Bron: De Nieuwe Tijd, 26e jaargang, 1921 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
– Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?
Laatst bijgewerkt:
| Verwant: • Stemmen der vrijheid • Brieven 1904-1917 • Orde heerst in Berlijn |
Rosa Luxemburg, Briefe aus dem Gefängnis,
Karl Liebknecht, Briefe aus dem Felde, aus
der Untersuchungshaft und aus dem Zuchthaus.
Wij moeten haar, aan wie het merendeel van deze brieven der beide grote martelaars voor het communisme gericht zijn, haar op wiens persoonlijkheid deze liefdestralen toelopen, door Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht in hun gevangenschap uitgezonden, om zich in die persoonlijkheid te verstrengelen en te vereren, – wij moeten Sonja Liebknecht dankbaar zijn dat zij communistisch genoeg, menselijk genoeg voelde en dacht om het onzegbaar heerlijke, haar geschonken, niet te hebben willen afsluiten en behouden als een voor haar alléén toegankelijk heiligdom. Immers door het lezen van deze brieven wordt ons inzicht in het wezen van Karl en Rosa als historische figuren, als werkers in de staf van het maatschappelijk grootgebeuren, verdiept op een wijze en in een mate, als door geen studie van hun voor de openbaarheid bestemde geschriften alléén mogelijk zou zijn. In het publieke leven van de grote leiders van de wereldstrijd voor de bevrijding der uitgebuite en onderdrukte mensheid komt de diepste grond van hun persoonlijkheid te minder bloot, hoe feller en verbitterder de worsteling is, hoe meer de omstandigheden onwrikbare hardheid tot plicht maken. De bronnen blijven verborgen, die hun trouw, hun toewijding, hun heldhaftigheid voeden. De diepste roerselen van hun morele kracht blijken alleen in het intieme persoonlijke verkeer met die enkelen voor wie zij niets terughouden, door wie zij geheel gekend en begrepen willen zijn. Daarom worden hier, in deze noodgedrongen apolitieke brieven aan de hartstochtelijk beminde vrouw en de zusterlijk teerverzorgde vriendin de wellen ontsloten, waaruit deze twee grote opgestane kracht en standvastigheid dronken. Als de diepste grond van Liebknechts wezen vinden wij: ondoofbare dadendrang, heroïsch sociaal-ideeël activisme gepaard met uiterst nauwgezet plichtsbesef; als de diepste grond van dat van Rosa: door niets blijvend te verduisteren of te vertroebelen levensblijheid. En bij beiden, met het genoemde onverbrekelijk vervlochten, onuitputtelijk wellende liefde, oneindige deernis, grenzeloos meegevoel.
Hiermee is de eenheid-in-verscheidenheid gekenmerkt in de aanleg der beide helden, die sedert dit deel van hun nalatenschap ons werd geschonken, nog inniger verstrengeld staan in ons bewustzijn dan voorbeen.
Rosa’s brieven ontroeren ons met vertederde en tevens vreugdevolle bewondering. Wij volgen in hen de bewegingen van een hooggeboren ziel in welke zeer uiteenlopende gaven en krachten tot rijke, lichte harmonie verenigd zijn. De edele geest die huist in dit broze lichaam aanvaardt de hardheden en beproevingen van het leven met nooit moeizaam of zwaar, altijd bevallig en vaak speels stoïcisme. Nimmer een gebaar van zwakheid, maar nimmer ook een van geforceerde kracht. Moed en fierheid, heroïsche standvastigheid en rustig zelfvertrouwen zijn de natuur zelve van dit heerlijke wezen en uiten zich in heel haar levenshouding met ongedwongen gratie. Haar ziel straalt een lichtsfeer uit, een nimmer verflauwende helderheid in het hart waarvan zij leeft, zingend en dansend, genietend alle verschijnselen der natuur als alle werken van de menselijke geest, de vormen en kleuren, de bontheid der stenen, de glans der wolken, het ruisen van de wind, de zang der vogels en hun zwieren, de geur van bloemen en struiken, de heerlijkheden van wetenschap, poëzie en muziek. In al deze dingen geniet zij het Ene, welks uitstralingen zij zijn, het alomvattende Leven zelf. Alléén in de donkere, vochtige winternacht, op de steenharde matras in de kille cel, bonst haar hart, schrijft zij, van een onbegrijpelijke, ongekende vreugde, als liep zij – dit zijn haar woorden – in de stralende zonneschijn over een bloeiende weide. “In de duisternis glimlach ik het leven toe, als wist ik het een of andere geheim dat al wat slecht en droevig is logenstraft en herschept tot louter klaarheid en geluk. Zelf zoek ik de oorzaak van deze vreugde, maar ik vind niets en moet om mij zelf glimlachen. Ik geloof dat het leven zelf het geheim is. Wanneer men goed ziet, is de diepe nachtelijke duisternis schoon en zacht als fluweel. En als men goed vermag te horen, zingt ook in het knarsen van het vochtige zand onder de langzame, zware stap van de schildwacht het leven een mooi klein lied.” En dan, met een zachte wending-des-harten naar die zwakkere, kinderlijke ziel, dat hulpeloze vogeltje, wier dagen verteerd worden door angst en zorg en verdriet, gaat zij voort: “Ik denk er niet aan, je met ascetisme, met ingebeelde vreugden te goed te willen doen; ik gun je alle werkelijke vreugden der zinnen. Maar ik wilde je daarnevens zo graag mijn eigen onuitputtelijke, innerlijke blijheid geven, om zeker te zijn dat je in een sterren bezaaide mantel door het leven gaat.” ...
