoten, geheel hetzelfde alsof een continue arbeidsperiode van vier of zes weken in dit arbeidsproces zou worden ingevoerd. Er wordt hier natuurlijk verondersteld dat de volledige bestelde hoeveelheid product in één keer geleverd wordt of toch pas betaald wordt nadat ze geheel geleverd is. Zo heeft dus, op zichzelf beschouwd, elke dag een bepaalde hoeveelheid afgewerkt product geleverd. Maar die afgewerkte hoeveelheid is steeds slechts een deel van de contractueel te leveren hoeveelheid. Bevindt in dit geval het reeds afgewerkte deel van de bestelde waren zich niet langer in het productieproces dan ligt het toch als louter potentieel kapitaal in het pakhuis.

Bekijken we nu de tweede periode van de omlooptijd: de aankooptijd of de periode waarin het kapitaal zich van geldvorm terug verandert in de elementen van het productief kapitaal. Tijdens die periode moet het kortere of langere tijd in een toestand van geldkapitaal verblijven, daarom moet een bepaald deel van het voorgeschoten totale kapitaal zich voortdurend in een toestand van geldkapitaal bevinden hoewel dit deel uit steeds wisselende elementen bestaat. In een bepaald bedrijf moet van het voorgeschoten totaal kapitaal bv. n x £100 in de vorm van geldkapitaal aanwezig zijn zodat, terwijl alle bestanddelen van die n x £100 zich voortdurend in productief kapitaal veranderen, die som door de toevloed uit de circulatie, uit het gerealiseerde warenkapitaal, toch telkens weer tot hetzelfde bedrag wordt aangevuld. Een bepaald waardedeel van het voorgeschoten kapitaal bevindt zich dus steeds in een toestand van geldkapitaal, dus in een vorm die niet hoort bij de productiesfeer maar bij de circulatiesfeer.

We hebben reeds gezien dat de door de afstand tot de markt veroorzaakte verlenging van de tijd waarin het kapitaal in de vorm van warenkapitaal gebonden is, een directe vertraging veroorzaakt in het terugvloeien van het geld en dat dus ook de verandering van het kapitaal van geldkapitaal naar productief kapitaal vertraagd wordt.

Wat betreft de aankoop van de waren hebben we verder gezien (hoofdstuk 6), hoe de aankooptijd, de grotere of kleinere afstand tot de voornaamste bronnen van ruw materiaal, het nodig maakt om voor langere periodes ruw materiaal aan te kopen en in de vorm van productieve voorraad, latent of potentieel productief kapitaal, beschikbaar te houden; dit vergroot dus de hoeveelheid kapitaal dat in één keer moet worden voorgeschoten en de tijd waarvoor het moet worden voorgeschoten, bij verder gelijke schaal van productie.

Op soortgelijke manier werken in verschillende bedrijfstakken de periodes – korter of langer –, waarin grotere hoeveelheden ruw materiaal op de markt worden gebracht. Zo vinden bv. in Londen elke drie maanden grote wolveilingen plaats die de wolmarkt beheersen; terwijl de katoenmarkt van oogst tot oogst voortdurend in haar geheel, hoewel niet steeds uniform, vernieuwd wordt. Dergelijke periodes bepalen de belangrijkste aankooptermijnen van deze grondstoffen en werken met name ook in op speculatieve aankopen die bepaald worden door het langer of korter aanhouden van voorschotten in die productie-elementen, precies zoals de aard van de geproduceerde waren inwerkt op het speculatief, opzettelijk, langer of korter achterhouden van het product in de vorm van potentieel warenkapitaal.

“De landbouwer moet dus ook tot op zekere hoogte speculant zijn en daarom al naar gelang de tijdsverhouding wachten met de verkoop van zijn producten ... “

Hier volgen enkele algemene regels.

“Bij de afzet van producten komt het vooral aan op de persoon, op het product zelf en op de lokaliteit. Wie met handigheid en geluk (!) voorzien is van voldoende bedrijfskapitaal zal niet op de vingers getikt worden indien hij zijn verkregen oogst bij ongewoon lage prijzen eens een jaar laat liggen; wie het daarentegen aan bedrijfskapitaal of in het geheel (!) aan speculatiegeest ontbreekt zal trachten de huidige gemiddelde prijs te verkrijgen en zal dus moeten afzetten zodra en zo vaak hij daartoe de gelegenheid heeft. Wol langer dan een jaar laten liggen zal vrijwel altijd een zeker nadeel berokkenen; terwijl graanvruchten en oliezaad een paar jaar kunnen worden opgeslagen zonder nadelen voor de kwaliteit en deugdelijkheid. Dergelijke producten die gewoonlijk aan een grote stijging en daling in korte tijdsintervallen onderworpen zijn, zoals bv. oliezaad, hop, kaardenbol en dergelijke, laat men met recht liggen in de jaren waarin de prijs ver onder de productieprijzen ligt. Het minst van al kan men met de verkoop van dergelijke objecten aarzelen die dagelijkse onderhoudskosten veroorzaken, zoals vetgemest vee, of zaken die aan bederf onderhevig zijn, zoals fruit, aardappelen etc. In veel gebieden bereikt een product in bepaalde seizoenen gemiddeld genomen zijn laagste prijs, in andere perioden daarentegen zijn hoogste prijs; zo staat bv. het graan op sommige plaatsen bij Sint-Maarten gemiddeld tegen lagere prijzen genoteerd dan tussen Kerstmis en Pasen. Verder zijn talrijke producten in veel gebieden slechts goed verkoopbaar tijdens bepaalde perioden, zoals bv. het geval is met wol op de wolmarkten in die gebieden waar bovendien ook de wolhandel gewoonlijk hapert etc.” (Kirchhof, p. 302)

Bij het onderzoek van de tweede helft van de omlooptijd waarin het geld terug veranderd wordt in de elementen van het productief kapitaal, moeten we niet enkel aandacht besteden aan de omzet op zich; niet enkel de tijd waarin het geld terugvloeit, al naar gelang de afstand tot de markt waarop het product verkocht wordt; we moeten vooral ook aandacht besteden aan de omvang waarin een deel van het voorgeschoten kapitaal zich voortdurend in de geldvorm, in een toestand van geldkapitaal moet bevinden.

Afgezien van alle speculatie hangt de omvang van de aankopen van waren die steeds als productieve voorraad aanwezig moeten zijn, ook af van de vernieuwingstijden van die voorraad, dus van omstandigheden, die weer afhankelijk zijn van marktverhoudingen en die dus voor verschillende grondstoffen etc. verschillend kunnen zijn; hier moet dus van tijd tot tijd geld in grotere hoeveelheden in één keer voorgeschoten worden. Het vloeit, al naar gelang de omzet van het kapitaal, sneller of trager, maar steeds schoksgewijs terug. Een deel daarvan wordt eveneens steeds weer in kortere periodes uitgegeven, namelijk het in arbeidsloon terug veranderde deel. Een ander deel echter dat in ruw materiaal etc. moet terug veranderen, moet voor langere periodes worden opgehoopt, als reservefonds, hetzij voor aankoop, hetzij voor betaling. Het bestaat daardoor in de vorm van geldkapitaal hoewel de omvang verandert waarin het als zodanig bestaat.

We zullen in het volgende hoofdstuk zien hoe andere omstandigheden, of ze nu voortkomen uit het productie- of uit het circulatieproces, de aanwezigheid van een bepaald deel van het voorgeschoten kapitaal in geldvorm vereisen. Algemeen valt echter op te merken dat economen zeer geneigd zijn te vergeten dat een deel van het kapitaal dat nodig is in een bedrijf steeds niet enkel de drie vormen van geldkapitaal, productief kapitaal en warenkapitaal beurtelings doorloopt, maar dat verschillende delen van dat kapitaal voortdurend naast elkaar die vormen bezitten terwijl ook de relatieve grootte van die delen voortdurend verandert. Het is namelijk het steeds als geldkapitaal aanwezige deel dat economen vergeten hoewel juist deze omstandigheid zo noodzakelijk is voor het begrijpen van de burgerlijke economie en zich daardoor in de praktijk ook als zodanig doet gelden.