Henriette Roland Holst - van der Schalk
De revolutionaire massa-actie
Hoofdstuk 1


Inleiding — Het nieuwe socialisme en de massa-actie

De strijd om het nieuwe socialisme, dat wil zeggen om nieuwe denkbeelden, nieuwe organisatievormen, en nieuwe strijdmiddelen, is ontbrand in de ganse arbeidersbeweging. En die strijd zal geen einde nemen eer het nieuwe socialisme gezegevierd heeft.

Het nieuwe socialisme betekent actieve aanpassing in gedachten en daden aan het maatschappelijke ontwikkelingsproces. Door het zo te noemen willen wij zijn tegenstelling uitdrukken tot het oude socialisme, dat thans nog in het merendeel van de officiële sociaaldemocratische partijen en moderne vakbonden belichaamd is. Dit oude socialisme beleefde in het tijdperk tussen de val van de Parijse Commune en het uitbreken van de wereldoorlog zijn periode van ontwikkeling, bloeitijd en verval. Eenmaal opgekomen als ‘nieuw socialisme’ in tegenstelling tot de opvatting en strijdmethoden van Proudhon, Bakoenin, Blanqui, enzovoort, is het thans op zijn beurt bij de maatschappelijke ontwikkeling achter geraakt. Het houdt vast aan denkbeelden, organisatievormen en strijdmethoden, die noodzakelijk waren in een vorig tijdperk, maar die nu ondoelmatig geworden zijn.

Wat de denkbeelden aangaat, was de marxistische wetenschap in het tijdperk dat met de wereldoorlog eindigt, allengs in hoofdzaak tot blote verklaring van de maatschappelijke verhoudingen en verschijnselen geworden. Deze verklaring sloot in een fatalistisch, mechanisch geloof aan het uit zichzelf omslaan van deze verhoudingen en verschijnselen, (militarisme, kapitalisme) in hun tegendeel, wanneer zij een bepaalde hoge graad van ontwikkeling zouden hebben bereikt. De voornaamste theoretici van de vorige periode ontwikkelden het marxisme in de eerste plaats naar de passieve zijde, d.w.z. zij bestudeerden voornamelijk de gevolgen van de veranderingen van de techniek en van de productieverhoudingen op het denken en doen van de mensen. Zij beschouwden deze dus vooral als producten van, niet als actieve krachten in het maatschappelijke wordingsproces. Sommige van hun — in hoge mate is dit het geval bv. met Plechanov — vervielen weer in het oude natuurwetenschappelijke materialisme, waarvan Marx de begrensdheid en eenzijdigheid in zulk een scherp licht had gesteld. Tegenover de oude generatie leggen zij, die zich ‘revolutionaire marxisten’ noemen, nieuwe nadruk op de eigen activiteit van de mens, op zijn zedelijk-geestelijke eigenschappen, zijn inzicht, zijn wil en zijn liefde, als op de werkelijke krachten ter omvorming van de maatschappij en ter verheffing van de mensheid. Voor hen levert de filosofie van Dietzgen, die de inhoud van de menselijke geest beschouwt als bepaald door het Al, de eeuwige eindeloze stroom van de levens, de algemene achtergrond van het economische determinisme. Ook houden de revolutionaire marxisten rekening met de verdere ontwikkeling van natuurwetenschap en psychologie sedert de dagen dat Marx zijn levenswerk verrichtte. Zich beroepend zowel op de voorlopige resultaten van deze ontwikkeling áls op de dialectische opvattingen van Dietzgen, leggen zij sterke nadruk op de betekenis van de menselijke activiteit als agens van de sociale veranderingen, dat is op de rol die de zelfwerkzaamheid, het begeren en willen, de bewuste en onderbewuste geestelijke krachten van de mens in het sociale proces spelen.

Wat de organisatie betreft, was het socialisme gedurende de vorige periode belichaamd in nationale partijen, die zich ten nauwste aanpasten in vorm en optreden bij de bijzondere politieke instellingen van elke staat. Deze partijen waren onderling slechts door de losse federatieve band van het Int. Soc. Bureau verenigd.

Het nieuwe socialisme neemt tot organisatorisch fundament de samenvatting van de proletarische organisaties in een internationale eenheid.

De steeds verdergaande aanpassing aan het nationaal-staatkundige milieu ondergroef in het oude socialisme de internationale gezindheid. De internationaliteit werd tot een frase, die klonk bij feestelijke gelegenheden, maar ongeschikt was voor dagelijks gebruik. Haar halfslachtigheid met betrekking tot het steeds naderend gevaar van de imperialistische wereldoorlog verborg de tweede Internationale onder de verouderde, door de werkelijke ontwikkeling tot een holle klank geworden formule van de verdedigingsoorlog, die in het socialisme geoorloofd, en van de aanvallenden oorlog, die er onverenigbaar mee zou zijn.

Tot het besef, dat, zo de dreigende oorlog losbarstte, zij zouden moeten kiezen tussen godsvrede, dat is nationale eenheid met hun eigen heersende klassen en verscheuring van de internationale proletarische eenheid, en klassenstrijd tegen hun eigen heersers onder alle omstandigheden, dat is internationale proletarische solidariteit, tot dit besef wist zij de massa niet op te voeden.

Het nieuwe socialisme proclameert tot eerste grondslag van zijn praktische politiek de absolute verwerping van de landsverdediging door het proletariaat in alle door de kapitalistische klasse geregeerde landen. Hierin ligt besloten het opvoeren van de klassenstrijd tot zijn uiterste scherpte en van de internationale proletarische solidariteit tot haar uiterste kracht, juist in die omstandigheden, welke volgens de oude marxistische opvatting van Kautsky e.a. voor die strijd onvermijdelijk een rustpose betekenen en die solidariteit tijdelijk geheel uitschakelen.

Het nieuwe socialisme handelt aldus op grond van het doorzicht, dat in het imperialistische tijdperk alle oorlogen tussen zgn. ‘beschaafde’, dat is kapitalistisch ontwikkelde landen [1], hun oorzaak vinden in de worsteling van de verschillende groepen van imperialistische staten om het beheersen van een zo groot mogelijk deel van de wereldmarkt, het uitbuiten van een zo groot mogelijk deel van de mensheid, en dat deze imperialistische ontwikkeling onvermijdelijk tot gevolg heeft de grote massa’s van het arbeidende volk ellendiger, afhankelijker en rechtelozer dan ooit te voren te maken.

Daarom leert het nieuwe socialisme dat het proletariaat zich tegen elke oorlog tot het uiterste verzetten moet, en dat dit verzet zich in de eerste plaats moet richten tegen de heersende klasse van het eigen land.

Zijn consequent internationalistisch revolutionair standpunt bepaalt zijn houding tegenover elk militarisme, ook wanneer dit zich in democratische vormen hult. Eveneens volgt uit dit standpunt zijn praktische gedragslijn in zake de buitenlandse, de financiële en in laatste instantie de gehele binnenlandse politiek.

Wat voor de oude Internationale slechts een frase was, dat zij geen vaderland kende, wordt voor de nieuwe een waarheid. Het proletariaat stelt zijn ganse hoop op volledige bevrijding, inbegrepen de zgn. ‘nationale bevrijding’ d.w.z. het ophouden van iedere onderdrukking van zwakkere volken door sterkere, op de overwinning van de arbeidende massa’s door de internationaal gevoerde strijd tegen het imperialisme. In deze zin ziet het nieuwe socialisme in de Internationale dat is in de eenheid van proletariaat en strijd voor de socialistische samenleving, het enige vaderland van de proletariër.

Het oude socialisme voerde op politiek gebied de klassenstrijd in hoofdzaak vóór en dóór het stembiljet. Het beschouwde de parlementaire actie als het middel bij uitnemendheid om de kapitalistische maatschappij voort te stuwen en te vervormen in socialistische richting.

Het verwachtte deze vervorming in hoofdzaak van de geleidelijke machtstoeneming van de arbeidersklasse in de vertegenwoordigende lichamen.

Het aanvaardde weliswaar de druk van de massa’s op deze lichamen door vergaderingen, betoging en in het uiterste geval door staking, het bediende zich van deze druk, maar toch beschouwde het hem slechts als een hulpmiddel om, hetzij de voorwaarden tot de parlementaire strijd te scheppen (verovering van algemeen kiesrecht) hetzij die strijd in het middelpunt te stellen van de openbare belangstelling.

Wat de economische actie aangaat, streefde het oude socialisme in de eerste plaats naar volmaking van het organisatorische mechanisme van de vakverenigingen. Het vertrouwde voor de strijd tegen de ondernemers voornamelijk op het financiële weerstandsvermogen van de organisaties, de geoefende discipline van de leden en de algemene kennis van vak en markt, het persoonlijke overredingsvermogen en de diplomatieke vaardigheid van de bestuurders. Het streefde er naar om de strijd van de massa’s tegen de ondernemers steeds meer te vervangen door onderhandeling met de ondernemers, door verdrag en arbitrage.

Het maakte afgoden van bepaalde instellingen en verhief bepaalde methoden (centralisatie, stille actie en partiële staking) tot dogma’s, dat wil zeggen het proclameerde hun voortreffelijkheid in alle gevallen en onder alle omstandigheden.

Het kweekte in de georganiseerde proletariërs tucht, zelfbeheersing en volharding, maar het verzwakte in hen de geest van initiatief, het stoutmoedige elan en de hogere vormen van offervaardig, strijdbaar idealisme.

Door zijn verzekeringspolitiek groef het een steeds diepere kloof tussen georganiseerden en ongeorganiseerden.

Het kweekte in de georganiseerden een geest van bureaucratische vormendienst en eigengerechtigheid, het leerde hen neerzien op hun ongeorganiseerde medearbeiders.

In het oude socialisme waren de politieke en de economische organisatie van het proletariaat streng gescheiden. Die scheiding volgde uit de omstandigheden en de behoeften in een bepaald tijdperk van de klassenstrijd, maar de leiders van het oude socialisme bleven aan haar vasthouden, ook nadat de imperialistische ontwikkeling door samenstrengeling van staatsmacht en grootkapitaal tot een onontwarbaar reuzengewas, de organische verbinding van de politieke en de economische strijd tot een gebiedende eis van doeltreffende tactiek had gemaakt.

Het oude socialisme ontweek zoveel mogelijk iedere worsteling van brede omvang en grote draagwijdte, het trachtte onmiddellijke resultaten te bereiken door het matigen van de socialistische eisen, door compromis en onderhandeling, door samengaan met delen van de burgerlijke of kleinburgerlijke klasse. Het zag er van af zijn principiële programapunten, als scheiding van kerk en staat, de republiek, de onteigening van de grote kapitalisten, op de voorgrond te stellen, ten einde arbeiders, nog bevangen in kleinburgerlijke en burgerlijk christelijke gedachtegangen niet af te schrikken, en zich aan te passen bij de ideeën van hervormingsgezinde intellectuelen.

Het richtte de volle aandacht van de arbeiders op het najagen van hun ogenblikkelijke groepsbelangen, het verwierp in zijn praktijk elke waarachtige offervaardigheid als ondoelmatig en onverstandig. Het hoonde elke strijd voor veraf liggende en algemene, dat is ideale doeleinden, voor de volledige bevrijding van de arbeid en die van de mensheid, als revolutionaire romantiek.

Bovenal echter maakte het de arbeidersklasse gewoon aan de voorstelling dat haar zaak in werkelijkheid zou worden uitgevochten door haar verkozenen en haar gevolmachtigden, dat de lange strijd voor de omwenteling van de sociale grondslagen van het maatschappelijke leven in hoofdzaak gestreden zou worden in de burgerlijke parlementen en op de bureaus van de vakverenigingen.

Zo bestendigde het in een nieuwe vorm onder de massa’s de noodlottige, de eeuwenoude dwaling als zou de bevrijding komen van boven, als kon zij zich voltrekken zonder hun eigen, voortdurende, onvermoeide geestelijke en zedelijke inspanning, zonder ontelbare daden van moed en zelfopoffering van hun.

Tegenover deze oude organisatievormen en strijdmethoden, wier bankroet in de ineenstorting van de tweede Internationale gebleken is, stelt het nieuwe socialisme de noodzakelijkheid van het directe ingrijpen van de internationaal samenhangende massa’s.

Het is zich bewust dat de acties van de massa’s, die het imperialisme doorzien, en bezield zijn door een alles trotserend strijdvaardig idealisme, het voornaamste strijdmiddel zal zijn in het tijdperk dat met de wereldoorlog begint.

Het is zich bewust dat de meest hechte organisatie, de meest stipte discipline machteloos zullen zijn tegen het imperialisme, zo zij niet samengaan met persoonlijk initiatief, breed doorzicht, revolutionair elan en offervaardigheid.

Het is zich bewust dat de bevrijding van de volkeren uit de hel van het imperialisme slechts mogelijk zal worden, zo de ideële samenhang van de massa’s steeds toeneemt en de geestelijk-zedelijke spanning in hen telkens opnieuw hoogtepunten bereikt, waar de enkeling en de groep ertoe overgaan hun bijzondere en tijdelijke belangen te offeren voor het blijvende heil van de arbeidersklasse en door deze van de mensheid.

Het nieuwe socialisme weet dat in het huidige tijdperk de afzonderlijkheid van politieke en economische bewegingen verdwijnen zal, evengoed als de slagboom tussen georganiseerde en niet georganiseerde proletariërs zal vallen.

Het weet dat in dit tijdperk de economische organisatie en de economische strijdmiddelen van het proletariaat onophoudelijk gebruikt zullen moeten worden voor algemene, dat is politieke doeleinden, nl. in de strijd tegen honger, werkloosheid, belastingdruk, militarisme, reactie en oorlog. Het is overtuigd dat juist het dienstbaar maken van de economische kracht van de arbeidersklasse aan de strijd tegen het imperialisme en voor het socialisme, het middel zal zijn tot haar opheffing uit de beperktheid van het groepsbelang, evenals tot het dempen van de kloof tussen de hogere lagen van de arbeidersklasse, de geschoolden en georganiseerden, en de massa van de ongeschoolden of door andere omstandigheden achtergeblevenen, (landarbeiders, havenwerkers, vele vrouwen enz.).

Zo de principiële tegenstelling tussen het oude en het nieuwe socialisme zich het sterkst openbaart in het vraagstuk van de zgn. landsverdediging, zo openbaart de tactische tegenstelling zich het scherpst ten opzichte van het vraagstuk van de massa-actie.

De leiders van de reformistisch-nationalistische partijen en de bestuurders van de vakverenigingen waarin de ‘aristocratie van de arbeid’ georganiseerd is, bestrijden de revolutionaire socialisten niet slechts wegens hun internationalisme, maar evenzeer omdat deze de massa-actie als het proletarische strijdmiddel bij uitnemendheid in het imperialistische tijdperk voorstellen. Sommige van deze leiders verwerpen dit strijdmiddel in hun dwaze inbeelding en zelfgenoegzame trots volkomen.

Op de massa-actie zien zij in soevereine minachting neer als op de eerste ruwe vorm van spontaan verzet van ongeorganiseerde of op primitieve wijze georganiseerde massa’s, een vorm van verzet, die volgens hen in het huidige stadium van de beweging overbodig is gemaakt door andere, veel minder offers vergende en veel ‘deugdelijker’ strijdmethoden.

Zij beschuldigen ons, revolutionairen, in de massa-actie een strijdmiddel te propageren, welks ondeugdelijkheid de praktijk talloze malen heeft aangetoond. Een strijdmiddel dat het proletariaat verleidt tot avontuurlijke waaghalzerijen en het afhoudt van het ‘geregelde kleine werk’, dat in waarheid het kapitalisme langzaam maar onophoudelijk ondermijnt. Volgens hen is de nieuwe tactiek eenvoudig de oude, opgewarmde tactiek van anarchosyndicalisme.

Van al deze beweringen is dit ene waar, dat de revolutionaire marxisten in Duitsland, Rusland, Zwitserland of Nederland evenmin in het jaar 1914 de massa-actie ‘ontdekt’ hebben, als de Franse of Italiaanse syndicalisten haar hebben ‘ontdekt’ in 1895 of de Engelse chartisten in 1839.

Directe deelneming van de massa’s aan de klassenstrijd komt voor, lang voor de theorie van deze deelneming, ja, van de klassenstrijd zelf geformuleerd werd. Zij is even oud als de massa en de klassentegenstellingen.

Massabewegingen tegen uitbuiting en druk worden aangetroffen niet slechts in het verleden van het proletariaat, maar in dat van alle verdrukte klassen. Het argument waarmee de reformisten ons, revolutionairen, willen treffen keert zich tegen hen zelf. Juist het algemeen voorkomen van massa-actie in elke klassenstrijd bewijst haar noodzakelijkheid op een bepaalde ontwikkelingsgraad van de maatschappelijke tegenstellingen, wanneer de revolutionaire spanning een zekere hoogte heeft bereikt.

