Anton Pannekoek

Twee natuuronderzoekers in maatschappelijk-geestelijke strijd

J.P. LOTSY. De wereldbeschouwing van een natuuronderzoeker 1917

DR. PH. KOHNSTAMM. Determinisme en natuurwetenschap, 1909, en Warmteleer, 1915


Geschreven: 1917
Bron: Brochure 1/Herdrukken 1/3 Groep Radenkommunisme, Beverwijk 1980. Uit De Nieuwe Tijd, sociaaldemocratisch maandschrift, jg. 22, nr. 6, juni 1917, pp. 300-314 (1+11) en nr. 7, juli 1917, pp. 375-392 (III-V).
Vertaling: geen
Deze versie: Enkele taal aanpassingen. De voetnoten die niet van Pannekoek zijn, zijn niet behouden
Transcriptie: Adrien Verlee
HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, september 2005


I. Natuurwetenschap en maatschappij

Er was een tijd — het midden van de 19e eeuw, of ruimer nog, de tijd van opkomst van de moderne bourgeoisie — dat de natuuronderzoekers, de geleerden, vooraan stonden in de geestelijke strijd.[0] Wegbereiders, aanvoerders, waren van de nieuwe klasse, woordvoerders van de nieuwe leuzen en idealen van vooruitgang. Die tijd is lang voorbij. Slechts bij uitzondering komt het tegenwoordig nog voor dat natuuronderzoekers buiten de kring van bun speciale studie treden. En wanneer een enkele het doet, valt des te scherper in het oog, hoe geheel anders de betekenis en de rol van de natuurgeleerdheid in de maatschappij geworden is. De beide geleerden, die hierboven aangehaald worden, en hun standpunt, als men het met een enkel woord zou willen karakteriseren, als het illusionaire en het reactionaire zouden zijn te duiden, vertegenwoordigen ieder een ander type van de moderne, in maatschappelijke vraagstukken optredende natuuronderzoeker.

Met deze kwalificaties wordt natuurlijk geen oordeel uitgesproken. De bedoeling is niet te willen honen of jammeren over deze ‘ontaarding’ of achteruitgang, en de vroegere natuuronderzoekers als een beter, forser ras te prijzen dan de tegenwoordige. Het is eenvoudig een verschil in maatschappelijke betekenis, door veranderingen in de maatschappelijke toestanden zelf veroorzaakt.

De 18e eeuw, de opkomst van het kapitalisme, hief de bourgeoisie omhoog, de klasse van de geldbezittende ondernemers die de dragers waren van de nieuwe maatschappelijke ontwikkeling en de belangrijkste rol speelden als leiders van de nieuwe productie. Hun behoeften, wensen en inzichten moesten de doorslag geven in wetgeving en algemeen beheer. Daarom moesten zij zich meester maken van de staatsmacht. Daartoe was eerst nodig geestelijke voorbereiding, om deze nieuwe denkbeelden en idealen tot een krachtige wereldbeschouwing te formeren, in staat om haar aanhangers eenheid van denken te geven, ze tot een gesloten, zeker, doelbewust optreden te brengen. En dan geestelijke strijd, propaganda om de massa, waar het op aankwam, voor hun nieuwe denkbeelden te winnen. In deze nieuwe wereldbeschouwing moest vooral de natuurwetenschap een eerste plaats innemen. Om twee redenen. Ten eerste omdat de opbloei van de natuurkennis de grondslag was van de reusachtige ontwikkeling van de techniek, waar de nieuwe productie op berustte die wetenschap, die de mensheid tot meester, tot beheerser van de natuur maakte wekte eerbied en bewondering, en in de rusteloze energie waarmee zij voortschreed lag de belofte van onbegrensde ontwikkeling en omhoogstijging. Groots en krachtig stond dit nieuwe wereldinzicht door haar stevige zekerheid tegenover de primitieve bekrompenheid van de overgeleverde geloofsleer. Op alle belangrijke levensvragen gaf het nieuwe, andere antwoorden. Sprak de oude geloofsleer van een schepping in zes dagen, willekeurig naar een goddelijke macht: de wetenschap leerde een voorgeschiedenis van miljoenen jaren en een natuurverloop naar wetten die geen uitzondering toelieten. Liet de oude wereldbeschouwing plaats voor willekeurig bestier van boven: de natuurwetenschap zag alles door deze vaste wetten en oorzaken bepaald, gedetermineerd. Sprak de godsdienst van wonderen, de natuurkundige verklaarde zulk een doorbreking van het dwingende ‘moeten’ van de natuurwet voor onmogelijk. Wees de godsdienst op het hiernamaals, de wetenschap wees op de vooruitgang naar steeds hoger kennis en cultuur hier op aarde. Zo kwam een geestelijke—theoretische tegenstelling tussen de nieuwe klassen, die zich de ‘ontwikkelden’ noemden, en de dragers van de oude traditie. Een tegenstelling die tegelijk een maatschappelijke klassentegenstelling was. En hier trad nu een tweede reden op: de bourgeoisie moest de heerschappij veroveren door strijd tegen de heersers van vroeger. De oude heerschappij, die haar economische noodzakelijkheid had verloren, steunde op de traditie. En de machtigste traditie, waaruit elke andere traditie haar kracht zoog, was de godsdienstige.

De bourgeoisie moest daarom in haar strijd tegen adel, koningschap en priesterheerschappij steunen op gezond verstand tegenover overgeleverd geloof, op de rede tegenover de traditie, op de natuurwetenschap tegenover de religieuze dogma’s. Haar autoriteiten en woordvoerders waren de geleerden, de natuuronderzoekers. De natuurwetenschap werd een van haar belangrijkste geestelijke wapenen in de klassenstrijd die haar tot macht heeft gebracht.

Natuurlijk ging dit niet overal ineens en volgens het zelfde schema. Deze algemene lijn treedt in tal van wisselende verschijningsvormen min of meer helder te voorschijn. Niet ineens heeft de bourgeoisie haar macht gewonnen, niet in één gesloten doctrine haar levensbeschouwing uitgedrukt. Bij stappen nu eens hier, dan daar voortschrijdend, in de gestadige stroom van de ontwikkeling, die in elk land en elke tijd weer wat anders verloopt, groeide zij, nu eens in felle revolutie losbarstend, dan in stille economische ontwikkeling haar kracht verzamelend, nu eens met de reactie, dan weer met de arbeiders samengaand. En zo groeit ook haar nieuwe wereldbeschouwing op. Hier stil, als het ware bedeesd de weg peilend en voorzichtig omvormend, daar in felle afbrekende kritiek de oude leer aanvallend. Waar de bourgeoisie zonder veel strijd tot macht komt en samengroeit met de oude heersende klassen (bv. in Engeland in de 19e eeuw) treden de nieuwe denkbeelden niet in a1 te scherp—polemische gedaante op. Allerlei vormen van gematigd—vrijzinnige geloofsleer met nieuwe natuurwetenschap vermengt treden in plaats van de orthodoxie. Waar echter een felle strijd nodig is, waar kleine burgers en arbeiders onder haar vaan ten strijde geroepen worden, worden die denkbeelden radicaal en agressief, en gaan tot de uiterste grens van materialisme en felle bestrijding van alle godsdienst.

Het materialisme en het strenge determinisme konden echter niet de normale levensbeschouwing van de bourgeoisie zijn. Met haar maatschappelijke beperktheid — oprichting van een nieuwe klassenheerschappij in plaats van de oude — hangt theoretisch een geestelijke beperktheid samen. Reeds in het begin van de burgerlijke periode is deze filosofisch het zuiverst door Kant tot uitdrukking gebracht.

In de natuur heerst de natuurwet, het moeten. Daar is elke willekeur, elk persoonlijk ingrijpen van een hogere macht uitgesloten. Hier is een godsgeloof overbodig en onhoudbaar. Maar in het zedelijke bewustzijn van de mensen, d.w.z. hun verhouding tot andere mensen, in hun maatschappelijke verhoudingen, toont de mens zich als deel van een hogere wereld, de wereld van God, vrijheid en onsterfelijkheid. De burgerlijke wereld heeft de natuur tot het gebied van de wetenschap gemaakt, — want hier lag haar grootheid, haar grenzeloos groeiende macht — maar een wetenschap van de maatschappij lag buiten haar bereik — haar eigen beperktheid en ondergang kon zij niet zien. Daarom kon zij niet de gehele wereld in volle klaarheid, zonder sluier van illusie of geloof, voor zich zien. Daarom bleef een godsdienstig geloof (zij het ook een min of meer vaag ethisch geloof) tot de normale gemiddelde levensbeschouwing van de bourgeoisie behoren. En waar in tijden van scherpe strijd een materialistische denkwijze optrad, moest dit natuurwetenschappelijke materialisme aan dezelfde beperktheid lijden: de illusie alle grote levensvragen door de natuurwetenschappen te willen oplossen.

Deze strijd heeft zonder twijfel een belangrijke vernieuwende en verruimende rol gespeeld in de geestelijke ontwikkeling van de mensheid, op dezelfde wijze als de economisch—politieke strijd van de bourgeoisie de maatschappij en de politiek enorm voortgestuwd hebben. Maar slechts tot bepaalde hoogten. Van twee zijden, op twee geheel verschillende wijzen kwam reactie en kritiek.

Het eerst van de theoretische woordvoerders van het opkomende proletariaat. Als vertegenwoordigers van een klasse die radicaal alle ketenen verbreekt en werkelijke vrijheid brengt, die de bourgeoisie slechts in naam en in schijn huldigt, konden zij ook in de theorie radicaal zijn. Als dragers en scheppers van de wetenschap van de maatschappij verhieven Marx en Engels zich verre boven de beperktheid van het burgerlijk denken. Natuurwetenschap en maatschappijkennis samen vormen de nieuwe proletarische wereldbeschouwing die nergens meer plaats voor mystiek overlaat. Op hun maatschappijleer, die de maatschappelijke oorsprong van de gedachten en ideeën van de mensen onthult, steunend, liet Dietzgen in zijn theorie van het menselijk denken zien hoeveel mystiek nog in de grondslagen van de natuurwetenschap verborgen zit. De natuurwetten en de causaliteit die de liberale natuuronderzoekers als even zulke absolute grondwaarheden vooropstellen als de liberale staathuishoudkundigen en politici de vrijheid en het recht, bleken nu wel praktisch noodzakelijke, maar tegelijk beperkte en theoretisch onbegrepen begrippen te zijn. Onbewust van hun oorsprong en wezen zien de natuurkundigen ze als zelfstandig bestaande wezens of machten aan. Zo wordt hun gehele wereldbeschouwing, die van causaliteit en natuurwet uit gaat, tenslotte even beperkt mystiek als de oude: in plaats van één God die alles regeert, komen talloze geheimzinnige demonen, krachten, die alles bewerken. In plaats van aan één wil, moet de natuur gehoorzamen aan natuurwetten, die voor schrijven wat mag en wat niet mag. Dietzgen heeft aan deze mystiek een einde gemaakt door aan te wijzen hoe alle geheimzinnigheid in de wereld, in de natuurwetten en het wezen der dingen eenvoudig onbekendheid is met de natuur, de werkmethode, het wezen van het instrument, waarmee de mens de wereld theoretisch aanvat, het menselijk denkvermogen. Het is een bewijs voor de diepe grondigheid, die helder marxistisch inzicht aan de geest verleent, dat Dietzgen, zelf leek en amateur op wetenschappelijk gebied, de grondslagen van de natuurwetenschap tot volkomen helderheid wist te brengen, lang voordat moderne natuuronderzoekers dezelfde wegen — met meer detailkennis maar minder breed — algemeen insloegen. De bekendste onder hen, Ernst Mach heeft indertijd zelf met verrassing geconstateerd hoe veel van wat hij nieuw ontwikkeld had, door Dietzgen al een kwart eeuw vroeger ontdekt was.

