Antoon Roosens

Deregulering en mondialisering van de kapitaalmarkt



Geschreven: 1996
Bron: VMT - Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 4, december 1996, jg. 30
Vertaling: geen
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, december 2007


De deregulering en mondialisering van de kapitaalmarkt, doorgevoerd in de jaren 1980, heeft verrassend weinig aandacht genoten vanwege de marxistische theoretici. François Chesnais, in zijn meesterlijk basiswerk La mondialisation du capital [1], heeft als eerste de nadruk gelegd op het verband tussen deze mondialisering van het financieel kapitaal en de mondialisering van het productief kapitaal. Hij stelt terecht dat de mondialisering van de kapitaalmarkt een voorwaarde was voor de mondialisering van de grootindustrie.

In deze bijdrage willen wij de deregulering en mondialisering van de kapitaalmarkt situeren tegen de achtergrond van de versnelling van de technologische innovatie sinds de laatste wereldoorlog en van de monetaire crisis van de jaren 1970. Het zal o.i. blijken dat deze operatie niet alleen een noodzakelijke voorwaarde was voor het tot stand komen van een net van mondiale industriële oligopolies, maar ook een noodzakelijke ingreep om het voortbestaan van het kapitalistische systeem, als historische vorm van kapitaalaccumulatie, te verzekeren.

De naoorlogse decennia waren gekenmerkt door een langdurige economische expansie, tijdens dewelke het industrieel kapitaal geleidelijk de territoriale begrenzing van de nationale markten begon te doorbreken in de vorm van multinationale, of beter “multi-territoriale” ondernemingen. Naast de opdeling van de economie in afgescheiden nationale systemen, in onderlinge concurrentie op een wereldmarkt, was dit tijdperk vooral gekenmerkt door een vrij gesofistikeerde regulatie van de economische activiteit binnen elke natie afzonderlijk. Het “fordisme” [Arbeid opgedeeld in eenvoudige handelingen aan de lopende band om meer productie te maken. Ingevoerd door Henry Ford (1863-1947) in zijn autofabriek] en de keynesiaanse [Brits econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Economische theorie dat volledige werkgelegenheid wordt bereikt door regelen van de begrotingen in de overheidsuitgaven, belastingen en rente] politiek van volledige tewerkstelling vormden een krachtenkoppel, waarmee de nationale overheden erin slaagden een lange periode van vrij evenwichtige groei, en vooral een historisch ongeëvenaarde expansie van de volkswelvaart, in stand te houden.

Rond het begin van de jaren 1970 waren de mogelijkheden van deze expansie echter uitgeput. De vroegere “multi-territoriale” ondernemingen waren, in de loop van de jaren 1960, begonnen aan hun langzame transformatie tot mondiale oligopolies. De lineair stijgende behoeften aan kapitaalinvesteringen, die met deze transformatie gepaard ging, leidde tot een internationale monetaire crisis die uitmondde op de ineenstorting van het muntstelsel van Bretton-Woods [Internationale overeenkomst gesloten in 1944 met doel het monetaire verkeer te regelen, waarbij het Internationaal Munt Fonds (IMF) en de Wereldbank werden opgericht]. Het werd spoedig duidelijk dat de voortzetting van de verruimde reproductie en accumulatie van kapitaal, binnen het industrieel-kapitalistisch productieproces, niet langer mogelijk was binnen het dubbel begrensde kader van, enerzijds, nationale markten en, anderzijds, democratisch gereguleerde economieën.

1. De exponentiële groei van de kapitaal behoeften, vanaf 1960

De steil toenemende behoefte van de grootindustrie aan steeds ruimere financiële middelen vloeide voort uit verschillende oorzaken, die alle verbonden waren met een versnelling van de evolutie van wetenschap en techniek, en de daarmee gepaard gaande overgang van een nationaal naar een mondiaal industrieel productieproces.

1.1. De kost van de technologische innovatie

Daar waren, vooreerst, de stijgende kosten van de steeds versnellende technologische innovatie zelf. Met de evolutie naar mondiale oligopolies verdween de rol van de prijsconcurrentie als voornaamste instrument voor de verovering en het behoud van een bepaalde marktpositie. Deze rol wordt meer en meer overgenomen door de technologische rivaliteit. Markten worden voortaan niet zozeer meer veroverd en behouden worden door een zelfde product van de concurrent tegen een lagere prijs aan te bieden, maar wel door een ander, technisch meer gesofistikeerd product, meestal tegen een hogere prijs, op de markt te brengen. Daardoor wordt het (eventueel goedkopere, maar) “verouderde” product van de rivaal uit de markt verdrongen, en komt een (tijdelijke) monopoliepositie tot stand voor de producent van het “nieuwe” product.

Deze evolutie was mede het gevolg van het feit dat de mondiale groepen — in tegenstelling tot de nationale of vroeger zuiver “multiterritoriale” ondernemingen, nu alle zijn ingeplant in de drie polen van de Triade (Noord-Amerika, West-Europa en Oost-Azië) en zij aldus hun rivalen de veilige basis van een eigen (beschermde) thuismarkt kunnen betwisten. Vandaar de noodzaak van de permanente “vlucht vooruit” in nieuwe technologieën (waarvan het sociaal gebruiksnut steeds marginaler wordt).

Het eerste resultaat van deze overgang was een explosie van de kosten van Onderzoek & Ontwikkeling. Waar, sinds de tweede wereldoorlog, het wetenschappelijk onderzoek in de eerste plaats werd georganiseerd en gefinancierd door de nationale staat — het concurrentie-instrument bij uitstek van het nationaal kapitalisme — waren de mondiale groepen nu verplicht dit onderzoek te “internaliseren” of in te bouwen in hun eigen bedrijfsstructuur, en dus zelf te bekostigen.

Daaruit volgde meteen een versnelling van de technologische innovatie. De termijn tussen de “uitvinding” of de uitwerking van de nieuwe techniek, en de toepassing ervan in de productie, wordt steeds korter.

Deze versnelling leidde dan opnieuw tot steeds kortere afschrijvingstermijnen van het vast kapitaal. Hele machineparken gaan naar de schroothoop lang voor het verstrijken van hun fysieke overlevingsduur.

Heel deze ontwikkeling vormt de bron van een permanent groeiende behoefte aan steeds grotere kapitaalinvesteringen. Globale statistische gegevens hieromtrent ontbreken. Maar de voorbeelden van de astronomische kost van de hedendaagse ontwikkeling van nieuwe producten en procédés zijn legio en liggen als het ware voor het rapen in de dagelijkse pers.

Terloops weze opgemerkt dat deze permanente technologische innovatie tot het wezen zelf van het gemondialiseerde kapitalisme behoort, en dus een onoverkoombare barrière vormt voor de overschakeling naar een “duurzame economie” waar de Groenen van dromen.

1.2. De kost van de uitbouw en het behoud van een mondiale positie

Zoals hoger reeds vermeld, gaat de mondialisering van de hoogtechnologische nijverheid gepaard met de inplanting van (nieuwe) productie-eenheden door deze groepen in elk van de drie polen van de Triade. Of deze inplanting nu de vorm aanneemt van een directe investering in een nieuw productieapparaat, dan wel de vorm van de verwerving van een beslissende kapitaalparticipatie in een reeds bestaande onderneming, is alleen statistisch van belang. De omvang van de internationale kapitaalstromen voor directe investeringen kan men o.m. terugvinden in de cijfers verstrekt door de Bank voor Internationale Betalingen. Terwijl de middelen voor het verwerven van een meerderheidsparticipatie of een complete “take-over” meestal statistisch onzichtbaar blijven: het is dikwijls een eenvoudige beursoperatie.

Uit de statistieken blijkt dan dat de directe investeringen in het buitenland tussen 1975 en 1989 gestegen zijn van index 100 tot ruim 750. De totale waarde ervan bedroeg in 1989 de som van 1.403 miljard dollar[2]. In 1995 bedroegen de nieuwe investeringen in het buitenland 315 miljard dollar.

Voor de kosten van de nooit stilstaande beweging van overname, fusie en opslorping van bestaande ondernemingen is men aangewezen op de meestal fragmentaire gegevens van de gespecialiseerde en/of internationale pers. Volgens de International Herald Tribune (29.1.96) bedroeg de totale prijs betaald voor de “mergers en acquisitions” in 1995, op de interne markt van de VSA alléén, ongeveer 800 miljard dollar, terwijl de “cross-border” overnamen van de Amerikaanse groepen tot ongeveer 229 miljard dollar opliepen. Alléén al in de tak van de informatietechnologie werd in 1955 voor 134 miljard dollar aan overnameprijzen betaald. Een ruwe schatting laat toe als vuistregel te stellen dat de kapitalen, vereist voor deze take-overs alléén, ongeveer de totale kost benaderen van de sociale zekerheid van de 24 OESO-landen samen!

Deze voortdurende “herschikking” van het bestaande productieapparaat gebeurt zowel tussen de mondiale groepen onderling — die een volledige productieafdeling afstoten zodra een rivaal een technologische voorsprong dreigt te verwerven in die bepaalde sector — als tussen elke grote groep afzonderlijk en een van de steeds opduikende, potentiële “indringers” in de oligopole sector. Zodra een klein of middelgroot bedrijf, waar ook ter wereld, een nieuwe technologie heeft ontwikkeld die de marktpositie van de oligopolies zou kunnen bedreigen, of een voorsprong zou kunnen geven aan een rivaal indien zij in diens handen vallen, wordt de kleine opgeslokt door een Goliath. De voorbeelden hiervan zijn bijna dagelijkse kost, ook bij ons in Vlaanderen.

1.3. De financiële impasse van het mondiaal kapitalisme

Om een idee te geven van de omvang van de financieringsproblemen, gesteld door de mondialisering van de technologische nijverheid, volgen hier enkele referentiepunten.

De totale reserves van alle centrale banken ter wereld samen bedroegen in 1967 de som van 67 miljard dollar. De interne geldvoorraad van de VSA bedroeg in 1966 de som van 180,3 miljard dollar (M2), terwijl het volume aan dollars op de ontluikende Eurodollarmarkt in 1960 werd geschat op 60 miljard. Tezamen zowat 240 miljard dollar in circulatie, waar tot in de jaren 1980 de Amerikaanse dollar zoniet de enige, dan toch veruit de voornaamste munt was, waarin de internationale transacties werden geregeld[3].

Vanaf het einde van de zestiger jaren werd het kapitalisme, in zijn overgang van nationaal naar mondiaal productieproces, geconfronteerd met een zwaar structureel probleem: het schreeuwend tekort aan liquiditeiten (financieel kapitaal) om de cyclus van verruimde reproductie en kapitaalaccumulatie te kunnen bestendigen.

Dit probleem werd verscherpt doordat de basis van de kapitaalaccumulatie, binnen het kapitalistisch productieproces zelf, geleidelijk smaller werd onder invloed van de technologische evolutie. Immers, elke technische vooruitgang gaat steeds gepaard met een verhoging van de productiviteit. Vanaf een bepaald niveau, dat rond 1975 duidelijk was bereikt en overschreden, kan een verdere technologische vooruitgang alléén nog leiden tot een uitstoting van arbeidskrachten uit de kapitalistische productiesector als geheel. Aangezien alleen de “levende arbeid” waarde produceert, en dus ook meerwaarde, versmalde de basis van kapitaalaccumulatie voortdurend.

Om een dreigende implosie van het kapitalistisch systeem te voorkomen, werd in een eerste fase besloten tot een drastische verhoging van de creatie van nieuwe internationale liquiditeiten. Pas in een tweede fase, in de jaren 1980, wordt gegrepen naar een “beter” redmiddel: de organisatie van een reusachtig transfer van financiële middelen naar de hoogtechnologische nijverheid toe vanuit alle andere sectoren van de economie, en dit door middel van de deregulering[4].

2. De ongebreidelde creatie van nieuwe monetaire middelen

Voor de creatie van nieuwe monetaire middelen werden, in de jaren 1970, voornamelijk drie technieken aangewend: de hervorming van het internationaal muntstelsel, de invoering van de Speciale Trekkingsrechten op het IMF, en vooral de Eurodollarmarkt.

2.1. De hervorming van het internationaal muntstelsel

Sinds de akkoorden van Bretton-Woods van juli 1944 berustte het internationaal muntstelsel op de zgn. “gold-exchange”-standaard. De munt-pariteiten werden vastgelegd in verhouding tot de dollar, die alléén omwisselbaar was in goud tegen 35 dollar per ons. Elke centrale bank — behalve de Amerikaanse — was verplicht de vastgestelde dollarpariteit van haar munt te verdedigen binnen een fluctuatiemarge van 1 %. Dit gebeurde door haar reserves te gebruiken voor interventies op de wisselmarkt, ofwel ter ondersteuning van hun eigen munt wanneer deze daalde; ofwel ter ondersteuning van de dollar indien deze laatste daalde. Het waren dus de andere landen, en niet Amerika, die met hun reserves de goudpariteit van de dollar moesten verdedigen.

De aangroei van de liquiditeiten, vereist voor de groei van de internationale transacties (resultaat van de aan gang zijnde mondialisering van de hoogtechnologische nijverheid), kon in dat systeem alléén voortvloeien uit een toename van het volume aan dollars. De langdurige en steeds groeiende tekorten op de Amerikaanse betalingsbalans waren derhalve noodzakelijk voor de economische expansie van alle westerse landen, d.i. voor de verruimde reproductie van het kapitaal.

Doch in het bestaande systeem leidde deze excessieve muntcreatie in dollars tot een voortdurende erosie van de koopkracht van die munt. Deze erosie bleef verborgen, zolang de centrale banken van de andere landen bereid waren de overtollige dollars in hun reserves te bewaren tegen de officiële goudkoers van 35 dollars per ons. Wat dan weer aanleiding gaf tot een voortdurende transfer van rijkdom van deze landen naar de VS.

De bom barstte toen het Frankrijk van De Gaulle besloot de omwisseling te eisen van de dollars, opgestapeld in de Banque de France, en dat in goud, tegen de economisch irrealistische koers van 35 dollar per ons. Zodra de andere landen dit voorbeeld gingen volgen, moest dat binnen de kortste tijd leiden tot de volledige verdwijning van de Amerikaanse goudreserves van Fort Knox, en dus tot een catastrofale instorting van het monetair systeem.

Het is niet nodig hier al de peripetieën te beschrijven van deze dollarcrisis die aansleepte van 18 december 1971 (toen de dollar een eerste maal werd gedevalueerd tot 38 dollar per ons), tot 8 januari 1976 (toen het Kingston-akkoord het officiële einde van het systeem van Bretton-Woods bezegelde). De vaste wisselkoersen werden vervangen door vlottende, en het goud werd “gedemonetiseerd”: geen enkel land mocht de pariteit van zijn munt nog vaststellen in goud. In dat nieuwe systeem kan een excessieve muntcreatie niet meer leiden tot een devaluatie, maar alleen nog tot een relatieve depreciatie of appreciatie van de ene munt tegenover de andere.

Voor deze uiteenzetting volstaat het als slotsom te onthouden, dat het huidige internationale muntsysteem toelaat het bedrag van de liquiditeiten op de internationale kapitaalmarkten te verhogen, zowel in dollars als in andere munten, zonder dat dit op zichzelf aanleiding moet geven tot een internationale muntcrisis. Wanneer alle grote munten samen hun koopkracht verliezen, op een nagenoeg gelijk ritme, gebeurt dit zonder schokken en blijft dit “onzichtbaar voor het blote oog”. Is het ritme van reële depreciëring ongelijk, dan zorgen de wisselmarkten, via vlottende koersen, voor een dagdagelijkse correctie. Ondertussen is de goudprijs gestegen van 35 dollar per ons tot ongeveer 390 dollar, wat een benaderende maatstaf is voor de algemene munterosie op 20 jaar!

2.2. De speciale trekkingsrechten

De speciale trekkingsrechten op het Internationaal Muntfonds werden ingevoerd op 28 juli 1968. Deze STR is een zuiver scripturale munt, gecreëerd “uit het niets”, maar die enkel bestemd is om opgenomen te worden in de reserves van de Centrale Banken waaraan zij worden toegekend. Door deze banken worden zij dan als basis gebruikt voor interne muntcreatie. Zij laten dus toe de muntcirculatie te vergroten, zonder dat daartegenover een toename hoeft te staan van de reserves aan goud of deviezen (dollars). Het doel was dus de druk op de dollar te verminderen.

Er is slechts éénmaal gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot uitgifte van deze STR, vermoedelijk om de reusachtige inflatie op wereldschaal, die spoedig volgde op de invoering van de vlottende wisselkoersen in 1976, niet verder aan te wakkeren.

2.3. De Eurodollar markt

Eurodollars (of Eurodeviezen) zijn dollars (of andere munten) die worden gedeponeerd bij een bank buiten het land van herkomst van die munt, zonder aldaar te worden omgezet in de nationale munt van het land van deposito. Deze deposito’s kwamen voor het eerst tot stand rond het einde van de jaren 1960 in de Londense City, waar de kapitaalcontrole minder streng was omdat de Britse regering de positie van Londen als leidend internationaal financieel centrum wou verdedigen. Vandaar de mogelijkheid — die niet bestond in andere landen — om in Londen deposito’s in vreemde munt aan te houden.

Zoals in andere landen was de Britse regering wèl bekommerd om de beheersing van de muntcreatie, doch alleen voor wat haar eigen munt betrof. De dollar was haar zorg niet. Zodoende konden de internationale zakenbanken, in Londen gevestigd, de aldaar gedeponeerde dollars gebruiken als basis voor kredietverlening, zonder gehinderd te worden door de beperkingen opgelegd aan de kredietverlening — en dus aan de muntcreatie door de banken — zowel door de Amerikaanse als door de Britse regeringen, elk aan hun eigen banken voor hun eigen munt[5].

De twee voornaamste vormen van geldopname op deze Eurodeviezenmarkt waren, tot omstreeks 1982, enerzijds de emissie van Euro-obligaties en, anderzijds en vooral, de gewone banklening, in vakjargon “syndicated loan” genoemd (consortiale banklening). Immers, gezien de krapte van de geldmarkt (gevolg van de wereldwijde financiële regulering, waarover verder), moest voor elke emissie- of leningsoperatie een consortium van banken, een associatie “ad hoc”, worden samengesteld. De geldopnemers op deze markt waren, voor ongeveer 30 %, regeringen en overheidsinstellingen, voornamelijk van de ontwikkelingslanden. Het leeuwenaandeel van deze nieuw gecreëerde liquiditeiten werd echter genomen door een beperkt aantal mondiale industrieel-financiële groepen. Zij alleen beschikten over de noodzakelijke “surface” om de vereiste “credit-rating” te bekomen bij één van de gespecialiseerde instellingen zoals Moody’s of Standard & Poor’s[6].

Het jaarlijkse volume van de emissies van Euro-obligaties steeg van 8,7 miljard dollar in 1973, tot 50,2 miljard in 1982; dat van de consortiale bankleningen nam toe van 20,8 miljard dollar in 1973 tot 98,2 miljard in 1982: een stijging van nagenoeg 500 % in tien jaar! Het totale volume van deze markt zal tegen 1990 oplopen tot 3.600 miljard dollar.

2.4. Een inflatoire muntcreatie ... en een nieuwe crisis

Al deze middelen, in de jaren 1970 in het werk gesteld om tegemoet te komen aan de exponentieel groeiende kapitaalbehoeften van de mondiale oligopolies, berustten essentieel op inflatoire muntcreatie. De pijlsnelle aangroei van de Eurodeviezenmarkt was hoofdzakelijk het resultaat van het ongeremde multiplicatoreffect van de internationale kredietverlening op basis van de Eurodeposito’s bij de banken.

Binnen elke natie zien de regeringen en de centrale banken erop toe dat de scripturale muntcreatie door de banken binnen de grenzen blijft van wat verenigbaar is met het behoud van de macro-economische evenwichten. Dit gebeurt o.m. door het opleggen van bepaalde reserveniveaus aan de banken, en de wijziging van de kortetermijnrente. Op de muntcreatie op de Eurodeviezenmarkt stond geen enkele rem. Dit is vermoedelijk mede te verklaren door het feit dat de munt, gecreëerd in het buitenland, niet in de berekening van de nationale geldvoorraad wordt opgenomen zolang zij niet te voorschijn komt als deposito bij een binnenlandse bank. Er verloopt dus een vrij ruime tijd vooraleer het inflatoir effect van de muntcreatie op de Eurodeviezenmarkt, meetbaar wordt in de nationale rekeningen. Doch vroeg of laat “the chickens come home to roost”. En de kapitaalmarkt heeft een onfeilbare neus voor de geringste dreiging van een monetair onevenwicht. Toch stelt zich de vraag, of de heersende klassen, belichaamd in een aantal supranationale instellingen zoals de G7 [Groep van de 7 rijkste industrielanden, nl.: Canada, Duitsland, Frankrijk, Groot-BrittanniŽ, ItaliŽ, Japan en VS. De G8 is de G7 plus Rusland], het IMF en de Wereldbank, deze toestand niet bewust uit de hand hebben laten lopen, eenvoudig omdat er toen geen alternatief financieringssysteem voor de industriële expansie bestond, en omdat elke beperking van de aangroei van de liquiditeiten op de internationale markt moest leiden tot een crisis in de kapitalistische cyclus van verruimde reproductie en kapitaalaccumulatie.

Hoe het ook zij, de economische realiteit zou spoedig voor zichzelf spreken, en de leiders van het westerse kapitalisme dwingen tot andere oplossingen.

Vanaf 1979 stelde men immers een forse stijging vast van de rentevoeten op de internationale kapitaalmarkten. De gemiddelde voet van de Libor (“London Interbank Offered Rate”, of rentevoet waaraan kredieten worden aangeboden op de interbanken-markt te Londen) steeg van 5,6 % in 1975, tot 12 % in 1979, om een piek te bereiken van 16,5 % in 1981. De “prime-rate” op de Amerikaanse kapitaalmarkt liep zelfs op tot 17,75 % in maart 1980.

Het hoeft geen betoog dat een dergelijk rentepeil dodend is, zeker voor een kapitalistisch productiesysteem. Het houdt immers een doorlopende vernietiging in van financieel kapitaal, tegen een ritme dat de mogelijkheid van nieuwe kapitaalaccumulatie overstijgt. Bovendien leidde deze rente-explosie tot de ongehoorde schuldencrisis van de ontwikkelingslanden. Deze hadden in de jaren 1970 zeer ruim gebruik gemaakt van de groeiende Eurodollarmarkt om grote investeringsprojecten te financieren. De onmogelijkheid om, tegen de opgelopen rentevoeten, de verschuldigde rentelasten samen met de kapitaalaflossingen te dragen, leidde op zijn beurt tot ernstige balansmoeilijkheden in de banksector, niet het minst in de VS. Een wereldwijde bankcrash lag in de kaarten.

Het mondiaal kapitalisme stond bijgevolg, begin van de tachtiger jaren, voor zijn tweede diepe crisis op tien jaar tijd. Er moest dringend een middel gevonden worden om in de steeds stijgende kapitaalbehoeften te voorzien, zonder zijn toevlucht te nemen tot verdere, inflatoire muntcreatie.

Het uur van de deregulering was geslagen!

3. De deregulering en mondialisering van de kapitaalmarkt

Voor een goed begrip van de deregulering, moet men uiteraard eerst enig inzicht hebben in de regulatie, zoals die in alle westerse industrielanden was tot stand gekomen in de loop van de 20ste eeuw, en vooral vanaf de Grote Depressie van de dertiger jaren.

3.1. Twee gescheiden kapitaalmarkten

De historische crisis van 1929-1930 had onder meer aanleiding gegeven tot een massaal verlies van spaargelden van de kleine burger. Om een herhaling van dit drama te voorkomen, werden vanaf 1930 in alle westerse landen een reeks maatregelen genomen die, met allerlei nationale nuances, tot een zelfde resultaat zouden leiden: de instelling van twee strikt gescheiden kapitaalmarkten, die van het eigenlijke industrieel-financieel kapitaal en die, van wat wij hierna het “sociaal kapitaal” zullen noemen.

In de VS werd deze regulatie voornamelijk opgelegd door de Class-Steagall Act van 1933. In België kreeg zij vorm in een onnoemelijk aantal “wetsbesluiten” (de eerste volmachtwetten) en uitvoeringsbesluiten[7].

Vooreerst werd een scheiding opgelegd tussen “investment banks” (bij ons “holdings”) en gewone, commerciële banken. Deze laatsten mochten hun activa niet meer beleggen in zgn. risicodragend kapitaal, d.i. aandelen en ook obligaties van industriële bedrijven. Zij mochten wel de bij hen gedeponeerde gelden gebruiken voor consumptiekrediet of commercieel krediet (meestal gedekt door wissels of orderbriefjes die konden worden gedisconteerd bij de Nationale Bank), en ook natuurlijk voor het openen van lopende rekeningen.

Daarnaast werd een scheiding doorgevoerd tussen commerciële banken en spaarbanken (in de VS, de later beruchte “Save & Loans”). Deze laatste mochten geen lopende rekeningen voor hun klanten openen, en de terugtrekking van de deposito’s werden aan bepaalde termijnen verbonden. Hun activa moesten worden belegd, hetzij in staatsobligaties, hetzij bij een aantal parastatale instellingen waarvan men de lijst tot voor kort nog terugvond in onze wet van 16 maart 1954 “op de controle van bepaalde instellingen van openbaar nut”. Het werden er een tachtigtal, gaande van het Nationaal Studiefonds, het Wegenfonds en de Spoorwegen, over allerlei instellingen van de sociale zekerheid, tot het Woningfonds, de Nationale Kas voor Beroepskrediet en het Landbouwkrediet, om slechts enkele voorbeelden te noemen.

Aan de verzekeringsmaatschappijen, die ook belangrijke “sociale kapitalen” beheerden, vooral in de takken “leven” en “brand”, werden gelijkaardige beperkingen opgelegd. Hun reserves mochten niet afvloeien naar de eigenlijke “kapitalistische” kapitaalmarkt, maar dienden belegd, hetzij in fondsen van de staat of door de staat gecontroleerde instellingen, alsook in immobilieën of hypothecair krediet.

Mede door middel van opgelegde verschillen in de rentevoeten van deposito’s ten gunste van de spaarkassen, werden de spaargelden van de particulieren, zoals de reserves van verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen, afgeleid van het industrieel kapitalistisch circuit, naar een gesloten “sociaal circuit”, waar ze werden gebruikt voor de financiering van de — toen nog bescheiden — overheidsschuld, maar vooral voor de financiering van openbare werken van infrastructuur en voor de expansie van de “zachte”, arbeidsintensieve en overwegend niet-kapitalistische sectoren van de economie. Tevens beschikte de staat, met deze financiële massa, over een aangepast instrument om de evolutie van de geldmarktrente te beheersen.

Het sluitstuk van de gehele financiële regulatie was de overheidscontrole op de internationale kapitaalbewegingen. Het “sociaal kapitaal” bleef uiteraard volledig in eigen land. Maar ook de internationale transfers van het industrieel-financieel kapitaal waren sterk beperkt. Alleen betalingen voor in- en uitvoer van goederen of diensten waren vrij. Voor internationale transfers van investeringskapitalen of zuiver financiële beleggingen, moest ofwel uitdrukkelijke toelating van de regering of de Nationale Bank worden bekomen voor elke operatie; ofwel werden deze geldbewegingen onder controle gehouden door de instelling van een dubbele wisselkoers, één voor de zgn. commerciële frank en één voor de zgn. financiële frank, zoals dat in België tot rond het einde van de jaren 1980 nog het geval was.

3.2. Een niet-kapitalistische accumulatie van kapitaal

Hoewel dat wel niet de bedoeling zal geweest zijn van de nationale wetgevers van 1980, groeide deze regulatie uit tot een reusachtige accumulatie van kapitaal, buiten de sfeer van het industrieel-financieel productieproces. Marx heeft ongetwijfeld nooit gedroomd van een dergelijke ontwikkeling!

De geleidelijke uitbouw van de sociale zekerheid, gekoppeld aan de snelle stijging van het welvaartspeil van de bevolking in de naoorlogse jaren, leidde tot een steeds toenemende opstapeling van kapitaal binnen de “sociale” sector. Omgekeerd was het deze accumulatie die de financiële onderbouw vormde voor de welvaartsstaat en voor de langdurige economische expansie van 1945 tot 1975, expansie die meer en meer plaats greep in de tertiaire, overwegend niet-kapitalistische sector van de economie.

Enkele cijfers om de omvang van deze accumulatie te illustreren. In landen waar de pensioenen steunden op kapitalisatie in plaats van repartitie — wat in de meeste westerse landen het geval was — liepen de reserves van de pensioenfondsen op tot 75 % (Groot-Brittannië) à 125 % (Nederland) van het Bruto-Binnenlands Product[8]. In ons land, waar het wettelijk pensioen op repartitie steunt, bestaan er slechts reserves bij de levensverzekeringsmaatschappijen die aanvullende levensverzekeringen en bedrijfspensioenfondsen beheren. Toch beliepen deze reserves in 1994 de som van 1.788 miljard BEF[9]. Het balanstotaal van de Belgische spaarkassen en openbare kredietinstellingen bedroeg 2.561 miljard BEF in 1980, en de eigenlijke deposito’s of spaargelden 1.868 miljard BEF. Samen goed voor ongeveer 2/3 van het Belgisch BBP. In de VSA bedroegen de financiële middelen, geconcentreerd bij verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en beleggingsfondsen, 133 % van het BBP[10]. Men kan dus slechts beamen wat François Chesnais, op het Internationaal Marx-congres te Parijs begin 1996, stelde, nl. dat de financiële middelen, opgestapeld buiten de kapitalistische sector, een zo massale omvang hebben dat, daarbij vergeleken, de middelen van zelfs de grootste internationale zakenbanken in het niets verzinken[11].

3.3. De deregulering

Toen dus, begin van de tachtiger jaren, de expansie van het mondiaal kapitalisme voor de tweede maal stuitte op de muur van een veel te krappe kapitaalmarkt, en de reusachtige inflatie niet langer toeliet deze muur te doorbreken bij middel van een ongebreidelde doch inflatoire muntcreatie, was er nog slechts één oplossing mogelijk: het reusachtig “sociaal” kapitaal, sinds 50 jaar geaccumuleerd buiten het industrieel-financieel circuit, over te hevelen naar de kapitalistische grootnijverheid.

Concreet betekende dit, op het vlak van het internationaal kapitaalverkeer, de opheffing van alle belemmeringen op de kapitaaltransfers tussen de verschillende landen onderling. Op binnenlands vlak betekent dit de afschaffing van het onderscheid tussen de commerciële banken en de spaarbanken, en van al de regels die waren opgelegd aan de financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen op het punt van de operaties die zij mochten verrichten met de hun toevertrouwde gelden. Het resultaat was dat het “sociaal kapitaal” in overgrote mate terechtkwam in het nieuwe, mondiale kapitaalcircuit, waar het wordt gebruikt voor de dekking van de toenemende kapitaalbehoeften van de mondiale, industrieel-financiële groepen.

In het bestek van deze bijdrage kan niet uitvoerig worden ingegaan op de manier waarop deze deregulering werd doorgevoerd. Chronologisch begon de operatie in de VS rond het begin van de tachtiger jaren. Daarna volgde Europa, met de wijziging van het Verdrag van Rome door de Europese Eenheidsacte van 1986, gevolgd door enkele directieven van de Europese Commissie vnl. op 28 februari en 4 april 1987 en 24 juni 1988. In Oost-Azië kwam de deregulering trager op gang, meestal onder Amerikaanse druk tijdens bilaterale onderhandelingen met Japan. In de ontwikkelingslanden, die het grootste slachtoffer zouden worden van deze hervorming, werd de deregulering van buitenaf opgedrongen door het IMF en de Wereldbank, meestal naar aanleiding van onderhandelingen over de herschikking van hun schuldenlast.

Alléén in de VSA ontstond een vorm van publiek debat, begin van de tachtiger jaren, naar aanleiding van de intrekking van een onderdeel van de Glass Steagall Act, de beruchte “Regulation Q”. Een aantal progressieve politici en intellectuelen waarschuwden — tevergeefs — voor de daaraan verbonden gevaren. De geschiedenis gaf hen spoedig gelijk, want de deregulering van de sector van de spaarbanken (de “Save & Loans”) leidde op korte termijn tot een kettingreactie van faillissementen in deze sector. De Amerikaanse regering was verplicht tot een reusachtige reddingsoperatie (op de rug van de belastingbetaler) waarvan de totale kost nu wordt geraamd op ongeveer 400 miljard dollar, of nagenoeg de totale Belgische overheidsschuld[12].

Doch nergens anders ter wereld werden de draagwijdte, de objectieven en de gevolgen van deze operatie door een regering kenbaar gemaakt aan haar publieke opinie. In geen enkel land werd deze werkelijk revolutionaire ingreep aan een parlement ter bespreking of goedkeuring voorgelegd. Alles werd afgedaan als een technische uitvoeringsmaatregel van aangegane “internationale verbintenissen”, die niet mochten of konden in vraag worden gesteld. Het is in feite in de schoot van een aantal supranationale organisaties, zoals de G7, het IMF en de Europese Minister-conferenties, dat de beslissingen werden genomen. En dit — naar loffelijke “democratische” gewoonte van deze instellingen — in het grootste geheim en achter gesloten deuren.

3.4. Een zondvloed van “vers geld” ... met een zeer pover resultaat

Met de opheffing van de compartimentering van de kapitaalmarkt, zowel binnen elk land als tussen de landen onderling, stroomden ontzaglijke nieuwe middelen naar de mondiale, industrieel-financiële groepen.

De emissie van nieuwe kapitaalaandelen op de mondiale markt steeg van 0,700 miljard dollar in 1983, tot 3,800 miljard dollar in 1985, om in 1993 een volume van 41 miljard dollar te bereiken (I.H.T. van 28.2.94). Een vermenigvuldiging met bijna 60, over tien jaar.

De jaarlijkse emissie van Euro-obligaties steeg van 17,9 miljard dollar in 1982, tot 481 miljard dollar in 1993 (zelfde bron): een vermenigvuldiging met 27 over 10 jaar.

Daarnaast ontstonden een reeks nieuwe kredietinstrumenten, bekend onder de verzamelnaam “Euronotes”, meestal kredieten op halflange termijn (1 tot 3 jaar), en die meer en meer de rol van Euro-obligatie en van de consortiale banklening gaan overnemen als voornaamste kredietinstrument. Dit hield verband met de afname van de “intermediatie-rol” van de banken, waarover verder meer. Deze Euronotes, die in 1983 slechts een totaal bedrag van 0,9 miljard dollar vertegenwoordigen, liepen op tot 55,6 miljard in 1986 om in 1993 ene totaal van 151 miljard te bereiken. Een vermenigvuldiging met 167 over 13 jaar (I.H.T. 22.2.94).

Tenslotte bleven er de klassieke, consortiale bankleningen, waarvan het relatief belang sterk daalde, maar die toch nog in absolute cijfers bleven toenemen, van 98,2 miljard in 1982, tot 130 miljard in 1993.

Vermelden wij nog, volledigheidshalve, het ontstaan van een bonte menigte van andere, nieuwe instrumenten zoals “swaps”, “futures”, “options”, enz. die meestal onder de verzamelnaam van “afgeleide producten” bekend staan[13]. Volgens de I.H.T. van 19.12.95, die een rapport citeert van de Bank voor Internationale Betalingen, circuleerde op deze markt van “afgeleide producten”, einde maart 1995, het astronomisch bedrag van 40.700 miljard dollar (aanzienlijk meer dan het gezamenlijk BBP van alle OESO-landen [Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Een economisch overlegorgaan van een aantal westerse landen] samen), en beliepen de dagelijkse verhandelingen op deze markt de som van 839 miljard dollar. (Het gaat hier evenwel niet om productief kapitaal; maar deze operaties zijn wel noodzakelijk geworden om de toenemende onzekerheid op te vangen, die op de wisselmarkten heerst ingevolge de combinatie van vlottende wisselkoersen met gedereguleerde markten. Het zijn dus de “valse kosten” van het mondiaal kapitalisme).

Deze miraculeuze injectie van nieuwe kapitalen ging geenszins gepaard met een zelfs maar noemenswaardige — laat staan vergelijkbare — economische expansie. Weliswaar verdubbelde de productie van de verwerkende nijverheid van de OESO-landen tussen 1980 en 1990, doch dan gemeten in courante prijzen (wat een aanzienlijk lagere groei betekent in constante prijzen of in volume). Maar daartegenover staat dan dat, alleen reeds van 1985 tot 1990, 4 miljoen arbeidsplaatsen verloren gingen in deze verwerkende nijverheid, in Noord-Amerika en West-Europa samen. Kan men gewagen van een “expansie” wanneer miljoenen mensen uit het arbeidsproces worden gestoten?

3.5. De institutionele beleggers en de afremming van de inflatie

Deze financiële zondvloed ging gepaard met een diepe wijziging van het interne mechanisme van de financiële markt. De leidende rol van de banken als kredietverstrekker werd overgenomen door de zgn. “institutionele beleggers”: de pensioenfondsen, de verzekeringsmaatschappijen en vooral de beleggingsfondsen, waarover zo dadelijk meer. Daardoor verdween — of verminderde althans in sterke mate — het inflatoir effect van de wilde muntcreatie door de banken op de Eurodollar markt, die de wereldeconomie einde van de jaren 1970 op de rand van de afgrond had gebracht.

Met de deregulering van de kapitaalmarkt ontstond een totaal nieuwe financiële instelling: het beleggingsfonds. De spaargelden van particulieren, die binnen de gereguleerde nationale kapitaalmarkten werden afgeleid naar allerlei spaarkassen, en vandaar naar “sociale” beleggingen, kunnen voortaan vrij worden aangewend op de gemondialiseerde kapitaalmarkt: voor beleggingen in aandelen, obligaties of ander kredietpapier, of eenvoudig voor zuivere speculatie op de deviezenmarkt of op de markt van de nieuwe “afgeleide producten”. Aangezien de individuele spaarder niet over de vereiste kennis en knowhow beschikt om dit spel te spelen, vertrouwt hij zijn centjes toe aan daarin gespecialiseerde firma’s, de beleggingsfondsen. Deze worden meestal door de banken beheerd “buiten balans” (want het gaat niet om deposito’s).

Wat de banken binnenhalen aan spaargelden via beleggingsfondsen, verliezen zij als deposito’s. En het zijn precies de deposito’s die de basis vormen voor de kredietverstrekking door de banken. Deze verliezen dus hun traditionele rol van bemiddelaar tussen de belegger en de kredietopnemer, d.i. het omzetten van financieel kapitaal in productief kapitaal. In technisch jargon noemt men dat de “daling van de intermediatiegraad” van de banken[14].

Deze beleggingsfondsen ontstonden rond het begin van de tachtiger jaren in de VS en breidden zich snel uit over de gehele wereld. In België werd de juridische basis ervoor gelegd door de wet Cooremans-Lejeune van 1982. Zij kenden een pijlsnelle groei. In de VSA, Japan en de landen van de Europese Gemeenschap samen, nam het volume van de door hen beheerde spaargelden toe van 980,6 miljard dollar in 1985, tot 2.412,12 miljard dollar in 1988 (Weekberichten Kredietbank, nr. 31 van 1989). In 1995 verzamelden, in de VSA alléén, de beleggingsfondsen die uitsluitend aandelen aankopen (equity mutual fonds) een bedrag van 128 miljard dollar. Voor de eerste 6 maanden van 1996 liep dit op tot 123,5 miljard dollar, of ongeveer een verdubbeling op jaarbasis. En het gaat hier slechts om een fractie van het geheel. Globale statistieken ontbreken echter: onze economisten hebben verrassend weinig belangstelling voor “le nerf de la guerre”, het geld.

Samen met de pensioenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen, zijn deze beleggingsfondsen dus de grote kredietverstrekkers geworden op de mondiale kapitaalmarkt. Zij vormen het “doorgeefluik” waarlangs het “sociaal kapitaal” terecht komt in het gemondialiseerde kapitalistisch productieproces.

Nu is er, uit economisch oogpunt, een substantieel verschil tussen een bankkrediet en een belegging. Een bankkrediet brengt nieuwe monetaire middelen in omloop, een belegging vermindert het volume van de beschikbare monetaire middelen. Wanneer het banksysteem in zijn geheel over een bedrag X aan deposito’s beschikt, en daarmee kredieten verleent voor 5 x X, dan vermeerdert de geldvoorraad met 5 x X. Wanneer een beleggingsfonds een bedrag van 5 x X aan spaargelden inzamelt en deze belegt in kredietpapier, vermindert de geldvoorraad met 5 x X. De eerste operatie is (potentieel) inflatoir, de tweede is (potentieel) deflatoir of minstens niet-inflatoir.

Zoals hoger gezegd, gebeurde de dekking van de groeiende kapitaalbehoeften van de mondiale groepen, tot het begin van de jaren 1980, essentieel door middel van inflatoire muntcreatie. Sinds de deregulering gebeurt dit hoofdzakelijk door middel van een (potentieel) deflatoire onderschrijving, rechtstreeks door de institutionele beleggers, van de steeds aanzwellende emissies, door de mondiale groepen, van aandelen, obligaties en ander kredietpapier. De banken komen in deze operaties nog slechts tussen als plaatsingsagenten. Zij treden veel minder dan vroeger op als onderschrijvers door middel van de door hen verzamelde deposito’s. Minder dan vroeger, want uit de hoger verstrekte cijfers blijkt wel dat de geldscheppende rol van de banken, o.m. met hun consortiale leningen, zeker niet ten einde is.

De deregulering van de kapitaalmarkt had dus, voor het mondiaal kapitalisme, een gunstig effect op twee vlakken tegelijk: enerzijds kreeg het toegang tot een nieuwe mondiale kapitaalmarkt van reusachtige omvang; anderzijds was deze toegang tot de kapitaalmarkt niet meer indirect, via de banken, maar direct zonder intermediatie van de banken, en dus zonder macro-economisch inflatoir effect. Dit verklaart waarom de inflatie of munterosie, die in het begin van de tachtiger jaren tot ver boven de 10 % per jaar was opgelopen, de laatste jaren geleidelijk is gedaald tot een gemiddelde van 3 % per jaar. Toch blijft dit cijfer nog onrustwekkend, en een van de topprioriteiten van de heersende klassen blijft dan ook de verdere bestrijding ervan. Doch dit gebeurt niet op het vlak van de internationale kapitaalmarkt, maar zuiver op het vlak van de binnenlandse muntcreatie, nl. door een aanhoudende druk van de supranationale organisaties op de nationale regeringen tot het voeren van een deflatoir budgettair beleid. De Europese Unie spant hier de kroon, met haar Euromunt en de normen van Maastricht.

4. Enkele slotbeschouwingen en hypotheses

4.1. Nieuwe contradicties

Voor het wereldkapitalisme was de deregulering een echte overlevingsoperatie, de ultieme ontsnappingsroute. Dat de operatie geslaagd is, kan niet worden betwist. Doch voor hoelang? Zoals steeds, roept elke grote structurele wijziging nieuwe contradicties op.

a. Door de overheveling van het “sociaal kapitaal” naar de kapitalistische sector, werd een bestaand macro-economisch evenwicht vernietigd. Gedurende de gehele 20ste eeuw heeft de dienstensector de uitstoting van arbeidskrachten opgevangen die, als gevolg van de vooruitgang van wetenschap en techniek, steeds sneller de tewerkstelling in landbouw en nijverheid deed dalen. Volgens recente gegevens stellen de 200 grote mondiale groepen nog slechts 0,01 % tewerk van de totale actieve wereldbevolking, ook al vertegenwoordigen zij 28,3 % van de mondiale koopwarenproductie[15]. Alle “lange-golf’-theorieën ten spijt, is dit een onomkeerbaar fenomeen.

Nu vormde het “sociaal kapitaal” precies de basis voor de expansie van de tertiaire sector, zo openbaar als privé. Deze basis is dus verdwenen. Men kan gerust voorspellen dat, binnen de nieuwe structuur van een gemondialiseerde grootnijverheid met een gedereguleerde kapitaalmarkt, de werkloosheid en de verarming een groeiend en onoplosbaar probleem wordt. Hier ligt de centrale contradictie van het mondiaal kapitalisme.

b. De groeiende werkloosheid, samen met de bestendige neerwaartse druk op de lonen, zal de oude contradictie tussen een toenemende industriële productie en een krimpende afzetmarkt — tijdelijk afgezwakt door het “fordisme” en de keynesiaanse overheidspolitiek van de nationale staten — opnieuw in alle scherpte doen herleven. Een recente studie van de OESO heeft op dit gevaar reeds gewezen[16].

c. Verder is er de toenemende onverenigbaarheid van een internationaal muntstelsel van vlottende wisselkoersen, met het bestaan van een oncontroleerbare mondiale kapitaalmarkt waarop duizenden miljarden dollar zich op elk ogenblik elektronisch kunnen verplaatsen van de ene munt naar de andere. De koers van een munt wordt niet meer bepaald door de handelsbalans. De internationale kapitaaltransfers hebben nog slechts voor 3 % betrekking op in- en uitvoer van goederen. De vlottende wisselkoersen kunnen dus hun veronderstelde corrigerende werking bij fundamentele economische onevenwichten niet behoorlijk vervullen.

Tot welke onvoorstelbare rampen dit kan leiden, indien een grote munt zoals bv. de nieuwe Euro of de yen zouden worden blootgesteld aan een financiële stampede op de wereldmarkt, werd geïllustreerd door de moeizaam bezworen wereldcrisis die op het punt stond uit te breken met de instorting, in 1994, van een kleine munt als de Mexicaanse Peso.

d. De deregulering en mondialisering stelden ook een einde aan elke hoop op economische ontwikkeling voor miljarden mensen in Zwart-Afrika, Latijns-Amerika en Azië: een angstwekkend perspectief voor de gehele wereld.

e. De voornaamste contradicties liggen dan ook op maatschappelijk-politiek vlak. We denken o.a. aan:
- de teloorgang van de democratie door de uitholling van de bevoegdheden van de Westerse natiestaten, en de afbrokkeling van de sociale cohesie, ook in niet-democratische landen;
- de verdwijning van de nationale bourgeoisie als leidende klasse, in de gramsciaanse [Antonio Gramsci (1891-1937). De theoreticus van de bovenbouw, omdat hij niet uitgaat van het dogma dat alles door de economie bepaald is, zoals vulgaire marxisten doen. Ideologie, politiek en cultuur zijn belangrijk voor hem om het systeem te kunnen veranderen] betekenis van het woord;
- het dreigende pandemonium van aanzwellende migraties, racisme en reactionair nationalisme (er is ook een progressief nationalisme), het overal oplaaiende geweld, burgeroorlog en een vermenigvuldiging van regionale conflicten en oorlogen;
- de morele ontreddering van gehele beschavingen door corruptie en maffiapraktijken, teloorgang van de maatschappelijke ethiek en materiële ellende van steeds grotere bevolkingsgroepen; dit alles indien niet tijdig een nieuwe leidende klasse, gegroeid op basis van de onderliggende, reeds aanwezige nieuwe productiewijze, de huidige kapitalistische klasse van de politieke heerschappij komt verdrijven.

Het toekomstperspectief zou uiterst somber zijn, indien wij niet vast geloofden in de juistheid van deze meest sublieme stelling van Marx’ historisch materialisme: “De mensheid staat nooit voor onoplosbare problemen, want bij nader toezien zal steeds blijken dat het probleem zich pas stelt, wanneer de materiële voorwaarden voor de oplossing ervan reeds aanwezig, of minstens in wording zijn”. Dit is precies de historische context waarin wij nu leven!

4.2. Nieuwe denkpistes

De deregulering van de kapitaalmarkt heeft een nieuwe realiteit blootgelegd, die tot hiertoe was ontsnapt aan de observatie, ook van marxistische theoretici.

Men wist reeds enkele tijd dat het industrieel-kapitalistische productieproces niet meer de centrale kracht was, in het geheel van de eigentijdse economie, op het vlak van de creatie van tewerkstelling en inkomen, d.i. de productie van waarde en rijkdom. Met de analyse van de financiële deregulering blijkt nu ook dat het kapitalisme sinds decennia niet meer de voornaamste motor is van kapitaalaccumulatie. De onderhuidse vermaatschappelijking van het productieproces, door Marx geponeerd, heeft zich hier doorgezet op een terrein en in een vorm die hij nooit heeft (kunnen) voorzien.

De recente structuurwijzigingen van het kapitalisme kunnen dan ook niet meer bevredigend gevat worden binnen een aantal “klassieke” marxistische schema’s. Een nieuwe interpretatie is nodig, waarbij wordt uitgegaan van de hypothese — welke niet deze van Marx was — dat wij niet (meer) leven in een economisch systeem waarin de kapitalistisch-industriële warenproductie zoniet de enige, dan toch de dominerende kracht is.

De mensheid produceert sinds decennia de essentie van haar bestaan indien niet los van, dan toch buiten het kapitalistische productiesysteem. Voor de thans groeiende chaos, zo economisch als algemeen-maatschappelijk, dient een nieuwe coherente interpretatie gevonden te worden, binnen het ruime kader van het historisch materialisme. Dit is de ideologische voorwaarde voor de vorming van een nieuwe leidende klasse.


_______________
[1] Parijs, 1994, Editions SYROS, collection “Alternatives économiques”.
[2] Zie grafieken 1 en 4 in Chesnais, op. cit, p. 43 en 49.
[3] De lezer zal reeds gemerkt hebben dat de kleinste rekeneenheid van het mondiaal kapitalisme 1 miljard dollar is, de rest is pasmunt. Ter vergelijking: de budgettaire gymnastiek waar de Belgische regering zich elk jaar “in conclaaf” aan overlevert, draait rond het vinden van ongeveer 3 miljard dollar.
[4] Een derde “redmiddel” was natuurlijk de op mondiale schaal georganiseerde daling van de waarde van de arbeidskracht Dit valt echter buiten het bestek van deze bijdrage.
[5] Voor een heldere beschrijving van het mechanisme van muntcreatie door bankkredieten, zie Paul A. SAMUELSON, “Economics”, 7th edit, Mc. Graw-Hill, New York, p. 285-294.
[6] Een gedetailleerde studie van de vorming van deze consortia vindt men in: François LEROUX, “Marchés internationaux des capitaux”; Ed. Eska, Paris 1988, p. 103-109 en 180-191. Vele van de hierna geciteerde cijfers zijn aan dat werk ontleend.
[7] Een goede studie van de regulatie in de VSA vindt men in: Weekberichten Kredietbank, nrs. 44 en 4S van 1984.
[8] William MERCER, “European Fund Managers Guide”, geciteerd in “De Standaard” van 11.12.1995.
[9] Weekberichten Kredietbank, nr. 33, 1995.
[10] CHESNAIS, op. cit, p. 20.
[11] F. CHESNAIS, “Contribution au débat sur le cours du capitalisme à la fin du 20e siècle”, in “Actualiser l’économie de Marx”, PUF11996, p. 77.
[12] International Herald Tribune van 30-31.12.1995 alsook “Le Monde Diplomatique” van juli 1994: “Un capitalisme hors de controle”, door Ibrahim WARDE.
[13] Zie F. Leroux, op. ca., p. 292-331.
[14] Voor een studie van het fenomeen op Belgisch en internationaal niveau, zie Weekberichten Kredietbank, nr. 24 van 1994.
[15] Volgens een studie van het Amerikaanse “Institute for Policy Studies”; geciteerd in “De Standaard” van 27.9.96.
[16] “Technologie et Emploi: Questions Clés dans un contexte de Chômage Elevé’; in S.T.I.-Revue nr. 15 van 1995, p. 13-45.