Henriette Roland Holst - van der Schalk
De revolutionaire massa-actie
Hoofdstuk 5


Het tijdperk van de wettelijkheid

1. De strijd voor het stembiljet en zijn gebruik

Met de Frans-Duitse oorlog eindigt het tijdperk van de nationale oorlogen in West-, Zuid- en Centraal-Europa. De grondslagen zijn gelegd waarop de voornaamste volken van ons werelddeel — met uitzondering van de Slavische naties — tientallen jarenlang hun ontwikkeling zullen opbouwen. De internationale betrekkingen zijn, voorlopig, stabiel geworden; de grenzen staan vast,

Het militaire overwicht wordt door de oorlog van ‘70 van Frankrijk verplaatst naar Duitsland, dat zich heeft opgericht uit zijn lang verval en de mate van staatkundige eenheid tot stand gebracht — zij het door van de vrijheid afstand te doen — die onontbeerlijk is voor de onbelemmerde ontwikkeling van de kapitalistische productie.

Nu eerst kan het machinale bedrijf al zijn mogelijkheden ontvouwen, kunnen wetenschap en techniek, rusteloos onderzoekend en beproevend, het productievermogen in de fabricage van ijzer en staal, in de chemische en elektrische industrieën steeds hoger stuwen.

Zoals Duitsland zich ontwikkelt tot de eerste macht op militair gebied, zo ook tot de eerste industriestaat van het vasteland van Europa. Zijn techniek, handel en verkeer nemen een enorme vlucht; het trekt daarin ook de kleine landen mee die het omringen. Van west naar oost schrijdt de industrialisering van Europa voort; ongelijk van kracht, verschillend van maatgang is de beweging al naar de historische, geografische, economisch-sociale en politieke omstandigheden van de verschillende landen, maar zij is algemeen en onafgebroken. Fabrieken worden gebouwd, mijnen ontgonnen, havens en dokken aangelegd, het spoorwegnet breidt zich uit. Een nieuw arbeiderstype ontstaat in alle landen, evenzeer verschillend van de kleinburgerlijk fatsoenlijke ambachtsman van eertijds, als van de onnozel slungelige ‘werkman zonder vakkennis’. Het moderne proletariaat, de nieuwe klasse, die, naar de uitdrukking van Marx “door haar universeel lijden een universeel karakter bezit en zich zelf niet kan bevrijden zonder het alle andere maatschappelijke sferen te doen,” krijgt in het laatste kwart van de eeuw in alle landen van West- en Centraal-Europa grote, ofschoon niet overal gelijke maatschappelijke betekenis.

Dit proletariaat is hetzelfde en toch weer niet hetzelfde als de arbeidersklasse zoals zij driekwart eeuw geleden in Engeland, een halve eeuw geleden in Frankrijk was ontstaan. Het komt op onder ten dele andere omstandigheden, omgeven door een ten dele andere atmosfeer: die van de min of meer volledig verwezenlijkte burgerlijke vrijheid. Het heeft de feodaal-absolutistisch-bureaucratische staat van voor 1848 niet meer gekend, de tijd niet meer beleefd toen elk verzet tegen de uitbuiting met geweld werd neergeslagen, toen het woord gekooid was en de pers geboeid, toen elke poging van de machteloze enkelingen om zich te verbinden en te verenigen, als misdaad werd gestraft.

De bourgeoisie voerde de burgerlijke rechten en vrijheden niet in ter wille van het proletariaat, maar ter wille van zich zelf. Zo veel mogelijk trachtte zij het proletariaat van hun genot uit te sluiten. Maar algemeen en consequent kon deze uitsluiting niet worden volgehouden. De volksmassa’s hadden onder leiding van de bourgeoisie aan de strijd tegen de feodaal-absolutistische klasse deelgenomen, zij hadden tot die strijd, die met de machtsverheffing van de bourgeoisie eindigde, de hoofdmacht geleverd: het bleek onmogelijk hen stelselmatig van alle vruchten van de overwinning te beroven. Daarbij konden bepaalde burgerlijke vrijheden, zoals bv. de vrijheid van verkeer en van beroepskeuze, niet ingevoerd worden zonder dat zij ook aan het stedelijke proletariaat ten goede kwamen. Wel probeerden de heersende klassen in verschillende landen herhaaldelijk om de grondwettelijke vrijheden en rechten voor het proletariaat door uitzonderingswetten op te heffen; wel handhaafde de klassenjustitie overal ook het gemene recht als een scherp zwaard tegen de strijdende arbeiders, maar haar vonnissen, en in nog hogere mate de uitzonderingswetten, die het proletariaat met nieuwe ketenen, hatelijker dan de oude, omsnoerden, droegen een zo in het ooglopend onbillijk, haatbaar en opruiend karakter — het karakter van middelen tot gewelddadige onderdrukking van de vreedzame activiteit van de massa te zijn — dat zij nergens op de duur onvoorwaardelijk konden worden gehandhaafd.

Zo ontstond in heel West- en Centraal-Europa voor het proletariaat de mogelijkheid om de klassenstrijd op de brede grondslag van de wettelijkheid te voeren en de beperkte rechten die het bezat te gebruiken ter verovering van nieuwe, uitgebreider rechten.

Natuurlijk voltrok deze hele ontwikkeling zich niet naar een vast schema, integendeel was zowel haar uitgangspunt als haar verloop in de verschillende landen zeer verschillend. Terwijl bv. in de Germaanse landen een min of meer uitgebreid recht van vergadering, vereniging en drukpers bestond, dat door het proletariaat werd gebruikt ter verovering van het kiesbiljet, bleven de Franse arbeiders aan wie het algemene kiesrecht door het tweede keizerrijk als een corruptiemiddel was toegegooid, in hun verenigingsvrijheid sterk bekneld. En terwijl de Belgische, Nederlandse en Scandinavische arbeiders alle nog voor het kiesrecht een strijd voerden, misschien minder onstuimig maar veel hardnekkiger dan die van de chartisten was geweest, bleek het algemene kiesrecht in het Duitse rijk, dat is in de staat wiens arbeidersklasse gedurende dit gehele tijdperk de leidende voorhoede van het strijdende internationale proletariaat uitmaakte — een wapen van zo uitmuntende kracht te zijn, dat zij door zijn stelselmatig gebruik na een strijd van veertien jaar er in slaagde, om de zgn. socialistenwet van Bismarck, de meest beruchte van alle uitzonderingswetten, ten val te brengen.

Het proletariaat dat in en met de moderne burgerlijke staat opgroeide, zoals die zich na 1848 en vooral na 1871 ontwikkelde, was, zeiden wij, niet meer geheel hetzelfde als het proletariaat uit de eerste aanvang van het kapitalisme. Dit laatste had zich voornamelijk gevormd uit de ontbinding van de klasse van kleine onafhankelijke producenten, die door de omwenteling in het bedrijfswezen hun broodwinning verloren. De machine had de eeuwenoude gezinsverhoudingen ontwricht, de gebruikelijke grenzen van de arbeid gebroken; de regelloosheid van de productie, de snelle stijging van het productievermogen, onevenredig aan de opzuigingskracht van de markten, leidde tot telkens uitbrekende handelscrisissen, maatschappelijke aardbevingen, wier door niets getemperde schokken ontzettende verwoestingen aanrichtte onder de weerloze massa’s. Zonder begrip van maatschappelijke samenhangen, zonder doorzicht in de maatschappelijke processen als deze waren, zonder kennis en wil, zonder zelftucht en zelfbeheersing, dobberend tussen doffe berusting en overspannen oproerigheid, werkte hun blinde levensdrang als een elementaire kracht te midden van de andere krachten der sociale ontwikkeling. Slechts een kleine voorhoede was bezield door andere gevoelens dan honger, wraakzucht en vertwijfeling, begreep iets van het maatschappelijke wordingsproces, zag — zij het ook in onbestemde vormen en als door nevelen heen — voor zich uit het doel van zijn strijd, de nieuwe socialistische maatschappij orde oprijzen.

Sedert 1848 en nog duidelijker sedert 1871 begint het karakter van het proletariaat te veranderen. In alle landen waar het machinale bedrijf zijn intocht doet, noodzaken de verderfelijke gevolgen van de ongebreidelde uitbuiting voor de levensduur, de gezondheidstoestand en de militaire geschiktheid van de arbeidende bevolking de regeringen om in te grijpen, door enige beperking van de vrouwen- en kinderarbeid, enige verbetering van de volkshuisvesting, enz. De algemene strekking van al deze maatregelen is het proletariaat een weinig op te heffen uit zijn absolute fysieke ellende. Ook dwingen de voorwaarden van de nieuwe bedrijfswijze de heersende klasse tot verbetering van het volksonderwijs. Zo wordt het proletariaat een weinig opgeheven uit zijn absolute onwetendheid. En daar er tevens aan zijn absolute rechteloosheid een einde komt, vermag zijn bovenste laag — de geschoolde arbeiders van die vakken, waar de vrouwen en kinderarbeid niet binnengedrongen is zich tot iets groter levenszekerheid en zelfs tot een begin van kleinburgerlijke levensbehaaglijkheid te verheffen.

Langzamerhand krijgt het proletariaat, nadat het aanvankelijk veroordeeld scheen om als ‘de barbaren van de moderne samenleving’ in hopeloos pauperisme aan haar zelfkant te vegeteren, in het raderwerk van de kapitalistische maatschappij zijn eigen gevestigde plaats. Het past zich aan die maatschappij aan, het boort in haar de wortels van de instellingen en organisaties die het hem mogelijk maken, de nimmer verzwakkende druk van het kapitaal tot op zekere hoogte te weerstaan. Dit proces van aanpassing is natuurlijk wederkerig. De heersende klassen ontdekken langzamerhand, dat de instellingen van het proletariaat, zijn pers, zijn politieke- en vakorganisaties, door hen aanvankelijk beschouwd als een acuut gevaar voor hun maatschappij, integendeel waardevolle elementen bevatten tot haar stabilisering, door de sociale schokken te verzachten waaraan het proletariaat altijd het ergste blootgesteld is en dat aan het proletariaat politieke rechten toe te kennen betekent, een veiligheidsklep te openen voor de sociale ontevredenheid.

De bezittende klassen leerden hun les uiterst langzaam — gelijk o.a. de heftige tegenstand bewijst, die de eis van het algemene kiesrecht algemeen vond — zó langzaam leerden zij haar dat het proletariaat er zelfs nog niet overal in was geslaagd die tegenstand te overwinnen, toen het tijdperk, welks strekkingen wij hier kort hebben geschetst, reeds ten einde liep en een omslag in de waardeverhoudingen van de verschillende strijdmiddelen zich voorbereidde. Het is in dat tijdperk de bijzondere roem van de Duitse arbeidersklasse geweest, de arbeiders van alle landen voor ogen te stellen, hoe het kiesrecht van een ‘middel tot bedrog’, in een ‘wapen ter bevrijding’ kon worden hersmeed. De bijzondere schande van de nationalistische arbeiderspartijen in het huidige tijdperk daarentegen is, het kiesrecht voor de arbeidersklasse opnieuw van een ‘wapen ter bevrijding’, tot een ‘middel van bedrog’ in dienst van de imperialistische regeringen te hebben gemaakt.

De belangrijkste sociaalpsychische verandering, die de arbeidersklasse in het laatste kwart van de 19de eeuw doormaakte, was haar doordringen in, haar doordrongen worden van het wetenschappelijke socialisme van Marx. Voor de eerste maal werd door woord en geschrift een socialisme onder de massa’s gebracht, dat niet fantastisch-utopisch was, maar berustte op wetenschappelijk onderzoek van de maatschappelijke verschijnselen. Een steeds toenemend deel van het proletariaat begon het wetmatige karakter van de sociale ontwikkeling te doorzien, het begreep dat de oorzaken van zijn ellende en zijn lijden niet de boosheid, de hebzucht en wreedheid van bepaalde personen waren, maar de werkingen van een economisch stelsel, dat in de heersende klassen hebzucht en wreedheid aankweken moest. Niet langer zag de arbeidersklasse het socialisme enkel als een voorwerp van zijn eigen subjectief begeren, maar tevens als het grootse perspectief van een zekere toekomst. Zich zelf zag zij als de klasse, door de historische ontwikkeling tot de taak geroepen, om door haar verlossing de ganse mensheid te verlossen. En zoals het inzicht, dat haar doel: de socialisatie van de productiemiddelen, niet willekeurig gekozen was, dat de economische ontwikkeling elke dag in hoger mate de technisch-sociale voorwaarden schiep, waaraan de verwezenlijking van haar idealen gebonden was, zoals dit inzicht de arbeidersklasse met rustig vertrouwen, zelfbewustzijn en sociaal optimisme vervulde, — zo kweekte de keerzijde van dit inzicht: het begrip, dat de overwinning slechts de rijpe vrucht van een lang ontwikkelingsproces kon zijn, in het proletariaat geduld, zelfbeheersing en volharding aan. Naarmate de grondwaarheden van het marxisme zijn denken meer beïnvloedden en meer tot een regelende kracht van zijn handelingen werden, leerde het zijn ongeduld betomen, leerde zich door geen provocaties tot ontijdige uitbarstingen van verzet te laten meeslepen en zich minder door hartstocht en begeerte dan door koelbloedige beoordeling van de concrete situatie en de machtsverhoudingen te laten leiden.

De nieuwe plooi, die de marxistische denkbeelden allengs in het bewustzijn van de arbeidersklasse vastlegden, werd daarin dieper gedreven door de praktijk van de beweging. De strijdwijze paste zich, evenals de organisatievorm, nauwkeurig aan bij de bestaande toestand: zij bestond in het onvermoeid gebruiken van alle wettelijke rechten en vrijheden als de sporten van een ladder, waarop de ganse klasse tot steeds meer recht en meerdere vrijheid omhoog zou stijgen naar het verre doel: de verovering van de politieke macht. Zelfs in halfabsolutistische staten als Duitsland en Oostenrijk kon de opmars van het proletariaat wel onophoudelijk belemmerd en verzwaard, maar nimmer tot stilstand gebracht worden. Want de algehele afschaffing van de burgerlijke rechten en vrijheden, waarvan deze mars zich bediende, was onmogelijk zonder de opheffing van de kapitalistische burgerlijke maatschappij zelf. Gedeeltelijke opheffing echter, dwang- en uitzonderingswetten tegen de arbeiderspers, de vakverenigingen enz. hadden slechts ten gevolge dat het proletariaat zich met des te intenser energie op het gebruik van de rechten wierp die het nog bezat.

Het ‘tijdperk van de wettelijkheid’ kan men weer in twee onderling zeer verschillende tijdvakken onderverdelen. Het eerste, dat de jaren ‘70 en ‘80 omvat, draagt vooral in het begin een sterk revolutionair karakter: door heel West- en Centraal-Europa neemt de klassenstrijd een zo onstuimig en verbitterd karakter aan, dat wij in menig opzicht aan de chartistenbeweging herinnerd worden.

Wij worden dit reeds hierdoor, dat de diepste oorzaak van de revolutionaire hartstocht, waarmee de proletarische massa’s zich in de strijd werpen, ook ditmaal de ontzettende sociale ellende is. Op het korte tijdvak van koortsachtige bloei dat onmiddellijk na de Frans-Duitse oorlog intrad, volgde sedert het midden van de jaren ‘70 een geweldige inzinking, die afgewisseld door zwakke korte vleugjes van verbetering, bijna twintig jaar lang voortduurde. In enkele bedrijven, o.a. de textielindustrie, hield de chronische depressie zo lang aan dat het scheen, als begon voor het kapitalisme het vaak voorspelde tijdperk van algemene overproductie, waarin het door de onmogelijkheid, voldoende afzetgebied voor zijn producten te vinden, in een vreselijke algemene crisis zou ondergaan. Opnieuw wordt de werkloosheid door haar massale afmetingen en haar lange duur tot een brandend vraagstuk. Op de onstuimige bewegingen van de volksmassa’s antwoorden de heersende klassen met strenge onderdrukkingsmaatregelen. De jonge socialistische partijen die zich na de ondergang van de Internationale in alle landen vormen, zijn in de ogen van de staatsmacht niet veel beter dan samenrottingen van misdadige oproerlingen, wier doel: de omverwerping van het bestaande, met behulp van alle machtsmiddelen van de staat moet worden bestreden.

Al naar de bijzondere nationale omstandigheden neemt de beweging van het proletariaat in dit tijdvak in hoofdzaak de vorm aan van strijd tegen uitzonderingswetten (Duitsland, Oostenrijk), van werklozenbeweging, (Engeland, Frankrijk) of van strijd voor het algemene kiesrecht (België, Nederland). Alle middelen van agitatie en pressie waarover het moderne proletariaat beschikt, worden toegepast: de pers, de vergadering, de meeting, de straatbetoging, het stembiljet en ook reeds de politieke staking. Maar de schitterende triomf van de Duitse arbeidersklasse, in de eerste plaats door het stembiljet op al de repressiemiddelen van een modern gecentraliseerd rijk bevochten, omstraalt dit middel onder alle andere met de glorie van onfeilbaarheid, terwijl haar overwinning de Duitse arbeidersklasse zelf met onbeperkt zelfvertrouwen in de kracht van de parlementaire methode vervult. Zo ontstaat in het bewustzijn juist van die nationale arbeidersklasse, wier gedachte- en strijdvormen voor de andere proletariaten van dit tijdperk min of meer voorbeeldig zijn, de voorstelling die het algemene kiesrecht als het proletarische strijdmiddel bij uitnemendheid beschouwt, als het wapen dat door een in bewustheid toenemend proletariaat steeds beter en doeltreffender gebruikt, eenmaal de kapitalistische staat in het hart zal treffen.

Daar waar de arbeidersklasse het kiesrecht nog niet bezit, vinden in deze jaren van sterke sociale spanning en ellende telkens rechtstreekse acties van de massa’s plaats. Hoe meer de jonge sociaaldemocratische partijen er in slagen, om zoals in België, in Nederland, later ook in Oostenrijk geschiedt, op de revolutionaire voorhoede invloed te krijgen en de spontane bewegingen van verzet te leiden in de bedding van de kiesrechtstrijd, des te meer krijgt iedere massale actie het karakter van een strijd ter verovering van het stembiljet, dat is van het wapen, dat alle verdere rechtstreekse actie van de massa’s overbodig maken zal.

In de strijd voor het kiesrecht verwierf het ruwe ongeschoolde proletariaat van West-Europa, verwierven althans zijn bovenste lagen, een zekere mate van klassenbewustzijn en politieke geschooldheid. Die strijd bleek het voornaamste middel tot zijn politieke opvoeding als klasse, hij gaf aan het volk samenhang, zelfvertrouwen en bewustzijn van zijn kracht.

Het eerst en het sterkst openbaarde zich de opvoedende werking van de kiesrechtstrijd in België, het land waar hij tevens culmineerde in de eerste massastaking voor politieke doeleinden. De aanwending van de massale kracht van het Belgische proletariaat werd begunstigd door een zó sterke opeenhoping van mijn- en industriearbeiders in het centrum des lands, als verder nog slechts in enkele streken van Engeland en Duitsland voorkwam. Door de kiesrechtstrijd werd hun massa geleid in de banen van volhardende en samenhangende inspanning en onder aanvoering van de sociaaldemocratie, het denkend, overleggend en beramend hoofd van de massa’s, geschoold en geoefend.

In sommige opzichten schijnt de Belgische kiesrechtbeweging van de jaren 1886-93 een herhaling van het chartisme: een onstuimige actie van ellendige, rechteloze en uitgebuite massa’s voor een politieke eis waarin zij alle tegenstellingen tussen zich en de heersende klassen belichamen, een samenvloeiing van tal van bijzondere bewegingen tot één algemene stroom. Maar de vooruitgang sedert de dagen van het chartisme is onmiskenbaar: in plaats van onklare en onvaste voorstellingen, kleinburgerlijk utopische sociale dromen, vinden wij in de Belgische kiesrechtbeweging de massa’s bezield door het sociaaldemocratische beginsel, dat heden en toekomst, hervorming en einddoel, verbindt door één strijd. In plaats van de grote verbrokkeling van het chartisme, met zijn vele elkaar bestrijdende, op elkaar na-ijverige leiders, die elk hun eigen stokpaardje berijden, vinden wij in de Belgische beweging — ondanks verschil van richting tussen de Walen en Vlamingen — een hoge mate van geestelijke en organisatorische eenheid.

Het voorspel tot de Belgische kiesrechtbeweging vormen de gebeurtenissen van ‘86, het jaar waarin het Waalse proletariaat van de mijnen en de metaal- en glasindustrie spontaan in verzet komt tegen onmenselijke levensvoorwaarden. Een oproer te Luik, het centrum van de mijnstreek, leidt onmiddellijk tot de algemene werkstaking in de mijnen, hoogovens en glasblazerijen van geheel Walenland. Fabrieken worden in brand gestoken, de troepen zijn aanvankelijk machteloos tegen de tienduizenden stakers, het proletariaat is enkele dagen lang heer en meester in de industriedistricten. Weer weet het evenmin iets met zijn overwinning aan te vangen als de wevers van Lyon dat in 1831 en de textielarbeiders van Lancashire in 1842 vermochten. Wat het in de strijd dreef was een opwelling geweest van met instinctieve kracht uitbrekend verzet tegen zijn ellendig leven, van hartstochtelijke onwil langer te sloven en te lijden, van sombere vertwijfeling doorstreept met oplichtende hoop, maar nog geen bewust willen, zich uitsprekend in eisen, scherp en vastomlijnd.

Zo werd dan ook deze beweging weldra bloedig neergeslagen en de mislukte opstand als gewoonlijk door een periode van reactie gevolgd.

Natuurlijk gebruikten regering en justitie de onlusten om een aantal sociaaldemocratische propagandisten te vervolgen, o.a. werd Anseele tot 6 maanden gevangenisstraf veroordeeld ofschoon de sociaaldemocratie rechtstreeks niets met de staking uitstaande had gehad. Het onmenselijke vonnis van twintig jaar dwangarbeid tegen Oscar Falleur, op zeer zwakke bewijzen wegens brandstichting uitgesproken, gaf de stoot tot een krachtige volksbeweging voor amnestie.

In ‘88 braken tengevolge van prijsverhogingen van sommige levensmiddelen nieuwe stakingen uit, die opnieuw met onlusten gepaard gingen. De troepen traden zeer ruw op, in Oostende werden vijf vissers neergeschoten. Het jaar daarop kwam het wederom tot een algemene staking in de mijnstreek, welke ditmaal onder leiding stond van een revolutionair-socialistische organisatie, die terrorisme en geweld propageerde. Enige dynamietaanslagen, die onder verdachte omstandigheden plaats vonden, maakten het duidelijk dat regeringsspionnen de hand in het spel hadden.

Nog duidelijker kwam dit aan het licht bij het grote proces wegens ‘samenspanning tegen de veiligheid van de staat’, dat het naspel van de staking vormde. De voorzitter van de revolutionaire socialisten, Lalei, werd als geheimagent van de regering ontmaskerd.

De onthullingen van het ‘grote complot’ overtuigden vele arbeiders van de nadelen van de terroristische tactiek en verhaastten de oprichting van een landelijke arbeiderspartij op sociaaldemocratische grondslagen. De geest van ontevredenheid nam toe, maar hij richtte zich steeds meer tegen de klerikale regering, die de ongebreidelde uitbuiting van de massa’s door geen enkele hervorming zocht te temperen. De eis van algemeen, direct en geheim mannenkiesrecht als het grote middel tot sociale verbetering, vond steeds meer weerklank in de massa’s, vooral nadat bij de verkiezingen van 1890 gebleken was dat er onder het heersende censuskiesrecht voor de sociaaldemocratie geen mogelijkheid bestond om het parlement binnen te dringen.

De kiesrechtcampagne van de Belgische arbeiderspartij in de jaren 1890-94 is in de eerste plaats merkwaardig wegens de uitmuntende wijze waarop de leiding elke gebeurtenis van algemeen belang, elk feit dat de massa’s in beroering bracht en hun strijdbare energie aanwakkerde, in de bedding van de kiesrechtstrijd wist te leiden. Ten tweede verdient de aandacht in haar de rijke afwisseling en het stelselmatig omhoogvoeren van de verschillende vormen van actie, waardoor zowel ontijdige ontspanning, als ontijdig overgaan tot de uiterste middelen voorkomen werd. En ten slotte treft ons het, op het eerste gezicht onbegrijpelijke feit, dat het zuiverste proletarische strijdmiddel, de algemene werkstaking voor politieke doeleinden, gepropageerd, voorbereid en toegepast werd in een beweging, gemeenschappelijk met het vooruitstrevende deel van de bourgeoisie gevoerd.

De grond van deze ogenschijnlijk onoplosbare tegenstelling ligt voornamelijk hierin, dat de bekrompen reactionaire wijze waarop België door de klerikalen werd geregeerd, de industriële en sociale ontwikkeling van het land sterk belemmerde. De linkervleugel van de liberalen zag in dat de heerschappij van het klerikalisme slechts gebroken kon worden door een kiesrechtuitbreiding, die op haar beurt slechts door de actie van de massa’s viel te bereiken. De algemene werkstaking was nog geen schrikbeeld voor de bourgeoisie, zij was nog nergens bewust voor revolutionaire proletarische doeleinden gebruikt geworden en in haar toepassing niet tegen het kapitalisme, maar tegen de klerikale regeringsmeerderheid lag niets wat de vooruitstrevende liberalen af kon stoten of verschrikken.

Van 1890 tot ‘93 nam de kiesrechtbeweging in het land zowel intensief als extensief voortdurend toe, zonder echter de weerstand van de klerikale meerderheid in de Kamer tegen de van liberale zijde ingediende voorstellen tot grondwetsherziening te kunnen breken. Een extra congres van de arbeiderspartij, in maart ‘91 gehouden, besloot de proteststaking te proclameren in geval de voorstellen verworpen werden. Maar omstreeks de 1ste mei traden, zonder het einde van de langdradige debatten af te wachten, 100.000 mijnwerkers spontaan in staking. Zij hielden vol tot de centrale sectie uit het parlement de 20ste de grondwetsherziening had aangenomen. Deze eerste overwinning was te danken aan de elementaire intuïtie van de massa’s, die beter dan de uitsluitend verstandelijk berekenende leiders de eisen van het ogenblik hadden beseft. Het succes door een betrekkelijk zwakke aanval behaald — de massa van de mijnwerkers was ongeorganiseerd, het textielproletariaat van de Vlaamse steden had zich afzijdig gehouden — valt uit verschillende omstandigheden te verklaren. Een groot voordeel voor de massale acties van het Belgische industrieproletariaat was zijn concentratie in de nabijheid van de hoofdstad, die het uitoefenen van een sterke druk in de hand werkte. Zo de ‘opmars naar Londen’ van 100.000 textielarbeiders uit Lancashire, waarmee de radicale partij in de dagen van de Reformbeweging de mannen van het behoud dreigde, vrijwel onuitvoerbaar was, de opmars van een paar honderdduizend mijn- en industrieproletariërs uit het centrum van het land naar Brussel was daarentegen zeer wel mogelijk, een mogelijkheid die de heersenden met angst vervulde.

Het grote verschil tussen de doelloze, wilde, verwarde stakingen van ‘86 en ‘87 en de grote doelbewustheid en zelfbeheersing van de massa’s bij de eveneens spontane maar in de hoofden voorbereide staking van ‘91 is een voorbeeld van de snelheid waarmee de politiek-geestelijke vooruitgang van het proletariaat zich in tijdperken van revolutionaire strijd voltrekt. Intussen bleek weldra dat door de aanneming van het voorstel tot grondwetsherziening nog weinig gewonnen was. De klerikale meerderheid ging voort met de behandeling op de lange baan te schuiven, en de agitatie voor de algemene staking als uiterst middel van pressie werd krachtig voortgezet. In de winter van ‘92 tot ‘93 nam deze agitatie een onstuimig karakter aan, de politieke manoeuvres van de klerikale partij vervulden de massa’s met steeds groter wantrouwen en verbittering.

Op het congres van de arbeidersorganisaties, in april ‘93 gehouden, werd opnieuw elk compromis verworpen en besloten de volle eis: algemeen enkelvoudig kiesrecht voor mannen op het 21ste jaar, te handhaven. De tijd voor daden, meenden velen, vooral onder de mijnwerkers, was nu aangebroken: de staking moest zonder verder uitstel worden geproclameerd. Opnieuw dook het meningsverschil op, dat in de dagen van het chartisme zo’n grote rol had gespeeld. Behoorde men van te voren uitdrukkelijk te verklaren dat de staking in elk geval ordelijk zou verlopen, of zou men, zo de omstandigheden dit mogelijk en noodzakelijk maakten, haar óók met gewelddadige middelen doorzetten?

Dit laatste wilde het merendeel van de arbeiders van de mijnstreek en de leden van de socialistische jeugdorganisatie, maar de gematigde mening, door de Gentenaars voorgestaan en door de meeste invloedrijke leiders gesteund, had de bovenhand.

De 11de en 12de april verwierp de Kamer achtereenvolgens alle voorstellen, die de invoering van algemeen enkelvoudig kiesrecht beoogden. Onmiddellijk daarop werd de algemene werkstaking uitgeroepen: evenals de mijnwerkers en de metaalbewerkers van het centrum, gaf ook het proletariaat in de Vlaamse industriesteden aan de oproep gehoor. Te Brussel, Gent, Antwerpen, Leuven, Mechelen enz., nam de staking grote omvang aan. Sommige ondernemers, vooral onder hen die tot de rechterzijde van de liberale partij behoorden, dreigden de stakende arbeiders met uitsluiting, andere beloofden het loon voor de stakingsdagen uit te betalen. Ofschoon de beweging in het algemeen een rustig verloop had, volgde de regering haar gewone tactiek van gewelddadige onderdrukking: op een aantal plaatsen, in de mijnstreek, te Antwerpen, te Gent enz. trad de burgerwacht op; er vielen gewonden en doden. In de hoofdstad vonden dag aan dag grote straatbetogingen plaats; in het hele land was de atmosfeer uiterst gespannen. Het volk wilde de kazernen bestormen en had hoop de soldaten aan zijn zijde te brengen: in het leger, dat haast uitsluitend uit proletarische elementen bestond, (in België was de plaatsvervanging nog geoorloofd) was de socialistische propaganda van de jeugdorganisatie ingeslagen: de regering durfde ditmaal nergens troepen te gebruiken, maar bediende zich uitsluitend van de nieuw opgerichte burgerwachten, de militaire organisatie van de bourgeoisie. De onbetrouwbaarheid van het leger was tot een factor in de onzekere machtsverhoudingen van de strijdende klassen geworden.

De 18de nam de Kamer met overstelpende meerderheid een wetsvoorstel tot invoering van algemeen meervoudig kiesrecht aan, het enige dat na de verwerping van alle verder strekkende voorstellen nog overbleef.

Diezelfde avond gelastte de algemene raad van de arbeiderspartij de hervatting van het werk en binnen enkele dagen was in het ganse land alles weer als gewoonlijk. De arbeidersklasse had door middel van de algemene staking het meest bekrompen en reactionaire deel van de bourgeoisie gedwongen tot een politieke hervorming, die het aantal kiezers met één slag van 130.000 op 1.000.000 bracht en zo een verouderd, onhoudbaar geworden parlementair stelsel ten val bracht.

Het volgende jaar wierp de sociaaldemocratische partij zich ‘met het vurige enthousiasme van een stormcolonne’ overal in de verkiezingsstrijd. De uitslag was schitterend en overtrof alle verwachtingen: 28 kandidaten van de partij werden in het parlement gekozen, 300.000 stemmen voor de socialisten uitgebracht, ruim een vierde deel van de ganse arbeidersklasse verklaarde zich voor het program van de arbeiderspartij. De sociaaldemocratie van alle landen juichte de uitslag van de Belgische verkiezingen toe als een grote triomf en een gewichtige stap tot de verovering van de politieke macht. Weliswaar handhaafde de klerikale meerderheid zich nog, maar haar val scheen aanstaande.

De toekomst leerde dat deze verwachtingen veel te optimistisch waren. De omstandigheden waaronder de Belgische arbeiders hun halve overwinning hadden behaald, waren helaas niet geschikt om hun nog oppervlakkig klassenbewustzijn te versterken en zo de grondslagen voor nieuwe overwinningen te leggen. De algemene richting, die de arbeidersbeweging sedert het midden van de jaren ‘90 meer en meer volgde, werkte de bestendiging van het politieke verbond tussen sociaaldemocratie en liberalisme in de hand, een verbond dat de arbeidersklasse demoraliseerde en de pogingen van 1902 en 1912, om door de algemene staking het enkelvoudige kiesrecht af te dwingen, smadelijk deed mislukken [16].

Ook in Nederland bleek de kiesrechtstrijd in de jaren ‘80 en het begin van de jaren ‘90 het middel bij uitnemendheid om brede lagen van de arbeidersklasse te wekken uit stompzinnige berusting en voor de doeleinden van de sociaaldemocratie in beweging te brengen. Maar deze vertoont hier niet de onafgebroken groei, die in België betrekkelijk spoedig tot een gunstig resultaat leidde: integendeel zakt zij tot tweemaal toe ineen, juist op het ogenblik dat een forse stoot waarschijnlijk het doel had bereikt. De oorzaken van dit verschil liggen grotendeels in de zeer uiteenlopende economisch-sociale omstandigheden waarin de Nederlandse en de Belgische arbeidersklasse haar strijd voerde.

Ook Nederland werd in de jaren ‘80 geregeerd door een plutocratie, die haar macht gebruikte om de massa’s op de meest brutale wijze uit te persen en te onderdrukken. Het levenspeil van het proletariaat was even laag, zijn toestand even ondragelijk, zijn materiële en geestelijke belangen werden op even ergerlijke wijze verwaarloosd als in België geschiedde. Maar in Nederland ontbraken zo goed als geheel de omwentelende krachten van de productie die het Belgische proletariaat reeds vroeg tot een homogene massa met gelijke aspiraties samenkneedde, in hem het bewustzijn van zijn massale kracht en zijn onmisbaarheid wakker riepen en zo tot verzet stimuleerden.

Toen België zich reeds had ontwikkeld tot een van de meest industriële staten van Europa, was Nederland nog een land van kleine burgers en kleine boeren, van krachtig individualisme en zwakke klassenstrijd. De industrie was achterlijk, het weinige industrieel middenbedrijf daarenboven in de uithoeken van het land verspreid. Terwijl in België reeds op het einde van de jaren ‘60 de mijnwerkers zich af en toe in spontane bewegingen verhieven en de Internationale op haar hoogtepunt daar tienduizenden leden telde, bleef zij in Nederland, waar van stakingen van enige omvang tot na 1885 geen sprake was, voor de massa zonder betekenis.

Overeenkomstig de veel geringere politieke ontwikkeling en de veel zwakkere instinctieve samenhang van de Nederlandse arbeidersklasse, vergeleken bij die van de Belgische, is de kiesrechtstrijd van de jaren ‘80 en ‘90 in ons land minder krachtig en wordt hij lichter uit het spoor gebracht. In het begin van de jaren ‘80 is voor het eerst van enige beweging onder de arbeiders sprake; in de volgende jaren groeit de kiesrechtagitatie onder leiding van de sociaaldemocratie snel: werkloosheid en nood, het ruwe geweld waarmee de politie in de grote steden tegen betogende arbeiders optreedt, de vervolgingen en processen met hulp waarvan de reactionaire regering de beweging tracht te onderdrukken, dit alles geeft haar een scherp klassenkarakter en doet haar onstuimige vormen aannemen. Maar terwijl in België de verscherping van de klassenstrijd culmineert in de algemene kiesrechtstaking, besefte de strijdende voorhoede van de Nederlandse arbeidersklasse weldra min of meer helder, dat terwijl de betoging een te zwak wapen was om haar doel te bereiken, zij geen sterker middel van druk tot haar beschikking had en brak zij in de herfst van 1885 in arren moede de strijd af.

Een landelijke kiesrechtdemonstratie in de Haag had de machthebbers bedreigd: dit was de laatste maal, verklaarde zij, dat de regering op de tot heden gevolgde wijze met de volkswil in kennis werd gesteld. Het afbreken van de actie wordt vaak voorgesteld als het noodlottige gevolg van deze bedreiging. Wij daarentegen zijn van mening dat de verklaring niet de oorzaak, maar een symptoom van de ontmoediging was, die de ongeoefende menigte neerdrukte; een ontmoediging, op haar beurt verklaarbaar uit de ontstentenis van sociale krachten, waardoor de beweging in omvang groeien en in intensiteit toenemen kon.

* * *

Men kon de betogingen niet tot steeds grootser, indrukwekkender afmetingen opvoeren, een dreigement echter met algemene werkstaking zou door niemand ernstig zijn genomen.

Met het opgeven van de strijd voor het kiesrecht verloor de volksbeweging, die zich in Nederland om de kiesrechteis verenigde, vaste bodem onder de voeten. Het afzien van die strijd, op zijn beurt een gevolg van de politieke ongeoefendheid, het gebrek aan volharding van de strijders, verleidde hen hun heil te zoeken in een nog half utopisch socialisme, dat droomde van de snelle vernietiging van de kapitalistische maatschappij door gewelddadige middelen. De taak om de evolutionaire inhoud van het marxisme werkelijk in zich op te nemen, dit tot zijn vlees en bloed te maken, ging de kracht van het ongeschoolde, onwetende, ellendige, ternauwernood uit doffe lijdelijkheid ontwaakte proletariaat van die tijd nog ver te boven: het zonk telkens in vóórmarxistische denkwijzen en strijdmethoden terug, het had nog niet geleerd, al zijn kracht op één punt samen te trekken; het bezat moed, strijdlust en offervaardigheid, maar wat het niet bezat, was het vermogen om ondanks tegenslagen en teleurstellingen te volharden.

De jaren ‘86 en volgende waren jaren van grote industriële inzinking, werkloosheid en nood, en, als gevolg daarvan, van heftige klassenstrijd. De verontwaardiging over de ergerlijke veroordeling van Domela Nieuwenhuis tot een jaar gevangenisstraf wegens majesteitsbelediging uitte zich in vele onstuimige massale protesten tegen de klassenjustitie; de haat tegen de ruw optredende politie voerde in Twente tot de aanslag op de commissaris van politie Geel, evenals hij de eigenlijke aanleiding tot het bloedige zgn. palingoproer te Amsterdam vormde. Maar de kiesrechtstrijd kwam de diepe inzinking niet te boven die op de grote demonstraties van de jaren ‘84 en ‘85 was gevolgd, en de strijdende voorhoede van het proletariaat bleef onverschillig toen bij de grondwetsherziening van ‘87, die aan de kleine burgerij het kiesrecht verleende, de arbeidersklasse van alle directe invloed op de volksvertegenwoordiging verstoken bleef.

De ongelukkige wending, waardoor de strijd voor het kiesrecht op de achtergrond kwam en de socialistische beweging van de werkelijkheid afgedrongen werd, viel samen met de ‘Oranjefurie’ — zoals de socialisten de tegen hen gerichte uitspattingen van door Oranjeliefde en jenever dol gemaakte lompenproletariërs en kleinburgers noemden. In de jaren ‘87 en ‘88 kwamen dergelijke uitspattingen voor in een aantal steden, Amsterdam, Rotterdam, Leiden, Utrecht. Met de Russische pogroms hadden zij gemeen, dat zij door de politie en de autoriteiten zo al niet aangestookt dan toch begunstigd werden. De socialisten, die een op alle mogelijke wijze vervolgde kleine minderheid vormden, gingen zich steeds meer voelen als vogelvrijverklaarden, verbittering en exaltatie namen in hun rijen toe.

Een zwakke industriële opleving op het einde van de jaren ‘80 verbeterde weinig of niets voor de massa, daar zij samenviel met het uitbreken van een zware en algemene agrarische crisis, die verscheidene jaren de Europese landbouw teisterde. Ook in Nederland trokken duizenden werklozen van het platteland naar de steden en vermeerderden daar de ellende. Anderen bleven in hun gemeente, op zijn best in het leven gehouden door de werkverschaffing in al haar verschrikking en afzichtelijke hardheid of door de karige giften van diaconieën en armbesturen. Half dreigend, half smekend, klonk de oude kreet van de vertwijfelende massa’s ‘werk en brood’, de bezitters in de oren. Aangewakkerd door honger en ellende verspreidden zich de vlammen van de klassenstrijd snel over het platteland, vooral in de provincie Friesland, waar de nood het ergst was en de arbeiders minder gedemoraliseerd en stompzinnig waren dan in de steden. De grote onstuimige stakingen van de landarbeiders en veengravers in ‘89 en ‘90, deden de bourgeoisie de schrik om het hart slaan: het scheen of de proletariërs van stad en land elkaar de hand gingen reiken tot een gezamenlijke strijd op leven en dood tegen de heersende klasse. Toch konden de stakingen in deze strijd slechts ondergeschikte episoden vormen: bij ontstentenis van een werkelijk agrarisch grootbedrijf moest het landbouwproletariaat zich in hoofdzaak bepalen tot politiek-parlementaire strijd. De beweging voor algemeen kiesrecht, in de steden ineengezonken, kwam op het platteland krachtig opzetten, in haar ging de landarbeidersklasse met de kleine proletarische pachters samen. Met behulp van de opkomende radicale stroming werd Domela Nieuwenhuis in ‘88 in de Kamer gekozen. Zijn krachtige socialistische agitatie van de parlementaire tribune af vestigde opnieuw de aandacht op de waarde van het stembiljet als strijdmiddel van het proletariaat. Nieuwe verwachtingen en frisse hoop ontwaakten, de kiesrechtstrijd ontbrandde opnieuw, onstuimiger dan te voren, ditmaal werd de beweging vooral door de agrarische districten gedragen. Maar spoedig zakte zij weer ineen: de niet-herkiezing van Nieuwenhuis in ‘91 was een ontzettende teleurstelling voor het proletariaat, en een die zeer betreurenswaardige gevolgen had. De beweging begon opnieuw af te zwenken van de normale banen van de klassenstrijd en in utopisch gewelddadige fantasieën en plannen te zwelgen. Het eerste symptoom van die zwenking was de breuk tussen de Sociaaldemocratische Bond en de Friese Volkspartij, de organisatie die de strijdbare proletarische en halfproletarische voorhoede in het noorden omvatte. Door deze breuk werd de ontwikkeling van de Volkspartij in socialistische richting afgesneden, weldra ging zij teniet. De meedogenloze hardheid waarmee de heersende klasse in de hongerjaren 92-93 de spontane uitingen van sociale oproerigheid neersloeg, (o.a. hieruit blijkend dat het budget voor de gehate marechaussees binnen enkele jaren verdubbelde) doodde in vele socialistische arbeiders het vertrouwen in de mogelijkheid van vreedzame ontwikkeling naar het socialisme. In het nieuwe program, door de Sociaaldemocratische Bond in ‘92 aangenomen, werd de zwenking duidelijk: dit program bevatte het besluit om voortaan met alle middelen, wettige en onwettige, gewelddadige en vreedzame te strijden. Een jaar later volgde na veel verbitterde inwendige twisten de aanneming van een motie die zich tegen elke deelneming aan de verkiezingen verklaarde. Ten gevolge van deze motie moest de Sociaaldemocratische Bond in twee ongelijke delen uiteenvallen, nl. in die der ‘parlementaire’ en van de ‘revolutionaire’ socialisten. De scheuring was even noodlottig als ontijdig, daar zij niet slechts de directe en de indirecte alle tot absolute tegenstellingen proclameerde, maar ook de kiem bevatte van een overdreven verscherping van de tegenstelling tussen de hogere en de lagere rangen van het proletariaat, onder welke de Nederlandse arbeidersbeweging tot op de huidige dag lijdt.

Opnieuw scheen de kiesrechtbeweging dood. Een zeer democratisch kieswetontwerp, in ‘94 door de burgerlijke radicalen ingediend, kon in het parlement door de conservatieve meerderheid verworpen worden zonder dat de arbeidersklasse een vinger verroerde. De taal van de socialistische bladen werd heftiger en heftiger, naarmate de werkelijke macht van de beweging afnam. De retoriek, de frase en de zelfmisleiding dreven in toenemende mate hun wreed spel met de voorhoede van de Nederlandse arbeidersklasse, die wel fel in het begeren maar zwak in het handelen was. Wat de nieuwe socialistische partij aangaat, die zich na de scheuring vormde en na enkele jaren van moeizaam getob de wind in de zeilen kreeg, haar oorsprong en de voorwaarden van haar ontwikkeling dreven haar vertrouwen in de ‘parlementaire middelen’, als absolute tegenstelling tot de ‘revolutionaire’ opgevat, spoedig tot het uiterste. De sterke invloed van de Duitse sociaaldemocratie, die haar meeste theoretische en praktische leiders ondergingen, werkte in dezelfde richting en droeg er toe bij in haar een dogmatisch geloof in de ‘parlementaire’ strijdmiddelen als de enig doeltreffende aan te kweken.

Pas in de eerste jaren van de 20ste eeuw begon de strijd voor het algemene kiesrecht na een lange inzinking te herleven. Maar die herleving geschiedde onder sterk veranderde omstandigheden. Door een tweede grondwetsherziening in 1897 hadden de bovenste lagen van de arbeidersklasse toegang tot de stembus gekregen: het gelukte dan ook weldra aan de SDAP om enige van haar mannen verkozen te krijgen. Daardoor werd ook voor ons land het eigenlijke parlementaire tijdperk van de arbeidersbeweging ingeluid. Tevens begon voor het kapitalisme een nieuwe era van expansie, waardoor de werkloosheid en de absolute ellende verminderde. De klassenstrijd verloor ook in Nederland snel veel van zijn scherpte en onstuimigheid, de omstandigheden werden rijp voor de indirecte, bijna uitsluitend op versterking van de parlementaire machtsposities gerichte strijd en voor de methoden van de moderne vakorganisatie.

In Engeland nam de sterke opleving van de proletarische opstandigheid in de jaren ‘80, die daar als elders nauw samenhing met de algemene industriële crisis, deels andere vormen aan dan op het vasteland. Tot een beweging voor algemeen kiesrecht, zoals zij vooral in de West-Europese landen het middel bij uitnemendheid van de jonge sociaaldemocratie bleek om een voorhoede van het proletariaat bewust te maken en te organiseren, ontbrak hier de grondslag. Reeds tweemaal, in 1866 en ‘84 had de regering het initiatief tot uitbreiding van het kiesrecht genomen en door aan de geschoolde arbeiders het stembiljet in handen te geven, hun tegenstelling tot de massa’s van het ongeschoolde proletariaat nog vergroot. Van gebruik van het kiesrecht in de zin van een zelfstandige klassenpolitiek was onder de arbeiders aristocratie geen sprake. Wat de ongeschoolde, aan zich zelf overgelaten massa’s betreft, zomin als deze in staat waren door vak-actie uit hun ellende omhoog te worstelen, zomin vermochten zij uit eigen kracht een nieuwe aanloop te nemen voor de verovering van de politieke democratie. De ‘verstarring van Oost-Londen’, zoals Engels de doffe lijdelijkheid van de tienduizenden werkers van de dokken en havens noemde, was de ene pool van een sociale werkelijkheid, wier andere pool de kleinburgerlijke ontaarding, het hoogmoedige conservatisme van de trade-unions, het opgaan van de arbeiders van de geschoolde beroepen in een bekrompen vakegoïsme was.

Twee omstandigheden vooral werden tot uitgangspunten van een nieuwe ontwikkeling. De eerste was het ontstaan van socialistische groepen in het begin van de jaren ‘80 op de theoretische grondslagen van het marxisme. De tweede was de prikkel van de ellende, die ook in Engeland in deze jaren ten gevolge van de ontzettende werkloosheid de ganse arbeidersklasse teisterde. Ook onder de geschoolde vakarbeiders, de scheeps- en machinebouwers, de bouwvakarbeiders, enz., wier vakbonden langzamerhand tot zuivere ondersteuningsverenigingen geworden waren, begon uit de nood van de tijden de behoefte aan een meer strijdbare organisatie op te komen. De kleine socialistische groepen werkten met apostolische ijver onder de massa’s van de ongeorganiseerden. Hun vurige geestdrift, die de sociale revolutie aanstaande zag, poogde ieder conflict tot een stuk klassenstrijd te verscherpen en rekende minder de onmiddellijke uitslag dan wel zijn werking op de revolutionaire bewustwording van het proletariaat voor de hoofdzaak. Zij, de socialisten waren het ook, die in de ellende jaren 86-87 de onstuimige betogingen van de werklozen in Londen en in de provincie leidden. Zelfs hier, in het klassieke land van de burgerlijke vrijheid, onderdrukten de heersende klassen de werklozenacties met geweld. Het recht op de straat werd aan de massa ontnomen, alle pogingen om het te handhaven, voerden tot bloedige botsingen met de politie. Maar de illusies van de socialistische leiders, die in de werklozendemonstraties het voorspel van de sociale omwenteling zagen, vervulden zich daarom niet. Deze waren slechts een gevolg van de vertwijfeling van de massa’s; naargelang de crisis haar scherpte verloor, effende zich de oproerige stemming en de demonstraties verminderden. Toch had de eerste aanraking met het ‘evangelie van de bevrijding’ dat de socialisten predikten, op de massa’s grote indruk gemaakt, zijn werkingen toonden zich in de volgende jaren, toen hun veerkracht ten gevolge van de verbetering van de conjunctuur weer toenam.

In ‘89 ontwaakte, geheel onverwacht, het oosten van Londen. De ganse massa van de ongeorganiseerden en ongeschoolden kwam spontaan in beweging, een storm tegen de kapitalistische instellingen scheen op komst. Op de sensationele successen van twee ongeschoolde arbeiderscategorieën: de lucifermaaksters en de arbeiders van de gasfabrieken — beide ogenschijnlijk zwak en machteloos — volgde een geweldige worsteling in de dokken en havens, die na vier weken eveneens met de overwinning van de arbeiders eindigde. Deze eerste staking van het havenproletariaat was even merkwaardig door de daadkrachtige sympathie die zij onder de arbeidersklasse internationaal wekte, als om haar overslaan naar andere landen. De strijd te Londen leidde o.a. tot het uitbreken van de eerste havenarbeidersstaking te Rotterdam, die insgelijks voor de arbeiders gunstig verliep. Een vloed van strijdlust en organisatiedrang ging door de massa: binnen korte tijd verenigden 200.000 arbeiders van de ongeschoolde beroepen zich in vakorganisaties van een geheel nieuw type in Engeland, ingericht niet op ondersteuning, maar op strijd.

Maar hoe verheugend het ontwaken van de ongeschoolde arbeiders ook was, de verwachtingen die het bij de socialisten opwekte werden evenmin vervuld als die, welke enige jaren vroeger de werklozenbeweging deed opkomen. Wel kwam in de nieuwe vakverenigingen een andere geest tot uiting als in de versteende organisaties van de aristocratie van de arbeid, wel werkte het ontwaken van de ongeorganiseerden dóór in het ganse proletariaat, maar de snelle machtsvermeerdering van het revolutionaire socialisme, die zijn geestdriftige apostels van ‘het nieuwe trade-unionisme’ verwacht hadden, bleef wederom uit. Onder leiding van mannen als John Burns en Tom Mann sloeg de beweging al spoedig de banen in van tamelijk opportunistische actie voor hervormingen door staat en gemeente. De beide socialistische partijen waarin zich de verschillende stromingen onder de socialisten na veel inwendige strijd belichaamden, bleven buiten het leven van de massa’s. Even weinig als de principieel marxistische Sociaal-Democratische Federatie vermocht de Onafhankelijke Arbeiderspartij de sociale gisting in de bedding van zelfstandige klassenpolitiek te leiden. De vakverenigingen echter bleven als te voren drijven in het zog van de liberale partij. Ook de oprichting van de ‘Arbeiderspartij’ in 1900 — een combinatie van een aantal grote vakbonden tot politiek-parlementaire doeleinden — maakte hier slechts schijnbaar een einde aan; de afgevaardigden van de Arbeiderspartij vormden weldra eenvoudig de linkervleugel van de liberale partij in het parlement.

De verschillende massabewegingen van de jaren ‘80 en het begin van de jaren ‘90 hadden, zagen wij, tot gemeenschappelijke voedingsbodem de langdurige crisis, die de leiders evenals de massa’s de voorbode toescheen van een algemene economische catastrofe, waarin het kapitalisme zou ondergaan. Boven het gewoel en de verwarring van de strijd, boven de radeloze oproerigheid en wilde begeerten van de miljoenen die geen werk hadden en geen brood, was een klare en vaste gedachte gekomen: die van het moderne wetenschappelijke socialisme, dat de strijd voor lotsverbetering, voor hervormingen, voor democratie, onmiddellijk aan de strijd voor de bevrijding van het proletariaat, aan de sociale revolutie en haar doel, de socialistische maatschappij, verbond. Het besef van die eenheid van weg en doel begon de voorhoede van de arbeidersklasse te doordringen.

Het spreekt vanzelf dat in de massa’s, die gedurende de jaren ‘80 door het socialisme aangeraakt en uit hun hopeloze berusting gewekt werden, de kern van het marxistische gedachtestelsel, de opvatting van het maatschappelijke gebeuren als een wetmatig ontwikkelingsproces, zich nog tamelijk ruw en simplistisch weerspiegelde. In hun drang naar verlossing en in hun zwakte legden zij de nadruk niet op de lange weg die nog te doorlopen viel, maar op het einddoel: de afschaffing van het privaatbezit. Dit uitzicht bezielde hen met moed en geestdrift, het leek hun vlak bij en door één geweldige inspanning te bereiken. Zij begrepen niet dat de concentratie van de bedrijven nergens nog ver genoeg gevorderd was om de economische voorwaarden tot de ‘onteigening van de onteigenaars’ te scheppen. Evenmin begrepen zij hoe weinig zij zelf nog in staat waren om de productie over te nemen. En hoe achterlijker de economische ontwikkeling van een bepaald land was, hoe minder de grootindustrie en haar sociale werking nog voor de massa’s tot werkelijke ervaring waren geworden, des te meer nam juist onder een deel van hen na de eerste mislukte stormlopen de neiging toe om de nadruk te leggen op het ‘einddoel’, dat is om zich van iedere actie voor hervormingen af te keren en louter in revolutionaire frasen te zwelgen.

Trouwens ook in die landen waar de snelle ontwikkeling van de grootindustrie wel haar stempel op de maatschappij drukte, bleef het socialisme van de jaren ‘80 de vermoedelijke duur van de worsteling sterk onderschatten. Wat feitelijk nog slechts een voorpostengevecht tussen bourgeoisie en proletariaat was, scheen de strijdenden het begin van de eindworsteling toe. Ook de vooraanstaande theoretici vertrouwden op een snelle ontwikkeling. Niemand minder dan Engels sprak in ‘95 de verwachting uit dat de Duitse socialisten nog vóór het einde van de eeuw tot een macht in het land zouden worden, voor welke alle andere machten zouden moeten buigen. Algemeen heerste de opvatting dat de heerschappij van de bourgeoisie ten einde liep.

De nieuwe opwaartse beweging van het kapitalisme, die feitelijk reeds op het eind van de jaren ‘80 inzette, bleef aanvankelijk door de werkingen van de agrarische crisis verborgen. Maar toen deze op haar beurt overwonnen was, begon een snelle expansie. De werkloosheid die het proletariaat tot wanhoop had gebracht nam in alle landen snel af, de daling van het geldloon hield op naarmate het reserveleger van de arbeid werd opgeslorpt door de uitbreiding van de productie: weldra begonnen de lonen te stijgen, terwijl de prijzen van de voornaamste levensmiddelen, in de eerste plaats die van het brood, tot omstreeks 1900 vrijwel gelijk bleven of zelfs daalden.

De absolute, fysieke ellende van het proletariaat verminderde, de scherpte van de klassenstrijd nam overal af, de Duitse socialistenwet en andere uitzonderingswetten vielen, de landen werden vol van het gerucht van hervormingen als verkorting van arbeidsduur, bescherming van vrouwen en kinderen, enz. die de regeringen aankondigden en voor een klein deel ook verwezenlijkten.

Weldra werd het duidelijk dat het socialistische proletariaat met een veel langere levensduur van het kapitalisme rekening moest houden, dan het in de tumultueuze worstelingen van de jaren ‘80 had verondersteld. Het was onvermijdelijk dat, terwijl tengevolge van dit nieuwe perspectief de bezieling voor het einddoel verminderde, de beweging voor ‘praktische’ hervormingen een steeds groter deel van de kracht en van de belangstelling ging opslorpen. Het proletariaat, althans zijn hogere lagen, ging de kapitalistische maatschappij een beetje meer bewoonbaar achten, het begon zich in haar in te richten voor een langdurig verblijf, en zich aan te passen aan haar denkvormen en instellingen.

De acties van de ongeoefende massa’s in de jaren 1883-93 hadden niet vermocht de burgerlijke maatschappij uit haar voegen te tillen. Daartoe reikte hun kracht niet, of, wil men op de andere zijde van de sociale verhoudingen de nadruk leggen, daartoe was de kapitalistische productiewijze nog te levenskrachtig. Maar niet alleen de krachtige revolutionaire wil die uit deze acties sprak, de warme solidariteit en opofferingsgezindheid die zich daarin uitten, het zelfbewustzijn dat er door opgewekt werd, het naïeve sociale idealisme dat er in tintelde, maakten ze zo verheugend. De directe uitkomsten waren, ofschoon andere dan het proletariaat verwacht had, zeer groot en van een mislukking van deze eerste grootse internationale poging tot verzet van de arbeidersklasse was evenmin sprake, als het chartisme objectief beschouwd een mislukking was geweest.

De overwinning, behaald door de gedisciplineerde massakracht van het Duitse proletariaat in de strijd voor de intrekking van de socialistenwet, was een les voor alle regeringen, dat uitzonderingswetten door de haat en de verontwaardiging die zij opwekken de eenheid en kracht van de arbeidersklasse enorm versterken. De hoop om de Duitse arbeiders, toen bleek dat zij zich door de scherpste vervolgingen niet van de strijd lieten af houden, door voordelen te corrumperen, leidde in Duitsland tot de invoering van een zo uitgebreide arbeidersverzekering als in nog geen enkel land bestond. Wel echter kwam in diezelfde tijd, onder de directe of indirecte druk van de socialistische beweging, in de meeste landen een begin van arbeidswetgeving op; de pogingen, in de eerste jaren ‘90 door burgerlijke hervormers aangewend, om deze internationaal uit te breiden en te veralgemenen, kregen een krachtige impuls door de internationale socialistische congressen, die van 1889 af geregeld om de twee of drie jaar plaats vonden. Ook de jaarlijkse demonstraties voor de achturen dag op 1 mei, waartoe het eerste van deze congressen had besloten, werkte aanvankelijk als een sterke stuwkracht voor hervormingen door de geweldige schrik die deze jaarlijkse internationale wapenschouwing van het proletariaat onder de bourgeoisie teweeg bracht.

En wat niet minder gewichtig was; steeds duidelijker bleek algemeen de onmogelijkheid om op de duur de arbeidersklasse buiten de volksvertegenwoordiging te houden. In zijn voorrede bij het werk van Marx over de klassenstrijd in Frankrijk, liet Engels zich in ‘95 als volgt uit over de resultaten en de vooruitzichten van de politiek-parlementaire actie: “Zelfs in Frankrijk zien de socialisten meer en meer in, dat geen blijvende overwinning voor hen mogelijk is, zo zij niet beginnen met de grote massa’s van het volk, dat is de boeren, te winnen. Het langzame werk van de propaganda en de werkzaamheid in het parlement worden ook hier begrepen als de eerste taak van de partij... In België hebben de arbeiders het vorige jaar het kiesrecht veroverd en zijn zij in een vierde deel van de kiesdistricten binnen gedrongen. In Zwitserland, Italië, in Denemarken, ja in Bulgarije en Roemenië zijn de socialisten in het parlement vertegenwoordigd. In Oostenrijk zijn alle partijen het hier over eens dat men hun de toegang tot de rijksraad niet lang meer kan versperren.”

Zo hadden de onstuimige stormlopen van de massa’s reeds overal een aantal van de hinderpalen omver gehaald, die de verovering van de politieke macht beletten. Het scheen als behoefden zij slechts vastberaden langs de ingeslagen banen van de politiek-parlementaire strijd voort te gaan, om betrekkelijk spoedig tot het hart van de kapitalistische vesting door te dringen. En zó groot was reeds de inspanning van de massa’s geweest, zó zwaar de offers die zij gebracht hadden, dat het hun, nu het strijdperk ruimer en zijn grond een weinig effen was geworden, somtijds toescheen als lag het zwaarste achter hen.

Terwijl zo enige ontspanning intrad, en de krachten van alle actieve naturen meer en meer door praktische werkzaamheid in en voor de organisatie werden opgeslorpt, rijpten de voorwaarden tot steeds toenemende aanpassing aan de burgerlijke maatschappij, tot toenemende vervanging van de directe massaal gevoerde strijd door indirecte strijd, en eindelijk tot de vervanging van alle strijd door de strijd ontwijkende methode van verdrag en vergelijk.

2. Parlementair intermezzo, moderne vakorganisatie en syndicalistische tegenstromingen

De sociaaldemocratische partijen, in de jaren volgende op de ondergang van de Internationale Arbeiders Associatie in de verschillende landen opgericht, hadden zich alle hetzij de verovering van het kiesrecht, hetzij het gebruik van het reeds veroverde tot hoofddoel gesteld. En naargelang de arbeidersklasse, of althans haar bovenste lagen, in steeds meer landen tot de stembus toegang verkreeg, werd de politieke organisatie van het proletariaat meer op de verkiezingsstrijd ingericht. De verkiezingscampagnes werden tot de hoogtepunten van de sociaaldemocratische activiteit, zij waren de grote veldslagen waarin de proletarische drommen in steeds breder en dieper gelederen storm liepen op de klassenstaat. En bijna elke verkiezingsstrijd voerde het proletariaat tot nieuwe overwinningen, die zelfbewustzijn en toekomstvertrouwen in de harten deden wassen.

Het geestdriftige elan, waarmee de sociaaldemocratie zich telkens opnieuw in de verkiezingsstrijd wierp, was even begrijpelijk als de hoge verwachtingen, die het gestadig rijzen van de ‘rode vloed’ in de massa’s wekte. Wat reeds in verscheidene landen was gelukt de slagboom omver halen die de arbeidersklasse buiten de volksvertegenwoordiging hield moest op de duur overal gelukken. Het aantal sociaaldemocratische afgevaardigden zou steeds toenemen naarmate het proletariaat meer bewust werd van zijn klassebelang en zijn historische taak. Die bewustwording bewerkte de economische ontwikkeling en de socialistische propaganda. Het grootse verschiet van de verovering van de staatsmacht, binnen afzienbare tijd, door de verovering van de parlementen ging open. Had de bourgeoisie de staatsmacht niet op deze zelfde wijze veroverd, had zij de parlementaire instellingen niet gemaakt tot de politieke molens waarin het graan van haar maatschappelijke rijkdom gemalen werd? Waarborgde de snelle groei van het proletariaat in aantal gelijk in kracht niet een spoedige overwinning?

Het scheen alles zo logisch en eenvoudig. Het was zo bemoedigend en gemakkelijk te begrijpen. Alle statistieken bewezen dat de arbeidersklasse percentsgewijze het snelst van alle toenam. En bij elke verkiezing steeg, regelmatig als een vloed, het aantal rode stemmen. De stijging ging niet altijd in hetzelfde tempo, maar nimmer hield zij op. En slaagden de heersende klassen er een enkele maal in, om door uitzonderingswetten of kunstmatig gewekte oorlogsberoering, het aantal sociaaldemocratische afgevaardigden te doen dalen en de groei van het stemmenaantal te vertragen — des te veerkrachtiger sprong dit een volgende maal weer omhoog.

Een blij, natuurlijk wonder scheen zich te voltrekken: het onfeilbare middel om de heerschappij van de bourgeoisie te breken, was door de maatschappelijke ontwikkeling in handen van het proletariaat gelegd. De instellingen door de bourgeoisie tot eigen baat geschapen, schenen in de handen van de arbeiders het werktuig te zullen worden tot haar val. Binnen één mensenleeftijd had de Duitse sociaaldemocratie, ondanks de sterke belemmering van haar vrije beweging door infame uitzonderingswetten en niet minder infame, tendentieuze toepassing van het gemene recht, één derde deel van de kiezers achter zich geschaard. Nog tien, hoogstens twintig jaren en dan... Ja: de weg tot de macht lag voor het proletariaat open, het hield zijn toekomst in zijn hand.

Van de kern van de partij eiste de politiek-parlementaire strijdwijze veel organisatorisch vermogen, energie en volharding, vele offers aan tijd en kracht — al waren deze in latere dagen niet meer te vergelijken met de offers die de pioniers van de eerste Internationale gebracht hadden, noch met die uit het eerste tijdvak van de parlementaire periode, toen de heersende klasse overal de opmars van het proletariaat met geweld trachtten te beletten. Van de massa’s echter eiste de parlementaire tactiek evenmin veel doorzicht, als bijzondere moed of toewijding. Om op de socialisten te stemmen, was het voldoende dat de massa’s hun eigen naaste belangen begrepen. De sociaaldemocratische afgevaardigden streden immers altijd en overal voor hervormingen, voor arbeidswetgeving en arbeiderspensionering, voor verbetering van het volksonderwijs en de volkshuisvesting, voor vermindering van de militaire lasten enz. De vruchten van hun optreden kwamen telkens aan het licht. Telkens noopten zij, ofschoon een minderheid, de vertegenwoordigers van de bevoorrechte klassen om iets toe te geven, hervormingen in te voeren of althans aan te kondigen, zij het in de hoop de onrustbarende groei van de ‘partij van de revolutie’ te vertragen.

Inderdaad: de massa’s hadden doof en blind, ze hadden volslagen stompzinnig moeten zijn om geen acht te slaan op het beroep op hun stoffelijke en geestelijke belangen, door de sociaaldemocraten in de pers, in brochures en op vergaderingen met zoveel vurige ijver en overredingskracht onophoudelijk herhaald, gestaafd door zulke sprekende en onweerlegbare argumenten. Zo lang de sociaaldemocratie had gewaand, dat de eindstrijd nabij was, de sociale revolutie aanstaande, was het directe klasse- of groepsbelang van het proletariaat samengevallen met de bevrijding van alle uitgebuiten en verdrukten, dat is met het heil van de mensheid. De eenheid van hervorming en revolutie in de sociaaldemocratische beweging was in die dagen een feit, en onder de ruwe oppervlakte brandde een zuiver en sterk sociaal idealisme. Thans was een nuchterder opvatting in de plaats gekomen van de vroegere illusies, een opvatting die zich met de mogelijkheid van een lange levensduur van het kapitalisme allengs verzoende. Theorie en praktijk vielen uiteen: de eerste bleef, afgezien van de theoretische ‘afwijking’ van het revisionisme, revolutionair, gefundeerd op de marxistische leer van de klassenstrijd, op absolute tegenstellingen en onvoorwaardelijke eisen, terwijl de praktijk meer en meer de eisen matigde en op de betrekkelijkheid van de tegenstellingen nadruk legde.

In het eerste tijdvak van deze periode, toen als sociaaldemocraat op te treden nog betekende zich bloot te stellen aan smaad, brodeloosheid en vervolging, had de strijd vooral een keurbende van energieke, actieve idealistische naturen aangetrokken. Thans veranderde dit: het feit dat ‘praktische’ hervormingsarbeid op de voorgrond kwam, lokte tallozen aan die zich weinig bekommerden om het einddoel, om de verlossing van de mensheid, om de broederlijke samenleving waartoe de overwinning van het proletariaat de baan zou effenen. Zij hielden de blik niet gericht op de toekomst maar enkel op het heden, zij bekommerden zich niet om de klasse, nog minder om de mensheid, maar in hoofdzaak om zichzelf.

Overal, waar de liefde tot het zelf, dat is de natuurlijke begeerte naar beter eten, betere kleding, huisvesting en verwarming nog niet geheel was uitgedoofd door de al te diepe ellende, of onder de domper verstikt was van een geloof dat elke natuurlijke begeerlijkheid van de onterfden als zondig beschouwt, overal waar de holle anarchistische frase het vuur van de opstandigheid nog niet tot as had verteerd, stemden de massa’s, in steeds grotere getale, rood.

En hoe meer de sociaaldemocratie er in slaagde de massa’s te overtuigen dat roodstemmen het voornaamste middel was tot snelle verbetering van hun levenslot, in des te sneller tempo steeg de rode vloed. Want de handelingen van het overgrote deel van de mensen worden meer door zelfzuchtige dan door altruïstische motieven bepaald en meer door onmiddellijke, dan door verder afliggende belangen.

De nood van de massa’s was brandend, hun verlangen fel, het kapitalistische productiestelsel wakkerde hun begeerten aan en deed hun behoeften toenemen.

Al was het doel: de verovering van de politieke macht, allengs verder weg geweken, dat de enige weg er heen heette: meer hervormingen, meer parlementaire invloed, meer rode kiezers en meer zetels, dat scheen boven alle twijfel vast te staan. Dus was het zonneklaar de plicht van de sociaaldemocratie om op die weg met alle kracht voorwaarts te streven. De parlementaire actie, die de partij groot en machtig had gemaakt, begon met bijgelovig respect beschouwd te worden als een soort tovermiddel, met behulp waarvan de kapitalistische orde eenmaal zeker in de socialistische zou worden omgezet. Daartoe moest natuurlijk het partijmechanisme zo krachtig en doeltreffend mogelijk worden ingericht. De voorbereiding tot en het voeren van de verkiezingsstrijd, werd de voornaamste taak van de sociaaldemocratische partijen. Al hun organen: de organisaties, de pers, de propaganda richtten zich in op dit ene doel; de beste krachten van de leiders, hun organiserend vermogen, hun agitatorische talenten vonden in de verkiezingscampagnes, de onbloedige veldtochten van de sociaaldemocratie, schitterende gelegenheden om zich te demonstreren. Evenzeer kwamen de stille toewijding en volharding van de gewone leden hier tot zijn recht. Het vele ‘kleine werk’ dat ten behoeve van de verkiezingen bijna voortdurend geschiedde, was weinig romantisch, het eiste in de regel geen schitterende moed of bijzondere offervaardigheid, maar stipte nauwkeurigheid, vlijt en orde: de eigenschappen van een goed administrateur. Deze eigenschappen werden in de nieuwe fase van de strijd ál meer als de voortreffelijkste beschouwd en geprezen. Maar al het werk van propaganda en organisatie was slechts middel tot het versterken van de machtsposities in de openbare lichamen, voornamelijk in het parlement. Dáár scheen de eigenlijke worsteling tussen bourgeoisie en proletariaat in zijn meest geconcentreerde vorm plaats te vinden.

Op het parlement waren de ogen van de rode kiezers gevestigd. Daar wentelde het grote vliegwiel van de burgerlijke staatsmachinerie, die voor de bezitters rijkdom en macht, voor de proletariërs afhankelijkheid en ellende voortbracht. Daar werden de wetten, de ketenen van hun dienstbaarheid gesmeed. En daar zou de hamer van de volkswil gehanteerd worden met ál geweldiger kracht, zolang tot zijn slagen de laatste van deze ketenen deden springen.

Zo scheen het.

In werkelijkheid voerde de tactiek die uitsluitend van het parlementisme de ‘zekere’ zegepraal verwachtte, de sociaaldemocratie in een historisch slop.

Het besef verflauwde meer en meer, dat het leggen van de grondslagen voor de nieuwe samenleving een veel dieper verandering veronderstelt in de gesteldheid van de massa’s dan de oppervlakkige, die uit de parlementair politieke actie volgt, een verandering, die zij alleen in zich zelf kunnen te weeg brengen door eigen revolutionaire en revolutionerende activiteit. En het andere, hieraan verwante besef, dat de strijd tegen de heersende klasse vaak aanvaard moest worden, al opende hij geen uitzicht op onmiddellijke stoffelijke verbetering, ja dat vaak bepaalde delen van het, als een eenheid beschouwde, internationale proletariaat afstand zouden moeten doen van stoffelijke voordelen, hun aangeboden in ruil voor verzaking van het socialistische beginsel, — dat besef doofde zo goed als geheel uit. Een oppervlakkig, uitsluitend politiek, zelfzuchtig en gemakzuchtig socialisme werd in de massa’s aangekweekt.

Om de kiezers die met schone voorspiegelingen van snelle en ‘afdoende’ hervormingen waren aangelokt, vast te houden, was vóór alles nodig succes. Om dit te behalen vooral werd het optreden in de parlementen gewijzigd. In het eerste tijdvak was dit optreden agitatorisch en principieel geweest nu moest het praktisch en opportunistisch worden, in de plaats van de ontmaskering van het kapitalisme, het telkens bewijzen, aan de feiten van de dag, hoe de kapitalistische maatschappij geen enkele van de problemen die zij schept vermag op te lossen, kwam de poging om door aanpassing van de eisen aan het kapitalistische productieproces en het burgerlijke klassenbewustzijn zoveel mogelijk ‘hervormingen’ te verkrijgen door de hulp van burgerlijke groepen.

Deze ‘nieuwe tactiek’ maakte het van haar kant nodig de hoofdnadruk te leggen op het winnen van nieuwe zetels, dat thans van nog groter belang dan de toeneming van de stemmen werd. Dit was reeds het geval om technische redenen. Een kleine fractie kon onmogelijk het vele werk verrichten dat te doen viel, sedert ook aan de détails van de parlementaire arbeid door sociaaldemocraten werd deelgenomen. De noodzakelijke specialisering was des te beter te bereiken, hoe talrijker de fractie was.

Maar ook in politiek opzicht werd de grootte van de fractie een zeer gewichtige factor. Ten eerste waren er, meende men, weinig dingen die de burgerlijke klassen zó zeer imponeerden als de groei van het aantal sociaaldemocratische afgevaardigden. Immers de bourgeoisie was gewoon om het parlement te beschouwen als de eigenlijke bron van de politieke macht. Een dergelijke groei bemoedigde de sociaaldemocratische partij en haar aanhang zeer, en verhoogde haar prestige aanmerkelijk. Naarmate verder de sociaaldemocratische fracties van kleine vooruitgeschoven posten van de revolutie in alle parlementair geregeerde staten tot min of meer belangrijke radergroepen in het grote geheel van de burgerlijke staatsmachinerie werden, kregen zij een nieuwe functie: die van onderdelen van de partijcoalities te zijn, op wier schommelspel het parlementaire leven berustte. Niet zelden ook verkeerde de sociaaldemocratie in de parlementair gunstige positie van tussen twee ongeveer even sterke burgerlijke coalities de doorslag te geven. De nieuwe tactiek bracht mee om, in ruil voor de steun van de sociaaldemocratie aan de ene coalitie, zo mogelijk hervormingen te verkrijgen. Natuurlijk moest die steun worden gegeven lang voordat de hervorming, ter wille waarvan zij gegeven werd, haar beslag kreeg. Men leefde op hoop van zegen en zag voorbij dat het parlement geen op zich zelf staande, autonome instelling was, maar in het nauwste verband stond tot het geheel van de maatschappelijke krachten. Men begreep niet meer dat zodra de levensbelangen van het kapitalisme in het spel kwamen, alle partijen, democraten en conservatieven, protectionisten en vrijhandelaars, zich tegen het socialisme zouden verenigen.

Hoe groter de sociaaldemocratische fracties werden, des te gemakkelijker gingen zij over tot aansluiting bij de een of andere parlementaire coalitie. En hoe meer veelvuldig zij dit deden, des te meer werd weer de lijn verdoezeld die aanvankelijk de sociaaldemocratie principieel van de burgerlijke partijen gescheiden had.

Als onderdeel van een parlementaire coalitie streden de sociaaldemocraten tegen de regering en zochten deze ten val te brengen, of zij maakten deel uit van de regeringsmeerderheid. Gewoonlijk geschiedde dit laatste wanneer een kabinet zich verplicht had tot gewichtige politieke of sociale hervormingen. Dan werd de sociaaldemocratische fractie in de regel door angst voor mislukking van de beloofde hervormingen aan de regering en de andere partijen van de meerderheid geketend. Het bondgenootschap in het parlement werkte natuurlijk in op de verhoudingen in het land: de scherpte van de kritiek op regering en meerderheidspartijen in de pers en op volksvergaderingen moest getemperd worden, om de bondgenoten niet te ontstemmen; de regering die door de socialisten werd gesteund, moest doorlopend worden voorgesteld als een regering naar het hart van de socialisten. Haar militaristische maatregelen, haar geweld tegen stakers, haar koloniale expedities moesten worden verontschuldigd, haar onbelangrijkste maatregelen geprezen als stappen in socialistische richting. Er valt haast geen daad van kapitalistische onderdrukkings- en heerszucht te noemen, door regeringsgezinde socialisten niet ter eniger tijd goedgepraat. En zo tegen dergelijk verraad aan de tradities van het socialisme een begin van rebellie dreigde, werd dit spoedig onderdrukt door het machtswoord van de leiders en het wijzen op de voordelen, die de coalitie voor de arbeiders onfeilbaar zou opleveren, zo zij maar geduldig wachtten en de leiders vertrouwden.

Verder had de deelneming aan burgerlijke coalities tot gevolg, dat het gif van de burgerlijke veilheid de sociaaldemocratie besmette. De nieuwe mogelijkheid om de eerzucht en de begeerlijkheid van enkele vooraanstaanden te bevredigen, maakte de partij tot een terrein voor baantjesjagers, een couveuse waarin burgerlijke onderscheidingen en voordelige betrekkingen werden uitgebroed. Vele eerzuchtige jonge lieden uit niet-proletarische, meest kleinburgerlijke kringen politieke avonturiers zonder zedelijke ernst en zonder diepgaande kennis van de maatschappelijke vraagstukken, maar handig en met politieke flair — begonnen tot de sociaaldemocratie toe te treden en brachten haar nog verder uit het revolutionaire spoor.

