Henriette Roland Holst-van der Schalk

Twee getuigenissen van bekeerden


Bron: De Nieuwe Tijd, 26e jaargang, 1921 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Van Lenin tot Stalin
De hogere macht van het communisme
Beginselen van het Communisme

Van overtuiging te veranderen, die verandering aan zichzelf te bekennen en openlijk te doen blijken, is voor de mens van rijpere leeftijd, om het even tot welke klasse hij behoort, een zeer moeilijk proces waartoe niet velen in staat zijn. Een overtuiging toch vormt zich, doordat een mens geruime tijd zijn aandacht voornamelijk of uitsluitend schenkt aan bepaalde seriën van feiten en verschijnselen onder de tallozen die te samen de werkelijkheid vormen, en dat hij deze feiten en verschijnselen onder een zeker licht en van een zekere gezichtshoek uit beziet. Naarmate hij dit langer gedaan heeft, wordt hij minder in staat, zowel om zijn oplettendheid op andere verschijnselen te richten als om degenen, die voor hem het belangrijkst zijn, te stellen onder een nieuw licht. De ontelbare indrukken die hij kreeg en die zich allengs in hem tot meningen en beginselen verhardden, hebben als het ware om zijn bewustzijn een korst gevormd, waardoor geen nieuwe, onwelgevallige, indrukken dit kunnen binnendringen. Zijn onderbewustzijn weert deze af, omdat zij hem verwarring, onrust en onvrede zouden brengen.

Deze psychologische wet verklaart de onbevangenheid van de jeugd en de bevangenheid van de rijpere leeftijd. Zij maakt begrijpelijk waarom, wanneer in een tijd van grote maatschappelijke verandering miljoenen nieuwe feiten, nieuwe verschijnselen op de mensen afkomen (en dit geldt óók voor de mensen van één klasse) de jeugd de betekenis daarvan het eerst erkent en de geestdriftige draagster wordt van de nieuwe levensinzichten, terwijl diezelfde verschijnselen aan de ouderen op onbegrijpelijke wijze voorbij schijnen te gaan.

Uit deze onmacht der meeste mensen, die hun jeugd achter zich hebben gelaten, om nieuwe indrukken op te nemen en te verwerken, moet ook het feit verklaard worden dat in onze dagen zoveel eerlijke arbeiders en proletarische intellectuelen in een vijandelijke houding tegen het communisme volharden, ondanks het feit dat hun klassebelang met de doeleinden daarvan samenvalt. Een wijze van beschouwen, sedert lange jaren in hen gekristalliseerd; denkbeelden over vrijheid en dwang, over geweld en verdrukking, over geleidelijke ontwikkeling en gewelddadige omkeer, over wettelijkheid en democratie – kortom het gehele gedachtecomplex dat het liberalisme, de sociaaldemocratie en het anarchisme gemeen hadden in het tijdperk dat ten einde ging – zijn in hen verstard en gestold: hun bewustzijn is een harde klomp geworden waar alle nieuwe verschijnselen tegen afketsen.

Gelukkig verliezen niet alle mensen, ouder wordend, elk plastisch vermogen, evenmin als alle mensen, ouder wordend, in ernstige mate aan arteriosclerose gaan lijden. Er zijn er die hun frisheid behouden, die in staat blijven nieuwe verschijnselen op te merken, te verwerken en onder de invloed daarvan hun levensbeschouwing te veranderen. Er zijn oudere sociaaldemocraten en anarchisten, die door de feiten der laatste jaren, langs dit proces van aandachtige oplettendheid, verwerking en generalisering tot het communisme bekeerd zijn geworden en hiervan in het openbaar getuigd hebben. Twee dergelijke getuigenissen van “bekeerden”, in de laatste weken door de buitenlandse partijpers meegedeeld, en opmerkelijk om de mannelijke ernst, de zuiverheid en waarachtigheid die van hen uitstraalt, komen mij belangrijk genoeg voor, om hen te brengen onder de aandacht der lezers van de Nieuwen Tijd. zoals zeer natuurlijk is, stammen zij beide uit Rusland. Daar toch openbaren zich de nieuwe krachten-des-levens het sterkst en veelvuldigst; daar zijn zij het eerst in staat, om ook een diep ingewortelde, in het daadwerkelijk zijn verankerde levensbeschouwing omver te werpen; daar komt, onder de invloed van de ontzaglijke veranderingen in het maatschappelijk leven, het snelst een nieuwe visie op van het innerlijk oog en vervormt zich het nog bewegelijke, plastische bewustzijn.

De eerste getuigenis die ik wil mededelen is die van de Russische libertaire anarchist V. Kibaltchiche, in Frankrijk, waar hij lange tijd gewoond heeft en in de arbeidersbeweging werkzaam is geweest, bekend onder de naam Victor Serge.

In een door de Vie Ouvrière van 31 dec. gepubliceerde brief aan een der leiders van de Franse anarchisten[1] kritiseert Kibaltchiche de houding van het anarchistische blad Le Libertaire en getuigt hij tegenover zijn oude kameraden van zijn veranderde levens- en wereldbeschouwing. “Toen ik verleden zomer”, aldus Kibaltchiche, “enige nummers van Libertaire doorlas, kreeg ik een wonderlijke indruk, 1910? 1915? 1920? Ja: deze nummers waren werkelijk van 1920, maar de geest, de toon, de ideeën, zelfs de uitdrukkingen herinnerden aan de Libertaire van 1910 waarvan ik een getrouw lezer was en waaraan ik nu en dan meewerkte...

Het anarchisme mag echter naar mij dunkt, niet verstarren. Het erkent geen tradities, het is dynamisch en niet statisch. Is het mogelijk dat de anarchistische concepties na de wereldoorlog en de Russische Revolutie, onveranderd blijven? Ik durf zeggen van neen. En de kameraden die zich vastklampen aan de formules van eertijds lopen kans, morgen ten achter te komen bij de gebeurtenissen, – zo zij dat niet reeds heden zijn – met andere woorden, bewust of onbewust in hun taak te falen. In Rusland is dit reeds op tragische wijze geschied.

Ik houd de anarchistische gedachte en de anarchistische energie voor waardevol; ik geloof dat het anarchisme een grootse en weldadige taak te vervullen heeft in de revolutionaire eeuw die begint. Maar ik aarzel niet te zeggen, dat het traditionele anarchisme die taak niet vervullen kan. Men moet meegaan met het leven. De ervaringen der laatste jaren leggen ons de plicht op, onze concepten te herzien, en zij zullen uit deze proef sterker te voorschijn komen. Ieder woord moet opnieuw onderzocht worden. De Russische anarchisten van alle richtingen erkennen dit heden eenstemmig. Hun beweging is in elkaar gestort, na ontzaglijke diensten aan de revolutie bewezen te hebben en haar vele helden te hebben gegeven.

Sommigen zijn lid geworden van de Communistische Partij; anderen, (sovjetisten, labouristen, syndicalisten, universalisten) werken buiten de partij voor het communistisch program. Nog anderen, en zij zijn talrijk, nemen een kritische houding aan; zij vereenzelvigen zich somtijds met de mensjewieken en de soc. revolutionairen. Een vierde categorie heeft met de wapens in de hand de dictatuur van het proletariaat bestreden in het zelfde ogenblik dat Denikin en Joedenitsch dreigden de gehele Russische Revolutie te vermorzelen en de revolutionairen van alle gading te doden. In het kort: de meest volslagen verwarring in ideologisch, zedelijk en praktisch opzicht. Dit is onuitsprekelijk droevig. Niet alleen zijn waardevolle energieën verloren gegaan, maar bovendien verhindert deze verwarring de anarchisten invloed uit te oefenen, een invloed die aan de grote communistische beweging tot zegen gestrekt zou hebben.

Wat mij aangaat, ofschoon altijd verder zoekend, ben ik tot een besluit gekomen: ik ben communist. Het communisme, vergeet het niet, is tegen de staat, dat wil zeggen, het is vrijheidlievend (libertair) in zijn doeleinden. Het aanvaardt de staat (dwang, centralisatie, het leger enz.) enkel als een wapen in de strijd tegen de oude wereld. Juist zoals de revolutionair, die in laatste instantie strijdt voor het menselijk leven, het gebruik van de browningrevolver aanvaardt. Ik ben overtuigd dat strijders, aan wie het vraagstuk van de actie zich in de praktijk opdringt, noodzakelijk, en om het even wat hun abstract beginsel ook zij, bij de communistische concepties zullen belanden. Wie wil dat de revolutie overwint, moet ook de organisatie willen, die tot de overwinning nodig is, de toepassing van geweld – en elk geweld is dictatoriaal – de centralisatie, nodig tot de gewettigde zelfverdediging, het gebruik van het gezag om het gezag te doden. Strijders die de strijd zouden beginnen zonder dit alles bij voorbaat te weten, zouden onherroepelijk de nederlaag lijden. En de nederlaag – dat is de dood.

Sedert anderhalf jaar ga ik de loop der gebeurtenissen in Rusland nauwlettend na; alles grijpt met onverbiddelijke logica in elkaar. De revolutie oefent de terreur uit, zij heeft een machtig leger, een sterke partij, zij treedt op met dictatoriale macht, en door dit alles leeft zij. Op straffe van onder te gaan is zij geworden wat zij nu is. Zou de vrijheidslievende socialist die dit wetend, ter wille van de “zuiverheid van zijn beginselen” buiten de actie bleef staan, nog een revolutionair zijn? O neen, dat zou hij niet. Meer dan een heeft tot zich zelf gezegd, evenals ik zo is de werkelijkheid, de wet van het leven. Het zij zo. Ik aanvaard alles wat nodig is. Op het historisch ogenblik, dat de toekomst het offer eist van gehele generaties, zal ik niet weigeren, mijn persoonlijke voorkeur te offeren. Ik zal alles doen wat nodig is – maar zonder het bewustzijn van het doel te verliezen: het vrije Individu in de vrije Gemeenschap; zonder op te houden volgens mijn anarchistisch beginsel te leven, (het gezag enkel duldend of uitoefenend uit noodzaak, en zo min mogelijk) zonder op te houden de anarchistische, dat is ook de communistische zedenleer toe te passen, in één woord: ik zal voortgaan met naar mijn beste krachten te werken voor de vrije maatschappij van morgen.

Indien alle vrijheidslievende socialisten, zó denkend, eerlijk en loyaal deelnamen aan de communistische beweging, dan zou reeds het feit van die deelneming het gevaar van het staatssocialisme verminderen en de slechte invloed die de uitoefening van het gezag op de strijders heeft beperken. Hun invloed in de organisatie der productie zou groot zijn en de toekomst van hun ideeën verzekerd. Het communisme – zelfs in zijn gecentraliseerde vorm (forme étatiste) – bezorgt aan de eenlingen meer welvaart en meer vrije tijd dan welke andere sociale organisatie van onze dagen ook, wat tevens betekent, meer vrijheid. En deze is het, waaruit de nieuwe mens geboren zal worden.”

Aan het slot van zijn brief drukt Kibaltchiche zijn geestverwanten in Frankrijk nadrukkelijk op het hart, om zonder voorbehoud voor het Rode Rusland te zijn, omdat het Rode Rusland enkel tot die prijs kan leven. Hij erkent dat het land niet alleen materieel in een vreselijke toestand verkeert, maar ook moreel veel heeft geleden. Enkel de onafgebroken, actieve sympathie van de revolutionaire strijders van alle landen kan Sovjet-Rusland in staat stellen, zich vredig te organiseren. “Laat allen bedenken dat haar zegepraal die is van de Toekomst der Mensheid en dat haar nederlaag het sein zou geven tot een bloedige wereldramp, gevolgd door een eeuw van reactie. Het is thans niet het uur, haar zonden breed uit te meten.”

Gulden woorden van een strijder; woorden – men voelt het met onmiskenbare zekerheid aan de klank, het ritme der volzinnen – allen zwaar van innerlijke ervaring, van doorproefde werkelijkheid, van doorleden en doorstreden overtuiging. Konden slechts alle syndicalisten, vrije socialisten en christen-socialisten van Nederland, die woorden in zich opnemen en overdenken! Hoe velen van hen hebben waarlijk beproefd, de oude leuzen opnieuw te ontleden, de oude levenswaarden te toetsen aan de standaard der nieuwe feiten, der nieuwe noodzakelijkheden, der nieuwe werkelijkheid? Hoeveel van hen hebben innerlijk geworsteld om de “onverbiddelijke logica” der revolutionaire ontwikkeling te begrijpen? Gebrek aan medegevoel, aan fantasie, aan plastisch denkvermogen belet hen zich in te denken en in te voelen in de geestelijk-sociale sfeer van revolutie en burgeroorlog. Het onvermoeide, onafgebroken geraas der burgerlijk-sociaaldemocratische leugenpers verdooft hun brein, overstemt de zwakke, schuchtere kindergeluiden van hun proletarisch klassegevoel. De tot dogma’s gestolde begrippen sluiten hen af van de onstuimige, bevrijdende golfslag van het Grote Leven. En in plaats van ruiterlijk te bekennen hoe het kleinburgerlijke, kleinzelfzuchtige, kleinangstige en voorzichtige gevoelens zijn – het grauwe schepsel in hen, om met Gorki te spreken – die de revolutie vrezen en haten, gaan zij, in hovaardig zelfbedrog, nog prat op hun erbarmelijke gezindheid. Zij zijn vrijheidlievend, zij zijn pacifistisch, zij willen geen dwang uitoefenen en geen bloed vergieten, zij willen enkel het socialisme, zo het op vredige, geleidelijke wijze tot stand komen kan. Zij willen het kind zonder de baring, zonder de weeën en het bloed en de scheuring, van elke geboorte onafscheidelijk.

De tweede getuigenis waarop ik de aandacht wil vestigen, is een brief van de mensjewistische leider J. Maisky, oud-minister van arbeid in de coalitieregering van het Kerenski-tijdperk en oud-lid der regering van de Oeral. Deze brief, die door Maisky zelf aan de Moskouse Pravda werd gezonden, en in de Bulletin Communiste van 6 jan. ’21 te vinden is, luidt in vertaling als volgt:

“Sinds 1903 tot de mensjewistische vleugel van de sociaaldemocratie behorende, ondersteunde ik gedurende de eerste periode van de tegenwoordige revolutie de door de mensjewistische partij gevolgde politiek. Met mijn partij beschouwde ik de revolutie als een sociale hervorming van burgerlijk-democratisch karakter. Met mijn partij achtte ik het doel van de revolutie bereikt door de vorming van de Constituante, die Rusland moest omzetten in een democratische republiek van reformistisch socialistisch type. Na de Novemberrevolutie heb ik mij, alweer met mijn partij, in de strijd gewikkeld tegen de Sovjetmacht en in de herfst van 1918 nam ik als minister van arbeid deel aan de regering van het Comité van de leden der Constituante.

De val van dit Comité en de komst van de Koltsjak-reactie in Siberië tegen het einde van 1918, bracht een geweldige slag toe aan de zaak, die ik nastreefde en van welker juistheid ik zo lang en zo onwankelbaar overtuigd was en vanaf dit ogenblik komt er een radicale wijziging in mijn politieke ideeën. Daar ik mij gedurende de laatste twee jaren buiten alle politiek gehouden heb en de meeste tijd buiten Rusland doorbracht (ik heb 17 maanden in Mongolië doorgebracht aan het hoofd van een expeditie, die door het Centraal Comité der vakverenigingen was uitgezonden om de economische toestand van dit land te bestuderen), was het mij mogelijk de grote gebeurtenissen van de laatste tijd, die zich in Europa en Rusland afspeelden, als getuige aan te zien; het was mij eveneens mogelijk in stilte en zonder opwinding de politiek te waarderen, die ik vroeger verdedigd had en die ik nog aanhing. De consequenties, waartoe mijn gedachtegang geleid heeft, kunnen in grote trekken als volgt verklaard worden:

Bij het begin van de wereldoorlog geraakte de gehele beschaafde mensheid in het actief overgangstijdperk van het kapitalisme naar het socialisme. De kracht en de hoofdgedachte van de 20ste eeuw is de sociale gedachte die de nationale gedachte vervangt, welke ten tijde van de grote Franse Revolutie en in de loop van het grootste deel der 19e eeuw heerst.

Onder deze omstandigheden moet iedere zich in deze tijd voltrekkende revolutie een absoluut socialistisch karakter dragen, zelfs in het geval waarin al de noodzakelijke mogelijkheden afwezig zijn voor het volledig succes der socialistische revolutie.

Daarom werd de Russische Revolutie gedurende haar ontwikkeling onvermijdelijk en metterdaad voor socialistische vraagstukken gesteld en moest met een in de geschiedenis ongekende stoutmoedigheid de beslissende poging doen om deze vraagstukken op te lossen, terwijl zij gewikkeld was in een wanhopige strijd tegen de internationale reactie van de imperialistische bourgeoisie, die de Revolutie aan alle kanten aanviel.

Vele ernstige critici zien in de manieren van verwerkelijking van deze hoofddoeleinden grote fouten, overdrijvingen en onregelmatigheden; maar niemand met een gezond socialistisch verstand kan ontkennen dat de poging zelve tot nationalisatie van het economisch leven van Rusland in volmaakte overeenstemming is met de wetten der geschiedenis. Slechts door middel van de stapsgewijze ontwikkeling en de proefnemingen in het kleine kan men zich werkelijk rekenschap geven van de grenzen die heden ten dage het rijk der bestaande mogelijkheden van de utopie scheiden. Maar het op de dagorde plaatsen van de socialistische problemen kan niet zonder zekere juiste politieke gevolgtrekkingen plaats hebben. De praktische verwerkelijking van deze problemen is blijkbaar alleen mogelijk in het geval dat de regeringsmacht zich in handen bezit van de elementen, die deze socialistische grondslagen goedkeuren; de logische, onvermijdelijke gevolgtrekking is dus dat de politieke dictatuur van het proletariaat en van het arbeidende volk in het algemeen onmisbaar is als een voorafgaande toestand om tot verwerkelijking van het nationale economische volksleven te geraken. Het doet er betrekkelijk weinig toe te weten op welke manier deze dictatuur verwezenlijkt zal worden. Er is echter wel reden voor om te onderstellen dat de “sovjetvorm” van de dictatuur de minst slechte zal blijken te zijn. Met andere vergeleken, bv. met de dictatuur der jacobijnenclubs tijdens de grote Franse Revolutie, schijnt zij oneindig beter. Vanuit dit gezichtspunt wordt het zeer duidelijk dat de hele mensjewistische politiek, die in maart 1917 ingezet werd, radicaal verkeerd is. Daarom heeft de Mensjewistische Partij gedurende de Revolutie een even volledige als onherstelbare nederlaag geleden. Daartegen blijkt het, vanuit hetzelfde gezichtspunt, absoluut onbetwistbaar dat de politiek der bolsjewieken juist geweest is en dat daarom ook de Communistische Partij, ondanks fouten en vergissingen, in de loop der Revolutie, een geweldige kracht en de draagster en de incarnatie van de Revolutie zelve geworden is.

Nu ik tot deze gevolgtrekkingen gekomen ben spreekt het vanzelf dat ik niet kan blijven wat ik tot nu toe geweest ben.

Het mensjewisme, zijn politiek gezichtspunt, zijn tactiek en zijn psychologie zijn mij geheel vreemd geworden. Ik heb begrepen en ik heb gevoeld, dat, welke ook de einduitkomst van de Revolutie moge zijn, het de plicht is van iedere waarachtige socialist zijn lot te verbinden aan dat van de grote universele en waarlijk historische proefnemingen om het socialisme te verwezenlijken die thans in Rusland genomen worden; het is zijn plicht zich bij de massa’s te scharen die de heroïsche strijd voeren voor de stichting van een regime van werkelijke gelijkheid en vrijheid, met hen de vreugde en smart te delen die haar tegenwoordig lot zijn, met de massa in haar onweerstaanbare voorwaartse beweging al de fouten en al haar gedwongen en ongedwongen overdrijvingen mee te leven.

Toen ik mij nog in Centraal-Azië bevond, was het mij niet mogelijk aan de nieuwe gevoelens en nieuwe zienswijzen, die als resultaat van politiek geestelijke ontwikkeling over mij gekomen zijn, uiting te geven. Thans echter, bij gelegenheid van mijn terugkomst in Rusland reken ik het mij tot plicht om al mijn krachten en al mijn energie aan een af ander nuttig werk te geven tot de bevestiging van de Sovjetrepubliek.
Met broederlijke groet,
J. Maisky


Het is opmerkelijk dat Maisky op geheel andere wijze en langs een geheel andere weg tot de aanvaarding van het communisme is gekomen, dan Kibaltchiche. Deze laatste werd overtuigd door het nauwlettend volgen van de dagelijkse praktijk. De “onverbiddelijke logica der revolutionaire ontwikkeling” deed hem inzien, dat hij moest kiezen tussen het socialisme en zijn persoonlijke voorkeur.

Maïsky daarentegen had juist afstand nodig; hij zag de verschijnselen der stormachtige en verwarde ontwikkeling pas tot een algemeen beeld zich samenvoegen toen hij het terrein van de felle strijd tussen revolutie en contrarevolutie gedurende enige tijd had verlaten. Door zijn verblijf in Mongolië vond hij de kracht, de vooroordelen van de partijaanvoerder in zichzelf te overwinnen en de sociale omwenteling, gelijk zij zich in Rusland voltrekt, te begrijpen als een grote schrede vooruit tot de bevrijding der mensheid.

Bekeringen van Maisky’s zijn uit de aard der zaak zeldzamer dan van Kibaltchiche’s, doordat het voor de reformistische sociaaldemocraat oneindig moeilijker is zijn voelen en denken in een nieuw spoor te tillen dan voor de strijdbare anarchist en de syndicalist. Deze beiden toch zijn met het communisme, dat is: met het revolutionaire marxisme in het tijdperk van de sociale revolutie, in het meest essentiële één. Zij zijn er één mee in hun absolute vijandigheid tegen de burgerlijke staat en de burgerlijke maatschappij, in hun overtuiging dat enkel uit de strijd van het proletariaat het socialisme worden kan. Die strijd, en de vernietiging van de tegenstander, te willen zonder behoorlijke machtsvorming en zonder het gebruik van de macht – het is zo onlogisch, dat de anarchist of de syndicalist die eerlijk en onverschrokken denkt, moet eindigen met zijn meningen over centralisatie, dwang, leger enz. op te geven, als posities, die geheel buiten zijn verdedigingsgordel liggen.

Het reformisme daarentegen staat in zijn geheel, als beginsel en als methode, tegenover het communisme. Het belichaamt verwachtingen, illusies, voorstellingen en denkbeelden, ontstaan in het tijdperk dat voorafging aan de opkomst en de overheersing van het imperialisme, denkbeelden sedert jaren achterhaald door de werkelijkheid. Zijn diepste grondslag is het geloof aan de geleidelijke ontwikkeling, die het geloof inhoudt van de samenwerking der klassen en de dictatuur van het proletariaat met haar onverbiddelijke consequenties als een nodeloos, en daarom verdoemenswaardig exces verwerpt en verafschuwt. Wie haar, de dictatuur, begrijpt als noodzakelijke voorwaarde tot de schepping van nieuwe arbeids- en levensvoorwaarden voor de arbeidersklasse, voorwaarden tot de economische, sociale en geestelijke bevrijding en verheffing, waaruit alléén het socialisme geboren kan worden, die moge kritisch staan tegenover bepaalde maatregelen of daden van een bepaald revolutionair bewind: de algemene praktijk van het strijdend communisme heeft zijn instemming en hij zal zijn weg vinden tot de scheppers en bouwers van het nieuwe leven. Dit zien wij aan Maisky. Wie daarentegen in het burgerlijk denken zozeer verstard is, dat hij de dictatuur en haar logische gevolgtrekkingen afwijst, die zal misschien opzichzelfstaande pogingen en daden van de revolutionaire voorhoede kunnen waarderen, maar hij zal ten slotte toch terugschrikken voor de onverbiddelijke logica der wereldrevolutie, voor de nationale en internationale centralisatie der krachten, de dwang en het geweld die zij niet kan ontberen, en bij de contrarevolutie eindigen. Dit bewijst thans in ons eigen land, op bijzonder droevige wijze, de definitieve reactionaire wending van Van der Goes.

_______________
[1] Een tweede brief van Kibaltchiche aan de Franse anarchisten, die uiterst waardevolle gegevens over de anarchistische beweging in Rusland bevat, zal weldra in de N.T. in vertaling verschijnen.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS