Marx en Engels

Marx en Engels aan August Bebel, Wilhelm Liebknecht, Wilhelm Bracke, e.a.


Geschreven: 17-18 september 1879
Bron: Tegen het reformisme, Uitgeverij Progres, Moskou 1990. Een bundel teksten (extracten) rond het thema reformisme
Vertaling: Uitgeverij Progres
Deze versie: Spelling - Voetnoten zijn niet overgenomen
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, februari 2009

Laatste bewerking: 08 februari 2009


(Circulaire)

[17-18 september 1879]

Beste Bebel!

Het antwoord op uw brief van 20 augustus werd opgehouden, enerzijds door Marx’ langdurige afwezigheid en anderzijds door enige verrassingen: ten eerste de komst van Richters Jahrbuch en verder de komst van Hirsch zelf.

Uit uw brief maak ik op dat Liebknecht u mijn laatste brief aan hem niet heeft laten lezen, ofschoon ik hem dit duidelijk heb opgedragen. Anders zou u vast en zeker niet de overwegingen aanvoeren die Liebknecht naar voren heeft gebracht en waarop ik hem reeds heb geantwoord.

Bekijken we punt voor punt de kwestie waarom het gaat.

1. Onderhandelingen met Hirsch

Liebknecht vraagt Hirsch of deze de redactie op zich neemt van het partijorgaan dat in Zürich opgericht moet gaan worden [Sozialdemokrat. Red.]. Hirsch wil graag weten hoe de krant gefinancierd gaat worden, over welke middelen hij beschikt en wie deze gaat geven. Het eerste is belangrijk om te weten of de krant niet na twee-drie maanden aan de grond zit; het tweede — om vast te stellen in wiens handen de geldbundel ligt en daarmee de uiteindelijke leiding over de teneur van de krant. Het antwoord van Hirsch — ‘alles in orde, de details hoor je uit Zürich’ (Liebknecht aan Hirsch, 28 juli) — bereikt hem niet. Doch uit Zürich ontvangt Hirsch een brief van Bernstein (24 juli) waarin deze meedeelt, dat ‘ons de representatie en het toezicht (over de krant) zijn opgedragen’. Er zou een onderhoud tussen Viereck en ons hebben plaatsgevonden, waarin men bevonden had:

‘Uw positie wordt enigszins bezwaard door de meningsverschillen die u als redacteur van de Laterne had met enige kameraden, maar ik vind deze twijfels van te weinig gewicht.’

Over de financiering van de krant geen woord.
Hirsch vraagt in zijn antwoord van 26 juli om gedetailleerde informatie over de materiële situatie van de krant. Wie van de kameraden heeft zich verplicht het tekort te dekken? In welke som en voor welke termijn? De kwestie over het salaris voor de redacteur speelt hier absoluut geen rol; het enige wat Hirsch wil weten is: ‘Zijn de middelen voor de krant gegarandeerd voor minstens een jaar?’

Bernstein antwoordt op 21 juli: mocht er een deficit optreden, dan zal het worden gedekt door vrijwillige bijdragen, waarvan sommige (9) reeds zijn gefixeerd. Hirsch’ opmerkingen betreffende de teneur die hij van plan is de krant mee te geven (hierover later meer) verwekken afkeurende aanmerkingen en voorschriften:

‘Hier moet de commissie van toezicht in het bijzonder op staan, aangezien deze zelf onder controle staat, dus verantwoordelijkheid draagt. Bijgevolg dient u over deze punten overeen te komen met de commissie van toezicht.’

Het antwoord is gedetailleerd genoeg, zo dicht mogelijk bij een telegram.

Dus: in plaats van een of ander antwoord op zijn gewettigde vragen krijgt Hirsch te horen dat hij de redactie van de krant heeft onder leiding van de in Zürich zetelende commissie van toezicht, waarvan de visies wezenlijk verschillen van de zijne en over de samenstelling waarvan hij zelfs niets verneemt!

Hirsch, volkomen terecht verontwaardigd door zo’n manier van doen, prefereert tot een besluit te komen met de Leipzigers. De inhoud van zijn brief aan Liebknecht van 2 augustus moet u bekend zijn om dat Hirsch met klem eiste dat deze aan u en Viereck werd meegedeeld. Hirsch was zelfs bereid om zich naar de Zürichse commissie van toezicht te schikken in die zin, dat deze laatste de redactie schriftelijk commentaar zou leveren, maar het maken van beslissingen wordt overgelaten aan de Leipzigse controlecommissie.

Intussen schrijft Liebknecht op 28 juli aan Hirsch:

‘Uiteraard is de onderneming in financieel opzicht sterk, omdat de hele partij plus Höchberg erachter staan. Wat de details betreft: voor deze interesseer ik mij niet.’

In de volgende brief van Liebknecht alweer geen woord over de materiële kant van de zaak, maar wel de verzekering dat de Zürichse commissie geen redactiecommissie is en dat deze slechts het bestuur en de financiën zijn toevertrouwd. Op 14 augustus herhaalt Liebknecht dit nog eens in zijn brief aan mij en staat erop dat wij Hirsch overreden akkoord te gaan. U was zelf op 20 augustus zo slecht geïnformeerd over de werkelijke stand van zaken, dat u mij schrijft:

‘Hij (Höchberg) heeft in de redactie niet meer gewicht dan elk ander partijlid dat bekendheid geniet.’