De moderne geschiedenis — daaronder te verstaan het maatschappelijke ontwikkelingsproces, dat leidde eerst tot de strijd van de burgerlijke klasse tegen feodalisme en absolutisme, daarna tot de strijd van proletariaat tegen bourgeoisie — leert ons massabewegingen kennen van zeer verschillende aard, omvang en strekking. Vreedzaam betogen wisselt af met bloedig geweld, spontaan te hoop lopen met zorgvuldig voorbereide actie; hier drijven elementaire instincten, zorg voor de onmiddellijke instandhouding van het leven, de massa’s tot wanhopige worsteling, daar de strijd voor maatschappelijke idealen, voor bevrijding uit onderdrukking en dienstbaarheid, voor verovering van politieke rechten, aan wier bezit de hoogste verwachtingen worden vastgeknoopt.

Ook de geschiedenis van de arbeidersklasse is rijk aan voorbeelden van massale bewegingen.

En zo de rechtstreekse actie in de jaren na de val van de Parijse Commune tot aan het begin van onze eeuw enigszins op de achtergrond raakt — zo gedurende dit tijdsverloop de parlementaire strijd, waarbij de rechtstreekse actieve actie van de massa’s zich oplost in de handeling van talloze individuen, de strijd bij uitnemendheid, en het laatste woord van tactische wijsheid schijnt — de talrijke en geweldige acties van de proletarische massa’s, die in de eerste vijftien jaar van de twintigste eeuw onze maatschappij vaak deden trillen op haar grondvesten, hebben hen, die van de werkelijkheid willen leren, kunnen overtuigen van hoe groot de betekenis de massa-actie opnieuw in het huidige imperialistische tijdperk wordt.

Voor het nieuwe socialisme is het niet voldoende om in het algemeen vast te stellen dat de massa-actie in de revolutionaire perioden van de moderne geschiedenis altijd het voornaamste strijdmiddel is geweest, het strijdmiddel dat, wanneer de maatschappelijke ontwikkeling noopte tot belangrijke beslissingen, in de machtsverhoudingen van de strijdende klassen de doorslag gaf.

Ten einde ons duidelijk te maken wat wij in het nieuwe tijdperk van de proletarische klassenstrijd, dat met de wereldoorlog inzet, van de massa-actie hebben te verwachten, is het nodig allereerst te onderzoeken in welke omstandigheden massale acties in vroegere revolutionaire tijdperken hun doel bereikten, in welke andere zij faalden, en op welke wijze hun aard en vormen met het maatschappelijke milieu samenhingen.

Ten tweede is het van belang na te gaan wat de massa-acties van het proletariaat in het algemeen van die van andere klassen onderscheidt, hun vorm, omvang en doeleinden in de beginperiode van het kapitalisme te leren kennen; de oorzaken van het ‘parlementair intermezzo’ en zijn tegenstroming in de syndicalistische beweging, evenals van het opnieuw opkomen van de massa-actie in het imperialistische tijdperk, op te sporen, haar passieve en actieve, dat wil zeggen sociaaleconomische en sociaalpsychologische voorwaarden en bijzondere kenmerken in dit tijdperk te onderzoeken.

Ten slotte is het nog nodig de massa-actie als psychisch verschijnsel te doorgronden, d.w.z. te begrijpen welke menselijke eigenschappen haar ten grondslag liggen en zich in haar openbaren.

Hoe grondiger en alzijdig wij de massa-actie historisch en psychologisch leren begrijpen, des te beter zullen wij in staat zijn haar te bevorderen, zowel door de argumenten van de reformistisch-fatalistische tegenstanders uiteen te rafelen, als door ons helder bewust te worden van haar voorwaarden, haar mogelijkheden en grenzen in het komende tijdvak.

Dat deze arbeid er iets toe mag bijdragen om het begrip van de massa-actie te verhelderen, de wil tot haar op te wekken en te versterken, en dat hij zodoende een deel wordt van de kracht die de mensheid zal bevrijden — dit is de wens die ons bij het schrijven van dit werk onophoudelijk aandreef en bezielde.

Voetnoten


[1] Dus niet oorlogen van economisch achterlijke naties als Egypte, Perzië, Engels-Indië, Ned.-Indië enz. tegen de kapitalistische staten, die hen onderdrukken.