George Novack

De lange kijk op de geschiedenis


Geschreven: 1956
Bron: Marxisme.net - Understanding History, The Long View Of History
Vertaling: Marxisme.net
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2008

Laatste bewerking: 10 augustus 2008


Zie ook:
De belangrijkste geschiedenistheorieŽn. Van de Grieken tot het marxisme

De Amerikaanse trotskist George Novack schreef in 1956 de brochure “The Long View of History”, een bundeling van twee toespraken die hij hield op een scholingsbijeenkomst in de buurt van Los Angeles. Die toespraken hadden als doel om een beeld te geven van de ontwikkeling van de mensheid. Het vormt een nuttige tekst om kennis te maken met de marxistische methode bij het bestuderen van de geschiedenis. Wij publiceren deze tekst nu voor het eerst in het Nederlands.

1. Hoe de mensheid tot de beschaving kwam

Ik stel voor om eerst de grote lijnen van de menselijke ontwikkeling te schetsen, van onze verre dierlijke voorgangers tot vandaag, een ogenblik dat de mensheid heerser van de wereld is geworden maar nog geen meester van haar eigen creaties, laat staan haar eigen sociaal systeem. Daarna zal ik ingaan op de centrale aspecten van de specifieke ontwikkeling van de samenleving die het grootste deel van Noord-Amerika omvat en deel uitmaakt van de meest ontwikkelde vorm van kapitalistische samenleving.

Ik zal proberen aan te tonen dat onze nationale geschiedenis niet alleen verbonden is met de wereldgeschiedenis, maar ook hoe we — zowel collectief als individueel — deel uitmaken van dit verhaal. Dat is een breed geheel en een uitdaging, het is een vorm van een supersnelle tocht doorheen de stratosfeer van de wereldgeschiedenis. Het wordt ons opgedrongen door de dringendheid om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van gebeurtenissen en onze specifieke plaats daarbinnen, en ook door de dynamiek van de wetenschappelijke theorie van de sociologie die haar hoogste uitdrukkingsvorm vindt in het marxisme. De beweging gebaseerd op het wetenschappelijk socialisme bereidt zich enthousiast voor op de toekomst, en moet daartoe ook diep gaan graven in het verleden.

* * *

Ik zal beginnen met de politieke geschiedenis van een individu. In januari 1935 verscheen een boek dat de norm zou stellen voor een reeks van reflectieverslagen van de trends in onze tijd. Het had een grote invloed op radicaliserende intellectuelen voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Dit boek, “Persoonlijke Geschiedenis”, was geschreven door Vincent Sheean. Het is een autobiografie met een ernstige poging om na te gaan waar de geschiedenis van zijn generatie heen leidde, en wat zijn houding was tegenover de belangrijkste tendensen en andere stromingen.

Sheean legt uit hoe hij begon als onwetende student aan de universiteit van Chicago op het einde van de Eerste Wereldoorlog. Hij wist toen even weinig van de fundamentele krachten in de wereld als miljoenen anderen die ook vandaag nog opgesloten zitten in een gelijkaardige vorm van provincialisme. Hij merkt op:

Het burgerlijk systeem beschermt al haar kinderen zoveel mogelijk tegen een kennis van de processen van menselijke ontwikkeling, en in mijn geval slaagden ze opvallend goed in die doelstelling. Weinig Hottentotten of eilandbewoners uit de Stille Zuidzee kunnen minder voorbereid zijn op het leven in de grote wereld dan ikzelf op 21-jarige leeftijd.”

Deze onschuldige Amerikaan trok naar buitenland als journalist en werd geleidelijk aan op de hoogte gesteld van de grote gebeurtenissen van de jaren 1920. Hij observeerde de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, hij zag de opstoten in het Nabije Oosten, Marokko en Palestina — voorlopers van verregaande koloniale onrust na Wereldoorlog Twee. Hij was ook een toeschouwer en speelde een toevallige rol in de mislukte tweede Chinese Revolutie van 1926. Zijn ervaringen bereikten een hoogtepunt met de economische ineenstorting van het kapitalisme na 1929 en de opmars van het fascisme in Europa.

Deze opstoten deden Sheeans ogen openen en zorgden ervoor dat hij naar het marxisme werd geleid en de revolutionaire socialistische beweging. Hij werd meegesleept in de kolkende stroom van gebeurtenissen van de eerste fase van barsten in de kapitalistische beschaving, en hij begon dit ook als dusdanig te herkennen. Belangrijke sociale, economische en politieke gebeurtenissen toonden het failliet aan van de opvattingen over de wereld die hij had opgedaan via zijn onderwijs in de Midwest. Hij besloot deze opvattingen te verlaten.

Sheean vond in het marxisme de meest overtuigende verklaring van de processen van sociale ontwikkelingen en de oorzaken van beslissende gebeurtenissen tijdens zijn leven. Hij was onder de indruk van de wijze waarop het marxisme in staat was om antwoorden te geven op vragen waarmee ieder denkende persoon wordt geconfronteerd: wat is de verhouding van mijn leven tegenover dat van mijn voorgangers op deze aarde, tegenover alle mensen en tegenover de ontelbare generaties die na mij zullen volgen?

Wetenschappelijke, politieke en morele overwegingen trokken hem aan tot de wetenschap van de socialistische beweging. Sheean bewonderde het marxisme, omdat dit in zijn woorden een “lange kijk” bood. Dat is geen frase die hij zelf uitvond, hij ontleende het aan een deelnemer aan de strijd. Hij merkte op dat marxisten zich niet mogen laten leiden door gedeeltelijke visies en beperkte overwegingen, maar door een zo volledig mogelijke kijk op de biologische ontwikkeling en de menselijke verworvenheden.

De allesomvattende synthese van de geschiedenis door het marxisme, stond in een schril contrast met de enge kijk die hij kreeg aangeleerd in de Midwest. In het binnenland van de Verenigde Staten waren de meest moderne gadgets aanwezig, maar was er tegelijk een dominantie van ouderwetse opvattingen over sociale evolutie.

Sheean was in de ban geraakt van één van de belangrijkste aspecten van het denken dat de naam draagt van haar schepper, Karl Marx. Het wetenschappelijk socialisme biedt de meest consistente, veelzijdige en verreikende doctrine van evolutie en revolutie. “De lange kijk” dat het vertegenwoordigt, is de ontwikkeling van de mensheid in haar volledige context, haar huidige realiteit en haar uiteindelijke gevolgen, althans in de mate van wat met de huidige beperkingen kan worden voorzien.

* * *

Wat was deze lange kijk dat Vincent Sheean aantrok en zowel voor als na hem zoveel miljoenen anderen? Wat kan een blik op de ontwikkelingsprocessen, zoals geanalyseerd door de marxistische methode, ons leren over hoe de zaken veranderen in deze wereld?

We kunnen vier kritische keerpunten aanduiden in de tijdstabel van de ontwikkeling. Het eerste keerpunt was de oorsprong van onze planeet zo’n drie tot vier miljard jaar geleden. Het tweede was de ontwikkeling van het leven in de vorm van eenvoudige ééncellige organismen die in de zee leefden zo’n 2,5 miljard jaar geleden (deze tijdsaanduidingen zijn loutere benaderingen maar momenteel algemeen aanvaard). Ten derde was er het verschijnen van de eerste dieren met een ruggengraat zo’n vier tot vijf honderd miljoen jaar geleden. Tenslotte was er de creatie van de mensheid zowat een miljoen jaar geleden.

Laten we beginnen bij het derde keerpunt in dit historisch panorama — de eerste vissen. Het Amerikaans Museum van Natuurgeschiedenis heeft een overzicht gemaakt met de belangrijkste ontwikkelingen in de organische evolutie van de eerste vissen tot de mensheid, de hoogste vorm van zoogdieren. De ruggengraat van de vissen was het begin van de basisstructuur voor daaropvolgende verdere ontwikkelingen.

Astraspis, zoals één van de eerste gewervelde specimen wordt genoemd, leefde in het Paleozoïcum in de buurt van Cannon City in Colororado waar haar overblijfselen werden gevonden. Deze oorspronkelijke Amerikaan van vier tot vijf honderd miljoen jaar geleden was erg revolutionair voor die tijd. Dit is wat een gekende expert, Brian Curtis, over deze ontwikkeling zegt in “Het levensverhaal van de vis”:

Een dier met een ruggengraat komt vandaag niet raar over voor ons. Maar op het ogenblik dat de eerste vis op aarde verscheen, waarbij we beschikken over geologisch onderzoek dat deze ontwikkeling op zowat 500 miljoen jaar geleden dateert, moet dit een miraculeuze verschijning zijn geweest. Het was het allernieuwste model van een dier, een radicaal en misschien op dat ogenblik zelfs roekeloos experiment van de kracht die wij vaak personaliseren als Moeder Natuur.”

Waar bestond dit “radicalisme” dan uit?

Voor dit ogenblik was er nooit een schepsel dat intern over harde stukken beschikte, in plaats van uitwendig... De natuur had wellicht een brainstorm, verliet alle vroegere methoden en schakelde opeens over naar iets nieuw dat nog nooit gezien was.”

De vis behield een deel van de oude externe pantser, maar het doorslaggevende aspect vanuit het standpunt van de evolutie was toch het verwerven van een ruggengraat. Dit vormde de vis om tot een wezen dat anders was dan alles wat tot dan had bestaan. Het nieuwe wezen met een ruggengraat groeide uit de oude schepsels en ontgroeide het. Maar dat is niet alles. Het ging verder en bereikte nieuwe terreinen van bestaan en activiteit. Het meest revolutionaire aspect van de vis was het feit dat het zorgde voor het startpunt van de volledige hiërarchie van schepsels met een ruggengraat wat uiteindelijk heeft geleid tot de mens zelf.

Deze eerste gewervelde dieren ontwikkelden vanuit de vis, doorheen de amfibieën (die tegelijk in het water en op het land leefden) en de reptielen om uiteindelijk de eerste warmbloedige wezens te vormen: vogels en zoogdieren. De mensheid is het hoogtepunt van de ontwikkeling van zoogdieren. Dit aspect van de dierlijke ontwikkeling wordt erkend door alle wetenschappelijke experts.

Maar deze ideeën en feiten die vandaag gemeengoed zijn, waren in het verleden subversieve opvattingen. We hebben deze wetenschappelijke visie van de organische evolutie geleidelijk aangenomen zonder te beseffen dat deze aanvaarding een onderdeel is van een ommekeer in het menselijke denken over de wereld en de schepsels. Deze ommekeer is pas de afgelopen eeuw op grote schaal gebeurd. Kijk maar hoe enkele generaties geleden de Bijbelse mythen over de creatie van de Westerse wereld nog dominant was.

Twee aspecten van de feiten over gewervelde dieren verdienen bijzondere aandacht. Ten eerste vormde de transfer van de knokige delen van de vis van het uitwendige naar het inwendige een kwalitatieve nieuwe vorm van organische structuur, een breuk in de continuïteit van de ontwikkeling tot dan toe. Het leidde tot een hoger niveau van leven. Iedere bioloog erkent dat feit. Maar dit feit heeft een diepgaander belang dat ons meer zegt over de methoden van evolutionaire verandering in het algemeen. Het toont aan hoe op kritieke punten in de accumulatie van veranderingen buiten en binnen een organisme, de conflictueuze elementen de oude vormen van bestaan opbreken en de progressieve vorming sprongsgewijze overgaat naar een kwalitatief nieuwe en historisch hogere vorm van ontwikkeling. Dat geldt niet enkel voor organische soorten, maar ook voor sociale vormen en denksystemen.

Deze radicale ommekeer kan niet ontkend worden in het geval van het ontstaan en de evolutie van de vis en haar uiteindelijke omwenteling tot hogere soorten. Het is echter veel moeilijker om een dergelijke conclusie te trekken als het gaat om de omvorming van een lagere vorm van sociale organisatie tot een hogere sociale organisatie. Deze aarzeling om de conclusies van de evolutieleer op andere zaken toe te passen, en vooral op het sociale systeem waarin we leven, vindt haar oorsprong in de vastberadenheid om zoveel mogelijk de nauwe klassenbelangen te verdedigen tegen alle mogelijke tegengestelde krachten en rivaliserende ideeën die erop gericht zijn om een nieuwe orde te vestigen.

Het tweede element dat moet worden benadrukt, is het feit dat de vis als eerste gewervelde dier, een specifieke plaats inneemt in de opeenvolging van organismen. Het is een schakel in een keten van uitdrukkingen van het leven van de eerste ééncellige oerdiertjes tot de meest complexe organismen. Dit eerste schepsel met een ruggengraat kwam voort uit en na een reeks van schepsels die nooit een dergelijke structuur van skelet kenden. Het leidde op zijn beurt tot de ontwikkeling van hogere vormen die veel sterker ontwikkeld waren.

Het lijkt tegenstrijdig, maar veel wetenschappers aanvaarden de ontwikkeling van organische wezens, terwijl ze zich koppig verzetten tegen het uitbreiden van dezelfde wetmatigheden tot de verandering van sociale organismen. Ze zullen niet toegeven dat er een welomlijnde en waarneembare opeenvolging is in de ontwikkeling van de mens, waarbij er gelijkenissen zijn met de stappen in de vooruitgang van de ongewervelde schepsels tot de vis, en doorheen de reptielen en zoogdieren tot de mens.

Dit scepticisme in de sociologie is vooral in deze eeuw uitgesproken aanwezig, en zeker in ons land en haar universiteiten. Dit soort denkers weet natuurlijk dat er heel wat veranderingen zijn geweest in de geschiedenis en dat er heel wat diverse formaties waren op terreinen als de antropologie, archeologie, geschiedenis, sociologie en politiek.

Wat ze echter ontkennen is dat deze typische uitingen van sociaal leven kunnen — en zelfs moeten — in een bepalende orde van historische ontwikkeling worden geplaatst. Daarbij heeft elk fenomeen een bepaalde plaats in de ontwikkeling van begin tot einde, van lager tot hoger. Ze leren ons dat alle verschillende vormen van cultuur en levenswijzen enkel verschillend zijn van elkaar en dat het onmogelijk of onnodig is om een logische opeenvolging of wetmatige ontwikkeling te zoeken in hun totstandkoming in de sociale realiteit.

