Friedrich Engels

Brieven over de materialistische geschiedenisopvatting



Geschreven: 1890
Bron: Te Elfder Ure nr. 3 en 4, 19e jg., 1972
Vertaling: onbekend
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, december 2005

Brieven over de materialistische geschiedenisopvatting ➝ E-boek (EPUB) door Sander Sweers


Engels aan Konrad Schmidt uit: MEW, dl. 37, pp. 435-438

Londen, 5 augustus 1890

Beste Schmidt,

(...) Ik zag een aankondiging van het boek van Paul Barth. (...) Ik moet het nog nader bestuderen, maar het moet me wel van het hart dat wanneer onze vriend Moritz Barth daarin juist citeert, dat Barth in alle geschriften van Marx als enige voorbeeld voor de afhankelijkheid van de filosofie enz. van de materiële bestaansvoorwaarden kan vinden, dat Descartes de dieren als machines opvat, dat ik dan medelijden heb met de man die zoiets kan schrijven. En als de man nog niet heeft ontdekt dat de materiële bestaanswijze weliswaar het primum agens is, maar dat dat niet uitsluit dat de ideële gebieden op hun beurt een reagerende, zij het secundaire inwerking op de materiële bestaanswijze uitoefenen, dan kan hij toch onmogelijk het onderwerp waarover hij schrijft hebben begrepen. Maar zoals gezegd, ik ga hierbij af op indrukken uit de tweede hand, en onze kleine Moritz is een fatale vriend. Ook de materialistische geschiedenisopvatting vindt tegenwoordig een grote aanhang onder lieden voor wie zij als voorwendsel dient om de geschiedenis niet te bestuderen. Precies zoals Marx zei van de Franse “marxisten”, in de tweede helft van de zeventiger jaren: “Alles wat ik weet is dat ik geen marxist ben”.

Zo is er ook in de Volks-Tribune een discussie gevoerd over de wijze waarop de producten in de toekomstige maatschappij zouden worden verdeeld, nl. of dat gebeurt op grond van de hoeveelheid arbeid of op een andere wijze. Men heeft het probleem ook uiterst “materialistisch” benaderd tegen bepaalde idealistische frasen over rechtvaardigheid. Maar merkwaardig genoeg is niemand op het idee gekomen, dat de wijze van verdeling wezenlijk afhankelijk is van de vraag, hoeveel er valt te verdelen. En daar deze hoeveelheid met de vooruitgang van de productie en de maatschappelijke organisatie verandert, zou ook de verdelingswijze wel eens kunnen veranderen. Maar alle deelnemers aan die discussie verschijnt de “socialistische maatschappij” niet als iets dat aan voortdurende vooruitgang en verandering onderhevig is, maar als een stabiel voor eens en voor altijd vastgelegd ding, dat bijgevolg ook een voor eens en voor altijd vastgelegde verdelingswijze moet hebben. Redelijkerwijze is echter het enige wat men kan doen 1. de verdelingswijzen te ontdekken waarmee begonnen wordt, en 2. trachten de algemene tendens te vinden waarin de verdere ontwikkeling zich beweegt. Maar in het hele debat vind ik daarover geen woord.

In het algemeen wordt het woord “materialistisch” in Duitsland bij veel jonge schrijvers uitsluitend gebruikt als een simpele frase, als een etiket dat men zonder enige studie alles en iedereen opplakt. En als men dit etiket opgeplakt heeft meent men de zaak afgedaan te hebben. Onze geschiedenisopvatting is echter in de eerste plaats een leidraad bij de studie, geen hefboom waarmee men willekeurig constructies kan plegen in de trant van de hegelianen. Heel de geschiedenis moet opnieuw worden bestudeerd, de bestaansvoorwaarden van de verschillende maatschappijformaties moeten tot in detail worden onderzocht vooraleer men poogt daaruit de politieke, privaatrechtelijke, esthetische, filosofische, godsdienstige opvattingen enz. die aan deze formaties beantwoorden, af te leiden. Op dat gebied is tot op heden nog maar bijzonder weinig werk verzet, omdat dit werk maar door enkelen serieus ter hand is genomen. Op dit gebied kunnen wij hulp in overvloed gebruiken, het gebied is oneindig groot, en wie serieus wil werken kan veel presteren en zich verdienstelijk maken. Maar in plaats hiervan wordt de frase van het historisch materialisme (en van alles kan men een frase maken) door maar al te veel jonge Duitsers uitsluitend gebruikt om hun eigen betrekkelijk gebrekkige historische kennis - de economische geschiedenis staat nog in de kinderschoenen! - zo snel mogelijk tot een systeem te construeren, om dan vervolgens van zichzelf te vinden dat ze geweldig zijn. En dan kan iemand als Barth komen en de zaak zelf aanvallen die in zijn omgeving echter louter tot een frase is gedegradeerd.

