Willem van Ravesteyn
De wording van het communisme in Nederland 1907-1925
Hoofdstuk 3


De eerste jaren van de SDP

Reeds vóór de beslissing te Deventer viel en onmiddellijk nadat de congressisten uit de stad aan de IJsel weer naar hun woonplaats terug waren gekeerd, hadden, zoals gezegd, de Tribuneredacteuren, op verschillende bijeenkomsten met hun naaste vrienden en geestverwanten, vastgesteld wat hun te doen stond, indien zij geroyeerd zouden zijn. Uit die bijeenkomsten was een soort permanente commissie ontstaan [1] en deze voorlopige commissie, waarin Wijnkoop het voorzitterschap bekleedde, riep op zondag 14 maart 1909 in “Handwerkers Vriendenkring”, het toen zeer bekende vergadergebouw niet ver van het Weesperplein te Amsterdam, de vergadering bijeen, die tot stichting van een nieuwe partij besloot. De voorzitter opende de vergadering met een rede, waarin hij uiteenzette, waarom de geroyeerden en degenen die met hen uitgetreden waren, nu het referendum de besluiten van Deventer had bevestigd, wel verplicht waren een nieuwe partij te stichten. Hij beriep zich daarbij vooral op datgene, wat reeds Wibaut zelf naar aanleiding van het Arnhemse congres had gezegd, namelijk dat aan het democratisch karakter van de partij afbreuk was gedaan. Te Deventer echter was de democratie in de SDAP inderdaad geschonden. Overal elders, zei hij terecht, kon men in de arbeiderspartijen de propaganda voor een marxistische tactiek en marxistische beginselen vrij voeren. In de Nederlandse SDAP was dit nu niet meer mogelijk. Er bleken 400 leden vertegenwoordigd door afdelingen te Amsterdam (160), Rotterdam (65), Den Haag (45), Leiden (56), Utrecht (25), Bussum (15) en verder nog te Zwolle, Weesp en Westeremden (Groningen), terwijl men te Enschede, Haarlem, Leeuwarden, Groningen en Vlissingen hoopte spoedig afdelingen te stichten. Het woord was vervolgens aan Gorter, die namens de commissie voorstelde, als beginselprogram het oude program van de SDAP te aanvaarden, dat door marxisten uitstekend kon worden verdedigd en waaraan sinds 1906 in de SDAP juist reformistische twijfel was gerezen. De dichter, toen nog — trouwens nog jaren later eveneens — in de volle kracht van zijn ongeëvenaarde overredingskunst en helderheid, sprak zijn diepe blijdschap uit dat het hem nu weer vrij stond te kunnen zeggen wat hem op het hart lag, terwijl dit in de laatste jaren in de SDAP niet meer mogelijk was geweest. Mr. Mendels, mede uit de SDAP getreden, onderstreepte ‘s dichters woorden een en andermaal met een versterkende tussenroep. Aan deze bekwame propagandist, wiens verlies ook de SDAP zeer ter harte ging, was de verdediging van het strijdprogram opgedragen en ook hij legde er de nadruk op dat wat hij te zeggen had niets nieuws was maar wat men in de SDAP had moeten kunnen zeggen, maar nu niet meer kon. Zijn rede culmineerde in een motie inzake het A.K., constaterende, dat de invoering van het A.K. de voorwaarde was voor de verovering van alle democratische en sociale hervormingen, die de arbeidersklasse alleen nastreeft, en dat tegenover de schijnmanoeuvres van de burgerlijke partijen van alle gading, wier streven gericht was op een vorm van A.K., waarbij de arbeidersklasse in ieder geval tegenover andere klassen, inzonderheid de kleine burgers en boeren, in een ongunstige positie zou worden geplaatst, de taak was, deze schijnmanoeuvres te onthullen en te bestrijden, waarom bij de a.s. verkiezingen de strijd voor het A.K. in deze geest zou worden gevoerd. De strekking van deze motie en van het gehele betoog was natuurlijk, dat de tactiek, die de SDAP sinds 1905 steeds duidelijker was gaan volgen, waarbij zij in de praktijk een zekere voorkeur voor de linkse (vrijzinnige) partijen demonstreerde, foutief was en behoorde te worden vervangen. Mendels leverde van dit fundamentele verschil in tactiek op allerlei terrein een reeks uitmuntende voorbeelden. Zijn rede bij die gelegenheid kan nu nog wel als een voortreffelijke samenvatting van de twee tactieken: de reformistische en de marxistische (revolutionaire) in dat tijdsgewricht gelden. Hij legde bv. ook de nadruk op het onbeperkte stakingsrecht van alle arbeiders en ambtenaren in publieke dienst, iets wat de SDAP nooit expressis verbis had erkend. Aan het debat, dat niet lang duurde, omdat men het alleen over ondergeschikte punten niet eens was, werd deelgenomen door Mr. Van Eek uit Leiden — die, evenals Mendels weer in de schoot van de moederkerk, de SDAP, zou terugkeren, door C. B. Robbers, uit Rotterdam, een van de voormannen van de arbeiderscoöperatie Voorwaarts, evenals zijn stadgenoot Goudswaard, door Burm en Van der Wijk, beiden met aanmerkingen op de militaire paragraaf, die het volksleger eiste. Dit was een onderwerp, dat later tot meer strijd aanleiding zou geven. Mendels kon deze oppositie gemakkelijk weerleggen door er op te wijzen, dat dit overgenomen strijdprogram slechts een voorlopig was, terwijl aan een commissie zou worden opgedragen, een strijdprogram te ontwerpen. Deze werd samengesteld uit drie leden: Van Ravesteyn, Mr. Sannes — niet het latere kamerlid, maar diens broeder — en P. Wiedijk.

Vervolgens kwam de naam van de nieuwe partij aan de orde. De meerderheid van de commissie stelde voor SDP. Dr. Knuttel releveerde dat het oorspronkelijk voorstel luidde ISDP (Internationale Sociaaldemocratische Partij), Voogd en Mannoury (de later beroemde mathematicus), pleitten voor NSDP (Nederlandse), Mendels ten slotte wilde NSDP (Nieuwe). Na bestrijding door Gorter en anderen werd dit alles verworpen en bleef men bij het bestuursvoorstel. Onder deze naam zou de nieuwe partij dus in zee gaan, tot zij hem, precies 10 jaar later, onder de invloed van de Russische revolutie, veranderde in Communistische Partij.

Het verdere deel van de niet lange vergadering — men begon om 10.30 uur ‘s morgens en had de zaal slechts tot zes uur — werd vooral in beslag genomen door Cetons inleiding over het voorstel tot deelneming aan de algemene verkiezingen. Praktisch zeker het belangrijkste, daar de jonge partij aldus onmiddellijk blijk gaf, het reformisme en de sterkere partij, die zij pas de rug had toegekeerd, tegemoet te treden op het terrein, dat deze als het gewichtigste beschouwde, de naderende stembusstrijd. De vrolijkheid — jeugdigen als de meesten van de aanwezigen nog eigen — ontbrak bij die inleiding niet, toen de boomlange Ceton zijn ernstig betoog zowat begon met de zin: Wij zijn klein. Het verslag ten minste vermeldt, dat daarop onbedaarlijk gelach volgde. Wat Ceton verder, kalm als altijd, voorstelde, was deelneming in twee Amsterdamse, één Rotterdams district, in Leiden en in Utrecht. Bij herstemmingen zou men natuurlijk de kandidaten van de SDAP steunen. Bij het debat deed Voogd (uit Tiel) het voorstel, district III van Amsterdam (Troelstra’s zetel) niet te betwisten, wat door het gemeenteraadslid Vader uit Weesp werd gesteund, maar door Coltof, de uiterst bekwame ambtenaar aan Koloniën, bestreden.

Dit was wel het belangrijkste geschilpunt dat bij deze gelegenheid rees. Er was bij sommigen een soort schroom om de in 1902 met zoveel moeite verworven zetel in het “rode” district van de hoofdstad, toen vooral onder Cetons leiding veroverd, thans in gevaar te brengen. Inderdaad deed het voorstel tot deelneming dit en Troelstra moest zich daardoor ook aan een herstemming onderwerpen, wat hij met enige spijt in zijn Gedenkschriften memoreert. Maar bij stemming werd het voorstel-Weesp om in Amsterdam III niet deel te nemen, verworpen met enkel Weesp en Westeremden voor. Het slot werd gevormd door een korte mededeling van Wijnkoop over de aansluiting bij de Internationale. Gorter en hij waren te Brussel geweest om de kwestie uiteen te zetten, maar wisten verder nog niet, wat er gebeuren zou. Zij werden gemachtigd de onderhandelingen voort te zetten. Als voorzitter van de nieuwe partij werd Wijnkoop gekozen; als secretaris-penningmeester Marie Mensing, als derde lid van het DB, Ceton.

Verdere leden van het partijbestuur werden onmiddellijk gekozen Gorter en Mendels, terwijl herstemming moest plaats vinden tussen De Levita, Van Ravesteyn, Mannoury en Hemerik.

Hiermee eindigde deze stichtingsvergadering, die men, in het licht van de historie, als de stichtingsdag mag beschouwen van wat later de afdeling zou worden van de Communistische Internationale, van de nieuwe grote Ecclesia, die na 1918 de wereldpolitiek voor een groot deel heeft bepaald.

De voorzitter had niet verzuimd eraan te herinneren, dat 14 maart de sterfdag was van Karl Marx en dat het De Tribune was geweest, die Marx’ gedachte hier had pogen hoog te houden en te verbreiden. Hij en de zijnen zouden Marx’ nagedachtenis trouw blijven.

Schrijver dezes herinnert zich nog levendig, hoe wij, na afloop en na een krachtige “Internationale” die regenachtige maart avond naar het station marcheerden, Gorters felle kop onder de voorsten, de Jodenbuurt door, die van onze liederen weergalmde. Ach, schoon was dit alles toch wel!

Een week daarna moest de jonge partij in hetzelfde lokaal een spoedcongres houden ten einde een eerste aanslag op haar bestaan af te weren. Gorter en Wijnkoop waren, zoals gezegd, naar Brussel geweest om met het secretariaat van de Tweede Internationale, d.w.z. met Dr. Camille Huysmans, te onderhandelen over de toetreding tot de Internationale. Vastgesteld was daar niets. Bepaalde voorstellen waren niet gedaan. Maar Huysmans, uiteraard tegenstander van de splitsing en wiens taak het was zo mogelijk weer bijeen te brengen, was naar Amsterdam gekomen, had daar eerst met het PB van de SDAP geconfereerd, vervolgens een bezoek gebracht aan dat van de SDP Als resultaat van een en ander waren er nu voorstellen en een brief, 11 maart door de beide redacteuren van het Weekblad aan het PB van de SDAP geschreven, die hierop neerkwamen, dat de laatsten volledig vasthielden aan hun voornemen om in dat orgaan vrijuit te schrijven wat zij wilden, maar dat men nu ook van de SDP eiste, dat zij haar actie tegen de grote partij zou opschorten tot men... nu ja, tot zij murw zou zijn gemaakt en de meesten van haar leden weer met hangende pootjes terug zouden keren in de schoot van de verlaten moederkerk. Over deze voorstellen van Huysmans nu was er in het PB van de jonge partij verschil van mening gekomen en daarom had het deze bijeenkomst belegd om een beslissing van de gehele partij te verkrijgen. Bij de discussie bleek, dat Mendels voorstander was van opschorting van de actie en verdere onderhandeling, dat Gorter ook iets zag in de voorstellen van Huysmans, maar dat de overige leden hier tegen waren. Een motie van de afdeling Rotterdam, die scherp nog eens de puntjes op de i zette [2] — zij eiste als basis voor onderhandeling de intrekking van het royement van de drie redacteuren van De Tribune en van het besluit tot opheffing van dit blad — werd ten slotte aangenomen met 251 tegen 127 stemmen en 14 stemmen blanco.

De “extremisten” hadden het dus gewonnen en iets anders was ook wel niet mogelijk, wilde men de jonge, nog zo zwakke organisatie niet aan een proef onderwerpen, waar zij zeker niet tegen bestand zou zijn geweest. Maar de gevolgen waren niettemin onaangenaam. Gorter scheen een ogenblik te weifelen of hij, na deze uitspraak, nog wel zijn krachten kon blijven geven aan de propaganda: hij was met Wijnkoop de spreker op al de vergaderingen, die werden belegd om de kleine partij bekendheid te verschaffen. En Mendels kroop geheel in zijn schulp. Uit zijn woorden bleek op dit congres reeds, dat hij nu niet meer de moed had te volharden op de ingeslagen weg en inderdaad is Mr. Mendels spoedig daarop weer in de schoot van de SDAP teruggekeerd, waar men hem natuurlijk met open armen ontving. In latere jaren is hij een van de meest bekende en schitterendste parlementaire vertegenwoordigers van de arbeiderspartij geworden, als lid van de Eerste Kamer. Wijnkoop kon in zijn hoofdartikel van 27 maart terecht spreken van “naweeën”, die door het optreden van de internationale secretaris, feitelijk ten gunste van de grote partij, waren veroorzaakt. De SDP verloor er inderdaad behalve Mendels nog enige minder bekenden door. Niet echter Gorter, wiens weifeling van korten duur was en die, na de stichting van de SDP, evenals Mendels deel uitmakend van de redactie van De Tribune, haar getrouw bleef en al zijn grote gaven in dienst bleef stellen van de jonge organisatie. Wij zouden op het terrein van de biografie en de psychologie moeten treden om het verschil in gedrag van deze beiden, ieder een figuur van betekenis, zij het ook van geheel andere aard, nader toe te lichten. Ruimte en aard van deze bladzijden verbieden dit. Eén omstandigheid dient echter nog wel te worden gereleveerd. De houding van de “marxistische” pers in Duitsland, zowel van het hoofdorgaan te Berlijn, de Vorwärts waar de revisionistische redactie sinds enige jaren geheel plaats had moeten maken voor een orthodox-marxistische, als van de Leipziger Volkszeitung vooral, het orgaan van het linkse of radicale marxisme, welks hoofdredacteur Dr. Lensch in 1908 een bezoek aan Nederland had gebracht om de Rotterdamse redactie van De Tribune voor zijn blad te winnen, was een enorme politieke en zedelijke steun voor de drie stichters van het Nederlandse blad en de overgrote meerderheid van hun vrienden. Die pers immers, reeds geheel vertrouwd met het feit, dat de meerderheid van de SDAP revisionistisch was, veroordeelde de Deventerse daad ten scherpste en aarzelde ook niet Huysmans zijn al te partijdige interventie te verwijten. Een en ander was een machtige steun voor de meerderheid van de afgescheidenen. En ook mag niet worden vergeten dat deze Nederlandse partijcrisis en de strubbelingen, die zij veroorzaakte, samenvielen met een internationale crisis, een crisis op het terrein van de grote Europese politiek, die de volle aandacht van de Tribuneredactie had.

In dezelfde nummers, waarin het ontstaan en de eerste gevaren voor de jonge partij de grootste ruimte innemen, ontbreken toch de buitenlandse overzichten niet, die op deze internationale gevaren het volle licht werpen. Het artikel (van Kautsky ditmaal) Oostenrijk en Servië (De Tribune van 20 maart 1909) begint bv. met de woorden: “Sinds weken staat Europa voor het gevaar van een wereldoorlog. Telkens hoopt men het te bezweren, maar telkens duikt het gevaar opnieuw op, dreigender dan tevoren.” Het bij deze jonge marxisten levendige besef, dat Europa toen reeds aan de rand van een vulkaan leefde, was zeker niet een motief dat hen er toe kon brengen ter wille van vaderlandse belangen zoete broodjes te bakken en terug te kruipen in het schijnbaar veilige huis, waar men hen juist uit had gesmeten. En in het volgende nummer oefende de Rotterdamse redacteur scherpe kritiek op de “machtige” Oostenrijkse sociaaldemocratie, die in deze omstandigheden niets ondernam om de arbeiders tegen het dreigende oorlogsgevaar te mobiliseren. Vijf jaar later, toen de wereldoorlog werkelijk kwam, gold dat verwijt nog met even veel kracht.

In het nummer van 3 april wees Gorter — naar aanleiding van hetgeen Troelstra in Het Volk had geschreven — op een gevaar, dat de jonge partij ook volgens hem wel bedreigde door de omstandigheden, waaronder zij gedwongen was te werken. Enerzijds bezat een groot aantal van de arbeiders het kiesrecht nog niet. In een serie artikelen over het ontstaan van de SDAP had de Rotterdamse redacteur in dat opzicht een paar cijfers genoemd. In 1907 hadden 28,05 % van alle mannen het kiesrecht, wat gelijk stond met bijna 60 % van de mannen boven 25 jaar, maar terwijl bv. in Eindhoven het eerste cijfer 31,04 % bedroeg, beliep het in Amsterdam slechts 25,3 %, in Rotterdam zelfs slechts 20,7 %, terwijl het in een dorp met weinig of geen arbeiders kon stijgen tot bijna 40 %, waaruit dus bleek, dat juist in de grote steden en de meeste industrieplaatsen veel minder dan 60 % van de mannen boven de 25 jaar kiesgerechtigd waren, wat weer betekende dat zeker meer dan 50 % van de eigenlijk gezegde arbeiders het kiesrecht juist in die gemeenten miste waar zij het talrijkst waren. Troelstra had er nu op gewezen dat het enige rekruteringsgebied, dat voor de jonge partij feitelijk open lag, de nog steeds verzwakkende zgn. “anarchistische” — beter gezegd syndicalistische — beweging in Amsterdam en elders was. Inderdaad bestond dit gevaar. Enige jaren later zou ook nog een ander blijken, dat, wat men in de internationale beweging met de naam “impossibilisme” bestempelde en waarvan vooral in Noord-Amerika een zeer duidelijk voorbeeld was aan te tonen in de partij van De Leon, die er aan is bezweken. In de jonge SDP deed het zich voor, toen de SDAP haar actie voor het volkspetitionnement ter verwerving van het A.K. begon en er een stroming, tot zelfs in het PB (in de persoon van Ceton) ontstond, om deze actie niet te ondersteunen, dus niet te tekenen. Maar de jonge partij bezat in haar invloedrijkste voormannen te goed geschoolde marxisten om hetzij naar “anarchistische” (syndicalistische) hetzij naar impossibilistische kant blijvende afwijkingen te vertonen. En het was ook een geluk voor haar, dat de belangrijkste marxistische theoreticus, die de SDAP bezat, de redactiesecretaris van De Nieuwe Tijd, P. Wiedijk, met haar mee ging en haar met zijn prachtige artikelen in De Nieuwe Tijd een steun gaf, die niemand in staat was zó te verlenen. Wiedijk werd ook, door zijn benoeming in de Programcommissie, de ontwerper van een beginselprogram dat in exactheid van formulering, naar vorm en inhoud waarschijnlijk het beste, meest doordachte is van enige partij van de Tweede Internationale, een program, dat naar links noch naar rechts ook maar één concessie deed aan wat de strengste marxistische, d.w.z. dialectische maatschappijbeschouwing eiste.[3]

Aan de “verzoeningspogingen” van het Internationaal Bureau kwam officieel om zo te zeggen een einde — nadat Troelstra op het inmiddels te Rotterdam 11 april en volgende dagen gehouden congres van de SDAP de tactiek tegenover de jonge ketterse groep had geformuleerd met de korte en krachtige woorden: “Drukt ze dood” —, toen het inmiddels aangevulde PB, welks secretaresse nu de bezadigde Mevrouw Mensing was en waarin Van Ravesteyn mede was gekozen, de internationale secretaris Huysmans kalm terugwees, waar hij inderdaad buiten zijn boekje was gegaan door in plaats van te bemiddelen zich eenvoudig voor de SDAP te verklaren. Huysmans, als internationale secretaris, had ook niets te zeggen over de aansluiting van de nieuwe partij bij de Internationale of haar erkenning door het Internationaal Bureau, dat uit gedelegeerden van de partijen bestond en van congres tot congres de zaken van de Internationale moest behartigen.

De SDP stelde een vrij uitvoerige verantwoording op van haar ontstaan en wordingsgeschiedenis, een hoofdzakelijk door Van Ravesteyn geschreven brochure, die in twee talen (Duits en Frans) kort daarop het licht zag. Door deze brochure mede alsook doordat zij ter vergadering van het Internationaal Bureau weer uitstekend vertegenwoordigd werd door Gorter en Wijnkoop, faalde de poging van Troelstra, die er zitting in had voor de Nederlandse SDAP, om de jonge SDP te weren als bij de Internationale aangesloten partij. Doch wij lopen hiermee op de geschiedenis al een beetje vooruit. Voorshands kwam het voor de jonge partij er natuurlijk nog op aan, te vechten voor haar bestaan. Geen kleinigheid, wanneer men bedenkt, hoe zij tegenover een overmachtige tegenstander stond — voorshands was de SDAP natuurlijk haar enige vijand; voor de burgerlijke partijen bestond zij om zo te zeggen nog niet — die, volgens het woord van de man, die er de toon aangaf, vastbesloten was, haar zo mogelijk te verpletteren. Geen kleinigheid, wanneer men haar zwakheid in aanmerking neemt, zowel aan personen, die in staat waren haar in het openbaar te verdedigen, als aan “middelen”. Wat de eersten betreft: het eerste sprekerslijstje, dat zij op 17 april publiceerde, vermeldde als sprekers nog slechts 11 personen, en wel Gorter, Wijnkoop, L. de Visser (Den Haag), Johan Visscher, R. E. Kuyper, Jensch, S. de Wolff, Peltenburg en Marie Mensing te Amsterdam en voorts nog B. Coltof in Den Haag en R. Vos-Stel, woonachtig in een Gronings dorp. Zoals men ziet, ontbrak hier bv. nog schrijver dezes evenals elke andere figuur uit de tweede stad van het land. Pas in de loop van de volgende jaren zou de Rotterdamse redacteur van De Tribune, aanvoerder van de kleine Gideonsbende van de Rotterdamse marxisten, zich tot spreker ontwikkelen.

En wat de financiën betreft, daarmee was het waarschijnlijk nog treuriger gesteld. Meer gegoeden telde de jonge partij zo goed als niet. En de leden werden reeds zwaar belast door hetgeen het blad kostte, dat zich nog steeds niet kon bedruipen ofschoon al het werk, dat er aan besteed werd, gratis werd verricht en niemand enige vergoeding ontving voor zijn arbeid.[4]

Het is niet overdreven, wanneer men zegt, dat het leven van de jonge partij in de eerste, nu volgende jaren van haar bestaan sterke overeenkomst vertoont met dat van sommige kinderen, die in hun jeugd allerlei ziekten en zwakten doorlopen, maar er niet aan sterven en juist door die ziekten, wie weet, een zekere immuniteit of taaiheid bereiken, die hun op latere leeftijd te stade komt.

Het verlies van een zo waardevolle en geziene kracht als Mr. Mendels, die reeds in april heenging, gepaard met strubbelingen in de kleine afdeling Utrecht, waar hij lang als propagandist had gewerkt — een jonge leraar Hoogcarspel was daar voorzitter — was, zoals gezegd, de eerste slag, die het partijtje trof, al hadden de redacteuren van De Tribune wel gedacht, dat deze man niet van het hout gesneden was dat bij hen paste. Mendels bediende zich bij het motiveren van zijn heengaan van een motief, analoog aan dat, waarmee de redacteuren hun weigering om zich aan de discipline van de SDAP te onderwerpen, hadden gemotiveerd. De SDAP immers had, meenden zij, de democratie geschonden door een blad te verbieden, dat zich op de bodem van het partijprogram bewoog. Mendels beweerde, dat het ondemocratisch was, dat op het tweede congres — het spoedcongres van 21 maart — het voorstel niet was aanvaard om de motie van Rotterdam, die immers de onderhandelingen met de SDAP afbrak, aan een referendum te onderwerpen. Ook Mendels beriep zich dus op wat hij een schending van de democratie in de partij noemde. Vermeld is reeds, dat de meerderheid van het bestuur, d.w.z. het drietal, dat van toen af in steeds nauwer samenwerking de kleine partij trachtte te leiden, dit argument verwierp, omdat langer uitstel te veel risico’s zou hebben meegebracht. Het vond hierbij een uitstekende hulp in het betoog, dat de toen ook nog jonge mathematicus G. Mannoury te Helmond in De Tribune hield om aan te tonen, dat hij, die om dezelfde reden de SDAP had verlaten, niettemin aan de zijde van de meerderheid van het PB stond — waarin hij trouwens was gekozen — wat betreft de onwenselijkheid van de toepassing van het referendum bij deze gelegenheid, de fundering van de partij, hoezeer hij overigens voorstander was van de ruimste toepassing van dit inderdaad democratische instituut.

Men ziet uit een en ander, hoezeer het moeilijke vraagstuk van de aard van de democratische praktijk in en door een zich democratisch noemende beweging van de aanvang af, om zo te zeggen, aan de wieg van de jonge partij stond. Later zou ook zij er in moeilijke omstandigheden mee hebben te worstelen. En thans, nu de partij, die uit haar is ontstaan, én internationaal én ook hier te lande een dictatoriale is geworden, waar van “democratie” alleen nog maar het woord of de lege huls is overgebleven, is het niet van belang ontbloot nog eens naar die verre oorsprong te verwijzen.

Mannoury had in zijn belangrijk stuk de hoop uitgesproken, dat de partij in haar statuten — dus in haar inwendige organisatie — de democratie volledig zou doorvoeren en dus aan het referendum de ruimste plaats toe zou kennen. Hij verdedigde dit ook op het eerste om zo te zeggen regelmatige congres, dat 23 mei alweer in Amsterdam werd gehouden ter vaststelling van de houding tegenover de SDAP, bij de eerste stemming — waar men zelf geen kandidaten had — alsook van het strijdprogram, van een motie inzake de vakbeweging en van de statuten. Een overladen agenda dus, waar feitelijk geen tijd was om alles te behandelen. Zijn voorstel om het referendum tot hoogste macht in de partij te verheffen — dus niet, zoals totnogtoe in de Internationale gewoon was geweest, het congres, terwijl het PB voorstelde dat het congres, Henk Sneevliet indien het dit wenste, bepaalde voorstellen aan het referendum kon onttrekken — werd verworpen met 388 tegen 22 stemmen. De discussie hierover, hoe beknopt ook, is toch ook nu nog van belang, omdat het vraagstuk natuurlijk niet van karakter is veranderd sinds de macht van de partijen in de verlopen vier decenniën zo enorm is toegenomen, dat zij nu én in de zogenaamd democratische landen én in de totalitaire de Staat geheel beheersen.

De hoofdschotel op dit congres vormde het strijdprogram, dat namens de commissie — op dit congres werden aan de oorspronkelijke 3 leden nog 3 toegevoegd, namelijk Gorter, Wijnkoop en Joh. Visscher — werd ingeleid door S. de Wolff. De discussie over de onderwijsparagraaf was, zoals de inleider opmerkte, daarbij wel het neusje van de zalm. Niet te verbazen, waar diverse onderwijzers, deskundigen dus, deelnamen en de schoolkwestie — naar men zich herinnert — reeds sinds jaren een van de diepste oorzaken geweest was van de scheiding tussen marxisten en revisionisten. De onderwijsparagraaf, zoals zij ten slotte uit de discussie te voorschijn kwam — het is om van de wille van de curiositeit wel aardig het nog eens te memoreren — luidde, na aanneming en verwerping van enige amendementen:

“Verplicht neutraal lager onderwijs van staatswege en zo groot mogelijke uitbreiding en verbetering, ook wat betreft de lichamelijke verzorging van de leerlingen. Kosteloze openstelling van alle inrichtingen van openbaar onderwijs.”

Maar voor de toekomst — van de nog zo kleine partij althans — belangrijker was misschien de zevende paragraaf van het strijdprogram, die betrekking had op het militarisme en daarmee tevens op de kwestie van de verdediging van het vaderland, welke urgent werd, toen vijf jaar later de wereldoorlog uitbrak. Zij verwekte op dit congres nog bijna geen discussie, maar later des te meer.

De paragraaf luidde: Afschaffing van het militaire stelsel. Invoering van een algemene volkswapening in plaats van het staande leger. Wiedijk, de ontwerper van het beginselprogram, die ook deel uitmaakte van de algemene programcommissie, heeft in de aanvang van de wereldoorlog er aan herinnerd, hoe deze afwijking van de in de Internationale en ook in de SDAP totnogtoe geldende formulering tot stand is gekomen. Hij schreef toen[5]:

“Hoe was de uitleg van dit programartikel bij zijn aanvaarding, welke interpretatie heeft het congres in 1909 goedgekeurd? ...

Het congresverslag zegt er bij monde van de inleider alleen dit over:

Het leger is een instrument, dat de bourgeoisie in de eerste plaats nodig heeft voor de vijand van binnen. Dit instrument moeten wij bot maken voor de bourgeoisie, scherp voor ons, door het tot een volkswapening om te scheppen.

Met voldoende duidelijkheid blijkt hieruit, dat wij — de voorstellers — vooral de antiproletarische betekenis van het huidige militarisme in het oog hielden en dat wij deze door de democratisering van het gehele legerwezen zoveel mogelijk wilden neutraliseren. Van een voornemen om tot geen enkele prijs het leger als eventueel verdedigingsmiddel ook van het proletariaat tegen een buitenlandse vijand te erkennen, blijkt niets — en kon ook niets blijken, want dit is een standpunt, dat eerst in de allerlaatste tijd als gevolg van de diepere studiën in het imperialisme en vooral van de wereldoorlog enige aanhang heeft verkregen.”

Wiedijk vertelt dan verder op zijn geestige wijze, hoe er ook in de kleine programcommissie — zoals gezegd uit drie personen samengesteld — geen verschil van mening in dit opzicht was gebleken tijdens de bijeenkomsten, die zij daartoe in “American” te Amsterdam hield. Maar hij erkent wel, dat het commissielid, op wiens voorstel het woord “algemene volkswapening” in plaats van “algemene weerplicht” werd gesteld, de Rotterdamse Tribuneredacteur, toen misschien persoonlijk reeds verder dacht in de richting van het nieuwe SDP-standpunt. En hij voegt daaraan toe: “Wij wilden er geen van allen de Schaperse haast om in elk geval “naar de grenzen te snellen” mee onderschrijven en van het zich weren met de wapenen tegen een buitenlandse macht — die in de toekomst ook een proletarisch-gezinde kan zijn — geen dwingende proletarische plicht maken.” Inderdaad was het zo, dat in dat stichtingsjaar van de kleine partij de aandacht van haar leidende elementen nog niet in de eerste plaats gericht was — nog niet gericht kon zijn — op de vraag, die eerst in de volgende jaren snel in gewicht toenam en meer en meer in het middelpunt van de belangstelling raakte, tot zij in augustus 1914 alles ging domineren — of het proletarische, d.w.z. volgens het revolutionair-marxistische schema opgevatte, proletarische plicht was om de vaderlandse bodem, die niet in handen van het proletariaat, maar in die van de bezitters lag, in alle gevallen tegen een eventuele buitenlandse vijand te helpen verdedigen. In 1909 waren er — in de oude partij — nog slechts enkele uitingen van vooraanstaanden - Schapers woorden in de Kamer, die op het congres van 1903 onder applaus waren afgekeurd door Wijnkoop en Tijhof uit Enschede als bekendste — die erop konden wijzen, dat men de verdediging van de vaderlandse bodem in de socialistische gelederen als iets van zelfsprekend beschouwde. Men behoeft daartoe de congresverslagen van de partij van 1903 en 1904 maar te raadplegen. Schaper had zich toen, wel terecht, verdedigd door zich te beroepen op het internationale congres van Parijs van het jaar 1889, op de meningen van Kautsky, Bebel, Liebknecht in een enquête door De Jonge Gids gehouden, op Jaurès, op Ferri, kortom op wat hij beschouwde als de communis opinio van de Internationale. Maar nog op de beschrijvingsbrief van het volgende, Dordtse, congres van 1904 kwamen twee moties “inzake Schaper” voor, beide van Amsterdamse afdelingen, waarvan de ene afkeuring uitsprak, dat het kamerlid Schaper, in een openbare vergadering sprekende, “nogmaals onnodig nationalistische gevoelens heeft opgewekt en de proletarische gevoelens heeft gekrenkt”. En wie zich de “stemming”, het algemene gevoel van de toenmalige socialisten, ook in de SDAP, voor ogen stelt, die kan er niet aan twijfelen: het was dermate met antimilitarisme doordrenkt, dat het door Schaper enigszins cru gelanceerde denkbeeld op een bijna algemene weerzin stuitte. In 1909 was dit ongetwijfeld bij de uit de oude partij verwijderde of uitgetreden elementen niet in mindere maar wel in sterkere mate het geval. Zo was het te verklaren dat de militaire paragraaf eigenlijk als iets vanzelf sprekends werd aanvaard en zo goed als geen discussie uitlokte. In de SDAP had nog nimmer een discussie over het militaire vraagstuk en dat van de “verdediging van het vaderland” plaats gevonden en de jongere volgde hier slechts het voorbeeld van de moeder met dit enige verschil, dat zij haar antimilitaristische gezindheid wat meer markeerde. Of in de gedachten van de Rotterdamse redacteur, vader van het woord “volkswapening”, ook toen reeds het denkbeeld min of meer duidelijk was, dat “volkswapening” tevens een aanduiding was van een stelsel, dat, meer dan het bestaande, misschien de enige mogelijkheid bood om in geval van gevaar het ganse volk te mobiliseren tegen een buitenlandse vijand, die, ook toen, toch wel niet anders dan de oosterbuur kon zijn, zij daargelaten. Mogelijk is het, maar schrijver dezes beschikt noch in zijn herinnering noch in documenten over iets, dat tot staving hiervan zou kunnen dienen. Wel is het zeker, dat hij — enkele jaren later, in 1911, toen ons land voor het eerst weer door het voorstel omtrent de bouw van een pantserfort te Vlissingen, een poos lang in het middelpunt van de internationale persaandacht kwam te staan — in een Nieuwe Tijd-artikel zeer duidelijk als zijn mening te kennen gaf, dat alleen volkswapening, dus wat in de discussies van de internationale sociaaldemocratie meestal “militie” (miliz) werd genoemd, eventueel bij machte zou zijn, ons voor een invasie te behoeden. Toen, twee jaar na 1909, was de kwestie van de landsverdediging urgent geworden. Zij bleef het en werd het nog meer, ook in de socialistische controversen, in 1913, toen de leider van de arbeiderspartij zich op dit stuk duidelijker dan vroeger uitte. De SDAP was toen reeds een “staatspartij” naast de andere geworden, in aanmerking komend voor directe deelneming aan de regering. De afstand tussen de oude partij en de afgesplitste kleinere was in die twee jaar groter geworden in plaats van kleiner. Hij nam in de volgende jaren nog toe. En zo gebeurde het dat, terwijl de grote partij in 1914 resoluut de plicht ook van de socialistische arbeiders tot verdediging van het vaderland erkende, de mobilisatiekredieten goedkeurde en zich voorgoed op nationale bodem plaatste, de SDP het andere uiterste standpunt innam, dat zij formuleerde in de eis van “demobilisatie”. Dat er in deze leuze een sterk demagogische trek lag, zij erkend.

Dat Wiedijk, de medeontwerper van het strijdprogram en die zich als vader van het beginselprogram zelfs in 1915 nog enigszins verantwoordelijk voelde voor de kleine partij, aan wier stichting hij een, zij het ook niet direct, dan toch belangrijk deel had gehad, met deze “tactische” manoeuvre niet mee kon gaan, daarvan gaf hij in 1915 duidelijk en uitvoerig blijk in de schitterende artikelen, die hij in De Nieuwe Tijd aan het congres van de SDP in dat jaar wijdde, dat zich vooral met deze “militaire” paragraaf bezighield.

Hij vatte deze artikelen samen onder de algemene titel: Herboren revolutionarisme. Inderdaad: de demobilisatie-eis, die de SDP in 1914 in samenwerking met de syndicalisten lanceerde, getuigde van een soort wedergeboorte van de revolutionaire gezindheid, die de oude beweging, vóór de stichting van de SDAP, had gekenmerkt. Maar men moet daarbij erkennen, dat deze “revolutionaire” gezindheid feitelijk reeds de drijfveer was, die de stichters en adherenten van de jonge SDP in 1909 bezielde en dat, althans in de geest van de Tribuneredacteuren, die in haar de toon aangaven, ook de militaire paragraaf met haar nieuwe formule van die revolutionaire geest uitvloeisel was. De volkswapening was in hun voorstelling zeker ook in overeenstemming met revolutionaire tradities uit de 19e eeuw, een middel om de volks- dat wil zeggen arbeidersmassa’s wapens in handen te geven tegen hun binnenlandse vijand.

Wij lopen op de geschiedenis een beetje vooruit. Eerst nog iets over de gevaren, die het jonge partijtje die eerste jaren na de constituerende congressen van 1909 bedreigden.

De eerste slag, mag men wel zeggen, die het nog zwakke lichaam trof, was het resultaat van de algemene verkiezingen van 1909, waar de SDP gedwongen was aan deel te nemen, ofschoon zij, zoals wij zagen, eigenlijk noch over de middelen noch over de mensen beschikte om een verkiezingsactie zelfs in enige weinige districten goed te voeren. De uitslag was dan ook ongetwijfeld een grote teleurstelling voor diversen, die uit een gevoel van verontwaardiging in het voorjaar uit de SDAP waren getreden, maar voor wie deze teleurstelling te zwaar was. In de vijf districten, waar zij een kandidaat had gesteld, behaalde zij niet meer dan een goede 500 stemmen samen. Het directe gevolg was, dat althans in Amsterdam een zeker aantal toegetredenen haar weer de rug toekeerden en berouwvol naar de oude partij terug gingen. Dit proces van afbrokkeling eindigde hier niet mee. Het bleef in de volgende jaren voortduren. En de leiders — men houden in het oog onbezoldigde leiders, want van de vier redacteuren van De Tribune beschikten slechts twee, Ceton en Gorter, over vaste inkomsten, de beide anderen niet, zodat zij om zo te zeggen van toevalligheden moesten leven — hadden steeds te worstelen tegen die neiging tot afbraak of afbrokkeling, die in de jaren na 1909 bleef voortduren. Het is misschien goed dit maar direct met een paar nuchtere cijfers te bewijzen.

Na vijf jaar, in het voorjaar van 1914, aan de vooravond van de wereldoorlog, die het blad sinds jaar en dag “voorspelde”, en nadat het partijtje voor de tweede maal aan algemene verkiezingen, gevolgd door naverkiezingen, voor de Tweede Kamer had deelgenomen — ongerekend enige voor gemeenteraden in de steden, waar men daartoe in staat was — bedroeg het ledenaantal nog steeds slechts 525 mannen en vrouwen. Het verlies aan leden had in het laatste jaar weer een goede 100 belopen, waartegenover een iets grotere aanwinst van leden, die dit verlies zowat had gecompenseerd. Maar men ziet, dat het na 5 jaar nog altijd niet veel meer bedroeg dan bij de stichting. Hetzelfde geldt voor de verspreiding van het partijorgaan, dat middelerwijl een tweemaal in de week verschijnend blaadje was geworden, gedrukt op een inmiddels gestichte eigen drukkerij. De Tribune telde volgens het als steeds ongemeen nauwgezette verslag van de man, die vele functies in zich verenigde, J. Ceton, 1266 abonnees op 31 maart 1914, tegen 1093 op 15 februari 1913, d.w.z. aan de vooravond van de algemene verkiezingen voor de Tweede Kamer, die de partij in de 18 districten, waar zij deel nam, 1340 stemmen hadden opgebracht, dus nog lang geen 100 stemmen per district, tegen de ongeveer 144.000 van de arbeiderspartij. Ook deze verkiezingen hadden weer diverse zwakkere broeders dermate ontmoedigd, dat zij er van door gingen en naar de vleespotten van de oude partij terugkeerden. De bekendste en waardevolste was onder deze zeker een van de medestichters, de bekwame S. de Wolff. Zelfs de Wereldoorlog, hoezeer hij koren droeg op de Tribunistische molen, verbeterde de materiële positie van het partijtje voorshands niet. Op 1 april 1915 bedroeg het ledenaantal nog steeds hetzelfde (528), verdeeld over 13 plaatselijke afdelingen (één was er zelfs verloren gegaan sinds 1914, namelijk in Maastricht, en één lag om zo te zeggen op apegapen door vertrek van haar beste leden tengevolge van de mobilisatie). Het aantal Tribune abonnees was weer teruggelopen tot nog geen 1100 (1077) en het blad, dat in het geheel een kleine f 4000 kostte, bedroop zich nog steeds slechts door een jaarlijkse steun, die de leden vrijwillig opbrachten en die over dat laatste jaar f 1250 bedroeg. Offervaardigheid naar de mate van hun over het geheel geringe of bescheiden krachten kon men die leden, althans zeker de kern, die het blad van 1907 af trouw waren gebleven, niet ontzeggen. Telkens en telkens deed de administrateur-penningmeester, eeuwige eiser als hij was, een beroep er op en dat bijna nooit vergeefs. Het was al goed begonnen in 1909, onmiddellijk na de verkiezingen van dat jaar, toen de drukkerij, waar het blaadje de eerste twee jaar gedrukt was, die van de Diamantbewerkersbond, eensklaps betaling had geëist van een nog verschuldigd bedrag — duidelijke poging, door Henri Polak en zijn medebestuurders, om De Tribune te nekken. Ceton slaagde er toen in om in één week een goede f 700 door vrijwillige bijdragen van de leden te innen. Een aanslag, de tweede, was daarmee weer afgewend. Hij was niet de laatste. Maar telkens was de penningmeester in staat deze aanslagen — voor zover ze van financiële aard waren — te pareren.

Een zo langdurige “stilstand”, zulk een schijnbaar volkomen gemis aan vooruitgang of perspectief moest zwakkere gemoederen — hen, voor wie het partijtje niet een soort godheid was, waaraan zij nu eenmaal sinds Deventer met zeer hechte banden van gemoed of intellect verbonden waren — zeker wel ontmoedigen of doen verslappen in ijver. Maar er bleef steeds een kern — naast de leiding — voor wie dit niet gold. Een goed voorbeeld van hetgeen deze kern bezielde, treft men bv. aan in een artikel, dat B. Luteraan, een Amsterdamse Joodse proletariër, sinds 1907 onder de getrouwen en die ook tot lid van het PB was gekozen, in dat voorjaar van 1914 schreef ter herdenking van het eerste lustrum. Hij herinnerde eerst aan de talrijke pogingen om de SDP na haar geboorte te smoren, waarvan de plotselinge opeising van de drukkerijschuld de voornaamste was geweest. Maar langzaam aan was zij er toch in geslaagd om eerst alleen in socialistische kringen en onder arbeiders, maar thans zelfs in wijdere omtrek aandacht en een begin van invloed te verwerven. Het laatst was dit gebleken bij het debat over de pest op Java — een onderwerp, waar De Tribune relatief veel plaatsruimte aan had besteed en waar zij veel meer, vooral Wijnkoop, aandacht aan had besteed dan Het Volk. Eindelijk vond daarover in de Kamer een debat plaats op initiatief van de heer Van Deventer. De minister had bij die gelegenheid — zonder het blad te noemen — feitelijk tegen De Tribune gepolemiseerd. Op internationaal gebied was het de SDAP evenmin mogelijk geweest de invloed van De Tribune te weren. De SDP was niet alleen door het Internationaal Bureau erkend en haar gedelegeerden hadden deelgenomen aan de twee internationale congressen sinds 1909 gehouden, het Kopenhaagse van 1910 en het buitengewone van Bazel in 1912. Maar zij had ook reeds genoeg bekendheid en invloed in de socialistische partijen van Europa, dat zij er tweemaal in geslaagd was internationale sprekers op vergaderingen in Amsterdam te doen optreden. Troelstra’s poging — Luteraan herinnerde hieraan — om Wijnkoop als debater te weigeren, was mislukt door de kracht, die het kleine partijtje tegen een overmacht had ontwikkeld. Wat de geringe stijging of liever de stilstand van het ledental betrof, wees Luteraan er op, dat de SDP in een veel moeilijker tijdsgewricht ontstaan was — had moeten ontstaan — dan de SDAP in 1894, die onmiddellijk duidelijk en helder een bepaalde tactiek — de parlementaire — kon stellen tegenover de negatieve van de oude bond, terwijl zij bij het wassen van haar macht en invloed de arbeiders allerlei fraais kon voorspiegelen. Niettemin was zij, de SDAP, er in 20 jaar niet in geslaagd, zoals Ceton terecht in het jaarverslag van de SDP vaststelde, om van de arbeiders in de bedrijven, die hier te lande de doorslag gaven op economisch terrein, ook maar een klein deel te organiseren. Ceton schreef in dat stuk tegen de schampere opmerkingen van Het Volk omtrent het geringe en stagnerende ledental van de SDP:

“We willen, o Arbeiderspartij, het oude woord nog eens hier herhalen: de arbeiders wachten. Zij wachten op het socialisme. Gij hebt er om gelachen, omdat ge het niet begrijpen kunt en wilt. Nog zijn van de Amsterdamse haven- en transportarbeiders geen half procent in de Arbeiderspartij georganiseerd, nog niet één procent van de arbeiders in de metaalnijverheid, nog niet één procent in de bouwvakken, nog niet één per duizend in de zeevaart. Zij zijn het toch zeker, die in de eerste plaats de aangewezenen zijn, zich socialistisch te organiseren. Gij noemt u de vertegenwoordiger van dat proletariaat, maar gij bent het niet. Wij zijn het door ons program, het socialistisch program, dat gij verloochent in theorie en praktijk. Op ons rust de zware, ontzettend zware taak, die arbeiders te brengen tot de sociaaldemocratie. En dat kan, omdat het moet. Het zal langzaam gaan, vooral in de beginne, maar het zal komen.”

Er was veel waars, objectief gesproken, in deze woorden. De SDAP was er, aan de vooravond van de wereldoorlog, nog niet in geslaagd in de economisch de doorslag gevende bedrijfstakken van de hoofdstad en het land meer dan een uiterst klein deel van de arbeidersklasse te organiseren. En Luteraan had gelijk, toen hij zei, dat de SDP, die niets had te bieden, dus voor veel groter moeilijkheden stond dan de grote partij in de eerste jaren van haar bestaan. Hij kon ook met recht schrijven:

“Gedurende vijf jaar hebben wij getoond als partij een verbindingsmiddel te kunnen zijn, een vaandel te kunnen opsteken voor onze gehele klasse, dat voert tot de eenheid van vak- en politieke beweging. De staking in het bouw- en in het transportbedrijf, de poging met het NAS om te ageren tegen de duurte als nieuw verschijnsel van het kapitalisme, het ageren tegen de wet-Treub, deze namaak van sociale hervorming, toont praktisch aan, hoe men sociaaldemocratisch kan optreden met het doel, om te komen tot eenheid en méér macht — door de methoden van het marxisme — tegen de in de staat georganiseerde klassemacht van de bourgeoisie: het naar de voorgrond brengen van de strijd tegen het imperialisme, tegen de duurte, voor de eenheid bij economische conflicten om een brug te slaan tussen modernen en syndicalisten.”

Inderdaad werden hier de hoofdmomenten van de strijd en van de tactiek opgesomd, waardoor het partijtje zich in die 5 jaren in toenemende mate van de SDAP had gedistantieerd. Het was, voor zover haar nog zwakke krachten het toestonden, de toepassing geweest van wat haar leiders zich als de juiste marxistische politiek dachten, een politiek, die, zoals men weet en zoals ik elders uitvoeriger heb geschetst, ook internationaal zich hoe langer hoe meer differentieerde van die van de meerderheid in de Internationale. De SDP van 1914 was inderdaad een andere geworden dan zij bij haar ontstaan was. Terwijl de SDAP in die vijf jaar, na uitstoting van de meerderheid van haar “marxistische” elementen, reeds in theorie en praktijk een gevestigde “staatspartij” was geworden, geschikt, zo al niet bereid, tot directe of indirecte deelneming aan de regering van de Staat, was de kleine afgesplinterde partij verder voortgeschreden op de weg, die het zogenaamde linkse of radicale “marxisme” ook in Duitsland (en in de onder invloed van het Duitse marxisme staande landen) had afgelegd sinds de controversen tussen de radicalen onderling (Kautsky enerzijds, R. Luxemburg en genoten anderzijds) waren ontstaan, d.w.z. sinds 1910. Die controversen oefenden de diepste invloed uit op de redactie van De Tribune, en dus op de leiding van de kleine partij. Zij bepaalden voor het grootste deel de “tactiek” gedurende die eerste vijf jaren.

Wij willen aan de hand van hetgeen het eerste lustrumoverzicht in het voorjaar van 1914 constateerde, enige exempelen van die tactiek nog even wat nader bezien.

De eerste gelegenheid, waarbij De Tribune in staat was, haar invloed buiten de kleine kring van de uitgetreden of in de SDAP achtergebleven “marxisten” te doen gevoelen, was de strijd van de bouwvakarbeiders in de hoofdstad in de winter van 1909-10. Deze arbeiders waren syndicalisten, tegenstanders van de politieke of liever parlementaire actie en de SDAP steunde hun staking dus niet, daar zij aan de zijde van de “modernen”, een kleine minderheid, stond. Ceton had in een serie artikelen over de tactiek van de vakbeweging (begonnen in het nummer van 25 december 1909) het verschil van de “marxistische” opvatting in deze materie met de revisionistische, in de SDAP overheersende, aangetoond en er op gewezen dat de SDAP in enkele jaren reeds zo onder de invloed van het NVV was gekomen, dat men kon zeggen: het is niet meer de partij, maar het is het vakverbond, dat in het parlement voor sociale hervormingen strijdt, zodat deze strijd zijn socialistisch, revolutionair karakter grotendeels heeft verloren. De revolutionair-socialistische tactiek eiste, dat men zijn aandacht richtte op de gehele klasse en dus geen gelegenheid verzuimde om ook bij onbewuste of andersdenkende arbeiders het klassenbewustzijn, in tijd van staking gewekt, te versterken en te verbeteren. De artikelen waren geschreven in opdracht van het PB. Zij vertolkten de unanieme mening van de leiding van het partijtje. De consequentie was dan ook: steun aan deze niet “modern” georganiseerde arbeiders bij hun overigens rechtvaardige strijd. Wel kwam hiertegen enig verzet, bij monde van een zekere Wagenfeld, die de tactiek van het NVV de uitsluitend juiste achtte. Maar De Tribune en de SDP zetten met deze steun — moreel en materieel natuurlijk, voor zover dat laatste mogelijk was — een stap op een weg, die hen ook bij arbeiders, totnogtoe volkomen afkerig van alle “parlementaire” actie, enigszins bekend kon maken.

Die eerste winter bracht trouwens nog enige gelegenheden, waardoor de tactiek van De Tribune zich scherp kon distantiëren van die van de grote partij en zelfs van haar “marxistische” minderheid, toen reeds in hoofdzaak door de ene redactrice van Het Weekblad, Henriette Roland Holst, vertegenwoordigd. De Rotterdamse redacteur van De Tribune polemiseerde in een reeks artikelen, begonnen op 15 januari 1910, tegen zekere opvattingen van de enige marxiste van betekenis, die er nog in de oude partij was overgebleven, geformuleerd in haar Nieuwe-Tijdartikelen tegen de jonge propagandist van de SDAP, Leeuwenburg, die in De Beweging van Verwey en in een plaatselijk blaadje openlijk en vurig een zogenaamde blok-tactiek, een tactiek van openlijk samengaan met de liberalen ter verovering van het kiesrecht had verdedigd. Deze jonge man, als een soort “enfant terrible” optredend, verdedigde dus juist dat, wat Troelstra en de leiding van de SDAP in de partijstrijd tussen 1905 en 1909 met kracht als hun doel van de hand hadden gewezen. Henriette Roland Holst bestreed Leeuwenburg in een betoog, dat zij ook als brochure liet verschijnen. Maar de Tribuneredacteur verweet haar, dat zij haar pijlen niet tegen de werkelijke machthebbers in de SDAP had gericht en dat zij een volkomen verkeerde voorstelling had gegeven van de “antithese”, die de politiek van ons land beheerste. De conclusie van deze artikelen was eigenlijk geen andere dan deze, dat de strijd om het A.K. hier slechts zou kunnen oplaaien en resultaat bereiken, wanneer een heftige schok van buiten opnieuw, als op alle momenten van onze geschiedenis, de arbeidersklasse tot een geweldige klasse-inspanning bracht.

De polemiek tegen de redactrice van Het Weekblad verdient vermelding, omdat zij ongeveer het eerste symptoom was van een verschil in tactiek met deze internationaal bekende marxistische theoretica, een verschil, dat, nadat zij in het volgend jaar reeds gedwongen was haar werk in de SDAP neer te leggen, weer opleefde bij het begin van de wereldoorlog en dat, min of meer latent, ook bleef bestaan, toen H. Roland Holst in 1916 na haar experimenten met het Revolutionair Soc. Verbond eindelijk tot de SDP toetrad en met de beide redacteuren van De Tribune, Wijnkoop en Van Ravesteyn, de redactie van het dagblad aanvaardde, dat in april van dat jaar het weekblad De Tribune verving. De tactische verschillen, die in dat jaar 1910 zich voordeden, zijn blijven bestaan, toen H. Roland Holst na 1917 mede lid werd van de nieuwe Internationale. Zij hebben ten slotte, in 1923 en volgende jaren, er toe geleid, dat zij tegenover haar mederedacteuren van 1916-17 kwam te staan. Maar in de polemiek van die winter van 1909-10 kan men er de oorsprong van vinden. Een tweede kwestie, waarbij de tactiek van het nieuwe partijtje zich scherp onderscheidde van die van de grote partij — maar hier vond het H.R.H. nog geheel aan zijn zijde — was de houding tegenover de sociale verzekering en vooral inzake het “staatspensioen”. De SDAP had vroeger op het standpunt gestaan, dat staatspensionering volstrekt niet ten koste van het arbeidersinkomen mocht tot stand komen.[6] Zij was daar in 1910 reeds van afgeweken en stelde zich tevreden met een vrijstelling van slechts de allerlaagste lonen, van 3, 4 of 7 gulden per week. De SDP wilde van het oude standpunt niet afwijken.

Enige jaren later, toen onder het liberale ministerie Cort van der Linden, Mr. Treub met reële voorstellen in de richting van het staatspensioen kwam, waarmee de SDAP zich wel kon verenigen, werd dit verschil een agitatiemiddel, waar de kleine partij zich met enig succes van bediende. Het congres van de SDAP te Leeuwarden, waar Henriette Roland Holst zo goed als alleen stond, bracht koren op de molen van De Tribune, in zoverre het duidelijk aantoonde, dat de kamerfractie inzake de dwangverzekering geheel de vrije hand kreeg en de invloed van Het Weekblad en het “marxisme” in dat ene jaar nogmaals sterk gedaald was. In Rotterdam bv., werd onder luid applaus verteld, las geen arbeider meer Het Weekblad. Geen wonder, dat H.R.H., de wanhopige strijd moe, kort daarop het bijltje erbij neerlegde. En men kon zich enig denkbeeld vormen van de stemming, die een en ander in het kleine groepje van de tribunisten wekte, wanneer men de slotwoorden leest, waarmee Mr. H. W. J. Sannes, broeder van het kamerlid, een artikel over het Leeuwarder congres van de SDAP besloot:

“De vermaning in Deventer door Gorter gesproken tot de andere marxisten: “aanvaard niet een wapen dat er geen is, doch schaart u om De Tribune; laat dit wapen niet verloren gaan”, is in de wind geslagen. Thans liggen daar de feiten vóór ons. De 10.000 arbeiders, die aan het revisionisme niet mochten worden overgelaten, staan verder van het marxisme dan ooit. De aanhang geslonken; Het Weekblad niet gelezen; vijandschap en wantrouwen gezaaid; geen stap gevorderd. Wederom tevreden gesteld met een vertoon van vrijheid, gelijk in Utrecht, in Haarlem, in Arnhem, in Deventer, staat men machteloos en gebonden. Wij, vrij in onze heerlijke strijd, onze kracht voelende groeien met ons geluk, zien reeds de resultaten van onze stijgende invloed. Wij zien de zon van het socialisme stijgen en tellen reeds de mannen door ons gewekt tot onverzoenlijke strijd. Wij volgen onze weg met vastberaden en kloeken stap en wij weten, dat wij dit doen het marxisme ten goede.”

Retoriek? Ja, maar toch wel de uitdrukking van echte gevoelens, daar het anders niet mogelijk zou zijn geweest, jarenlang bij een houding te volharden, die zo weinig directe resultaten scheen op te leveren.

De eerste 1 Meidag, die dat jaar voor het eerst bijna met de nieuwe nationale feestdag, de eerste verjaardag van de kroonprinses, samenviel, gaf mede gelegenheid om het revolutionaire standpunt tegenover dat van de SDAP te markeren door de nadruk te leggen op de eis van een republikeinse regeringsvorm, die de SDAP nimmer op de voorgrond had geplaatst. Het gebeurde in een fel artikel: Nationalisme van de Rotterdamse redacteur. In die maand hield de partij ook haar eerste jaarcongres, ook ditmaal te Amsterdam, waar Wijnkoop als voorzitter in de openingsrede, die hij ook in volgende jaren tot gewoonte maakte, nogmaals op dit punt nadrukkelijk wees. In die openingsrede liet hij vrijwel alle kwesties, die sinds een jaar het partijtje hadden bezig gehouden, de revue passeren, plaatste ze in het verband van de Internationale en toonde met tal van voorbeelden, dat de SDP de representant was van de links-marxistische stroming, die zich ook elders openbaarde, naarmate de klassentegenstellingen duidelijker en de toestand van Europa en de wereld gevaarlijker werd. Een stroming, die alleen hier te lande gedwongen was geworden zich buiten de grotere arbeiderspartij te organiseren.

De volgende jaren brachten nieuwe gelegenheden om dit te demonstreren. Te demonstreren zó, dat althans de getrouwe leden het duidelijk zagen en er de moed inhielden. Maar toch ook wel zo, dat De Tribune meer bekendheid kreeg onder andersdenkende socialisten.

Het jaar 1911 was in dit opzicht van belang voor het partijtje, niet alleen, omdat het een jaar werd van grote internationale spanning, maar omdat het ook hier te lande de eerste tekenen bracht van de internationale stakingsgolf, die zich over Europa begon uit te storten en die in 1912 culmineerde in de geweldige Engelse mijnwerkersbeweging.

Maar voor het inwendige en uitwendige bestaan van de organisatie dienen wij uit dat eerste jaar 1910 toch nog twee gebeurtenissen te releveren. De eerste was de deelneming aan het Internationale Congres te Kopenhagen, waar zij vertegenwoordigd werd door Wijnkoop en Van Ravesteyn. De laatste in plaats van Gorter, die op medisch advies rust moest hebben, wilde hij in de winter nog aan de propaganda deelnemen. De SDAP was er niet in geslaagd haar te weren, zoals de bedoeling was geweest. Daartoe waren de persoonlijke relaties tussen haar voormannen en enige van de voornaamste vertegenwoordigers in het Internationale Bureau, zoals Kautsky, Victor Adler en Lenin, te nauw en vriendschappelijk. In de Deense hoofdstad vernieuwden of versterkten de beide gedelegeerden, die tot het werk in een paar commissies wel moesten worden toegelaten, het contact met andere leiders van de uiterst linkse oppositie, die zich in de Internationale aan het formeren was en waarvan bv. een man als de Poolse marxist Karl Radek, de Fransman Charles Rappoport[7], de Hongaar Alpari, Duitsers als Henke uit Bremen deel uitmaakten. In een artikel, gedateerd 30 augustus en in De Tribune van 3 september opgenomen, kan men de congres indrukken vinden, die de beide jonge partijleiders daar in de hoofdstad van het Deense Capua hadden opgedaan. Indrukken die in het volgende nummer nog eens werden bevestigd: “Het dient gezegd: zonder slag of stoot hebben de opportunisten de Internationale veroverd. De theorielozen, de heen-en-weer geslingerde, de compromissluiters hebben de rode Internationale te Kopenhagen gecompromitteerd.” En dit was ook het thema, dat de Franse marxist Ch. Rappoport bespeelde in de rede, die hij enkele dagen daarna op uitnodiging van de SDP te Amsterdam hield. De Internationale was in hoofdzaak een reformistische geworden. En dat slechts drie jaar na Stuttgart, waar zij nog overwegend marxistisch georiënteerd leek te zijn. De impressies te Kopenhagen opgedaan, moesten de leiders van het partijtje wel bevestigen in hun diep geloof, dat er voor het partijtje en De Tribune een grootse taak te verrichten viel.

Inwendig was dat jaar nog van belang het verschil van mening, dat bleek inzake de houding door de SDP aan te nemen tegenover het kiesrechtpetitionnement, door de SDAP in dat najaar op touw gezet en welks voorbereiding men in Troelstra’s Gedenkschriften uitvoerig behandeld kan vinden.

Eind oktober besloot het PB met slechts vier stemmen voor en 3 tegen, de leden op te wekken, het petitionnement te ondertekenen. Er volgde een vrij scherpe discussie in De Tribune, begonnen door de afdeling Den Haag, bij monde van B. Coltof, die zeker een van de bekwaamste onder de SDPers-Communisten zou blijken. Gorter echter schaarde zich in een artikel Sekte of partij, dat het dilemma goed en scherp stelde, aan de zijde van de meerderheid van redactie en PB, d.w.z. van Van Ravesteyn en Wijnkoop. En zo werd ten slotte het besluit van het PB door het referendum bevestigd, zij het slechts met een niet grote meerderheid (198 tegen 124 stemmen en 12 blanco). Er was hier ongetwijfeld een klip omzeild, de klip van een soort impossibilisme, waarop een zo kleine en nog op zichzelf aangewezen groep met sterke cohesie wel had kunnen verzeilen.

Het volgende jaar, 1911, het hete jaar — in de atmosfeer en in de politiek — van de Marokko-crisis, die Europa reeds op de rand van de afgrond bracht, werd voor het partijtje merkwaardig ten eerste door deelneming aan de gemeenteraadsverkiezingen in enige Amsterdamse, Rotterdamse, Leidse districten en in Bussum en Groningen, waarbij de cijfers niet al te onbevredigend waren, maar vooral door de grote stakingen van de zeelieden en havenarbeiders in Amsterdam en Rotterdam met deze verkiezingen ongeveer samenvallend. Deze stakingen, die in Amsterdam o.a. tot schietpartijen aanleiding gaven, boden voor het eerst de gelegenheid tot een duidelijke samenwerking met syndicalisten. In Rotterdam bv. spraken op een grote vergadering voor de eerste maal een syndicalistische aanvoerder (S. van de Berg) en de Rotterdamse redacteur van De Tribune van één podium. Voorspel van wat gedurende de wereldoorlog usance zou worden. De kleine partij deed, moreel en materieel, alles wat zij vermocht om de stakende arbeiders te steunen en, al bracht haar dit nog geen onmiddellijk gewin aan leden of zelfs lezers, zo verhoogde het toch in sterke mate het zelfbewustzijn van haar adherenten, het gevoel van de onmisbaarheid van hun blad en organisatie en verschafte het haar een zekere naam en een zekere reputatie onder die ongetwijfeld socialistisch voelende, maar veelszins van de “politiek” afkerige, doch strijdbare arbeiders, die in de syndicalistische vakverenigingen hun middelpunt vonden. De in dat jaar 1911 gewekte gevoelens maakten het dan ook mogelijk om nog in de herfst van dat zelfde jaar samenwerking met syndicalisten en verwanten te zoeken voor een agitatie tegen de duurte. De stijging van de levensmiddelenprijzen immers, dat hete jaar versterkt door droogte en schaarste van allerlei veldproducten, een stijging, die in het algemeen een diepere oorzaak had in de internationale ontwikkeling van de techniek en de verhouding van industriële tot agrarische productie over de gehele wereld,[8] maakte zich voor het eerst ook hier te lande zeer voelbaar ook voor de eenvoudigste huisvrouw. Het PB van de kleine partij, waarin nu behalve Wijnkoop, Ceton en Van Ravesteyn, ook Luteraan, Mannoury, de arbeider Vader uit Weesp en Louis de Visser zaten, greep de gelegenheid aan, verzocht de SDAP en het NVV naast het NAS een Comité tegen de Duurte te vormen, ontving natuurlijk van de beide eerste “machtigen” een weigering en ging toen in zee met het NAS, de socialistenbond, een eveneens kleine organisatie van zich revolutionair noemende socialisten en enige afzonderlijke syndicalistische vakverenigingen. Het einde van het jaar zag de oprichting van een Agitatie Comité — waarvan het NAS, dat einde 1910 bijna 5000 leden telde, het lichaam en de SDP het brein uitmaakte —, een comité, dat in ieder geval door enige vergaderingen en vlugschriften onder de syndicalistische arbeiders wat meer kennis omtrent de diepere oorzaken van het duurteverschijnsel verspreidde en de band met de kleine partij door persoonlijk contact nauwer maakte. Het jaar was, uit een socialistisch oogpunt, in ons land merkwaardig door de opleving van de kiesrechtstrijd, in de vorm van een volkspetitionnement, op een door de weekse dag, een dinsdag aangeboden aan de regering. Troelstra vooral heeft in zijn gedenkschriften deze actie in wording en ontwikkeling zo uitvoerig beschreven als men maar wensen kan. De SDP waardeerde in een artikel van Wijnkoop de opkomst van de arbeiders bij die gelegenheid, al ontveinsde zij zich niet, dat deze nieuwe tactiek van de grote partij geen wijziging bracht in haar, naar zij oordeelde, in het algemeen foutieve houding van voorkeur voor de liberale linkerzijde boven de rechtse partijen. In zijn polemiek tegen De Tribune, dat kleine, maar toch altijd hinderlijke blaadje, trachtte Troelstra natuurlijk uit de tegenstand, die de petitionnementoptochten op de “Rode Dinsdag” van de zijde van de politie en van de gewapende macht hadden ondervonden, munt te slaan ten einde zwakkere “marxistische” broeders de overtuiging bij te brengen dat de grote partij nog steeds een revolutionaire partij was. Maar het spreekt ook vanzelf, dat dit hem bij de kern van de tribunisten, die sinds jaar en dag aan zijn manoeuvres gewend waren, weinig baatte. Het congres van de SDAP in het voorjaar van 1912 bracht trouwens om zo te zeggen het einde van de periode, waarin de leider van de arbeiderspartij nog met enig recht de schijn kon ophouden van revolutionaire gezindheid. Dit congres immers betekende de afsluiting voorgoed van de periode van worsteling van de SDAP met het “marxisme”, de aanvaarding ook van een nieuw program, eindelijk na enige jaren rijp geworden en dat onder auspiciën van een tegenstander van de marxistische orthodoxie, R. Kuyper, vooral was tot stand gekomen. En het daarop volgende derde jaarcongres van het kleine partijtje, waar ook een nieuw program werd aanvaard, maar juist het strikt marxistische, waarvan Wiedijk de geestelijke vader was, toonde én in de openingsrede van Wijnkoop, gewijd aan imperialisme, duurte en massabeweging én in zijn besprekingen, hoe de afstand tussen de oudere partij en haar verstoten dochter nog weer groter was geworden. De inleider van het nieuwe program, de Rotterdamse redacteur, legde er de nadruk op, dat het in duidelijkheid en begrijpelijkheid van vorm ver uitstak boven het nieuwe Leidse program van de arbeiderspartij, en dat het een oproep tot het proletariaat was, vergeleken met de “slappe verhandeling”, het Leidse. De zomer bracht een ernstig conflict in de Ned. Ver. van Spoor- en Tramwegpersoneel, de beroemde vakvereniging van 1903, die zich in die 9 jaar weer had hersteld en waar twee leden van de SDP, Sneevliet en Nathans — de laatste lid van de jonge SDP en als zodanig door de directie “gemaszregelt” — zo ongeveer de toon aangaven. Troelstra, die dit niet kon dulden, had tegen Sneevliet een felle aanval gericht. Het gevolg was dat beiden uit de leiding werden gedrongen, waardoor de scherpte van de politieke strijd ook in de moderne vakbeweging weerklank vond en invloed uitoefende. De aanval op Sneevliet en Nathans als voormannen van de vakbeweging was een onmiddellijk gevolg van de kritiek, die Sneevliet vooral, geestverwant van Mevrouw Roland Holst, had uitgeoefend op de houding, die het NVV en de SDAP tijdens de zeeliedenstaking van 1911 hadden aangenomen. Hij toonde in ieder geval overtuigend aan, dat de leiding van de SDAP en die van het NVV volkomen samen gingen in het voornemen om in geen enkel geval kritiek op hun politiek te dulden. Koren op de molen van de kleine partij! Toen De Tribune in oktober 1912 haar vijfjarig bestaan herdacht — het viel merkwaardigerwijze bijna samen met de zilveren bruiloft van Het Volk — kon Pannekoek, geregeld medewerker en invloedrijk theoreticus van de machtige Duitse partij, er dan ook met nadruk op wijzen, dat De Tribune nu een van de organen en wel een van de beste was van het strijdend marxisme, dat sinds enige tijd bezig was zich in de Duitse partij en elders in de Internationale duidelijk te onderscheiden van wat tot voor enkele jaren in het algemeen als marxisme had gegolden. In de praktijk, d.w.z. wat tactiek betreft, was, schreef hij — en had De Tribune mede bv. reeds geconstateerd in een artikel, waarin S. de Wolff, die deze ontwikkeling niet kon meemaken, een waarschuwing ontving — de tegenstelling van vroeger: revisionist-marxist, bezig te verdwijnen of reeds verdwenen. Zij maakte plaats voor een andere: die van het radicale of strijdende marxisme versus de grote meerderheid, die zowel de reformisten als de massa van de vroegere radicalen, nu tot een soort centrum of moeras geworden, omvatte. De Duits-Nederlandse theoreticus en de Tribuneredactie sloegen hier de spijker op de kop. Inderdaad — de ontwikkeling gedurende de wereldoorlog bevestigde het [9] — werd in de Internationale deze scheiding van de geesten meer en meer de beslissende. Zij bleek ook duidelijk op het buitengewone congres, het laatste, dat de Internationale in november van dit jaar van oorlogen — de Italiaans-Turkse was begonnen in 1911, de Balkanoorlog dreigde al in de herfst — bijeenriep. Daar was de SDP vertegenwoordigd door Gorter, Van Ravesteyn en Wijnkoop en haar delegatie probeerde, zij het ook vergeefs, met andere links-radicale elementen, het denkbeeld van de massale staking in geval van oorlog in West-Europa te doen opnemen in de resolutie, die aan het congres werd voorgesteld. Zij slaagde daarin niet en Wijnkoop vertelde in De Tribune van 30 november, waarom deze poging was mislukt. Het IB had zeer sterk aangedrongen op een manifestatie van volkomen eensgezindheid. En aan die eensgezindheid en eenstemmigheid werd nog weer eens de aansporing tot strijdvaardigheid opgeofferd. In ieder geval: de leiders van het partijtje keerden zeker uit Bazel zo mogelijk nog versterkt terug in hun mening, dat zij en hun blad tot het zout behoorden, zonder hetwelk de Internationale volkomen smakeloos dreigde te worden. Merkwaardigerwijs was aan dit congres nog — onder de invloed van de tweede Rode Dinsdag — van sommige reeds vermoeide elementen een soort van toenaderingspoging tot de SDAP voorafgegaan. Het afbrokkelingsproces, waarvan reeds melding is gemaakt, hield nooit geheel op, al werden ontmoedigde elementen, die heen gingen, ook vervangen door nieuwere en jongere, wat op de duur aan de innerlijke kracht van het partijtje ten goede kwam. Die zwakkere broeders — er waren er nog steeds, vooral in Amsterdam, waar de SDAP wel het grootste percentage “marxisten”, in de oude zin van het woord, telde — bood de uitslag van de algemene verkiezingen van 1913, waarvoor het partijtje zich grote, te grote inspanning misschien, althans voor de voormannen en sprekers, had getroost, een nieuwe schok en om zo te zeggen een goede gelegenheid om naar de SDAP terug te keren. Vermeld is reeds, dat de SDP in de 18 districten, waar zij ditmaal aan de verkiezingen deelnam, slechts 1340 stemmen behaalde. Nog geen 100 dus gemiddeld per kiesdistrict. Er waren districten, waar zij niet eens het aantal stemmen verkreeg van dat van de kiezers (40), die nodig waren geweest om de kandidatenlijst te tekenen. Natuurlijk moest dit wel een grote teleurstelling meebrengen voor velen, die zich als verspreiders, als plakkers, als huisbezoekers, of zelfs als debaters sterk hadden ingespannen, weken lang. En de triomf van de arbeiderspartij, die 144.000 stemmen op haar kandidaten verenigde en er in slaagde bij de herstemmingen 18 zetels te bezetten, moest die ontmoediging wel versterken. Het moesten sterke benen en harde koppen zijn, die na deze slag niet bij de pakken dreigden te gaan neerzitten.

Men bedenke hierbij, dat deze hele ditmaal vrij intensieve campagne gevoerd was door een partijtje, dat op 15 februari 533 leden, waarvan 115 nieuw toegetredene, telde[10], met een blad, dat nog geen 1100 abonnees telde en een gering aantal sprekers, waarvan Gorter, Van Ravesteyn en Wijnkoop de voornaamste, maar ook de meest belasten waren. Geen wonder, dat er weer weifeling en verzwakking bij sommigen viel waar te nemen. Maar de ontwikkeling van de politieke toestand na de verkiezingen herstelde al heel spoedig de gelederen voor zover ze mochten hebben geleden. Immers, het aanbod van Dr. Bos aan de SDAP om deel uit te maken van een “links” ministerie, de gang van Troelstra naar het Loo om als de andere leiders van de linkerzijde advies uit te hengen aan de Koningin, dit alles vormde zulk een opeenvolging van sensationele gebeurtenissen, bevestigde zo volkomen, wat De Tribune sinds jaren had voorzegd: de nadering van een democratisch blok, het ministerialisme en de deelneming aan een burgerlijke regering als mogelijkheden, wekte ook zoveel belangstelling voor arbeiderskringen en in de socialistische beweging in de ruimste zin van het woord, dat de geestelijke inzinking, voor zover die plaats had gevonden, spoedig weer werd overwonnen. Het PB van de SDP richtte een open brief aan het congres van de SDAP te Zwolle, waar over de al of niet deelneming aan een gemengde regering zou worden beslist, een open brief, waarin de SDAP gewezen werd op de — nu reeds zo totaal verouderd gebleken — uitspraken van de Internationale te Parijs en te Amsterdam. In talrijke vergaderingen was er gelegenheid de socialistisch-revolutionaire tactiek, die immers absoluut elke deelneming aan of ondersteuning aan een “burgerlijke” regering verbood, te ontwikkelen.

Kortom, de gang van zaken na juli — ook de voor de SDAP lamentabele afloop van de naverkiezingen, waarbij zij telkens ongeveer 25 % van haar stemmers verloor — maakte, dat dit verkiezingsjaar ten slotte een nog grotere innerlijke en uiterlijke versterking van het partijtje meebracht.


[1] Zij bestond uit de drie leden van de redactie met Gorter, Mendels, Mensing, Bern. van Praag, Wakker (uit Rotterdam) en S. de Wolff met als plaatsvervangers Mr. H. J. W. Sannes (te Utrecht), Van Schie (Dr. J. A. N. Knuttel) te Leiden, Schutte en L. de Visser, dus zowat 12 apostelen.
[2] Welks auctor intellectualis zeker de Rotterdamse redacteur was.
[3] Wiedijk zelf heeft dit program gemotiveerd en nader toegelicht in De Nieuwe Tijd van 1910.
[4] De Tribune telde tijdens het congres te Deventer 900 abonnees en in mei 1909, toen de SDP haar eerste “regelmatige” congres hield, 1400, terwijl er 2000 nummers gedrukt werden.
[5] De Nieuwe Tijd 1915; herdrukt in Socialistische Opstellen, tweede bundel, blz. 125.
[6] Het loon (arbeidersinkomen) gold volgens de echt marxistische opvatting als onaantastbaar, om zo te zeggen sacrosanct. Vandaar, dat bv. iets zo monsterachtigs als de latere (fascistische) loonbelasting in die dagen nog onbekend was.
[7] Zijn portret door Kees van Dongen kan men in Museum Boymans te Rotterdam zien.
[8] Men zie daarover o.a. de controversen onder de “marxisten”, samengevat in mijn Socialisme aan de vooravond van de Wereldoorlog, dl. I.
[9] En de Russen constateerden het in 1919, toen zij de Derde Internationale stichtten; zie o.a. de rede van Zinovjev op het 8ste congres van de Russische meerderheidspartij.
[10] En misschien de helft (250) werkende.