In zijn eerste geschriften kritiseerde Dietzgen vooral de kortzichtigheid van de toen zo luidruchtig zegepralende materialisten, als Büchner e.d. Maar reeds in zijn latere geschriften moest hij zich veel sterker met de bekrompenheid van een nieuwe generatie natuurgeleerden bezighouden, die ‘achteruit’ bliezen, die de grenzen van de kennis, de onoplosbare wereldraadsels proclameerden en de mystiek weer tot ere brachten. Deze stroming was de tweede praktische reactie tegen, en theoretische kritiek, op de deterministisch—materialistische natuurleer van de 19e eeuw.

Zodra de bourgeoisie haar eerste doel, de verovering van de macht, bereikt had en praktisch de grens van haar ontwikkeling voelde in de opkomst van het proletariaat, zodra zij bemerkte dat geen onbegrensde toekomst van ontwikkeling voor haar lag, en dat de maatschappij vreemde nieuwe onbegrepen gevaarlijke krachten in zich droeg, werd zij reactionair. En deze reactionaire stroming sloeg gaandeweg op allerlei gebieden van geestelijk leven over. Een soort van katterigheid kwam in plaats van de hemelbestormende overwinnigsroes van vroeger. Natuurlijk nam de wetenschap zelf haar loop, in steeds voortschrijdende ophoping van detailonderzoek steeds nieuwe horizonten openend, tot steeds nieuwer, ruimer, dieper kennis van de natuur doordringend. Maar als enkele geleerden van hun werk opziend, de vraag naar algemene samenhang, maar doel en grondslagen stelden, dan ontbrak die optimistische zekerheid dat de wetenschappelijke waarheid de mensen naar nieuwe betere gewesten voorlichtte. Dan kwam de twijfel aan de betekenis van het verworvene: hoe weinig wist men te verklaren, wat bleef in elke verklaring het onbegrepene reusachtig, was het niet illusie wanneer men meende te begrijpen door te verklaren uit wat even onbegrijpelijk was?

Men zag nu wel dat veel van wat men vroeger maar uit algemeen principe gegeneraliseerd had, geen andere wetenschappelijke grond had dan alleen die algemene opvatting dat alle leven uit fysische en chemische krachten voortkwam. Dat alle hogere leven door enkel natuurkrachten uit primitieve oerwezens ontstaan was dat, alle fysisch—chemische, dus alle levensverschijnselen, dus tenslotte alle mensenleven, denken en voelen tot een mechanica van de atomen terug te brengen waren — dat alles voldeed niet meer. Geheimzinnige levenskrachten traden weer op. Direct ingrijpen van een hogere geestelijke macht werd zelfs door gelovige natuuronderzoekers aangenomen.

Natuurlijk betekent dit niet een complete frontverandering. Slechts hier en daar vertonen zich deze tendensen, gaandeweg sterker wordend en het hoofd zelfbewuster opstekend. Evenals in de politieke en maatschappelijke praktijk de oude vooruitstrevende of liberale traditie nog lang stand houdt en langzaam, haast onmerkbaar, haar gronddenkbeelden wijzigt, terwijl enkelingen in naïef blindstaren de oude formules vol toewijding verdedigen en de massa onverschillig zich afwendt — evenzo gaat het ook op geestelijk terrein. De massa van de natuuronderzoekers bemoeit zich niet met het politiek—maatschappelijk leven — dat met zijn grof—harde belangenstrijd en zijn platte demagogie ook weinig aantrekkelijks biedt. Enkele ethisch—humane naturen scharen zich bij de hervormingsgezinden, meer door gevoel en hart, dan door scherp kritisch verstand en kennis van maatschappelijke werkelijkheid geleid. Anderen tasten met een zekere durf de oude tradities aan en worden tot woordvoerders van de christelijk getinte reactionair—politieke stromingen. En zij hebben in zoverre succes als de richting van de praktische politiek steeds meer naar de kant van de reactie gaat.

In Nederland is de klassenstrijd van de bourgeoisie in zijn liberale opgang en zijn reactionaire daling vooral als schoolstrijd gevoerd. De openbare school was het strijdmiddel van de liberale bourgeoisie om haar levensbeschouwing in de breedste kringen te doen door dringen. De tegenstand van de kleinburgerlijk—christelijke groepen, de eigenlijke schoolstrijd, heeft tot resultaat gehad dat de bourgeoisie steeds meer haar eigen oude idealen in de steek liet. Het is hier niet nodig deze politieke ontwikkeling in detail te beschrijven. Dit is reeds vaak geschied. Wij vermelden haar hier slechts omdat de laatste fase in dit proces, het gehele opgeven van de openbare school in de grondwetsherziening van 1917, een kampioen van de oude liberale ideologie op het been heeft gebracht. Want de volledige titel van Dr. Lotsy’s werk luidt: De wereldbeschouwing van een natuuronderzoeker, in verband met de voorgestelde wijziging van art. 192 der Grondwet. Het is dus onmiddellijk een uitvloeiselvan deze laatste stap van de Nederlandse bourgeoisie op de weg van de politieke reactie.

II. De wereldbeschouwing van Lotsy

Het boek van Lotsy is inderdaad een merkwaardig cultuurdocument, inzoverre het ons toont uit welk een zonderlinge mengelmoes van degelijke wetenschap, oppervlakkig dilettantisme en politieke tinnegieterij de wereldbeschouwing van een ernstig modern natuuronderzoeker is samengesteld. Het geheel begint, groots opgezet, met de kosmos, het melkwegstelsel en komt terecht, klein—Hollands, bij artikel 192 van de grondwet. In die tussentijd zijn wij bij het ontstaan van de aardbol, het ontstaan van het leven, het ontstaan van de sporten, het ontstaan van de psyche, het ontstaan van de godsdienst, bij vrijhandel, zedelijke opvoeding, politiek, socialisme en bij de wereldoorlog geweest. Zolang de schrijver op het terrein van natuurwetenschap blijft, is hij ernstig te nemen. Ook al bemerkt men daar waar hij niet op zijn eigen speciaal terrein is, teveel de bonte haastigheid van nieuw opgedoken theorieën—van—de—dag en te weinig de rustige bezonkenheid van een klaar harmonisch wereldbeeld. Zelfs waar hij op zijn eigen terrein komt, de evolutieleer, voelt men dit gemis aan breedheid. Het is wel de speciaal—subjectieve theorie en beschouwingswijze van Lotsy, in plaats van een algemeen—objectieve wereldbeschouwing van een modern natuuronderzoeker, die ons hier tegemoet treedt. Wij vermelden hier slechts, zonder er op in te gaan, dat tegenover Darwin en Lamarck (die nieuwe soorten laten ontstaan uit opeenhoping van kleine variaties, die voortdurend bij elke soort rondom een gemiddeld type plaats vinden) en Hugo de Vries (die ze laat ontstaan, doordat nu en dan bij een soort grote sprongvariaties optreden) Lotsy de mening verdedigt dat elke soort constant is en nieuwe soorten slechts door kruising, dus door vermenging van eigenschappen van twee verschillende soorten ontstaan. Hij neemt daarom aan dat alle leven niet van één oervorm af stamt, maar oorspronkelijk op allerlei plaatsen en wijzen levende stof (als bijzonder ingewikkelde chemische molecuul combinaties) ontstaan is. Zo is de steeds rijkere rijkdom van levende wezens uit vermenging van deze ontelbare oorspronkelijke vormen ontstaan, zonder dat men een mystieke variabiliteit behoeft aan te nemen die ‘het leven’ van ongeorganiseerde stof onderscheidt. Lotsy wil niets weten van het streven van zovele modernen, speciale mystieke levenskrachten in de levensleer in te voeren. Hij is in alle opzichten de natuuronderzoeker van de oude stempel, vijandig tegen alle theologie in zijn ontkenning van de variabiliteit ziet men de samenhang tussen de door hem opgestelde evolutietheorie en deze algemene wereldbeschouwing.

Hoe meer hij echter komt op het gebied van de zogenaamde geestelijke wetenschappen, des te zwakker en dilettant wordt zijn betoog. Waar hij over het verband tussen psychische verschijnselen en hersenbouw spreekt, staat hij nog op de vaste bodem van het natuuronderzoek van anatomen en neurologen. Hier op de rand van het natuurwetenschappelijk te ontginnen terrein ziet men breed denkende natuuronderzoekers (zoals Hertwig) dikwijls een mooi stuk in het onbekende geestesgebied doordringen. Maar dan zakt die natuuronderzoekers—trots ineens in elkaar:

“Hoewel men dus op natuurwetenschappelijke gronden het bestaan van een ziel, afgescheiden van het lichaam, niet kan ontkennen, is er toch niets dat haar bestaan bewijst en moet de bewijslast van dit bestaan dus gelegd worden op hen, die voor zodanig bestaan pleiten” (blz. 102).

Dat mag nog eens heten: zijn tegenstander verpletteren!

“Zolang wij hieromtrent niets weten, staan wij zwakker dan wenselijk is tegenover hen die zo gaarne van het bankroet van de wetenschap spreken, en geeft ons gebrek aan kennis op dit gebied althans een schijn van recht aan de wederopleving van de mystieke richting, die wij bijwonen” (blz. 103).

De schrijver denkt hier alleen aan een leemte in de natuurwetenschap in de volgende passages, te lang om hier geheel te citeren, laat hij zijn tegenstander, de mysticus aanvoeren: de mens handelt veel meer volgens gevoel dan volgens verstand. Het onderbewustzijn neemt de grootste plaats in. En de intuïtie oordeelt vaak juister dan de rede. Daar stelt hij dan tegenover: zeker, wij kunnen bewustzijn en onderbewustzijn nog niet verklaren, evenmin als de wilde loop van de sterren, maar eenmaal zullen wij zover komen. “Intuïtief handelen is, evenals speculeren, kansspel. Redelijk handelen, zowel als arbeid geeft, voorzover deze überhaupt bereikbaar is, zekerheid”. Alles wat nog niet verklaard is, is mystiek. Maar in de mens leeft nu eenmaal een drang, alles te willen verklaren, en daarom neemt hij ook voor het mystieke een oorzaak aan die hij God noemt.

“Daarmede ontdoet hij zich van het hem onaangename gevoel iets niet te begrijpen. Hij voert daartoe, liever dan dit volmondig te erkennen, een schijn—begrijpen in, dat hij spoedig vergeet zelf opgesteld te hebben en dan en dan beschouwd als geopenbaarde waarheid” (blz. 104).

Hier hebben wij vrij zuiver de beschouwingswijze van de geestelijke verschijnselen die typisch was voor de generatie van de natuuronderzoekers voor 50 jaren. Tegelijk voert dit citaat ons midden in de kwestie, dr waar hun zwakheid vanzelf in het oog springt. Men heeft wel eens gezegd dat zij de wereld te intellectualistisch opvatten; beter zou pen kunnen zeggen, dat zij alle mensen teveel als zichzelf, als natuuronderzoekers beschouwden, die het om theoretische waarheid te doen is. De primitieve natuurmens ziet de wereld om zich heen vol van geesten, van onzichtbare wezens, die zich met zijn werk, helpend of schadend, bemoeien. Het zijn voor een deel de schimmen van vroegere stamgenoten, want deze ziet hij in zijn slaap voor zijn ogen verschijnen. Men stelle zich nu voor dat deze wilden liever ‘volmondig moeten erkennen’ dat ze de ware oorzaken niet begrijpen en hun ‘verklaringen’ maar een ‘schijn—begrijpen’ zijn! Aan zulk een voorbeeld ziet men onmiddellijk het begriploos naïeve van deze opvatting. De levensbeschouwing van de wilde groeit uit zijn gehele natuur, zijn leven, zijn werken, zijn praktijk op. Niet als onderzoekend natuurvorser, die voor alles een oorzaak weten wil, maar als denkend mens, die uit de omringende wereld door arbeid zijn levensonderhoud moet zoeken, staat hij binnen en tegenover de natuur. En dan dit zonderlinge verwijt zich met schijn—begrijpen tevreden te stellen, om het onaangename gevoel van niet—begrijpen kwijt te raken — van de zijde van de 19e eeuwse natuuronderzoekers, die door ‘wetten’ en ‘krachten’ verklaren, zonder te bemerken dat zij door invoering van die mystieke gebieders en kobolden eigenlijk niets doen dan hun niet—begrijpen te bemantelen. Kracht, zei eens terecht een fysicus, noemen wij de oorzaak van een beweging waarvan wij de oorzaak niet weten. Er is trouwens al eens op gewezen, zeer sterk bv. door G. Simmelt, dat het modern—natuurkundige oorzaak begrip en het ouderwetse godsbegrip eigenlijk van nature hetzelfde zijn, d.w.z. alleen in graad, niet in wezen verschillen. Hij bedoelde dat er in beide dezelfde geheimzinnigheid zit. Wij zeggen dat beide op gelijke wijze abstracte generaliseringen van de ervaring zijn. En wij mogen zelfs beweren dat in die zin de oude primitieve theologische generalisaties voor hun tijd en omgeving en omvang van kennis even juist en goed en geoorloofd en redelijk waren als de moderne natuurkundige generalisaties voor onze tijd.

Wat voor de wilden geldt, geldt echter haast even sterk voor de moderne mensen. Mag een klein troepje mensen als speciaal vak het theoretisch onderzoek van de natuur beoefenen, de massa staat als praktische mensen te midden van een wereld waarin ze in de eerste plaats moeten zorgen dat zij kunnen leven. Zij leven en zoeken hun levensonderhoud als maatschappelijke wezens, als deel van de mensenmaatschappij. Hun verhouding tot hun werk, dus tot hun medemensen, bepaalt hun gehele wereldbeschouwing. En daar staan zij tegenover invloeden en machten van wier bestaan en wezen een natuuronderzoeker niet het flauwste vermoeden heeft. Maatschappelijke krachten die over hun wel en wee beslissen, maar die zij niet kennen, niet leiden, niet begrijpen, niet beheersen. Is het mogelijk of denkbaar dat zij daar, naar de wens van Lotsy, ‘volmondig erkennen’ dat zij ze niet begrijpen, in plaats van tot schijnverklaringen hun toevlucht te nemen? Sterker nog: er komt zelfs geen “onaangenaam gevoel van iets niet te begrijpen” bij hen op, zij ‘begrijpen’ het. Zij weten van ouds, en vinden dat door hun ervaring bevestigd, dat een hogere macht de wereld regeert, die beschikt waar de mens wikt. En er zijn talloze ‘onbegrepen’ factoren in hun leven die hun handelen bepalen, zonder dat het bij hen opkomt ze te willen begrijpen, om de eenvoudige reden dat ze meestal niet klaar bewust worden en in het onderbewustzijn blijven. De reusachtig sterke drijfveren die uit de economische verhoudingen, uit de klassenverhoudingen ontspringen, blijven meestal als diepe instincten in het onderbewustzijn hangen. Zij bepalen wel zeer sterk, haast volkomen, het maatschappelijk en politieke handelen, maar dringen zelden tot het klare zelfbewustzijn door. Vandaar dat de mensen, in hun maatschappelijke, d.i. politieke en religieuze strijd meestal als blinde massa’s voorthollen. En tch heeft hun handelen daarbij een diepe redelijkheid, een onvermijdelijke natuurlijkheid. Wat Lotsy over intuïtief en verstandelijk handelen zegt, mag abstract juist zijn, maar blijkt geheel buiten de menselijke werkelijkheid te staan. Want de mensen kunnen niet anders dan intuitief handelen, omdat zij de maatschappij nog niet kunnen begrijpen — dit leert hun eerst het socialisme. Maar door dit intuïtief handelen, al bereikt niet ieder zijn oogmerken, gaat de maatschappij als geheel in een vaste ontwikkelingsbaan die de wetenschap van de maatschappij kent en voorziet.

Het is zeker nauwelijks nodig er hier nog even nadrukkelijk op te wijzen dat hetzelfde inzicht, dat in deze leer van het onderbewustzijn, de nieuwigheid van de moderne psychologie, uitgesproken wordt, feitelijk al in het marxisme voorhanden was toen het tegenover het intellectualisme van de natuurgeleerden de stelling plaatste dat de mens in de eerste plaats een praktisch—maatschappelijk wezen is en als zodanig in zijn handelen door hem onbekende maatschappelijke krachten beheerst wordt. Deze leer, die tegenwoordig meestal met reactionaire strekking uitgespeeld wordt: dat intuïtie vóór verstand gaat — en waartegen Lotsy zich daarom met alle macht teweer stelt — is als wetenschap van de feitelijke werkelijkheid, in volkomen harmonie met de revolutionair—materialistische leer van het marxisme. En wanneer Lotsy, omdat hij daarmee natuurlijk niet bekend is, alleen een vrome hoop uitspreekt, eenmaal zullen bewustzijn en onbewustzijn onderwerp van wetenschap worden, dan kunnen wij daarop antwoorden: ze zijn het reeds. Hun brede details beoefent de moderne psychologie, hun diepste bepalende krachten onthult de maatschappijleer.

Het is Lotsy er om te doen strijd te voeren tegen die moderne richting, die hij in de politiek als veld winnen van de christelijke staatskunde en op zijn eigen gebied, de natuurwetenschap, als toename van mystiek opmerkt. Zijn boek dient om “te waarschuwen tegen een mystieke wind die weer eens door de wetenschap waait”. Maar daar de werkelijke oorsprong van deze mystieke richting op maatschappelijk terrein ligt, dus geheel buiten zijn gezichtskring, timmert hij zich een eigen verklaring in elkaar die bij zijn standpunt past. Mystiek is voor hem “een uiting van ongeduld”, omdat het weten zo langzaam opschiet, en de tegenstelling tussen gevoelsmensen en verstandsmensen zou niet tot strijd behoeven te leiden, en godsdienst en wetenschap zouden vreedzaam naast elkaar leven als niet in elk mens een ‘missiegevoel’ was geschapen dat tot onverdraagzaamheid, godsdienststrijd, godsdienstoorlogen, kruistochten, ketterverbranding, schoolstrijd en herziening van art. 192 heeft geleid. Men mag zich verbazen dat een man, die op zijn eigen terrein zo kritisch weet te zijn en zo te velde trekt tegen schijnverklaringen, het ongeloofelijk oppervlakkige van zijn eigen schijnverklaringen niet doorziet, en niet liever ‘volmondig erkent’ dat hij van de tegenwoordige en vroegere mensheid niets begrijpt. Hij is hier zelf een duidelijke illustratie van het bovenvermelde feit, dat een niet—begrijpen niet bewust wordt en alleen positieve kennis in staat is het tevoren ontbreken van goed inzicht te tonen. Wij hebben in onze inleiding al het een en ander over de oorzaken van deze moderne reactionaire stroming gezegd. Hier is er nog iets aan toe te voegen in aansluiting aan wat Lotsy over godsdienst en maatschappij zegt.

De verstandsmensen, meent hij, die aan de rede grote waarde toekennen — zonder het godsbestaan absoluut te ontkennen — en de gelovige gevoelsmensen zouden best in vrede naast elkaar kunnen leven. Maar de laatsten, de mystici, zijn altijd onverdraagzaam, agressief, terwijl de natuuronderzoekers defensief zijn (aldus Lotsy, in werkelijkheid was het in het midden van de 19e eeuw juist omgekeerd: alweer een maatschappelijk verschijnsel). Daarom is een neutrale school de beste, die met het kind niet over geloofsverschillen spreekt, maar het vrijlaat, later zelf te kiezen.

“Geen geloofsverloochening, slechts enige zelfverloochening wordt van de gelovige die zijn kind naar de neutrale school zendt, geëist, in zoverre namelijk dat hij afziet van de — toch niet faire — kans om zijn kind, in een ontwikkelingsperiode waarin het ten ene male buiten staat is de betekenis van geloofsleren te beseffen, zijn geloofsvorm op te dringen”. (blz. 147).

Het oude, honderdmaal herhaalde, liberale argument. Als men nu ziet dat dit blijkbaar niet de geringste indruk op de tegenstanders maakt, zou men dan niet eindelijk beseffen dat het argument absoluut kant noch wal raakt en ondanks zijn schijnbare abstracte onweerlegbaarheid geheel buiten de kwestie staat, waar het om gaat? De kern van de fout vindt men reeds in wat Lotsy over de godsdienst schrijft. Hij beschouwt daar twee zijden van de godsdienst: de geloofsleer en de ritus, en wijst er terecht op dat de tweede voor de oude godsdiensten veel belangrijker is dan de eerste. Maar hij vergeet de derde zijde, die nog veel belangrijker is. De maatschappelijke. Godsdienst is abstract als geloofsleer, is reeds wat reëler als ritus, maar is eerst geheel reëel als godsdienstige gemeenschap, als groep van bijeen horende mensen. De plaats ontbreekt hier op de betekenis en historische ontwikkeling van deze groepen in te gaan. Hoe zij eerst samenvallen met de stamgemeenschap, later met sociale groepen, en als organisaties in de klassenstrijd een grote rol spelen. De meeste godsdiensttwisten en oorlogen zijn zulke klassenstrijden, soms vermengd met strijd van volken en staten. Het wezenlijke van de godsdienst in moderne tijden, niet in de zin van subjectieve waardeschatting maar van maatschappelijke werkelijkheid, is de kerk, de uit vroegere eeuwen overgeleverde organisatievorm. Al verloor deze ook haar betekenis voor een klasse die een andere betere klassenorganisatie vond (als bv. de bourgeoisie in de staat), zij behield ze in des te sterker mate voor de klassen, die in de staat geen organisatie van hun belangen zagen, zoals kleine burgerij en boeren. In de periode van neergang van deze klassen onder het opkomende kapitalisme van de 19e eeuw werd tegenover de liberale ‘ongodsdienstige’ staat de kerk hun organisatie, eerst van verzameling, toen van strijd. Elke organisatie, in het bijzonder elke strijdorganisatie, moet trachten zichzelf te versterken door leden te werven en vast met elkaar te verbinden, en tegelijk de andere vijandige organisatie te verzwakken. In deze strijd, uiterlijk tussen kerk en staat, innerlijk het verweer van de kleinburgerlijke klassen tegen de bourgeoisie, speelde de schoolstrijd een belangrijke rol.

Het is nu duidelijk waarom het liberale argument, dat op de neutrale school niets tegen de godsdienst geleerd werd, langs het wezen van de zaak heengaat, en waarom de Christenen deze school toch als een aanslag op hun geloof beschouwden. De neutrale school was voor het liberalisme een middel, de krachtige afzonderlijkheid van de aparte kerkelijke organisaties te breken, de gehele bevolking tot gelijkgezinde staatsburgers te maken, dus de staat tot enige allesbeheersende organisatie van de volksmassa. Daartegenover stichtte het kleinburgerlijke, boerse, door een deel der aristocratie ondersteunde christelijke volksdeel de christelijke scholen, om hun opgroeiende kinderen van jongs af aan vast in hun organisatie in te lijven en te houden, om niet het kit, dat hun kerkelijke organisatie aaneenbond, zachtjes aan los te laten gaan. En hun politieke strijd moest er opgericht zijn, dat de neutrale verplichte staatsschool niet meer als enig erkende school zou gelden.

Dat zij dit doel, dat in het begin tegen de reële ontwikkeling van de maatschappij gericht scheen, thans bereikt hebben vindt zijn reden in de richting, die in de laatste dertig jaren de ontwikkeling van maatschappij en bourgeoisie genomen hebben. Toen de rechtse partijen nu en dan meester werden over de regering bleek dat ze niet antikapitalistisch konden regeren, maar alleen reactionair—kapitalistisch. Tegenover de opkomende arbeidersbeweging, terwijl het nieuwe liberalisme haar met vooruitstrevendheid trachtte krachteloos te maken, ging een groot deel van de bourgeoisie naar rechts over — rechts en links werden beiden economisch vrijwel gelijksoortig samengestelde partij allegaartjes. Populair is deze overgang vaak zo uitgedrukt dat de bourgeoisie tegenover het rebels wordende proletariaat een beetje godsdienst het beste bedwelmingsmiddel ging vinden. Wat onvolledig is, omdat in de bourgeoisie zelf en het intellect mystiek en geloof steeds meer veld wonnen, dus hun innerlijke overtuiging tegenover de godsdienst geheel anders was geworden.

Toch konden de liberalen hun oude neutrale staatsschool nog niet geheel opgeven. Daartoe was het nodig dat het imperialisme de politiek ging beheersen, door het machtig geweld van de wereldoorlog ineens tot almachtige factor gemaakt. Op het eerste gezicht mag het schijnen dat dit juist een tegengesteld effect zou moeten hebben: nu juist in een diepe vaste eenheid van het gehele volk is een sterk nationalisme nodig, en daarvoor zou toch een voor allen gemeenschappelijke, dus neutrale school het beste zijn. Lotsy speelt ook even op het imperialistische klavier. Door in zijn voorwoord er op te wijzen dat dit neutrale niet specifiek christelijke onderwijs “onze verhouding tot de talrijke onderdanen van onze koningin, die een andere godsdienst dan de christelijke belijden, onze bruine broeders en zusters in het Verre Oosten ten goede zou komen”. Maar het instinctief gevoel van de bourgeoisie heeft een oplossing in tegengestelde richting gezocht. Het is in de wereldoorlog gebleken dat alle kerken en alle partijen even trouwe dienaars van het imperialisme zijn, de christelijke vooral niet het minst. De verdeeldheid van staat en volk in elkaar bestrijdende en zich van elkaar afzonderende organisaties is gebleken geen verzwakking, maar eerder een versterking van de nationale kracht te zijn. Juist door hun onderlinge strijd tegen de staat zijn ze innerlijk hecht geworden (zie bv. ook de Duitse sociaaldemocratische partij) en konden zij, op het ogenblik dat zij voor het imperialisme op moesten treden, een veel grotere goed gedresseerde volgzame massa meebrengen, dan wanneer de staat hun organisaties had vernietigd en met de onberekenbare neigingen van onbepaalde stromingen van individuen had te maken gehad. Dus de schijnbare verdeeldheid van de natie in kerken en partijen is geen kwaad, vergeleken met de winst dat ze zich alle op eigen gelegenheid door staatssteun innerlijk kunnen versterken.

Onder de liberalen zijn er natuurlijk heel wat die deze ontwikkeling, die al hun oude leuzen ondersteboven keert, niet kunnen volgen. Voorzover zij er tegen zijn, dat de neutrale school in handen van de kerkelijken gespeeld wordt, zullen hun eisen en argumenten dikwijls overeenstemmen met die van de revolutionaire socialisten. Lotsy is dan ook reeds met lof in De Tribune aangehaald. Er bestaat natuurlijk een groot verschil. Zij willen de consequenties van het imperialisme niet, omdat zij het oude behouden willen. Zij zijn, maatschappelijk gesproken, de ouderwetse achtergeblevenen, ofschoon meestal als personen, vaster, beginseltrouwer, sympathieker dan de woordvoerders van het nieuwste wereldroofkapitalisme. De socialisten bestrijden deze zelfde consequenties om over het imperialisme heen tot hogere ontwikkeling te komen, waartoe vooreerst verheldering, propaganda, organisatie van het proletariaat nodig is. Zij zullen dus, ondanks hun strijd, zodra de nieuwe regeling een feit is geworden, zich op de bodem daarvan plaatsen en van daaruit de strijd verder voeren. Klagen de oude liberalen verwijtend, dat het een misdaad is, de jeugd te betrekken in een strijd over vraagstukken waarvan zij niets begrijpt: wij stellen daartegenover dat altijd in de strijd van de organisaties en hun levensbeschouwingen de kinderen betrokken zijn, omdat deze strijd over dingen gaat die het gehele leven diep raken.

Het boek van Dr. Lotsy is wél een beeld van de wereldbeschouwing van een natuuronderzoeker, maar dan van een van de oude stempel. Wat de mannen van de natuurwetenschap uit het midden van de 19e eeuw kenmerkte, degelijke geleerdheid op eigen terrein, absoluut gemis aan klare wetenschap op het terrein ven de geestelijke verschijnselen, strijdvaardigheid tegen de kerk, en tegelijk voorzichtige aarzeling omtrent religieuze kwesties, sterke geestdrift voor de oudburgerlijke idealen — dat vindt men ook hier. In de politiek, waarin zij toen een vaste weg voor zich zagen, is hij natuurlijk veel hulpelozer. Op zijn meningen en voorstellen over politiek, parlementarisme, staatserfrecht, socialisme, kapitaal en arbeid in te gaan, loont hier natuurlijk de moeite niet. Als ouderwets natuuronderzoeker strijdt hij tegen de reactionair-mystieke stroming op geestelijk-intellectueel gebied. Als een der weinige overgeblevene apostelen van de oude idealen laat hij zijn waarschuwende stem horen tegen wat hem een onbegrijpelijk verkwanselen van de openbare school voorkomt. Mag een dergelijke figuur in zijn optreden in vele opzichten sympathiek zijn, hij staat toch buiten de werkelijkheid, en zijn strijd tegen deze werkelijkheid, zonder ze te begrijpen, is hopeloos.

III. De warmteleer

Wij hebben reeds opgemerkt dat de maatschappelijke ontwikkeling sinds het midden van de 19e eeuw, de opkomst van het proletariaat als strijdende klasse, de teruggang van het oude liberalisme, de concentratie van het kapitaal tot een soort nieuw feodalisme, en eindelijk de groei van het imperialisme met zijn hernieuwing van de absolutistisch—militaristische tendensen alle, tezamen geleid hebben tot een reactie op geestelijk en intellectueel gebied. Wetenschappelijk trad dit verschijnsel op als reactie tegen de natuurwetenschappelijk-materialistische wereldbeschouwing als uiterste consequentie van het door de natuurwetenschap bepaalde anti-religieuze denken. In tal van theorieën en uitingen van geleerden uit de 2e helft van de 19e eeuw treedt deze geestesrichting te voorschijn. Het eerst en het sterkst op het gebied van de biologie, de levensleer, en de daarmee verwante afstammingsleer. Hier waren de natuurkundige verklaringen van leven en levensvormen pas zo helemaal in hun begin dat het niet moeilijk viel hun onvolkomenheid aan te wijzen en te zeggen dat alle pogingen om het leven en de ontwikkeling van de levende wezens ‘mechanisch’ (bedoeld werd: uit fysische en chemische wetten) te verklaren, mislukt waren. Zodat men het zonder geheimzinnige, boven of buitennatuurlijke inwerkingen niet stellen kon. Eerst gaandeweg, nadat deze beschouwingswijze vaste voet gewonnen had, werd zij uitgebreid tot gebieden waar tot nog toe (sinds Kant) het strenge moeten had geheerst.

In de geschriften van Kohnstamm zien wij nu een poging, hetzelfde voor de fysica te doen. Daar zijn denkbeelden, in populaire werken en voordrachten verbreid, in de laatste tijd veel aandacht trekken [1] is het nodig hun grondslagen te onderzoeken en te zien in hoeverre zij al of niet houdbaar zijn. Daartoe is echter nodig de hoofdzaken van dat belangrijke deel van de fysica in het kort weer te geven waarop zijn beschouwingen steunen, en dat hij zelf in zijn werkje Warmteleer gepopulariseerd heeft.

De grondwet van de 19e eeuwse natuurkunde, de wet tot behoud van arbeidsvermogen, leert dat geen arbeidsvermogen of energie kan vernietigd worden, maar alleen van de ene vorm in de andere kan overgaan. Aantrekkingsenergie wordt bewegingsenergie (bij een vallend lichaam), bewegingsenergie wordt warmte (wrijving), warmte wordt bewegingsenergie (in een stoommachine), chemische energie wordt elektrische (in een galvanisch element), die weer tot warmte of mechanische energie wordt, warmte wordt aantrekkingsenergie (omhoog stijgende waterdamp) enz. Alle natuurverschijnselen, in hun veelvuldige rijke eindeloze wisseling, zijn niets dan een onbegrensde reeks van gedaantewisselingen van de energie.

Uit de studie van de stoommachines werd echter nog een tweede hoofdwet gevonden, die, op de wijze als ze door Clausius een halve eeuw geleden geformuleerd werd, niet minder belangrijk is dan de vorige. De wisselingen van de energie gaan niet in alle richtingen voortdurend heen en terug. Ze gaan in één bepaalde richting. Mechanische en andere energie kan vanzelf, zonder dat er iets verder verandert, in warmte overgaan. En warmte kan vanzelf, zonder dat er iets verder verandert, van een warmer lichaam naar een kouder overgaan. Maar niet omgekeerd. Vanzelf kan warmte niet uit een koudere naar een warmere toestand overgaan. Wel kan warmte in mechanische energie omgezet, dus het tegennatuurlijke proces, verwezenlijkt worden (in de stoommachine), maar alleen doordat tegelijk als compensatie een andere hoeveelheid warmte van warme staat naar koude staat overgaat. Daarom is een stoommachine een oneconomisch instrument. Van de opgewekte warmte uit kolen wordt op zijn best 15% als mechanische kracht bruikbaar, terwijl de rest ongebruikt in het condensorwater wegvloeit. De natuurkundigen drukken deze wet uit als wet van de entropie: bij alle verandering in de wereld kan de entropie alleen maar groter, en nooit kleiner worden. Entropie zou men kunnen noemen de warmtehoeveelheid, maar gemeten naar haar graad van definitiefheid, als dat woord veroorloofd is: een warmtehoeveelheid is meer definitief en telt voor een groter bedrag mee in de entropie, naarmate zij in een kouder lichaam zit. Ontstaat warmte uit bewegingsenergie, dan neemt deze entropie toe. Gaat een warmtehoeveelheid uit een warmer naar een kouder lichaam, dan neemt de entropie weer toe. Gaat omgekeerd warmte in bewegingsenergie over, dus zou de entropie afnemen, dan kan dat alleen als tegelijk zoveel warmte uit een warmere naar een koudere staat overgaat, dat de entropie in haar geheel ten minste precies gelijk blijft.

Deze wet zegt dus dat alle werkingen in de natuur tezamen genomen in één bepaalde richting, die van toenemende entropie, moeten lopen. De hele wereld heeft dus een ontwikkeling in een bepaalde richting. Wij wisten dit als ervaringsfeit voor de gewone levensprocessen al lang. Elk levend wezen groeit uit een kiem als jong wezen op, wordt oud en sterft, terwijl zijn nakomelingen volgen. De 19e eeuw heeft de ontwikkelingsleer tot allesbeheersende grondslag van elk gebied van menselijke ervaring gemaakt: de kosmos, de aardbol, de levende wereld op aarde, de menselijke maatschappij, het menselijk denken zelf. Overal kennen wij de voortschrijdende ontwikkeling in één richting. Gaan wij nu tot steeds eenvoudiger verschijnselen, bestanddelen, stoffen en krachten terug, van maatschappij tot individu, van levensverschijnselen tot chemische en fysische verschijnselen, dan vinden wij als grondslag van deze algemene ontwikkeling de wet van Clausius, die dit alles tot een fysische wet samenvat en in één eenvoudige wiskundige formule uitdrukt.