Overigens dat zal allemaal wel weer op zijn pootjes terechtkomen. We zijn thans in Duitsland sterk genoeg om veel te kunnen verdragen. Een van de grootste diensten die de socialistenwet ons heeft bewezen was dat zij ons van de opdringerigheid van de zich door het socialisme aangetrokken voelende Duitse studiosus bevrijdde. Thans zijn wij sterk genoeg om ook de Duitse studiosus die zich thans weer luide laat horen te kunnen verhapstukken. U, die werkelijk wat gepresteerd heeft, moet zelf hebben gemerkt hoe weinige van de jonge literaire figuren die zweren bij de partij zich de moeite getroosten economie te studeren, de geschiedenis van de economie, de geschiedenis van de handel, landbouw en industrie, de geschiedenis van de maatschappijformaties. Hoeveel kennen van Maurer meer dan zijn naam! De zelfvoldaanheid van de journalist is de koker waar hier alles uit moet komen, en het resultaat is er ook naar. Het lijkt soms als waren deze heren van mening dat alles goed genoeg voor de arbeiders is. Als deze heren eens wisten, hoe Marx zijn beste geschriften nog altijd niet goed genoeg voor de arbeiders vond, hoe hij het als een misdaad beschouwde de arbeiders iets minder dan het allerbeste te geven!

In onze arbeiders, en alleen in hen stel ik sedert de proef die zij sedert 1878 schitterend doorstonden een onvoorwaardelijk vertrouwen (in 1878 werd de tegen de arbeidersorganisaties gerichte socialistenwet van Bismarck ingesteld -noot van de red.). Zoals iedere grote partij zullen zij op bepaalde punten van de ontwikkeling fouten begaan, wellicht grote fouten. Massa’s leren evenwel slechts door de gevolgen van hun eigen fouten, door de ervaringen die zij aan den lijve ondergaan. Maar dat alles wordt overwonnen, en bij ons veel gemakkelijker dan elders, omdat onze jonge generatie inderdaad een onverwoestbare gezondheid geniet en bovendien omdat Berlijn, dat niet gauw boven zijn typische Berlijnsheid uit zal komen, bij ons niet meer is dan een formeel centrum, precies zoals Londen, en niet zoals Parijs in Frankrijk. Over de Franse en Engelse arbeiders heb ik mij vaak genoeg geërgerd (hoewel ik de oorzaken van hun bokken kende), maar over de Duitsers sedert 1870 nooit. Wel over enkele lieden die uit naam van de arbeiders spraken, maar nooit over de massa’s die alles weer in het rechte spoor brachten. En ik zou een weddenschap willen wagen dat ik het nooit mee zal maken dat ik mij over hen zal hoeven te ergeren.

Uw Friedrich Engels

Engels aan Joseph Bloch uit: MEW, dl. 37, pp. 462-465

Londen, 21 september 1890

Zeer geachte heer Bloch,

(...) Volgens de materialistische geschiedenisopvatting zijn de productie en reproductie van het werkelijke leven in de geschiedenis het moment dat in laatste instantie bepalend is. Meer hebben Marx noch ik ooit beweerd. Wanneer iemand dat nu zo verdraait dat het economisch moment het enig bepalende is, dan verandert hij deze stelling in een nietszeggende, abstracte, absurde frase. De economische toestand is de basis. Maar de verschillende momenten van de bovenbouw - politieke vormen van de klassenstrijd en zijn resultaten - staatsinrichtingen die na hun overwinning door de overwinnende klasse zijn vastgesteld enz. - rechtsvormen, en met name de reflexen van al deze werkelijke strijdconflicten in het brein der betrokkenen (politieke, juridische, filosofische theorieën, godsdienstige opvattingen en een ontwikkeling tot een stelsel van dogmata) oefenen eveneens hun inwerking uit op het verloop van de historische strijd en bepalen in vele gevallen overwegend de vorm waarin zij gevoerd wordt. Het is een wisselwerking van al deze momenten waarin de economische beweging zich uiteindelijk noodzakelijk verwezenlijkt door al die oneindige hoeveelheid toevalligheden heen (d.w.z. dingen en gebeurtenissen wier onderlinge, interne samenhang zo ver verwijderd of zo onaantoonbaar is dat wij ze als niet aanwezig kunnen beschouwen, kunnen verwaarlozen). Anders zou de toepassing van de theorie op een willekeurige periode van de geschiedenis makkelijker zijn dan de oplossing van een simpele eerste graadsvergelijking.