Deze visie en methode gaat in tegen een evolutionaire visie, het is onwetenschappelijk en bovendien reactionair. Maar het is verklaarbaar. Het ontkennen van de mogelijkheid om een logica te vinden in de vooruitgang van sociale structuren komt voort uit het verzet van de ongewervelden vandaag — als we de vergelijking doortrekken — tegen de opkomende gewervelden die een hogere organisatievorm vertegenwoordigen. De ongewervelden zijn vastberaden om hen te bestrijden in hun eigen overlevingsstrijd.

De evolutionaire ontwikkeling zelf, met het begin van de opgang van de vis, is het meest effectieve antwoord op deze conservatieve visie. De eerste gewervelden werden gevolgd door zes opeenvolgende progressieve types van vissen in de daaropvolgende honderd miljoen jaar. De meest ontwikkelde vorm was een middelgrote en vleesetende zoetwatervis wiens fossielen werden gevonden in Canada. Dit schepsel bracht de meest tijd door in het water, maar had heel wat functies verworven die nodig zijn om op het land te leven. Vissen zijn gewoonlijk thuis in water, ademen door kieuwen en hebben vinnen. Het was niet normaal tegenover de gevestigde aard van de vissen dat de eerste amfibieën uit het water opstonden, ademden door longen en rondtrokken op poten.

Beeld je nu eens een vis in die eerder achterwaarts keek dan voorwaarts, zoals sommige vissen het doen. Deze achteruitkijkende vis zou tegenover de vooruit bewegende amfibieën zeggen: “Wij vissen, de oudste bewoners, hebben nooit zoiets gedaan; zij kunnen dat dus ook niet doen, ze mogen het niet doen.” Als de amfibieën aandringen, stellen ze: “Dit mag niet gebeuren, het is subversief tegenover de goede oude orde.” Het verzet van de inertie stopte de ontwikkeling echter niet en sommige waterbewoners trokken naar het land en werden landdieren.

Het dierenleven bleef stappen vooruit zetten naarmate de schepsels zich aanpasten en omvormden als reactie op beslissende veranderingen in hun genetische samenstelling en natuurlijke habitat. De amfibieën werden reptielen, met sterker ontwikkelde breinen, ze ademden via hun ribben, legden eieren, hadden ledematen die konden bewegen en sterk ontwikkelde ogen. Het rijk van de reptielen leidde geleidelijk aan naar het rijk van de zoogdieren met overgangstypes die elementen van beide hadden, tot er een volwaardige nieuwe orde de wereld in handen nam.

Zowat 135 miljoen jaar geleden kwam het prototype van dier tot stand dat aan de basis lag van onze voorouders die in bomen leefden. Dit was een schepsel dat op een knaagdier leek en een nieuwe belangrijke stap vooruit betekende in de evolutionaire aanpassingen en activiteit door het land te verlaten en in de bomen te leven. Het feit dat 600.000 jaar in de bomen werd geleefd, veranderde onze dierlijke voorouders van kop tot teen. Ze leerden nieuwe functies aan, hun tanden veranderden, ze ontwikkelden verder tot vormen van apen. De bloedverwantschap tussen die laatsten en de mens is zo nauw dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen een embryo van de hoogste apenvormen en dat van de mens.

De natuurlijke omstandigheden waren uiteindelijk aanwezig voor het ontstaan van de mensheid. Het is waarschijnlijk dat veranderingen in het klimaat en geografische omstandigheden verbonden met de eerste ijstijd sommige primaten uit de bomen en de bossen hadden gehaald om op vlaktes te gaan leven. Een reeks van belangrijke anatomische ontwikkelingen bereidden de weg voor de ontwikkeling van de mens voor. Het feit dat het been in het bekken korter werd, maakte het voor de primaten mogelijk om rechtop te staan, het leidde tot een verschil tussen de voorste en de achterste ledematen en een ontwikkeling van de handen. Het brein werd groter. Een binoculair gezicht en vocale organen maakten het menselijke zien en spreken mogelijk.

Het centrale biologische orgaan voor de creatie van de mensheid was de hand. De hand stond tegenover de voeten en de duim stond tegenover de vier andere vingers. Deze tegenstelling tussen de duim en de andere vingers was een van de meest vruchtbare en dynamische eenheden van tegengestelden in de ontwikkeling van de mensheid. De mogelijkheden van de duim om zichzelf tegenover de andere vingers te plaatsen, gaven de hand uitzonderlijke mogelijkheden om zaken vast te pakken en dingen te manipuleren met een extreme flexibiliteit en gevoeligheid. Deze verworvenheid maakte de biologische combinatie van handen, ogen en brein mogelijk. Samen met een langere periode van zorg door de moeder voor haar kinderen, waren de natuurlijke vereisten voor sociaal leven voor handen.

* * *

Op dit punt moet er iets gezegd worden over het meest gehoorde argument tegen socialisme: “Je kan de menselijke natuur niet veranderen”. Wat is er aan van dat argument?

Eens de ontwikkeling van de organische evolutie wordt aanvaard, komt er minstens één logische conclusie uit voort: de natuur van vissen kan worden veranderd. Het werd veranderd in een amfibie, reptiel, vogel, zoogdier en uiteindelijk in de menselijke natuur. Het zout in ons lichaam is één van de vele herinneringen in ons lichaam van onze afkomst van onze overgrootvader vis in de oceanen zoveel millennia geleden.

Dit leidt tot de volgende pertinente vragen over sociale verandering: als vissen kunnen veranderen, of zo sterk veranderd zijn, op welke basis worden dan strikte beperkingen opgelegd als het over de veranderlijkheid van de mens gaat? Verloor onze soort haar vervormbaarheid, haar potentieel voor radicale verandering in de lijn van de transitie van de primaten naar de mens?

Het tegendeel is waar. In de overgang naar de mensheid, behield onze soort niet alleen alle capaciteiten voor progressieve verandering die inherent zijn aan de natuur, maar bovendien werden deze mogelijkheid vermenigvuldigd tot een onooglijk hoger niveau tot een volledig nieuwe dimensie omdat voorheen ongekende manieren en middelen voor evolutionaire vooruitgang tot stand kwamen.

Het duurde vier tot vijf honderd miljoen jaar om de biologische voorwaarden te creëren die nodig waren voor het totstandkomen van de eerste voormenselijke wezens. Deze omstandigheden kwamen niet tot stand door de vooruitziendheid of het inzicht van iemand, of volgens een plan met de bedoeling om een vooropgesteld doel te bereiken. We kunnen stellen dat het gebeurde als een logisch resultaat van een reeks van toevallige gebeurtenissen in het natuurlijk leven, vooruitgestuwd door de strijd om te overleven, om uiteindelijk haar hoogtepunt te bereiken in de ontwikkeling van een bijzondere vorm van primaat met de capaciteit om verder te gaan dan dierlijke machten.

Op dat keerpunt, zo’n miljoen jaar geleden, zagen we de meest radicale verandering van het leven op deze planeet. De opkomst van de mensheid omvatte iets totaal anders dat de basis zou worden van een unieke ontwikkelingslijn. Wat was zo anders? Het was de overgang van het dierlijke alleen-zijn naar het menselijke collectivisme, van een puur biologische gedragswijze tot het gebruik van verworven sociale mogelijkheden.

Van waar kwamen deze nieuwe kunstmatige mogelijkheden die het begin betekenden van de opkomst van de mensheid als anders dan alle andere diersoorten en onze soort boven de anderen plaatste met de mensheid als dominante levenswijze? Onze dominantie vandaag is onbetwistbaar aangezien we de mogelijkheid hebben om onszelf en alle andere vormen van leven te vernietigen, alsook om deze te veranderen.

De fundamentele nieuwe mogelijkheden die de mens verworven heeft, waren de productiekrachten waarbij de mens erin slaagde om in zijn onderhoud te voorzien door het gebruik van gereedschap en gezamenlijke arbeid, waarbij het resultaat werd gedeeld. Ik zal vier belangrijke factoren in dit proces aanhalen.

Het eerste bestond uit samenwerking bij het zoeken van voedsel en het verdelen ervan. Het tweede was het gebruik en later het maken van hulpmiddelen voor het eerste aspect. Het derde was de ontwikkeling van de spraak en het redeneren dat voortkwam uit en gestimuleerd werd door het samen leven en werken. Het vierde was het gebruik en het onder controle krijgen van en bijhorende eigen productie van vuur. Vuur was de eerste natuurmacht, het eerste chemische proces, dat aan het sociaal nuttig gebruik van de opkomende mensheid werd onderworpen.

Dankzij deze nieuwe machten, was de opkomende mensheid in staat om bijzonder snel veranderingen op te nemen in de ontwikkeling van haar soort en later van de wereld rond ons. De geschiedenis van de afgelopen miljoen jaar is in essentie deze van de vorming van de mensheid en haar aanhoudende veranderingen. Dit heeft op zijn beurt geleid tot de verandering van de wereld rondom ons.

Wat heeft het de mens mogelijk gemaakt om zo’n omvangrijke veranderingen te veroorzaken bij zichzelf en zijn omgeving? Alle biologische veranderingen van het afgelopen miljoen jaar vormden samen geen prominente factor in de vooruitgang van de menselijke soort. In deze periode heeft de mensheid echter het ruwe materiaal dat het erfde van ons dierenverleden opgenomen, het heeft het gesocialiseerd, vermenselijkt en gedeeltelijk, maar niet volledig, beschaafd gemaakt. De as van de menselijke ontwikkeling, tegenover deze van de dieren, draait rond deze sociale processen en niet zozeer rond biologische processen.

De drijfveer van dit proces komt voort uit de verbetering van de productiekrachten, wat werd verworven naarmate de menselijke behoeften groter werden. Door het ontdekken en het gebruiken van diverse middelen en kenmerken van de wereld rond zich, groeide het begrip van de mens over zijn mogelijkheden om levensmiddelen te produceren. Terwijl deze ontwikkelden, werden ook alle andere sociale krachten — de kracht om te spreken, te denken, kunst, wetenschap,... — versterkt.

Het beslissende verschil tussen de hoogste diervormen en onszelf bestaat uit onze ontwikkeling van de middelen en krachten van productie en vernietiging (twee aspecten van eenzelfde fenomeen). Dit is niet enkel verantwoordelijk voor het kwalitatief verschil tussen de mens en andere dieren, maar ook tussen specifieke verschillen van niveaus van menselijke ontwikkeling. Wat de mensen van het Stenen Tijdperk onderscheidt van deze in het IJzeren Tijdperk, en het barbaarse leven van de beschaafde samenlevingen, is het verschil in de totale krachten van productie waarover deze mensen beschikten.

Wat er gebeurt als twee verschillende niveaus van productieve en destructieve krachten de confrontatie met elkaar aangaan, zagen we op dramatische wijze toen de Spaanse veroveraars de Westelijke hemisfeer binnenvielen. De Indianen waren gewapend met pijl en boog, de indringers hadden musketten en buskruit. De Indianen hadden kano’s en peddels, de Spanjaarden grote zeilschepen. De Indianen droegen leer of opgevulde jasjes om zich te beschermen tijdens gevechten, de Spanjaarden hadden ijzeren beschermingsmiddelen. De Indianen hadden geen getemde dieren om zich voort te bewegen, maar trokken te voet verder. De Spanjaarden hadden paarden. De superieure uitrusting van de Spanjaarden leidde tot terreur en zorgde ervoor dat de conquistadores hun tegenstanders konden verslaan met minder manschappen.

Dit uitgangspunt van het historisch materialisme is makkelijker te begrijpen voor ons omdat we het privilege hebben om de eerste fase van de technologische revolutie mee te maken, waardoor we heel wat verder staan dan pakweg bij het bedwingen van het vuur een half miljoen jaar geleden. We hebben de controle verworven over het proces van nucleaire splitsing en fusie. Deze nieuwe energiebron heeft nu reeds de verhoudingen tussen regeringen drastisch veranderd en heeft geleid tot nieuwe methoden van oorlogsvoeren. Het zal de industrie veranderen, net als de landbouw, medicijnen en andere vormen van sociale activiteit.

Van waar kwam deze technologische revolutie? De mensheid onderging geen fundamentele biologische veranderingen in de afgelopen periode. Er waren ook geen plotse veranderingen in de menselijke denkwijze, hun gevoelens of hun morele opvattingen. Deze enorm machtige kracht van productie en vernieling komt voort uit de volledige voorgaande ontwikkeling van de productiekrachten in deze samenleving en alle wetenschappelijke kennis en middelen die daarmee gepaard gingen. Atoomkracht is momenteel de laatste schakel in de keten van verworven krachten die allen teruggaan op de eerste elementen van sociale productie: samenwerking van menselijke arbeid in het voorzien van levensmiddelen, het gebruik en aanmaken van gereedschap, het ontwikkelen van spreken en denken, het bedwingen van vuur. Kernenergie is de meest recente vrucht van de zaden die werden geplant in de oude samenlevingen, die opgroeiden en verbeterd werden door de mensheid in haar opwaartse klim.

* * *

Laten we nu even terugkomen op dat opmerkelijke orgaan van ons: de hand. De hand diende onder primaten aanvankelijk enkel om voedsel naar de mond te brengen. Het werd door de mens omgevormd tot een orgaan om zaken mee vast te grijpen, om materiaal te gebruiken en uiteindelijk gereedschap te maken. De hand is een biologisch prototype van een hulpmiddel, het is een vereiste en een noodzaak om arbeid te verrichten. De overgang van de hand tot een vorm van gereedschap viel samen met de creatie van de samenleving en de progressieve ontwikkeling van de mens en zijn latente krachten.

De samenhang tussen de meest rudimentaire gereedschappen en de complexe instrumenten van de productie in het actuele industriële systeem, werd grafisch geïllustreerd in een grafiek van de Do-All Corporation van Des Plaines, Illinois, de sponsor van een rondtrekkende tentoonstelling dat beweerde de “de allereerste poging” te zijn om “de volledige geschiedenis te brengen van het menselijke gereedschap”. Deze tentoonstelling brengt de verschillende fasen van de vooruitgang van technologie.