Hoe laat zich echter zulk een wet verklaren? Of juister uitgedrukt, kunnen wij deze ontwikkelingswet tot eenvoudiger, meer voor de hand liggende en begrijpelijke verschijnselen terugbrengen? Hier deed zich nu een eigenaardige moeilijkheid voor. De natuurkundige brengt het gehele samenstel van de wereld terug tot deeltjes die zich bewegen en tegelijk allerlei krachten op elkaar uitoefenen — dit is de zogenaamde ‘mechanische’ wereldbeschouwing. En met deze mechanische wereldbeschouwing scheen nu de ontwikkelingsleer volkomen in strijd te zijn. Alle mechanische inwerkingen van de deeltjes op elkaar — zover er niet door wrijving warmte bij ontstaat — hetzij zij voortlopen [‘los’ bewegen — MIA], of elkaar aantrekken of afstoten, of tegen elkaar botsen, kunnen evengoed in tegengestelde richting lopen. Kon men alle bewegingen van de deeltjes op zeker ogenblik door een toverslag omkeren, dan zou er eigenlijk in wezen niets veranderd zijn. Maar dan zouden ze allen precies de weg teruglopen die ze gegaan zijn. En al wat vroeger met hen gebeurd is, zou in omgekeerde volgorde terugkomen. De wereld zou dus net zo goed in tegenovergestelde richting veranderen als ze nu doet en zij zou er precies hetzelfde om zijn.

Maar dit wordt nu juist door de wet van Clausius en de ontwikkelingsleer ontkend. Het is onmogelijk en ondenkbaar dat de wereld in tegengestelde richting kan veranderen, dus dat alles in de wereld terug zou lopen. Het is onmogelijk en ondenkbaar dat uit rook, vlammen en vuur het stuk hout terugkomt, dat uit een lijk een levend mens, uit een oude man een kind ontstaat. Er is een bepaalde richting van ontwikkeling. Dan is dus een mechanische natuurverklaring onmogelijk. Want het is onmogelijk de wet van de entropie te verklaren uit deeltjes die tijdens hun beweging enkel mechanische krachten op elkaar uitoefenen.

Zo scheen het. En toch is het aan de Duitse natuurkundige Boltzmann gelukt deze schijnbaar tegenstrijdige dingen te verzoenen en de ontwikkelingsleer, de wet van de entropie, in de mechanische wereldbeschouwing op te nemen. Daartoe moest hij het meest eenvoudige geval nemen dat zich liet denken. Gelukte het daarbij, de ontwikkeling in één richting te krijgen uit deeltjes die enkel mechanische krachten op elkaar uitoefenen, dan was daarmee de zaak principieel beslist en de tegenspraak opgeheven.

Hij nam daarom een ruimte met een of ander gas gevuld, waarin de kleine deeltjes, de moleculen, los van elkaar bewegen, telkens tegen elkaar botsen, en ze vlak bij elkaar ook enige aantrekking op elkaar uitoefenen. Deze bewegingen konden precies evengoed in omgekeerde richting plaats vinden. Het bleef er hetzelfde gas om. Is deze gasmassa overal even warm, dan verandert er niets aan. Alles is in evenwicht. Indien echter in deze gasmassa een ongelijkheid bestaat, bv. aan de ene kant is zij warm, aan de andere kant koud, dan zal men een verandering waarnemen die in een bepaalde richting gaat. De warmte verspreidt zich uit de warmere helft gelijkmatig over de gehele massa. Een omgekeerde verandering, dat een overal even warme gasmassa zich scheidt in, een koudere en een warmere helft is volgens de wet van de entropie onmogelijk en ondenkbaar. Wat gebeurt daarbij nu met de moleculen? Wat wij als warmte waarnemen is snellere beweging van deze deeltjes. De snellere deeltjes uit de warme helft vliegen tussen de andere door, vermengen zich met deze, botsen ertegen en delen zo hun grotere snelheid aan hen mee, totdat overal eenzelfde gemiddelde snelheid heerst. Door de beweging en de botsingen vindt menging en gelijkmaking plaats. Alle verschillen worden uitgewist. De verandering is dus steeds in de richting van menging, opheffing van de ongelijkheden, terwijl een tegengestelde verandering, ontmenging, ongelijkmaking zou betekenen. Hier ziet men hoe het mogelijk is dat in een mechanica stelsel toch slechts een verandering in één bepaalde richting kan voorkomen. Natuurlijk alleen wanneer wij de massa als een geheel zien en de gemiddelde snelheid ergens in die massa als hogere of lagere temperatuur meten. Konden intelligente microscopische wezentjes zich tussen die moleculen posteren en elk apart zien voorbijvliegen, sneller of langzamer, dan zouden zij een eindeloze wisseling zien van verschijnselen dr waar de mensen verklaren dat niets verandert. Zij zouden [ze] als mechanische omkeerbare bewegingen behandelen zonder van een verandering in bepaalde richting te spreken, waar de mensen warmte van een warmer naar een kouder deel zien vloeien. Voor hen zou de wet van de entropie niet bestaan.

Daarmee is nu wel begrijpelijk gemaakt dat in zulk een massa heen en weer vliegende en botsende deeltjes de richting van de verandering steeds naar de menging en gelijkmaking en niet naar de ontmenging en het verschillend worden gaat. Maar er is nog niet verklaard hoe en waarom dit zo moet zijn. Boltzmann doet dit aldus. Elke molecuul kan allerlei bewegingen en allerlei plaatsen hebben. Het kan evengoed wat meer dan de gemiddelde als wat minder dan de gemiddelde snelheid hebben, het kan evengoed naar links als naar rechts gaan. En wanneer wij bij elk molecuul achtereenvolgens telkens een andere beweging en plaats denken, krijgen wij een bijna eindeloos aantal combinaties, waarvan elk een andere toestand van het gas voorstelt. Tellen wij nu hoeveel er daarbij zijn, waarbij de gemiddelde snelheid in alle delen zo goed als dezelfde is, en ook hoeveel er bij zijn waarbij aan de ene kant de gemiddelde snelheid anders is dan de andere, dan blijkt het tweede aantal onnoemelijk klein te zijn in verhouding tot het eerste. De grootst mogelijk wanorde en regelloosheid is regel, elke bepaalde geordendheid is uitzondering. Wij zeggen dan dat het eerste geval, de ongeordende gelijkmatigheid, veel waarschijnlijker is dan het andere. En daarom zal bij de voortdurende wisseling in snelheid en plaats van elk molecuul de toestand oneindig veel malen meer van geordendheid naar ordeloosheid veranderen dan omgekeerd. Men denkt zich als voorbeeld een bus met overigens geheel gelijke zwarte en witte korreltjes. Schudt men telkens de bus en kijkt men hoe ze verdeeld zijn, dan zal men ze onnoemelijk veel meer keren gelijkmatig door elkaar verdeeld vinden dan kleur bij kleur verzameld. De waarschijnlijkheid van een gelijkmatig vermengde toestand is veel groter dan die van een ongelijkmatige geordende. Het schudden brengt steeds waarschijnlijker toestanden te weeg, het schudden bewerkt menging en niet ontmenging. Kijken wij na elke stoot, dan kan het wel voorkomen, dat eens een toestand ontstaat die iets minder vaak voor zou komen dan de vorige. Maar na vele schuddingen gaat het toch steeds weer in de richting van de vaker voorkomende, dus waarschijnlijker toestanden. Leggen wij de korrels in het begin geordend in de bus, bv. de witte onder en de zwarte boven, dan zal door het schudden steeds groter menging optreden. Leggen wij ze geheel ordeloos in de bus, dan zal het ordeloos blijven. Het zou kunnen zijn dat ééns na miljoenen of triljoenen schuddingen een sterke ontmenging en ordening intreed. Maar voor de praktijk heeft deze kleine kans geen betekenis. Zo gaat het ook met de moleculen van een gas. Een ontmenging is theoretisch denkbaar, maar met een kans van één op een getal van een onnoemelijk aantal cijfers.

Boltzmann vindt dan ook dat er een nauwe samenhang bestaat tussen wat de natuurkundige de entropie noemt, en wat de wiskundige de waarschijnlijkheid van een toestand noemt. En hij drukt het ontwikkelingsprincipe, de wet van de steeds toenemende entropie, aldus uit: alle ontwikkeling is een verandering naar meer waarschijnlijke toestanden toe. De natuur ontwikkelt zich van onwaarschijnlijker naar steeds waarschijnlijker toestanden.

IV. Kohnstamms onttroning van de natuurwet

Op deze natuurkundige leer berust nu de gedachtegang die Kohnstamm tegen de oude natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing in het veld voert. En wel met twee argumenten. Het ene betreft het wezen van de natuurwetten, het andere de vraag naar de oorsprong van de wereld.

Sinds Newton, zegt hij par. 82 van zijn Warmteleer, werd het begrip natuurwet opgevat als regel zonder uitzondering, als regel die met één uitzondering onmiddellijk vervalt. “Deze beschouwingen, het gehele vraagstuk van de causaliteit, dat in de ontwikkeling van het filosofisch denken ten nauwste met het begrip van natuurwet samenhangt, zullen herzien moeten worden, wanneer men buiten de engere kring van vakgenoten de betekenis van Boltzmanns onderzoekingen meer en meer gaat begrijpen”. Wel zijn er onwrikbare regels zonder uitzonderingen, nl, de mechanische en de elektromagnetische wetten. Maar alle wetten die voor uit moleculen bestaande lichamen gelden, laten uitzonderingen toe. “Die uitzonderingen zullen uiterst zeldzaam zijn, maar zij zijn mogelijk, ja op den duur noodzakelijk”. De moderne natuurwetenschap heeft “de absolute geldigheid van bijna al haar regels moeten opofferen”.

“Zeer merkwaardig is de toepassing van deze denkbeelden op het begrip ‘wonder’ dat een zo grote rol gespeeld heeft in het door de natuurwetenschap beïnvloede denken... Al onze ervaring heeft betrekking op lichamen uit moleculen opgebouwd. Zij leert ons derhalve nooit de regels kennen die niet overtreden kunnen worden... Op den duur (zal) elk van die andere regels overtreden moeten worden. De deterministische wereldbeschouwing, die op vele gemoederen een zo machtige invloed oefende, dankte die invloed zeker voor een niet gering deel aan de kosmos die zij schiep, aan het gevoel van betrekkelijke veiligheid dat zij waarborgde. Er kon in de wereld niets geheel onvoorziens plaats grijpen, het wereldgebeuren geschiedde volgens bekende wetten, het wonder was gebannen. De theorie van Boltzmann doet deze illusie vervliegen... Niet ondanks, maar ten gevolge van die mechanische gedetermineerdheid (nl. van de moleculaire bewegingen) wordt elk ‘wonder’ in de zin van ‘uiterst bevreemdende gebeurtenis’ mogelijk. Dat wat stof en rook en vlammen zich [doen ? — MIA] samenvoegen tot een mens (de omkering van een verbranding), het is volgens de strenge natuurwetenschap niet onmogelijk, slechts onwaarschijnlijk en elke seconde staan wij, juist ten gevolge van de gedetermineerdheid van de moleculaire bewegingen, aan dergelijke wonderen bloot.”

En in een noot voegt de schrijver hier aan toe:

“Natuurlijk is dit slechts één van de zijden van het ‘wonder’ vraagstuk. Een gans andere zijde is de religieuze of ethische betekenis van het wonder. Voor het al of niet religieus relevant zijn van het wonder is het natuurlijk niet voldoende dat de gebeurtenis volkomen onverwacht is, maar zij moet op de een of andere wijze met de geestelijk—zedelijke geaardheid van hem die het doet of ondergaat, in verband staan. Maar daarmede komt men op het gebied van de waardebeoordelingen, waarvan elke natuurwetenschappelijk onderzoek zich zo zorgvuldig mogelijk moet onthouden. Op die zijde gaan wij hier dan ook volstrekt niet in.”

Natuurlijk, in een populair natuurkundig werk voor het grote ontwikkelde publiek bestemd, is al te directe propaganda voor een christelijke wereldbeschouwing niet op zijn plaats. Het is ook niet nodig, want deze uitlatingen zijn voor het doel voldoende. Hun doel en hun strekking is de ontzenuwing van de argumenten waarmee in een vorige periode de nieuwe natuurkundige wereldbeschouwing de godsdienst bestreed. De moderne groeiende godsdienstigheid van de bourgeoisie wordt bevorderd tot de rang van hoger inzicht, wanneer het toen zegepralende materialisme nu in al zijn kortzichtige zwakheid wordt tentoongesteld.

Dat de bedoeling is, om ten bate van orthodox—christelijke opvattingen, uitdrukkelijk en beslist het begrip wonder op nieuwe grondslagen te vestigen, is nauwelijks aan te nemen. Een wonder is natuurlijk nog iets meer dan een ‘uiterst bevreemdende gebeurtenis’. Deze zijn honderden malen voorgekomen en komen voortdurend voor. In het begrip wonder zit altijd de doorbreking van de overigens geldende natuurwetten of regels. Maar als Kohnstamm nu aanwijst dat zulke doorbrekingen, zulke wonderen, nu en dan moeten plaatsvinden, zou de christelijke wereldbeschouwing daar wel iets aan hebben? Het wonder is volgens de fysica niet meer onmogelijk! Het klinkt verleidelijk als verzoening van geloof en wetenschap. Maar het bijzondere van Jezus wonderen ligt toch juist daarin dat zij een openbaring van zijn bovennatuurlijke persoonlijkheid en macht zijn en dit valt weg, als zij in overeenstemming zijn met de strenge natuurwetten. Een gelovige geleerde die verklaren zou dat Jezus een dode opwekte tot leven, streed niet tegen de gewone loop van de natuur, want ééns op triljoenen malen moet deze gewone loop eventjes omkeren en dat gebeurde toen juist — zou hij zich niet even belachelijk maken als de theoloog uit de oude tijd, die het wonder van de bruiloft te Kanaän verklaarde doordat Jezus als handig goochelaar stilletjes wat rood makend poeder in het water gooide?

Een modern geleerde van de richting van Professor Kohnstamm moet dus in zijn fysico—theologie noodzakelijk en negatief blijven. Hij kan niet veel meer doen — en dat is ook voldoende — dan antikritiek op de oude natuurwetenschappelijke kritiek van de godsdienst leveren en de kortzichtigheid van het oude natuurdeterminisme aantonen. Maar daarmee toont hij slechts hoe zijn eigen geest nog geheel in de beperktheid van deze oude opvatting bevangen is. Hij toont daarmee hoe de verheldering en de verandering in opvatting van het begrip natuurwet — eerst door Dietzgen in zijn algemene onthulling van het wezen van alle kennis, later door Kirchhoff, Mach e.a. in gedetailleerde uitwerking op het gebied van de natuurkunde zelf hen geheel onbekend is gebleven. Een dode nog eens dood willen slaan met ondeugdelijker wapens dan die hem neergeveld hebben, toont gemis aan begrip, wat daarvan de kracht en de zwakheid was.

Een natuurwet is geen wet, waar aan de natuur moet gehoorzamen, maar een regel door ons verstand uit de verschijnselen geabstraheerd. Alle wetenschap, als zuiverste geesteswerkzaamheid, is systematiseren en ordenen. Zij bestaat in het zoeken van het algemene, de regelmaat, in de concrete verschijnselen. De wereld van de verschijnselen is oneindig veelvuldig en gevarieerd, altijd nieuw, altijd anders als een eeuwig vlietende stroom trekt zij onze geest voorbij. De geest zoekt het algemene, gemeenschappelijke in elke groep van verschijnselen en vormt daaruit begrippen, regels, oorzaken, wetten. De wet als zodanig is een abstracte formule, star en hard, strak en eenvoudig. Zij is daarom uiteraard absoluut en zonder uitzondering, omdat zij abstract is. Naarmate zij meer volkomen, algemeen en abstracter wordt — want er zijn allerlei overgangen, vanaf regels die dikwijls of gewoonlijk opgaan, tot de onwankelbaarste, meest vaststaande natuurwetten toe — krijgt zij steeds meer de onaantastbaarheid van een wiskundige stelling. De wiskundige stellingen zijn ook uit de ervaring getrokken — dat blijkt als men kinderen leert rekenen — maar deze ervaring ligt zo klaar voor de hand in ieders bewustzijn dat het lijkt of zij enkel door abstract denken verkregen zijn. De abstractie ziet van alle veelheid van de praktijk af, waar voorwerpen zich verenigen en splitsen, en houdt de wiskundige stelling over. Deze is dan absoluut juist, omdat zij een abstract product van de hersenen is. Zij kan door geen ervaring weerlegd worden, omdat bij elke ervaring die tegen haar strijd, een bijzonder verschijnsel als storing wordt aangenomen: (1 druppel + 1 druppel = 1 druppel, 1 glas + 1 glas = vele stukken). Gaan wij iets verder, naar minder bekende ervaringen toe, dan komen wij tot mechanische principes, die eenmaal (in betrekkelijk nieuwere tijd) ontdekt moesten worden als doelmatige abstracties, en die toch voor ons haast de vaste zekerheid van wiskundige waarheden hebben (zo de wet van de traagheid). Zo zal geen natuurkundige, door welke ervaring ook, geschokt worden in zijn zekerheid omtrent de wet tot behoud van het arbeidsvermogen. Ziet hij een verschijnsel dat er niet mee uitkomt, dan bewijst dat voor hem dat er nog een onbekende kracht of energie bij in het spel komt, want de wet staat voor hem vast als een denknoodzakelijkheid a priori. Zo staat het ook met de wet van de entropie. De verschijnselen konden die zekerheid niet geven, omdat zij nooit de werking van één wet zuiver laten zien. Wij stellen die zekerheid, die algemeen—geldigheid vast als scheppers van de regel, omdat ons doel de wereld met onze geest te omvatten alleen bereikbaar is door eerst zulke regels vast te stellen en al wat afwijkt in nieuwe regels te begrijpen. De ervaring leidt ons in het vaststellen welke wetten en regels het doelmatigst zijn, om de verschijnselen kort en volledig te beschrijven. Maar dat zij absoluut gelden, ligt aan ons, of juister nog — want het is geen willekeur — het ligt aan de natuur van onze geest die tot starre, absolute abstracte regels samenvat wat de zintuigen als een concrete stroom van oneindig—veelvuldige verschijnselen waarnemen. Alle natuurwet is gegeneraliseerde ervaring door ons verstand tot een aprioristisch vaststaande wet omgevormd.

De vraag of deze wet nu werkelijk in de natuur voorhanden is, moet met ja en nee beantwoord worden. Ja, in zoverre het algemene, gemeenschappelijke in elk bijzonder geval zit, nee in zoverre alleen het concrete, bijzondere, werkelijkheid is en de wet slechts als abstractie in ons hoofd bestaat. Hoe kan men dan zeggen dat de natuur aan de wet gehoorzamen moet? Heel aardig heeft Mach eens gezegd: de wet bepaald niet wat in de natuur zal gebeuren, maar wat wij verwachten dat zal gebeuren. Gebeurt iets anders, dan zoeken wij daarvoor een nieuwe speciale reden. Of anders gezegd: de wet komt altijd uit, en de natuur moet haar gehoorzamen, omdat voor elk geval van niet gehoorzamen een aanvulling, oorzaak, een nieuwe wet wordt aangenomen. Dit gebeurt dan ook voortdurend. Elke regel, elke wet, ondanks zijn absolute vorm, reikt niet verder dan het feitenmateriaal waaruit hij is afgeleid. Hij is het algemene van deze feitenmassa, en komen er nieuwe feiten bij, dan zal hij een aanvulling of wijziging moeten ondergaan. Voortdurend worden daarom de natuurwetten als gevolg van nieuwe, rijpere ervaring of diepere abstractie verruimd, omgevormd of beter geformuleerd.

Wie dit alles bedenkt ziet onmiddellijk hoezeer Kohnstamms betoog dat de oude natuurwet niet meer geldt, een slag in de lucht is en een bewijs dat hij de natuurwetten in de oude primitieve zin opvat in plaats van in de redelijke zin van de latere kennisleer. Wanneer hij overal triomferend verkondigt, dat de natuurwetten slechts waarschijnlijkheidsstellingen zijn die aangeven wat meestal zal gebeuren, terwijl nu en dan het tegendeel zal plaatsvinden, dan kan daarop geantwoord worden: de natuurwetten zeggen helemaal niet wat zal gebeuren. Zij zijn kort samengevatte uit de verschijnselen geabstraheerde regels, waarvan de zekerheid, de waarheid des te groter is, naarmate een rijker massa gegevens meer volkomen weergegeven wordt. Zulk een regel is de stelling dat overal in de natuur verandering in één bepaalde richting plaats vindt. Dat alle levende wezens een ontwikkelingsgang van jong naar oud doorlopen, in één richting, en nooit omgekeerd, behoort wel tot de meest absoluut vaststaande uit ervaring geabstraheerde natuurwetten. De wet van de entropie is zulk een wet die deze ontwikkelingsrichting, waar het meetbare grootheden betreft, in de vorm van een wiskundige formule kleedt. Zij behoort eveneens tot de meest vaststaande grondregels van de wetenschap, niet omdat wij nooit een uitzondering waarnamen, maar omdat wij wegens haar eenvoudigheid, bij elk verschijnsel, dat een uitzondering lijkt, een verdere storende inwerking ter verklaring aannemen. De vraag of het ook niet eens omgekeerd zou kunnen verliest daarbij alle zin. Wat betekenen dan Boltzmanns beschouwingen? Zij betekenen dat de wet van de entropie nu in samenhang met de mechanische principes, die bij elkaar inwerkende kleine deeltjes gelden, gebracht wordt. Zij betekenen dat in een zeer eenvoudig geval deze wet van de entropie als uitvloeisel van beweging van kleine deeltjes verkregen wordt, zodat de tegenstrijdigheid en de kloof tussen ontwikkelingsleer en mechanische principes gedempt wordt. Zij betekenen niet dat nu alle ontwikkeling tot meerdere of mindere waarschijnlijkheid bij beweging en inwerking van kleinste deeltjes teruggebracht wordt. Dit is een fantasie die ver buiten alle ervaring gaat. Zij betekenen dat de fysica het doelmatig vindt om, teneinde een groter eenheid in het totale wereldbeeld te krijgen, de eenvoudigheid van de entropiewet op te offeren en voor haar een meer ingewikkelde waarschijnlijkheidsregel in de plaats te stellen die theoretisch uitzonderingen toelaat — die echter in de praktijk grenzeloos onbeduidend en onreëel zijn. Met een verandering van rook, as en vlammen in een stuk hout heeft dit alles dus ook niet het allergeringste te maken.

Maar, als de natuurwet het toekomstig gebeuren niet bepaalt, dan bepaalt zij toch, volgens Mach, onze verwachting over wat zal gebeuren. Wordt dan niet door de onderzoekingen van Boltzmann onze verwachting veranderd, zodat wij tegenover vreemde, tot dusver voor onmogelijk gehouden voorvallen en geheel andere houding en gezindheid moeten aannemen, en betekent dat niet een sterke verandering in onze wereldbeschouwing, bv. tegenover het wonder? Ook dit is niet het geval. Zelfs in het eenvoudigste geval van een gelijkmatig warme gasmassa wordt de kans dat daarin door ontmenging een duidelijk temperatuurverschil ontstaat, wiskundig uitgedrukt door één op een getal met zo onnoemelijk veel nullen er achter, dat men deze zelfs in biljoenen jaren niet anders kan aangeven dan met het woordje nooit. Gesteld, het gebeurt eens, dat men in een gasmassa temperatuurverschil ziet ontstaan, dan zou men dit toch aan allerlei andere oorzaken moeten toeschrijven. Want de verwachting dat dit volgens de waarschijnlijksheidsregel hier moet gebeuren kan niet anders dan praktisch nul zijn. Dus ook in dit opzicht heeft de waarschijnlijkheidsbeschouwing van Boltzmann voor de beoordeling van de toekomst niet de minste reële betekenis. Men vergelijke hiermee nu de uitspraak in de intreerede van Kohnstamm.

“Is echter eenmaal die mogelijkheid (van het wonder) toegegeven, dan staat daarmede de gehele natuurwetenschap op losse schroeven. Niet alleen de vaste regelmatigheden, die de eeuwenlange praktijk van de gewone ervaring ons heeft leren kennen, worden onzeker (!). Daarmee is niet alleen ons theoretisch denken, maar ook ons praktisch handelen bedreigd.”[2]

Wat Kohnstamm over de onttroning van de natuurwetten zegt, blijkt dus eenvoudig neer te komen op een spelen met het woord waarschijnlijkheid. Daar hij, naar verouderde ondialectische denkwijze, een absolute tegenstelling tussen de begrippen zekerheid en waarschijnlijkheid maakt en in de natuurwetten iets van absoluut gebod ziet, is het woord waarschijnlijkheid — al betekent dit hier een mate van absoluutheid, die tot nog toe eigenlijk geen enkele natuurwet bezat — voor hem voldoende om voor zijn geest allerlei omkeringen van het gewone natuurverloop te zien opduiken: “elke seconde staan wij aan dergelijke wonderen bloot”. En zijn toehoorders en lezers die geen idee hebben wat Boltzmann en andere natuurkundigen met deze waarschijnlijkheid zeggen willen, praten hem na: de natuurkunde erkent dat natuurwetten niet onverbreekbaar, maar slechts waarschijnlijkheidsregels zijn, zodat het nu en dan even goed anders kan lopen. Dus als morgen uit een reeds stinkend lijk een levend mens opstaat, behoeft men zich over dat ‘wonder’ niet te verbazen.

Vanwaar die onzin? Omdat in bourgeoisie en intellect de behoefte opkomt aan een leer die de heerschappij van de strenge wetenschap afschaft en ruimte laat voor mystiek en christendom.

V. Wereldschepping of eeuwigheid

Uit de wet van Clausius in de door Boltzmann gegeven vorm, dat het heelal zich naar steeds waarschijnlijker toestanden ontwikkelt, trekt Kohnstamm nog een andere consequentie. Reeds in zijn intreerede in 1908 had hij de vraag gesteld hoe door toeval het ontstaan van de aarde met haar cultuur en samenleving uit een chaos van zich kruisende, volgens mechanische wetten bewegende moleculen denkbaar is, zelfs al heeft men miljoenen jaren gratis ter beschikking want ze vormen een zo zeldzame uitzondering, dat elke seconde van beschaving moet gekocht worden met miljoenen van eeuwen chaos. Zo zonder meer was deze opmerking slechts een herhaling in moderne vorm van wat door vrome gemoederen in vroeger tijd zo dikwijls gezegd was: dat zulk een heerlijk kunstwerk als onze wereld ook een maker, een schepper moest hebben. Maar in 1911 heeft zijn ambtgenoot Professor Van der Waals Jr. deze overweging in directe samenhang met de wet van Clausius—Boltzmann gebracht. En op zijn voetspoor behandelt Kohnstamm de vraag naar de oorsprong van de wereld in de slotparagrafen van zijn Warmteleer.

“De theorie van Boltzmann geeft rekenschap van het feit dat wij onder een groep lichamen van een gegeven toestand nooit een vinden waarvan de entropie kleiner wordt, maar dat zij altijd zich naar het evenwicht (maximum van de entropie) toe gaan bewegen. Zij leert dat het eerste zo buitengewoon onwaarschijnlijk is. Maar zij laat ons ten enen male in de steek bij de beantwoording van de vraag hoe dan de ons omgevende lichamen, het zonnestelsel in zijn geheel, in die uiterst onwaarschijnlijke toestand gekomen is. M.a.w. zij voldoet volstrekt niet aan de eis van een kosmische theorie. Wij leven in een wereld waarin de entropie zeer, zeer ver, van haar maximum verwijderd is. Hoe komt het dat dat zo is? Zeker, de mogelijkheid van zulk een wereld doet de theorie inzien, maar zij maakt haar tevens zo onwaarschijnlijk dat de vraag zich vanzelf opdringt, is dit nu inderdaad de enige mogelijkheid, die dus wel aanvaard moet worden? Tegenover elke seconde van bestaan van een wereld als de onze moeten quadriljoenen van eeuwen chaos staan. Kennen wij daarmee aan ons zelf en onze beschaving een niet al te hoge zeldzaamheidswaarde toe?”

Dan wordt de redenering van Van der Waals aangevoerd, waar deze er op wijst tot welke vreemde consequenties men komt als men de entropiewet op het verleden toepast:

“Immers de een of andere toestand uit het verleden, wiens ontstaan wij willen verklaren, is altijd een zeer weinig waarschijnlijke toestand. Zijn entropie is zeer veel kleiner dan het bereikbare maximum. Die onwaarschijnlijke toestand kan nu op tweeërlei wijze ontstaan zijn. Uit een nog ‘onwaarschijnlijker’ toestand of uit een waarschijnlijker. Maar de kans op nog onwaarschijnlijker toestanden is volgens de beschouwingen van Boltzmann zo klein, dat de kans op het bestaan daarvan, en dus op het bestaan daaruit, verwaarloosbaar klein is.” (Warmteleer blz. 227).

Inderdaad, hier ligt voor ons voorstellingsvermogen een ernstige moeilijkheid. Iedere latere toestand is uit een ‘onwaarschijnlijkere’ vroegere toestand ontstaan. Hoe verder men teruggaat in het verleden, des te onwaarschijnlijker toestand van de wereld moet men aannemen. Dat wordt lastig. Toen in het midden van de 19e eeuw die beide grondwetten van de natuurkunde: de onvernietigbaarheid van de stof en van de energie vastgesteld waren, toen zakte de christelijke leer van de schepping machteloos ineen, en de natuurgeleerden verkondigden zelfbewust, dat de wereld eeuwig was, dat zij nooit een begin had gemaakt en nooit een einde zou kennen. Men kende toen de wet van Clausius nog niet. Men meende dat die eeuwigheid aldoor in wisseling en kringloop op en neer zou gaan. Maar sinds men weet, dat er ontwikkeling in één richting is, nu wordt die eeuwigheid een moeilijk ding, haast onmogelijk om zich voor te stellen. Want gaat men steeds verder terug, dan komt men bij toestanden, zo grenzeloos onwaarschijnlijk, dat ze onmogelijk moeten heten. Deze moeilijkheid ligt zo voor de hand dat men zich verbazen moet dat geen enkel fysicus van Clausius af dit ingezien heeft, en dat een halve eeuw lang de tegenstrijdigheid tussen entropiewet en oneindig bestaan van de wereld onbemerkt bleef, tot Van der Waals ze ontdekte. Dit bewijst alweer dat ook de wetenschappelijke denkbeelden door maatschappelijke behoeften en stromingen bepaald worden. Ten tijde van Clausius en daarna was er nog geen sterke behoefte tot een schepping van de wereld terug te keren. De natuuronderzoekers voelden zich tevreden in het bewustzijn van de eeuwige duur van de wereld, waarin hoogstens nog een God als even eeuwige macht door middel van de natuurwetenschappen werkte. Maar nu, in de 20e eeuw, is onder bourgeoisie en intellect een strijdbaar, positief, christendom opgekomen dat dit vage liberalistische godsidee verwerpt en behoefte heeft aan een ouderwetse scheppingsdaad tegenover die eindeloze natuureeuwigheid. En zie, nu blijkt dat de wetenschap al sinds een halve eeuw daarvoor de argumenten klaar heeft liggen, zonder dat iemand het bemerkt had.

Want de conclusie ligt nu voor de hand. Van der Waals haalt een voorbeeld aan van een gesloten kamer, waarin lichtgas en lucht niet volkomen gemengd, aanwezig zijn. De ene expert zegt: alles in de wereld moet door mechanische werking van de deeltjes ontstaan zijn. Dus zal deze toestand vanzelf ontstaan moeten zijn door ontmenging van een mengsel van gas en lucht, dat voor veertien dagen nog gelijkmatig was. Al is dit een buitengewoon zeldzaam geval, het is toch mogelijk als toeval. De tweede expert zegt: veertien dagen geleden heeft iemand de gaskraan een tijd opengezet, en van toen af aan hebben gas en lucht zich steeds meer, maar nog niet geheel, gemengd. Wie van beiden het verstandigst oordeelt, hij die het aan het toeval, of hij die het aan opzet toeschrijft, daarover kan geen strijd bestaan. Maar dan moeten wij aan de gehele natuur dezelfde redenering toepassen.

“Men zou dan, alvorens uitspraken over verleden en toekomst te doen, zich moeten afvragen hoe de tegenwoordige waargenomen toestand waarschijnlijk is tot stand gekomen. Men zou daarbij ‘opzet’ niet apriori mogen uitsluiten, dat wil zeggen, men zou niet apriori mogen aannemen, dat de deeltjes, waaruit men de stoffelijke wereld in laatste instantie denkt opgebouwd, uitsluitend onderworpen zijn aan een aantal mechanische (of andere dergelijke) wetten en altijd uitsluitend daaraan zijn onderworpen geweest. Maar men zou rekenschap moeten houden met de mogelijkheid dat op zeker ogenblik een ordenend beginsel in de materiële wereld had ingegrepen... Daar een tot stand komen van de tegenwoordige toestand van de wereld door toeval zo uiterst onwaarschijnlijk is, zullen wij het als waarschijnlijk moeten aanmerken dat er een ordenend beginsel gewerkt heeft”.[3]

Door toeval kan deze wereld niet ontstaan zijn, alleen door opzet. Met enkel mechanische inwerking van de deeltjes op elkaar kan men het ontstaan van de wereld niet verklaren: “de tweede hoofdwet en haar gevolgen voeren noodzakelijk tot de afwijzing van de mechanische wereldbeschouwing”.

Een verdediger van het oude natuurdeterminisme zou hierop het antwoord niet geheel schuldig behoeven te blijven. Hij kan er op wijzen dat in een oneindig uitgebreide wereld de onwaarschijnlijkheid van een steeds verder terugliggende toestand nooit zo grenzeloos groot kan worden, dat men dit voor onmogelijk moet houden. Maar hij zou er vooral op moeten aandringen, dat van het rekbare, onklare begrip waarschijnlijkheid overgegaan wordt tot grootheden die de fysische toestand beschrijven en waaraan men dan zou kunnen zien wat er voor onwaarschijnlijks of onmogelijke in die vroegere toestand ligt. Waarom zijn wij ver van een evenwichtstoestand? Omdat er grote temperatuurverschillen in de wereld zijn: hete lichamen stralen hitte uit of geven hun warmte door aanraking aan koude voorwerpen. De bron van al deze ongelijkheden is de zon, met zijn temperatuur van omstreeks 10000 Celsius die naar de aarde en de koude wereldruimte hitte uitstraalt. De wet van de entropie kan — zeer in het algemeen — zo uitgelegd worden dat door die warmtestroming de temperatuurverschillen in de wereld steeds kleiner zullen worden. Principieel veranderd er daarbij niets aan de wereld. Al lijkt ons voor ons menselijk gevoel (omdat ons leven daaraan aangepast is) een temperatuurwisseling van bv. 50 Celsius, (tussen +30 en —20 ) normmaal toe — de wereld, objectief beschouwd, is in wezen niet anders als alle temperatuurverschillen 10 maal of 100 maal kleiner waren. Dus als over miljoenen jaren dat bereikt is, is de wereld alleen in één getallenmaat anders: alle wisselingen alle werking vindt op een 10 of 100 maal kleinere schaal plaats. Maar in beginsel is niets veranderd. Een einde zou ook nooit bereikt worden, daar de verandering des te langzamer wordt naarmate de verschillen kleiner zijn. Hetzelfde geldt echter ook als wij in het verleden teruggaan. Wanneer men miljoenen jaren teruggaande temperatuurverschillen zou vinden, 10 maal groter dan nu, dan was dat voor mensen van ons maaksel wel onaangenaam of onhoudbaar, maar als wij van deze menselijke maatstaf afzien, was de natuur er hetzelfde om. En een grens bestaat daarvoor niets een natuur met temperatuurverschillen, 100 of 1000 maal groter dan de onze, is niets onmogelijker dan de tegenwoordig bestaande. Er is dus geen enkele reden om aan de eeuwigheid van de wereld in verleden of toekomst perken te stellen. Slechts in schijn is zij in tegenspraak met de wet van Clausius, nl. zolang men een subjectief menselijke maatstaf aanlegt.

Een verdediger van het oude natuurdeterministische standpunt is minstens evenveel waard als de nieuwe scheppingsleer van Van der Waals en Kohnstamm. Maar beide lijden zij toch aan dezelfde fout, op algemene begrippen en woorden doorredeneren, zonder zich om de concrete werkelijkheid te bekommeren. De oude natuurgeleerde lieten wij in het vage algemene over temperatuur in verleden en toekomst spreken, en nog abstracter spreken de beide Amsterdamse professoren over waarschijnlijkheid in verleden en toekomst, vooral in het verleden: woorden in plaats van werkelijkheid. Hoe is de werkelijkheid? Hoe was het werkelijke verleden waaruit de tegenwoordige toestand is ontstaan?

De sterrenkunde geeft er antwoord op. Wel heeft zij niet één, door iedereen aanvaarde theorie over de oorsprong van ons zonnestelsel. Wij nemen dus uit de theorieën waartussen gestreden wordt diegene die het meest verbreid en het volledigst uitgewerkt is, omdat zij een in alle consequenties doordachte mogelijke, zelfs waarschijnlijke verklaring van het verleden geeft — de neveltheorie, oorspronkelijk van Kant en Laplace, door Helmholtz, Lane, Ritter, Arrhenius verder tot een moderne kosmische theorie uitgewerkt. Wij hadden ook bv. de theorie van Moulton—Chamberlain kunnen nemen als voorbeeld. De algemene strekking van onze conclusies zal er hetzelfde om zijn. De neveltheorie geeft antwoord op de vraag vanwaar die reusachtige temperatuurverschillen gekomen zijn tussen de gloeiende zon en een koude wereldruimte omgeving. Niet uit nog groter temperatuurverschillen, maar uit een oorspronkelijk ijle koude uitgestrekte gasmassa. Straalt zulk een massa enigszins in de omgeving uit, dan gaat zij door de onderlinge aantrekking van de deeltjes inkrimpen en wordt daarbij steeds warmer, zo ontstaat tenslotte een gloeiende zon van reusachtig hoge temperatuur. De geweldige hoeveelheid energie die in de gloeiende zonmassa opgehoopt is, benevens de energie die in alle miljoenen jaren uitgestraald is, is ontstaan uit de aantrekkingsenergie: de deeltjes die eerst ver van elkaar waren, hebben door aan hun onderlinge aantrekking te gehoorzamen, die kolossale snelheden gekregen, die wij als temperatuur van duizenden of tienduizenden graden waarnemen.

Hier hebben wij een antwoord op de vraag, “hoe dan de ons omgevende lichamen, het zonnestelsel in zijn geheel, in die uiterst onwaarschijnlijke toestand gekomen is”. Een antwoord, door de wetenschap gegeven, niet in algemene woorden en frases, maar als concrete, duidelijk kosmische theorie. En hoe luidt het antwoord? Uit een nog onwaarschijnlijker toestand? Neen, uit een toestand die zo eenvoudig en natuurlijk is dat reeds sedert langer dan een eeuw deze toestand door de denkers en geleerden als het waarschijnlijkste uitgangspunt voor de ontwikkeling van het heelal aangenomen is. Voor Kant en Laplace en Helmholtz was de tegenwoordige toestand van het zonnestelsel niet zo eenvoudig, zonder meer door toeval verklaarbaar in plaats van een schepping met opzet aan te nemen, vonden zij echter, dat hij zeer goed kon ontstaan zijn door ontwikkeling uit een toestand, die zij, en ieder met hen, als buitengewoon natuurlijk en waarschijnlijk moesten beschouwen.

Wij zien nu waarin de fout van Kohnstamm en Van der Waals bestaat. Zij beschouwen, in vakbeperktheid bevangen, het heelal als een massa kleine stofdeeltjes die (in het groot) zich zo gedragen en zo te beschouwen zijn als de deeltjes van een gasmassa, waar de natuurkundigen mee werken. Zij houden er helemaal geen rekening mee dat tussen deze deeltjes de machtige kosmische kracht van de aantrekking werkt. Bij natuurkundige proeven behoeft daarmee ook geen rekening te worden gehouden, omdat bij die kleine hoeveelheden de aantrekkingskracht onmerkbaar gering is. Maar in de wereldruimte wordt die kracht, uitgaande van grote wereldmassa’s, de belangrijkste kracht in de evolutie van de wereld. Reeds in 1902 heeft schrijver dezes er op gewezen dat men in beschouwingen over verleden en toekomst van de wereld tot geheel verkeerde uitkomsten moet komen als men de aantrekkingskracht buiten spel laat — de latere beschouwingen van Van der Waals zijn nu een waarschuwend voorbeeld. Zijn gehele betoog is eenvoudig waardeloos, doordat hij niet aan de werkingen van de aantrekkingskracht in het heelal gedacht heeft.

Geldt dan die belangrijke natuurkundige wet, de wet van de entropie, en de stelling van Boltzmann, dat het heelal zich naar steeds waarschijnlijker toestanden ontwikkelt, niet voor de ontwikkeling van de hemellichamen? De wet van de entropie geldt voor de gehele wereld. De ontwikkeling van de hemellichamen voldoet er ook aan, want voortdurend ontstaat daarbij warmte (uit aantrekkingsenergie) en straalt warmte van heter naar kouder lichamen. De entropie wordt dus in deze ontwikkeling voortdurend groter.

Betekent groter entropie dan niet groter waarschijnlijkheid, en blijft dus toch niet gelden, dat de vroegere toestanden in werkelijkheid onwaarschijnlijker zijn, al lijken ze ons ook eenvoudig toe? Daarop is te antwoorden dat Boltzmann’s waarschijnlijkheidsbeschouwingen hier alle betekenis verliezen. Of liever, als men zijn methode van behandeling hier toepast, komt men tot juist de tegengestelde slotsom.

De waarschijnlijkheid van een toestand noemde Boltzmann het aantal malen dat wij deze toestand zullen tellen, wanneer wij achtereenvolgens aan elk der deeltjes alle mogelijke plaatsen en snelheden toekennen. De gelijkmatige ordeloze verdeling blijkt dan oneindig veel vaker voor te komen dan een ongelijkmatige, waarbij alle deeltjes op één plaats dicht opeengehoopt zitten. In de werkelijke natuur blijkt nu dat door de snelle beweging en de botsingen van de deeltjes tegen elkaar in een afgesloten gasmassa een toestand ook des te vaker zal ontstaan, naarmate zij straks bij ons tellen vaker voorkwam. Daarom kon Boltzmann zeggen dat de ontwikkeling zo ging dat waarschijnlijker uit onwaarschijnlijker toestanden ontstaan.

Neemt men nu echter een gasmassa in de wereldruimte. Door hun onderlinge aantrekking hopen de deeltjes zich steeds dichter bij elkaar op. Probeert men hier ook alle toestanden, door achtereenvolgens aan elk der deeltjes alle mogelijke plaatsen te geven, dan zijn er oneindig veel meer gevallen waarbij zij ver uiteenliggen, dan waarbij zij dicht opeengehoopt zijn. De dichte opeenhoping is dus, in de zin als door Boltzmann dit woord ‘gebruikt wordt’, een onwaarschijnlijker toestand, de verre ijle verspreiding een waarschijnlijker toestand. Willen zij dus de toestanden in de kosmos met deze zelfde woorden weergeven, dan vinden wij als resultaat: De evolutie van de wereldlichamen, de ontwikkeling van ijle verspreiding naar dichte opeenhoping is een ontwikkeling van waarschijnlijker naar onwaarschijnlijker toestanden.

Op zichzelf zou niemand er aan denken deze woorden waarschijnlijk en onwaarschijnlijk, hier te gebruiken voor de formulering van de wereldontwikkeling. Het begrip waarschijnlijkheid was een mooie vondst van Boltzmann, om de verandering in bepaalde richting, die in een afgesloten gasmassa door de mechanische werkingen plaatsvindt, voor de mensen begrijpelijk en helder te maken. Nu echter Kohnstamm en Van der Waals zijn stelling op verschijnselen gaan toepassen die ver buiten de gevallen liggen waarvoor zijn afleiding gold, nu wordt het werken met dit woord waarschijnlijkheid een werken met woorden die op de werkelijke verschijnselen niet meer passen, en daarom moest aangetoond worden hoe voor de evolutie van de wereld de door Boltzmann gevonden vorm niet past. En daarmee zakt de gehele redenering van de beide Amsterdamse professoren als een kaartenhuis ineen. En als wij vragen hoe het komt, dat zij zo mis konden tasten, dan kan slechts alweer de maatschappelijke behoefte antwoord geven: de behoefte van hun kring, wapenen tegen het oude natuurwetenschappelijke determinisme te vinden, deed hen in de vreugde van het vinden de gebrekkigheid van hun vondsten al te snel voorbijzien. Hun beschouwingen kunnen leken imponeren, maar voor iemand die in natuurwetenschap thuis is, missen ze alle waarden.

_______________
[0] Vandaag zouden wij schrijven: ideologische strijd – noot MIA.
[1] Zo werd onlangs op de 10e jaarvergadering van de Vereniging voor Wijsbegeerte door de feestredenaar Dr. W. Meyer uit Kohnstamm’s onttroning van de natuurwet geconcludeerd dat de natuurwetenschap haar eigen bankroet verklaarde.
[2] Determinisme en Natuurwetenschap. Tijdschrift voor wijsbegeerte, II. 536.
[3] J.D. van der Waals Jr. Over de onderstellingen die aan een statistische verklaring der natuurwetten ten grondslag liggen. (Tijdschrift voor wijsbegeerte, V. blz. 17).