Wij maken onze geschiedenis zelf, maar ten eerste onder zeer bepaalde voorwaarden en vooronderstellingen. Daaronder zijn de economische uiteindelijk beslissend. Maar ook de politieke voorwaarden enz. spelen een rol, zij het niet de beslissende rol, ja zelfs de in de hoofden van de mensen spokende traditie speelt mee. De Pruisische staat is ook door historische, in laatste instantie economische oorzaken ontstaan en verder ontwikkeld. Maar zou het geen pedanterie zijn te willen beweren dat onder de vele Noord-Duitse kleine staten juist Brandenburg op grond van een economische noodzaak en niet tevens door andere momenten (in de eerste plaats door zijn relaties met Polen - vanwege het bezit van Pruisen, hetgeen weer tot gevolg had dat Brandenburg met internationale politieke verhoudingen in aanraking kwam - die ook van beslissend belang zijn bij de vorming van de Oostenrijkse dynastie) er toe was bestemd de mogendheid te worden waarin de economische, taalkundige en sedert de Reformatie ook het godsdienstige verschil van het noorden van Duitsland werd belichaamd tegenover het zuiden. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat men er in zal slagen het bestaan van iedere kleine Duitse staat uit verleden of heden economisch te verklaren, zonder zich belachelijk te maken. En hetzelfde geldt voor een economische verklaring van de oorsprong van de klankverschuiving in het Hoogduits, die de geografische scheidsmuur door Duitsland (die door de gebergten van de Sudeten tot aan de Taunus gevormd wordt), uitbreidde tot een formele scheidslijn.

In de tweede plaats wordt de geschiedenis echter zo gemaakt dat het eindresultaat steeds voortkomt uit de conflicten tussen de vele individuen met ieder hun eigen wil - en ieder van deze individuen wordt weer door een aantal specifieke levensvoorwaarden gemaakt tot wat het is. Het zijn dus ontelbare, elkaar doorkruisende krachten, een oneindige verzameling van krachtenparallellogrammen waarvan het historisch gebeuren de resultante is. Deze resultante kan zelf weer worden beschouwd als het product van een macht die in haar totaliteit zonder bewustzijn en willoos werkzaam is. Want wat ieder individu wil, wordt door ieder ander verhinderd, en het resultaat van dit alles is iets dat niemand gewild heeft. Zo verloopt de geschiedenis tot dusver op de wijze van een natuurproces en is ook wezenlijk aan dezelfde bewegingswetten onderworpen. De vele individuen met hun eigen wil - van wie eenieder datgene wil waartoe hij door lichaamsgesteldheid en uitwendige in laatste instantie economische omstandigheden wordt gedreven (hetzij door zijn eigen persoonlijke of door algemeen maatschappelijke omstandigheden) deze individuen zullen dus niet datgene bereiken wat zij willen, maar hun willen zullen versmelten tot een totaal gemiddelde, een gemeenschappelijke resultante. Maar hieruit mag niet worden geconcludeerd dat deze individuele willen gelijk aan nul te stellen zijn. Integendeel, ieder draagt tot de resultante bij en is daar in zoverre bij inbegrepen.

Overigens zou ik u willen verzoeken om deze theorie te bestuderen in de oorspronkelijke bronnen en niet uit de tweede hand, het is werkelijk veel gemakkelijker. Marx heeft nauwelijks iets geschreven waarin deze theorie geen rol speelt. Maar met name De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte is een uitstekend voorbeeld van de toepassing van deze theorie. Ook in Het Kapitaal vindt men veel aanwijzingen. Vervolgens mag ik u ook wel naar mijn eigen geschriften verwijzen: De Heer Eugen Dühring’s omwenteling der wetenschap en Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie waarin ik de meest uitvoerige uiteenzetting van het historisch materialisme heb gegeven, die voorzover mij bekend, bestaat.

Dat door de jongeren soms meer gewicht op de economische kant van de zaak wordt gelegd dan haar toekomt is voor een deel de schuld van Marx en mijzelf. Tegenover onze tegenstanders moesten wij de klemtoon leggen op het hoofdbeginsel dat door hen werd ontkend, we hadden niet altijd plaats en gelegenheid om de overige bij de wisselwerking betrokken momenten tot hun recht te doen komen. Maar zodra wij overgingen tot de beschrijving van een historische periode, dus zodra de theorie praktisch toegepast werd, veranderde de zaak en dan was geen vergissing mogelijk. Maar helaas gelooft men nog al te vaak dat men een nieuwe theorie volkomen heeft begrepen en zonder meer kan hanteren, zodra men zich de hoofdstellingen heeft eigen gemaakt, en dat nog niets eens altijd juist. En dit verwijt kan ik veel van de nieuwe “marxisten” niet besparen, het is dan ook geen wonder wat voor zonderlinge onzin er allemaal is gepresteerd. (...)

Ik hoop dat de vreselijk verwrongen stijl die mij kortheidshalve uit de pen gevloeid is u niet al te zeer af zal schrikken, en verblijf

uw toegenegen F. Engels

Engels aan Konrad Schmidt uit: MEW, dl. 37, pp. 488-495

Londen, 27 oktober 1890

Beste Schmidt,

(...) In deze paar aanduidingen van mijn opvatting van de verhouding van de productie tot de warenhandel en van deze beide tot de geldhandel heb ik in de grond van de zaak reeds geantwoord op uw vragen over het historisch materialisme in het algemeen. Dit probleem laat zich het gemakkelijkst vanuit de arbeidsdeling benaderen. De maatschappij roept bepaalde gemeenschappelijke functies in het leven die zij niet kan ontberen. De hiertoe benoemde lieden vormen een nieuwe tak van arbeidsdeling binnen de maatschappij. Daarmee krijgen zij bijzondere belangen ook tegenover hen die hen hun benoeming verleenden. Tegenover dezen verzelfstandigen zij zich, en - de staat is een feit. En nu gaat het analoog zoals bij de warenhandel en later bij de geldhandel: grosso modo moet de nieuwe zelfstandige macht de beweging der productie wel volgen maar krachtens haar relatieve zelfstandigheid die haar immanent is, d.w.z. haar eenmaal verleend is en geleidelijk tot verdere ontwikkeling is gekomen, reageert zij ook van haar kant op de voorwaarden en gang der productie. Er is een wisselwerking van twee ongelijke krachten; aan de ene kant van de economische beweging en aan de andere kant de nieuwe politieke macht die naar de grootst mogelijke zelfstandigheid streeft en nadat ze eenmaal in het leven is geroepen, ook met een eigen beweging is begiftigd. Grosso modo zet de economische beweging zich door, maar zij moet ook de weerslag ondergaan van de politieke beweging die door de economische beweging op gang is gezet en met een relatieve zelfstandigheid is uitgerust. Deze politieke beweging is beweging enerzijds van de staatsmacht, anderzijds van de tegelijk met de staatsmacht in het leven geroepen oppositie. Zoals de beweging van de industriemarkt zich in de geldmarkt grosso modo en onder de hierboven aangegeven restricties weerspiegelt, en uiteraard omgekeerd weerspiegelt, zo weerspiegelt zich in de strijd tussen regering en oppositie de strijd van de klassen die tevoren reeds bestonden en met elkaar streden. Maar ook deze weerspiegeling verloopt omgekeerd, niet meer direct, maar indirect, niet meer als klassenstrijd maar als strijd om politieke beginselen. En zo omgekeerd verloopt deze weerspiegeling, dat het eeuwen geduurd heeft voordat wij er weer achterkwamen dat het een weerspiegeling was.

De terugwerking van de staatsmacht op de economische ontwikkeling kan van drieërlei aard zijn. Zij kan in dezelfde richting als de economische ontwikkeling gaan, en dan gaat deze laatste sneller. Zij kan er tegen in gaan, maar dan gaat in ieder groot volk de staatsmacht tegenwoordig kapot; ofwel zij kan de economische ontwikkeling bepaalde richtingen afsnijden en andere voorschrijven (deze mogelijkheid laat zich in laatste instantie tot een van de twee voorgaande herleiden). Maar het is duidelijk, dat in de gevallen 2 en 3 de politieke macht de economische ontwikkeling grote schade kan doen en de oorzaak kan zijn van een massale verspilling van energie en materiaal.

Laten wij in dit verband nog het geval bezien dat de economische hulpbronnen worden veroverd en ruw vernietigd, iets wat er in vroeger tijden de oorzaak van kon zijn dat een hele plaatselijke en nationale economische ontwikkeling ten gronde kon gaan. Tegenwoordig zien wij in dit geval meestal tegenovergestelde gevolgen, althans bij de grote naties: op den duur wint de overwonnene in economisch, politiek en moreel opzicht soms meer dan de overwinnaar.

Analoog is het gesteld met het recht. Zodra de noodzaak ontstaat van de nieuwe arbeidsdeling die beroepsjuristen in het leven roept, is weer een zelfstandig, nieuw gebied ontsloten, dat weliswaar in zijn algemeenheid van productie en handel afhankelijk is, maar tevens het vermogen bezit om een specifieke inwerking op deze gebieden te hebben. Dat het recht aan de algemeen economische toestand beantwoordt, daarvan de uitdrukking is, is in de moderne staat niet de enige eis die aan het recht wordt gesteld. Het moet ook een intern consistente uitdrukking daarvan zijn, die zichzelf niet door interne tegenspraken onmogelijk maakt. En om dat te bereiken gaat de waarheidsgetrouwheid der afspiegeling van de economische verhoudingen meer en meer aan diggelen. En dit des te meer, hoe zeldzamer het voorkomt dat een wetboek de botte, onverzachte, onvervalste uitdrukking van een klassenheerschappij is: dat zou immers zelf reeds indruisen tegen het “rechtsbegrip”. Het zuivere consequente rechtsbegrip van de revolutionaire bourgeoisie van 1792-1796 is immers reeds in de Code Napoleon in veel opzichten vervalst, en voorzover het daarin is gehandhaafd moet het dagelijks allerhande vormen van afzwakking ondergaan door de toenemende macht van het proletariaat. Hetgeen niet verhindert dat de Code Napoleon het wetboek is dat aan alle nieuwe wetgevingen in alle werelddelen ten grondslag ligt. Zo bestaat het verloop der “rechtsontwikkeling” grotendeels uitsluitend hierin dat in de eerste plaats de tegenspraken die ontstaan, doordat de economische verhoudingen rechtstreeks in juridische beginselen worden vertaald, uit de weg geruimd worden en dat men tracht een harmonisch rechtsstelsel op te bouwen. En vervolgens wordt dit stelsel dan steeds opnieuw weer doorbroken en in nieuwe tegenspraken verwikkeld onder invloed en druk van de nieuwe economische ontwikkeling (ik spreek hier voorlopig alleen van het burgerlijk recht).

Economische verhoudingen worden dus weerspiegeld als rechtsbeginselen. Maar ook deze weerspiegeling is er noodzakelijkerwijze een die de zaken op de kop zet: zij vindt plaats zonder dat de handelende personen zich ervan bewust worden. De jurist beeldt zich in met a-prioristische stellingen te opereren terwijl dit toch uitsluitend economische reflexen zijn. Zo staat alles op zijn kop. Zolang deze omkering niet als zodanig onderkend is, constitueert zij dat wat wij ideologische opvattingen noemen. Dat deze ideologische opvattingen op haar beurt weer op de economische basis terugwerken en deze binnen zekere grenzen kan modificeren, lijkt mij vanzelfsprekend. De grondslag van het erfrecht is economisch (vooropgesteld een gelijke ontwikkelingstrap van het gezin). Desondanks zal men er een zware dobber aan hebben om aan te tonen dat de absolute vrijheid van testament in Engeland bijv. de sterke beperking daarvan in Frankrijk tot in alle details slechts economische oorzaken hebben. Maar beide vormen werken in belangrijke mate op de economie terug doordat zij de vermogensdeling beïnvloeden.

Wat nu die ideologische gebieden betreft die in nog hogere sferen zweven, godsdienst, filosofie enz., deze bezitten een uit de prehistorie stammende voorraad van - wat wij thans dwaasheid zouden noemen. Deze is door de historische periode aangetroffen en overgenomen. Aan deze diverse onjuiste voorstellingen van de natuur, de aard van de mens zelf, geesten, magische krachten enz. ligt meestal iets slechts negatief economisch ten grondslag. De onware voorstellingen van de natuur zijn het complement van de lage economische ontwikkeling van de prehistorie. Maar soms zijn zij ook voorwaarde of zelfs oorzaak van deze lage economische ontwikkeling. En ook al was de economische behoefte de belangrijkste drijfveer van een voortgang van de kennis der natuur en is dit steeds meer geworden toch zou het pedant zijn om naar economische oorzaken te zoeken voor al deze idioterieën uit de oertoestand. De geschiedenis van de wetenschap is de geschiedenis van de geleidelijke eliminatie van deze idioterie, resp. de vervanging van deze oude door nieuwe, maar steeds minder absurde idioterie. De lieden die hier zorg voor dragen ressorteren weer onder specifieke sferen van de arbeidsdeling en denken van zichzelf dat zij een onafhankelijk gebied bewerken. En voorzover zij een zelfstandige groep binnen de maatschappelijke arbeidsdeling vormen, in zoverre hebben hun producties, inclusief hun dwalingen, een terugwerkende invloed op de hele maatschappelijke ontwikkeling, zelfs op de economische ontwikkeling. Maar al met al staan zij zelf weer onder de dominerende invloed van de economische ontwikkeling. In de filosofie bijv. kan dit het gemakkelijkst aangetoond worden voor de burgerlijke periode. Hobbes was de eerste moderne materialist (in de zin van de achttiende eeuw), maar hij was aanhanger van het absolutisme in de tijd waarin de absolute monarchie in heel Europa haar bloeitijd beleefde en in Engeland de strijd met het volk aanbond. Locke was zowel inzake de godsdienst als inzake de politiek de zoon van het compromis tussen de klassen in 1688 (the Glorious Revolution waarin een nieuwe constitutionele monarchie aan de macht kwam - noot van de red.). De Engelse deïsten en hun consequente voortzetters, de Franse materialisten, waren de echte filosofen van de bourgeoisie - de Fransen waren zelfs de filosofen van de revolutie van de bourgeoisie. Door de Duitse filosofie van Kant tot Hegel loopt - nu eens positief, dan weer negatief - als een rode draad de Duitse filister. Maar als bepaald gebied binnen de arbeidsdeling heeft de filosofie in iedere periode een bepaald gedachtegoed tot voorwaarde, dat haar door haar voorgangers is overgeleverd en dat haar uitgangspunt vormt. En dat is de reden waarom economisch achtergebleven landen in de filosofie niettemin de eerste viool kunnen spelen: in de achttiende eeuw, Frankrijk tegenover Engeland op de filosofie waarvan de Fransen stoelden; later Duitsland zowel tegenover Frankrijk als Engeland. Maar zowel in Frankrijk als Duitsland was de filosofie ook het resultaat van een economische opbloei evenals de bloei van de literatuur in het algemeen in die tijd. Dat de ontwikkeling der economie uiteindelijk ook over deze gebieden de suprematie heeft, staat voor mij vast. Maar zij wordt uitgeoefend binnen bepaalde voorwaarden die door het afzonderlijke gebied zelf voorgeschreven worden: bijvoorbeeld in de filosofie doordat economische invloeden (die meestal weer pas in hun politieke enz. vermomming van invloed zijn) inwerken op het beschikbare filosofische materiaal, dat door de voorgangers is overgeleverd. De economie schept op dit gebied niets a novo, zij bepaalt slechts de wijze waarop het aangetroffen gedachtegoed wordt gewijzigd en verder ontwikkeld, en ook dat nog meestal indirect, doordat het de politieke, juridische, morele reflexen zijn, die de grootste directe invloed op de filosofie uitoefenen.

Over de godsdienst heb ik het nodige gezegd in het laatste hoofdstuk over Feuerbach (Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie).