De eerste bekende vormen van gereedschap, dateren volgens sommige wetenschappers van zo’n miljoen tot anderhalf miljoen jaar geleden. Het ging om delen van een gebroken steen met uiteinden die nuttig waren om vlees te snijden, het schaven van huiden of het opgraven van wortels. Deze gereedschappen waren niet veel meer dan eenvoudige extensies van de hand. Ze waren niet gericht op specifieke functies, maar waren nuttig om op iets te slaan, te werpen, het schrapen, boren, snijden,...

In een volgende stadium onderging het gereedschap verbeteringen langs twee grote lijnen: de scherpe zijde om te snijden werd efficiënter gemaakt en aangepast voor specifieke doeleinden. De mens leerde om stenen te bewerken tot een vooraf bepaalde vorm, onder meer door een scherpere snijkant te maken. Een grotere variëteit aan hulpmiddelen, zoals bijlen, scherpe boren, dun gescherpte bladen, beitels en andere voorlopers van de actuele gereedschappen, kwam tot stand.

Deze hulpmiddelen verminderden de tijd die nodig was om te voorzien in het onderhoud en onderdak, waardoor het sociaal niveau van de productie vooruitging en de levensstandaard kon stijgen. Bovendien versterkten deze nieuwe productieve activiteiten de mentale capaciteiten van de mens. De complexiteit van specifieke hulpmiddelen geeft aan dat de mens mentaal in staat werd om te begrijpen dat het nodig is om eerst de middelen te produceren, vooraleer het doel kon worden bereikt. Mentale concepten van een specifiek gebruik waren voorlopers van zowel het uitwerken als het ontwerpen van deze gereedschappen.

Elk van de volgende stappen in de verbetering van het gebruik van gereedschap en het maken van gereedschap, leidde telkens tot het economiseren van arbeidstijd, en een toegenomen arbeidsproductiviteit, betere levensomstandigheden en het vergroten van de intellectuele mogelijkheden van de mens. De drijvende kracht van de menselijke geschiedenis komt voort uit de grotere arbeidsproductiviteit die mogelijk werd door beslissende stappen vooruit in de technieken en hulpmiddelen voor productie.

Dit zagen we reeds bij de ontwikkeling van het jagen. Aanvankelijk slaagde de mens er in regel slechts in om kleine en trage dieren te vangen. Een meer regelmatige consumptie werd mogelijk door de uitvinding van jaagmiddelen zoals de speer, een middel om speren mee te gooien en de pijl en boog. Dat laatste was het eerste middel dat energie vasthield tot het bewust werd vrijgelaten. Deze uitvindingen versterkten de mogelijkheden en de slagkracht van de primitieve jagers waardoor ze voortaan ook op snellere en grotere dieren konden jagen.

Alle basis gereedschappen van vandaag — bijl, dissel, mes, boor, schraper, beitel, zaag — werden allen ontwikkeld in het Stenen Tijdperk. De eerste metalen, zoals brons, zouden pas 3500 jaar geleden het steen vervangen als centraal materiaal voor het maken van gereedschap. Het metaal zorgde ervoor dat er een meer efficiënte en duurzame snijkant kon worden gemaakt voor gereedschap. Het zorgde er bovendien voor dat het mogelijk werd om gereedschap opnieuw te slijpen in plaats van het weg te gooien na veelvuldig gebruik.

In de periode dat bronzen gereedschap de belangrijkste rol speelden in de productie, kwamen er ook middelen en meeteenheden. Hierdoor ontwikkelde de wiskunde en kwam er ook een kalender tot stand. Er werden ook belangrijke stappen vooruit gezet op het vlak van het beeldhouwen. Basisuitvindingen zoals het wiel, de weegschaal, de hoeksteenboog, vaartuigen en glazen flessen kwamen tot stand.

Zo’n 2500 jaar geleden begon ijzer, het meest duurzame en goedkope metaal, brons te vervangen bij het maken van gereedschap. De invoering van ijzeren gereedschap zorgde ervoor dat de productiviteit enorm werd versterkt en dat de vaardigheden inzake landbouw en vakmanschap. Het liet toe om meer voedsel te produceren, betere kleding en onderdak met minder tijd en energie. Het leidde tot meer comfort en gemak. IJzeren gereedschap maakte de vooruitgang van Griekenland en Rome mogelijk, van het Acropolis in Athene tot de tunnels, bruggen, riolen en gebouwen in Rome.

De energie van al deze vroege middelen en productiewijzen werd exclusief aangedreven door menselijke spieren. Die werden na het temmen van dieren, tot op zekere hoogte aangevuld met dierlijke spierkracht. De Industriële Revolutie van de 18de eeuw was erop gericht om energie te gebruiken uit andere bronnen, zoals fossiele brandstoffen uit kool. De combinatie van mechanische kracht die werd voorgebracht door stoommachines, het bestaan van machines, verbeterde toepassingen,... naast het toegenomen gebruik van ijzer en staal hebben de productiekrachten van de samenleving vergroot tot het actuele niveau. Vandaag maken machines en gereedschap gebruik van mechanische en elektrische energie en vormen zij de belangrijkste instrumenten van onze industrie en tevens ook van de landbouwproductie.

De meest moderne machines komen voort uit de meest eenvoudige gereedschappen. De mens begon door het gebruik van eenvoudig gereedschap een beter begrip te hebben van de voordelen van hefbomen, katrollen, het wiel, de as en de schroef om hun kracht te vermenigvuldigen. Deze fysieke principes werden later gecombineerd en toegepast bij het maken van machines.

Deze volledige ontwikkeling van technologie is organisch verbonden met en heeft een grote verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van de intellectuele capaciteiten van de mens. Dit werd ook duidelijk gemaakt in de volgende begeleidende paragraaf bij de tentoonstelling van de Do-All Corporation:

Machines voeren op ingewikkelde manieren dezelfde basisfuncties en de handelingen uit als handgereedschap. Deze basisfuncties werden gevestigd door stenen gereedschap dat met de hand werd bediend door de primitieve mens. Het was door het bedenken en gebruiken van handvervaardigde hulpmiddelen in steen dat de mensheid capaciteiten ontwikkelde op het vlak van geestelijke en lichamelijke coördinatie... en dit versnelde op zijn beurt de toename van de geestelijke capaciteiten van de mens.”

Dergelijke ideeën over de invloed van technologie op het denken in een publicatie van een gerespecteerd kapitalistisch bedrijf, lijken sterk op de ideeën die we vinden in de teksten van Marx en Engels. De gedachtecontrole mag dan al proberen om het historisch materialisme uit de socialistische deur naar buiten te drijven, het glipt gewoon terug binnen langs een kapitalistisch raam.

* * *

De tentoonstelling van Do-All toont aan dat de evolutie van gereedschap kan worden opgedeeld in een chronologische reeks met een opklimmende volgorde, van houten en stenen handgereedschap doorheen metalen gereedschappen tot machines die met aangedreven energie werken. Is het dan mogelijk om op gelijkaardige wijze opeenvolgende stadia van sociale organisatie aan te duiden?

Het historisch materialisme beantwoordt die vraag affirmatief. Breed genomen — en rekening houdende met het feit dat iedere grote historische indeling nog verder kan worden ingedeeld in kleinere delen — kunnen er drie grote historische periodes worden onderscheiden in de groei van de mens uit het dierenrijk tot het atoomtijdperk: de wreedheid, de barbarij en de beschaving.

Napoleon stelde ooit dat een leger marcheert op zijn maag. Dat klopt alleszins als we naar de voorwaartse mars van het leger van de mensheid kijken. Het verwerven van voedsel is steeds de beslissende doelstelling geweest van sociale productie. De mens kan niet overleven, laat staan vooruitgaan, als hij niet regelmatig iets doet aan zijn honger.

De voornaamste perioden van de vooruitgang van de mensheid kunnen dan ook worden ingedeeld naargelang de belangrijke stappen vooruit in het verwerven en veilig stellen van voedselvoorraden. De periode van de wreedheid, de kindertijd van de mensheid, omvat de periode dat de mensen voor hun voedsel afhankelijk waren voor wat de natuur hen volledig afgewerkt leverde. Hun voedsel kwam van planten, zoals fruit of andere vruchten, van insecten, vogels of dieren of van de kust en het zeeleven. Op dat ogenblik voorzagen de mensen in hun voedsel zoals roofdieren of ze grepen het vast als andere dieren — met dit erg belangrijke verschil dat ze met elkaar samenwerkten en begonnen eenvoudige en ruwe gereedschappen te ontwikkelen om hun bestaansmiddelen te “verbeteren” in het kader van hun collectief verbruik.

De belangrijkste economische activiteiten op dit ogenblik waren het zoeken van voedsel, jagen en vissen. Deze activiteiten werden in deze volgorde ontwikkeld. Stokken en speren hielpen de wilde mens om de ruwe materialen te verzamelen voor zijn maaltijden, kledij en onderdak — typische elementen voor alle dieren met een vaste verblijfplaats. Het net was nuttig om vis te vangen en vuur om het op consumptie voor te bereiden. De Indianen van zuidelijk Californië bevonden zich nog in dit stadium toen de eerste blanke kolonisten er twee eeuwen geleden aankwamen.

De barbarij is de tweede fase van de sociale organisatie. Het was gebaseerd op het temmen van dieren en het telen van planten. Het voedsel wordt nu niet enkel meer verzameld, maar ook geproduceerd. Het temmen van vee, schapen, varkens en andere dieren leverde een vleesvoorraad op, maar ook voedsel in de vorm van melk van geiten en koeien. Het planten en telen van granen zorgde ervoor dat er regelmatig en voldoende voedsel voor handen was.

Deze revolutie op het vlak van de voedselproductie begon in Azië 6000 tot 10.000 jaren geleden. Het zorgde ervoor dat de mens voor het eerst boven een onderworpen positie tegenover de externe natuur uit kwam. Tot op dat ogenblik was de mensheid afhankelijk van wat de natuurlijke omgeving aanbood om te voorzien in de noden. De mens was voor zijn voortbestaan volledig afhankelijk van externe en oncontroleerbare natuurlijke omstandigheden. Volledige groepen en culturen van mensen kwamen op, bloeiden en verdwenen even snel, net zoals planten of dierensoorten, bij veranderen in de natuur rond hen.

Zo was er twintig tot dertig duizend jaar geleden een samenleving die opkwam in het zuiden van Frankrijk en die de Rendier Cultuur wordt genoemd. Deze mensen werden gekenmerkt door het feit dat ze jaagden op grote rendieren en herten die vaak voorkwamen bij de vegetatie in deze streek. De tekeningen die deze mensen maakten, die de afgelopen decennia werden ontdekt in grotten, getuigen van de aandachtigheid waarmee ze keken en dachten alsook van de gevoeligheid van hun handen. Hierdoor hoorden ze bij de beste artiesten die ooit voortkwamen op aarde. Maar toen het klimaat wijzigde en de vegetatie zich aanpaste waardoor de rendieren en herten verdwenen, stierf hun volledige cultuur en wellicht ook deze bevolking uit.

De eerste jagers hadden geen zekere controle over hun mobiele voedselbronnen. De onzekerheid van dit leven werd overkomen, of toch aanzienlijk beperkt, door het aanleggen van voorraden en de technieken die daarmee gepaard gingen. Dat was zeker het geval met de ontwikkeling van landbouwtechnieken. Voor het eerst werden methoden gebruikt om uitgebreide en steeds grotere voorraden voedsel te verkrijgen op basis van aanhoudende en systematische activiteiten van samenwerkende groepen. Deze opdeling van economische activiteit maakte het mogelijk dat er grotere en meer compacte bevolkingsgroepen ontwikkelden.

Deze activiteiten en hun grotere productiviteit vormden de basis voor de hoogstaandere cultuur van de barbarij. Landbouw en het aanleggen van voorraden leidde tot de ontwikkeling van ambachten als het smelten of bakken van potten. De toename van de voorraden maakten het nodig om voedsel te gaan stockeren en te transporteren. De mens ging meer op een vaststaande plaats wonen, er kwamen permanente groepen van mensen die samenleefden in vaste verblijfplaatsen waardoor het dorpsleven tot stand kwam.

In hun verdere en finale ontwikkeling, creëerden de economische activiteiten onder de barbarij de voorwaarden voor de totstandkoming van de beschaving. De materiële basis voor de beschaving was de mogelijkheid die de meest beschaafde bevolkingsgroepen hadden opgebouwd om te voorzien in een regelmatige productie van meer voedsel en goederen dan wat nodig was voor hun eigen fysiek onderhoud. Deze overschotten hadden twee gevolgen. Ze lieten specifieke delen van de gemeenschap toe om zich te richten op andere activiteiten naast de directe verwerving en productie van de basismiddelen voor het leven. Er kwamen specialisten zoals priesters, notabelen, koningen, ambtenaren, pottenbakkers, handelaars, bouwvakkers en andere vaklui.

Met de groei van de specialisaties en de uitbreiding van de handel, kwamen de toplagen van deze groepen in een strategische positie terecht waardoor een deel van hen er in slaagde om een groot persoonlijk deel van het surplus aan rijkdom te verwerven. De drang om de persoonlijke rijkdom op basis van een grotere sociale verdeling van arbeid en uitwisseling van goederen, leidde er uiteindelijk toe dat het privaat bezit tot stand kwam, net als de familie, slavernij, klassentegenstellingen, grootschalige productie van grondstoffen, handel, geld, steden en de territoriale staten met een eigen leger, politie, rechtbanken en andere relaties en instellingen die kenmerkend zijn voor de beschaving.

* * *

In haar evolutie tot vandaag, kan de beschaafde samenleving worden opgedeeld in drie belangrijke periodes: de slavernij, het feodalisme en het kapitalisme. Elk van deze periodes wordt gekenmerkt door de specifieke wijze waarop de heersende bezittende klasse aan de kop van de sociale ladder er in slaagt om zich het surplus aan rijkdom toe te eigenen ten koste van de massa’s die de rijkdom creëren. Deze volledige periode omvat slechts een korte periode van de afgelopen vijf tot zes duizend jaar.

De beschaving kwam tot stand op basis van een directe vorm van slavernij. De economische factoren die het einde betekenden van de barbarij en die de beschaving mogelijk maakten, zorgden voor de materiële voorwaarden om slavenarbeid in te voeren. De verdeling van arbeid met het hoeden van kuddes, het telen van gewassen, het ontginnen van metalen en het aanpassen van goederen met het oog op verkoop, zorgde ervoor dat de meest ontwikkelde samenlevingen meer konden produceren dan wat nodig was voor het onderhoud van de werkenden. Hierdoor werd slavernij voor het eerst mogelijk en winstgevend. Het gaf een stimulus aan de onstilbare honger van de individuele bezitters van de productiemiddelen die een steeds groter deel van de surplus aan rijkdom wilden binnenhalen. Het bezitten van slaven en het werken met slaven werd de economische basis voor een nieuw type van sociale organisatie, de bron voor een versterking van de macht, het prestige en de privileges. En het zorgde er uiteindelijk voor dat de hele structuur van het beschaafde leven werd gewijzigd.

De slavernij was op zich een bijzonder belangrijke stap vooruit en het is uitdrukkelijk menselijk. Dieren kunnen zich voederen aan de hand van karkassen van andere dieren, maar ze leven niet van de overschotten die worden gecreëerd. Vandaag is er terecht een afkeer tegenover iedere vorm van slavernij en we moeten opkomen om de laatste uitingen ervan te stoppen, maar tegelijk moeten we erkennen dat de slavernij op haar hoogtepunt een bestaansreden had en zelfs noodzakelijk was.

De wetenschap vereist dat ieder fenomeen op een objectieve wijze wordt benaderd, geanalyseerd en beoordeeld, waarbij de persoonlijke reacties van bewondering of verwerping opzij worden gezet. Het historisch materialisme moet verklaren van waar de slavernij kwam en waarom het werd toegepast door de meest ontwikkelde delen van de mensheid. De belangrijkste reden was, naast het private bezit van de productiemiddelen en een groeiende uitwisseling van producten, het feit dat slavenarbeid de productiekrachten verhoogde, de rijkdom deed toenemen en daarmee samengaand ook het comfort en de cultuur — ook al bleef dat beperkt tot een kleine toplaag — en dit zorgde er uiteindelijk voor dat de mensheid in haar geheel werd vooruit gestuwd gedurende een volledige historische periode. Zonder de slavenarbeid, zou er een onvoldoende accumulatie van rijkdom zijn geweest om op deze basis het productieproces opnieuw te versterken.

De historische noodzaak van slavernij kan op twee manieren worden aangetoond. De volkeren die niet overgingen tot een periode van slavernij, slaagden er niet in om tot de beschaving door te dringen, hoeveel uitzonderlijke kwaliteiten ze ook hadden. Ze bleven onder dat niveau omdat hun economie de interne drijfveer van inhaligheid miste alsook de dynamiek die voortkwam uit de pogingen van de slavenhouders om de slaven harder uit te buiten om hun rijkdom te vergroten. Dat is een negatieve manier om de noodzaak van slavernij aan te tonen.

Er is ook een meer positief bewijs. Die staten die zich baseerde op één of andere vorm van slavernij, zoals de meest briljante culturen van de oudheid van Babylon tot Egypte en Griekenland en Rome, droegen ook het meeste bij tot het proces van beschaving, van karren met wielen en de ploeg tot het schrijven en de filosofie. Deze samenlevingen stonden vooraan in het sociale proces.

De slavernij vormde het begin en de basis van de oude beschavingen, maar vormde op zijn beurt ook de voorwaarden en krachten die deze samenlevingen zouden ondermijnen en omverwerpen. Eens de slavernij de dominante productiewijze was, zowel in de industrie zoals in Griekenland als in de landbouw zoals in Rome, leidde het niet langer tot een ontwikkeling van landbouwtechnieken, vakmanschap, handel of andere sectoren. De slavenrijken van de oudheid stagneerden en desintegreerden tot ze na een periode van enkele eeuwen werden vervangen door de twee belangrijkste types van feodale organisatie: de Aziatische en de West-Europese types.

Beide nieuwe productievormen en sociale organisaties waren superieur aan de slavernij, maar de West-Europese vorm bleek heel wat productiever en dynamischer te zijn. Onder het feodalisme kregen de werkenden meer van hetgeen ze produceerden dan de slaven voor hen, ze hadden zelfs toegang tot de grond en andere productiemiddelen. Lijfeigenen en boeren hadden meer vrijheid en konden een zekere graad van cultuur opdoen.

Het resultaat van een lange lijst van technologische en andere sociale vooruitgang vormde samen met een opeenvolging van uitzonderlijke historische omstandigheden de basis voor het feit dat het feodale Europa in haar schoot een nieuwe en hogere vorm van klassensamenleving zou ontwikkelen, met name het kapitalisme. Hoe en waarom kwam het kapitalisme tot stand?

Het geld kwam op vanuit de uitbreiding van de handel enkele duizenden jaren geleden. Hierdoor werd het mogelijk om geld als kapitaal te gebruiken. Handelaars konden hun rijkdom vergroten door goederen goedkoop op te kopen en duur te verkopen, kredietverstrekkers en hypotheekhouders konden intrest vragen op voorgeschoten sommen met grond of andere zaken als onderpand. Deze praktijken kwamen veelvuldig voor tijdens de slavernij en de feodale samenlevingen.

Maar als het geld reeds in voorkapitalistische tijden werd gebruikt om meer op te brengen dan de gedane investering, dan zullen er nog andere voorwaarden nodig zijn om het kapitalisme als afzonderlijk en uitgewerkt wereld economisch systeem te ontwikkelen. De centrale voorwaarde was een speciale vorm van transactie die regelmatig werd herhaald op een groeiende schaal. Grote aantallen van bezitsloze arbeiders moesten zichzelf uitlenen aan diegenen die over geld beschikten alsook over andere productiemiddelen. Dat was nodig om zelf te overleven.

Mensen aannemen en ontslagen, lijkt voor ons een normale wijze om de productie te organiseren. Maar bijvoorbeeld de Indianen hebben dat systeem nooit gekend. Voor de Europeanen kwamen, had geen enkele Indiaan ooit voor een baas gewerkt. Het woord “baas” zelf werd ingevoerd door de Hollanders. De Indianen bezaten immers hun eigen middelen om te overleven. De slaaf kon worden gekocht en was dan voor de rest van zijn leven eigendom van zijn meester voor wie hij ook moest werken. De feodale slaaf of lijfeigene was eveneens heel zijn leven verbonden aan zijn landheer en zijn grond.

De vernieuwing van het kapitalisme bestond eruit dat er nu werd gewerkt voor een loon en dat dit systeem de dominante productieverhouding werd. De meesten onder jullie zijn reeds naar de arbeidsmarkt gegaan, naar een personeelsdienst of aanwervingkantoor, om een koper te vinden voor je arbeidskracht. De werkgever koopt deze kracht op tegen vooraf bepaalde tarieven per uur, dag of week. Hierna wordt de arbeidskracht onder zijn toezicht ingezet om goederen te produceren die hierna door het bedrijf met winst worden verkocht. Die winst komt voor uit het feit dat de loonarbeiders meer waarde produceren dan wat de kapitalist betaalt voor hun arbeid.

Tot in de 20ste eeuw was dit mechanisme om meerarbeid uit de arbeidende massa’s te pompen en de overschotten van rijkdom die aldus werden gecreëerd om te zetten in persoonlijke winst voor de kapitalist, de belangrijkste factor om de productiekrachten te vergroten en de beschaving uit te breiden. Het kapitalisme is als afzonderlijk economisch systeem slechts zo’n 450 jaar oud, maar het is er in die tijd wel in geslaagd om de volledige wereld te veroveren. Dat is een erg korte periode in vergelijking met de wreedheid die meer dan een miljoen jaar stand hield of de barbarij die zo’n vijf duizend jaar duurde. De processen van sociale verandering zijn vandaag duidelijk heel wat sneller geworden.

Deze versnelling van sociale processen komt grotendeels door de aard van het kapitalisme dat aanhoudend de productietechnieken verbetert alsook de sociale relaties die hieruit voortkomen. Sinds het tot stand komen van het kapitalisme, waren er drie belangrijke fasen van interne omvorming. In haar vormingsperiode waren de handelaars de belangrijkste klasse van kapitalisten omdat handel de belangrijkste bron van rijkdomaccumulatie was. Onder het handelskapitalisme werden industrie en landbouw, de peilers van de productie, niet zozeer uitgevoerd door loonarbeiders maar door kleinschalige vakmannen, boerenfamilies, slaven of lijfeigenen.

Het industriële tijdperk begon rond het begin van de 19de eeuw met de toepassing van stoomenergie in de eerste mechanische processen waarbij grote aantallen loonarbeiders in de fabrieken werkten. De kapitalistische aanvoerders van deze grootschalige industrie werden heersers op het vlak van de productie en later verwierven ze volledige landen en continenten naarmate hun rijkdom, hun legioenen van loonarbeiders, sociale en politieke macht steeds grotere vormen aannamen.

Deze krachtige, uitbreidende, progressieve, zelfverzekerde en concurrentiële fase van het industriële kapitalisme was dominant in de negentiende eeuw. Het ging in de twintigste eeuw over in een monopoliekapitalisme dat alle basis tendensen van het kapitalisme, in het bijzonder de meest reactionaire elementen, tot in het extreme heeft uitgevoerd op het vlak van economie, politiek, cultuur en internationale verhoudingen. De productieprocessen zijn meer gecentraliseerd, gerationaliseerd en gesocialiseerd, waarbij de productiemiddelen en de rijkdom steeds meer geconcentreerd is in de handen van grote financiële en industriële instanties. In de kapitalistische landen is het al zo ver gekomen dat de kapitalistische monopolies van één land, de VS, zowat alles beslissen.

* * *

De belangrijkste vraag die nu moet worden gesteld is: wat is het lot van de ontwikkeling van de beschaving in haar kapitalistische vorm? Los van pogingen tot tweeslachtige antwoorden, die uiteindelijk de kwestie uit de weg gaan, zijn er twee onverenigbare standpunten die overeenkomen met het standpunt van twee klassen die tegenover elkaar staan. De woordvoerders van het kapitalisme stellen dat er niets meer moet veranderen, het actuele systeem kan enkel nog verbeterd worden zodat het gewoon verder gaat zoals nu. Zo was er eerder het voorbeeld van de tentoonstelling van de Do-All Corporation, waarbij er een mooi beeld werd gegeven van de ontwikkeling van gereedschap. De conclusie die door de makers van deze tentoonstelling werd gemaakt, is dat er meer en betere machines tot stand zullen komen. Uiteraard hoopt het bedrijf dat deze machines bij haar zullen worden gekocht waardoor er een mooie winst wordt geboekt. Dat zou zorgen voor blijvende vooruitgang en welvaart in het kapitalistische Amerika, uiteraard zonder enige verandering in de bestaande klassenverhoudingen.

Socialisten geven een totaal ander antwoord op basis van een onnoemlijk diepgaandere, correcte en omvattende analyse van de bewegingswetten van de geschiedenis, de structuur van het kapitalisme en de strijd die momenteel plaats vindt in de wereld. De historische functie van het kapitalisme is niet om zichzelf oneindig lang te blijven verder zetten, maar om de voorwaarden te creëren en de krachten voor te bereiden die het kapitalisme kunnen vervangen door een meer efficiënte vorm van materiële productie en een hogere vorm van sociale organisatie. Net zoals het kapitalisme de opvolger werd van het feodalisme en het slavendom, en net zoals de beschaving de barbarij omver heeft geworpen, komt ook de tijd om het kapitalisme omver te werpen. Hoe en door wie kan deze revolutionaire omvorming worden gerealiseerd?

In de vorige eeuw heeft Marx een wetenschappelijke analyse gemaakt van hoe het kapitalistisch systeem functioneert. Daarin maakte hij de interne tegenstellingen duidelijk die zullen leiden tot haar ondergang. De revoluties van de 20ste eeuw, sinds 1917, geven aan dat het kapitalisme uiteindelijk naar het museum van verouderde zaken zal worden verwezen. Het is belangrijk om de onderliggende oorzaken van deze ontwikkelingen te begrijpen. Voor de verdedigers van het kapitalistische systeem lijken deze ontwikkelingen echter onverklaarbaar.

Het kapitalisme heeft doorheen haar ontwikkeling heel wat zaken voortgebracht, zowel goede als slechte. De meest belangrijke en waardevolle van alle sociale krachten die het heeft gecreëerd is de industriële arbeidersklasse. De kapitalistische klasse heeft gezorgd voor de ontwikkeling van een groot leger van loonarbeiders, dat gecentraliseerd en gedisciplineerd wordt ingezet in het belang van de kapitalisten door het maken en laten draaien van machines, fabrieken en alle andere vormen van productie en transport waaruit winst wordt voortgebracht.

De uitbuiting en het misbruik, die inherent en onvermijdelijk zijn in de kapitalistische organisatie van het economisch leven, hebben de arbeiders er telkens opnieuw toe aangezet om zich te organiseren en militante acties op te zetten om hun elementaire belangen te verdedigen. De strijd tussen deze verschillende sociale klassen is vandaag de belangrijkste drijfveer van de geschiedenis op internationaal en nationaal vlak, net zoals de conflicten tussen de krachten van de burgerij tegen prékapitalistische elementen de drijfveer van de geschiedenis vormden in de voorafgaande eeuwen.

De huidige strijd kent reeds honderd jaar een uitbreiding en komt in een beslissende fase op wereldvlak. Met uitzondering van Cuba werd de strijd tussen prokapitalistische en antikapitalistische krachten tot nu toe in landen gevoerd die zich buiten de Westerse Hemisfeer bevinden. Vroeg of laat zal deze strijd echter ook uitbreken in dit land, dat niet enkel een bastion van kapitalistische macht is, maar ook het land met een goed georganiseerde en technisch sterke arbeidersklasse.

De belangrijkste ontwikkelingen in de VS, net zoals in de loop van de wereldgeschiedenis, wijzen in de richting van zo’n conclusie. Waarom is dat geval?

2. De grote lijnen van de Amerikaanse geschiedenis en haar volgende fase

We zijn hiervoor reeds ingegaan op de koers van de mensheid bij het verlaten van het dierenrijk en we hebben reeds gewezen op de verschillende opeenvolgende stappen in dat proces. De mensheid moest zich gedurende zowat een miljoen jaar door de wreedheid worstelen, gevolgd door een wandeling door de barbarij om dan met gebogen schouders en hoofd door de ijzeren poort van de klassensamenleving te gaan. Daar kreeg de mens gedurende duizenden jaren een harde opleiding onder de heerschappij van het privaat bezit, dat begon met de slavernij en haar hoogste vorm bereikte in de kapitalistische beschaving. Vandaag staat ons tijdperk, of beter gezegd onze strijd, aan de poort van het socialisme.

Laten we nu overgaan van de historische processen van de mensheid in haar geheel naar een overzicht van een specifiek onderdeel: de Verenigde Staten van Amerika. Aangezien het VS-imperialisme vandaag de steunpilaar van het internationale kapitalistische systeem vormt, is de rol van het Amerikaanse volk cruciaal in het beslissen hoe snel en hoe goed de mensheid de grote overgang zal maken van de klassensamenleving van het verleden naar de reorganisatie en vernieuwing van de wereld langs socialistische lijnen.

Ik zal proberen kort te antwoorden op volgende vier vragen: wat was de essentie van de Amerikaanse geschiedenis? Wat is haar verband met de ontwikkeling van de rest van de mensheid? Wat waren de resultaten tot op vandaag? En waar bevinden wij ons in dat verhaal?

* * *

De Amerikaanse geschiedenis kan worden opgedeeld in twee fundamenteel verschillende periodes. De eerste hoorde toe aan de oorspronkelijke bewoners, de Indianen, de andere periode begon met de komst van blanke Europeanen op het einde van de vijftiende eeuw. Het begin van de menselijke activiteit in de Westelijke hemisfeer blijft onduidelijk. Vermoedelijk kwam het zo’n twintig tot dertig duizend jaar geleden tot stand met de vroege Aziaten uit de Steentijd die door gunstige klimatologische omstandigheden (waarbij een deel van Alaska was verbonden met Siberië) de Beringstraat overstaken en stilaan hun weg gingen doorheen Noord, Centraal en Zuid-Amerika. Latere migratiestromingen brachten de praktijk van landbouw met zich mee. Het is op deze traditie dat de Indianen hun bestaansvorm afstemden.

Wie naar de Indianen kijkt als onbelangrijk of onontwikkeld, heeft een erg beperkt historisch oordeel. De mensheid is tot haar actuele stand van zaken gekomen door vier takken van productieve activiteit. Het eerste is het verzamelen van voedsel, met inbegrip van het scharrelen naar wortels en bessen alsook het jagen en vissen. Het tweede is het aanleggen van voorraden. Het derde is landbouw. Het vierde is vakmanschap dat geleidelijk groeit tot grootschalige industrie.

De Indianen waren bijzonder goed in het jagen, vissen en andere manieren om voedsel te verzamelen. Ze waren ingenieuze vakmensen met op sommige vlakken bijzonder goed uitgewerkte technieken en mogelijkheden. De Inca’s maakten bijvoorbeeld textiel dat erg fijn was van afwerking, kleuren en ontwerpen. Ze kwamen tot meer diverse vormen van weven dan gelijk welk ander volk in de geschiedenis.

De Indianen hadden nog het meeste talent op het vlak van de ontwikkeling van landbouw. Wellicht hebben ze onafhankelijk zelfs de bodemontginning ontdekt. Ze brachten het alleszins tot een gediversifieerde perfectie. We zijn schatplichtig aan de Indianen voor de meeste groenten die vandaag worden geteeld en langs de keuken op onze tafel belanden. Zo waren er granen, aardappelen en bonen, maar op de uitgebreidere lijst vinden we ook tomaten, chili, pompelmoezen, noten, avocado’s en na het eten volgde tabak. De Indianen kenden en gebruikten 400 verschillende soorten planten. Geen enkele plant die door de Indianen werd geteeld, was bekend in Azië, Europa of Afrika voor de komst van de blanken in Amerika.

Er wordt veel gesproken over wat de blanken allemaal naar de Indianen meebrachten, maar er wordt minder ingegaan op wat de Indianen aan de Westerse blanken hebben gegeven. De invoering van voedselplanten die van de Indianen werden afgenomen, zorgden voor meer dan een verdubbeling van de voedselvoorziening van het oude continent na de vijftiende eeuw, dat werd een belangrijke factor in de expansie van de kapitalistische beschaving. Meer dan de helft van de landbouwproducten die vandaag wereldwijd worden geteeld komen van planten die destijds door de Indianen werden geteeld.

Van de eerste tot de vijftiende eeuw creëerden de Indianen indrukwekkende en zelfs opzienbarende culturen op basis van hun mogelijkheden op het vlak van landbouw. De landbouw zorgde ervoor dat sommige verspreide en rondzwervende jagersstammen gingen samenwonen in kleine maar permanente vestigingen waar ze in hun levensonderhoud voorzagen door graan, bonen en andere groenten te telen. Ze weefden katoen, maakten aardewerk en ontwikkelden verschillende ambachten.

De Inca’s in de Andes, de Maya’s in Guatemala en de Yucatán, en de Azteken in centraal Mexico hadden geen contact met de Europese beschaving en ontwikkelden onafhankelijk daarvan de meest ontwikkelde vormen van de samenlevingen van Indianen. Hun culturen omvatten het beste dat de Indianen konden bereiken in de vijfentwintig duizend jaar die ze kregen van de geschiedenis. De Maya’s maakten wiskundige en astronomische berekeningen die complexer en meer ontwikkeld waren dan deze van de Europeanen. Ze hadden onafhankelijk in hun numeriek stelsel het concept “nul” opgenomen, iets wat zelfs de Grieken en de Romeinen niet hadden bereikt.

De Indianen hadden stappen vooruit gezet tot de middelste stadia van de barbarij en daar hielden ze halt. Het blijft een open vraag of ze, in het geval er geen contact was geweest met machtigere en meer productieve volkeren, in staat zouden geweest zijn om de volledige weg naar de beschaving af te leggen. Wat wel vast staat, is dat er enorme obstakels waren om een dergelijk pad op te gaan. De Indianen hadden geen belangrijke getemde diersoorten zoals paarden, koeien, varkens, schapen of buffels. Het temmen van die dieren hadden de Aziaten en de Europeanen in de richting van de beschaving gestuwd. De Indianen hadden enkel de hond, de kalkoen of in de Andes ook lama’s, alpaca’s en soms ook bijen. Bovendien kenden ze het wiel niet, tenzij voor speelgoed. Ze wisten niet hoe ze ijzer of vuurwapens moesten maken. Ook andere voorwaarden voor de beschaving ontbraken.

De geschiedenis in het andere deel van de wereld maakte echter dat deze vraag zonder voorwerp werd. De meest ontwikkelde Indianen waren van rondzwervende jagers gegroeid naar stammen die in permanente gemeenschappen leefden. De Europeanen daarentegen, eveneens een aftakking van de Aziatische cultuur, waren niet enkel in een klassensamenleving terecht gekomen maar kenden ook een sterk ontwikkelde beschaving. Hun meest progressieve onderdelen gingen van het feodalisme over naar het kapitalisme.

Deze ongelijke ontwikkeling van de samenleving in de Oude en de Nieuwe wereld zou zorgen voor een tweede belangrijke keerpunt in de Amerikaanse geschiedenis. Wat was in essentie het belang van de ommekeer toen de West Europeanen de Atlantische Oceaan overstaken? Het betekende de overgang van het Stenen Tijdperk naar het IJzeren Tijdperk in Amerika, van een barbaarse naar een beschaafde levenswijze, van de stammenorganisatie op basis van collectieve praktijken naar een samenleving gebaseerd op privaat bezit, productie voor de uitwisseling van goederen, de familie, de staat,...

Weinig gebeurtenissen in de geschiedenis waren dramatischer en leerrijker dan de confrontatie en het conflict tussen de vertegenwoordigers van de Indianen uit het gemeenschapsleven van het Stenen Tijdperk en de gewapende vertegenwoordigers van de beschaving. In de science fiction lezen we wel eens over bezoeken van buitenaardse wezens in vliegende schotels aan de Aarde. Voor de Indianen waren de eerste bezoeken van de blanken niet minder schrikwekkend en onbegrijpbaar.

Voor de Indianen hadden deze blanke mensen totaal vreemde gewoonten, standaarden en levenswijzen. Ze waren vreemd in hun voorkomen en gedrag. De verschillen tussen de twee waren zo diepgaand dat ze niet konden worden verenigd. Wat was de oorzaak van de aanhoudende en dodelijke confrontatie tussen hen? Ze vertegenwoordigden twee niet met elkaar in overeenstemming te brengen niveaus van sociale organisatie die gebaseerd waren op totaal verschillende voorwaarden en die andere doelstellingen voorop stelden.

Zelfs op haar hoogtepunt was het leven van de Indianen gebaseerd op het collectivisme van de stammen en de ruwe technologie. De psychologie van de Indianen werd bepaald door dergelijke sociale instellingen. De Indianen hadden geen wielen, ijzer of het alfabet. Er waren ook geen instellingen, ideeën, gevoelens en doelstellingen zoals bij de beschaafde volkeren die zo ver waren geraakt door de technologie en de cultuur van een hebzuchtige samenleving. Deze voorwaarden hadden een speciale soort van menselijke wezens gecreëerd die het product waren van een samenleving die was gebaseerd op privaat bezit.

De meest ontwikkelde Indianen leefden van de landbouw. Maar hun landbouw maakte geen gebruik van dezelfde economische wijze als bij de nieuwkomers. De belangrijkste methoden om voedsel te produceren op basis van het bewerken van de grond, hoorden toe aan de volledige stam en geen enkel element in de productie of distributie kon exclusief worden geclaimd door individuele bezitters. Dat was ook het geval voor het belangrijkste productiemiddel, met name de grond zelf. Toen de Europeanen aankwamen aan het Amerikaanse strand, kon er nergens tussen de Atlantische en de Stille Oceaan iemand opstaan en zeggen: “Dit is mijn persoonlijke eigendom, of van mijn familie — alle anderen mogen dit niet betreden en moeten wegblijven.” Het land was de volledige bevolking.

Dat was wel anders voor de blanken, de uitdragers van een nieuwe en hogere samenlevingsvorm. Voor hen leek het natuurlijk en noodzakelijk, net zoals dat vandaag nog steeds het geval is voor de meeste inwoners van dit land, dat zowat alles op deze aarde persoonlijk bezit van iemand is. Kledij, huizen, oorlogswapens, gereedschap, schepen, zelfs mensen zelf kunnen gekocht en verkocht worden. Het glanzen van edele metalen was ervoor verantwoordelijk dat het privaat bezit een hoeksteen van het wereldlijk bestaan werd en zelfs de poorten naar de hemel zou openen. Columbus schreef naar koningin Isabella het volgende: “Goud is een schat en wie dit bezit, heeft al wat nodig is in deze wereld en ook de middelen om zielen te redden van het vagevuur en hen toegang te geven tot de vreugde van het paradijs.” Dat was letterlijk het geval op dat ogenblik aangezien rijke katholieken vrijbrieven konden afkopen voor hun zonden. Cortez zou aan een aantal oorspronkelijke bewoners van Mexico hebben gezegd: “Wij Spanjaarden hebben last van een hartziekte waarvoor we goud zoeken, enkel goud aangezien dat een specifieke remedie biedt.”

De doctrine van de blanke Europeanen stelde dat alles een prijs had, of het nu was om geluk in het heden te verkrijgen of redding in de toekomst. Dit idee bleef de regel voor de plutocratische heersers van onze dagen, die in hun campagnes om de wereld te domineren niet alleen individuen opkopen maar ook volledige regeringen. In hun zoektocht naar goud en winst, gingen Columbus en de conquistadores over het doden en als slaven gevangen nemen van duizenden Indianen op de eilanden die ze hadden ontdekt. En dat was slechts het begin.

Vanuit het standpunt van de wereldgeschiedenis werd dit keerpunt in Amerika gekenmerkt door de samenloop van twee revolutionaire processen. Het eerste was de overgang van de Europese samenleving van een feodale naar een burgerlijke basis. Een deel van dat proces in West-Europa omvatte een druk om als kapitalistische handelaars de operaties te verspreiden over heel de wereld. In hun zoektochten naar nieuwe markten of piratentochten kwamen de zendelingen van de opkomende burgerlijke samenlevingen in Europa aan de andere kant van de oceaan terecht waar ze op de Indianen botsten. Het vernietigen van de oude culturen van de Azteken en de Inca’s, het gevangennemen van Indianen als slaven of het uitmoorden van de oorspronkelijke bewoners door de Spaanse (en andere) veroveraars,... waren onderdelen van het offensief van deze Europese revolutie.

Door de uitbreiding van het revolutionair proces in Europa, werden de volkeren van het Stenen Tijdperk in Amerika overspoeld en overstemd door de meest ontwikkelde vertegenwoordigers van de klassenbeschaving. Dit was niet het enige continent waar een dergelijk proces plaats vond. Wat van de 15de tot de 19de eeuw gebeurde in de Nieuwe Wereld, vond eerder ook al plaats in West-Europa zelf en er werd zelfs naar de meest achtergebleven delen van de wereld getrokken aangezien het kapitalisme sindsdien over de hele wereld is verspreid.

De strijd tussen de volkeren van het Stenen Tijdperk en de vertegenwoordigers van de burgerlijke samenleving werd hevig uitgevochten. Deze oorlogen duurden zowat vier eeuwen en eindigden met de desintegratie of de vernietiging van de prehistorische culturen en met de onbetwiste suprematie van de klassensamenleving.

Met de komst van de blanke Europeanen (en ook de gekleurde Afrikanen die als slaven werden meegebracht) kwam de Amerikaanse geschiedenis op een totaal ander spoor, er kwam een nieuwe koers die werd bepaald door de behoeften van een jong en uitbreidend wereldkapitalisme.

We komen nu aan een cruciale vraag: wat was de belangrijkste lijn van de Amerikaanse groei sinds 1492? Er kunnen verschillende antwoorden worden gegeven, de groei van nationale onafhankelijkheid, de verspreiding van democratie, het zelfbewustzijn van de gewone man of de uitbreiding van de industrie. Dit soort formules wordt ons steeds aangeleerd op school en ze omvatten aspecten van het proces, evenwel zonder in te gaan op de kern van de zaak.

Het correcte antwoord op de vraag is dat, ondanks omwegen op weg, de belangrijkste lijn van de Amerikaanse geschiedenis bestond uit de opbouw en de consolidatie van de kapitalistische beschaving tot op het punt waar deze zich uiteindelijk bevindt. Iedere poging om de ontwikkeling van de Amerikaanse samenleving sinds de 16de eeuw te verklaren, zal tegen deze achtergrond moeten worden geplaatst. De ontdekking, verkenning, vestiging, ontwikkeling, uitbuiting, democratisering en industrialisering van dit continent moeten allemaal worden gezien als opeenvolgende stappen in de opbouw van een burgerlijke samenleving. Dat is de enige interpretatie van de beslissende gebeurtenissen van de afgelopen 450 jaar in het Noorden van Amerika die nut heeft en die een coherente visie biedt op onze complexe geschiedenis waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen hoofd- een bijzaken. Alles in onze nationale geschiedenis moet verbonden worden met proces van de vestiging van de kapitalistische levenswijze in haar meest uitgesproken en vandaag ook in haar meest schadelijke vorm.

Dat wordt meestal de “Amerikaanse levenswijze” genoemd. Een meer realistische en eerlijke karakterisering zou het een kapitalistische levenswijze noemen, aangezien deze levenswijze slechts een beperkte historische periode van toepassing zal zijn als een voorbijgaande uitdrukking van het beschaafde leven in Amerika.

Het centrale belang van de vorming en omvorming van de burgerlijke samenleving kan ook op een andere wijze worden aangetoond. Wat is het meest opvallende specifieke kenmerk van de Amerikaanse geschiedenis sinds de komst van de Europeanen? Er waren heel wat specifieke zaken in de geschiedenis van dit land, in zekere zin is het een erg specifiek land. Maar wat de Amerikaanse ontwikkeling scheidt van de ontwikkeling van andere belangrijke naties op deze wereld, is dat de groei en de opbouw van de Amerikaanse samenleving volledig in de periode van de uitbreiding van het wereldkapitalisme valt. Dat is de sleutel om de Amerikaanse geschiedenis te begrijpen, als het nu gaat om de koloniale geschiedenis, de geschiedenis van de negentiende eeuw of deze van de twintigste eeuw.

Dit is niet het geval in andere belangrijke landen als Engeland, Duitsland, Rusland, India, Japan of China. Deze landen gingen door langere periodes van slaven- of feodale samenlevingen die hun stempel hebben blijven doordrukken tot vandaag. Kijk maar naar dat overblijfsel van een feodale instelling in de vorm van de Japanse keizer of het ritueel van de Engelse monarchie.

Amerika daarentegen ging recht van de wildernis en de barbarij naar het kapitalisme, waarbij het op dat parkoers slechts beperkt in contact kwam met slavernij en feodalisme die slechts een beperkte rol speelden in de opbouw van het burgerlijk systeem. Op een paar eeuwen tijd haastten de Amerikanen zich doorheen stadia van sociale ontwikkelingen die elders voor de rest van de mensheid duizenden jaren in beslag namen. Er was echter een nauw verband tussen deze twee processen. Als de rest van de mensheid niet reeds zo ver was gevorderd, zouden de Amerikanen in staat zijn geweest om zo ver en zo snel vooruit te lopen. De rol van pioniers is altijd moeilijker en er is altijd meer tijd voor nodig.

De samenkomst van de antifeodale revolutie in Europa met uitroeiingsoorlogen tegen de Indianen gingen het burgerlijke tijdvak van de Amerikaanse geschiedenis vooraf. Deze periode omvatte zo’n 450 jaar. Er zijn drie onderscheiden fasen die elk werden gekenmerkt door revolutionaire veranderingen in het Amerikaanse leven.

* * *

De eerste periode is deze van het koloniale Amerika dat zich uitstrekt van 1500 tot aan de Amerikaanse Grondwet van 1788-89. Als we de sociale vormen en economische krachten van het Amerikaanse leven tijdens deze drie eeuwen bestuderen, zal deze periode van de vorming van onze beschaving gekenmerkt worden door een uitzonderlijke mengeling van prékapitalistische instellingen met de opkomende kapitalistische vormen en productiekrachten. Het collectivisme van de Indianenstammen werd omgevormd, vernietigd of teruggedrongen. Er werden overblijfsels van het feodalisme ingevoerd vanuit Europa en hier overgezet. De ranchos in het zuiden van Californië op het begin van de negentiende eeuw werden voorafgegaan door koloniale baronieën, volledige kolonies zoals Maryland of Pennsylvania waren het bezit van grootgrondbezitters die hun rechten hadden gekregen van de Engelse monarchie. Grote boeren maakten gebruik van blanke en gekleurde slaven die in heel wat regio’s de belangrijkste arbeidskrachten vormden.

Daarnaast waren er honderdduizenden kleine boeren, jagers, vakmensen, handelaars en anderen die geassocieerd werden met nieuwe vormen van bezit en economische activiteiten en die een aantal gewoontes, gevoelens en ideeën hadden die voortkwamen uit het opkomende kapitalisme in Europa dat nu ook begon te bloeien langs deze kant van de Atlantische Oceaan.

De fundamentele vraag die door deze ontwikkeling opkwam, was of het prékapitalistische dan wel de kapitalistische krachten zouden zijn die er het sterkst uitkwamen. Dat was de centrale as van sociale strijd binnen de kolonies en zelfs van de aanhoudende oorlogen tussen Europese landen voor het bezit van de Nieuwe Wereld, wat kenmerkend was voor de koloniale periode. De strijd op dit front kwam in een beslissende fase in de jaren 1763 tot 1789, de periode van voorbereiding, het uitbreken, het voeren en het beslissen van de eerste Amerikaanse revolutie. Dit was het eerste stadium van de burgerlijk-democratische revolutie op het continent.

Het kwam voort uit een vorm van oorlog tussen de heersers en aanhangers van Groot-Brittannië en de koloniale massa’s die werden geleid door vertegenwoordigers van de handelaars, bankiers, industriëlen uit het noorden en de grondbezitters van het zuidelijke slavensysteem, een aanhangsel van het opkomende inheemse kapitalisme. Het resultaat van deze strijd was bepalend voor het volgende stadium in het lot van het Amerikaanse kapitalisme. Als de dominantie van Groot-Brittannië was blijven duren, dan had dit mogelijk een verdere ontwikkeling van de burgerlijke samenleving kunnen belemmeren, net zoals het dat heeft gedaan in India en Afrika.

De eerste Amerikaanse revolutie en haar onafhankelijkheidsoorlog was een echte beweging van het volk. Zo’n bewegingen kunnen heel wat zaken die verrot zijn en klaar om begraven te worden, neer halen. Maar bovenal zijn ze sociaal creatief waardoor nieuwe instellingen ontstaan die mogelijkheden en middelen creëren voor een volgende stap voorwaarts. Dat was zeker het geval bij onze eerste nationale revolutie die sindsdien een onderdeel is geworden van het Amerikaanse en internationale collectieve bewustzijn. De tradities ervan zijn zo krachtig dat ze pijnlijk zijn voor de kapitalistische heersers van dit land in hun houding tegenover koloniale emancipatiebewegingen.

Wat waren de belangrijkste verwezenlijkingen van deze eerste fase van de Noord-Amerikaanse burgerlijk-democratische revolutie? Het maakte een einde aan het reactionaire bewind van de tienduizenden handelaars, bankiers, grondbezitters en fabrikanten uit Groot-Brittannië die, nadat ze de Amerikaanse kolonies mee vooruit hadden gestuwd, een blok aan het been waren geworden. Er kwam onafhankelijkheid voor de kolonies die werden verenigd en de weg voorbereiden op het einde van feodale instellingen en tradities onder de monarchie. Het democratiseerde de staten en er kwam een republiek. De weg werd voorbereid om de beschaving in haar oorspronkelijke kapitalistische vorm snel te verspreiden van de Atlantische Oceaan tot de Stille Oceaan.

De revolutie had internationale gevolgen. Het was een inspiratiebron voor gelijkaardige bewegingen in de Latijns-Amerikaanse kolonies in de daaropvolgende eeuw. En het had zelfs een impact op het Oude Continent. Dat blijkt onder meer uit het dagboek van gouverneur Morris, een financiële leider van de Patriottische partij die één van de eerste VS-ambassadeurs in Frankrijk werd. Hij was in Parijs om er Amerikaanse eigendommen te verkopen aan aristocraten die met uitwijzing werden bedreigd door de Franse Revolutie. Deze klanten klaagden er bij Morris over dat zijn Amerikaanse landgenoten zich beter wat hadden ingehouden zodat het Franse volk niet de moed zou hebben gehad om hun voorbeeld te volgen.

Maar zelfs de meest diepgaande revolutie kan niet meer doen dan wat de historische mogelijkheden toelaten. Er waren twee belangrijke beperkingen bij deze eerste opstand. Deze kwamen in de decennia hierna sterk tot uiting. Eén was het feit dat de revolutie de basis voor het instituut van de slavernij niet wegnam. Heel wat leiders van deze periode, zoals Thomas Jefferson, hoopten dat de slavernij zou verdwijnen omdat het economisch niet interessant was.

Een tweede beperking was dat de revolte wel leidde tot politieke onafhankelijkheid, maar het kon niet tot een volledige onafhankelijkheid van de VS in een kapitalistische betekenis leiden. Dat was op twee terreinen duidelijk: intern in de VS zelf moesten de Noordelijke kapitalisten de macht delen met de Zuidelijke slavenhouders met wie ze samen een revolutionaire onafhankelijkheidsoorlog hadden gevoerd en een nieuwe regering hadden opgezet. Daarnaast moest er op de internationale markt rekening worden gehouden met de economische onderwerping aan de meer ontwikkelde industriële en financiële structuur van de Engelsen.

De leiders van de revolutie waren zich bewust van die beperkingen. Dezelfde Morris die we reeds aanhaalden, schreef vanuit Parijs op 30 september 1791 aan president George Washington:

We zullen... grote en snelle stappen vooruit zetten op het vlak van nuttige productie. Dat is op zich voldoende om onze onafhankelijkheid te voltooien. We zullen dan als het ware een wereld op onszelf vormen, ver weg van de oorlogen in Europa. Hun revoluties zullen enkel nuttig zijn om ons dingen te leren en om ons te amuseren. Net zoals het gebrul van een stormachtige zee van op een bepaalde afstand ook een aangenaam geluid kan worden.”

Er kwam echter een historische factor tussen waardoor dit aangename vooruitzicht werd doorbroken. Deze factor was het resultaat van een dubbele revolutie in de technologie: één die plaats vond in de Engelse industrie en een andere die plaats vond in de Amerikaanse landbouw. De vestiging van fabrieken met stoommachines in de Engelse industrie, vooral in de textiel, zorgde voor een toename van de vraag naar grote voorraden katoen. De uitvinding van de katoenmachine zorgde ervoor dat de Zuidelijke plantages het aanbod zouden opdrijven om aan de vraag te voldoen.

Hierop kreeg de slavernij, dat stilaan in crisis was gekomen, een nieuwe levenslijn. Deze economische combinatie leverde de notabelen van de Zuiderse katoenrijken een enorme rijkdom en macht op. Als we de Amerikaanse geschiedenis van de eerste helft van de negentiende eeuw bestuderen, zien we dat het nationale en politieke leven werd gedomineerd en bepaald door de strijd voor de macht tussen de Zuidelijke slavenhouders enerzijds en de antislavernij elementen anderzijds. De cruciale sociale vragen werden niet altijd openlijk gesteld. Maar gelijk welk ander conflict naar deze kwestie worden teruggeleid: wat zullen de Amerikanen doen met de slavernij?

(Vandaag is er een gelijkaardige situatie in verband met het kapitalisme. Gelijk welke discussie in het sociaaleconomisch leven van dit land uitbreekt, het kan steevast teruggebracht worden tot de sociaaleconomische kernvraag: wat zullen de Amerikanen doen met het kapitalisme?)

Gedurende de eerste vijftig jaar van de negentiende eeuw hielden de katoenaristocraten ongetwijfeld de macht stevig in handen. Ze werden rap gewoon aan de macht en privileges en dachten dat deze eeuwig zouden standhouden. Rond 1850 begon de situatie snel te veranderen. Een nieuwe combinatie van sociale krachten kwam op en was sterk genoeg om niet alleen de macht van de slavenhouders te betwisten, maar ook om deze te bestrijden in een burgeroorlog waarna deze macht uiteindelijk werd gebroken.

Het is erg leerrijk om de mentaliteit en de blik van de Amerikanen in 1848 te bestuderen. Dat was een jaar van revoluties in de belangrijkste West-Europese landen. De bevolking in de VS, maar ook de machthebbers, zagen deze uitbarstingen vanuit een geïsoleerde positie.

De Europese revoluties werden door delen van de heersende klassen in de Verenigde Staten zelfs positief onthaald omdat ze voornamelijk gericht waren tegen een aantal monarchieën. Hier in de VS was er geen monarchie die moest omver geworpen worden, ook al was er nog steeds de aristocratie van de slavenhouders in het zuiden. De meeste gewone Amerikanen hadden sympathie voor de Europese revoluties. Ze zagen het als het bijbenen van de Europeanen op een vlak dat al verworven was in eigen land. De Amerikanen dachten: “Wij hebben onze revolutie al gehad en hebben geen nieuwe nodig. Het aantal revoluties dat ons door de geschiedenis is toebedeeld, hebben we volledig bereikt.”

Ze keken zelfs geen vijftien jaar verder in de eigen toekomst. De burgerlijk-democratische revolutie had nog heel wat onafgewerkte elementen. In de jaren 1850 werd het duidelijker dat de Zuidelijke slavenhouders niet enkel hun macht wilden versterken in de zuidelijke staten, maar dat ze de controle wilden verwerven over de volledige bevolking van de Verenigde Staten. Dit kleine groepje van rijken kende zichzelf het recht toe om de mensen te zeggen wat kon en wat niet kon, waar het land moest uitbreiden en hoe de zaken in Amerika wel en niet moesten gebeuren.

Er bleek dan ook nood aan een tweede revolutie om de taken van de burgerlijk-democratische die niet werden gerealiseerd op het einde van de 18de eeuw te volbrengen, en tegelijk de belangrijkste problemen van de Amerikanen sindsdien aan te pakken. Gedurende dertien jaar was er een voorbereidende strijd, gevolgd door vier en een half jaar burgeroorlog, twaalf jaar Heropbouw. Deze intense en onvermijdelijke revolutionaire opstoot duurde alles samen zo’n dertig jaar.

Het belangrijkste voor ons is het nettoresultaat van dat werk. Ieder schoolkind wordt geleerd dat de slavernij werd afgeschaft en dat de zwarte bevolking niet langer als slaven moest werken. De belangrijkste verwezenlijking van deze revolutie, vanuit het standpunt van de Amerikaanse en internationale ontwikkelingen, was het feit dat de laatste interne hinderpalen voor de consolidatie van het kapitalistische bewind werden weggenomen.

Deze periode betekende de conclusie van de aanhoudende competitie sedert 1492 tussen de prokapitalistische en de prékapitalistische krachten op het continent. Kijk maar naar wat er gebeurde met de volkeren die de diverse prékapitalistische levenswijzen vertegenwoordigden. De Indianen werden uitgeroeid, onteigend of opgesloten in reservaten. Engeland, waar er nog feodale elementen aanwezig waren en dat kolonies aan haar macht onderwierp, werd van het continent verwijderd. Het Amerikaanse industriële kapitaal verwierf niet alleen politieke macht, maar ook economische onafhankelijkheid. De zuidelijke plantagebezitters waren de laatste prékapitalistische kracht die uit de weg werd geruimd met de Burgeroorlog en de periode van Heropbouw.

De kapitalistische heersers van het industriële regime voelden zich als de Graaf van Monte Cristo die vanuit zijn gevangenis ontsnapte en die tegen de achtergrond van een grote rijkdom en een pas herwonnen vrijheid uitriep: “De wereld is van mij”. En zo hebben ze zich sindsdien ook gedragen.

* * *

Ik wil nu enkele opmerkingen maken over de economische en politieke ontwikkeling van de Amerikaanse samenleving sinds 1492 tot aan de overwinning van de kapitalistische klasse. Zoals eerder reeds gesteld, was het privaat bezit van de productiemiddelen zo goed als onbestaande op dit continent tot in de vijftiende eeuw. Hierna kwamen de blanke kolonialisten waarbij de dominante trend eruit bestond dat alle productiemiddelen in private handen terecht kwamen en ook zo werden gebruikt. De grond bijvoorbeeld werd voordien door stammen gecontroleerd, de blanken kenden de eigendomsrechten toe aan individuen of bedrijven uit heel het land.

Na de overwinning van de Noordelijke bankiers, handelaars en ondernemers in het midden van de negentiende eeuw, kwam dit proces nog op een hoger niveau terecht. De productiemiddelen in privaat bezit kwamen steeds meer geconcentreerd terecht in de handen van bedrijven. Vandaag kan een individu in staat zijn om een auto of vliegtuig te bouwen, maar zonder vele miljoenen dollars is hij niet in staat om te concurreren met General Motors of Ford. Zelfs een grote magnaat als Henry J Kaiser heeft dat ondervonden.

Vandaag is er amper nog een lapje grond over dat niet iemands bezit is. De burgeroorlog heeft dit proces versneld door de Homestead Act dat 160 acres (zo’n 70 hectare) grond aan private individuen toekende, en door andere beslissingen van het Congres waarbij miljoenen hectaren grond werden verdeeld onder spoorbedrijven. De verdeling van de grond onder kleine boeren was progressief aangezien dit de enige manier was om de ontwikkeling van de landbouw onder deze condities te versnellen.

Het is onmogelijk om gedetailleerd in te gaan op de wijze waarop de kolonialisten zich vestigden in de Midwest en het Westen, maar een aantal gevolgen van de kapitalistische expansie moeten toch worden vermeld. Ten eerste heeft deze kapitalistische expansie het bewustzijn van de gemiddelde Amerikaan sterk bepaald. In tegenstelling tot de Indianen is de instelling van privaat bezit zo sterk doorgedrongen, dat het slechts met moeite kan worden verlaten. De Europeanen trokken het Amerika van de Indianen binnen en hun afstammelingen zitten nu zelfs al in de ruimte. Een extreme, zelfs absurde, maar wel leerrijke illustratie van de effecten van de kapitalistische expansie op het Amerikaanse bewustzijn, zagen we in een krantenartikel in Illinois onder de titel: “Wie bezit de ruimte? Inwoner van Chicago beweert dat hij dit is”. Dit artikel stelde onder meer:

Met de plannen om van op de aarde eigen satellieten rond te sturen, werd de vraag onvermijdelijk [althans onvermijdelijk voor Amerikanen die heilig geloven in het privaat bezit]: wie bezit de ruimte? De meeste experts gaan ermee akkoord dat deze kwestie zich boven hun hoofden afspeelt. De wetenschappers stelden dat dit een probleem was voor de experten van het internationale recht. De advocaten stelden dat ze geen precedenten hadden om zich op te baseren. Enkel James T Mangan, een sneldenkende journalist uit Chicago, heeft een duidelijk antwoord op de vraag wie de ruimte bezit. Mangan verklaart dat hij de ruimte bezit. Om deze bewering te ondersteunen, heeft hij een akte laten registreren bij het registratiebureau van Cook County. In de akte, die werd aanvaard nadat de advocaat van de overheid de eis plechtig ondersteunde, werd gesteld dat “alle ruimte in alle richtingen van de aarde” vanaf 20 december 1948 aan Mangan toekwamen. Hij verklaarde dat het tot 20 december 1955 mogelijk was om de akte te betwisten en voegde er aan toe: “De regering heeft geen legaal recht op de ruimte zonder mijn toelating.

Dit mag dan al waanzin zijn, er zit wel een methode achter. Die methode komt voort uit de kapitalistische levenswijze. Deze gentleman, Mangan, probeerde slechts bij de buitenaardse ruimte een zelfde veroveringsdrang aan de dag te leggen als onze voorgangers die aan de basis lagen van de overname van het Amerikaanse continent. Deze specifieke fanatieke invulling van privaat bezit zou inhouden dat we in de toekomst heel ver in de ruimte zouden kunnen vliegen. Deze invulling verschilt slechts qua gedurfdheid en consistentie van andere aanhangers van de logica van het private bezit.

Het tweede punt dat ik wil maken, handelt over het onderling verband tussen evolutie en revolutie. Deze twee fasen van sociale ontwikkeling worden vaak tegenover elkaar geplaatst als tegengestelde en onverzoenbare alternatieven. Wat leert de Amerikaanse geschiedenis ons hierover? De Amerikaanse bevolking heeft al twee revolutionaire perioden gekend in haar nationale geschiedenis. Beiden vormden de basis voor een lange periode van sociale vooruitgang op basis van eerdere verwezenlijkingen.

In de periode tussen revoluties zijn er steeds kleine veranderingen die plaatsgrijpen in het leven van mensen. Ze nemen het kader van hun leven voor normaal aan en zien het als iets vaststaand en finaal. Het is moeilijk om iets anders in te beelden. Het idee van revolutionaire verandering in hun eigen leven of tijdperk wordt gezien als fantasievol of toch minstens onrelevant. Het was nochtans tijdens zo’n periodes van evolutionaire vooruitgang dat vaak amper opgemerkte opeenstapelingen van veranderingen meer drastische wijzigingen voorbereiden.

De nieuwe klassenbelangen die machtig werden, maar niet volledig ontwikkelden, de sociale en politieke conflicten die optraden maar niet werden opgelost, de veranderingen in de belangrijkste sociale krachten leidden tot storingen tot het een acuut stadium bereikte. De mensen in dit land waren niet roekeloos. Ze probeerden alles uit om tot een redelijk compromis te komen tussen de tegengestelde krachten en vaak kwamen ze ook tot akkoorden. Maar na een tijdje werden deze bestanden onefficiënt en van erg korte duur. Het conflict tussen de verschillende sociale krachten was niet te stoppen en brak effectief uit op een hoger niveau tot een breekpunt werd bereikt.

Kijk maar naar de Amerikaanse kolonisten van 1763. Zij waren — aan de zijde van moeder Engeland — opgekomen uit een succesvolle oorlog tegen de Fransen en de Indianen. Ze hadden niet verwacht dat ze tien jaar later de strijd zouden aangaan met de Engelsen om hun eigen vrijheid af te dwingen. Bovendien kregen ze daarbij steun van Frankrijk. Dat zou in 1763 als fantasie zijn afgedaan. En toch gebeurde het minder dan een decennium later. Dr. Benjamin Rush, één van de ondertekenaars van de Onafhankelijkheidsverklaring, stelde in zijn autobiografie:

Op 1000 mensen was er in 1774 niet één die opkwam voor of wenste dat er onafhankelijkheid zou komen. Van de weinige voorstanders had niemand de immense invloed van de onafhankelijkheidsstrijd voorzien op het nationale en individuele karakter van de Amerikanen.

Voor de meerderheid van de Noordelijke Amerikanen, die profiteerden van de economische groei van 1851-1857 (de grootste economische groei in de negentiende eeuw voor de Burgeroorlog), was het absoluut niet duidelijk dat als gevolg van de processen in eigen land (die versterkt werden door de welvaart), het land zou opgesplitst worden rond de slavenkwestie. Dat gebeurde nochtans vier jaar na de depressie van 1857. In de plaats daarvan dachten ze: was er geen compromis met de slavenhouders in 1850 en kunnen er geen nieuwe compromissen volgen? Er waren inderdaad pogingen om tot een compromis te komen en dat tot aan het begin van de Burgeroorlog en zelfs erna.

De voorstanders van afschaffing van de slavernij, de abolitionisten, en de Zuidelijke extreme slavenhouders anderzijds voorzagen elk vanuit hun standpunt een ander verloop van de ontwikkelingen en probeerden zich voor te bereiden op de komende revolutie. Maar deze radicale stemmen stonden nog niet sterk.

Deze cruciale episodes in de Amerikaanse geschiedenis tonen aan dat onder de voorwaarden van een klassensamenleving perioden van graduele sociale evolutie een voorbereiding vormen op de revolutionaire oplossing van de opeengestapelde en onopgeloste problemen van volkeren en naties. Deze revolutionaire opkuis creëert op haar beurt de voorwaarden voor een nieuwer en hoger stadium van evolutionaire vooruitgang. Deze afwisseling wordt bijzonder scherp aangetoond in de Amerikaanse geschiedenis van de achttiende en negentiende eeuw.

Het is belangrijk om als derde punt over de gevolgen van de kapitalistische ontwikkeling in de Verenigde Staten op te merken dat onze nationale revoluties direct verbonden waren met de omstandigheden in eigen land. Er was geen sprake van het importeren van standpunten door “buitenlandse agitatoren”, ook al speelden sommige van die agitatoren (zoals Tom Paine) een belangrijke rol. De revoluties kwamen voort uit het rijpen van conflicten tussen interne sociale krachten. Maar dat was slechts één kant van de medaille. De strijd in eigen land waren verbonden en werden bepaald door economische en sociale ontwikkelingen op wereldvlak.

We hebben al eerder gewezen op de rol van overzeese migratie waardoor het gezicht van Amerika zou veranderen en op het feit dat die migratie mee veroorzaakt werd door de antifeodale burgerlijke revoluties die Europa veranderden. De verovering van ons continent was verbonden met deze revoluties. De eerste Amerikaanse revolutie vond plaats tijdens een periode van handelskapitalisme, het eerste stadium van de ontwikkeling van een wereldkapitalisme. Historisch gezien maakt het deel uit van een reeks van burgerlijk-democratische revoluties die de kapitalistische klasse internationaal aan de macht zouden brengen. De eerste Amerikaanse revolutie kan gezien worden als een kind van de Engelse burgerlijke revolutie van het midden van de zeventiende eeuw. Tegelijk is het een soort van ouder van de Franse burgerlijk-democratische revolutie van het einde van de achttiende eeuw.

De handel in deze periode, niet alleen de Amerikaanse maar ook de wereldhandel, leidde tot het ontstaan van een machtige handelsklasse in het Noorden, waarbij deze werd ondersteund door maritieme arbeiders en ambachtslieden in de kuststeden en vrije boeren op het platteland. Zij vormden de stoottroepen van de “Sons of Liberty”. Het is geen toeval dat de bruisende havenstad Boston — waar veel rijke handelaars die van het Britse juk af wilden, robuuste arbeiders in de haven, scheepspersoneel,... woonden — vooraan stond in de strijd tegen de Britten en dat de revolutionaire oorlog zelf uitbrak na een Britse poging om Boston klein te krijgen.

De Tweede Amerikaanse revolutie vond plaats op een ogenblik dat het industriële kapitalisme een sterke groei kende langs beide kanten van de Atlantische Oceaan. De periode van 1848 tot 1871 werden gekenmerkt door oorlogen en revoluties. Deze conflicten leidden niet tot een desintegratie van het wereldkapitalisme, zoals dit vandaag het geval is, maar zorgden ze voor een onbetwiste macht van de kapitalistische klasse in Amerika en een aantal Europese landen.

Het tweede stadium van de burgerlijk-democratische revolutie in de Verenigde Staten, de Burgeroorlog, zorgde ervoor dat de Noordelijke industriëlen in het zadel werden gelicht. Dat was een belangrijke revolutionaire gebeurtenis voor de periode van 1848 tot 1871, een periode die begon met de mislukte Franse en Duitse revoluties van 1848 en eindigde met de Frans-Pruissische oorlog en de Commune van Parijs in 1871. De belangrijkste gebeurtenis in deze periode van de wereldgeschiedenis was de overwinning van de Amerikaanse kapitalisten in dit land, dit zou de basis vormen voor hun opmars naar de wereldmacht.

* * *

Met deze lessen in het achterhoofd, kunnen we nu eens een blik werpen op de opkomst van de Amerikaanse samenleving na het einde van de burgeroorlog tot vandaag. De kapitalisten konden de vruchten plukken van twee succesvolle revoluties. Voor hen was revolutie in Amerika iets van het verleden, de VS zouden nu vooruitgaan met kleine stapjes. Er is inderdaad een belangrijke evolutie van de kapitalistische samenleving geweest bovenop de fundamenten van de verwezenlijkingen van vroegere revoluties. Maar in de dialectiek van onze nationale ontwikkeling heeft de uitzonderlijke expansie van de kapitalistische productiekrachten de elementen voorbereid voor een andere revolutie met een beslissende confrontatie tussen klassenkrachten.

