Willem van Ravesteyn

Een open briefje aan Dr. Herman Gorter

Naar aanleiding van: De lessen van de Maartbeweging
Naschrift op de Open brief aan Lenin

Bron: De Nieuwe Tijd, 26e jaargang, 1921 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Open brief aan partijgenoot Lenin
De lessen van de Maartbeweging

Waarde ex-partijgenoot!

Tamelijk lang heb ik in twijfel verkeerd, of het nuttig zou zijn, eenmaal nog, voor de eerste en ook voor de laatste maal sinds jij weer van de kolommen van De Nieuwe Tijd gebruik maakt na het tijdschrift jaren geleden de rug te hebben gekeerd, niet zozeer met u in discussie te treden dan wel een opmerking tot u te richten.

Tot u? Neen, veeleer tot anderen, tot degenen die, vogels van diverse pluimage, dit tijdschrift, laat ons zeggen lezen. Want tot u het woord te richten ware evenzeer verloren moeite als met u in discussie pogen te treden.

Doch men moet zich nu eenmaal tot iemand richten, wanneer men iets wenst te zeggen.

Ja dat is het, dat ik in het algemeen naar aanleiding van uw jongste schrijverij ook nog eens iets wens te zeggen, dat is het, wat mij noopt. En ook, een enkele uitdrukking in uw jongste stukje.

* * *

Het toeval wilde – er zijn van die toevalligheden wanneer men gedwongen is veel en velerlei door elkaar te lezen – dat ik tegelijk met uw jongste stukje, korte tijd daarna meen ik, twee dingen las, die zich in mijn gedachten met uw jongste proza en uw gehele figuur, zoals die na uw volkomen los worden van de arbeidersbeweging hier te lande en vroegere banden geworden is, associeerden. Als ik ze genoemd heb en gezegd heb, waarom, heb ik meteen mijn gedachten over uw huidige figuur en uw jongste stukken in De Nieuwe Tijd uitgesproken.

Veel lezers van dit tijdschrift zullen weer verwonderd staan, sommigen zich ergeren, anderen, de meesten hoop ik, zullen begrijpen of leren begrijpen.

Ziehier.

Het ene stukje – wonderlijkerwijze verscheen het precies op dezelfde dag als uw jongste kattebelletje aan Lenin – droeg de titel: Zwarte Jannetje. Het kwam voor in de bekend-goed-geredigeerde en uitgebreide theologische rubriek van de NRCt, waarin een waardig communist natuurlijk nooit een blik slaat. Maar toch was het een aardig artikeltje. Het behandelde de geschiedenis van de dezer dagen te Veenendaal, op 59 jarige leeftijd overleden, Jannetje Hootsen, aan wie Dr. C. Veltenaar, die, zoals er staat, als Gereformeerd Predikant in haar woonplaats de Veluwse vroomheid van nabij gadesloeg, een opstel gewijd heeft in een geleerd tijdschrift, het Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis.

Deze dominus Veltenaar, geeft, als vrucht van zijn onderzoekingen, omtrent deze Jannetje, die stichteres is geworden van een godsdienstige sekte, welke omstreeks vijfentwintig jaar geleden genoemd werd in verband met het drama te Appeltern, waarbij onder aanvoering van de zgn. “blikken dominee” Spiering een boerenknecht wegens de verdenking van door de duivel te zijn bezeten, op gruwelijke wijze om het leven is gebracht, en als resultaat van het onderzoek ter plaatse ingesteld bij de nabestaanden der overleden profetes, het volgende:

“Ik begon te spreken over haar bekering. De volksmond zegt, dat zij in haar jeugd ‘bekeerd’ werd, na de angsten der hel te hebben gekend. De heer H. bevestigde zulks, zeggende, dat zij onder het oordeel Gods gekomen was, dat het haar des hoofds ten berge gerezen was en dat zij na de slaande hand van Satan te hebben gevoeld, na enige tijd “verslonden was in de drie-enige en driemaal zalige God.”

Nu was de uitdrukking “verslonden in een drie-enige-Gods” mij niet vreemd, bijna dagelijks kunnen wij, zowel in de Hervormde als Gereformeerde Kerk of Vrij-Ger. Kerk deze uitdrukking horen, soms iets gevarieerd: “verzwolgen in een drie-enig God”, dat is de hoogste verzekerdheid en de zoetste rust. Op mijn vraag, of het toen reeds vaststond zich te isoleren van de Herv. Kerk, kreeg ik het antwoord, dat niet alleen de Hervormde, maar ook de Gereformeerde Kerk, ja alle kerken en de leraars van die kerken vijanden en verleiders zijn van Gods volk, want wat zij prediken is studiewerk, en dat zij wolven zijn in de schaapskooi Christi”. Het bleek mij, dat zij vooral in die tijd de invloed onderging van een zekere Tijmen van Dijk, een metselaarsknecht, die zeer diep was geleid, “wie al Godsgolven over de ziel waren gegaan” en die haar geestelijk kastijdde en haar “zeer wettisch leidde”. Tijmen van Dijk, die de Veenendalers van gevorderde leeftijd goed hebben gekend, was zoals ook anderen mij mededeelden “een diep-door-geleide”. Hij behoorde tot de ledeboerianen, maar deze discipel ging nog verder dan de meester.

Nadat Dr. Veltenaar vrijwel vergeefs, zoals hij meedeelt, door een soort van inquisitoriaal onderzoek, nadere wetenschap had pogen te verwerven omtrent de leer, de liturgische eigenaardigheden en de belijdenis der sekte, komt hij niettemin tot deze conclusie:

“Omtrent de eigenlijke belijdenis van de sekte kon dr. Veltenaar niets met zekerheid vernemen. Omdat de sekte thans een geheim genootschap is, kon hij niet te weten komen of de tegenwoordige aanhangers nog geheel onderschrijven hetgeen in een minder terughoudende bui de leden der sekte twintig jaar geleden hieromtrent hebben verteld. Volgens destijds verstrekte gegevens geloofde men in de sekte het volgende:

“Voor enige jaren is de wereld toegekomen aan het begin van uitvoering van een nieuw verbond. Dit derde verbond is gesloten tussen de lieve Heilige Vader en de man Christus, om de vrouw van Christus d.i. de H. Geest op aarde te zenden. Deze zending van de Heilige Geest geschiedde op dezelfde wijze alsook Christus in de menselijke natuur en gestalte in de wereld is gekomen, met dit verschil, dat Christus als mens van het mannelijk geslacht op aarde was en thans de Heil. Geest als mens van het vrouwelijk geslacht op aarde is en wel in de persoon van “Zwarte Jannetje”. Zij zelve zegt te zijn en door haar volgelingen wordt zij gehouden voor de H. Geest, in menselijke natuur en gestalte krachtens het derde verbond door de lieve Heilige Vader en haar man Christus op aarde gezonden. Deze vrouw wordt dan ook “de Geest” genoemd. Zij is heilig en een goddelijk persoon evenals Christus, toen hij op aarde was en behoort vanzelf ook als zodanig te worden aanbeden, hoewel thans nog niet evenals Christus welke aan het einde van zijn aardse loopbaan zei: “Gijlieden hebt tot nu toe nog niet in mijn naam aanbeden enz.” Wanneer zij hier haar werk volbracht zal hebben, zal zij ten hemel varen. Zij leeft in directe gemeenschap met de lieve Heilige Vader en haar man Christus en met al de Bijbelheiligen, zodat zij soms dagen lang in de hemel verkeert, terwijl haar lichaam roerloos op aarde is.”

Zijn oordeel, deelt de NRCt mee, over deze eigenaardige sekte, vat dr. Veltenaar, die als regelmatig dienaar des H, W. natuurlijk niets van deze buitenissigheden moet hebben, samen in de volgende slotsom.

“Mej. Hootsen is een product van haar omgeving, van de Veluwse vroomheid, een “diepe bekering, neergedaald in de derde hel”, opgetrokken daarna in de derde hemel. Door Tijmen van Eijk hard geslagen en later bijzonder bewierookt. Een profetes, die zich begon te voelen. Met een beetje meer kennis dan haar omstanders; zij had voor onderwijzeres geleerd, maar slaagde niet. Zij vormde een clubje, zij sloot zich op, had orakelen, was hysterisch aangelegd en liet zich gaan. Maar dat deze sekte gevaarlijk voor de zeden is, ik geloof er niets van. Ik kreeg de indruk van burgerlijk beschaafde lieden, en tevens van eigenaardige, welmenende christenen. Tijd rijpt, Tijd slijt. De scherpe kantjes zijn reeds afgeslepen.”

Van het radicale naar het verhevene is, ook in dit geval, slechts een schrede. En het verhevene deed zich hier voor – in mijn gedachteassociatie, herinnert men zich nog, waarvoor ik ongeveer zo verantwoordelijk ben als voor droomverschijningen – in een, als alles wat van deze hand verschijnt, buitengemeen interessant opstel: Twee worstelaars met de engel getiteld, door de Leidse historicus en essayschrijver Prof. Dr. J . Huizinga, geschreven in de juni aflevering van De Gids, door welk opstel ik voor het eerst kennis maakte, zij het ook indirect, met een van die werken, welker niet-lezing, of welke nog niet gelezen te hebben, reeds geruime tijd voor mij tot de vele kleine kwellingen van het dagelijkse leven behoorde, namelijk het, bij onze geliefde oosterburen, reeds beroemde werk: Der Untergang des Abendlandes.

Het zij hier medegedeeld, voor wie het mocht interesseren, dat Prof. Huizinga’s opstel, dat ik met vurige belangstelling las, mij van een kleine last heeft ontheven. Naast en behalve het genot, het werkelijk groot genot, dat zijn studie mij verschafte, ontnam hij mij de plichtslast, die ik meedroeg, van namelijk het boek van de genoemden “Grote Germaan” naast zoveel andere, die ieder met werk overladen nu eenmaal op een lijstje, letterlijk of figuurlijk, heeft staan, ook nog te moeten lezen. Na de lectuur van Prof. Huizinga’s opstel en in felle weerwil van diens raadgevingen, zal ik, pour ma part, ik zweer het, het beroemde boek met de “sombere titel” zoals Prof. Huizinga het noemt, en dat op echt-grondig Duitse wijze voorzien is van pakkende en diepzinnige ondertitels, terwijl het natuurlijk ook nog maar een eerste deel is, al of misschien omdat het meer dan 600 bladzijden telt, niet lezen, niet behoren tot de kopers van het 55e, noch van het 60e of het 75e duizendtal.

Maar het zij vergund – want, niet waar, de gedachteassociatie ! – uit het lumineuze opstel van Dr. Huizinga een enkel ding te citeren, waarmee hij ons omtrent het geleerde, verhevene en diepzinnige werk in kwestie, dat, naar hij zegt, reeds een hele literatuur in het Germaanse land heeft voortgebracht en door geen beschaafde Duitser ongelezen is gelaten, enige kennis verschaft.

Ik lees daar dan:

“Het begrip ‘Kultur’ heeft voor Spengler een regelrecht neoplatonische zelfstandigheid. “Kulturen sind die letzte uns erreichbare Wirklichkeit.” (p. 235). Een cultuur is “das Phänomen eines Seelentums, dessen Sein in der rastlosen Verwirklichung seiner inneren Möglichkeiten, seiner Idee, sich erschöpft.” (p. 351)- Zij is derhalve een wezen, met een ziel en een karakter en dus met een “Schicksal”. Dat zich het begrip van de meeste culturen noch naar aard en samenstelling, noch naar omvang en duur nauwkeurig laat begrenzen, hindert Spengler in het geheel niet. Integendeel. Immers, wanneer de culturen waarlijk vatbaar waren voor beperking en definitie, zouden zij naar zijn eigen grondstelling, geen historische denkbeelden, maar begrippen uit het dode rijk der natuur zijn. Zij kunnen derhalve slechts worden geschouwd.”

De onderstreping van het laatste zinnetje heb ik mij veroorloofd. Wat ook, in de voorstelling van de een of andere Duitser, de inhoud moge zijn van de rimram, vervat in de onvertaald aangehaalde zinnetjes van de grote Germaan, zoveel maakt Professor Huizinga ons duidelijk, dat wij hier te maken hebben met een van die vele, meer of minder gecompliceerde vormen van neomystiek, die voor wie kennis heeft genomen van de geestelijke begeleidingsverschijnselen van het opkomende en ondergaande imperialisme, weliswaar op zichzelf niets bijzonders zijn, doch die zich bij deze Duitser, op de wijze der Duitsers, blijkbaar in een zeer krasse en grove vorm manifesteren.

Professor Huizinga, die zonderling genoeg, voor deze “kolossale” veel wetende, “magiër”, zoals hij hem ergens noemt, blijk geeft van respect, merkt op, dat het “grondeuvel” – een germanisme, en nog wel een lelijk – de grondfout van deze schrijver, die schijnbaar zo sublieme hoogten, de Alpentoppen, van het denken en schouwen, bereikt, is: verachting voor de feiten. “Waar een mystieke levensloop van culturen, wier z’n de dragers onbewust is, de inhoud der geschiedenis uitmaakt, daar zin de werkelijke gebeurtenissen en de individuele personen irrelevant”, komen er niet op aan, voegt Prof. Huizinga hier aan toe. En, in het begin van het opstel (op pag. 463): “Terwijl zijn eigen luid en krachtig verkondigd beginsel hem moest vrijwaren voor elke systematiek en elk naturalisme, vervalt hij zelf integendeel in de meest geforceerde schematisering en het meest misleidende antropomorfisme (ten dele beter fytomorfisme), dat ooit ter verklaring der geschiedenis is aangewend.” Professor Huizinga vindt in het boek iets “zeer tragisch”. “De tragiek van de Duitse geest, zou men kunnen zeggen. Hier is een denker, zo scherp, zo diep, zo veel omvattend als weinigen, geniaal in de volle zin des woords. Maar naar het onvergetelijke woord van Madame de Staël: Het denken, dat andere volken kalmeert, windt de Duitser op.”