Wanneer Barth dus meent dat wij alle en iedere terugwerking van de politieke enz. reflexen van de economische beweging op deze beweging zelf ontkennen, dan strijdt hij domweg tegen windmolens. Hij hoeft toch alleen maar naar de Achttiende Brumaire van Marx te kijken waar het toch haast uitsluitend gaat om de bijzondere rol, die de politieke strijd en gebeurtenissen spelen, natuurlijk binnen hun algemene afhankelijkheid van economische voorwaarden. Of in Het Kapitaal het hoofdstuk over de arbeidsdag bijvoorbeeld, waar de wetgeving die toch een politieke daad is zulke ingrijpende gevolgen heeft. Of het hoofdstuk over de geschiedenis van de bourgeoisie (hoofdstuk 24). Of waarom strijden wij dan voor de politieke dictatuur van het proletariaat, wanneer de politieke macht economisch machteloos is? De macht (d.w.z. de staatsmacht) is ook een economische potentie!

Maar om een kritiek te schrijven op het boek (t.w. Paul Barth, Die Geschichtsphilosophie Hegels und der Hegelianer bis auf Marx und Hartman. Ein kritischer Versuch. Leipzig 1890) heb ik thans geen tijd. Deel III (van Het Kapitaal) moet eerst de deur uit en overigens geloof ik dat ook Bernstein bijv. dat heel goed in de grond zou kunnen boren.

Wat deze heren allen ontbreekt, is dialectiek. Het enige wat zij altijd weer zien is aan de ene kant oorzaak, aan de andere kant gevolg. Dat dit een lege abstractie is, dat in de werkelijke wereld dergelijke metafysische, polaire tegenstellingen slechts in crisis bestaan, maar dat heel het grote verloop slechts plaatsheeft in de vorm van de wisselwerking - zij het ook tussen zeer ongelijke krachten, waarvan de economische beweging veruit de sterkste, oorspronkelijkste en beslissendste is -, dat op dit gebied niets absoluut en alles relatief is, daarvoor zijn zij nu eenmaal blind. Voor hen heeft Hegel nooit bestaan. (...)

met hartelijke groeten, Uw F. Engels

Engels aan W. Borgius uit: MEW, dl. 39, pp. 205-207

Londen, 25 januari 1894
122. Regent’s Park Road, N.W.

Zeer geachte heer Borgius,

Hierbij het antwoord op uw vragen!

1. Onder de economische verhoudingen die wij beschouwen als de bepalende grondslag van de geschiedenis en maatschappij verstaan wij de wijze waarop de mensen van een bepaalde maatschappij hun levensonderhoud produceren en de producten onderling ruilen (voorzover er arbeidsdeling bestaat). Daarbij is dus inbegrepen heel de techniek van productie en transport. Naar onze opvatting bepaalt deze techniek ook de wijze waarop de ruil plaatsvindt, vervolgens hoe de producten worden verdeeld en zo ook (na de ontbinding van de gentilische samenleving) de indeling der klassen, daarmee de verhoudingen van heerschappij en slavernij, daarmee staat, politiek, recht enz. Voorts zijn onder de economische verhoudingen begrepen de geografische grondslag waarop deze verhoudingen zich afspelen, en de daadwerkelijk overgeleverde resten van vroegere economische ontwikkelingstrappen die bewaard zijn gebleven, vaak slechts door traditie of de wet der traagheid, en natuurlijk ook het milieu dat deze maatschappijvorm naar buiten toe omgeeft.

Zoals wij zeiden is de techniek weliswaar voor het grootste deel afhankelijk van de stand der wetenschap, maar deze laatste is toch nog veel afhankelijker van de stand en behoeften der techniek. Heeft de maatschappij een technische behoefte dan helpt dat de wetenschap meer vooruit dan tien universiteiten. Heel de hydrostatica (Torricelli enz.) werd in het leven geroepen door de behoefte in Italië in de zestiende en zeventiende eeuw om de bergstromen te reguleren. Van de elektriciteit bezitten wij pas enige rationele kennis sedert haar technische toepassingsmogelijkheid is ontdekt. In Duitsland heeft men echter helaas de gewoonte aangenomen de geschiedenis der wetenschappen zo te schrijven alsof zij uit de lucht waren gevallen.

2. Wij beschouwen de economische voorwaarden als datgene dat in laatste instantie de historische ontwikkeling conditioneert. Maar het ras is zelf een economische factor. Twee punten moeten hier evenwel niet over het hoofd gezien worden:

a. De ontwikkeling van de politiek, recht, filosofie, godsdienst, literatuur, kunst enz. berust op de ontwikkeling van de economie. Maar ook onderling reageren zij op elkaar alsmede op de economische basis. Het is niet zo dat de economische toestand oorzaak, het enige actieve is en al het andere slechts passief gevolg. Maar het is een wisselwerking op de grondslag der economische noodzakelijkheid die zich in laatste instantie steeds doorzet. De staat bijvoorbeeld heeft een actieve invloed door protectionisme, vrijhandel, een goed of slecht belastingstelsel en zelfs de dodelijke uitputting en krachteloosheid van de Duitse filister die uit de ellendige economische toestand van Duitsland in de periode van 1648 tot 1830 voortvloeide en die eerst in piëtisme en vervolgens in sentimentaliteit en kruiperige serviliteit aan vorsten en adel haar uitdrukking vond, was niet zonder economische gevolgen. Zij was een van de grootste hinderpalen van de wederopleving en werd pas doorbroken doordat de revolutionaire en napoleontische oorlogen de chronische ellende acuut maakte. Het is dus geen automatisch gevolg van de economische toestand zoals men het hier en daar gemakshalve voor wil stellen, maar de mensen maken hun geschiedenis zelf, zij het in een gegeven milieu dat hen conditioneert, op grondslag van feitelijke verhoudingen die zij aantreffen waaronder de economische verhoudingen in laatste instantie de beslissende zijn, hoezeer zij ook door de overige politieke en ideologische verhoudingen beïnvloed mogen zijn. Alleen de economische verhoudingen vormen de rode draad die tot inzicht voert.

b. De mensen maken hun geschiedenis zelf, maar tot op heden gebeurt dat niet volgens een gezamenlijke wil of plan, zelfs niet binnen de grenzen van een bepaald gegeven maatschappij. Hun strevingen doorkruisen elkaar en in al dergelijke maatschappijen heerst juist om die reden de noodzakelijkheid, waarvan de toevalligheid het complement en verschijningsvorm is. De noodzaak die zich hier door alle toevalligheid heen realiseert, is in laatste instantie opnieuw de economische noodzaak. Hier moeten dan de zogenaamde grote mannen worden behandeld. Dat zo’n grote man in dit gegeven land en juist op deze bepaalde tijd opstaat, is natuurlijk zuiver toeval. Maar schrappen wij hem dan is er behoefte aan vervanging en deze vervanging wordt ook gevonden, zo goed en zo kwaad als het gaat maar op den duur wordt hij gevonden. Dat Napoleon juist deze Corsicaan, de militaire dictator wordt die nodig gemaakt was door de Franse republiek die door zijn eigen oorlog uitgeput was, dat was toeval. Maar dat bij ontstentenis van een Napoleon iemand anders die plaats zou hebben bezet is bewezen doordat telkens zodra hij nodig was, de juiste man is gevonden: Caesar, Augustus, Cromwell enz. Marx ontdekte de materialistische geschiedenisopvatting maar Thierry, Mignet, Guizot en alle Engelse geschiedschrijvers tot aan 1850 bewijzen, dat in die richting gestreefd werd. En de ontdekking van dezelfde opvatting door Morgan bewijst, dat de tijd ervoor rijp was, en dat zij moest worden ontdekt.

Zo is het ook met al het andere toevallige en schijnbaar toevallige in de geschiedenis. Hoe verder het gebied dat wij juist onderzoeken van het economische is verwijderd en hoe dichter het bij het zuiver abstract ideologische staat, des te meer zullen wij vinden, dat het in zijn ontwikkeling toevalligheden vertoont, des te meer verloopt zijn curve in een zigzaglijn. Maar tekenen wij de doorsnede van deze curve dan zullen wij vinden dat, hoe langer de beschouwde periode en hoe groter het behandelde gebied is, dat deze doorsnede des te meer parallel aan de as van de economische ontwikkeling loopt.

De grootste belemmering voor een juist inzicht is in Duitsland de onverantwoordelijke verwaarlozing in de literatuur van de economische geschiedenis. Niet alleen het zich afwennen van de op school in gehamerde geschiedenisvoorstelling is moeilijk, maar nog moeilijker is het het materiaal bijeen te trommelen dat hiervoor nodig is. (...)

hoogachtend uw dienstwillige F. Engels