Sinds 1878 waren er twee belangrijke trends in dit land. Het belangrijkste was de groeiende concentratie van economische, politieke en culturele macht in de handen van de monopolisten. Ze werden af en toe uitgedaagd, maar nooit ten val gebracht. Ze zijn open over hun machtsuitoefening. Zoals de heer Wilson van het grootste monopolie en van het departement van defensie stelde: “Wat goed is voor General Motors, is goed voor het land”.

Dit is een echo van een eerdere verklaring van de absolute monarch Lodewijk XIV die stelde: “L’état, c’est moi” (De staat, dat ben ik). Het oude regime in Frankrijk werd begraven in 1789. Alles op deze wereld — en dat geldt in het bijzonder voor de politieke regimes en sociale systemen onder de klassensamenleving — bevat haar eigen tegengestelden, haar eigen fatale oppositie. Dat is zeker het geval voor de macht van het kapitalisme dat zich volledig baseert op de productieve en politieke capaciteiten van de loonarbeid.

De ironie is dat naarmate de rijkdom van de kapitalisten toeneemt, de sociale positie van de uitgebuite arbeiders die aan de basis van deze rijkdom liggen eveneens sterker wordt. De Verenigde Staten hebben samen met de opkomst van het monopoliekapitalisme ook de opkomst gezien van een sterker georganiseerde, gecentraliseerde en verenigde arbeidersbeweging. Van zodra de kapitalisten en loonarbeiders bestonden, waren er spanningen, conflicten, stakingen, lock-outs, tussen delen van deze twee klassen. Deze komen voort uit de natuur zelf van hun onderlinge relatie die gebaseerd is op een tegenstelling.

Deze conflicten zijn tot nu toe voor het grootste deel niet voorbij de grenzen van de politieke en economische structuren die werden vastgelegd door de Burgeroorlog gegaan. De conflicten werden afgezwakt, onderworpen aan compromissen,... Ondanks al die verstoringen, hebben de monopolistische heersers zich ingegraven in hun posities en hebben ze zich verder versterkt. Een dichtere kijk op de ontwikkelingen geeft echter aan dat de arbeidersklasse een steeds meer invloedrijke, maar noch steeds onderworpen, plaats in het nationaal leven inneemt.

De vraag die zich met vernieuwde krachten opwerpt, is dan ook: zal deze situatie van impasse voor de klassenstrijd — met de arbeiders in een tweederangspositie — oneindig blijven duren? De kapitalisten antwoorden natuurlijk dat dit inderdaad kan en zelfs moet blijven duren. Ze doen er verder alles aan om het voortbestaan van het status quo te behouden, van hetgeen op school wordt aangeleerd tot antivakbondswetten. De vakbondsleiding gaat grotendeels mee met deze algemene ontwikkeling.

Noch de kapitalistische woordvoerders, noch de leiders van de AFL-CIO (vakbondsfederatie) kunnen zich baseren op gelijk welk precedent in de Amerikaanse geschiedenis om hun verwachting van een oneindig behoud van het status quo te rechtvaardigen. Dat is één les van ons nationale verleden dat door de “lange kijk” van het socialisme wordt benadrukt. Gedurende vele jaren schoten de Amerikaanse kolonisten, ondanks occasionele oprispingen, goed op met het moederland en werd deze band zelfs gekoesterd. Deze verhouding werd snel en erg radicaal omgekeerd. Hetzelfde zagen we bij de lange periode van vreedzaam samenleven van de Noordelijke vrijstaten en de Zuidelijke slavernij. Gedurende zestig jaar speelden de Noorderlingen de tweede viool na de slavenaristocraten uit het zuiden. De meerderheid dacht zelfs dat deze situatie eeuwig zou blijven duren. De slavenhouders, net als de kapitalisten vandaag, stelden dat hun “Amerikaanse way of life” de kers op de beschavingstaart vormde. Maar een nieuwe combinatie van progressieve krachten moest zichzelf laten gelden, de groeiende tegenstellingen kwamen tot uiting in een burgeroorlog waarbij de oude orde werd omver geworpen. Politieke bondgenoten van vandaag blijken morgen onverzoenbare krachten te zijn.

De verdedigers van het status quo in dit land vinden vandaag geen argumenten in de belangrijkste ontwikkelingen van de wereldgeschiedenis in onze tijd. In 1848, op een ogenblik dat de kapitalistische klassen langs beide kanten van de Atlantische Oceaan een einde maakten aan monarchieën en feodale aristocratieën, kwamen de communistische pioniers naar buiten met hun ideeën en begonnen ze een beweging van wetenschappelijk socialisme op te bouwen die een gids zou worden in de emancipatiestrijd van de arbeidersklasse. In 1917, negenenzestig jaar later, werd de eerste arbeidersstaat opgezet in de Sovjet-Unie. Er volgde geen enkele nieuwe arbeidersstaat gedurende bijna drie decennia.

En dan was er de Tweede Wereldoorlog, waarna het domein van het collectief bezit in Oost-Europa werd uitgebreid, en de Chinese revolutie waarbij het kapitalisme werd omvergeworpen in een belangrijke macht van het oosten.

Dat alles vormt een beeld van de kolossale stappen vooruit in de wereldgeschiedenis. De essentie van het nieuwe stadium is dat de beweging voor de vooruitgang van het kapitalisme, dat de wereldgeschiedenis van de zestiende tot de negentiende eeuw heeft gedomineerd, in de twintigste eeuw werd opgevolgd door een antikapitalistische beweging van de socialistische arbeidersklasse en haar koloniale bondgenoten.

De huidige kapitalistische heersers proberen natuurlijk om de verworvenheden en opvattingen van deze revolutionaire beweging van de arbeiders en de neokoloniale volkeren voor te stellen als beperkt tot andere delen van de wereld terwijl ze hier worden neergeslagen. De machthebbers proberen ten allen prijze om hun invloed te behouden. Ze doen dit net als de Britse heersers of de Zuidelijke slavenhouders die elk in hun periode alle middelen gebruikten om de opkomende revolutionaire krachten tegen te houden. De agenten van de Amerikaanse plutocratie doen vandaag exact hetzelfde. Zullen de monopolisten slagen waar hun voorgangers hebben gefaald? Laat ons even op die vraag ingaan.

Het hoogtepunt van een revolutionaire proces bestaat uit de overgang van de opperste macht van de ene klasse naar de andere. Wat zijn de dominante machtsverhoudingen in de Verenigde Staten? Alle belangrijke beslissingen over het buitenlands en binnenlands beleid worden gemaakt door het milieu van topkapitalisten die hun belangen en doelstellingen voorop stellen. De arbeiders kunnen hier en daar een beslissing of een beleid wat bijsturen, maar de invloed hiervan is bijzonder beperkt tegenover de politieke macht van de monopolisten.

Er is echter een opmerkelijke tegenstelling in deze krachtsverhouding. De verenigde vakbeweging heeft zeventien miljoen leden. Met hun families, aanhangers en vrienden, kan deze beweging voldoende stemmen verzamelen om politieke vertegenwoordigers van de georganiseerde arbeidersbeweging een meerderheid te bieden in de steden, deelstaten en in Washington. Dit betekent dat de kapitalisten hun heerschappij eigenlijk enkel door het falen van de arbeidersbeweging kunnen verderzetten. Het gaat om een aanhoudend falen van de arbeidersbeweging om een onafhankelijke politieke koers te varen op het vlak van acties en organisaties. Correcter gesteld ligt het probleem vooral bij de actuele leiders van de arbeidersbeweging. Zij slagen er niet in om de enorme kracht van hun beweging te gebruiken en de potentiële macht effectief te benutten.

De georganiseerde arbeidersbeweging heeft potentieel voldoende politieke sterkte, naast haar economische en sociale mogelijkheden, om de leidinggevende kracht van dit land te worden. Dat is waarom iedere stap in de richting van een onafhankelijke arbeiderspartij op basis van de vakbonden verregaande gevolgen zou hebben tegenover de actuele situatie, los van de bedoelingen of het programma van de organisatoren van deze partij. Elke stap in een dergelijke richting zou een machtsverschuiving betekenen waarbij de beslissingsmacht van de kapitalisten in de VS zou worden betwist, net zoals de opkomst van de Republikeinse Partij in Washington in 1860 een teken was van de machtsverschuiving van de slavenhouders naar de Noordelijke industriëlen.

De Republikeinse leiders van 1861 hadden geen revolutionaire bedoelingen. Ze leidden een reformistische partij. Ze wilden de macht van de slavenhouders beperken. Maar om dat te bereiken, werd de gevestigde machtsbalans tussen de klassen verstoord. De slavenhouders erkenden dat hun suprematie werd bedreigd en ze waren zich daar veel bewuster van dan dat de Noordelijke Republikeinse leiders beseften wat hun impact was. Dat is waarom de slavenhouders een contrarevolutionaire aanval inzetten in een poging om hun vroegere macht te behouden.

De vergelijking met iedere poging van de arbeidersbeweging om in een land de politieke macht in te nemen, zelfs op een reformistische wijze, is duidelijk. Is een dergelijke overgang van de macht mogelijk? Een opeenvolging van veranderingen in de machtsverhoudingen heeft de opkomst van de Verenigde Staten gekenmerkt: van het Britse kolonialisme tot en de handelaars en plantagehouders van de 18de eeuw tot de industriëlen van de 19de eeuw. Vandaag gaan we in de richting van een nieuwe belangrijke verandering in de machtsverhoudingen, van de heersende plutocratie naar de opkomende arbeidersklasse en haar bondgenoten bij de onderdrukte minderheden.

Het hele verloop van de economische, sociale en politieke ontwikkelingen in dit land en in deze eeuw wijzen in die richting. Natuurlijk is de positie van de arbeidersklasse nog verre van dominant, en ze is zich nog minder bewust van haar historische rol. Maar vanuit een lange kijk op de geschiedenis, is het belangrijk om te wijzen op de verschillende groeiritmes in het economisch, sociaal en politiek potentieel van de verschillende tegengestelde krachten in de samenleving. Als we terugkijken naar de geschiedenis van dit land van 1876 tot 1957 zien we dat de balans overhelt naar de macht van de arbeidersbeweging, ondanks alle complicaties die er zijn. Niets was in staat de opkomst van de arbeidersbeweging te stoppen, niet de imperialistische oorlog, noch het McCartyisme,...

De belangrijkste verdienste van het wetenschappelijk socialisme is dat het ons toelaat om aan dit proces deel te nemen op basis van een begrip ervan, waarbij we proberen om het te beïnvloeden in iedere fase van het proces door er richting aan te geven en het proces te versnellen zodat de grootse doelstellingen zo economisch en efficiënt mogelijk kunnen worden bereikt. Die taak kan op een georganiseerde wijze worden vervuld met een revolutionaire leiding en een marxistische partij die in staat is om haar broodnodige vormende en organiserende functies in het proces te begrijpen.

* * *

Laat ons nu eens terugkeren naar Vincent Sheean die de frase “de lange kijk op de geschiedenis” populariseerde en met wie we deze tekst hebben aangevat. Jammer genoeg heeft die schrijver slechts een heel korte tijd vastgehouden aan de lange kijk. Hij werd geënthousiasmeerd door de revolutionaire gebeurtenissen van de jaren 1920, onderging de veranderingen van het radicalisme van de jaren 1930 en werd zo een aanhanger van een socialistische omvorming van de samenleving en van de anti-imperialistische zaak. Hij werd zelfs een sympathisant van het leninisme. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog was er echter een stap achteruit op het vlak van het politieke bewustzijn en van gebeurtenissen. Sheean sloot zich aan bij de intellectuelen die de aftocht bliezen. Hij gleed af van de socialistische wetenschap van Marx en Lenin naar het mysticisme van Mahatma Ghandi. We kunnen hem beter laten dromen over de mogelijkheden van het passief verzet tegen het kwade, zolang hij maar niemand anders aansteekt en probeert achteruit te trekken.

Toen de eerste wezens een ruggengraat kregen, was dat een beslissende stap in het proces van de evolutie. Er waren doorheen de geschiedenis meermaals stappen achteruit, dat zagen we zeker in belangrijke strijdbewegingen van onze generatie. Heel wat mensen werden afgeschrikt door de immense taken die voor de arbeidersbeweging staan of werden na nederlagen zodanig gedemoraliseerd of verloren het zicht op de richting van de sociale evolutie. Dat zagen we de afgelopen jaren in kringen van arbeiders en intellectuelen bij heel wat meer mensen dan Vincent Sheean.

Deze “verloren generatie” heeft de belangrijkste les van zowel de wereldgeschiedenis als de Amerikaanse geschiedenis vergeten, voor zover het deze ooit heeft begrepen. Die les is immers dat de krachten die de vooruitgang van de mensheid bewerkstelligen de meest omvangrijke obstakels hebben overwonnen en uiteindelijk toch aan het langste eind hebben getrokken. Anders zouden wij niet in staat zijn om over de geschiedenis te praten of om een bijdrage te leveren in het volgende hoofdstuk van die geschiedenis.

Onze dierlijke voorlopers gingen vooruit van de vis tot de aap, onze menselijke voorlopers gingen van de aap tot de Republikeinse president Eisenhower van de Verenigde Staten en de conservatieve voorzitter Meany van de vakbondsfederatie AFL-CIO. Langs deze weg maakte de mens een einde aan de heerschappij van tal van heersende klassen die, net als de monopolisten vandaag, dachten dat hun heerschappij nooit zou eindigen. Is het rationeel om te denken dat het soort figuren als Meany de ultieme vertegenwoordigers zijn van de Amerikaanse arbeidersklasse en dat het reactionair beleid nog decennia lang zal standhouden?

Het Amerikaanse volk zal op de voorgrond komen in de toekomst, net zoals ze dit op cruciale ogenblikken in het verleden heeft gedaan. Er zullen meer vooruitziende mannen en vrouwen opstaan die een beeld hebben van de nieuwe wereld die nodig is. Deze strijdbare leiders en leidende strijders zullen, gewapend met de “lange kijk” van het marxisme, in de praktijk bewijzen dat het socialistisch vooruitzicht van de mensheid, en van de Amerikaanse natie, niet zo ver af staat als het vandaag misschien kan lijken.