Men kan in die specifiek Duitse mentaliteit – ieder der grote cultuurvolken heeft, wij wezen daar reeds meer op, de historisch bepaalde denkwijze, welke het onder de invloed van het burgerlijk cultuurtijdvak als “acquisiet” had verworven, onder de invloed van het imperialisme scherper omlijnd, consequenter doorgevoerd – iets “tragisch” zien. Ik voel daar, de zaak bekeken in het licht van de wereldgeschiedenis, ook iets voor. Maar zeker is, dat zij het Duitse volk, en wie haar is vervallen, zowel in de wetenschap, als in de politiek en op elk gebied van sociaal bewegen, tot verderf voert. Daarvan heeft de wereldoorlog de bewijzen zo overvloedig opgeleverd, dat, in de andere landen, geen enigermate historisch geschoolde en ontwikkelde er meer aan twijfelt.

Ziedaar mijn twee associaties.

En nu mag de lezer zijn conclusies trekken. In het jongste opstelletje aan het adres van Lenin, gelijk in de geschriften die Herman Gorter sinds enige jaren publiceert, tref je, als je historisch een beetje geschoold bent, de paring aan van dit Hollands belachelijke en dit Duits-verhevene.

Het belachelijke ziet men, in een volkomen zuivere parallel naast het Zwarte-Jannetje-verschijnsel in de christelijke kerken, in de resultaten, die de prediking der beginselen, waarvan Herman Gorter zich de profeet voelt in de Internationale, hier te lande heeft opgeleverd. De consequentie – en wij voegen er aan toe – de onvermijdelijke consequentie is het circulairtje, dat niet lang geleden verspreid werd door een kleine groep in Den Haag, samengesteld uit uitwerpsels van de CP, ten dele reeds in een vroeger stadium van haar ontwikkeling als SDP. Deze lieden, van wie men als het gunstigste mag aannemen, dat zij niet, of niet alle in dienst der politie staan, voeren de beginselen, die Gorter in het jongste naschrift weer met zoveel pathos tegen Lenin aanvoert, door tot de eenvoudige consequentie: geen gedonderjaag met vakverenigingen, geen lastig werk voor een partij, doch de vrijheid om op al wat leider heet of is, mondeling en schriftelijk te schelden, in naam natuurlijk van de onbevlekte idee, welker al of niet moreel bevlekte, maar in ieder geval van alle kennis en studiebare vertegenwoordigers zij zijn.

Het verhevene? Welnu: het is er. Het is er, het Duitse mysticisme, dat “de feiten veracht”, doch zich in de regionen van de zuivere gedachte zó vrij en frank voelt als een vogel.

De mysticus heeft het recht de feiten te verachten. Hij hoeft niet eens te weten dat ze bestaan. Hij heeft het recht om te schrijven: de KAPD en de Hollandse marxisten waren van mening, dat de Internationale en de tactiek die zij het vorige Congres vaststelde onder inspiratie van de Russische communisten vooral, van Lenin dus als erkend leider der sterkste partij in de Internationale niet het minst, “moest leiden tot de ergste verzwakking van de revolutie, tot een chaos in het proletariaat, tot verwarring onder de communisten en zo tot de ergste nederlagen”. Waarom zou hij niet spreken van de Hollandse marxisten, er hoogstens twee bedoelende, namelijk zichzelf en Dr. A. Pannekoek? Waartoe zou hij deze zinnetjes neerschrijvende, bedenken, dat ook anderen voor zichzelf en voor het publiek op de naam: “marxist” aanspraak maken, en als zodanig in binnen- en buitenland doorgaan? Wat komt het er voor de mysticus op aan, wat hij neerschrijft, wanneer de geest hem drijft? Feiten, harde, gezonde feiten, zoals de Engelsman zegt? De mysticus, de Duitse neomysticus bovenal, is er om ze te verachten.

Men redeneert niet met de mysticus.

Men classificeert hem. In de geschiedenis van alle geestelijke bewegingen heeft hij, weet ieder, die historisch een beetje geschoold is, zijn betekenis, zijn vaak grote betekenis gehad. Maar het is de politicus, zomin als de wetenschapsman nooit in het hoofd gekomen, met de mysticus een debat te voeren. Met mystiek redeneren zou zijn redeneren tegen de Liefde of tegen de Haat.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS