Anton Pannekoek


Het historisch materialisme



Eerste publicatie: De Nieuwe Tijd, jaargang 1919
Transcriptie: Adrien Verlee, december 2003
Omzetting naar HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, december 2003
Deze versie: Genomen uit een uitgave van Spartacus, uitgeverij De Vlam, 1976. Aangepast aan de nieuwe spelling.



De plaats, die de menselijke geest in het historisch-materialisme inneemt, vormt het meest bestreden en minst begrepen punt in deze leer. Dit ligt voor een deel wel aan de formulering. Een formulering is een harde, precieze begripscombinatie, en zoals een zuiver begrip nooit de rijke veelheid van de werkelijkheid kan weergeven, zo kan een formulering nooit de veelzijdige samenhang in de werkelijke wereld uitdrukken. Wie zich alleen aan de formulering houdt, kan in subtiele uitpluizing der begrippen, zonder het te merken, steeds verder van de levende werkelijkheid afdwalen. Wie het historisch materialisme (HM) wil kennen, moet steeds de formulering beschouwen als korte regel om de betrekkingen in de werkelijkheid te begrijpen.

Het HM is in de eerste plaats een verklaring, een opvatting van de geschiedenis, speciaal van haar grote gebeurtenissen, de grote bewegingen der volkeren, de grote omkeringen van de maatschappij. Al dit geschiedkundige gebeuren bestaat uit handelingen van mensen, mensen die hun wereld veranderen of trachten te veranderen. Waardoor werden zij gedreven? Verklaring van de geschiedenis betekent dus verklaring van de drijfveren, de oorzaken, die de mensen deden handelen.

Dikwijls was het directe nood, de ijzeren greep van de honger, de aan alle levende wezens eigen drift tot zelfbehoud. Hoe vaak is het in de geschiedenis voorgekomen, dat de massa’s door de honger in opstand kwamen en zo een stoot gaven aan de revolutie. Maar daarnaast komen ook andere motieven voor, die de klassen tot actie drijven en hun daden bepalen: algemenere, abstracte, zogenaamd ideële motieven, die dikwijls tegen het directe zelfbehoud en het eigenbelang ingaan en tot geestdriftige zelfopoffering in staat stellen.

In de strijdende klassen leven diepere gedachten en gevoelens, algemene opvattingen over wat goed is en nodig voor de wereld, ideeën en idealen, die in leuzen kort samengevat worden; en deze bepalen voor hun eigen bewustzijn hun daden. Men geeft deze motieven wel door allerlei algemene benamingen weer: vrijheidszin, vaderlandsliefde, behoudzucht, ontevredenheid, slaafsheid, revolutiegeest en dergelijke. Maar het is duidelijk dat deze namen op zichzelf geen verklaring’ geven.

Het materialisme van Marx’ geschiedenisverklaring betekent niet een ontkenning van deze geestelijke motieven, maar het terugbrengen van deze motieven tot materiële oorzaken, tot de werkelijke verhoudingen van de mensenwereld. Wij noemen deze werkelijke verhoudingen materieel in de zin van objectief te constateren, waarneembaar, in tegenstelling tot subjectieve voorstellingen, niet in de zin van stoffelijk tegenover geestelijk. Er is dikwijls gezegd, dat de werkelijkheid in de mensenwereld toch hoofdzakelijk van geestelijke aard is; omdat de mens in de eerste plaats een willend en denkend wezen is; overal in de maatschappij en in de politiek bestaan de betrekkingen tussen de mensen alleen, doordat zij er zich meer of minder van bewust zijn, door middel van hun bewustzijn, hun gevoel, hun weten, hun wil.

Deze tegenwerping gaat buiten het HM om. Wij wijzen er op, dat overal waar in de maatschappij mensen in contact komen, reële, werkelijke verhoudingen daar achter staan, die, mogen zij er zich al of niet precies van bewustzijn, mogen zij ze goedkeuren, ze haten, ze erkennen of ze niet willen erkennen, er precies even reëel om blijven. Achter alle strijd of vrede tussen de arbeider en patroons staat de werkelijke toestand van verkoop van arbeidskracht door de arbeider aan de kapitalist; achter de strijd over vrijhandel of bescherming staat de reële verhouding van koper tot verkoper; achter de partijleuzen van democratie of hervorming staat de werkelijke verhouding van regering tot onderdaan, van klasse tot klasse; elke wet is — behalve een stuk papier — de geformuleerde wil van de regerende, die macht bezitten om hun wil door te zetten. Dit alles — mag men het geestelijk of stoffelijk noemen — is een objectief waarneembare, dus in de zin van Marx een materiële werkelijkheid.

De betrekkingen, die zo tussen de mensen bestaan, zijn niet willekeurig. Ze zijn hun gegeven, en zij hebben niet eens de vrije keuze, welke rol ze in dit geheel willen vervullen. Ze zijn hun gegeven door het economische stelsel waarin zij leven. De maatschappij, de gemeenschap waarvan de enkele mens een deel is en waar hij zich niet buiten kan plaatsen, is een productie-organisme; het dient om voor de mensen alles voort te brengen wat voor het leven noodzakelijk is — van welke aard dit ook moge zijn. In de eerste plaats moeten de mensen leven, dus heerst boven alles oppermachtig het economische organisme, dat dit leven verzekert; de betrekkingen waarin het de mensen tot elkaar plaatst, zijn een zo dwingende realiteit als het lichamelijke bestaan van de mens zelf; ze vervullen hun leven en bepalen hun gedachten met onweerstaanbaar geweld. Te menen, dat men zich daarbuiten kan plaatsen, onafhankelijk, is hetzelfde als te menen, dat een van het lichaam afgesneden deeltje zelfstandig kan leven.

De uitdrukking van Marx, dat de ideeën en instellingen der mensen bepaald worden door de wijze waarop ze hun levensonderhoud winnen, betekend dus niet, dat ieder mens altijd aan eten en drinken denkt; maar dat het productieproces de mensen in bepaalde betrekkingen tot elkaar brengt, die hun leven vullen, dus ook hun denken, willen en voelen bepalen. Daarbij is te bedenken, dat in de gehele geschiedenis en ook nu nog het levensonderhoud niet verzekerd is, zodat de zorg en de vrees voor gebrek als een nachtmerrie op de hersenen drukt en een breed uitslaan van de gedachten belemmert. Een economisch systeem, dat deze zorg verbant en aan de mensheid een volkomen meesterschap geeft over haar levensvoorwaarden, zal nog steeds door zijn karakter het leven en de gedachten bepalen, maar hoeveel vrijer, wijder en zorgelozer zullen deze gedachten zijn!

Waarom zijn nu de economische verhoudingen juist zoals ze zijn?

De productiewijze, die het zijn van ieder mens bepaalt, is zelf een product van mensen. Zij is door de mensheid in eeuwenlange werkzaamheid en ontwikkeling opgebouwd. Zo bouwt ook ieder nu mee aan de verdere ontwikkeling. Zoekt men naar de hoofdelementen van deze ontwikkeling, de belangrijke krachten, die de productiewijze vormden, dan vindt men de techniek en het recht.

“Das Recht bestimmt die Wirtschaft”, aldus formuleerde Stammler zijn bestrijding van het marxisme.

Hier klinkt niet enkel de wens van de jurist uit om zijn voorwerp van studie bovenaan te plaatsen als het bepalende fundament der maatschappij. Er ligt ook de tegenstelling van het geestelijke en het stoffelijke in. De techniek omvat, het stoffelijke element, het zichtbare bewegen van arm, van werktuig, van machines. Maar de tastbare arbeidspraktijk maakt nog niet de productiewijze; dit doet eerst de regeling van de juridische vormen, waaronder gearbeid wordt. Niet het werktuig of de machine, maar de vrije arbeidsovereenkomst, de vrije warenruil, de vrije concurrentie, de bedrijfsvrijheid maakte het kapitalisme. Dus het stoffelijke element, het technische procédé, wordt beheerst en geleid door geestelijke betrekkingen, door rechtsregels. Het geestelijke element, de wijze waarop de mensen met hun wil en hun verstand hun onderlinge betrekkingen regelen, is primair.

Hierbij is nu al dadelijk op te merken, dat de tegenstelling van techniek tot recht niet samenvalt met die van stoffelijk en geestelijk; het recht is niet enkel regel, maar dwingende macht; het is niet enkel de formule van het wetsartikel, maar ook de sabel van de politieagent en de harde muur van de gevangenis; en over het geestelijke element van de techniek is nog te spreken.

Overigens is de stelling van Stammler juist. Kapitalistische productie is niet eenvoudig productie met machines en in fabrieken, maar deze productie onder heerschappij van het privaatbezit. De productiewijze is een bepaalde techniek, geregeld door bepaalde rechts- of eigendomsverhoudingen. Maar Stammlers stelling is niet de gehele waarheid. De beide factoren, techniek en recht, zijn niet gelijkwaardig. De techniek is een gegeven grondslag, door de menselijke wil niet zo maar te veranderen, terwijl het recht, de wet, binnen de wil der mensen ligt. Niet in hun willekeur: de mensen regelen hun betrekkingen, dus stellen hun recht vast, zoals het onder een bepaalde, gegeven techniek nodig is, om de productie mogelijk te maken en te ontwikkelen.

De techniek van het kleine handwerk maakte de kleinburgerlijke productiewijze mogelijk en nodig, en noopte de mensen, het privaatbezit van productiemiddelen, dat dit verzekerde, tot algemeen rechtsinstituut te maken.

De grote machines maakten grootbedrijf nodig en dreven de mensen tot het opheffen van alle belemmeringen der bedrijfs- en contractvrijheid, die de vrije ontplooiing der productie tegenhielden; zo ontstond uit de gegeven techniek en de daaraan aangepaste rechtsvorm, het kapitalisme.

De techniek is dus de diepste grondslag; daarom is ze de belangrijkste productiekracht, terwijl het recht tot de daarop rustende, daarvan afhankelijke, bovenbouw behoort. Juist omdat het Recht de economie bepaalt, daarom spannen de mensen zich in om recht en wet zo te regelen, als voor deze bepaalde economische bouw der maatschappij nodig is. Deze aanpassing van het recht aan de behoeften der techniek, ter verwezenlijking van een bepaald economisch stelsel, loopt dus niet vanzelf en ineens, maar is een moeitevol proces van strijd der klassen. Het is zin en doel van alle politieke strijd en van alle grote revoluties; het socialisme is ook niet anders dan zulk een omvorming van recht en eigendomsvorm als past bij de rijpste ontplooiing der groot-industriële techniek.

De grondslagen van de maatschappij, de productiekrachten, worden dus nu hoofdzakelijk door de techniek gevormd — in primitieve maatschappijen spelen de natuuromstandigheden een grote rol. Zij groeien tot steeds hoger volkomenheid op, doordat de arbeidspraktijk zelf de geest der mensen richt op de middelen, om deze arbeid te verbeteren, of aan nieuwe behoeften, te voldoen.

De techniek bestaat niet enkel uit de stoffelijke machines, fabrieken, kolenmijnen en spoorwegen, maar ook uit de bekwaamheid om ze te maken en uit de wetenschap waarop ze berusten. De natuurwetenschap, onze kennis van de natuurkrachten, onze bekwaamheid om er mee te werken en te rekenen, mag eveneens tot de productiekrachten gerekend worden. In de techniek zit dus niet enkel een stoffelijk, maar ook een sterk geestelijk element. Voor het HM is dit ook vanzelfsprekend; want in tegenstelling tot de fantastische abstracties van burgerlijke filosofen plaatst het de levende mens net al zijn lijfsbehoeften in het middelpunt van de ontwikkeling. In de mensen is het geestelijke en stoffelijke element tot een zo vaste eenheid verbonden, dat men ze niet scheiden kan. Spreken wij van de menselijke behoeften, dan zijn dit niet enkel behoeften van zijn maag, maar ook van zijn hoofd en zijn hart, en alle zijn stoffelijk en geestelijk tegelijk. In de menselijke arbeid, ook de eenvoudigste, zijn het stoffelijke en geestelijke eveneens steeds verenigd, en het is een kunstmatige abstractie, ze te willen scheiden.

Wel heeft deze abstractie een historische zin; de maatschappelijke ontwikkeling met zijn arbeidsverdeling en klassenscheiding maakte een deel van de geestelijke elementen van het arbeidsproces tot een afzonderlijke functie van bepaalde personen en klassen, en bracht vermindering van het volkomen mens-zijn aan beide zijden. Zo gewenden deze specialisten, de intellectuelen, zich er aan om met hun werk al het geestelijke in tegenstelling tot het lagere stoffelijke te beschouwen en de organische en maatschappelijke eenheid van beiden over het hoofd te zien. Het spreekt vanzelf dat het beeld, dat zij zich van uit dit verdraaide gezichtspunt van het HM maken, geheel verkeerd moet zijn.

II

De geschiedenis bestaat uit daden van mensen; haar verklaring berust op wat wij van de menselijke werkzaamheid in het algemeen weten. De mens staat als een organisme met bepaalde behoeften — de eisen van zijn voortbestaan — te midden van de natuuromgeving; waaruit hij deze behoeften moet bevredigen. Zijn behoeften en zijn omgeving, werken op hem in; zij zijn de oorzaak van de handelingen waardoor hij zijn bestaan verzekert. Hij heeft dit met alle levende wezens gemeen; maar naarmate men op een hogere ontwikkelingstrap in de organische wereld komt, schuift zich tussen inwerking en bevrediging steeds meer een geestelijk element, een aandrift en een willen. In de menselijke ontwikkeling komt hier een steeds meer overheersend bewustzijn bij; mag nu en dan de nood de oorspronkelijke driften fel doen oplaaien als spontane wil, meestal neemt het proces zijn weg door de menselijke geest en werkt door middel van de gedachte, de idee, de bewuste wil. De behoefte, die onmiddellijk gevoeld, en de omgeving die waargenomen wordt, werken op de geest in en wekken daarin gedachten en doeleinden op. Deze brengen het lichaam in actie en bewerken daden.

Voor het bewustzijn van de handelende mensen zelf is de gedachte, de idee, de oorzaak van hun daden; zij vragen meestal niet waar de gedachte vandaan komt. Zo verklaart ook de ideologische geschiedschrijving de gebeurtenissen uit de geschiedenis uit de ideeën der mensen. Dit behoeft dus niet onjuist te zijn, maar is altijd onvolledig; het blijft halverwege staan.

Het historisch materialisme gaat terug tot de oorzaken, waaruit deze ideeën ontstonden: de maatschappelijke behoeften, die de door de maatschappijvorm bepaalde meer ingewikkelde vormen zijn van de menselijke levenswil.

Een schitterend licht is in de historische werken van marxistische schrijvers op die wijze over de grote gebeurtenissen in de geschiedenis verspreid. En toch hebben zij ook dikwijls een misverstand omtrent het HM in de hand gewerkt.

Als zij met geweldige kracht de nadruk leggen op de materiële, de economische oorzaken van de omwentelingen, dan meent de weerstrevende intellectueel daartegenover te moeten volhouden: het is toch onbetwistbaar, dat de ideeën een grote invloed hadden. Hij ziet niet, dat de historisch-materialistische verklaring, al springt zij in haar uitleg snel over ideeën heen, om de grondoorzaak en het eindresultaat vast aan elkaar te binden, toch niet anders doet, dan de voortstuwende ideeën uit hun maatschappelijke oorzaken verklaren.

Verklaarde bv. de oude opvatting de Franse Revolutie uit de vrijheidszin van de opkomende burgerij, die het juk van absolutisme en adel afwierp, en verklaarde het HM de behoefte van het opkomende kapitalisme aan een burgerlijke staat tot de oorzaak van de revolutie, dan moet dit laatste — uitvoeriger uitgedrukt — zo gelezen worden, dat het opkomende kapitalisme in de burgerlijke massa’s het bewustzijn van de noodzakelijkheid van vrijheid op economisch en politiek terrein wekte, een sterke geestdrift voor deze idealen deed ontvlammen en hen zo tot de revolutionaire daad dreef.

De gedachte, de idee is de middelaar tussen de inwerking der maatschappelijke factoren op de mens en zijn historische daad. Wat zo in de geest leefde en groeide is neergeslagen, gekristalliseerd in de daad, die de maatschappij omvormde, en blijft daarin onvergankelijk bewaard. Maar het blijft ook op andere wijze bewaard; de gedachten, de gevoelens, de hartstochten, de idealen, die de vroegere gedachten tot daden dreven, uitten zich ook in al hun geestesproducten, in hun literatuur, hun wetenschap, hun geloof, hun kunst, hun wijsbegeerte, hun theorieën en ideologieën; en daarin kunnen wij ze onmiddellijk leren kennen. Zij vormen een afzonderlijk voorwerp van studie in alle zg. geestelijke wetenschappen.

Voor de gewone geschiedenis, die van de gebeurtenissen en daden, schijnt het niet nodig, altijd deze tussentrap naar voren te brengen en beide werkingen, van de materiële, de economische wereld op de geest, en van de geest terug op de materiële wereld, afzonderlijk te beschouwen. Het is daar veelal voldoende de samenhang van de materiële oorzaak en de maatschappelijke resultaten aan te wijzen; uit de groei van de productiekrachten de omvorming van de productiewijze en de daarvoor nodige, ze begeleidende klassenstrijd en politieke omwentelingen af te leiden. Zo wordt het, vooral in zeer korte algemene samenvattingen ook wel gedaan.

Wil men echter de geestesuitingen van een periode, zijn ideologie, zijn godsdienst, zijn kunst, de ontwikkeling van een wetenschap begrijpen, dan wordt de inwerking van de maatschappij op de menselijke geest hoofdzaak. En dan is het nodig diep in het vraagstuk in te dringen, hoe het materiële op de geest inwerkt. Dan moet deze zijde van het marxisme, de leer van het geestelijke, het denken, het bewustzijn nader ontwikkeld en toegepast worden.

Maar ook voor de geschiedenisverklaring zelf is dat nodig en tot opheffing van bezwaren tegen onze leer. Passen wij het marxisme toe op de tegenwoordige tijd, op de geschiedenis die wij beleven en maken, dan staat men er geheel anders voor dan bij een onderzoek van het verleden. Wat in vroegere eeuwen gebeurde: maatschappelijke inwerking op de mensen en terugwerking van de mensen op de maatschappij, is af; de reeks inwerkingen, waarin de menselijke geest tussenschakel is, is telkens voltooid en eindresultaat en oorspronkelijke oorzaak zien we duidelijk naast elkaar staan.

Maar dezelfde keten van oorzaken en uitwerkingen in onze tijd is niet af; wij staan er midden in. Talloos zijn de wijzen, waarop de maatschappij bezig is de menselijke geest om te vormen, zonder dat dit nog in een volgende daad zijn beslag gekregen heeft, of de gevallen, dat een nieuwe werkelijkheid nog nauwelijks begonnen is, op de geesten in te werken. Hier kan men dus nog niet een maatschappelijke oorzaak met een praktisch maatschappelijk resultaat verbinden. Hier staan we nog midden in de groeiende processen van inwerking, van langzaam rijpen van nieuwe inzichten, van propaganda, van voorbereiding van komende revoluties.

Hier is het eenvoudige verband, dat in de vroegere geschiedenis de bewijskracht van het HM vormde, nog niet aanwezig. Hier schijnt dan in de ingewikkelde warreling van oude en nieuwe ideeën, van revolutionaire klassenstrijd, van reactie en apathie, de leer op allerlei wijzen in strijd met de werkelijkheid te zijn. En hier treedt dan ook de vraag naar het praktisch handelen op (die in het geschiedenisonderzoek niet bestaat): welke rol speelt ons eigen willen en werken in dit proces?

Het is bekend, dat deze zijde van het marxisme (door duidelijke maatschappelijke oorzaken) in de achter ons liggende halve eeuw te veel op de achtergrond gebleven is. De sociaaldemocratie moest in de parlementaire periode van het rijpende kapitalisme zich beperken tot voorbereiding en rustige propaganda; het proletariaat was nog niet rijp voor revolutionaire daden, dus moest de theorie vooral de noodzakelijkheid van de socialistische revolutie uit de kapitalistische ontwikkeling demonstreren. Daar de sociaaldemocratie niet tot daden opriep, maar omgekeerd tot afwachten aanspoorde, tot de materiële omstandigheden rijp zouden zijn, nam de theorie de vorm aan van een mechanisch verband tussen economische oorzaken en maatschappelijke omkeringen, waarbij de tussenschakel van de menselijke activiteit uit het gezicht verdween. Het is bekend en niet toevallig, dat juist diegenen onder de theoretici die tot de woordvoerders van een nieuwe actievere tactiek behoorden, ook in de theorie de nadruk legden op de tussenschakel van de menselijke geest en zijn samenhang, passief en actief, ontvangend en inwerkend, met de maatschappij.

III

Al het handelen van de mensen geschiedt door tussenkomst van de menselijke geest. Het historisch-materialisme, als wetenschap van het menselijk handelen, moet dus ten nauwste samenhangen met een bepaalde wetenschap van de geest. Het gaat uit van een bepaalde opvatting omtrent de verhouding van denken en zijn, het omvat zelf een nieuwe wijsbegeerte. Zijn filosofische grondslag is de leer van de eenheid van het heelal, die bij Marx en Engels eenvoudig de naam materialisme draagt.

De menselijke geest wordt geheel bepaald door de omgevende wereld. Alles wat in de geest is, is afkomstig uit de reële wereld rondom, die door de zintuigen op hem inwerkt. In deze filosofische grondstelling van het HM wordt niet een onderdanigheid van de geest onder de stof vastgesteld, maar de eenheid van het geestelijke met de gehele wereld. Elk deel van het wereldgeheel wordt geheel door de overige wereld bepaald. Het bestaat slechts door zijn eenheid met het overige; en zijn eigen wezen, het totaal van al zijn bijzondere eigenschappen, is niet anders dan het geheel, de gezamenlijkheid van de wijzen, waarop het de inwerking van de overige wereld ondergaat en terugstraalt; het totaal van al zijn wisselwerkingen met het heelal. Wanneer wij het een “ding” noemen, dan is dit slechts een woord, een begrip, dat al deze werkingen samenvat, die wij als verschijnselen waarnemen.

Zo is ook de menselijke geest… (ook dit begrip is slechts een samenvatting van een eindeloze reeks van geestelijke verschijnselen), zo is ook de menselijke geest een deel van het heelal, in voortdurende wisselwerking met het overige. Vanuit deze wereld stromen de werkingen op hem in en omgekeerd werkt hij, door het medium van het lichaam, op deze wereld terug. Natuurlijk verstaan wij onder wereld hier niet enkel de stoffelijke wereld. Ons heelal is niet het totaal van al wat lichamelijk en weegbaar is, maar alles wat waarneembaar en als zodanig reëel is. Daartoe behoort dus ook al het geestelijke in de hoofden der mensen. Natuurlijk niet de voorgestelde objecten van fantasie; een algemene wereldgeest of een absolute idee behoren niet tot de werkelijke materiële wereld. Maar de voorstellingen zelf, die in sommige hoofden van zulk een fantastische geest bestaan, de fantasieën en hersenschimmen zelf, zijn, werkelijk bestaand, dus reëel, dus materieel in onze zin van het woord. Deze gehele reële wereld is materieel voor onze geest en staat als materie tegenover hem. Alles wat in hem is, is de inwerking van de omgevende wereld. En zijn bijzondere, wezen is niets dan de samenvatting van zijn eigenschappen, de manier waarop deze inwerkingen opgenomen en verwerkt worden.

De eerste belangrijke eigenschap is het vermogen om te verzamelen; het geheugen. Als een eindeloze stroom vloeien de indrukken, de werkingen van de wereld, in de geest naar binnen en worden er opgezameld. De voorstelling, dat de stroom van de tijd aan ons voorbij gaat als het touw van een veerboot, waar wij langs drijven: Steeds één punt vastgrijpend, het ogenblik van nu, dat ons tegelijk alweer ontglipt — geeft geen juist beeld. Het eindeloze touw wordt onder het voortgaan ingenomen en daalt opgerold in het ruim van ons schip neer. Het wereldgebeuren stroomt in ons, en wij worden steeds nieuw en anders. Steeds rijker wordt onze ervaring, steeds voller en groter de inhoud van het bewustzijn. Wat doet de geest met deze aldoor groeiende massa van indrukken?

De tweede eigenschap, die het wezen van de geest karakteriseert is het abstractievermogen. De eindeloos gevarieerde massa der indrukken, die de geest binnendringen, wordt verwerkt tot een abstract beeld, waarin het algemene van de concrete verschijnselen tot begrippen samengevat is. De techniek van dit proces, de verhouding van het beeld tot object, het wezen van de begrippen in tegenstelling tot de werkelijkheid, is door Dietzgen in meesterlijke klaarheid uiteengezet en behoeft hier niet uitvoerig behandeld te worden. In het begrip is het algemene, het wezenlijke, het gemeenschappelijke, het blijvende, uitgedrukt van het deel van de wereld, van de groep van verschijnselen, waarvan het het beeld is; van het bijzondere, verschillende, wisselende van de werkelijkheid is daarbij geabstraheerd. De oneindige veelheid en verscheidenheid van de wereld vindt geen plaats in ons hoofd. Daarom moet de geest deze vereenvoudigen door van verschillen en verscheidenheden, die bijkomstig en toevallig zijn, af te zien. De begrippen zijn uiteraard vast, hard, scherp omgrensd, terwijl de werkelijkheid, die zich daarin kristalliseert, als een vloeiende stroom steeds anders, eindeloos verscheiden en veelsoortig, voorbij ruist.

Daaruit volgt reeds, dat de begrippen zelf niet rustig kunnen blijven bestaan. Zij moeten steeds opnieuw gewijzigd, omgevormd, anders begrensd, door andere vervangen en zo aan de wisselende werkelijkheid aangepast worden.

Onafgebroken dringt de stroom van indrukken en ervaringen uit de buitenwereld in de geest in, wordt daar verzameld, verwerkt, gedestilleerd, gegeneraliseerd tot denkbeelden, begrippen, oordelen, ideeën, gevoelens, regels, de inhoud van het bewustzijn, en zinkt dan weg in het onderbewustzijn en de vergetelheid. Passen de nieuwe indrukken in het reeds gevormde beeld, doordat de wereldomgeving steeds in gelijke vormen terugkeert, dan wordt dit begripsbeeld steeds vaster gemetseld en versteent tot een onaantastbaar geestelijk bezit. En het gaat niet verloren met het individu. Door het maatschappelijk samenleven en samenwerken vindt een voortdurende uitwisseling van denkbeelden plaats. Het geestelijk bezit van de wereld is geen individueel, maar een collectief bezit. Het geestelijk bezit, dat een samenleving in de loop der tijden verworven heeft, wordt aan het opgroeiende geslacht overgedragen. Zolang de levensomstandigheden gelijksoortig blijven, vindt dit dan steeds weer het overgeleverde systeem van begrippen en ideeën, de ideologie, in harmonie met de werkelijkheid. Dan wordt deze ideologie steeds vaster gefundeerd en ontwijfelbaar.

Maar nu verandert de wereld; door de menselijke arbeid zelf neemt de maatschappij steeds nieuwe vormen aan. Nieuwe indrukken, nieuwe ervaringen dringen de geest binnen en passen niet in het oude wereldbeeld. Nu gaat de geest aan het opbouwen uit het oude bezit en de nieuwe aanwinsten. Oude begrippen worden verandert of anders bepaald, nieuwe worden gevormd, oordeelvellingen wijzigen zich, nieuwe inzichten zetten zich vast, een nieuwe ideeënwereld ontstaat, langzamer of sneller, uit brokstukken van het oude, dat min of meer aangepast wordt, en de nieuwe ervaring. Het is hetzelfde proces, dat in het voortschrijden der natuurwetenschap plaats vindt, waardoor het beeld dat we ons van de natuur maken, nieuw en anders wordt. Met dit verschil echter, dat de ontwikkeling hier, niet komt doordat de wereld zelf sterk verandert, maar alleen doordat onze ervaring van de wereld, door het steeds voortschrijdende en nauwkeuriger natuuronderzoek, aldoor verandert. En bovendien vindt dit ontwikkelingsproces rustiger, bewuster en objectiever plaats, omdat het buiten de maatschappelijke strijd, buiten de hartstochten, buiten de onmiddellijke levensnood der massa staat; omdat het geen zaak der massa’s is, maar studieobject van een klein gilde.

Maar de maatschappij werkt op allen in. Zij is de eigenlijke wereld voor de grote massa der mensen. Ze dringt haar indrukken met reusachtig geweld aan allen op, omdat hun leven er van afhangt. Over de maatschappij, dat is over het eigen leven moet ieder zijn gedachten vormen. Ze groeien spontaan, onbewust in hem op, zelden als objectieve wetenschap, maar meestal als subjectieve voorstellingen. En voortdurend verandert de maatschappij, de omgeving, het levenslot — thans met reusachtige snelheid — en sleept ook de traagste hersenen onwillig mee. In innerlijke worsteling, in felle strijd of rustige denkarbeid worden de gedachten gerevolutioneerd, soms plotseling als met een toverslag, als inwerkingen van buiten enorm sterk zijn, soms ook langzaam en lange tijd nauwelijks merkbaar. In dit proces van voortdurende omvorming vindt de aanpassing plaats van het bewustzijn aan het maatschappelijk zijn.

Wanneer dus Marx zegt, dat het maatschappelijk zijn het bewustzijn bepaalt, betekent dit niet, dat ideeën van dit ogenblik bepaald worden door de maatschappij van dit ogenblik. De maatschappelijke werkelijkheid van nu is het ene element, de uit vroegere werkelijkheid ontstane ideeënwereld is het andere element, waaruit tezamen het nieuwe bewustzijn ontstaat.

Het eerste vormt de stoffelijke factor, de inwerking van de materiële wereld, het tweede is een geestelijke factor, het reeds aanwezige bezit aan ideeën en voorstellingen. Vandaar dat burgerlijke geleerden — naar een uiterlijke schijn oordelend — hieraan de onjuistheid van het historisch-materialisme menen te kunnen aantonen: de materiële werkelijkheid alleen bepaalt niet het denken, maar geestelijke factoren zijn even belangrijk. Zij zien daarbij (echter) over het hoofd, dat de tegenwoordige wereld zijn beeld niet op een schoon blad papier schrijft, maar dat het abstracte beeld van de inwerking van alle vroegere toestanden in de inhoud van het bewustzijn neergelegd is. Het bewustzijn wordt bepaald door het totaal van de vroegere en de tegenwoordige werkelijkheid. De burgerlijke opvatting gaat van de geestelijke bewustzijnsinhoud uit als van iets gegevens, waarvan de oorsprong niet nader behoeft te worden aangegeven, dat uit de “natuur” van de geest of uit een abstract buiten de mens bestaand geestelijk wezen ontspringt. De marxistische opvatting gaat uit van de overtuiging, dat de inhoud van het bewustzijn uit de inwerking van de reële wereld moet ontstaan zijn, en het zoekt daarvan de oorsprong in de vroegere levensomstandigheden der mensen. En dit geldt niet alleen voor het bewustzijn, ook in de andere eigenschappen van de geest, in de neigingen en aandriften, de instincten en gewoonten, die in onbewuste diepten van de geest verborgen liggen en als een geheimzinnige ingeschapen menselijke natuur verschijnen, openbaren zich de overgeërfde indrukken van duizenden jaren, vanaf de primitiefste oertijden.

Deze samenhang tussen geest en maatschappij geeft een inzicht in de oorzaken die, zoals men het meestal uitdrukt, het revolutieproces van de maatschappij tegenhouden en verlangzamen. Daarmee wordt niet enkel het subjectieve feit bedoeld, dat het langzamer gaat, dan het naar wens en inzicht van de vooraanstaande revolutionairen moest gaan, maar ook het objectieve feit, dat de werkelijkheid van nu zo weinig de geest van de mensen beheerst en bepaalt. Wij spreken dan van de macht van de traditie als de grote kracht, die de ontwikkeling belemmert. Bij een beschouwing van de tegenwoordige wereld, zijn klassenstrijd, zijn geloof, zijn ideologie, stuit men voortdurend op deze geweldige macht, en zonder haar is geen verklaring mogelijk. Daarbij begeeft men zich echter niet buiten het marxisme, want elke traditie is zelf een stuk werkelijkheid, die in de hoofden der mensen leeft, die hun daden bepaalt, die krachtig op anderen inwerkt en zo een grote invloed op het gebeuren uitoefent.

Wat haar tot traditie maakt, haar bijzondere natuur in tegenstelling tot andere geestelijke verschijnselen, is dit, dat zij een stuk werkelijkheid van uitsluitend geestelijke natuur is, waarvan de materiële wortels in het verleden liggen, die dus enkel op het verleden teert en in de nieuwe wereld geen voedsel meer vindt. Als voorbeeld kunnen de beide machtige ideologieën dienen, die het sterkst de geesten der arbeiders beheersen en van het socialisme afhouden: de godsdienst en het nationalisme. Hoe de godsdienst uit de primitieve en de kleinburgerlijke productiewijze opgroeide, hoe hij daarbij voortdurend vorm en aspect wijzigde, hoe hij de uitdrukking was van maatschappelijke organisaties, die sindsdien hun maatschappelijke basis steeds meer verloren, is reeds dikwijls in tal van werken en artikelen uiteengezet. De nationalistische ideologie onderscheidt zich van de andere daardoor dat zij in het kapitalisme wortelt, voor de bourgeoisie een levende werkelijkheid is, dus een nog jonger en frisser traditie, die daardoor op de arbeiders nog sterker kan inwerken.

Het mag vreemd schijnen, dat een ideologie zich nog zo lang kan handhaven, nadat haar voedingsbodem, haar grondslag, de werkelijkheid die haar schiep, reeds lang verdwenen is. Voor haar geldt echter hetzelfde als voor al het geestelijke in de mens. Niet alleen blijft het als een eigen wezen bestaan, zoals de herinnering blijft na de indruk en elk geestelijk beeld na een reeks van indrukken, maar het wordt nog enorm versterkt door de wederzijdse geestelijke inwerking der mensen. Evenals in de hersenen de gevoelscentra niet enkel door de prikkels van buiten aangedaan worden, maar ook op duizenderlei wijze met elkaar verbonden zijn, elkaar beïnvloeden en zo een geestelijk leven van gedachteverbindingen scheppen, dat voor een groot deel buiten de inwerkingen van buiten om gaat — zo werkt ook in de maatschappij, wat eenmaal in mensenhoofden aan ideeën gevormd is, als een nieuwe kracht op andere mensen in. De buitenwereld, die op onze geest inwerkt, bestaat niet enkel uit de stomme feiten van leven en omgeving, maar ook uit dat wat anderen ons zeggen, als neerslag van hun ervaringen, en uit wat zij — of vroegere geslachten — in boeken neergelegd hebben. Zoals het oorspronkelijk dunne geluid van de snaar door een klankbodem vol gemaakt wordt, zo klinkt ons de lering van de feiten, van de materiële levensgrondslag als een vol akkoord uit de omgevende mensenwereld tegemoet. De nieuwe ideeën, die bij de nieuwe werkelijkheid passen, worden door hen, waarin ze het eerst opgroeiden, die het eerst flauw de nieuwe toon hoorden en onderscheidden, gepropageerd. Hun krachtig geluid wekt de jongere en tragere geesten. Hun propaganda voegt zich bij de directe inwerking van de levenservaringen en brengt sneller tot begrip van het wezenlijke daarin. Evenzo wordt de oude ideologie door dezelfde kracht versterkt en in het leven gehouden; door de geestelijke inwerking van de ouderen op de jongeren, van de oude geschriften op de nieuwe generatie blijft het oude gedachteleven nog een tijdlang doorklinken; ook als haar eerste materiële oorzaak opgehouden heeft. Maar op den duur moet zij, dissonant geworden, te gronde gaan.

Wanneer een nieuwe werkelijkheid dag aan dag haar indrukken in de geest inprent en ze met enorme kracht in de koppen hamert, bezwijkt de oude ideologie en moet de geest meer de oude meningen opgeven en zijn ideeën richten op de behoeften van de nieuwe maatschappij. Het gaat soms langzaam, het gaat soms aarzelend en halfslachtig, maar tenslotte gaat het toch.

Want de propaganda van de nieuwe ideologie krijgt voortdurend nieuwe kracht uit de realiteit van het leven.

Hiermee speelt de snelheid van het maatschappelijk omwentelingsproces een belangrijke rol. In oude tijden, toen dit langzaam ging, versteenden de uit de maatschappij opgroeiende gedachtevormen tot vastroestende dogma’s. In tijden van snelle verandering wordt de geest meegesleurd, hij wordt soepeler en beweeglijk, en werpt sneller de oude denkbeelden weg. De achter ons liggende tientallen van jaren, waarin het kapitalisme en het proletariaat tot hoogste ontwikkeling moesten rijpen, brachten een stilstand of verlangzaming in het politieke omwentelingsproces.

In dit tijdperk trad daarom ook een verlangzaming van het geestelijke ontwikkelingsproces op, vooral in tegenstelling tot de voorwaarts stormende ideeënvorming uit de vorige burgerlijke omwentelingsperiode.

De gevolgen waren, na de schitterende conceptie van het marxisme, een terugval: revisionistische twijfelingen, opleving van burgerlijke kritiek, bij een deel der radicalen, dogmatische verstarring Nu echter breekt weer een revolutionaire periode aan, en zij zal ongetwijfeld ook een snelle omwenteling der geesten, een sterke vernieuwing der ideeën, een geweldige intellectuele revolutie meebrengen.