Karl Marx
Het Kapitaal, boek 3
Hoofdstuk 9


Vorming van een algemene winstvoet (gemiddelde winstvoet) en transformatie van de warenwaarden in productieprijzen

De organische samenstelling van het kapitaal hangt op elk moment af van twee omstandigheden: ten eerste, de technische verhouding van de gebruikte arbeidskracht tot de omvang van de ingezette productiemiddelen; ten tweede, de prijs van die productiemiddelen. Dit moet, zoals we hebben gezien, bekeken volgens hun percentage. De organische samenstelling van een kapitaal, bestaande uit 4/5 constant en 1/5 variabel kapitaal, drukken we in de formule uit als 80c + 20v. Verder is bij de vergelijking een onveranderlijke meerwaardevoet aangenomen, namelijk een willekeurige voet, bv. 100 %. Het kapitaal van 80c + 20v geeft dan een meerwaarde van 20m, en op het totale kapitaal geeft dat een winstvoet van 20 %. De grootte van de werkelijke waarde van zijn product, hangt af van de grootte van het vaste deel van het constant kapitaal en hoeveel daarvan als slijtage in het product opgaat. Daar deze omstandigheid absoluut geen invloed heeft op de winstvoet nemen we voor dit onderzoek, eenvoudigweg, aan dat het constant kapitaal overal gelijkmatig en volledig in het jaarlijkse product van deze kapitalen overgaat. Verder wordt aangenomen dat de kapitalen in de verschillende productiesectoren jaarlijks evenveel meerwaarde realiseren, in verhouding tot de grootte van hun variabel deel, voorlopig wordt dus afgezien van het verschil dat kan ontstaan uit het verschil in omzettijden in deze verhouding. Dit punt wordt later besproken.

Nemen we vijf verschillende productiesectoren met een verschillende organische samenstelling van geïnvesteerde kapitalen, ongeveer als dit:

KapitalenMeerwaardevoetMeerwaardeProductwaardeWinstvoet
I.80c + 20v100 %2012020 %
II.70c + 30v100 %3013030 %
III.60c + 40v100 %4014040 %
IV.85c + 15v100 %1511515 %
V.95c + 5v100 %51055 %

We hebben hier voor verschillende productiesectoren met gelijke uitbuiting, zeer verschillende winstvoeten, volgens de verschillende organische samenstelling van de kapitalen.

De totale som van geïnvesteerde kapitalen in deze vijf sectoren is = 500; de totale som van de geproduceerde meerwaarde = 110; de totale waarde van de door hen geproduceerde waren = 610. Bekijken we de 500 als een enkel kapitaal, en I-V als de verschillende delen (zoals er in een katoenfabriek verschillende afdelingen zijn, kaarderij, voorspinnerij, spin- en weefzaal, met een verschillende verhouding van variabel en constant kapitaal en de gemiddelde verhouding voor de hele fabriek moet berekend worden), dan is ten eerste de gemiddelde samenstelling van het kapitaal van 500 = 390c + 110v, of procentueel 78c + 22v. Zou elk van de kapitalen van 100 beschouwd worden als 1/5 van het totale kapitaal, zou de samenstelling gelijk zijn aan het gemiddelde van 78c + 22v; eveneens voor elke 100 een gemiddelde meerwaarde van 22; de gemiddelde winstvoet is dus = 22 %, en ten slotte, de prijs van elk vijfde door de 500 geproduceerde totale producten = 122. Het product van elk vijfde van het voorgeschoten gehele kapitaal moet dan voor 122 verkocht worden.

Maar om niet tot compleet verkeerde conclusies te komen, is het nodig om alle kostprijzen niet aan = 100 te stellen.

Met 80c + 20v en een meerwaardevoet = 100 % zou de totale waarde van de door kapitaal I = 100 geproduceerde waren = 80c + 20v + 20m = 120 zijn, indien het gehele constant kapitaal in het jaarlijkse product overging. Nu kan dit ook het geval zijn onder bepaalde omstandigheden, in bepaalde productiesectoren. Maar moeilijk echter daar waar de verhouding c : v = 4 : 1 is. We moeten er daarom rekening mee houden dat de waarde van de waren, geproduceerd door elke 100 van de verschillende kapitalen, verschillend zullen zijn naargelang de verschillende samenstelling van c uit vaste en circulerende bestanddelen en dat de vaste bestanddelen van verschillende kapitalen zelf weer sneller of langzamer verslijten, dus in een gelijke tijd een ongelijke waardehoeveelheid aan het product toevoegen. Maar voor de winstvoet maakt dit niets uit. Of de 80c nu een waarde van 80 of 50 of 5 aan het jaarproduct geven, of het jaarlijks product = 80c + 20v + 20m = 120, of = 50c + 20v + 20m = 90, of = 5c + 20v + 20m = 45 is, in al deze gevallen is het overschot van de productwaarde boven de kostprijs = 20, en in al deze gevallen is, met vaststellen van de winstvoet, het 20 op een kapitaal van 100; de winstvoet van kapitaal I is dus in alle gevallen = 20 %. Om dit nog duidelijker te maken, laten we in de volgende tabellen voor dezelfde vijf kapitalen, zoals hierboven, verschillende delen van het constant kapitaal in de waarde van het product overgaan.