Tenslotte ontvangt Hirsch van Viereck een brief, gedateerd 11 augustus, waarin deze bekent:

‘het drietal in Zürich moet als redactionele commissie de organisatie van de krant aanpakken en met instemming van de drie van Leipzig een redacteur kiezen... voor zover ik me herinner stond er in de meegedeelde statuten tevens dat het in punt 2 genoemde Zürichse oprichtingscomité de verantwoordelijkheid tegenover de partij op zich moet nemen voor zowel de politieke als ook de financiële kant van de zaak... Uit dit alles is ons duidelijk, dat... zonder de medewerking van het in Zürich verblijvende drietal, dat van de partij de opdracht heeft gekregen de krant op te richten, men het aannemen van redactionele functies wel kan vergeten.’

Hier kreeg Hirsch tenminste een enigszins duidelijke aanwijzing — zij het alleen over de positie van de redacteur ten opzichte van de Zürichers. Zij vormen de redactionele commissie; hij hen ligt ook de politieke verantwoordelijkheid; zonder hun medewerking kan niemand de functie van redacteur aannemen. Kort gezegd: Hirsch wordt simpelweg voorgesteld om tot een akkoord te komen met de drie Zürichers, wier namen hem nog steeds niet bekend zijn.

Doch om de verwarring compleet te maken sluit Liebknecht bij Vierecks brief de volgende mededeling in:

‘Zo-even is Singer uit Berlijn hier geweest; hij bevestigt, dat de commissie van toezicht in Zürich niet, zoals Viereck meent, een redactionele commissie is; deze commissie is veeleer een administratieve, die tegenover de partij, dus tegenover ons, de financiële verantwoordelijkheid draagt; de leden ervan hebben uiteraard tevens het recht en de plicht om met jou redactionele kwesties te bespreken (dit is het recht en de plicht van elk partijlid); tot het instellen van een voogdij over jou hebben zij geen volmacht.

De drie Zürichers en één lid van het Leipzigse comité — de enige die bij de onderhandelingen present was — staan erop dat Hirsch zich moet schikken naar het officiële bestuur van de Zürichse instantie, het andere lid van het Leipzigse comité weigert dit eenvoudig. Moet Hirsch soms een beslissing nemen vóórdat deze heren het onderling eens zijn geworden? Over het feit dat Hirsch het volste recht had te eisen, dat hij kennis zou nemen van de uitgebrachte statuten, waarin de hem bestelde voorwaarden stonden omschreven, hierover dacht niemand ook maar na, temeer daar de Leipzigers niet op het idee kwamen om zelf betrouwbare informatie te krijgen over deze statuten. Hoe zou er anders een dergelijk meningsverschil kunnen ontstaan?

Hebben de Leipzigers geen éénvormige mening aangaande de door de Zürichers verleende volmachten, voor de Zürichers is alles volkomen duidelijk.

Schramm schrijft Hirsch op 14 augustus:

‘Indien u destijds niet geschreven had, dat in een dergelijk geval’ (als met Kayser) ‘u opnieuw precies zo zou handelen, indien u daardoor geen aanleiding had gegeven om opnieuw soortgelijke uitingen in de pers te verwachten, dan hadden we er geen woord aan verspeeld. Maar thans, rekening houdend met uw kennisgeving, moeten wij ons het recht van beslissende stem voorbehouden wat betreft het opnemen van artikelen die voor de nieuwe krant bestemd zijn.’

Hirsch zou deze kennisgeving hebben gedaan in zijn brief aan Bernstein van 26 juli, dus ruimschoots na de vergadering in Zürich, waarop de volmachten van de drie van Zürich waren vastgelegd. Maar in Zürich waren ze al zo dronken van het gevoel van hun bureaucratische almacht, dat ze in het antwoord van deze laatste brief van Hirsch aanspraak maken op het recht om over de plaatsing van artikelen te beslissen.

De redactionele commissie is al een censuurcommissie geworden.

Pas toen Höchberg in Parijs arriveerde, kwam Hirsch van hem de namen van de leden der beide commissies te weten.

Indien derhalve de onderhandelingen met Hirsch zijn afgebroken, wat is hiervan dan de oorzaak geweest?

1) De pertinente weigering van zowel de Leipzigers als van de Zürichers om hem ook maar enige nadere inlichtingen te verstrekken over de financiële basis van de krant en daarmee over de mogelijkheid dat deze minstens een jaar overeind kan blijven. Over de door ondertekening gegarandeerde som hoorde hij eerst van mij (op grond van uw mededeling aan mij). Oftewel, uit de eerdere mededelingen (van de partij plus Höchberg) zou men nauwelijks een andere conclusie kunnen trekken dan dat ofwel de krant reeds thans hoofdzakelijk door Höchberg wordt gefinancierd, ofwel spoedig geheel afhankelijk zal zijn van zijn bijdragen. Deze laatste mogelijkheid is ook nu zeker niet uitgesloten. De som van 800 mark — als ik het cijfer juist gelezen heb — is exact gelijk aan de som (40 pond sterling), die de vereniging hier extra in de Freiheit moest steken voor het eerste halfjaar;

2) De meermaals herhaalde en later totaal onjuist gebleken verzekering van Liebknecht, dat de Zürichers geen recht hebben gekregen om de redactie te controleren, en de door deze verzekering ontstane komedie van vergissingen;

3) De uiteindelijk verkregen zekerheid van het feit, dat de Zürichers niet alleen de controle in handen hebben, maar ook de censuur, en hem, Hirsch, blijft slechts de rol van toegeschoven sufferd.

Indien op dit alles zijn weigering is gevolgd, dan kunnen wij deze stap alleen maar toejuichen. De Leipzigse commissie is, zoals wij gehoord hebben, versterkt met twee buiten Leipzig wonende leden en kan daarom alleen dan snel een beslissing nemen indien er tussen de drie Leipzigers geen meningsverschillen zijn. Hierdoor wordt het zwaartepunt voorgoed verschoven naar Zürich en met de heren aldaar zal Hirsch, evenals elke andere redacteur die werkelijk revolutionair en proletarisch is ingesteld, niet lang kunnen werken. Hierover direct meer.

2. De verwachte teneur van de krant

Reeds op 24 juli deelt Bernstein aan Hirsch mede, dat Hirsch’ meningsverschillen met enige kameraden tijdens zijn redacteurschap van de Laterne zijn positie kunnen bemoeilijken.

Hirsch antwoordt, dat de teneur van de krant over het geheel genomen naar zijn mening niet moet afwijken van die van de Laterne dus dat men in Zwitserland processen moet ontwijken en in Duitsland niet bovenmatig schuw moet zijn. Hij vraagt, welke kameraden nu precies worden bedoeld en vervolgt:

‘Ik ken er slechts één van dien aard en beloof u, dat, als een dergelijk geval van overtreding van de discipline zich herhaalt, ik aangaande deze kameraad precies zo zal handelen.’

Hierop antwoordt Bernstein, in de wetenschap van zijn nieuwe officiële volmachten als censor:

‘Wat betreft de teneur van de krant, moet ik zeggen, dat, zoals de commissie meent, de Laterne niet als voorbeeld kan dienen. Wij gaan ervan uit dat de krant zich niet zozeer moet onderscheiden door zijn politiek radicalisme, als wel door een principiële socialistische instelling. Zulke episoden als de aanval op Kayser, die afkeuring verwekte bij alle kameraden zonder uitzondering’(!) ‘moet tot elke prijs gemeden worden.’

Enzovoort, enzovoort. Liebknecht noemt het optreden tegen Kayser een ‘grove misser’ en Schramm vindt het zo gevaarlijk, dat hij op grond hiervan Hirsch onder censuur stelt.

Hirsch schrijft opnieuw aan Höchberg, dat een voorval als met Kayser

‘onmogelijk is bij de aanwezigheid van een officieel partijorgaan, waarvan een gedeputeerde de klare directieven en deugdelijke aanwijzingen niet zou kunnen ignoreren op zo’n valse wijze.’

Viereck schrijft eveneens dat de nieuwe krant

‘is voorgeschreven ... onpartijdig te zijn zoveel mogelijk alle plaatshebbende meningsverschillen te ignoreren’; hij moet geen ‘opgeblazen Laterne’ zijn en ‘het ergste wat men Bernstein kan verwijten is het feit, dat hij een al te gematigde richting aanhoudt, als dit al een verwijt is in een tijd, dat wij niet voorwaarts kunnen gaan met ontrolde banier.’

Waarin bestaat echter het voorval met Kayser, deze onvergeeflijke misdaad die Hirsch begaan zou hebben? Kayser, als enige van de sociaaldemocratische gedeputeerden, houdt een toespraak en brengt zijn stem in de rijksdag uit voor protegerende invoerrechten. Hirsch beschuldigt hem van overtreding van de partijdiscipline, aangezien hij:
1) gestemd heeft voor indirecte belastingen, waarvan het partijprogramma zonder meer de afschaffing eist;
2) de kredieten aan Bismarck gesanctioneerd heeft en daarmee inbreuk gemaakt heeft op het grondprincipe van onze partijtactiek: ‘geen stuiver voor deze regering’.

Wij konden maar niet vatten, op welke wijze deze aanval op Kayser in Duitsland zo’n reactie kon opwekken. Thans vertelt Höchberg mij, dat de ‘fractie’ Kayser heeft toegestaan te handelen zoals hij gedaan heeft en hij zich daardoor in het gelijk gesteld kan zien.

Indien de zaken er zo voorstaan dan is het waarachtig bar en boos gesteld. Allereerst kon Hirsch, net als wie dan ook, niets weten van deze in het geheim genomen beslissing. Verder: die schande voor de partij, waarvan men voorheen alleen Kayser kon beschuldigen, wordt door deze omstandigheid alleen maar erger en tegelijkertijd groeit in betekenis de verdienste van Hirsch, die openlijk en voor de hele wereld de banale fraseologie en de nog banalere stemming van Kayser heeft ontmaskerd en daarmee de eer van de partij heeft gered. Of is de Duitse sociaaldemocratie werkelijk geïnfecteerd en beeldt deze zich in, dat de verkozenen van het volk zijn bevangen van de heilige geest, die de fractiezittingen tot onfeilbare concilies maakt en de besluiten van de fractie tot onwrikbare dogma’s?

De grove misser werd uiteraard toegelaten, maar dan wel door gedeputeerden die met hun beslissing Kaysers daad dekten en niet door Hirsch. En als diegenen, die meer dan wie dan ook geroepen zijn het navolgen van de partijdiscipline te controleren, met een dergelijk besluit deze zo bot overtreden, dan is dat des te erger. Nog erger is het evenwel, wanneer zij durven denken dat de partijdiscipline niet werd overtreden door Kayser, met zijn redevoering en stemming en niet door de gedeputeerden met hun besluit, maar door Hirsch — door tegen dit besluit in, dat hem nog wel onbekend is, Kayser scherp onder vuur te nemen.

Overigens lijdt het geen twijfel, dat de partij in de kwestie over de protegerende invoerrechten dezelfde onnauwkeurige en weifelende positie heeft ingenomen als zij innam tegenover alle tot nu toe ontstane concrete economische kwesties bijvoorbeeld in de kwestie over de staatsspoorwegen. Dit komt door het feit dat de partijorganen, met name Vorwärts, in plaats van deze kwestie grondig door te nemen, er de voorkeur aan geven te mijmeren over het aanzien van de komende maatschappijstructuur. Toen de kwestie over protegerende invoerrechten na de wet tegen de socialisten ineens van praktische betekenis werd, ontstonden hieromtrent de meest uiteenlopende soorten meningen en er was geen mens te vinden die de kwaliteiten in zich droeg voor nauwkeurig en juist redeneren, te weten: bekendheid met de condities van de Duitse industrie en de positie ervan op de wereldmarkt. Daarbij kan een zeker deel der kiezers protectionistisch ingesteld zijn, — ook daarmee moest rekening worden gehouden. De enige uitweg uit deze chaos — de kwestie zuiver politiek te benaderen (wat de Laterne ook gedaan heeft) — bleef onbesproken liggen. En daardoor vertoonde de partij in deze debatten van begin af aan schommelingen, onzekerheid en onnauwkeurigheid en maakte zij zich tenslotte, dankzij Kayser en samen met hem, gloeiend ten schande.

De acties tegen Kayser geven er aanleiding toe om Hirsch in alle toonaarden op het hart te drukken, dat de nieuwe krant in geen geval de grillen van de Laterne mag imiteren, dat hij zich niet zozeer moet onderscheiden door politiek radicalisme als wel door een principieel socialistische teneur en onpartijdigheid. Daarbij doet Viereck niet minder zijn best dan Bernstein; Bernstein nu lijkt Viereck de meest geschikte persoon, juist omdat hij al te gematigd is, want ‘we kunnen nu toch niet voorwaarts gaan met ontrolde banier’.

Maar waarom dan überhaupt naar het buitenland gaan, als het niet is om voorwaarts te gaan met ontrolde banier? In het buitenland staat dit niets in de weg. Zwitserland kent noch de Duitse strafwetten, noch de Duitse wetten over pers en verenigingen. Daar kan men niet alleen, maar moet men alles schrijven wat thuis niet geschreven mocht worden, zelfs vóór de wet tegen de socialisten — vanwege de gewone Duitse wetten. Want daar staan we niet alleen voor het aangezicht van Duitsland, maar ook voor dat van Europa en zijn we verplicht, voor zover de Zwitserse wetten dat toelaten, Europa openlijk te verwittigen van de wegen en doelstellingen der Duitse partij. Wie in Zwitserland rekening zou willen houden met de Duitse wetten zou alleen maar aantonen dat hij deze Duitse wetten verdient en dat hij niets te zeggen heeft buiten wat in Duitsland was toegestaan voordat de uitsluitingswet inging. Het ging ook niet op er rekening mee te houden, dat voor de redactieleden de mogelijke terugkeer naar Duitsland misschien tijdelijk werd afgesneden. Wie niet bereid is dit te riskeren hoort niet thuis op zo’n progressieve en eervolle post.

Sterker nog. De uitsluitingswet legde juist daarom de Duitse partij aan banden, omdat zij de enige serieuze oppositiepartij in het land was. Indien zij in een buitenlands orgaan aan Bismarck dankbaarheid betuigt en de rol van enige serieuze oppositiepartij weigert, door voor lieverdje te spelen en braaf de klappen in ontvangst te nemen, dan bewijst zij hiermee alleen maar dat zij deze klappen waardig is. Van alle persorganen van de Duitse partij, die sinds 1830 in het buitenland zijn uitgegeven, is de Laterne ongetwijfeld een van de meest gematigde. Maar als zelfs de Laterne te gedurfd is gebleken, dan kan de nieuwe krant van de partij alleen maar compromitteren in de ogen van onze aanhangers buiten Duitsland.

3. Het manifest van de drie van Zürich

Intussen kwam het Jahrbuch van Höchberg, waarin het artikel ‘Een retrospectief overzicht van de socialistische beweging in Duitsland’. Dit artikel is, zoals Höchberg mij zelf heeft meegedeeld, geschreven door niemand minder dan de drie leden van de Zwitserse commissie [K. Höchberg, E. Bernstein en K.A. Schramm. Red.] en vormt daarom een authentieke kritische studie door deze heren en derhalve ook het authentieke programma van de nieuwe krant, aangezien de lijn van de krant door deze mensen wordt uitgestippeld. Helemaal aan het begin lezen we:

‘De beweging, waaraan Lassalle een enorme politieke betekenis toeschreef, waartoe hij niet alleen de arbeiders opriep maar ook alle eerzame democraten, aan het hoofd waarvan onafhankelijke vertegenwoordigers van de wetenschap moesten lopen en allen die bevangen zijn van mensenliefde is ineengeschrompeld onder het leiderschap van I.B. Schweitzer en geworden tot een eenzijdige strijd van industriearbeiders voor hun belangen.’

Ik ga me niet bezighouden met de vraag of dit correspondeert, en in welke mate het correspondeert, met de realiteit. Het bijzondere verwijt dat hier aan Schweitzer gedaan wordt berust hierin, dat hij, Schweitzer, het lassalleanisme omlaaghaalde, hier beschouwd als een burgerlijk-democratisch-filantropische beweging, tot het niveau van eenzijdige strijd van industriearbeiders voor hun belangen[1]; in werkelijkheid echter heeft hij de beweging uitgediept als een klassenstrijd van industriearbeiders tegen de bourgeoisie. Voorts wordt Schweitzer verweten dat hij ‘de burgerlijke democratie heeft afgestoten’. Maar hoort de burgerlijke democratie soms thuis in een sociaaldemocratische partij? Indien de burgerlijke democratie bestaat uit ‘eerzame mensen’ dan kan hij de wens gaan koesteren om in de partij te worden opgenomen en als hij hier moeite voor doet, dan is het uitsluitend om rottigheid uit te halen.

De lassalleaanse partij ‘gaf er de voorkeur aan om zich op de meest eenzijdige manier te gedragen als arbeiderspartij’. De heren die dit schrijven zijn leden van de partij, die zich op de meest eenzijdige manier gedraagt als arbeiderspartij en bekleden er thans officiële posten in. Deze zaken kunnen absoluut niet samengaan. Indien zij denken zoals ze schrijven, moeten ze uit de partij stappen of op zijn minst afzien van de posten die ze bekleden. Als ze dit niet doen, geven ze hiermee zelf toe dat ze voornemens zijn hun officiële positie te gebruiken voor de strijd tegen het proletarische karakter van de beweging. Daardoor valt de partij zichzelf af, door hen op de officiële posten te laten.

Dus menen deze heren dat de sociaaldemocratische partij geen eenzijdige arbeiderspartij moet zijn, maar de alzijdige partij van ‘allen die bevangen zijn van ware mensenliefde’. Om dit aan te tonen moet zij allereerst afstand doen van de ruwe proletarische driften en onder leiding van erudiete en filantropisch ingestelde bourgeois ‘een goede smaak aankweken’ en de ‘bon ton aanleren’ (blz. 85). Dan zullen de ‘onfatsoenlijke manieren’ van sommige leidslieden plaats maken voor welopgevoede ‘burgermanieren’ (alsof de uiterlijk onfatsoenlijke manieren van degenen die hier bedoeld worden niet het onbelangrijkste zijn wat men hun kan verwijten!). Dan hoeven we ook niet lang te wachten op de

talrijke aanhangers uit het milieu der erudiete en bezittende klassen. Juist zij moeten beslist worden aangetrokken ... opdat de agitatie tastbare successen brengt. Het Duitse socialisme ‘kende een te grote betekenis toe aan het veroveren van de massa’s en negeerde daarbij de energieke’ (!) ‘propaganda onder de zogeheten hogere lagen van de maatschappij’. Want ‘de partij mist nog steeds personen die in staat zouden zijn haar te vertegenwoordigen in de rijksdag’. Maar ‘het is wenselijk en zelfs noodzakelijk de mandaten toe te vertrouwen aan mensen die de tijd en de mogelijkheid hebben gehad om de bijbehorende problemen grondig te bestuderen. Een eenvoudige arbeider en een kleine handwerksman ... hebben hier slechts bij hoge uitzondering vrije tijd genoeg voor.’

Oftewel: kies bourgeois!

In één woord: de arbeidersklasse is niet in staat zijn vrijmaking eigenhandig te bereiken. Hiervoor moet hij zich schikken maar de leiding door ‘erudiete en bezittende bourgeois’, omdat alleen zij ‘de tijd en de mogelijkheid hebben’ om te bestuderen wat voor de arbeiders van nut kan zijn. En ten tweede dient men onder geen enkel mom de bourgeoisie te bestrijden — men moet deze voor zich winnen door energieke propaganda.

Maar als wij van plan zijn de hogere lagen van de maatschappij te veroveren of al is het maar hun welwillend tegenover ons staande elementen, dan moeten we hen op geen enkele manier bang maken. En de drie van Zürich denken dat zij een zeer geruststellende ontdekking hebben gedaan.

‘Juist nu, onder de druk van de wet tegen de socialisten, laat de partij zien dat zij niet voornemens is de weg te gaan van gewelddadige, bloedige revolutie, dat zij, integendeel besloten heeft ... de weg in te slaan van de legaliteit, oftewel van de hervorming.’

Oftewel, als 500-600 duizend sociaaldemocratische kiezers (1/10 — 1/8 van het kiezerstotaal) die nog eens verspreid zijn over het hele land, zo verstandig zijn dat ze niet met hun kop tegen de lamp lopen en niet proberen om één tegen tien een ‘bloedige revolutie’ te ontketenen, dan betekent dit dat ze voor eens en altijd afzweren om gebruik te maken van elke willekeurige grote gebeurtenis uit de buitenlandse politiek, de hierdoor verwekte plotselinge revolutionaire opleving en zelfs ook de overwinning van het volk, behaald in het op deze voedingsbodem ontsproten conflict! Als Berlijn ooit opnieuw zoveel ongeletterdheid aan de dag legt dat er een 18e maart van komt, dan zullen de sociaaldemocraten, in plaats van het als ‘allerlei gespuis dat de barricaden bestormt’ (blz. 88) deel te nemen aan de strijd ‘de weg van de legaliteit’ moeten ‘inslaan’, de opstand sussen, de barricaden opruimen en zo nodig in gelijke pas lopen tegen de eenzijdige, grove en ongeletterde massa. Als de heren auteurs gaan beweren dat zij dit niet wilden zeggen, wat wilden ze dan wel zeggen?

Maar dit stelt nog niets voor.

‘Hoe rustiger, objectiever en solider de partij zal optreden, met kritieken op de bestaande regels en voorstellen over hun wijziging, des te minder zal het mogelijk zijn om de thans geslaagde’ (de invoering van de wet tegen de socialisten) ‘zet, met behulp waarvan de zelfbewuste reactie de bourgeoisie heeft bang gemaakt voor het rode spook.’ (blz. 88)

Om de bourgeoisie te verlossen van ook maar de schaduw van de angst, moet deze het heldere en aanschouwelijke bewijs hebben, dat het rode spook inderdaad niet meer dan een spook is, dat het in werkelijkheid niet bestaat. Waar echter schuilt het geheim van het rode spook anders in dan in de angst van de bourgeoisie voor de onvermijdelijke strijd, niet op leven maar op dood, tussen hem en het proletariaat, de angst voor de onontkoombare ontknoping van de huidige klassenstrijd? Liquideren we de klassenstrijd, dan zullen de bourgeoisie en ‘alle onafhankelijke mensen’ niet bang zijn om hand in hand met de proletariërs te lopen’! Maar juist de proletariërs blijven met de gebakken peren zitten.

Laat de partij daarom met haar nederigheid en zachtmoedig gedrag aantonen, dat zij voor eens en altijd de ‘onbezonnenheden’ en ‘excessen’ heeft afgezworen, die de aanleiding hebben gegeven tot de invoering van de wet tegen de socialisten. Als zij uit eigen beweging belooft binnen de perken van deze wet te blijven, dan zullen Bismarck en de bourgeoisie uiteraard zo beleefd zijn om deze wet af te schaffen, die dan overbodig wordt.

‘Laat men ons juist begrijpen’, wij willen niet ‘onze partij en ons programma laten varen, maar we denken dat we vele jaren te zwoegen hebben, als we onze kracht, al onze energie aanwenden voor het bereiken van bepaalde, volkomen haalbare doelen, die tot elke prijs moeten worden bereikt, voordat we kunnen gaan peinzen over de uitvoering van meer veraf gelegen taken.’

Dan gaan we worden aangevuld met massa’s bourgeois, kleine bourgeois en arbeiders die ‘thans worden afgeschrikt’... door al te vergaande eisen.

Het programma moet men niet laten varen; alleen de realisatie ervan moet worden uitgesteld ... voor onbepaalde tijd. Het wordt aangenomen, maar eigenlijk niet voor eigen gebruik, niet om het eigen leven ernaar te voegen, doch slechts om het de kinderen en kleinkinderen na te laten. En vooralsnog worden alle krachten en alle energie aangewend voor allerlei futiliteiten en pietluttig lapwerk aan het kapitalistische bestel, om te doen alsof er toch iets wordt ondernomen en om tegelijkertijd de bourgeoisie niet bang te maken. Hebben we soms niet honderdmaal meer aan het gedrag van de ‘communist’ Miquel, die in zijn onwankelbare overtuiging, dat de krach van de kapitalistische maatschappij binnen enkele jaren moet plaatsvinden, op grond hiervan ijverig speculeert en naar zijn vermogen aanstuurt op de krach van 1873 en daarmee werkelijk wat doet om de ineenstorting van het huidige bestel voor te bereiden?

Een andere inbreuk op de bon ton vormden de ‘overdreven aanvallen op de Gründers’, die immers ‘slechts kinderen van hun tijd’ waren; daarom zou het beter zijn ... scheldkanonnades aan het adres van Straussberg en dergelijke personen uit de weg te gaan’. Helaas zijn alle mensen slechts ‘kinderen van hun tijd’ en als dat een voldoende rechtvaardiging is, dan moeten aanvallen op wie dan ook worden stopgezet en moeten we afzien van alle polemiek, van alle strijd; we dienen gelaten de klappen van onze tegenstanders in ontvangst te nemen, immers wij, de wijzen, weten dat deze tegenstanders slechts ‘kinderen van hun tijd zijn’ en niet anders kunnen handelen dan ze doen. In plaats van hun honderdmaal de ontvangen klappen te vergelden, moeten we de stumpers juist ontzien.

Evenzo had ons opkomen voor de Commune het kwade gevolg dat het

‘vele, ons gunstig gezinden, van ons heeft verjaagd en in het algemeen de haat van de bourgeoisie tegen ons heeft verhevigd. En verder is de partij niet geheel onschuldig aan het invoeren van de oktoberwet, want zij verwekte volkomen onnodig de haat van bourgeoisie.’

Ziedaar het programma van de drie Zürichse censors. Het laat geen enkele ruimte over voor misverstanden, vooral voor ons, die al sinds 1848 heel goed bekend zijn met dit soort uitingen. We zien hier de vertegenwoordigers van de kleine bourgeoisie die bevend van angst verklaren, dat het proletariaat, gedreven door zijn revolutionaire positie in de maatschappij ‘te ver’ kan ‘doordrijven’. In plaats van steevaste politieke oppositie — alom bemiddelen; in plaats van strijd tegen de regering en de bourgeoisie — hen trachten te overreden en voor zich te winnen; in plaats van felle weerstand aan de vervolgingen van bovenaf — zachte deemoed en de erkenning dat de straf terecht is. Alle historisch noodzakelijke conflicten worden uitgelegd als misverstanden en achter elke discussie wordt een punt gezet met een declaratie, dat in wezen onze meningen op geen enkel punt uiteenlopen. Mensen die in 1848 optraden als burgerlijke democraten kunnen zichzelf nu met hetzelfde gemak sociaaldemocraten noemen: evenals voor de eersten de democratische republiek, zo is voor de laatsten de omverwerping van het kapitalistische bestel een zaak van de verre toekomst, die absoluut geen betekenis heeft voor de politieke praktijk van nu; daarom kan men lijmen, zich bezighouden met vriendjespolitiek en filantropie zoveel men wil. Precies zo is het gesteld met de klassenstrijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie. Op papier wordt deze strijd erkend, omdat hij domweg onmogelijk ontkend kan worden, maar in praktijk wordt hij verdoezeld, weggeduwd, afgezwakt. De sociaaldemocratische partij moet geen partij van de arbeidersklasse zijn, zich niet de haat van de bourgeoisie of wiens haat het ook wezen mag op de hals halen, zij moet voor alles energiek propaganda voeren in het burgerlijk milieu; in plaats van als hoeksteen de meest vooruitstrevenden te kiezen die de bourgeoisie met al hun voor onze generatie onhaalbare doelen afschrikken, laat zij liever al haar krachten en al haar energie aanwenden voor de realisering van die pietluttige hervorm-stoplappen, die de oude maatschappelijke structuur verstevigen en hierdoor misschien de uiteindelijke catastrofe omzetten in een geleidelijk, zich stukje bij beetje en naar vermogen voltrekkend vredig proces van vernieuwing. Het zijn dezelfde mensen die onder de dekmantel van overijverige zakelijkheid niet alleen zelfs niets doen maar ook proberen te verhinderen dat zich überhaupt iets anders voordoet dan gezwets; mensen die in 1848 en 1849 met hun angst voor elke gebeurtenis de beweging bij elke stap, afremde en hem uiteindelijk tot de nederlaag voerde, die nooit de reactie zien en lelijk op hun neus kijken als ze klem zitten, als noch verzet nog vluchten mogelijk zijn. Het zijn dezelfde mensen die de geschiedenis willen proppen binnen de grenzen van hun burgerlijk blikveld, maar met wie de geschiedenis geen rekening houdt en zijn eigen weg gaat.

Wat hun socialistische overtuigingen betreft: deze zijn reeds voldoende bekritiseerd in het ‘Manifest van de Communistische Partij’ in het gedeelte over het ‘Duitse’ ofwel ‘ware’ socialisme. Daar waar de klassenstrijd aan de kant wordt gezet als iets onaantrekkelijk en ‘grof’ blijven de grondslag van het socialisme slechts ‘ware mensenliefde’ en holle frasen over ‘rechtvaardigheid’ over.

De loop van de ontwikkeling postuleert zelf het onvermijdelijke verschijnsel, dat bij het strijdende proletariaat zich individuele personen aansluiten uit de tot dan toe heersende klasse en elementen van verlichting leveren. Hierover hebben we ons al duidelijk uitgesproken in het ‘Manifest’. Maar hier moeten we twee dingen voor ogen houden:

Ten eerste: om werkelijk van nut te zijn voor de proletarische beweging, moeten deze personen werkelijke elementen van verlichting meebrengen en dit kan men niet zeggen van de meeste Duitse bourgeois die zich bij de beweging hebben aangesloten. Noch de Zukunft, noch de ‘Neue Gesellschaft’ hebben iets gegeven wat de beweging ook maar een stap vooruit zou brengen. In plaats hiervan — pogingen om de oppervlakkig aangekweekte socialistische ideeën gelijk te trekken met de meest uiteenlopende theoretische visies, die deze heren uit de universiteit of nog ergens anders vandaan hebben meegebracht; van al deze visies is de ene nog warriger dan de andere, wat wordt verklaard door het ontbindingsproces dat de resten van de Duitse filosofie thans ondergaan. In plaats van zich eerst zelf te verdiepen in de nieuwe wetenschap probeerde iedereen deze op de ene of andere manier om te buigen naar zijn van buitenaf meegebrachte beschouwingen, flanste inderhaast zijn eigen privé-wetenschap in elkaar en ging meteen op stap met de pretentie om anderen deze wetenschap bij te brengen. Daarom zijn er bij deze heren evenveel standpunten als hoofden. In plaats van enige helderheid te brengen in de ene of andere kwestie, maakten ze er een ongelooflijke janboel van, gelukkig bijna uitsluitend in hun eigen milieu. Dit soort verlichters, met hun grondprincipe anderen bij te brengen wat ze zelf niet bestudeerd hebben, kan de partij missen als kiespijn.

Ten tweede: als bij de proletarische beweging zich vertegenwoordigers van andere klassen voegen, dan is het een eerste vereiste, dat ze geen resten van burgerlijke, kleinburgerlijke en dergelijke vooroordelen met zich meebrengen, maar zich zonder morren de proletarische wereldbeschouwing eigen maken. Doch deze heren zitten, zoals bewezen is, juist propvol met burgerlijke en kleinburgerlijke voorstellingen. In een kleinburgerlijk land als Duitsland hebben deze voorstellingen ongetwijfeld goede gronden, maar wel buiten de gelederen de sociaaldemocratische partij. Indien deze heren een sociaaldemocratische kleinburgerpartij vormen dan is dat hun goed recht. Dan zouden we met hen in onderhandeling kunnen treden, ons in bepaalde omstandigheden afschermen e.d. Maar in de arbeiderspartij is het een vreemd element. Als er redenen zijn om hen zolang te dulden dan zijn we verplicht hen alleen te dulden zonder hen te laten inwerken op het partijbestuur en moeten we ons er rekenschap van geven dat de breuk met hen slechts een kwestie van tijd is. Daarbij is deze tijd zo te zien al aangebroken. Op welke manier de partij de auteurs van dit artikel langer in hun gelederen kan dulden is ons onduidelijk. Als zulke mensen voor een zeker deel zelfs het partijbestuur in handen krijgen, dan betekent dit simpelweg de castratie van de partij en bevat zij geen proletarische energie meer.

Wat ons aangaat, wij hebben, in overeenstemming met heel ons verleden, slechts één weg te vervolgen. Gedurende 40 jaar hebben we de klassenstrijd op de voorgrond gesteld als een onmiddellijke drijvende kracht in de geschiedenis en in het bijzonder de klassenstrijd tussen de bourgeoisie en het proletariaat als de machtige hefboom van de huidige sociale ommekeer; daarom kunnen we in geen geval hand in hand gaan met mensen die deze klassenstrijd uit de beweging trachten te schrappen. Bij de oprichting van de Internationale hebben we onze strijdkreet nauwkeurig geformuleerd: de vrijmaking van de arbeidersklasse moet een zaak van de arbeidersklasse zelf zijn. Wij kunnen derhalve niet hand in hand gaan met mensen die openlijk verklaren dat het de arbeiders teveel aan eruditie ontbreekt om zichzelf vrij te maken en dat ze moeten worden vrijgemaakt van bovenaf, door de handen van filantropische grote en kleine bourgeois. Indien het nieuwe partijorgaan een teneur meekrijgt die overeenkomt met de opvattingen van deze heren als het burgerlijk en niet proletarisch wordt, dan blijft er helaas niets over dan hiertegen openlijk te ageren en een einde te maken aan de solidariteit met u die we tot nu toe hebben betuigd als de vertegenwoordiging van de Duitse partij in het buitenland. Maar zover zal het, naar we moeten hopen, niet komen.

Vertaald uit het Duits

_______________
[1] In het handschrift volgt de doorgestreepte passage:
‘Schweitzer was een lomperik, maar tegelijkertijd een man met veel talent. Zijn verdienste berustte met name hierin, dat hij het oorspronkelijke nauwe lassalleanisme met zijn kortzichtige panacee van staatshulp doorbrak... Wat hij ook heeft ondernomen uit zelfzucht en hoe zeer hij ook, met het doel om zijn hegemonie te behouden, gestaan heeft op het lassalleaanse wondermiddel van staatshulp, — dan nog berust zijn verdienste hierin, dat hij een bres heeft geslagen in het oorspronkelijke nauwe lassalleanisme, de economische horizon van zijn partij heeft verwijd en daardoor haar latere fusie tot de Duitse ongedeelde partij heeft voorbereid. De klassenstrijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie — deze kern van elk revolutionair socialisme — werd ook door Lassalle reeds verkondigd. Indien Schweitzer dit punt sterker had benadrukt was dit in wezen hoe dan ook een stap voorwaarts, hoe gehaaid hij dit moment ook heeft aangewend om de personen onder verdenking te stellen die gevaarlijk waren voor zijn dictatuur. Het is volkomen juist, dat hij het lassalleanisme heeft gemaakt tot een eenzijdige strijd van industriearbeiders voor hun belangen. Doch eenzijdig heeft hij hem slechts gemaakt omdat hij, uit politieke motieven in eigen belang, niets wilde weten van de strijd van de landarbeiders tegen het grootgrondbezit. Niet dit wordt hem echter verweten, maar het feit, dat... Red.


Zoek knop