Van de extatische vreugde om de volheid des levens is de smart om het lijden dat het leven brengt even onafscheidelijk als de schaduw van het stralende zonlicht. Hun eigen leed weliswaar herscheppen de sterke voorname zielen wier stralende gloed de aardse duisternis verlicht, tot kracht en schoonheid; in de ogenblikken echter dat zij dit niet vermogen, de ogenblikken van de inzinking des vleze, hullen zij zich in kuise zwijgzaamheid. Een edele fierheid belet hun, verlichting te zoeken in jammeren en klagen. “Mijn innerlijk evenwicht en mijn gelukzaligheid”, schrijft Rosa, “kunnen mij helaas reeds begeven doordat een zeer lichte schaduw op mij valt. Ik lijd dan onuitsprekelijk, maar heb de eigenaardigheid te verstommen. Het is letterlijk waar, Sonitschka, ik kan dan geen woord over de lippen brengen. Bijvoorbeeld in deze laatste dagen, ik was zo zalig-blij, genoot van de zon, toen, eensklaps werd ik gegrepen door een ijskoude stormwind, en onverhoeds verkeerde mijn stralende vreugde in diepe ellende. En had het geluk van mijn ziel lichamelijk voor mij gestaan, ik had geen woord kunnen uitbrengen; op zijn hoogst zou ik met een stomme blik mijn wanhoop hebben kunnen klagen” ...
Maar zo het eigen leed Rosa doet verstommen, voor het lijden van anderen vindt zij woorden ontroerend van tere menselijkheid. Te schrijven over het grote lijden dat de mensheid verscheurt is haar in deze brieven niet mogelijk: immers dat hangt ten nauwste samen met de dingen, waarover in de gevangenis niet geschreven worden mag. Maar haar meegevoel is oneindig, doordat haar ziel de eenheid van alle leven voortdurend ervaart en beleeft. De stroom van het meegevoel graaft zijn eigen bedding: het stomme, redeloze dier, de arme Roemeense buffel, door ruwe soldaten weggesleept van zijn ruime weiden, gekweld, half verhongerd, ten dode gewijd, wordt voor haar tot het symbool van de mishandelde mensheid. Wenend van deernis om dien nederige broeder, weent zij haar deernis voor de gekwelde volken uit. Naast de zilverhelle, gelijkmatig-tedere straling van Rosa’s brieven, zijn die van Liebknecht een laaiend vuur van knetterende vlammen, onophoudelijk voortjagend en omhoogstrevend in tragisch-dramatisch beweeg. Tragisch-dramatisch is het innerlijk leven van deze held, al klinkt ook in zijn ziel telkens de grondtoon op van levensblijheid en levensvertrouwen; hoe zou trouwens zonder die beide gevoelens de opperste overgave mogelijk zijn? Maar meer de wil tot genieten dan het heerlijk-spontane vermogen tot genot is in hem aanwezig, en de volkomen harmonie tussen begeerte te erkennen en drang tot daden bereikt hij niet.
Karl Liebknecht is niet de stralende held geweest, die glimlachend, haast moeiteloos stijgt tot de toppen van zijn leven; vaak waren zijn lippen strak gesloten en zijn spieren krampachtig gespannen; zijn adem hijgde en zijn hart kromp samen onder haast duldeloze pijn. Hij heeft meer beleefd, meer uiterlijke lotswisselingen doorgemaakt dan Rosa gedurende de oorlog. Zij, arme gekooide vogel, zat almaar, almaar gevangen, haast al die jaren door; hij daarentegen heeft de vreselijkheid en de grootsheid van het leven van de soldaat te velde ervaren; de huiveringen gekend der nachten, doorgebracht in veld en bos, of op de vloer van een kille schuur, doorweekt van de regen; de verschrikkingen van het nachtelijke graafwerk op een kerkhof, waar lichtgevende ontbindingsgassen als gloeiwormpjes afvloeien van de spade, telkens wanneer men die in de grond steekt. Hij heeft zijn hart voelen beven van verrukking om de sprookjesschoonheid van maanlichte herfstnachten en Orion zien opstijgen aan de plechtige winterhemel, vlammend van feestelijke pracht. Hij heeft het jubelen gekend van innerlijke vrijheid, toen het besluit in hem stond, rijp en voldragen: “ik zal niet schieten, al zou het mij het leven kosten.” In een extase voelde, zag en beleefde hij die herfst: “als toen ik een jongeling was, als in dagen des vrede, als eens samen met jou. En nog voel ik mij overwinnaar over alles wat is en komen kan” ... Tot zijn uitgeput lichaam de spanning niet meer kon verdragen en hij, na een paar maal bewusteloos in elkaar te zijn gezakt, naar het etappehospitaal moest worden overgebracht ...
Liebknecht heeft ontzettend geleden gedurende de oorlog. De machteloosheid om het vreselijke gebeuren te stuiten, het bittere verraad van zovele makkers, de scheiding van zijn gezin en zijn vrienden, de folteringen van onrust, de dodelijke angsten als bericht van hen wekenlang uitbleef; dit alles kwam reeds de eerste herfst. En daarop volgden, van mei 1916 tot november 1918, de eindeloze dagen en nachten van gevangenschap, in voorarrest eerst, daarna in het tuchthuis; het vreselijke hongeren in alle sferen, het hongeren naar liefde en sympathie, naar verkeer met de buitenwereld, naar mogelijkheid daden te doen, een factor te zijn in de herschepping van de mensenwereld, naar geestelijk en naar stoffelijk voedsel. In sober aangrijpende woorden staat al dit lijden hier opgetekend. Onder de met sidderende inspanning gehandhaafde zelfbeheersing kreunt en woelt de worstelende ziel; hier en daar kan zij een kreet van smachtende onrust en bange vertwijfeling niet onderdrukken. Zorg over de aangebeden jonge vrouw, zo hulpeloos in haar niet-begrijpen van de sociale krachten, zorg om de kinderen uit zijn eerste huwelijk – de oudste zoon juist in de leeftijd dat hij vaderlijke steun en hulp het meest behoeft – zij pijnigen onophoudelijk dit grote menselijke hart. Vertwijfeling niets te kunnen doen, niets te vermogen ter opwekking van de krachten des leven, de revolutionaire wil en daad, verscheurt het. Maar door de nooit eindigende worsteling tegen die vertwijfeling klinkt telkens weer zuiver en vol de toon van het moedige vertrouwen: “geduld, geduld: dit zal niet eeuwig duren, onze tijd komt.”
Liebknechts gehele natuur was ingesteld op het overwinnen van tegenstanden, terwijl men van Rosa zou kunnen zeggen dat zij van nature boven de tegenstanden uitzweefde. Terwijl zij zelfs de onvermijdelijke betrekkelijke non-activiteit, haar door een vijandelijke wil opgelegd, met serene gelatenheid vermag te dragen, hoort men bij hem de wil-tot-de-daad dag en nacht beuken tegen de wanden van het noodlot. Hij kan niet opgeven te strijden, evenmin als hij het verzorgen der geliefde en het waken over zijn kinderen opgeven kan. De brieven aan zijn oudsten zoon, waarin hij deze zo zachtjes smeekt en vleit hem toch zijn volle vertrouwen te schenken en in die jonge ziel het zaad zaait van zijn eigen nauwgezetheid van geweten, hem opvoedt tot het inspannen van alle krachten, het benutten van alle ervaring als middelen tot de vorming, die de mens nuttig maakt voor zijn medemensen, – die brieven zijn ontroerend van zedelijke schoonheid. Telkens treft de volkomen verloochening van het eigen zelf, dat deze overmatig-bescheidene kenmerkt. Aandoenlijk is zijn bezorgdheid dat vrouw en vrienden, om hem voedsel te sturen, zichzelf ontberingen zullen opleggen. En zo groot is zijn begeerte om alles te doorgronden, steeds verder te komen in kennis en kracht, teneinde de mensheid beter te kunnen dienen, dat deze waarachtige genieter van de hoogste verbeeldingen der mensheid, die in het veld Dante en in de cel Goethe, Molière, Shakespeare en Dostojevski leest en zijn liefde en bewondering voor de grote werelddichters in treffende bewoordingen uitzegt, dat deze met grote cultuur verzadigde, wanneer hij aan het zakjesplakken wordt gezet, schrijft dit werk met meer belangstelling te verrichten dan zijn vrouw wel denkt, daar het hem gelegenheid geeft het wezen der techniek, de psychologie van het uitvinden, het begrip der vaardigheid te bestuderen. Aan dit ene voorbeeld mete men zijn oneindige zorgvuldigheid en haast pijnlijke nauwgezetheid.
Maar zo Liebknecht uit deze brieven oprijst als een tragischer figuur dan Rosa in haar glimlachende, schier goddelijke kalmte, een moeizamer natuur ook, met dieper achtergronden en smartelijker gapingen en scheuren, in alles wat de strijd aangaat staat hij naast haar, even rustig en vast, even onverzettelijk en volhardend.
Het essentiële verschil tussen hen beiden was misschien dit: heel zijn aanleg ging uit naar het overwinnen van weerstanden, dat is naar strijd. Daarom was zijn denken en voelen in de revolutionaire worsteling gegrondvest, zijn menselijkheid ging volkomen in haar op, met haar was iedere vezel van zijn hart vervlochten. Voor Rosa’s lichtere, meer universele, en, ondanks haar ontzaglijke combattieve kracht, toch meer contemplatieve natuur, was de strijd een deel van het leven, niet het leven zelf. Het erkennen van de samenhang der dingen, voor hèm altijd eén middel, een werktuig tot en in de strijd, was voor haar ook op zich zelf een vreugde.
Verrukking over het leven in al zijn vormen was de grondslag van haar levenshouding, van haar edel glimlachend stoïcisme. Zijn activisme kende die verrukking niet. Om zichzelf te versterken en op te beuren, herhaalt hij telkens en telkens weer “dit alles gaat voorbij; alles voorbij; kaartenhuis-kaartenhuis; episode-episode”, – men voelt het: hij moet dit herhalen om zich zelf te beschermen tegen de wanhoop. Rustig en plechtig klinken, met deze hartstochtelijkheid vergeleken, Rosa’s woorden: “Hoe langer dit alles duurt, Sonitschka, hoe meer het lage en ontzettende, dat elke dag geschiedt, alle grenzen en perken te buiten gaat, des te rustiger word ik en sterker, zoals men op een element, een sneeuwstorm, een watervloed, een zonsverduistering, geen zedelijke maatstaf toepast, maar ze als iets wat gegeven is, als een voorwerp van onderzoek en erkenning moet beschouwen.” En iets verder, nog kenschetsender voor haar die schrijft: “men moet in het maatschappelijk gebeuren zowel als in het particuliere bestaan, alles opvatten rustig, groot van lijnen en met een milde glimlach.” Groot in haar denken was Rosa altijd, haar glimlach echter was lang niet altijd mild, maar vaak vol spot en sarcasme. Een schertswoord, als dat de Venus van Milo enkel daarom gold voor de schoonste der vrouwen, omdat zij zovele jaren had gezwegen, of dat het gezelschap der koolmeesjes haar liever was dan dat der “waarde partijgenoten”, zou Liebknecht, met zijn grote angst iemand te krenken, nimmer over de lippen hebben gebracht.
Verschillend in aanleg, waren zij één in het allerdiepste, het ene waarin de grote helden en martelaars van alle tijden één geweest zijn: in zelfverloochenende, zichzelf verzakende liefde. Beiden bezaten zij de liefde van de sterken, die zwakkeren opbeurt en schraagt; van de edelen die zwakheid begraven in zichzelf en van uit hun hart dorstige laven met altijd weer rijkelijk wellend water van meegevoel, deernis en troost. Van hun was de liefde van de universelen die de essentiële eenheid van het individu met het Al beseffen en doorleven. Eenzaamheid maakt ze niet arm en het ontberen van alle stoffelijke zachtheden en alle zinnelijke genietingen des leven doet ze niet huiverend ineenkrimpen; integendeel, het wekt in hen oneindige kracht. Uit de kwellingen van het vlees verheft zich hun ziel tot zegevierende exaltatie en goddelijke vreugderoes. Rosa en Karl zijn van het ras der grote mystici van alle tijden, van de middeleeuwse heiligen, die eveneens contemplatie verbonden met sociaal-ideëel activisme, en in de mensheid liefhadden een deel van het universele leven. De vormen veranderen, het wezen echter van de hoogste levenshouding blijft zich door de eeuwen heen gelijk.
Als wij deze Brieven van Karl en Rosa lezen voelen we onze smart om hun dood verstillen en ons hart opgeheven worden naar de sfeer van aandachtige verering. Heerlijk als zuivere geur doortrilt ons een blijde zekerheid: wij voelen liefde weer de eerste drijfkracht te zijn, “il prima motore” tot die grote, bewuste herschepping van het menselijk leven die communisme heet, tot de revolutie die van deze herschepping de eerste fase is. Wij erkennen weer, dat de grootste revolutionairen niet anders kunnen zijn dan de zuiverste, edelste, aan liefde rijkste mensen.
Voor wat men noemt de propaganda, dat is de verbreiding en verdieping van onze wereldbeschouwing, zijn deze brieven van grote waarde. Wij allen die ons, niet zonder aanmatiging, communisten noemen, zullen, wanneer wij ze werkelijk in ons opnemen, onze wankelheid en onzuiverheid, onze lafheid en zelfzucht gaan verafschuwen en beschaamd staan over onze kleinmoedigheid. Wij zullen ons voornemen communisten gelijk zij dat waren te worden, en misschien iets van deze voornemens ten uitvoer brengen. En de anderen, de onbekeerden, de niet-gelovers, de tegenstanders; hetzij in sleur en slaafsheid van geest bevangen arbeiders, hoogmoedige intellectuelen, of laffe, weifelende kleinburgers: hoe zal dit flitsend voor hen opengaan van een andere wereld op hen werken? Zeker zullen sommigen van hen een ogenblik voelen hoe hun de wapens ontzinken en hun hart berouwt. Hartstochtelijk zullen zij een oogwenk begeren óók dit nieuwe heil, dit nieuwe geloof deelachtig te worden. Dan echter zullende oude vooroordelen zich weer in volle kracht verheffen, de hoogmoed zal zich oprichten en het ongeloof aan het menselijk hart en de liefde tot het lagere zelf zal weer opstaan door het bloed en alles zal schijnen als te voren. Maar iets zal anders geworden zijn in de verhouding der krachten: bij de onzen zullen moed en overtuiging en offervaardigheid zijn gegroeid; bij die anderen zal het vertrouwen in de rechtvaardigheid van hun zaak en in het recht met geweld een levenswil tegen te houden, die zulke gestalten in leven en sterven heeft geïnspireerd, dieper ondermijnd zijn dan te voren. Wij zullen zedelijk sterker, zij zedelijk zwakker geworden zijn.
Als een vlijmende smart schiet in deze weken telkens door ons heen de gedachte aan het gruwelijk noodlot, dat Karl en Rosa verdierf, aan hun eenzame, wrede dood. Afschuwelijk schijnt het, dat het aller teerste en schoonste, het meest zuivere en edel-menselijke door de macht van het aller-onmenselijkste onderging, dat het hoogste vernietigd werd door het meest brute en lage. Maar laat ons bedenken, dat de godheden der onderwereld ten allen tijde verzoend moesten worden door het offer van het reinste en heerlijkste dat leefde op aarde. Uit dat offer bloeide de antieke en de christelijke mythe omhoog. De communistische mythe, met zijn levenwekkende kracht, kan niet anders geboren worden dan uit het martelaarschap van de communistische heiligen.