KapitalenMeerwaardevoetMeerwaardeWinstvoetVerbruikte cWarenwaardeKostprijs
I. 80c + 20v100 %2020 %509070
II. 70c + 30v100 %3030 %5111181
III. 60c + 40v100 %4040 %5113191
IV. 85c + 15v100 %1515 %407055
V. 95c + 5v100 %55 %102015
390c + 110v-110----Som
78c = 22v-2222 %---gemiddeld

Bekijkt men weer de kapitalen I-V als een enkel totaal kapitaal, dan ziet men, ook in dit geval, dat de samenstelling van de sommen van de vijf kapitalen = 500 = 390c + 110v, dus de gemiddelde samenstelling = 78c + 22v hetzelfde is; ook de gemiddelde meerwaarde = 22 [1e oplage: 22 %; veranderd naar het manuscript van Marx]. Als we deze meerwaarde gelijk verdelen over I-V, komen we tot de volgende warenprijzen:

KapitalenMeerwaardeWarenwaardeKostprijs vd
waren
Prijs vd
waren
WinstvoetAfwijking vd
prijzen
I.80c + 20v2090709222 % + 2
II.70c + 30v301118110322 %- 8
III.60c + 40v401319111322 %- 18
IV.85c + 15v1570*557722 %+ 7
V.95c + 5v520153722 %+ 17

[* 1e oplage: 40; veranderd naar het manuscript van Marx]

Bij elkaar genomen, worden de waren verkocht aan 2 + 7 + 17 = 26 boven en 8 + 18 = 26 onder hun waarde, zodat de prijsafwijkingen door een gelijke meerwaardeverdeling of door verhoging van de gemiddelde winst van 22 op 100 voorgeschoten kapitaal tot de respectievelijke kostprijzen van de waren I-V zich wederzijds opheffen, in dezelfde verhouding; waar een deel van de waren boven, wordt er een ander onder de waarde verkocht. En het is enkel de verkoop aan zulke prijzen dat het mogelijk maakt dat de winstvoet voor I-V gelijk is aan 22 %, ongeacht de verschillende organische samenstellingen van de kapitalen I-V. De daardoor ontstane gemiddelde prijzen, gekomen uit de verschillende winstvoeten in de verschillende productiesectoren, en dit gemiddelde aan de kostprijzen van de verschillende productiesectoren toegevoegd, zijn de productieprijzen. Hun voorwaarde is het bestaan van een algemene winstvoet, en dit veronderstelt dat de winstvoeten in elke individuele productiesector op zich genomen, al tot evenzovele gemiddelde voeten zijn gereduceerd. Deze aparte winstvoeten zijn in elke productiesector = m/c, en zijn, zoals dit gebeurde in afdeling I van dit boek, te verklaren uit de warenwaarde. Zonder deze verklaring blijft de algemene winstvoet (dus ook de productieprijs van de waar) een vage en zinloze voorstelling. De warenproductieprijs is dus gelijk aan haar kostprijs plus de algemene winstvoet, de procentueel toegevoegde winst, in overeenstemming met de gemiddelde winst.

Als gevolg van de verschillende organische samenstelling van de in verschillende bedrijfstakken geïnvesteerde kapitalen; als gevolg dus van de omstandigheid dat, naargelang het verschillende percentage dat het variabele deel heeft in het totaal kapitaal van een gegeven grootte, zeer verschillende hoeveelheden arbeid door kapitalen van gelijke grootte in gang worden gezet, worden ook zeer verschillende hoeveelheden meerarbeid toegeëigend of zeer verschillende hoeveelheden arbeid geproduceerd. Dienovereenkomstig zijn de winstvoeten, die in verschillende bedrijfstakken gelden, oorspronkelijk zeer verschillend. Deze verschillende winstvoeten worden door concurrentie naar een algemene winstvoet gebracht, die het gemiddelde is van al die verschillende winstvoeten. De winst, die overeenkomstig de algemene winstvoet aan een kapitaal van gegeven grootte toekomt, wat ook zijn organische samenstelling is, heet de gemiddelde winst. De prijs van een waar, die gelijk is aan de kostprijs vermeerderd met de jaarlijkse gemiddelde winst uit de omzetvoorwaarden van het deel van het in de productie aangewende kapitaal (niet enkel verbruikt in de productie), is de productieprijs. Neem bv. een kapitaal van 500, daarvan 100 vast kapitaal en daarvan 10 % slijtage tijdens de omzetperiode van het circulerend kapitaal van 400. De gemiddelde winst voor deze omzetperiode is 10 %. Dan zal de kostprijs van het product geproduceerd tijdens deze omzet zijn: 10c voor slijtage plus het 400 (c + v) circulerend kapitaal = 410, en de productieprijs: 410 kostprijs plus (10 % winst op 500) 50 = 460.

Hoewel de kapitalisten van de verschillende productiesectoren met de verkoop van hun waren, de verbruikte kapitaalwaarde terugwinnen, die ze verbruikten in de productie, nemen ze niet de meerwaarde en dus de winst in hun eigen productiesector, in de productie van deze waren, maar slechts alleen de meerwaarde en dus winst, als de totale meerwaarde en dus winst, die geproduceerd wordt in een bepaalde periode in de samen genomen productiesectoren, en bij gelijke verdeling aan elk evenredig deel van het totale kapitaal toekomt. Elke 100 van een geïnvesteerd kapitaal, ongeacht de samenstelling ervan, trekt ieder jaar, of een andere tijdsperiode, de winst voor deze periode tot en met 100 als het zoveelste deel van het totale kapitaal. Wat de winst betreft, verhouden de verschillende kapitalisten zich hier als louter aandeelhouders van een aandelenmaatschappij, waar de winstaandelen gelijkmatig per 100 worden verdeeld en dus voor de verschillende kapitalisten alleen verschillen naargelang de grootte van elk in de hele onderneming gestoken kapitaal, evenredig de deelname aan de hele onderneming, volgens het aantal aandelen. Terwijl dus een deel van deze warenprijzen, het in de warenproductie verbruikte waardedeel van het kapitaal vervangt en daarmee de verbruikte kapitaalwaarde terug moet kopen, terwijl dit deel, de kostprijs, zich geheel naar de kosten binnen de respectievelijke productiesectoren richt, richt het andere deel van de warenprijzen, zich op de winst op deze kosten, niet volgens de winstmassa die wordt geproduceerd door een bepaald kapitaal in een bepaalde productiesector gedurende een gegeven tijd, maar volgens de gemiddelde winstmassa die elk aangewend kapitaal toekomt, als evenredig deel van het in de totale productie aangewende maatschappelijk totale kapitaal, gedurende een bepaalde periode.[22]

Als een kapitalist zijn waar aan de productieprijs verkoopt, dan trekt hij geld terug in verhouding tot de waardegrootte van het in de productie verbruikte kapitaal en maakt een winst in verhouding tot het voorgeschoten kapitaal als evenredig deel van het maatschappelijk totale kapitaal. Zijn kostprijzen zijn specifiek. Maar de winsttoeslag op deze kostprijs is onafhankelijk van de eigen productiesector, het is eenvoudig een gemiddelde per 100 van het voorgeschoten kapitaal.

Laat ons veronderstellen dat de vijf verschillende kapitaalinvesteringen I tot V, in het vorige voorbeeld, aan één man toebehoren. De hoeveelheid variabel en constant kapitaal verbruikt per 100 van het geïnvesteerde kapitaal in elke I tot V in de productie van waren I tot V zou, vanzelfsprekend, een deel zijn van hun prijs, omdat dit minstens vereist is voor de vervanging van het voorgeschoten en verbruikte kapitaaldeel. Deze kostprijzen zijn dus voor iedere warensoort van I tot V verschillend en zullen zodanig door de bezitters verschillend gefixeerd worden. Maar wat de verschillende hoeveelheden meerwaarde betreft, of winst, geproduceerd in I-V, kan de kapitalist ze heel goed als winst zien op zijn voorgeschoten totale kapitaal, zodat elke 100 kapitaal een bepaald evenredig deel krijgt. De kostprijzen van de geproduceerde waren zijn dus verschillend in de afzonderlijke investeringen I-V; maar het deel van de verkoopprijs dat komt van de toegevoegde winst van elke 100 kapitaal zal dus gelijk zijn voor al die waren. De totale prijs van de waren I tot V zijn dus gelijk aan hun totale waarde, d.w.z. gelijk aan de som van de kostprijzen I-V plus de som van de in I-V geproduceerde meerwaarde of winst; in feite dus de gelduitdrukking van de totale hoeveelheid arbeid, vroegere en de actuele, die de waren I tot V bevatten. En op deze wijze is in de maatschappij zelf – voor de totaliteit van alle bedrijfstakken – de som van de productieprijzen van geproduceerde waren gelijk aan de som van hun waarde.

Deze bewering lijkt in conflict met het feit, dat in de kapitalistische productie de elementen van het productieve kapitaal in de regel op de markt zijn gekocht en daarom hun prijzen al een gerealiseerde winst bevatten, dus de productieprijs van een industrietak met inbegrip van de winst, dat de winst van een industrietak dus in de kostprijs van een andere overgaat. Maar als we de som van de kostprijzen der waren van het hele land aan de ene kant, en de som van de winsten of meerwaarden aan de andere kant zetten, dan is de rekening duidelijk juist. Nemen we bv. een waar A; de kostprijs mag de winst van B, C, D bevatten, zoals bij B, C, D etc. weer de winst van A in de kostprijs mag bevatten. Maken we nu de rekening, dan ontbreekt de winst van A in de eigen kostprijs en ontbreken de winsten van B, C, D, etc. in hun kostprijzen. Niemand neemt de eigen winst in zijn kostprijs op. Zijn er bv., n productiesectoren en wordt in elke sector een winst gelijk aan w gemaakt, dan is alles samen de kostprijs = k – nw. Kijken we naar de gehele rekening, voor zover de winst van een productiesector in de kostprijs van een andere overgaat, is deze winst reeds in rekening gebracht voor de totale prijs van het uiteindelijke eindproduct en kan niet een tweede keer aan de winstzijde verschijnen. Verschijnen ze er toch, dan alleen omdat de waar zelf een eindproduct is en de productieprijs niet in de kostprijs van een andere waar overgaat.

Als de kostprijs van een waar een som bevat = w, voor de winst van de producenten van productiemiddelen, en op deze kostprijs een winst wordt gemaakt = w1, dan is de totale winst W = w + w1. De totale kostprijs van de waar, geabstraheerd van alle prijsdelen voor de winstvorming, is dan de eigen kostprijs minus W. Duiden we deze kostprijs aan met k, dan is uiteraard k + W = k + w + w1. Met de behandeling van de meerwaarde in boek 1, hoofdstuk 7, 2, p. 151, hebben we gezien dat het product van elk kapitaal kan worden behandeld alsof een deel het kapitaal vervangt, het andere deel de meerwaarde uitdrukt. Deze berekening toegepast op het totale product van de maatschappij dient gecorrigeerd te worden, omdat de maatschappij als een geheel, bv. de winst in de vlasprijs niet tweemaal kan vermelden, niet als een deel van de linnenprijs, noch als winst van de vlasproducent.

Er is geen onderscheid tussen winst en meerwaarde, in zoverre bv. de meerwaarde van A in het constant kapitaal van B overgaat. Voor de warenwaarde is het volstrekt irrelevant of de arbeid die ze bevat, uit betaalde of onbetaalde arbeid bestaat. Dit laat alleen zien dat B de meerwaarde van A betaalt. In de totale rekening kan de meerwaarde van A niet tweemaal meetellen.

Maar het verschil is dit: behalve dat de productprijs, bv. van kapitaal B, afwijkt van zijn waarde, omdat de gerealiseerde meerwaarde in B groter of kleiner kan zijn dan de toegevoegde winst in de prijs der producten van B, geldt ook hetzelfde voor de waren die het constante deel van het kapitaal B vormen, en indirect – als levensmiddelen van de arbeider – ook het variabel deel vormt. Wat het constante deel betreft, het is zelf gelijk aan de kostprijs plus de meerwaarde, dus gelijk aan de kostprijs plus winst, en deze winst kan weer groter of kleiner zijn dan de meerwaarde, die het substitueert. Wat het variabel kapitaal aangaat, het gemiddelde arbeidsloon is wel gelijk aan het waardeproduct van het aantal uren dat de arbeider moet werken om de noodzakelijke levensmiddelen te produceren; maar dit aantal uren is zelf weer onzuiver door de afwijking van de productieprijzen van de noodzakelijke levensmiddelen van hun waarden. Maar dit lost zich altijd op, door wat in de ene waar teveel, in de andere te weinig als meerwaarde overgaat en aldus de waarde afwijkingen, die zich voordoen in de productieprijzen, elkaar compenseren. Het is inderdaad kenmerkend voor de kapitalistische productie, dat algemene wetten als een dominante tendens op een zeer ingewikkelde en benaderende wijze, als nooit vast te stellen gemiddelde van eeuwige schommelingen, zich doorzetten.

Aangezien de algemene winstvoet wordt gevormd door het gemiddelde van de verschillende winstvoeten op elke 100 van het voorgeschoten kapitaal in een bepaalde periode, bv. een jaar, is daarmee ook het verschil van de omzettijden voor de verschillende kapitalen opgelost. Maar deze verschillen zijn bepalend voor de verschillende winstvoeten van de verschillende productiesectoren, waardoor het gemiddelde dan de algemene winstvoet geeft.

In het vorige voorbeeld over de vorming van de algemene winstvoet van elk kapitaal in elke productiesector, hebben we aangenomen = 100, we deden dit om het procentuele verschil van de winstvoet duidelijk te maken, dus ook het verschil in de waarden van de waren, geproduceerd door even grote kapitalen. Maar het is duidelijk: de werkelijke hoeveelheid geproduceerde meerwaarde, van elke aparte productiesector, hangt af van de grootte van de geïnvesteerde kapitalen, omdat in elke productiesector de samenstelling van het kapitaal gegeven is. Echter, de eigen winstvoet van een afzonderlijke productiesector wordt daardoor niet beïnvloed, of een kapitaal van 100, m 100 of xm 100 wordt ingezet. De winstvoet blijft 10 %, of de totale winst nu 10 : 100 of 1.000 : 10.000 bedraagt.

Aangezien de winstvoeten verschillen in de verschillende productiesectoren, daar geproduceerd met zeer diverse hoeveelheden meerwaarde, of winst, naargelang de verhouding van het variabel kapitaal tot het totale kapitaal, is het evident dat de gemiddelde winst per 100 van het maatschappelijk kapitaal en dus de gemiddelde winstvoet of algemene winstvoet, zeer verschillend zal zijn, volgens de respectievelijke grootte van de in de verschillende sectoren geïnvesteerde kapitalen. Nemen we vier kapitalen A, B, C, D. De meerwaardevoet is voor alle = 100 %. Op elke 100 van het totale kapitaal is het variabel kapitaal voor A = 25, voor B = 40, voor C = 15, voor D = 10. Elke 100 van het totale kapitaal geeft dan een meerwaarde of winst van A = 25, B = 40, C = 15, D = 10; samen = 90, dus, als de vier kapitalen even groot zijn, is de gemiddelde winstvoet 90/4= 221/2 %.

Indien echter de totale kapitalen als volgt zijn: A = 200, B = 300, C = 1.000, D = 4.000, dan zijn de geproduceerde winsten respectievelijk 50, 120, 150 en 400. Dat geeft een winst van 720 of een gemiddelde winstvoet van 131/11 % op 5.500 kapitaal.

De hoeveelheid van de geproduceerde totale waarde varieert naargelang de verschillende grootte van de totale respectievelijk geïnvesteerde kapitalen in A, B, C, D. Bij de vorming van de algemene winstvoet gaat het dus niet alleen om het verschil van de winstvoeten in de diverse productiesectoren, dat een eenvoudig gemiddelde is, maar om het relatieve gewicht dat deze verschillende winstvoeten hebben in het vormen van dit gemiddelde. Dit is echter afhankelijk van de relatieve grootte van de in iedere afzonderlijke sector geïnvesteerde kapitalen, of van het evenredige deel wat het kapitaal investeerde in elke afzonderlijke sector als het maatschappelijk totale kapitaal. Er zal natuurlijk een zeer groot verschil zijn, naargelang een groter of kleiner deel van het totale kapitaal een hogere of lagere winstvoet geeft. En dat hangt weer af van hoeveel kapitaal wordt geïnvesteerd in de sectoren, waar het variabel kapitaal in verhouding tot het totale kapitaal groot of klein is. Het is zoals met de gemiddelde rentevoet, die een woekeraar maakt, die verschillende kapitalen aan een verschillende rentevoet uitleent, bv. voor 4, 5, 6, 7 % etc. De gemiddelde voet hangt geheel af van hoeveel hij zijn kapitaal tegen elk van de verschillende rentevoeten heeft uitgeleend.

De algemene winstvoet wordt dus bepaald door twee factoren:

1. door de organische samenstelling van de kapitalen in de verschillende productiesectoren en dus door de verschillende winstvoeten van de afzonderlijke sectoren;

2. door de verdeling van het totale maatschappelijk kapitaal in deze verschillende sectoren en dus door de relatieve grootte van het kapitaal geïnvesteerd in iedere particuliere sector, dus aan de geldende aparte winstvoet van het geïnvesteerde kapitaal; d.w.z. het evenredige aandeel van het totale maatschappelijk kapitaal, geabsorbeerd door elke aparte productiesector.

In boek 1 en 2 hadden we alleen te doen met de waarden van de waren. Enerzijds heeft de kostprijs zich nu afgezonderd als een deel van deze waarde, anderzijds heeft zich nu ontwikkeld, als een andere waardevorm, de productieprijs van de waar.

Ervan uitgaande dat de samenstelling van het gemiddelde maatschappelijk kapitaal 80c + 20v is, en de jaarlijkse meerwaardevoet m’ = 100 %, dan is de gemiddelde jaarlijkse winst voor een kapitaal van 100 = 20 en de algemene jaarlijkse winstvoet = 20 %. Wat ook de kostprijs k is van de waren door een kapitaal van 100 jaarlijks geproduceerd, de productieprijs is = k + 20. In de productiesectoren waar de kapitaalssamenstelling = (80 – x)c + (20 + x)v, is de werkelijk voortgebrachte meerwaarde, resp. de geproduceerde jaarlijkse winst in deze sector = 20 + x, dus meer dan 20, en de geproduceerde warenwaarde = k + 20 + x, groter dan k + 20 of groter dan de productieprijs. In sectoren, waar de kapitaalssamenstelling (80 + x)c + (20 – x)v, de jaarlijks voortgebrachte meerwaarde of winst = 20 – x, dus kleiner dan 20, en daarmee de warenwaarde k + 20 – x kleiner is dan de productieprijs, die = k + 20 is. Afgezien van eventuele verschillen in omzettijd, is de productieprijs van de waren gelijk aan hun waarde, alleen in de sectoren waar de samenstelling van het kapitaal toevallig = 80c + 20v is.

De specifieke ontwikkeling van de maatschappelijke productieve arbeidskracht is in elke productiesector naar graad verschillend, hoger of lager, naargelang een hoeveelheid arbeid, in een gegeven werkdag met een gegeven aantal arbeiders, de in beweging gezette hoeveelheid productiemiddelen groot is, en daarmee de voor een bepaalde hoeveelheid productiemiddel vereiste hoeveelheid arbeid, klein is. Kapitalen die procentueel meer constant dan variabel kapitaal bevatten, dan het gemiddelde maatschappelijk kapitaal, noemen we: kapitalen van hogere samenstelling. Omgekeerd die waar het constant kapitaal relatief kleiner is en het variabele groter dan bij het gemiddeld maatschappelijk kapitaal, noemen we: kapitalen van lagere samenstelling. Kapitalen van gemiddelde samenstelling ten slotte, zijn deze waarvan de samenstelling samenvalt met het gemiddelde maatschappelijk kapitaal. Is het gemiddelde maatschappelijk kapitaal procentueel samengesteld uit 80c + 20v, dan staat een kapitaal van 90c + 10v boven, één van 70c + 30v onder het maatschappelijk gemiddelde. Algemeen: een samenstelling van het gemiddelde maatschappelijk kapitaal = mc + nv, waar m en n een constante grootte is, en m + n = 100, representeert de formule (m + x)c + (n – x)v de hogere, (m – x)c + (n + x)v de lagere samenstelling van een afzonderlijk kapitaal of een groep kapitalen. Hoe deze kapitalen fungeren na het tot stand komen van de gemiddelde winstvoet, uitgaande van één omzet per jaar, toont het volgende overzicht, waar I de gemiddelde samenstelling voorstelt met een gemiddelde winstvoet van = 20 %:

I 80c + 20v + 20m. Winstvoet = 20 %

Prijs van het product = 120. Waarde = 120.

II 90c + 10v + 10m. Winstvoet = 20 %

Prijs van het product = 120. Waarde = 110.

III 70c + 30v + 30m. Winstvoet = 20 %

Prijs van het product = 120. Waarde = 130.

De waren geproduceerd door kapitaal II zijn in waarde kleiner dan hun productieprijs, de productieprijs van de waren door kapitaal III zijn kleiner dan hun waarde, slechts voor kapitaal I in de bedrijfstakken waar de samenstelling samenvalt met het maatschappelijk gemiddelde, zijn waarde en productieprijs gelijk. Bij het toepassen in bepaalde gevallen van deze aanwijzingen, moet natuurlijk in rekening gebracht worden of het een verschil in technische samenstelling tussen c en v is, of dat het een waardeverandering is van de elementen van het constant kapitaal, de verhouding tot het algemene gemiddelde doet afwijken.

De voorgaande gegeven ontwikkeling wijzigt tot op zekere hoogte de bepaling van de warenkostprijs. Oorspronkelijk werd aangenomen dat de kostprijs van een waar gelijk is met de waarde van de tijdens de productie geconsumeerde waren. De productieprijs van een waar is echter voor de kopers hun kostprijs en kan zodoende als kostprijs in de prijsvorming van een andere waar worden opgenomen. Daar de productieprijs kan afwijken van de warenwaarde, kan ook de kostprijs van een waar, waarin de productieprijs van een andere waar opgenomen is, boven of onder het deel van de totale waarde staan, gevormd door de waarde van het verbruikte productiemiddel. Het is nodig zich deze aangepaste betekenis van de kostprijzen te herinneren en derhalve te onthouden dat als in een bepaalde bijzondere productiesector de kostprijs van de waar aan de waarde van het in de productie verbruikte productiemiddel gelijkgesteld wordt, er steeds een dwaling mogelijk is. Voor ons onderzoek is het nu niet nodig op dit punt in te gaan. De stelling blijft juist, dat de kostprijs van de waren steeds kleiner is dan de waarde. Want hoeveel de kostprijs van de waar ook mag afwijken van de waarde van het verbruikte productiemiddel, voor de kapitalisten is deze gemaakte vergissing van geen tel. De kostprijs van de waar is een gegeven en onafhankelijk van de productie van de kapitalist, terwijl het resultaat van zijn productie een waar is met meerwaarde, dus een waardesurplus boven de kostprijs. Anders heeft de stelling, dat de kostprijs kleiner is dan de waarde van de waar, zich nu verandert in de these, dat de kostprijs kleiner is dan de productieprijs. Voor het maatschappelijk totale kapitaal, waar productieprijs gelijk is aan de waarde, is deze stelling identiek aan de eerste, dat de kostprijs kleiner is dan de waarde. Hoewel in specifieke productiesectoren het een afwijkende betekenis heeft, blijft er het fundamentele feit dat met het totale maatschappelijk kapitaal, de kostprijs van de geproduceerde waren kleiner is dan de waarde, of, voor de totale massa geproduceerde waren, een waarde voor een identieke productieprijs. De kostprijs van een waar heeft alleen betrekking op de hoeveelheid betaalde arbeid die het bevat, terwijl de waarde verwijst naar al de erin vervatte arbeid, betaalde en onbetaalde; de productieprijs verwijst naar de som van de betaalde arbeid plus een bepaalde hoeveelheid onbetaalde arbeid, onafhankelijk van een specifieke productiesector.

De formule dat de productieprijs van een waar = k + w, gelijk is aan de kostprijs plus winst, is nu nauwkeuriger bepaald met w = kw’ is (waar w’ de algemene winstvoet is), en dus de productieprijs = k + kw’. Als k = 300 en w’ = 15 %, dan is de productieprijs k + kw’ = 300 + 30015/100 = 345.

De warenproductieprijs in elke productiesector kan veranderen in grootte:
1. met gelijk blijvende warenwaarde (dus als tevoren een zelfde hoeveelheid dode en levende arbeid verbruikt in hun productie) als gevolg van een verandering in de algemene winstvoet, onafhankelijk van een bepaalde sector;
2. met gelijk blijvende algemene winstvoet door waardeverandering, hetzij in een bepaalde productiesector, door een technische verandering, hetzij als gevolg van een waardeverandering der waren, die als elementen het constant kapitaal vormen;
3. ten slotte door een combinatie van beide.

Ondanks de grote veranderingen, die zich continu – zoals verder zal blijken – voordoen in de echte winstvoeten van de afzonderlijke productiesectoren, is de werkelijke verandering in de algemene winstvoet, tenzij bij wijze van uitzondering teweeggebracht door buitengewone economische gebeurtenissen, het laatte effect van een reeks schommelingen zich uitstrekkend over zeer lange perioden, d.w.z., schommelingen die veel tijd nodig hebben, voordat ze consolideren tot een verandering in de algemene winstvoet en zich vereffenen. In alle kortere perioden (afgezien van schommelende marktprijzen) is een verandering van de productieprijzen prima facie steeds te verklaren uit een echte waardeverandering van de waren, d.w.z. uit een verandering van de totale benodigde arbeidstijd voor hun productie. Louter verandering in de gelduitdrukking van dezelfde waarde, is hier natuurlijk niet aan de orde.[23]

Anderzijds is het duidelijk: voor het totale maatschappelijk kapitaal, is de waardesom van de geproduceerde waren (of uitgedrukt in geld, hun prijs) = waarde van het constant kapitaal + waarde van het variabel kapitaal + meerwaarde. Als de uitbuitingsgraad van de arbeid constant blijft, kan de winstvoet alleen veranderen, met een gelijk blijvende hoeveelheid meerwaarde, indien óf de waarde van het constant kapitaal verandert, óf de waarde van het variabele verandert, óf beide veranderen, zodat K verandert en daardoor m/K , de algemene winstvoet. In elk geval impliceert een verandering in de algemene winstvoet, een verandering in de warenwaarde, die als constituerende elementen het constant of variabel kapitaal, of beide, uitmaken.

Of de algemene winstvoet kan veranderen bij gelijk blijvende warenwaarde, als de uitbuitingsgraad van de arbeid verandert.

Of, bij gelijk blijvende uitbuitingsgraad van de arbeid kan de algemene winstvoet veranderen, als de som van de ingezette arbeid relatief verandert tot het constant kapitaal, als gevolg van technische veranderingen in het arbeidsproces. Maar zulke technische veranderingen moeten zich steeds tonen en vergezeld zijn, door een waardeverandering van de waren, waarvan nu de productie, vergeleken met vroeger, meer of minder arbeid zou vergen.

Wij hebben in het eerste deel gezien: meerwaarde en winst zijn, naar grootte, identiek. De winstvoet is echter van meet af aan verschillend van de meerwaardevoet, wat aanvankelijk slechts als een andere vorm van berekening verschijnt; maar wat eveneens van meet af aan, omdat de winstvoet kan stijgen of dalen bij gelijk blijvende meerwaardevoet en vice versa, en alleen de winstvoet de kapitalisten feitelijk interesseert, de werkelijke oorsprong van de meerwaarde verduistert en mystificeert. Er was echter alleen een grootteonderscheid tussen meerwaardevoet en winstvoet, niet tussen meerwaarde en winst. Daar in de winstvoet de meerwaarde in relatie tot het totale kapitaal berekend is en de laatste genomen wordt als maatstaf, verschijnt de meerwaarde daardoor als afkomstig uit het totale kapitaal, gelijkmatig uit al de delen komende, zodat het organische onderscheid tussen constant en variabel kapitaal in het begrip winst is verdwenen; en zo, in deze veranderde winstgedaante, de meerwaarde haar oorsprong verloochent, haar karakter verliest en onherkenbaar is geworden. Echter, tot dusver betrof het onderscheid tussen winst en meerwaarde alleen de kwalitatieve verandering, een vormverandering, terwijl het reële verschil alleen in grootte bestaat, in deze eerste transformatiefase tussen winst- en meerwaardevoet, nog niet tussen winst en meerwaarde.

De situatie is anders, zodra een algemene winstvoet en een gemiddelde winst, in verhouding tot de geïnvesteerde kapitalen in de productiesectoren, tot stand is gekomen.

Het is nu alleen een toeval als de meerwaarde, en dus de winst, werkelijk geproduceerd in een productiesector, samenvalt met de winst in de verkoopprijs der waren. In de regel zijn winst en meerwaarde, en niet alleen de voeten, werkelijk verschillende grootten. De uitbuitingsgraad van de arbeid, de hoeveelheid meerwaarde in een bepaalde productiesector voortgebracht, is nu belangrijker voor de totale gemiddelde winst van het maatschappelijk kapitaal, dus voor de kapitalistische klasse in het algemeen, dan rechtstreeks voor de kapitalisten binnen elke specifieke bedrijfstak. Voor hem alleen belangrijk,[24] voor zover de in zijn branche geproduceerde hoeveelheid meerwaarde mede bepalend is in de regeling van de gemiddelde winst. Maar dit is een proces dat achter zijn rug gebeurt, hij niet ziet, niet begrijpt en dat hem feitelijk niet interesseert. Het werkelijke grootteonderscheid tussen winst en meerwaarde – niet alleen tussen winstvoet en meerwaardevoet – in de diverse productiesectoren verbergt nu volledig de ware aard en oorsprong van de winst, niet alleen voor de kapitalisten, die er een bijzonder belang bij hebben zichzelf te misleiden, maar ook voor de arbeiders. De transformatie van waarden in productieprijzen onttrekt de waardebepaling aan de waarneming. Tot slot: als bij de loutere transformatie van meerwaarde in winst het waardedeel van de waren, dat de winst vormt, tegenover het andere waardedeel staat als de kostprijs van de waren, is de kapitalist hier al het begrip van de waarde kwijt, omdat hij niet de totale arbeid ziet, die hij betaald heeft voor de productie van de waren, maar alleen dat deel van de totale arbeid dat hij betaalde in de vorm van productiemiddelen, levende of dode, en zo de winst aan hem verschijnt als iets extern aan de immanente waarde van de waar – dit idee wordt volledig bekrachtigd, versterkt, verhard, doordat de aan de kostprijs toegevoegde winst in feite, als men de aparte productiesectoren beschouwd, niet bepaald is door de grenzen van de voorgaande waardevorming, maar volledig extern.

Het feit dat hier, voor de eerste keer, deze interne samenhang is onthuld; dat, zoals we straks en in boek 4 zullen zien, de economie tot nu toe, ofwel de verschillen tussen meerwaarde en winst, meerwaardevoet en winstvoet ruw abstraheerde om de waardebepaling als basis te behouden, ofwel met deze waardebepaling alle wetenschappelijkheid opgaf, ten einde vast te houden aan uiterlijke verschillen – deze verwarring van de theoreticus toont het beste aan hoe de kapitalist, in de concurrentiestrijd verstrikt, op geen enkele wijze in staat is tot deze fenomenen door te dringen en het innerlijke wezen en de innerlijke gedaante van dit proces waar te nemen.

Alle in het eerste deel ontvouwde wetten over stijgen en dalen van de winstvoet hebben inderdaad de volgende dubbele betekenis:

1. Enerzijds zijn ze de wetten van de algemene winstvoet. Met de vele verschillende oorzaken die de winstvoet doet stijgen of dalen, zou men geloven dat de algemene winstvoet elke dag moet wijzigen. Maar een beweging in een productiesector zal een andere opheffen, de invloeden kruisen en paralyseren zich. We zullen later onderzoeken welke kant de schommelingen in laatste instantie opgaan; maar ze zijn traag; het onverwachte, de veelzijdigheid en verschillende duur der schommelingen in de afzonderlijke productiesectoren, zorgt ervoor dat ze elkaar compenseren in de opeenvolging, zodat een prijsdaling volgt op een prijsstijging en omgekeerd, zodat zij lokaal blijven, d.w.z. beperkt tot de afzonderlijke productiesector en uitendelijk de verschillende lokale schommelingen elkaar wederzijds neutraliseren. Binnen elke afzonderlijke productiesector zijn er veranderingen, afwijkingen van de algemene winstvoet, die zich enerzijds in een bepaalde periode nivelleren, dus niet op de algemene winstvoet inwerken; anderzijds weer niet op hen inwerken, omdat ze door andere gelijktijdige lokale schommelingen worden opgeheven. Daar de algemene winstvoet niet alleen bepaald is door de gemiddelde winstvoet in elke sector, maar ook door de verdeling van het totale kapitaal in de verschillende afzonderlijke sectoren, en omdat deze verdeling voortdurend verandert, is dit opnieuw een blijvende oorzaak van verandering in de algemene winstvoet – maar een oorzaak van verandering, die op zijn beurt bij ononderbrokenheid [1e oplage: onderbrokenheid] en veelzijdigheid van deze beweging, zichzelf grotendeels weer verlamt.

2. Binnen elke sector is er een marge voor een kortere of langere periode, waar de winstvoet van die sector fluctueert alvorens het schommelen, na stijgen of dalen, adequaat consolideert, om tijd te geven voor het inwerken op de algemene winstvoet en dus meer te zijn dan een lokale betekenis. Binnen zulke grenzen van tijd en ruimte, gelden dus de wetten van de winstvoet, ontwikkeld in het eerste deel van dit boek.

De theoretische opvatting – bij de eerste omzetting van meerwaarde in winst – dat ieder deel van het kapitaal een gelijke winst opbrengt,[25] drukt een praktisch feit uit. Wat ook de samenstelling van het industriële kapitaal is, of het één vierde dode arbeid en drie vierde levende arbeid of drie vierde dode arbeid en één vierde levende arbeid in beweging zet, of het in het ene geval drie keer zoveel meerarbeid absorbeert of meerwaarde produceert dan in het andere – met een gelijke uitbuiting van de arbeid en afgezien van toch verdwijnende individuele verschillen, omdat we in beide gevallen te maken hebben met de gemiddelde samenstelling van de gehele productiesector – in beide gevallen geeft het evenveel winst. De individuele kapitalist (of zelfs alle kapitalisten in elke productiesector), die bekrompen is, gelooft terecht dat zijn winst niet uitsluitend komt uit de door hem of zijn bedrijfstak tewerk gestelde arbeid. Dit is volledig juist wat zijn gemiddelde winst betreft. In hoeverre deze winst bemiddeld is door de gehele uitbuiting van de arbeid door het totale kapitaal, d.w.z. door al zijn collega-kapitalisten, deze samenhang is een compleet mysterie voor hem, des te meer zelfs omdat de theoretici van de bourgeoisie, de politieke economen, het tot nu toe niet onthuld hebben. Arbeidsbesparing – niet alleen de arbeid noodzakelijk voor de productie van een bepaald product, maar ook het aantal tewerk gestelde arbeiders – en groter gebruik van dode arbeid (constant kapitaal) verschijnt als een economisch correcte operatie en lijkt van meet af aan op geen enkele wijze de algemene winstvoet en de gemiddelde winst te beïnvloeden. Hoe kan dan de levende arbeid de exclusieve winstbron zijn, als de reductie van de arbeid, nodig voor de productie niet enkel de winst niet lijkt aan te tasten, maar zelfs onder bepaalde omstandigheden als een toename van de winst verschijnt, tenminste voor de individuele kapitalist?

Wanneer in een gegeven productiesector een deel van de kostprijs stijgt of daalt, die de waarde van het constant kapitaal vertegenwoordigt, dan komt dit deel uit de circulatie en gaat van meet af aan vergroot of verkleind in het productieproces van de waar. Als aan de andere kant het aantal arbeiders in dezelfde tijd meer of minder produceren, zodat de arbeid die nodig is voor de productie van een bepaalde hoeveelheid waren varieert, terwijl het aantal arbeiders hetzelfde blijft, het deel van de kostprijs dat de waarde van het variabel kapitaal vertegenwoordigt, hetzelfde blijven, dus een zelfde hoeveelheid bijdraagt aan de kostprijs van het totale product. Maar elke afzonderlijke waar, waarvan de som het totale product uitmaakt, bevat meer of minder arbeid (betaalde en dus ook onbetaalde), dus ook meer of minder uitgaven voor deze arbeid, dus een groter of kleiner deel van het loon. Het door de kapitalisten betaalde totale loon blijft hetzelfde, maar het is anders, op ieder stuk waar, berekend. Hier is dus de verandering in dit deel van de kostprijs van de waar. Of de kostprijs van de afzonderlijke waar nu, als gevolg van zulke waardeverandering, hetzij de eigen waarde die wijzigt, hetzij in hun warenelementen (of de kostprijs van al de geproduceerde waren door een kapitaal van gegeven grootte) stijgt of daalt: de gemiddelde winst is bv. 10 %, dan blijft het 10 %; ofschoon 10 % van de afzonderlijke waar, een erg verschillende grootte voorstelt, naargelang de waardeverandering in kostprijs van de afzonderlijke waren, door waardeveranderingen die we veronderstelden.[26]

Wat het variabel kapitaal betreft – en dit is het belangrijkste, want het is de bron van meerwaarde terwijl het alles verbergt in zijn verhouding tot de verrijking van de kapitalisten, dat het hele systeem misleidt – vergroot het de zaak of verschijnt ze aldus aan de kapitalisten: een variabel kapitaal van £100 staat bv. voor het weekloon van 100 arbeiders. Als deze 100, bij gegeven werkdag, een wekelijks product van 200 stuks waren produceren = 200 W, dan kost 1 W – geabstraheerd van het deel van de kostprijs dat het constant kapitaal toevoegt – £100 = 200 W, 1 W = £100/200 = 10 sh. Stel nu dat er een verandering in de arbeidsproductiviteit intreedt; en ze verdubbelt, hetzelfde aantal arbeiders produceert in dezelfde tijd tweemaal 200 W, waar ze vroeger 200 W produceerde. In hetzelfde geval kost (voor zover de kostprijs alleen uit arbeidsloon bestaat) nu £100 = 400 W, 1 W = £100/400 = 5 sh. Vermindert de productiviteit tot de helft, zal diezelfde arbeid nog slechts 200 W/2 produceren; en aangezien £100 = 200 W/2, nu 1 W = 200 W/200 = £1. Verandering van de vereiste arbeidstijd voor de productie van de waren, derhalve hun waarde, verschijnen nu met betrekking tot de kostprijs en dus ook de productieprijs, als een andere verdeling van hetzelfde arbeidsloon over meer of minder waren, naargelang in dezelfde arbeidstijd voor hetzelfde arbeidsloon meer of minder waren worden geproduceerd. Wat de kapitalist en daarmee de politieke econoom ziet, is, dat het deel van de betaalde arbeid, opgenomen in de waren per stuk, zich wijzigt met de productiviteit van de arbeid en daarmee ook de waarde in ieder afzonderlijk stuk, wat ze niet zien is, dat dit ook het geval is met de onbetaalde arbeid in elk stuk, en des te minder omdat de gemiddelde winst in feite toevallig is bepaald door de in zijn sector geabsorbeerde onbetaalde arbeid. Alleen in zulke grove vorm en zonder begrip schijnt nu nog het feit door, dat de warenwaarde bepaald is door de erin vervatte arbeid.

_______________
[22] Cherbuliez.
[23] Corbet, p. 174.
[24] Vanzelfsprekend is hier afgezien van de mogelijkheid, door druk op de lonen, monopolieprijs enz., er een tijdelijke surpluswinst uit te slaan. [F.E.]
[25] Malthus.
[26] Corbet.