Friedrich Engels

Engels aan Eduard Bernstein


Geschreven: 25, 31 januari 1882
Bron: Tegen het reformisme, Uitgeverij Progres, Moskou 1990. Een bundel teksten (extracten) rond het thema reformisme
Vertaling: Uitgeverij Progres
Deze versie: Spelling - Voetnoten zijn niet overgenomen
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, februari 2009

Laatste bewerking:


25, 31 januari 1882

De berichten over wat zich in Duitsland onder de ‘voormannen’ afspeelt zijn ons sterk gaan interesseren. Ik heb nooit verhuld, dat naar mijn mening de massa’s in Duitsland heel wat beter zijn dan de heren van de top, vooral sinds de partij dankzij de pers en de agitatie voor deze een melkkoe werd, die hun boter leverde en des te meer toen Bismarck en de bourgeoisie deze koe ineens afmaakten. Voor duizenden mensen, die daarmee meteen hun bestaansmiddelen werden ontnomen, bleek het de pech te zijn dat ze zich niet in de directe positie van revolutionairs bevonden, dus in de ban. Anders zouden velen van hen die nu steen en been klagen naar het kamp van Most zijn overgelopen, of in elk geval de Sozialdemokrat te zachtaardig hebben gevonden. Deze mensen bleven hoofdzakelijk in Duitsland en konden niet anders handelen; de meerderheid onder hen kwam in een omgeving terecht waar de reactie behoorlijk sterk was: in ongenade gevallen en materieel afhankelijk van de filisters, bleven zij voor het merendeel steken in het moeras van het filisterdom. Al hun hoop concentreerde zich weldra op de afschaffing van de wet tegen de socialisten. Het is geen wonder, dat onder de druk van het filisterdom in hun midden de in werkelijkheid onzinnige illusie ontstond, dat deze afschaffing te bereiken zou zijn door het hoofd te buigen. Duitsland is een aller-akeligst land voor mensen met een zwakke wil. De nauwheid en kleinzerigheid van de maatschappelijke en politieke verhoudingen, het provincialisme van zelfs de grote steden, de kleine maar venijnige treiteringen die men moet ondergaan in de strijd met de politie en de bureaucratie, — dit alles neemt de krachten weg in plaats van op te wekken tot weerstand en daardoor vervallen velen in de ‘grote kinderkamer’ [H. Heine, gedicht uit de cyclus ‘Die Heimkehr’ (geparafraseerd), Red.], velen tenslotte zelfs tot kindsheid. De nauwheid van de levensvoorwaarden verwekt een nauw blikveld, zodat iemand die in Duitsland woont veel verstand en energie nodig heeft alleen al om in staat te zijn iets verder te zien dan zijn onmiddellijke omgeving, het algemene verband tussen de wereldgebeurtenissen niet uit het oog te verliezen en niet te vervallen tot die zelfgenoegzame ‘objectiviteit’, die niet verder ziet dan zijn neus lang is en juist daarom de krapste vorm van subjectiviteit is, ook al zou deze worden gedeeld door duizenden van zulke subjecten.

Maar hoe natuurlijk de opkomst van deze richting ook is, die met ‘objectieve’ wijsneuzerij zijn beperktheid en labiliteit verdekt, hier tegen moet niettemin een vastbesloten strijd worden gevoerd. En hierin zijn de arbeidersmassa’s zelf het meest betrouwbare steunpunt. Zij zijn de enigen die in Duitsland in meer of minder hedendaagse condities leven: al hun kleine en grote tegenspoed wortelt in de druk van het kapitaal en terwijl elke andere strijd in Duitsland — zowel sociaal als politiek — kleinzerig en nietig is en zichzelf voor pietluttige taken stelt die in andere landen allang zijn opgelost, is de strijd van de arbeiders de enige grote strijd, de enige die deel uitmaakt van een tijdperk, de enige die de strijdenden hun krachten niet ontneemt maar hen steeds met nieuwe energie vervult. Dus hoe meer u uw correspondenten weet te vinden onder de ware, niet tot ‘leidslieden’ geworden arbeiders, des te meer kansen zult u hebben om een tegenwicht te scheppen tegen het gejank van de voormannen.

Vertaald uit het Duits


Zoek knop