De opvatting, die in het parlement het strijdperk bij uitnemendheid van de klassenstrijd, in de parlementaire debatten zijn hoogtepunten zag, moest de sociaaldemocratische parlementsleden wel hoog boven de massa van de partijgenoten niet alleen, maar ook boven de overige leiders: redacteuren, propagandisten enz., verheffen. Zij immers schenen volgens deze opvatting de enige ‘praktische’ strijders, de enige, die doorgedrongen waren tot in het hart van de kapitalistische vesting, tot de plaats van waaruit de kapitalistische maatschappij reeds in een socialistische werd herschapen. Immers elke kleine, onbeduidende hervorming werd als een ‘stuk socialisme’ geprezen door hen die haar na eindeloze moeite aan de onwillig gesloten vuist van de burgerlijke partijen hadden ontwrongen. Aan zich zelf overgelaten konden de socialisten niets tot stand brengen: in geen enkel parlement bezaten zij de meerderheid en waar deze in de naaste toekomst scheen te dreigen, als bv. in de Saksische Landdag, werd fluks het kiesrecht slechter gemaakt. Zo waren zij dus gedwongen om, nu zij in de eerste plaats hervormingen najoegen, te trachten hun doel te bereiken door loven en bieden, door een tactiek van vergelijk en somtijds van omvorming. Zomin revolutionaire geestdrift als grondige economische, historische en filosofische kennis waren hiervoor nodig, maar handigheid, sluwheid, gevatheid, speciale kennis van de parlementaire routine en diplomatieke tact. Het burgerlijke parlement was ‘een wereld op zich zelf’ in wier samengestelde gebruiken, vormen, instellingen en tradities slechts een lange werkzaamheid inwijdde. Daar de staat steeds meer ingreep op maatschappelijk gebied werd de parlementaire arbeid steeds omvangrijker. Zowel het een als het ander droeg er toe bij de parlementariërs tot vakmensen te maken, wier bijzondere werkzaamheid het grootste deel van hun tijd en kracht in beslag nam en die in hoge mate opgingen in hun bijzonder milieu. Hun werk met zijn vele technische en juridische fijnheden, zijn ingewikkelde combinaties en kansberekeningen, verzelfstandigde zich steeds meer en werd voor de leek steeds moeilijker te volgen. Wanneer ‘gewone’ sociaaldemocraten waagden op de uitingen of stemmingen ‘van hun’ afgevaardigden aanmerkingen te maken, werd hun geantwoord dat zij geen verstand hadden van de parlementaire politiek. De taak van de massa’s was de leiders in het parlement te brengen. Was het eenmaal zo ver, dan behoefde de massa nog slechts bewonderend op te zien tot hen, die haar heroën, haar halfgoden geworden waren. Hun doorzicht, hun welsprekendheid, hun ijver, hun gevatheid en knapheid zouden de arbeiders verlossen.

Nog niet begrepen door de massa’s van de sociaaldemocraten, had zich allengs een enorme, noodlottige verandering in de sociaaldemocratische opvattingen voltrokken. De massa had nieuwe afgoden boven zich gesteld en zich nieuwe meesters gegeven. Zonder het te vermoeden had zij, zo niet geheel dan toch in hoge mate, van zelfstandig oordeel en eigen, spontane activiteit afstand gedaan. Deze activiteit, meenden de leiders, was dáár waar het algemene kiesrecht bestond niet langer nodig. De rechtstreekse actie van de massa’s, ook in haar meest scherpe vorm als massale staking, had enkel reden van bestaan daar waar het kiesrecht nog veroverd moest worden of daar, waar het tegen reactionaire aanslagen moest worden beveiligd — verder niet meer. Nodig waren alleen: organisatie en vertrouwen in ‘de leiders’.

Het mechanische samenkoppelen van de massale actie aan de strijd voor of de verdediging van het algemene kiesrecht was het hoogste revolutionaire punt, waartoe de Duitse sociaaldemocratie, de theoretische voorgangster van de internationale arbeidersbeweging in dit tijdvak, zich op haar nationale congressen van 1905 en 1906 wist te verheffen.

En ook wat de praktijk aangaat waren alle massale stakingen en verreweg het grootste deel van de massale acties waartoe de sociaaldemocratie in de laatste twintig jaren vóór de wereldoorlog het proletariaat in Duitsland, Oostenrijk, België, Zweden, Nederland, enz. opriep, acties ter verovering van het algemene kiesrecht.

Bij de meeste van deze kiesrechtstakingen werden omvang en duur van te voren vastgesteld, bij zo goed als alle werd vooruit bepaald dat zij ‘ordelijk’ zouden verlopen. Dit ordelijke karakter werd inderdaad ook in alle gevallen bewaard en de staking eindigde onverschillig of haar doel al dan niet bereikt was, zodra de leiding het sein gaf. Zeker bleek hieruit aan de ene zijde een grote en verheugende toeneming van de zelftucht van de massa’s, maar aan de anderen kant openbaarde zich hierin een stelselmatige onderdrukking van de spontaniteit en het elan, die alleen aan grote volksbewegingen onweerstaanbare kracht geven. Meer dan het karakter van werkelijke worstelingen, droegen deze stakingen dat van proefmobilisaties, van grote manoeuvres van het proletariaat, waarbij de leiding, bovenal rekening houdend met parlementaire bondgenootschappen, tot het uiterste de losbarsting van de elementaire kracht van de massa’s trachtte te voorkomen.

Wij willen dit het eerst demonstreren met de Belgische stakingen van 1902 en 1912.

Noch de verovering van het meervoudige kiesrecht, noch het binnendringen van een sociaaldemocratische fractie in het parlement had de klerikale partij in België tot werkelijke concessies genoopt. Zij ging rustig voort met de klerikalisering van het onderwijs en van de staatsbedrijven en vergrootte haar machtssfeer door het oprichten van klerikale vakorganisaties en coöperaties. Ontegenzeggelijk lag het evenzeer in het belang van de liberale handels- en industriële bourgeoisie als in dat van de sociaaldemocratie om de klerikale meerderheid, die de economische, politieke en geestelijke ontwikkeling van de natie tegenhield, ten val te brengen. En daar elk dieper en algemener doorzicht in de klassentegenstellingen onder de sterk antiklerikaal gezinde massa’s ontbrak, werd uit de oppervlakkige politieke tot een werkelijke belangengemeenschap besloten. Het verkiezingsverbond dat spoedig na de overwinning van 1893 tussen sociaaldemocraten en liberalen tot stand kwam en feitelijk ruim twintig jaar lang bestond zonder het eeuwig nagejaagde fantoom: de val van de klerikale meerderheid één stap nader te komen, doemde bij voorbaat elke nieuwe poging om door massale actie het enkelvoudige kiesrecht te veroveren tot onvruchtbaarheid. Immers deze actie kon niet gevoerd worden in de geest van onvoorwaardelijke strijd, die in veel hogere mate dan bij een eerste poging van die aard, bij een tweede noodzakelijk is.

De staking van 1902 kan dan ook niet beschouwd worden als een werkelijke worsteling van de massa’s voor het algemene enkelvoudige kiesrecht. Integendeel: de omstandigheden waaronder zij plaats vond, maken dat men haar eerder moet op vatten als een poging van de sociaaldemocratische partijleiding om een dergelijke strijd te verhinderen. Naar aanleiding van nieuwe voorstellen tot grondwetsherziening, door de ‘linkerzijde’ in de Kamer gedaan, braken begin april spontane stakingen onder de mijnwerkers uit. Overal kwam de massa in beroering, in verschillende steden vonden onlusten plaats. Te Brussel, waar de revolutionair-socialistisch gezinde Jonge Garde aan de spits van de agitatie stond, kwam het tot ernstige botsingen tussen de menigte en de gendarmen. De officiële afkondiging van de ‘ordelijke’ staking door de arbeiderspartij scheen de gemoederen tot kalmte te brengen, de botsingen namen onmiddellijk af, binnen enkele dagen heersten orde en rust in het gehele land, ofschoon 350.000 man in staking waren: zeker een treffend verschijnsel. De staking duurde een week lang. De 18de april werd de grondwetsherziening in de Kamer verworpen, twee dagen later namen op bevel van de algemene raad van de arbeiderspartij op de meeste plaatsen de arbeiders het werk weer op. De staking — waaraan noch de spoorwegarbeiders, noch het personeel van post en telegraaf deelnamen — dwong aan de klerikale partij geen enkele concessie af, maar de discipline, waarmee het proletariaat ten strijde toog, de goede orde waarin het de terugtocht volbracht, wekten in de arbeidersklasse internationaal grote bewondering, zoals natuurlijk was in een tijdperk dat zelfbeheersing, tucht en mechanische eenheid hoger stelde dan revolutionaire stoutmoedigheid.

Elf jaar later deden de Belgische arbeiders een derde poging om door de massale staking het onvervalste algemene kiesrecht te veroveren. Het verkiezingsverbond met de liberalen had tot uitkomst gehad dat bij de stembus van 1912 de klerikale. meerderheid niet, zoals men verwachtte, ten val gebracht, maar integendeel nog versterkt was geworden. Onmiddellijk na het bekend worden van de uitslag van de verkiezingen braken op een aantal plaatsen spontane stakingen uit; te Luik, te Verviers en te Brussel kwam het tot ongeregeldheden en vielen gewonden en doden. In plaats van te trachten deze beweging te versterken en te veralgemenen, spande de leiding van partij en vakbeweging al haar krachten in om de arbeiders over te halen onmiddellijk het werk weer op te vatten; op een buitengewoon congres van de arbeidersorganisaties zou dan worden beraadslaagd over een staking, zoals de leiding deze verlangde. Het congres kwam bijeen en besloot de strijd methodisch voor te bereiden. Deze voorbereiding, die negen maanden lang duurde, bestond in de eerste plaats hieruit dat de arbeiders op allerlei wijzen werden opgeroepen tot sparen. Vol moed legde het proletariaat zich nieuwe ontberingen op. “In sommige streken, o.a. in Luik en in Henegouwen, nam de spaarzucht onder de arbeiders zulke afmetingen aan, dat sommige kleinhandelaars hun omzet met 30-50 % zagen verminderen.”

Nadat begin maart door de klerikale kamermeerderheid alle plannen tot grondwetsherziening ondubbelzinnig waren afgewezen, vond een nieuw congres van de arbeidersorganisaties plaats: onder de sterke aandrang van de ongeduldige massa’s viel het besluit, de 14de april de staking te proclameren.

Het parool werd met enorme geestdrift ontvangen en met grote eensgezindheid uitgevoerd: in plaats van 250.000 man, gelijk verwacht werd, omvatte de staking de tweede dag reeds 350.000 man en op haar hoogtepunt, enige dagen later, namen 450.000 man aan haar deel. Evenals in 1902 bleef het sterk geklerikaliseerde spoorwegpersoneel buiten de strijd, daarentegen overtrof de deelneming van de Antwerpse havenwerkers, waarvan nauwelijks éénderde georganiseerd was, ver alle verwachtingen.

Intussen had de voorzitter van de Kamer een slappe, dubbelzinnige verklaring ten gunste van de spoedige behandeling van het kiesrechtvraagstuk afgelegd. De liberalen vlogen hierop aan: nu hadden ze een prachtig voorwendsel om de staking in de steek te laten. Onmiddellijk stemden zij voor een motie waarin deze werd afgekeurd; de afval van de liberalen wederom werd door de stakingsleiding — die uit parlementairen en vakverenigingbureaucraten bestond — aangegrepen, om de arbeiders uit te nodigen het werk te hervatten. Natuurlijk stelden zij het tevens voor dat de beweging een groot succes had behaald.

Was zorgvuldige materiële voorbereiding beslissend voor de uitkomst van een massale beweging, dan had de Belgische Aprilstaking wonderen moeten doen. Haar voorbereiding in dit opzicht was zo uitmuntend geweest dat de massa de strijd nog wekenlang had kunnen volhouden. Niet noodgedwongen, ten gevolge van uitputting werd de staking opgeheven, maar deze opheffing volgde uit de tactiek van de leiders. Uit consideratie voor de liberalen wilden zij elke verscherping van de situatie en elke ontwikkeling van de strijd tot een revolutionaire botsing met de bezittende klasse vermijden. Had echter de staking langer geduurd, dan zou zij, vooral nu de liberale afgevaardigden over haar de ban hadden uitgesproken, onvermijdelijk tot een dergelijke botsing hebben geleid. In hun angst daarvoor grepen de reformistisch-opportunistische leiders de eerste de beste gelegenheid aan om aan de staking met goed fatsoen een einde te maken, ofschoon absoluut niet uitgesloten was dat voortzetting en verscherping van de strijd ditmaal tot het doel zou voeren. Immers het ging niet om een socialistische eis, niet om de omverwerping van het kapitalisme, zelfs niet om die van de monarchie, maar eenvoudig om verovering van een politiek recht dat reeds tientallen jaren in de meeste naburige landen bestond. En bij het proletariaat was de wil tot de strijd, het elan om die voort te zetten, de offervaardigheid aanwezig. Het bevel tot de terugtocht bij het begin van de slag was in deze omstandigheden een bewijs van de sterke politieke verburgerlijking van de Vandevelde’s, Anseele’s enz. en een symptoom van het diepe verval waartoe de politiek-parlementaire strijdmethode in de laatste jaren voor de wereldoorlog reeds had gevoerd. Tevens levert het verloop van de staking van 1912 opnieuw het bewijs — duidelijker nog dan in 1902 — hoe de methode van de politiek-parlementaire bondgenootschappen, waarbij de zelfstandige actie van de arbeidersklasse aan parlementaire kansberekeningen wordt opgeofferd, onverenigbaar is met een strijdwijze die het proletariaat scherp tegenover alle andere klassen stelt.

Smart en woede over de katterige afloop van een beweging waarvoor zoveel offers gebracht en waarvan zulke hoge verwachtingen gekoesterd waren, uitte zich in het proletariaat op onstuimige wijze. Hier en daar kostte het zeer veel moeite om de arbeiders te bewegen weer aan het werk te gaan. Maar ten slotte overwon de discipline. In Brussel voerde de staking in enkele bedrijven, o.a. de automobielindustrie, tot langdurige uitsluitingen als weerwraak die de vakorganisaties zeer verzwakten. Voor de eerste maal kreeg het vertrouwen in het bondgenootschap met de liberalen een knak, in de massa’s begon een zeker verlangen naar zelfstandige strijd op te komen, evenals een drang dieper door te dringen in het socialisme. Maar het normale proces van hun bewustwording werd weldra door de wereldoorlog onderbroken.

Kort na de tweede Belgische kiesrechtstaking vond in Zweden insgelijks een massale staking voor het algemene kiesrecht onder leiding van de sociaaldemocratie plaats. Deze was uitdrukkelijk aangekondigd als zuivere demonstratie: haar begin en einde zou samen vallen met begin en einde van de kiesrechtbesprekingen in het parlement. Ook hier was aan de staking een jarenlange propaganda voor kiesrechthervorming voorafgegaan. De massa’s volgden door het gehele land het parool van de leiding; te Stockholm, waar de staking de grootste afmetingen aannam, lag het werk niet slechts aan fabrieken en werkplaatsen, maar ook aan de meeste gemeentebedrijven stil. Enkel die arbeid werd verricht, welke “voor leven en gezondheid van de bevolking onvoorwaardelijk nodig was”.

Ten einde vergeldingsmaatregelen van de sterk georganiseerde ondernemers zoveel mogelijk te voorkomen, was men overeengekomen om de vakverenigingen geheel uit het spel te laten: de leiding berustte uitsluitend bij de partij. Ook was uitdrukkelijk vastgesteld dat de staking zich enkel tegen de regering en het censuskiesrecht richtte. Kortom, alles werd gedaan, om haar het karakter te geven niet van een worsteling tussen kapitaal en arbeid, maar van een demonstratie tegen de reactie, de in Zweden nog zeer sterke en machtige klasse van het grootgrondbezit.

Ook deze staking eindigde met een compromis, dat de invoering van de democratie iets nader scheen te brengen. Van een herhaling van de stakingsbeweging werd in 1904 ‘voorlopig’ afgezien, het jaar daarna verklaarden de georganiseerde arbeiders zich bij referendum “niet in het algemeen maar voor het onderhavige geval” uitdrukkelijk tegen een tweede staking. De leider van de Kamerfractie, Branting, legde de nadruk op de gevaren waarmee deze de arbeiders zowel van de zijde van de ondernemers als van die van de openbare mening bedreigde. Zo werd de stakingsidee begraven: het reformisme had in de politiek gezegevierd, enkel de kleine groep van de ‘jongsocialisten’ wilde de richting uit van rechtstreekse actie van de massa’s. En van kiesrechthervorming kwam tot aan de wereldoorlog in het geheel niets [17].

In Nederland bereikte de ‘nieuwe’ kiesrechtbeweging haar hoogtepunt in de straatdemonstraties van de jaren 1911 en 1912, de zgn. ‘Rode dinsdagen’, door de sociaaldemocratie in de residentie bij de opening van de Staten-Generaal georganiseerd. Deze grote, geestdriftige demonstraties op werkdagen — aan de tweede namen ongeveer 30.000 mannen en vrouwen deel — schenen het begin te kunnen worden van een werkelijke strijd, een volksbeweging voor het algemene kiesrecht voor mannen en vrouwen, die noodzakelijk in zijn verder verloop tot gebruik van het wapen van de werkstaking zou moeten leiden. Maar bij de Kamerverkiezingen van 1913 voerde de SDAP de beslissende wending uit naar de reformistische politiek waartoe zij reeds van 1905 af neigde: zij sloot een verkiezingsverbond met de liberale partij, waarbij zij haar de steun van de arbeiderskiezers in ruil voor grondwetsherziening verzekerde. Deze herziening, die gedurende de wereldoorlog tot stand kwam, droeg geheel en al het karakter van een nationalistisch-imperialistische maatregel tot versterking van het ‘nationale bewustzijn’. De medewerking van de klerikale partijen werd gekocht door de grondwettelijke vernietiging van alle hinderpalen, die de klerikalisering van het onderwijs nog in de weg stonden, de soldaten en jeugdige arbeiders (onder 23 jaar) werden van het kiesrecht uitgesloten, daarenboven werd in de grondwet een bepaling opgenomen, die de invoering van het kiesrecht voor de burgerlijke vrouwen, met uitsluiting van de proletarische, mogelijk en waarschijnlijk maakt. De nationalistisch-reformistische arbeiderspartij vierde de aanneming van deze grondwetsherziening als een grote ‘overwinning van de democratie’.

Door de massale bewegingen voor het algemene kiesrecht, die in 1905-1909 plaats vinden in Oostenrijk, Saksen en Pruisen, trilt iets van de hoge spanningen van de Russische revolutie. Het voorbeeld van de Russische strijders, hun onweerstaanbare vrijheidsdrang, werkt aanstekelijk op de proletarische massa’s van de naburige landen. In hun spontane aanloop slepen de Oostenrijkse en Pruisische arbeiders hun leiders een eind mee, zij dwingen deze, grote acties op touw te zetten. De kiesrechtcampagne van de Oostenrijkse sociaaldemocratie zet de 9de oktober 1905 in met een eendaagse algemene staking te Praag, die ‘een groots beeld van proletarische macht’ levert. De arbeid rust die dag algemeen en volkomen, het proletariaat beheerst de stad. Dan slaat de beweging over naar andere delen van het rijk, zij uit zich in vele eendaagse stakingen. Het partijcongres van de sociaaldemocratie te Wenen, in de laatste dagen van oktober gehouden, ontsteekt op de tijding van de triomf van de revolutionaire beweging in Rusland in geweldige geestdrift. Enorme straatbetogingen vinden plaats, voor de eerste maal vermag de politie de toegangen tot de Ringburg niet te beschermen: als stormvogels omzwieren de revolutionaire kreten en liederen de vensters van het parlementsgebouw. Bijna dagelijks herhalen zich de demonstraties, het komt tot botsingen met de politie, het arbeidersbloed vloeit, de gisting neemt toe; in het land wordt het spoorwegvervoer ontwricht door het ‘lijdelijk verzet’ van het personeel. Maatregelen worden genomen voor een algemene staking door het ganse rijk, maar onder de druk van de revolutionaire overwinning in Rusland geven de machthebbers toe, eer het tot een grote krachtproef behoeft te komen. Begin 1906 werd, tegen de wil van sterke reactionaire groepen in, het algemene mannenkiesrecht, waarvoor de sociaaldemocratie lange jaren had gestreden, door de Rijksdag ingevoerd. De eis van vrouwenkiesrecht gaf de partij zonder strijd op.

Ook in Duitsland begonnen de massa’s omstreeks deze zelfde tijd in beweging te komen en de traditionele vormen te doorbreken, waarin de klassenstrijd sedert tientallen jaren gevoerd was geworden. De verslechtering van het kiesrecht in ‘97 in Saksen en iets later in de vrije rijksstad Lübeck doorgezet, had weinig verzet onder de massa’s gewekt. Thans, onder de invloed van de revolutionaire drang in het oosten, beantwoordde de sociaaldemocratie de aanslag op het kiesrecht in de vrije rijksstad Hamburg met de oproep tot wat het eerste begin van een demonstratieve stakingsbeweging scheen. De 17de januari 1906, een weekdag, werden in de namiddag een aantal protestvergaderingen gehouden; de deelneming aan deze meetings was zo groot dat de meeste fabrieken gesloten moesten worden en de stoomboten tussen Hamburg en de voorsteden niet voeren. ‘s Avonds kwam het tot ongeregeldheden: vooral het lompenproletariaat, in Hamburg evenals in iedere grote havenstad talrijk, was hierbij betrokken. De overheid antwoordde met schorsing van het vergaderrecht, en de 31ste januari werd de verslechtering van het kiesrecht door de meerderheid van de stedelijke raad aangenomen.

In diezelfde tijd begon nadat reeds in de herfstmaanden van het vorig jaar de Saksische arbeiders het voorbeeld hadden gegeven, de strijd voor het algemene Landdagkiesrecht in Pruisen. De 22ste januari 1906, de gedenkdag van het uitbreken van de Russische revolutie, vonden door geheel Pruisen een aantal meetings plaats, die een indrukwekkend verloop hadden. De onmiddellijke praktische resultaten waren nihil: heel wat krachtiger aanvallen dan een meetingcampagne waren nodig geweest, om een bres te slaan in het regeerkasteel van de Pruisische jonkers. Maar de strijdlust van de massa’s was opgewekt en vele heilige eden werden gezworen, om de beweging voort te zetten tot aan de overwinning. Het volgend jaar werd de actie, nadat zij door de campagne voor de Rijksdagverkiezingen een poos onderbroken was geworden, met nieuwe kracht begonnen.

Een werkelijke volksbeweging scheen op te komen, grootser en onstuimiger dan Pruisen sedert ‘48 had gekend. Haar eerste uitkomst was, de fractie van de vrijzinnigen in de Landdag — waarin nog geen enkel sociaaldemocraat zitting had — te nopen tot een voorstel ter invoering van het algemene kiesrecht. De laatste zondag vóór de openbare behandeling, vonden opnieuw door heel Pruisen massale vergaderingen en demonstraties plaats. Te Berlijn vervulde het dreunen van de socialistische strijdliederen de straten, al zingend weken de strijdlustige massa’s langzaam achteruit voor de bereden politie, die de binnenstad van manifestanten ‘zuiverde’.

De verwerping van het voorstel van de vrijzinnigen door de meerderheid van de Landdag gaf het sein tot nieuwe betogingen in een aantal grote steden. Te Hannover vond een straatdemonstratie plaats van 10.000 arbeiders, te Berlijn kwam het tot hevige botsingen met de politie, voor de eerste maal sedert ‘48 vloeide in de straten het bloed van politieke demonstranten. De reactie riep om sterker middelen van repressie, de klassenjustitie eiste buitensporige straffen tegen de deelnemers aan de Berlijnse onlusten. Geruchten gingen van een algemene staking op de 18de maart, de herinneringsdag zowel van de Duitse omwenteling van ‘48, als van de uitroeping van de Parijse Commune in ‘71. Maar zo ver was het Pruisische proletariaat nog niet.

De massabeweging voor het kiesrecht kwam aan de sociaaldemocratie zozeer ten goede, dat in de volgende jaren, ondanks het ellendige drieklassen kiesstelsel, enige rode afgevaardigden in de Pruisische en de Saksische Landdagen gekozen werden. Nu kondigde ook de Pruisische regering een wetsontwerp tot kiesrechthervorming aan; het duurde echter nog tot 1910 eer het werd ingediend. Ofschoon sommige bepalingen van het ontwerp een vooruitgang betekenden vergeleken bij het heersende stelsel, (o.a. werd de directe stemming aangekondigd) bleef over het algemeen “het overwicht van het platteland over de stad onder verscherping van het plutocratische karakter gehandhaafd.”

Gedurende de winter 1910-11 werd de agitatie voor het Landdagkiesrecht door vergaderingen en meetings door geheel Pruisen verbreid. De voortdurende stijging van de levensmiddelenprijzen, de toenemende offers die het militarisme eiste, het telkens opduikende oorlogsgevaar, de steeds zwaardere druk van het grootkapitaal in de industrie en het meedogenloze optreden van de ‘scharfmacher’, alles werkte samen om onder de massa’s van het industriële proletariaat een bittere stemming en een krachtige strijdwil te wekken. Haar climax bereikte de agitatie in de geweldige openluchtdemonstratie op 6 maart te Berlijn, die aanvankelijk te Treptow (een buitenwijk van Groot-Berlijn) gehouden zou worden, maar door de politie verboden werd. De Berlijnse sociaaldemocratie bewees op treffende wijze haar organisatorisch meesterschap door de betoging ondanks het verbod in alle stilte toch voor te bereiden; gehouden werd zij in de Tiergarten, een openbaar park in het hart van de voorname buurten van de hoofdstad. 150.000 proletariërs verzamelden zich in het park, onafzienbare gelederen van strijdbare, door een gemene wil bezielde mannen en vrouwen. De heersende klassen sloeg de schrik om het hart, opnieuw doken geruchten op over een grote staking, die het kiesrecht afdwingen zou. Maar de kapitalistische klasse hadden zich onnodig bezorgd gemaakt. De Berlijnse betoging betekende niet het begin van scherpe strijd, maar integendeel het einde van de Pruisische kiesrechtcampagne: de beweging werd door de leiding ‘opgeborgen’ en de massa met het vooruitzicht op de naderende Rijksdagverkiezingen gepaaid. Ook toen het regeringsontwerp door een laaghartige truc van conservatieven en liberalen in de Landdag bij onderlinge afspraak gekelderd werd, bleef alles rustig.

Terecht merkt Laufenberg, in zijn werk over de politieke staking, op dat politieke doeleinden die hun oorsprong hebben in de losse federatieve band tussen de verschillende Duitse staten, uiteraard weinig geschikt zijn om de arbeidersmassa’s van het gehele rijk in één grote stakingsbeweging te verenigen. De verovering van het Landdagkiesrecht was niet de beste strijdleus voor revolutionaire actie. Maar toch lag niet hierin de hoofdoorzaak van het triestige verlopen van de beweging van 1910-11. Deze lag in het feit dat de partijleiding de voortzetting en verscherping van die beweging tot een algemeen conflict tussen proletariaat en burgerlijke klassen volstrekt niet wilde, en dat de massa tegen haar zin, maar toch gedwee, zich door de leiding tot passiviteit, tot een tactiek van afwachten en uitwijken liet overhalen. Hoe anders de omstandigheden zich voordeden, in de grond van de zaak was de situatie in België en Duitsland gelijk: de leiding wilde in geen geval de banen van de wettelijkheid verlaten. Alleen waren deze banen in Pruisen-Duitsland enger dan in België.

De beduchtheid van de Duitse partijleiding voor een algemeen conflict hield, behalve met haar inzichten over de sociale en politieke ontwikkeling, ten nauwste verband met de verhouding van de sociaaldemocratische partij tot de vakbeweging, Het is daarom nodig thans het karakter nader te beschouwen, dat de moderne vakorganisatie in het tijdperk van de wettelijkheid allengs verkregen had.

Een bekend, vaak herhaald gezegde noemt de vakbeweging op het vasteland van Europa een kind van de sociaaldemocratie. Maar zo de sociaaldemocratie de moeder was, die de jonge vakorganisatie verzorgde en grootbracht, de vader die haar verwekte was de kapitalistische expansie van het tijdvak 1895-1914. De vlucht van de moderne vakorganisatie is een gevolg van de vroeg-imperialistische fase van de kapitalistische ontwikkeling geweest.

De vakorganisaties zijn, in het tijdvak dat met de wereldoorlog eindigt, het meest grootse gewrocht van de arbeidersmassa’s. In veel hoger mate dan de sociaaldemocratie — ofschoon natuurlijk toch ook slechts in betrekkelijke zin — werd de vakorganisatie tot de organisatie van de massa’s. In Duitsland omvatte zij miljoenen, in kleinere of economisch minder ontwikkelde landen: Oostenrijk, de drie Scandinavische staten, Nederland, België, Zwitserland, honderdduizenden arbeiders.

De vakorganisaties waren bij uitstek het grote levenswerk van de massa’s zelf. En toch het kon niet anders — ontwikkelden zij dezelfde strekkingen als de sociaaldemocratie: die nl. van de massa’s te maken tot passieve uitvoerders van de bedoelingen van de leiders, tot passieve voltrekkers van hun wil. In nog hoger mate zelfs dan de sociaaldemocratie vertoonde de vakbeweging de neiging om het georganiseerde deel van de arbeidersklasse op te voeden tot een bekrompen utilitarisme. In plaats van de domme, brute zelfzucht van tegen elkaar concurrerende proletariërs leerde zij hun de zelfzucht van de groep, meer verlicht en ruimer van blik, maar niettemin zelfzucht tegenover de belangen van de gehele klasse.

Het wezen van de vakorganisatie — dat algemeen werd opgevat als de strijd voor lotsverbetering in het kapitalisme — bracht noodzakelijk mee dat in haar de propaganda voor het socialisme geheel en al op de achtergrond kwam. En het feit dat de massa’s tot de vakbeweging toetraden enkel en alleen ter wille van onmiddellijk materieel voordeel, maakte dat het denken en doen van de leiders, nog meer dan in de partij, uitsluitend gericht moest worden op de onmiddellijke praktijk, dat is op de vraag, hoe succes te behalen.

Daartoe was in hoofdzaak tweeërlei nodig. Ten eerste bij de leiders een goed doorzicht in de nationale en internationale bedrijfsconjunctuur, vaardigheid in het onderhandelen, diplomatische bekwaamheid; ten tweede krachtige organisaties wier leden het parool van de leiders ten allen tijde stipt volgden, gelijk goed gedisciplineerde legerscharen het bevel van hun aanvoerders doen. Enkel de leiders waren in staat de ingewikkelde en samengestelde economische beweging na te gaan, de stand en de vooruitzichten van het bedrijf te overzien, enkel zij konden beslissen of de materiële, zakelijke kansen gunstig stonden voor een loonbeweging of een staking, enkel zij vermochten naar deze zelfde maatstaf te oordelen of en wanneer een strijd afgebroken moest worden. Daarom moesten zij hun leden goed in de hand hebben; zó sterk moest de discipline zijn, zózeer tot tweede natuur geworden, dat zij over alle spontane opwellingen van toorn, smart, ongeduld, verontwaardiging, medegevoel, solidariteit, geestdrift, kortom over alle uitingen van de spontane psychische activiteit van de massa’s, zegevierde. Immers de leiders waren overtuigd dat de massa’s door dergelijke opwellingen te volgen zichzelf slechts schaadden en bovenal dat zij de organisatie in gevaar brachten, en die onverzwakt te houden, dat wil zeggen naar het uiterlijk ongerept, dat was voor hen het alfa en omega van goede tactiek. Opdat de massa’s niet in één ogenblik van tuchteloosheid de vruchten van jarenlange inspanning en zorgvuldig beleid van de leiders zouden vernietigen, moesten zij hun eigen wil aan banden leggen en zichzelf de verleiding tot eigenmachtig handelen ontnemen.

Het hoofdmiddel hiertoe was de centralisatie. Aan de ene kant was deze werkelijk onmisbaar tot de strijd: arbeiders, die met versnipperde krachten opstonden tegen de steeds sterker gecentraliseerde ondernemers, waren in de meeste gevallen verloren. Dat een kleine groep door eigenmachtig optreden het lot van duizenden — in sommige gevallen van tien- of zelfs honderdduizenden — in gevaar zou brengen, kon inderdaad niet worden geduld. Maar aan de andere kant werd de centralisatie tot het grote middel in handen van de vakverenigingsbureaucratie, om de eigen activiteit van de georganiseerden geheel uit te schakelen en deze te maken tot goedgedrilde soldaten, die zonder eigen inzicht en wil op bevel van hun leiders gezamenlijke bewegingen uitvoerden.

Natuurlijk nam de centralisatie niet overal deze uiterste vormen aan. Haar toppunt bereikte zij in die vakbonden, waar de staking slechts geproclameerd mocht worden met goedvinden van het hoofdbestuur en waar, zo dit weigerde zijn goedkeuring te verlenen, ook in geval de meerderheid van de leden de strijd wilde elk recht van de stakers op uitkering verviel. In die gevallen besliste dus het bestuur of de gelden door de arbeiders bijeengebracht, al dan niet tot hun eigen beschikking zouden blijven.

Zolang de leiding één van geest was met de massa, waren de voordelen van de centralisatie veel groter dan haar nadelen. Maar naargelang de psychische gesteldheid van de vakverenigingsbureaucratie onder de onvermijdelijke inwerkingen van haar eigen milieu en haar speciale arbeid meer van die van de gewone leden ging afwijken, naargelang in deze bureaucratie bepaalde beroepseigenaardigheden, als overmatige voorzichtigheid en nuchterheid, geest van conservatisme en routine, minachting voor en haat tegen alles wat niet ‘praktisch’ was, bekrompen utilitarisme en onmacht tot de waardering van hartstocht en geestelijk-zedelijke krachten sterker werden, in diezelfde mate moest de wil van de leiding vaak door de massa worden gevoeld als een vreemde wil — een wil die eenmaal uit haar was voortgekomen maar die thans haar eigen krachten overheerste, als de ruiter het paard beheerst.

Wel bleef het natuurlijk altijd mogelijk dat de massa ondanks toom en teugel op hol zou slaan. De spontane, niet van te voren gereglementeerde en in bepaalde banen geleide staking, meer geducht en meer onberekenbaar in haar werkingen bij iedere nieuwe stap die de economische ontwikkeling deed, bleef op de achtergrond dreigen als een elementaire ramp, die altijd kon uitbreken. Vrees voor een dergelijke ramp noopte in vele gevallen de ondernemers tot concessies. Maar bij de vakverenigingsbureaucratie was deze vrees vaak niet minder groot dan in het ondernemerskamp. De spontane massale staking tot elke prijs te vermijden, gold voor hen als eerste tactische regel. Want elke spontane staking van de geweldige massa’s, door de grootindustrie en het moderne verkeer geconcentreerd en geschoold, kon onberekenbare gevolgen hebben. Elke staking kon — afgezien van haar aanleiding, van de nietige laatste schakel in de keten van de oorzaken die tot de uitbarsting voerde — plotseling om zich heen grijpen als een prairiebrand, die onafzienbaar ver het land maakt tot een vlammenzee. De brandstof lag overal opgehoopt; daarvoor zorgde het kapitalisme. En men kon nimmer voorzien op welk ogenblik de vonk in zou slaan. De psychische agens die zich als verzet tegen dienstbaarheid, als begeerte naar vrijheid, als solidariteit van de onderdrukten openbaarde, die onverwacht uit de diepten van het onderbewuste opborrelde en van latent actief werd, die zich doorzette over alle eisen van beleid en voorzichtigheid heen; hoe haatte en vreesde de vakverenigingsbureaucratie, die de klassenstrijd geheel en al wilde rationaliseren, dit wilde onberekenbare element in de loop van de gebeurtenissen! De sympathiestaking, waarin de ontroering van de solidariteit, zegevierend uitstromend, de tegenwerpingen van het verstand overwon en somtijds eisen van tactisch beleid ondersteboven wierp, was voor de bureaucratie het korte begrip van alle verkeerde opvattingen en onzinnige verwachtingen die nog in arbeidershoofden spookten. De uitbarstingen van deze solidariteit golden in haar ogen voor overblijfselen uit de primitieve begintijdperken van de arbeidersbeweging, een weer vervallen in atavistische strijdvormen. Kinderen van een tijd die geen grote revolutionaire schokken kende en waarin de arbeidersklasse langs de weg van ‘geleidelijke vooruitgang’ de uitbuiting scheen te zullen overwinnen, veralgemeenden de vakverenigingsleiders hun beperkte ervaringen. In hun ogen was het uitgesloten dat het opnieuw tot grote spontane bewegingen van de massa’s zou komen. Hoe ook het verleden geweest was, in de toekomst zou de macht van de arbeidersklasse uitsluitend, met automatische zekerheid, vermeerderen door van bovenaf ontworpen, berekende en geleide, door de massa punctueel uitgevoerde bewegingen.

Hoe sterker de vakbeweging werd, d.w.z. hoe meer de organisaties uitgroeiden tot reusachtige, honderdduizenden arbeiders omvattende lichamen met een omslachtige bureaucratische machinerie en een aanzienlijk collectief vermogen, des te groter moest de aarzeling van de bestuurders worden om dit alles — incluis hun eigen positie in de weegschaal te stellen, dus ook des te voorzichtiger hun politiek, des te sterker hun neiging, om zoveel mogelijk elk openlijk conflict te vermijden en door onderhandeling en vergelijk te vervangen. Iedere grote staking moest vermeden worden, behalve in geval de kansen op overwinning als ‘t ware mathematisch zeker waren: slechts als wel overlegde zet op een schaakbord kon zij genade vinden. Maar de strijdmethoden, die het meest pasten bij de tactische beginselen van de moderne vakorganisatie, waren de stille actie en de partiële staking. Deze laatste bood allerlei voordelen boven de algemene strijd: hij maakte het voor de leiders mogelijk om de massa’s geheel in de hand te houden, en de kwestie van de ‘steun’ — het was een van de hoofdpunten van hun strategie deze te regelen op de zakelijke grondslag van de wederzijdse verzekering — op bevredigende wijze op te lossen.

Naarmate echter de partiële staking, evenals de ganse tactiek van verdrag en vergelijk, van loven en bieden, van matiging en redelijkheid, steeds minder goede vruchten droeg tengevolge van de toenemende concentratie van het kapitaal en de toenemende macht van de ondernemers, werd het nodig om elk voordeel, ook het nietigste, breed uit te meten voor de massa en voor haar in een vals licht te doen flonkeren. Dit werd bereikt door elke kleine loonsverhoging en elke verkorting van arbeidstijd te beschouwen als een ding op zich zelf, los van alle verband met de kapitaalaccumulatie, de winstvoet, de levensstandaard van de bezittende klasse, het verdichtingsproces van de arbeid, kortom los van de gehele economisch-sociale ontwikkeling. Zo werd niet alleen de betrekkelijke verarming, de toeneming van de klassentegenstellingen tussen bourgeoisie en proletariaat in de dagelijkse propaganda bemanteld, maar zelfs de strekking tot absolute verarming die sedert 1900 door het achterblijven van de stijging van de lonen bij die van de prijzen in de economisch vooraanstaande landen begonnen was, voor de massa’s verborgen. Door hun eigen voormannen bedrogen over de neerdrukkende strekkingen van het imperialisme, ondergingen de arbeiders deze zonder ze te begrijpen. Zo werden zij geleid, hetzij tot verouderde ondoelmatige strijdmethoden, hetzij tot berusting, hetzij tot een verzet, noodzakelijk zwak, immers onsamenhangend en onbeheerst, tegen verschijnselen die zij niet doorgrondden.

Hoe meer echter bleek dat langs de oude methoden in de regel geen werkelijke verbeteringen meer waren te veroveren, tot een des te verder toekomst, “wanneer de organisatie sterker geworden zou zijn”, stelde de bureaucratie de strijd voor dergelijke verbeteringen uit. En zo kwam allengs de strijd, het onmiddellijke doel van elke arbeidersorganisatie, geheel op de achtergrond, en op de voorgrond de uitbreiding en verbetering van de organisatie zelf: wat middel moest blijven, werd doel.

Elke maatschappelijke groep verkrijgt door de inwerking van haar arbeid, haar milieu, haar verhoudingen tot andere groepen een bepaald collectief bewustzijn, dat neiging vertoont zich te verzelfstandigen tegenover de stroom van de gehele ontwikkeling. De leiders van de moderne arbeidersbeweging het woord genomen in de ruimste zin: kamer- en gemeenteraadsleden, partijsecretarissen, vakverenigingsbeambten, redacteuren, enz. ontkwamen hieraan evenmin als welke andere groep ook. En evenmin ontkwamen zij aan het fatum dat hun bewustzijn bij de stroom van de ontwikkeling achter raakte en versteende.

De onvergeeflijke fout van de leiders van de moderne vakbeweging was dat zij in 1905 en ook nog in 1914 bleven vasthouden aan opvattingen, die in het midden van de jaren ‘90 een zeker recht van bestaan hadden gehad, dat zij hun ogen sloten voor de nieuwe werkelijkheid die in de plaats kwam van de oude. Hun bijzonder milieu kneedde hen tot andere mensen dan zij eens waren geweest, hun grotendeels administratieve arbeid nam hen geheel in beslag en deed hen meer en meer, bij ontstentenis van theoretische, dat is algemene vorming, omstandigheden en verhoudingen onder een bepaalde bekrompen gezichtshoek beschouwen.

Vandaar dat zij de nieuwe feiten en verschijnselen die met het imperialisme samenhingen, vaak nauwelijks opmerkten en zeker niet in hun werkelijke betekenis doorzagen. Zij letten niet op de zee van de ongeschoolde ongeorganiseerde arbeid, die als een afgrond altijd onder de dunne korst van de geschoolden en georganiseerden bleef dreigen. Zij begrepen de gevolgen niet van de voortdurende emigratie van de arbeiders uit economisch achterlijke naar hoogontwikkelde landen. Zij gingen de gevolgen niet na die de invoering van het taylorstelsel voor de massa’s moest hebben. Zij sloten hun ogen voor het feit dat reeds de industriële werking van de imperialistische ontwikkeling — om van de politieke nog te zwijgen — alle kleine lotsverbeteringen, door de arbeidersklasse moeizaam verworven, telkens opnieuw in gevaar brachten. Of zo zij dit feit al aanvaardden, zo trachtten zij de gevolgen te bestrijden op een wijze die recht inging tegen de algemene solidariteit van de arbeidersklasse — dat is tegen haar toekomst, haar werkelijke algemene belangen, haar nieuwe, hogere moraal: door afsluiting van het vak, maatregelen tegen de emigratie, enz.

Zonder dat zij het wisten was het socialistische klassenbeginsel in hun handen verdord en verschrompeld. Zij waren tot enkel zaakwaarnemers van de bovenste lagen van het proletariaat geworden. Het socialisme was onmachtig gebleken om de splitsing tussen deze lagen en de ongeorganiseerde massa’s, waarvan men in Engeland al zulke verderfelijke gevolgen voor het gehele proletariaat had gezien, af te wenden — en toch was het juist dit wat men van het socialisme had verwacht.

In de hogere rangen van het proletariaat begonnen kleinburgerlijke neigingen in nieuwe vormen op te komen. Het was aan een aristocratie van vakarbeiders gelukt iets meer levenszekerheid te veroveren, een kleine, matte glimp op te vangen van de moderne beschaving, en dit weinige was voor hen zeer veel. De werkloosheid had door de uitbreiding van de verzekering haar karakter van een ondragelijke ramp voor het proletariaat verloren. Het geloof in de tactiek van de wettelijkheid, in de methoden van de parlementaire politiek en van de moderne vakorganisatie, was in de loop van de jaren de arbeiders diep ingeprent. De gewoonte hun leiders voor zich te laten denken en handelen, had initiatief en activiteit in de geleiden verzwakt. De strijdwijze die een betrekkelijk klein aantal vooraanstaanden tot de eigenlijk handelende personen in het drama van de klassenstrijd maakte, kon niet anders dan in de massa’s het oude passivisme en het oude ongeloof aan eigen kracht hernieuwen.

Toch was natuurlijk in de massa’s ook veel nieuw leven gewekt geworden. Niet het minst onder de ongeorganiseerden. Zij waren niet meer hetzelfde ‘rauwe materiaal’, niet meer de ellendige, geduldige slaven, de stompzinnige loonbedervers van een halve of een kwart eeuw geleden. Ook hen hadden de ideeën van de klassenstrijd en van de proletarische solidariteit aangeraakt; wanneer het proletariaat door grote gebeurtenissen tot in zijn diepten beroerd werd, streden zij vaak heldhaftig met de georganiseerden mee. Wat hun nog ontbrak was de tucht, de zelfbeheersing en het uithoudingsvermogen die deze laatste door lange oefening verworven hadden.

Indien de hierboven kort aangegeven strekkingen en krachten de moderne arbeidersbeweging geheel en al beheerst hadden, zou zij als kracht tot de revolutionaire vervorming van de maatschappij volkomen zijn onder gegaan. Op politiek terrein ware zij een aanhangsel van de burgerlijke democratie geworden, in de economische sfeer een rad in het geheel van de kapitalistische machinerie, een factor tot regulering en bestendiging van de kapitalistische productiewijze.

Maar de imperialistische strekkingen van de sociale ontwikkeling riepen tegen het afsterven van de revolutionaire wil van de moderne arbeidersbeweging allerlei stromingen in het leven, reacties van gedachte en daad, spontane en theoretische. Verhaast en versterkt werd de opkomst van deze tegenstrekkingen door de grote teleurstellingen, waartoe de reformistische politiek leidde. De betrekkelijke en de absolute achteruitgang van de levensstandaard van grote delen van de arbeidersklasse, gevoegd bij de toenemende solidariteit van de ongeorganiseerde massa’s en het ontwaken van het klassenbewustzijn voerden, tegen de wil en de tactiek van de leiders in, tot veelvuldige massale stakingen. Eer nog het tijdperk van de wettelijkheid ten einde liep, terwijl de strijd voor het kiesrecht zich in sommige landen nog voortbewoog langs de oude banen en het geloof in de overwinning door de methoden van de formele democratie nog ongeschokt standhield, had de massale actie, vooral als massale staking, reeds de eerste plaats ingenomen onder de strijdmiddelen van het proletariaat.

Van ontzaggelijke invloed op deze ontwikkeling is de Russische revolutie van 1905 geweest, waarin voor de eerste maal de volle betekenis van de massale staking als proletarisch strijdmiddel bleek. Maar eer wij de rol van de massa-actie in de Russische revolutie nader uiteenzetten, moeten wij de nieuwe theoretisch-tactische richting beschouwen, die sedert het begin van de eeuw als tegenstroming tot het reformistische verval van de zgn. ‘moderne’ arbeidersbeweging opkwam. Wij bedoelen het syndicalisme.

De sociaaldemocratie is nimmer de enige revolutionaire richting in het strijdende deel van de arbeidersklasse geweest. Sedert de dagen van de eerste Internationale vormde het anarchisme — ofschoon zonder eenheid van leer, organisatie en actie — een telkens in nieuwe vormen opduikende zijstroming naast en tegen de sociaaldemocratie. In de jaren ‘70 trad het, vooral in economisch achterlijke landen als Spanje en Italië, vaak op als aanstichter van talrijke, tot mislukking gedoemde samenzweringen en onlusten. In het begin van de jaren ‘90 maakte het zich berucht door een reeks van moorden en aanslagen, die hetzij sociaal ontwortelde idealisten, psychopaten of mensen met misdadige aanleg vooral in Frankrijk begingen. In anarchistische kringen werden de aanslagen van Decamps, Ravachol, Vaillant, Henry en Caserio als ‘propaganda van de daad’ verheerlijkt. Behalve het praktische bestond ook een theoretisch anarchisme, een uitspinnen van abstract-individualistische stelsels en absolute vrijheidsidealen; tot zijn aanhangers behoorden geleerden van wereldreputatie als Reclus en Kropotkin.

De uiterste vormen van het anarchisme richtten zich zelf telkens spoedig te gronde, doordat het in deze vormen onvermijdelijk een prooi werd, ter ene zijde van gewone misdadigers en ter andere van regeringsagenten. Elke herleving van de anarchistische beweging in Spanje, Italië, Oostenrijk, Frankrijk, België, de Verenigde Staten enz., eindigde geregeld met ‘onthullingen’ — vaak van sociaaldemocratische kant — die in het licht stelden welke verdachte elementen de verblinde arbeiders tot daden van terrorisme en geweld hadden aangezet. En eveneens eindigde elke herleving van de gewelddadige tactiek met repressiemaatregelen van de regeringen tegen alle revolutionaire partijen, in de eerste plaats natuurlijk tegen de sociaaldemocratie. Inderdaad scheen het vaak of de machthebbers het onbezonnen misdadige spel met bom en dolk slechts aanmoedigden, om deze, hun meest beduchte vijand, meedogenloos te kunnen vervolgen.

De uiterste vormen van het anarchisme oefenden op de massa’s van het proletariaat slechts geringe invloed uit. Anders een meer gematigde richting, die het geweld meer aanprees dan gebruikte, en haar betekenis hoofdzakelijk ontleende aan haar kritiek op de sociaaldemocratische praktijk. Dit anarchisme werd gevoed zowel door de achterlijkheid van de arbeidersklasse van bepaalde landen, als door die van bepaalde groepen van proletariërs in elk land; het zoog zijn kracht ook uit de taaiheid, waarmee quasi-revolutionaire kleinburgerlijke tradities (vooral die van absolute vijandigheid tegen de staat), in de arbeidersklasse voortleefden en uit de onvermijdelijke moedeloosheid, die de nog ongeoefende massa’s na teleurstellingen in de parlementairen strijd bv., licht overviel. Het bloeide vooral daar waar de economische achterlijkheid van de massa’s of hun geringe geestelijke ontwikkeling belette dat het moderne wetenschappelijke socialisme tot vlees en bloed in hen werd.

In de jaren ‘80 en tot ver in de jaren ‘90, bleef het anarchisme in het algemeen een uiting van proletarische achterlijkheid. In de meeste Germaanse en Angelsaksische landen, waar de volksaard bijzonder geschikt was voor de toepassing van de wettelijke tactiek, die vooral rustige, taaie volharding eiste, en waar de verleiding om op provocatie van boven door geweld van onderen te antwoorden, tegengegaan werd door natuurlijke en aangekweekte zelftucht en verminderd door een zekere mate van burgerlijke vrijheid, was het nooit veel meer dan een uitwas aan het lichaam van de arbeidersbeweging. Het bleef beperkt tot het hopeloze gewroet van kleine groepen uiterste individualisten tegen de strijdmethoden van de sociaaldemocratie. In de Latijnse landen was het altijd van enige meerdere betekenis.

Sedert het begin van de nieuwe eeuw veranderden de omstandigheden echter snel.

De kapitalistische ontwikkeling, die ook in Frankrijk en Noord-Italië handwerk en kleinbedrijf op de achtergrond drong en grote arbeidersmassa’s in mijnen en fabrieken opeenhoopte, ondermijnde de sociale ondergrond van het oude, ultra-individualistische anarchisme. Wilde dit niet enkel voortbestaan als persoonlijke liefhebberij van enige buiten de maatschappij staande personen en groepen, dan moest het zich bij deze ontwikkeling aanpassen. Het moest zich omvormen tot een wijze van denken, méér in overeenkomst met de levensvoorwaarden van de massa’s. Het moest zijn uiterst individualistische opvattingen opgeven of althans sterk verzachten en door meer sociale vervangen.

De opkomst van nieuwe strekkingen en aspiraties, waarin anarchisme en proletarisch socialisme zich als het ware vermengden, werd sterk in de hand gewerkt — vooral in Frankrijk en Italië — door het verval van de burgerlijke, en niet minder door dat van de met haar geheel verstrengelde sociaaldemocratische politiek. Het opgeven van de klassenstrijd, zijn vervanging door samenwerking met burgerlijke groepen, de ontaarding van de arbeiderspartij tot officiële regeringspartij, het ontzettende morele bederf, dat vooral in het democratische westen het gevolg van de reformistische tactiek was: ziehier, naast de economisch-sociale evolutie, de voornaamste factoren, die tot het opkomen van een nieuwe richting in de arbeiderswereld leidde. Deze richting — het syndicalisme — kan omschreven worden als een spontane proletarische reactie tegen de opvattingen en methoden van de moderne arbeidersbeweging in het tijdperk van haar verval.

Als theorie is het syndicalisme een mengeling van voorstellingen en ideeën, waarvan sommige aan het marxisme, andere aan het anarchisme zijn ontleend. Aan het marxisme ontleende het de gedachte van de klassenstrijd, de juiste opvatting dat de bevrijding van de arbeidersklasse enkel het werk van de arbeiders zelf kon zijn. Van het anarchisme nam het de voorliefde over voor gewelddadige middelen tegen personen en zaken (sabotage) en het onvoorwaardelijk verwerpen van elke politiek-parlementaire actie.

Waar de maatschappelijke en politieke voorwaarden gunstig waren voor zijn ontwikkeling, drong het syndicalisme onder de massa’s beide richtingen min of meer terzijde, zowel de moderne richting als het zuivere anarchisme dat wegens zijn sterk individualistische strekkingen in het proletariaat geen voedingsbodem kon vinden.

Al naar de sociale en politieke eigenaardigheden van het nationale milieu, nam het syndicalisme in de verschillende landen zeer uiteenlopende vormen aan. Tussen het syndicalisme bv. zoals het zich in Frankrijk en Italië openbaarde, en dat van de Angelsaksische landen, is een enorm verschil. Maar zijn algemene wezen altijd en overal is, een tegenstroming te zijn van de opvattingen en methoden van de ‘moderne’ arbeidersbeweging (vakbeweging en sociaaldemocratie) in het tijdperk van hun verval. Hierin vinden alle uitingswijzen en vormen van het syndicalisme hun eenheid.

Zoals Duitsland het land is van waar uit de sociaaldemocratie en de moderne vakorganisatie hun zegevierende loop begonnen — zo is Frankrijk de haard van waar uit het syndicalisme zich heeft verbreid.

Zeer belangrijk zou een zorgvuldige vergelijking zijn van de economische, politieke, sociale en sociaalpsychische factoren, die in beide landen tot de opkomst van twee zozeer uiteenlopende vormen van proletarische beweging hebben geleid. Een dergelijke vergelijkende studie is nog niet geschreven. Alle sociaaldemocratische beschouwingen over het syndicalisme — ook de bekende, in menig opzicht verdienstelijke inleiding van G. Eckstein bij de Duitse vertaling van het werkje van Paul Louis over de Franse vakbeweging — leiden dit eenzijdig af uit de achterlijkheid, het kleinburgerlijke karakter van de productie in Frankrijk. Zij verwaarlozen bijna geheel een andere zijde van de werkelijkheid, nl. de ontaarding van de parlementair politieke strijdmethode en van de burgerlijke democratie, die zich in geen land zo vroeg en zo erg als in Frankrijk openbaarde. En zij houden evenmin voldoende rekening met het verschil in psychische eigenschappen tussen de Germaanse en Latijnse volken, en met de invloed daarvan op de vormen van de arbeidersbeweging.

Dichter dan Eckstein is, menen wij, de syndicalistische theoreticus Lagardelle bij de waarheid, als hij het syndicalisme omschrijft als “een proletarische reactie tegen de democratie, dat is tegen de populaire vorm van de heerschappij van de bourgeoisie”. In Frankrijk kwam onder de derde republiek het burgerlijk parlementaire stelsel tot hoge ontwikkeling, het ontplooide al zijn consequenties. Een daarvan was de politiek te maken tot een beroep dat aan eerzuchtige intellectuelen de mogelijkheid bood mannen van aanzien, invloed en fortuin te worden en tot de hoogste staatsbetrekkingen op te klimmen. Alle partijen, ook de sociaaldemocratische, werden overstroomd door gelukzoekers die ‘hun’ partij eenvoudig beschouwden als een werktuig, dat zij ten eigen bate hanteerden. Dit moest natuurlijk vele arbeiders afstoten, en zij moesten in de politiek een nieuw middel tot uitbuiting van het proletariaat gaan zien.

Hierbij kwam nog de grote teleurstelling, waartoe de reformistische politiek leidde. Door de toepassing van de democratie, verzekerde deze, zou het socialisme allengs verwezenlijkt worden. In waarheid echter was de democratie schijn en de massa buiten machte om haar wil door te zetten; in waarheid heerste in Frankrijk de hoge bank, die de buitenlandse en de financiële politiek van de regering bepaalde; de macht van de senaat, de sterke centralisatie van het bestuur en de enorme invloed van de bureaucratie verhinderden ten enenmale de vrije werking van de volkswil. Maar door de glanzende schijn van de democratie misleid, klampte de reformistische vleugel van de sociaaldemocratie zich vast aan methoden die in een land waar de regeringsvormen zuiver parlementair en burgerlijk waren, spoedig tot diepe ontaarding en partijbederf moesten voeren. Daarom kan men zeggen dat zo de achterlijkheid, het kleinburgerlijke karakter van de Franse productie, een van de wortels is van het Franse syndicalisme, zijn andere wortel de hogere politieke ontwikkeling van Frankrijk boven die van de naburige staten is.

Aan de pogingen van de Franse vakverenigingen in de loop van de jaren ‘90, om zich onafhankelijk te maken van de sociaaldemocratie, ligt nog geen principiële tegenstelling tot de parlementaire methode, geen eigen syndicalistische conceptie te gronde. Die pogingen hebben eenvoudig tot oorzaak de onophoudelijke strijd tussen de verschillende fracties, waarin de Franse sociaaldemocratie zich in die tijd splitste. De verzelfstandiging van de nog zeer zwakke vakbeweging tegenover de vele socialistische groepen was noodzakelijk, wilde zij niet, in hun onderlinge strijd meegesleept, in een aantal machteloze kleine sekten uiteenvallen. Eerst het ministerialisme schiep omstreeks 1900 de voorwaarden tot het opkomen van het syndicalisme als een theorie en een praktijk, rechtstreeks gericht tegen die van de ontaarde sociaaldemocratie. Het ministerschap van Millerand, met zijn onmiddellijke gevolgen van corruptie, niet slechts van de politieke partij, maar ook van de vakorganisatie, gaf de stoot tot de geboorte van het syndicalisme in zijn eerste scherpe vorm, als absolute reactie tegen het parlementaire socialisme [18]. Maar ook toen, na de totale mislukking van de ‘nieuwe tactiek’ van samenwerking van de klassen en stuksgewijze verovering van de regeringsmacht, de Franse sociaaldemocratie haar organisatorische eenheid op de grondslag van een traditioneel marxistisch program herstelde, bleef de maatschappelijke werkelijkheid de bodem waaruit het syndicalisme kracht zoog. Evenmin als in andere landen doorzagen de hoofdmacht van het Franse marxisme en zijn meest invloedrijke leiders het feit dat vernieuwing in geestelijk, organisatorisch en tactisch opzicht nodig was, niet te ontgaan dan op straffe van achter te raken bij de stroom van de ontwikkeling. Zij hielden hardnekkig vast aan de opvatting, die de politieke partij als de enige draagster van de algemene proletarische klassenbelangen beschouwde en haar daarom de leiding van de ganse arbeidersbeweging in handen wilde geven. Principiële tegenstanders van het reformisme in de politiek, oordeelden zij dat de vakbeweging reformistische banen moest bewandelen. Volgens de Franse marxisten had de vakbeweging enkel en alleen de taak, om op te komen voor de plaatselijke en tijdelijke belangen van de arbeiders in het kapitalisme. De vakbeweging moest als zodanig ‘neutraal’ zijn en geen socialistische of antimilitaristische agitatie voeren. Feitelijk waren de bekrompen, verburgerlijkte Engelse trade-unions het vakverenigingsideaal van de guesdisten. Natuurlijk hielden zij ook vast aan de opvatting, die het stembiljet als het proletarische wapen bij uitnemendheid beschouwde en tegenover de staking, vooral de politieke, revolutionaire staking, zeer sceptisch stond.

Terecht kon Lagardelle op het Franse partijcongres van 1907 te Nancy in de grote discussie over partij en vakbeweging dan ook aan Guesde en de guesdisten hun passiviteit, hun geloof in een automatische ontwikkeling naar het socialisme verwijten. Terecht kon hij tegenover dit ‘gemakzuchtige’ socialisme, dat hij beschuldigde ‘zowel utopisch als onvruchtbaar’ te zijn, als het wezen van het syndicalisme de actie proclameren en als zijn methode het onophoudelijke beroep op de eigen activiteit, de strijdwil en de heroïsche gezindheid van het proletariaat. En het was niet veel meer dan een ijdele frase, toen Guesde, ten einde de tegenstander schijnbaar in revolutionaire wilskracht nog te overtreffen, in zijn antwoord verklaarde, “in de politieke strijd door middel van het stembiljet nooit iets anders dan een voorbereiding, een oefening tot de strijd met de wapenen te hebben gezien”. Want de praktijk, ook de guesdistische praktijk (bv. in de gemeenteraden) stond àl te duidelijk in volslagen tegenstelling tot deze bewering. Feitelijk begreep speciaal het deel der syndicalisten die zich eerst om het tijdschrift Le Mouvement socialiste, daarna om de Vie ouvrière schaarden, beter dan de groep van de guesdistische jongeren de economische strekking van de ontwikkeling, drongen zij dieper door in de bijzondere natuur van het Franse kapitalisme, maar vooral hadden zij een meer open blik voor de noodzakelijkheid van de nieuwe revolutionaire strijdmethoden, de actie van de massa’s zelf die het imperialisme nodig maakte.

Uit de principiële conceptie van het syndicalisme vloeiden zijn strijdmiddelen voort, waarin op tal van punten zijn principiële tegenstelling tot de sociaaldemocratie en de moderne vakbeweging aan het licht kwam. Tegenover de indirecte actie van het proletariaat door zijn afgevaardigden in het parlement en zijn vakverenigingsbesturen, stelde het de directe actie van grotere of kleinere arbeidersgroepen door vergadering en demonstratie, door staking en oproer. Tegenover de strenge zelfbeperking tot wettelijke middelen en ordelijke strijd stelde het gewelddadig optreden en sabotage in haar verschillende vormen en graden. Tegenover de opvatting van de vakverenigingen als instellingen tot verbetering van de toestand van bepaalde arbeidersgroepen in het kapitalisme, stelde het de opvatting van de vakverenigingen als de enige organen van de revolutie tegen het kapitalisme en van elke staking als een stukje revolutionaire strijd of een ‘vooroefening’ tot deze. Tegenover het overmatige gewicht, dat de leiders van de ‘modernen’ legden op centralisatie, ledenaantal, sterke weerstandskassen, uitmuntende administratie en stipte controle — kortom op de grootst mogelijke volmaking van het mechanische apparaat van de organisatie — maakte het syndicalisme de overwinning van de arbeiders afhankelijk van de spontane psychische activiteit, het initiatief, de energie, de opofferingsgezindheid van een uitgelezen minderheid. Terwijl de modernen zoveel mogelijk door de ‘stille actie’ voordelen zochten te behalen, elk groot conflict trachtten te vermijden en de staking beschouwden en beschouwd wilden zien als een particuliere aangelegenheid tussen bepaalde arbeiders en bepaalde ondernemers, terwijl zij liever nadelen aanvaardden en vernederingen verdroegen dan een strijd te wagen met ongunstige kansen, stuurden de syndicalisten uit beginsel zoveel mogelijk op staking aan, zonder zich om de objectieve omstandigheden en de kansen van de strijd te bekommeren, en trachtten zij elke staking door luidruchtige straatmanifestaties tot een publieke zaak te maken en de arbeiders van zoveel mogelijk andere plaatsen of bedrijven in de strijd mee te slepen. Tegenover de leuze: “hoe beperkter, des te beter” van de modernen, stelden zij “hoe algemener des te beter” als de hunne. En zo werd de verheerlijking van de algemene werkstaking de bekroning van hun theorie, zoals het aansturen op haar het beginsel van hun tactiek was.

Openbaarde de eenzijdige bekrompenheid van de moderne leiders zich in de regel hierin dat zij, ook wanneer alles tot een grote strijd drong, bij de ‘gewone’ middelen bleven zweren, met andere woorden, dat zij het bestaan van revolutionaire krachten en strekkingen in de ontwikkeling loochenden — zo bleek de niet minder grote eenzijdigheid van de syndicalistische leiders uit het feit dat zij elk conflict tussen arbeiders en ondernemers poogden om te zetten in een beginselstrijd. Zij waanden door enkel psychische factoren, door het opwekken van de strijdwil van de arbeiders, naar willekeur revolutionaire situaties te voorschijn te kunnen roepen. Dit verwaarlozen van de concrete omstandigheden, deze overmatige verachting voor kleine positieve voordelen, had tot gevolg dat zij weinig aantrekking uitoefenden op de grote, logge massa van de ongeorganiseerden, die in de regel niet door revolutionaire strijd impulsen, maar enkel of althans in hoofdzaak door hoop op materiële verbetering in beweging komt. Zo bleven ten gevolge van de syndicalistische strijdwijze de syndicalistische vakorganisaties zwak, een gevolg van hun tactiek, dat hun met recht door de guesdisten verweten kon worden. Overschatten de modernen de mechanische en verstandelijk berekenende zijden van de voorbereiding tot de klassenstrijd, die zij voor de klassenstrijd zelf hielden — zo overschatten de syndicalisten zijn voluntaristische zijde, dat is de macht van de wil. Terwijl door het optreden van de eersten de revolutionaire strijdwil in de moderne organisaties allengs verzwakt werd, kweekten de tweeden in hun volgelingen vaak zelfverblinding en zelfoverschatting aan, voedden zij hen op in de oppervlakkige, holle retoriek van een opwinding, die zich zelf voor kracht hield. De enen verhieven de onweerstaanbaarheid van de opeengehoopte mechanische energie, (aantal, geld, discipline) wanneer deze een zeker hoogtepunt bereikt heeft, tot een dogma; de anderen deden dit de onweerstaanbaarheid van de tot het uiterste gespannen wilskracht van een revolutionaire minderheid.

De eersten geleken op bevelvoerders, die zorg dragen dat hun soldaten overvloedig van munitie, wapens en levensmiddelen zijn voorzien, maar de psychische factoren die in de soldaat het heldhaftige elan opwekken, geheel en al verwaarlozen, omdat zij verwachten de vijand door handig manoeuvreren en ‘afmatten’ op de duur te zullen dwingen tot terugtrekken. De tweeden handelden als generaals, die hun slecht gewapende en gevoede soldaten door hartstochtelijke redevoeringen in opwinding brengen en keer op keer tegen de vijand storm laten lopen, zonder eerst diens posities zorgvuldig te verkennen en zijn sterkte na te gaan, overtuigd dat een slag, zelfs verloren, per se beter is dan een terugtocht hoe goed ook geslaagd.

Zo de dogmatische tactiek van de moderne leiders de strijdkracht van de arbeiders die hen volgden deed verslappen, de tactiek van de syndicalistische vermorste die strijdkracht al te vaak in uitputtende gevechten en voerde de proletarische voorhoede van nederlaag tot nederlaag. Zij troostten zich en anderen dan met de bewering, dat het doel van de strijd niet zijn uitkomst was, maar in de strijd zelf lag: de tegenhanger tot de opvatting van de modernen, die de organisatie als haar eigen doel beschouwde.

Toch heeft het Frans-Italiaanse syndicalisme — want uitsluitend dit hebben wij hier op het oog, niet dat van de Angelsaksische landen — historisch vele verdiensten gehad. Het begreep al spoedig dat de strijd tussen reformisten en officiële marxisten tot een ijdel woordenspel werd, omdat, afgezien van uitwassen van de reformistische tactiek zoals het ministerialisme, het optreden van beide richtingen zich in de praktijk, ondanks hun verschillend theoretisch standpunt, steeds minder van elkaar onderscheidde. Het doorzag de onmogelijkheid om uitsluitend door middel van de parlementaire actie tot het socialisme te komen. Het stelde zich bewust tegenover het economisch-politieke fatalisme, dat alles van de ‘ontwikkeling van de maatschappij’ en de mechanische werking van het stembiljet verwachtte. Het begreep welk een ‘zeldzame morele energie’ nodig zou zijn, welk een ‘verwonderlijke invloed van het idealisme’, om de arbeiders, ten prooi als zij waren aan voortdurende levensonzekerheid, een revolutionaire conceptie van het socialisme in te prenten, zijn verwezenlijking afhankelijk te stellen niet van ‘noodzakelijk’ buiten de actie van de arbeidersklasse om tot stand komende ‘omstandigheden’ als de bedrijfsconcentratie, enz., maar in de eerste plaats van haar eigen wilskracht, opofferingsgezindheid en moed. En in zover het dit alles begreep, had het gelijk, met zich tegen het officiële marxisme op Marx te beroepen. In het vaak ruwe, vaak overspannen syndicalisme leefde meer van zijn geest, dan in de geleerde aanprijzers van de ‘afmattingsstrategie’. Door de idee van de klassenstrijd, de overtuiging dat ‘de bevrijding van de arbeid het werk van de arbeiders zelf moet zijn’ op de voorgrond te brengen, door nadruk te leggen op de psychische krachten in de mens als factoren van de ontwikkeling, heeft het syndicalisme enkele hoekstenen aangedragen voor het gebouw van het nieuwe revolutionaire socialisme. In de praktijk was het zijn grote verdienste, op te treden tegen elke neiging tot lijdelijke berusting in de massa’s.

Als de stralen van elk stervormig figuur naar een kern convergeren, zo convergeerden alle opvattingen van het syndicalisme naar een daad: de directe actie, zoveel mogelijk spontaan, van de massa’s als demonstratie en vooral als staking. De wezenlijke eenheid van het syndicalisme boven alle verschillen wordt gedemonstreerd door zijn praktijk van onophoudelijke massale strijd, ook daar, waar de sociale voorwaarden tot die strijd niet, of slechts in geringe mate aanwezig zijn. Op de actie van de massa’s is heel de theorie van het syndicalisme aangelegd.

Zo verschillend de voorwaarden tot dergelijke actie in de verschillende landen zijn zij hangen o.a. af van het historische verleden, van de hoogtegraad en het tempo van de industriële ontwikkeling, van de concentratie van de bedrijven en van de arbeiders, van de druk van het kapitaal, van het nationale temperament en karakter, van de mate van de revolutionaire gezindheid op bepaalde ogenblikken, zo uiteenlopend zijn de uitkomsten van de syndicalistische tactiek. Bij de beschouwing van de voornaamste massabewegingen gedurende de opkomst van het imperialisme (1900-1914) zullen wij het syndicalisme in de praktijk weer ontmoeten, we zullen zijn invloed en zijn sporen hier sterker, ginds zwakker terug vinden, zijn inzichten en zijn wil de moderne tactiek zien beïnvloeden, terwijl het van zijn kant door de toenemende concentratie van de ondernemers genoodzaakt wordt zijn dogmatische verwerping van centralisatie, regelmatige geldelijke offers, indienstneming van gesalarieerden, enz. te laten varen. We zullen het overal een kracht zien vormen tussen de andere krachten die in het tijdperk vóór de wereldoorlog tot de massale actie aandrijven. Overal is het syndicalisme zulk een kracht geweest, behalve in twee landen, namelijk Rusland, waar het autocratische regiem de tegenstelling van het hervormingsgezinde en het revolutionaire element in de arbeidersklasse niet tot wasdom komen liet, en Duitsland, waar de invloed van de vakverenigings- en partijbureaucratie zo groot en de druk van het geconcentreerde kapitaal zo sterk was, dat de kiemen van een syndicalistische richting zoals de ‘lokalisten’ die leverden, geen voedingsbodem vonden voor hun ontwikkeling.

Wat Duitsland betreft, was de ontwikkeling deze. Een nieuwe richting, de ‘links-radicale’ of ‘revolutionair-marxistische’, begon op te komen. Deze richting wees er voortdurend op, hoe gevaarlijk het was de massa’s te gewennen aan het ontwijken van beslissende worstelingen, zij ontleedde en doorzag de nieuwe verschijnselen van het imperialisme en concludeerde uit hen tot de noodzakelijkheid van vernieuwing van de strijdmiddelen. Niet buiten en tegenover, maar in de moderne arbeidersbeweging, wier uiterste linkervleugel zij vormde, werkte deze nieuwe richting, die zich allengs meer en meer van het grote centrum van de Duitse partij onderscheidde, en wier rijpingsproces in hoge mate bevorderd werd door de Russische revolutie. De brochure van Rosa Luxemburg over Massastaking, partij- en vakbeweging; die van Radek over Het Duitse imperialisme; de artikelen van Pannekoek contra Kautsky sedert 1912 de officiële verdediger van de afmattingsstrategie, dat is van de proletarische passiviteit — in de Neue Zeit, waren de eerste theoretisch-tactische formuleringen van de nieuwe opkomende richting in de sociaaldemocratie.

Ondanks zijn onmiskenbare historische verdiensten kon het syndicalisme uit eigen kracht niet aan de arbeidersklasse de weg wijzen uit het moeras, waarin zij tegen het einde van de ‘periode van de wettelijkheid’ dreigde te verzinken. Daartoe was het zelf te eenzijdig en te geborneerd, daartoe zat het nog te zeer vast aan de kleinburgerlijke ontkenning van de staat en de strijd om de staatsmacht, die het van het anarchisme had overgenomen.

Enkel het revolutionaire marxisme was theoretisch in staat, om, over de beperkingen en eenzijdigheden zowel van modernen als van syndicalisten heen, voort te schrijden tot een hogere tactische opvatting waarin de verschillende tegenstellingen hun oplossing vonden, een opvatting die de directe, massale, revolutionaire activiteit van het proletariaat met zijn parlementaire actie verzoende en in verband bracht. Maar in de jaren van betrekkelijke politieke stilstand, die aan de wereldoorlog voorafgingen, bleef zijn invloed op de massa’s gering.

Al kon het syndicalisme niet tot de nieuwe synthese de weg wijzen, het kon daarom toch, om bij Europa te blijven, in Frankrijk en Italië voornamelijk, in Nederland en Scandinavië in mindere mate, een tegenwicht vormen tot het partij bedervende reformisme en het vakverenigings opportunisme. Zijn betrekkelijke kracht ook in deze laatste landen bewijst de onjuistheid van de opvatting die in het syndicalisme uitsluitend een product ziet van bepaalde eigenschappen van de Latijnse volken, hen meer geschikt makend voor spontane intermitterende actie dan voor geduldige organisatorische werkzaamheid.

De andere opvatting, als zou de syndicalistische conceptie louter ‘de theorie van de onmacht’ en de syndicalistische praktijk niets anders dan ‘een kinderziekte van de vakbeweging’ zijn, men vindt haar bij Eckstein, die zowel de theorie als de praktijk van het syndicalisme eenvoudig als ‘de uitdrukking van een kleinburgerlijke denkwijze’ veroordeelt wordt afdoende gelogenstraft door de vooruitgang van syndicalistische ideeën en methoden in het laatste tiental jaren voor de wereldoorlog in Engeland en de Verenigde Staten. Eckstein, die dit natuurlijk niet kon ontkennen, merkt enkel op hoe in deze laatste landen het syndicalisme uitsluitend optrad als de ideologie van ongeschoolde arbeidersgroepen, die ‘door de vakbeweging stiefmoederlijk behandeld werden’, en hij bemerkte zelf niet hoe deze opmerking de historische rechtvaardiging van het syndicalisme en niet minder de historische veroordeling van de ‘officiële’ Amerikaanse en Engelse vakbeweging betekent.

Het Anglo-Amerikaanse syndicalisme had op dat van het Europese vasteland een gewichtige omstandigheid voor. Het stond nl. niet tegenover een moderne vakbeweging, die in naam en in schijn aan de methoden van de klassenstrijd en de doeleinden van het socialisme vasthield, maar tegenover een verburgerlijkte organisatie van de arbeidersaristocratie, die openlijk haar werkzaamheid ten bate van de ‘sociale vrede’ en haar geloof aan de harmonie van belangen tussen kapitaal en arbeid erkende. En deze omstandigheid maakte dat alle werkelijk revolutionair gezinde sociaaldemocraten in Engeland en Amerika in de strijd tussen de versteende aristocratische trade-unions en de nieuwe syndicalistische bonden van de ongeschoolde arbeiders, onvoorwaardelijk voor deze laatste partij trokken. Dit kon des te gemakkelijker, omdat in beide landen de parlementaire macht van de sociaaldemocratie uiterst gering was en daardoor een voornaam punt van wrijving tussen sociaaldemocratie en syndicalisme wegviel. Vandaar ook dat in het Angelsaksische syndicalisme antiparlementaire neigingen weinig op de voorgrond traden en het zijn spits in de eerste plaats tegen het klassenverraad richtte en tegen de verouderde grondslagen van de vakorganisaties en hun bureaucratie. Bekende syndicalistische leiders in die landen, als Haywood in de Verenigde Staten en Tom Mann in Engeland, verklaarden zich, zij het met bepaalde restricties, principieel vóór deelneming van het proletariaat aan de parlementaire actie.

Zo waren in de jaren voor de wereldoorlog reeds verschillende theoretische en tactische opvattingen ontstaan, die zich tegen de ontaarding van de politieke en de vakverenigingsmethoden van de moderne beweging verhieven. En ook had de imperialistische ontwikkeling reeds tot gevolg gehad om de massa’s, om ‘t even welke hun tactische opvattingen en organisatievormen waren, steeds vaker tot spontane massale acties aan te drijven, als tot het enige middel om de druk van het geconcentreerde kapitaal enigszins te weerstaan.

Voetnoten


[16] Een nadere beschouwing van die latere pogingen vindt de lezer in het volgende hoofdstuk.
[17] Thans, in oktober 1917, schijnt de Zweedse kiesrechthervorming door het optreden van een liberaal-socialistisch kabinet verzekerd. Met andere woorden: zij zal haar beslag krijgen -evenals in Nederland reeds is geschied — niet ten gevolge van een overwinning van een revolutionair proletariaat op de bezittende klassen, maar ten gevolge van het feit dat de officiële sociaaldemocratie met haar aanhang elk revolutionair karakter verloren heeft, dat zij tot een hulptroep van de liberale partij en een werktuig tot het opwekken van de gevoelens van ‘nationale eenheid’ onder de massa’s geworden is. Daarenboven zal de invoering van het A. K. in Zweden de macht van de grote grondbezitters en grootindustriëlen vrijwel ongerept laten. De nieuwe partij van de linkse socialisten die dit inziet, eist daarom terecht de afschaffing van de Eerste Kamer en de invoering van de republiek.
[18] “In de aanvang van het ministerschap van Millerand”, schreef de syndicalist Landrieu in 1902 in de Mouvement Socialiste, “moest men de arbeidersklasse wel enigszins het hof maken, de militanten werden al te veelvuldig bijna officiële grootheidjes en het regeringsbederf sijpelde, rechtstreeks of zijdelings, min of meer tot hen door”.