Henk Sneevliet

Sneevliet bij zijn proces



Geschreven: 1942
Bron: Tegen fascisme, kapitalisme en oorlog. Het Marx-Lenin-Luxemburg Front, juli 1940-april 1942, Wim Bot, Uitgeverij Syndikaat, Amsterdam, 1983
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, juni 2007


Het politieke gedeelte van het proces-verbaal van het verhoor van Sneevliet op 7 en 9 maart 1942

Opmerking vooraf: het Duitse origineel van het procesverbaal van het verhoor van Sneevliet bevindt zich in het procesdossier op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Onderstaande vertaling bevindt zich in het Sneevliet-archief van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Enkele passages ontbreken in deze vertaling en zijn door mij tussen haakjes opgenomen in de tekst. Op een aantal punten is de vertaling onnauwkeurig en heb ik op basis van de tekst van het origineel tussen haakjes correcties aangebracht.
Wim Bot

Als zoon van de gevangenisambtenaar Antonie Sneevliet werd ik op 13 Mei 1883 in Rotterdam geboren. Na de dood van mijn moeder werd ik door twee zusters van mijn vader in Den Bosch opgevoed en bezocht daar de lagere school, later de middelbare school. Daaraan aansluitend maakte ik een driejarige scholing bij de Nederlandse Spoorwegen door en werd als aspirant in dienst genomen. Deze betrekking heb ik tot mijn 26ste jaar uitgeoefend. Intussentijd maakt ik mijn dienstplicht bij de Nederlandse weermacht vervullen, waar ik na acht maanden ontslagen werd als korporaal. (RIOD: Intussentijd vervulde ik mijn dienstplicht bij de Nederlandse weermacht, ...)

In armelijke verhoudingen levend voelde ik reeds gedurende mijn schooltijd de tegenstelling tussen arm en rijk. Dit had tot gevolg, dat ik mij voor de sociale verhoudingen der armere lagen van mijn volk interesseerde en mij op negentienjarige leeftijd van de katholieke kerk afscheidde. (RIOD: Dit besluit is inzover van belang dat Den Bosch streng katholiek was.) Gedurende mijn werk bij de Nederlandse spoorwegen kwam ik met de sociaaldemocratische vakbonden in aanraking en trad in 1902 tot de SDAP toe. Reeds na enkele jaren, 23 jaar oud, werd ik in 1907 gemeenteraadslid van de SDAP in Zwolle. Hiermee begon mijn eigenlijke politieke loopbaan.

Toen in 1909 een voorzitter voor de vakbond der Nederlandse spoorwegen gezocht werd, gaf ik mijn betrekking bij de Nederlandse spoorwegen op en stelde mij ter beschikking. Uit een numeriek kleine vakbond bouwde ik nu in enige jaren een sterkere organisatie op. De ontwikkeling van de marxistische beweging bracht in de loop van de tijd een splitsing tussen marxistische en burgerlijke instelling, waarbij ik mij voor de marxistische vleugel uitsprak. Desondanks bleef ik nog twee jaar lid van de partij, om in de spoorwegbond de marxistische tendens levend te houden. In samenhang met de in 1911 in Rotterdam plaats gehad hebbende zeeliedenstaking volgde mijn uittreden uit de SDAP. De oorzaak hiervan was de volgende: de staking in Rotterdam had zich tot Amsterdam uitgebreid en een vrij grote omvang aangenomen. De SDAP stond op het standpunt, dat zij slechts de bij het NVV aangesloten Rotterdamse zeelieden wilde ondersteunen. Uit de overtuiging, dat bij een staking de solidariteit gehandhaafd moet worden, eiste ik een ondersteuning van alle stakers en zette mijn besluit in de spoorwegbond door. Op initiatief van de partijleiding van de SDAP werd ik van mijn functie ontheven en trad ik uit de partij. Mijn tegenstander in de leiding van de SDAP was de toenmalige voorzitter Troelstra, die mijn stellingname juist vond maar geen breuk met de leiding van het NVV, die een andere mening vertegenwoordigde, wilde veroorzaken.

Door het uittreden en de ontheffing uit mijn functie als vakbondssecretaris was mijn politieke positie in Nederland ondermijnd; bovendien was het mij door mijn tot nu toe uitgesproken politieke stellingname niet mogelijk, mijn burgerlijk beroep in Holland voort te zetten. Op grond hiervan ging ik in 1913 naar Nederlands-Indië en begon daar met een betrekking als redacteur aan een burgerlijke, Soerabajase krant; later werd ik met de zelfstandige leiding als secretaris van een privé handelskamer in Semarang belast. Gedurende mijn eerste verblijf in Nederlands-Indië heb ik mij niet met politiek bezig gehouden. Ik gebruikte de tijd om de politieke en economische verhoudingen in de koloniën te leren kennen.

De door de Russisch-Japanse oorlog reeds sedert 1904 bestaande nationale Indische vrijheidsbewegingen verwekten mijn sympathie, zodat ik in 1914 op voorstel van de Nederlands-Indische spoorwegvakbond op Semarang de redactie van de vakbondskrant daar op mij nam. Het betrof hier een vakbond, die voornamelijk uit inheemsen bestond, welk personeel met de Bond van de Islam — een miljoenen leden tellende Indische vrijheidsbeweging — verbonden was. [De Bond van de Islam, beter bekend als Sarekat Islam, werd opgericht in 1912. In februari 1923 trad een scheuring op als gevolg van conflicten tussen de marxistische stroming en de stroming van burgerlijk-islamitische nationalisten.] In hetzelfde jaar nam ik het initiatief tot de stichting van de eerste sociaaldemocratische partij in de Nederlandse koloniën, welke de naam Indische Sociaaldemocratische Vereniging droeg en zich naast marxistische grondstellingen in het bijzonder voor de gelijkberechtiging van alle rassen en de onafhankelijkheid van de koloniën inzette. De vereniging telde in doorsnee een ledental van 300 personen, die met de linkervleugel van de Bond Islam voeling nam en hoofdzakelijk uit inheemsen bestond. Door de oorlog 1914-18 kwamen de sociale tegenstellingen sterk op de voorgrond en voerden tot een radicalisering van de gehele volksbeweging, waaronder ook de ISDV. Mijn politieke werkzaamheid kreeg door een hoofdartikel in een Hollandse krant van de Nederlands-Indische vrijheidsbeweging een nieuwe wending. Toen in 1917 door het bestuur van de door mij tot nu toe geleide Hollandse kamer voor de keus werd gesteld: of mijn politieke positie of mijn secretarispost op te geven handhaafde ik de politieke.

(RIOD: ik werd betaald secretaris van de Nederlands-Indische spoorwegvakbond.) Mijn salaris als vakbondssecretaris was het derde deel van wat ik tot nu toe als secretaris van de handelskamer verdiend had. Op grond van het krantenartikel, dat een vergelijking tussen de verhoudingen in het tsaristische Rusland en de sociale en politieke toestand in Nederlands-Indië trok, alsmede tegelijkertijd een aanval op de Hollandse koloniale politiek was, opende het Nederlands gerecht een proces tegen mij. Op drijven der regering werd toen ongeveer een jaar later (december 1918) mijn uitwijzing uit Nederlands-Indië naar Nederland doorgezet.

Kort na mijn terugkeer werd ik in Nederland lid van de Communistische Partij Holland. Eveneens trad de door mij opgerichte ISDV welke na mijn vertrek zelfstandig voortbestond, tot de Komintern toe en noemde zich van nu af aan PKI. (RIOD: Partai Kommunis Indonesia.)

Tegelijkertijd trad ik tot de Nederlandse Transportarbeiders Federatie, een ondergroep van het NAS welke een marxistisch-syndicalistische tendens nastreefde, als penningmeester toe.

In juni 1920 begaf ik mij naar Moskou om aan het Tweede Congres van de Komintern deel te nemen. Door de PKI was ik als vertegenwoordiger naar Moskou gestuurd. Het voorzitterschap van dit congres was afwisselend in handen van partijfunctionarissen van alle landen, waaronder Lenin en Trotski. Een speciaal referaat op dit congres hield zich bezig met de koloniale vraagstukken (Verre Oosten). De leider van deze speciale commissie was Lenin, die grote belangstelling voor deze commissie getoond had en mij als secretaris voor deze commissie had aangewezen. In de loop van het congres nam ik persoonlijk contact met Lenin op en werd op diens voorstel in 1921 als vertegenwoordiger der Komintern naar China (Shanghai) gestuurd om de verbinding met de Chinese nationalistische leider, dr. Soen Yat Sen (de partij waaruit Tsjang Kai-sjek is voortgekomen) op te nemen. In China nam ik nauwer voeling met de leiding van de Kwo Min Tang, de leidende Chinese volkspartij, om ter bestrijding van het imperialisme een samenwerking tussen de Chinese volkspartij en andere koloniale vrijheidsbewegingen met de Komintern te bereiken.

Om verslag uit te brengen was ik tweemaal in Moskou en had daar besprekingen met Trotski, Boecharin en bovendien, in het vraagstuk van de Oost-Chinese spoorweg, een bijzondere bespreking met Stalin, die destijds secretaris van de partij was. De Oost-Chinese spoorweg lag in een lengte van 1500 km op Chinees gebied en was een onderdeel van de verbinding tussen Moskou en Vladivostok. Mijn mening was dat men uit propagandistische overwegingen de spoorweg, welke tot nu toe onder een Russisch-Chinees directorium stond, geheel in handen van de Chinezen moest geven. Stalin stond echter op het standpunt, dat men na de ervaringen, die in Perzië waren opgedaan, waar na de terugtrekking van de Russische belanghebbenden zich Amerikaanse invloed voelbaar gemaakt had, deze voor Rusland belangrijke verbinding niet uit handen mocht geven. Desondanks heeft hij enige jaren later de gehele spoorlijn aan Japan verkocht en tegelijkertijd een nieuwe lijn op Russisch gebied opgericht.

Mijn functie als afgevaardigde van de Komintern in China heb ik tot het jaar 1924 vervuld. Na de dood van Lenin gaf ik mijn betrekking tot de Komintern op, daar ik overtuigd was dat het communistische partijapparaat in Rusland, in het bijzonder van de Sovjet-Russische staatsautoriteiten, vervallen was tot corruptie en ontaarding. Een bewijs daarvoor was voor mij het feit, dat de Sovjet-Russische gezant in Peking, Joffe, zonder steekhoudende argumenten van zijn post werd ontheven en zelfmoord pleegde (1927) [Sneevliet was in China bevriend geraakt met Adolf Joffe. Voor Joffe in 1927 een einde maakte aan zijn leven schreef hij een afscheidsbrief aan zijn oude vriend Trotski. Dit anti-stalinistisch document werd door Sneevliet gepubliceerd in het blad Klassenstrijd.] Hierna keerde ik in 1924 definitief naar Nederland terug.

Gedurende mijn werkzaamheid van vertegenwoordiger van de Komintern werd ik op doorreis naar China door de Oostenrijkse politie in Wenen op voorstel van de Nederlandse politie zes dagen vastgehouden en naar Italië uitgewezen, met het verbod ooit weer Oostenrijk te betreden. Bovendien werd ik in de door Engelse kringen bezette Chinese gebieden Kantong door ambtenaren van de Secret Service vervolgd, resp. bewaakt en verhinderd door Engels gebied te reizen.

Na mijn terugkeer naar Holland behoorde ik tot de oppositiegroep van de CPH en vertegenwoordigde de oude marxistische opvatting tegenover de IIIe Internationale, die reeds toen naar mijn overtuiging niets internationaals meer aan zich had, maar een willekeurig werktuig van de Sovjet-Russische staatspolitiek vertegenwoordigde. Ik nam in mei 1924 de leiding van het NAS op me en zette in tegenstelling tot de wil van de Komintern het uittreden van deze organisatie uit de Rode Vakverenigingsinternationale door [De Rode Vakverenigingsinternationale (RVI) werd in 1921 op initiatief van de Komintern opgericht. Sneevliet had zich overigens zelf sterk gemaakt voor de aansluiting van het NAS bij de RVI. Deze aansluiting kwam in december 1925 tot stand, maar in 1927 kwam het tot een breuk toen de RVI de kleine NAS-federaties wilde opheffen. Voor Sneevliet betekende dit ook een breuk met de CPN.] Tegelijkertijd verzamelde ik de oppositiegroepen van de marxistische en Comm. Partij Holland (RIOD: ... en richtte in 1929 de revolutionair-socialistische Partij in Holland op). Toen in 1934 de OSP zich bereid verklaarde te fuseren, werd hiertoe door mijn partij overgegaan en bestond tot het jaar 1940 onder de naam RSAP. De partij telde ongeveer 3500 leden en koos mij tot lid van de Tweede Kamer (1933, RSP) waarin ik tot 1937 mijn partij vertegenwoordigde. Gedurende mijn werkzaamheid als lid van de Tweede Kamer heb ik de leiding van het NAS onbezoldigd voortgezet en het overschot van mijn inkomsten als parlementslid de RSAP ter beschikking gesteld, zodat ik van mijn vakbondsinkomsten, f 50,- per week, mijn levensonderhoud bestreed. Nadat in 1937 mijn mandaat niet doorgezet kon worden, nam ik weer mijn werkzaamheid als leider van het NAS op me en leidde daarbij tegelijkertijd de RSAP. Deze verhouding bestond tot mei 1940, toen mijn politieke werkzaamheid door het verbod van de organisatie werd beëindigd en ik mijn betaalde positie van het NAS opzegde, welke organisatie nog enige maanden bestond. Bij het uitbreken van de oorlog in mei 1940 bevond ik mij met vakantie in Brussel en vernam na mijn terugkeer, dat de Hollandse politie naar mij zocht. Een week later, na de bezetting, werd ik tegelijk ook door de Duitse autoriteiten gezocht. Sedertdien houd ik mij verborgen en reis dakloos kriskras door Nederland.

Vermeld moet nog worden dat ik in 1925 naar een congres van de minderheden van een vakbeweging in Engeland naar Londen wilde reizen, maar op initiatief van de Secret Service op grond van mijn bekende koloniale werkzaamheid mij de toegang verhinderd en het betreden van de Engelse bodem voor alle tijden verboden werd [Bedoeld wordt de Minority Movement, de linkervleugel van de Engelse vakcentrale TUC in de jaren twintig].

Verder was ik in opdracht van het NAS in 1936 tijdens de roodspaanse burgeroorlog in Barcelona. Mijn verblijf duurde een maand, waarin ik besprekingen met de POUM, een socialistische arbeiderspartij en zelfstandige oppositiegroep tegen de Komintern, voerde. Tegelijkertijd had ik besprekingen met de leiders van de anarcho-syndicalistische vakbondsgroepen, om ze voor de machinaties van de Komintern te waarschuwen.

(...)
Voortzetting van het verhoor op 9 maart 1942.
(...)
Ter zake:
Na het verbod van de RSAP door de Duitse bezetting werd ik eerst door de Hollandse en later door de Duitse politie gezocht, zodat ik mijn woonplaats moest opgeven om mij illegaal in Holland te verbergen. Hierdoor kwam het, dat ik mijn oude partijvrienden opzocht, die mij het betrouwbaarst schenen en met hen over de nieuw ontstane situatie discussieerde. Uit deze besprekingen kreeg ik de indruk, dat het verbod van alle marxistische en communistische partijen door de Duitse bezetting noodzakelijkerwijs de vorming van geheime organisatie van de oude partij tot gevolg moest hebben en een versplintering der arbeidersbeweging veroorzaakte. Van deze gedachte uitgaand heb ik met mijn oude partijvrienden een vereniging gevormd, die eerst als illegale organisatie de grondsteen voor een nieuwe arbeidersbeweging in Nederland moest vormen. Uit deze overweging betrok ik er slechts de meest betrouwbare en beste functionarissen der vroegere RSAP bij en begon met een politieke scholing, met in achtneming van de verhoudingen van het ogenblik. Mede beslissend voor het kleine aantal medewerkers was voor mij het feit, dat wij in de illegaliteit nog geen ervaring hadden en voorzichtig moesten werken. Als politieke richtlijnen voor deze organisatie ‘Marx-Lenin-Luxemburg-front’ stelde ik het volgend program op:

Een vast partijprogram was niet aanwezig. Ik had echter de volgende tendens voor ogen, waarnaar ik de organisatie leidde:

Ik zie in de huidige oorlog de tweede imperialistische wereldoorlog, die zijn oorzaak in het vredesverdrag van Versailles had en wiens beëindiging, onverschillig welke zijde in de oorlog wint, dezelfde toestand slechts in verscherpte vorm tot gevolg zal hebben, zodat slechts verdere oorlogen het gevolg zullen zijn. Naar mijn mening kan een zekere vrede slechts door een algemene onteigening van alle natuurproducten en productiemiddelen veroorzaakt worden, die dan door de verschillende volken tot het wel van allen beheerd worden. Hieraan is gelijkbeduidend de opheffing van alle koloniale heerschappij en de liquidatie van de tot nu toe gevoerde koloniale politiek van alle volken. De productie in de afzonderlijke landen moet door de desbetreffende volken tot ontwikkeling gebracht en door een internationale organisatie gecontroleerd worden, waaraan alle landen gelijkberechtigd deelnemen. Over de samenvatting der economische gebieden moet door een vrije stemming van de afzonderlijke volken gestemd worden. Parallel met de onteigening van de natuurproducten en productiemiddelen verloopt naar mijn overtuiging de oplossing van het klassenvraagstuk in de zin van de liquidatie van de klassentegenstellingen. Ofschoon generaties ermee bezig zullen zijn om de heroriëntering van het individu op het geheel door te zetten, zal op de basis van deze economische grondslagen een overgangsmogelijkheid geschapen worden, waarin bij de bestaande verschillende normen van beloning van de arbeidskracht praktisch rekening wordt gehouden. De grondgedachte is de uiteindelijke verwezenlijking van een arbeidersstaat met gelijke verdienste- en levensverhoudingen op internationale basis. Een these, die destijds door Marx werd vertegenwoordigd.

Mijn toevoeging van de namen Lenin en Luxemburg ter formulering van mijn nieuwe organisatie geschiedde daarom, omdat de door Lenin en Rosa Luxemburg vertegenwoordigde opvattingen in de wereldoorlog 1914 naar mijn mening voor en na deze oorlog richting kunnen geven. Hierbij verwijs ik naar de uitspraak van Lenin: “In deze imperialistische periode zullen de imperialistische oorlogen elkaar opvolgen, zolang, tot de arbeidersklasse in enige van de belangrijkste landen van Europa de overwinning van de nieuwe economische orde verwerkelijkt hebben”. (RIOD: “ ..., zolang, tot de arbeidersklasse in enige van de belangrijkste landen de overwinning van de nieuwe economische orde verwerkelijkt heeft”.)

Uit deze politieke wereldbeschouwing volgt voor mij in de praktijk het feit, dat ik elk van de thans oorlogvoerende partijen, zij het Engeland of Duitsland, als imperialistische staat afwijs, zoals ik ook alle met deze oorlogsstaten samenhangende partijen als tegenstanders van de door mij resp. Marx, Lenin of Luxemburg opgestelde nieuwe ordening moet afwijzen. Ik geloof, dat bij de verschillende volken stromingen voor de verwerkelijking van mijn opvattingen bestaan, maar tot nu toe geen organisatie aanwezig is die deze opvattingen zou kunnen doorvoeren.

(...)

Rede Sneevliet tijdens tweede zittingsdag proces

Van Lenin heb ik een sterke indruk gehad, zoals men die slechts van grote persoonlijkheden krijgt, die niets voor zich maar alles slechts voor anderen willen. Lenin heeft reeds destijds gezegd, dat in Oost-Azië Japan en Engeland zo tegenover elkaar zouden staan, zoals thans het geval is. Hij had in zoverre een zekere koloniale belangstelling als hem de vraag van de niet-Russische minderheden in Rusland sterk bezighield. Zijn maatregelen wekten dikwijls de schijn van opportunisme. Dat is ook hieruit te verklaren, dat hij zoals alle leninisten meer in de theorie thuis was, bij de uitvoering van zijn ideeën in de praktijk echter moeilijkheden had. Lenin heeft reeds voor het nationaalsocialisme de vrede van Versailles als onrechtvaardig gekenmerkt. De Volkenbond noemde hij een verzekeringsmaatschappij voor de uitbuiters- en roversmachten. Daarom heb ook ik het verschijnen van Litwinof in de Volkenbond niet begrepen [Maxim Litwinof was van 1930 tot 1939 volkscommissaris van buitenlandse zaken van de Sovjet-Unie. In 1934 trad de Sovjet-Unie toe tot de Volkenbond].

Nadat ik 40 jaar gestreden heb, voel ik mij verantwoordelijk voor mijn idee. Had ik na de bezetting van Nederland gezwegen, dan had bij mijn leeftijd de idee kunnen afsterven. Dat ik illegaal gestreden heb, daar moet juist het nationaalsocialisme begrip voor hebben. Want al is dat ook legaal aan de macht gekomen, het heeft in 1923 toch ook illegaal gewerkt. Bovendien kan men, als men zo lang actief was, niet lange tijd zwijgen. De aanleiding tot praten was het feit, dat Duitsland in Nederland niet slechts militair regeerde, maar ook nog iets anders wilde. Zoals ik nu zie sta ik niet voor een militaire, maar voor een burgerlijke rechtbank. Ik ken ook de eerste rede van de rijkscommissaris [In de redevoering die Seyss-Inquart hield bij het aanvaarden van zijn ambt als rijkscommissaris suggereerde hij een gematigde politiek te zullen voeren]. Hier moet het Germaanse rijk voorbereid worden. Als hier echter aan het eind van de oorlog werkelijk een Germaans rijk ontstaat, zal dat het hele resultaat van deze oorlog zijn? Wat met de andere volken van het blanke ras? De situatie aan het eind van deze wereldoorlog zal een heel andere zijn dan overeenkwam met de wil en het program van de verantwoordelijken aan het begin. Duitsland heeft tot voor kort nog veel anders gezien. In 1938 las ik in de Frankfurter Zeitung, het bericht van generaal Von Fallkenhausen, de medewerker van Tsjang Kai-sjek [Von Falkenhausen was van 31 mei 1940 tot 18 juli 1944 militair bevelhebber van België en Noord-Frankrijk]. Volgens deze werd China een grote kans voorspeld. En thans? (Op de eerste dag: ik zie de dreigende schaduw van Japan boven het tropenarme Europa opduiken.)

Veel van de uit Duitsland komende ideeën, waaronder de sociale gedachte, vinden mijn bijval. Maar, mijnheer de rechter, hebben niet de gebeurtenissen sedert 1933 op uw beginselen of ik wil zeggen op het nationaalsocialisme veranderend gewerkt?

Het slotwoord van Sneevliet in de hoofdzitting voor het Deutsches Obergericht, Amsterdam, 9 april 1942

Ik zou de heer procureur-generaal willen zeggen, dat ik tot aan de laatste drie dagen nog nooit in praktische aanraking met het nationaalsocialisme geweest ben, dat ik vroeger uit eigen ervaring niet kende. Ik ben hier gekomen met het gevoel, dat wij in deze zaak een moeilijke afrekening hebben. In ieder geval heb ik niet op de conclusie gerekend, die de procureur-generaal in zijn rede heeft getrokken. Daarvan afgezien moet ik de procureur-generaal mijn werkelijke erkenning voor zijn rede uitdrukken. Ik vlei niet als ik dat zeg, maar ik moet er van deze plaats met nadruk op wijzen, dat men ons in dit proces gelegenheid gegeven heeft, al onze opvattingen uitvoerig tot uitdrukking te brengen.

Wij zijn slechts een kleine groep, maar zij heeft de vaan gedragen en steeds hoog gehouden. Ligt daarin niet voor haar werkzaamheid de beste getuigenis die men haar kan geven? Daarbij is het van geen betekenis, over succes of wansucces te spreken.

Dat hier van sabotage in het proces sprake kan zijn, heeft mij niet verwonderd. Ik wist dat reeds uit de aanklacht. Gedurende het verloop van het proces rekende ik er in ieder geval op, dat deze gevaarlijke bepaling van de sabotageverordening weer verdwijnen zou. Eenmaal in mijn leven is mij reeds iets dergelijks gebeurd. In Nederlands-Indië stond ik eens, vele jaren geleden, wegens twee vergrijpen onder aanklacht, toen ik een herinneringsartikel geschreven had. Toen is mij ten laste gelegd, dat ik een samenzwering had voorbereid. Het is mij toen gelukt door mijn opvattingen de procureur generaal zo te overtuigen, dat hij dit punt van aanklacht gedurende het proces weer introk. Daaraan moest ik denken op het huidige ogenblik, toen ik hier verrast werd door het feit dat de procureur-generaal hier weer sabotage ter sprake bracht. Drie keer had ik in mijn leven in totaal met rechters te maken [Naast zijn veroordeling in Indonesië, waarnaar hij in zijn verhoor en in het slotwoord verwees, was Sneevliet in 1933 veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf vanwege zijn steun aan de muiterij op het marineschip De Zeven Provinciën]. Twee keer waren het rechters van kapitalistische staten en thans, de gevaarlijkste keer, een socialistisch rechtscollege. En ik moet zeggen, mijn ideeën over het begrip van de rechtspleging zijn in de behandeling van dit proces niet bevredigd, niet omdat er iets ontbroken zou hebben aan de persoonlijke houding van de rechter tegenover ons, daarvan kan geen sprake zijn. Maar ik moet zeggen, dat bij de andere rechtscolleges de mogelijkheid, die men mij gaf op de zaak voor te bereiden en mijn verdediging dienovereenkomstig in te richten, een betere was dan die ik hier gezien heb. (Hier wordt beklaagde onderbroken door de president met de terechtwijzing, dat dergelijke uitingen niet toegelaten worden.) [Verdediger de Pont kreeg pas een dag van tevoren te horen dat hij de leden van het MLL-Front moest verdedigen. De overige verdedigers, Worst en van Kuyk, verschenen onvoorbereid toen de zitting al aan de gang was. Tijd om de stukken te bestuderen en overleg te plegen met de beschuldigden was er dus niet of nauwelijks].

Het begrip sabotage was voor mij steeds een bepaalde materiële handeling, die op verwoesting, beschadiging e.d. gericht was. Zo heb ik dat in mijn ervaringen steeds gezien en als men in de krant van de sabotageverordening gelezen heeft en als er dan tegelijkertijd ook over gesproken is, dan heeft men nooit kunnen aannemen, dat in een geval als het onze ooit tot toepassing van deze sabotageverordening zou kunnen komen. Dat is het punt dat mij het meest verbaasd heeft in dit gehele proces. Ik wil trachten, zonder over voldoende vakkennis te beschikken, naast de argumenten, die drie Hollandse advocaten hier tot uitdrukking gebracht hebben, tegen de toepassing van deze verordening in dit proces te spreken. Hiertoe zou ik op een punt willen wijzen, dat daarbij van betekenis is: men had hier gisteren een beklaagde uit het proces uitgeschakeld [Bedoeld wordt Klaas Barten]. De heer procureur-generaal heeft dat juist gevonden. De overigen worden door hem thans in deze rede geheel anders gewaardeerd. Maar desondanks zouden zij allen sabotage bedreven hebben. Ik ben het er met een van onze verdedigers over eens, dat er steeds weer arbeiders geweest zijn en zijn, die zo veel geestelijke belangstelling hebben dat zij pogen moeilijke problemen zelf te verwerken. Wie het leven van de arbeiders kent zoals ik van mijn jeugd af — ik kom zelf ook uit zogenaamde proletarische kringen, mijn vader was gevangenbewaarder — voor die is het interessant te zien, dat uit de arbeiderskringen geestelijke elementen tot ontwikkeling komen zoals u die ook in dit proces ziet. Een van de beklaagden is bijv. slechts bakkersleerling [Verwijzing naar Willem Dolleman].

Men moet er toe komen, en dat zou ik willen ondersteunen, één verantwoordelijk man te zien en alle anderen als minder verantwoordelijk, niet omdat ze bepaalde handelingen, bepaalde besprekingen niet gedaan hebben, maar omdat hun rol in de geschiedenis een veel kleinere was.

Een dergelijke wetgeving kan er toe leiden, de moeilijke taak van een vreemd bestuur in dit land in plaats van te vergemakkelijken slechts nog moeilijker te maken. Ik spreek daarbij uit koloniale ervaring. Ik heb bijv. gezien in Sjanghai, dat de Chinezen zich door de rechtspleging der Engelsen altijd benadeeld voelden. Wij hier in Holland ondergaan het als zeer moeilijk, dat men zulke straffen kan uitspreken voor handelingen, die naar de algemene opvatting van het volk in het geheel niet zulke daden zijn als de wet die begrijpt. Vraagt u tien Nederlanders over de rekbaarheid der sabotageverordening en niet een zal het onderschrijven, dat men in dergelijke gevallen als het onze aan sabotage zou kunnen denken. Ik ken de hulpmiddelen van het recht en van de rechtspleging voldoende om te begrijpen, dat men hier en daar soortgelijke pogingen doet. Misschien heeft men toch niet genoeg geduld met de milde behandeling die tot nu toe gebruikelijk was, gehad?

Het is toch een feit, dat u er ernstig van overtuigd bent, dat de Nederlanders volgens bloed en bodem dicht bij uw volksgenoten staan. Dat is ook wel juist. De grens van Holland naar het Westen is de zee, die een veel grotere, diepere en sterkere afgrenzing schept dan die aan de Oostzijde. Misschien is het helemaal niet zo’n slechte leus, het woord: Nederduits-weder Duits. De verschillen zijn helemaal niet zo groot. Het is daarom zeer te loven geweest, dat men met de gedachte hierheen kwam geestelijk te veroveren en niet te vernietigen. Ik was in de dagen toen de Duitse troepen binnenrukten hier in Amsterdam. Men zag daar dat in ware paniekstemming hele bibliotheken in arbeiderswoonwijken uit angst voor huiszoekingen op straat werden geworpen. Toen heeft de rede van de rijkscommissaris een grote wending veroorzaakt [Verwijzing naar Seyss-Inquart]. Met het hieruit verworven goed zou wel meer geduld nodig geweest zijn, want als het juist is dat de leider van Duitsland tot uitdrukking gebracht heeft “Ik keer terug tot het werk als een nog fanatieker nationaalsocialist dan ik ooit geweest was” dan zullen zich na de oorlog zo grote mogelijkheden en zo grote erfuehlungen bieden, zowel in het land dat overwon als ook in het land dat onderligt. Daarom zou men geduld moeten hebben om een zekere spanne tijds te overbruggen, want alleen daarmee zou alles te winnen zijn.

RSAP, saboteur of niet? Indien mogelijk scheid de anderen af en neem de oude alleen. Want indien saboteur, dan is hij het beslist. Men kan dit vraagstuk echter niet alleen van uit Duits standpunt beoordelen, men moet ook met zekere uitwerkingen van een dergelijke zaak op de Nederlandse bevolking rekening houden. Mijn woorden zijn niet zo te verstaan als zou ik willen dreigen. Ik tracht mijn leven te verdedigen, ook als het mij noch geld, noch goederen noch goed betaalde parlementaire werkzaamheid gebracht heeft, want ik ben steeds slechts een arme sloeber gebleven. Het leven heeft ook waarde, als geld en goed niet voorhanden zijn; er is een rijke innerlijke overtuiging aanwezig, die mij ook in persoonlijke dingen moed tot leven gegeven heeft, ook als de situaties somber waren — in 1932 en 1937 zijn mijn beide zoons gestorven -. Uit deze overwegingen heeft mijn overtuiging een grote waarde voor mij en daarom zou ik deze ook nog in andere vorm willen doorgeven. Ik geloof, dat de tijd gekomen is, me weer te laten spreken en mijn redevoeringen op te schrijven en voor grotere taken te benutten waarvoor mijn levens- en denkkrachten nog toereikend zijn.

Ik heb gepoogd de nieuwe nationaalsocialistische beweging van 1919 af in de voornaamste uitingen te begrijpen, had echter te weinig tijd om alles door te studeren. Om de RSAP juist te kunnen beoordelen moet men de innerlijke kracht van deze groep kennen. De Trotski-groep is niet te vergelijken met andere communistische organisaties. Er is een splitsing tussen Trotski en Stalin en het is niet mogelijk, hier in dit land deze beide groepen te vermengen, daar in de arbeidersbeweging reeds sinds 14 jaar het vraagstuk van de tegenstellingen van de formatie der RSAP en het stalinisme uitgedragen is. Wij waren er aan gewend, van stalinistische kant als helpers van de fascistische organisaties beschouwd te worden.

Spreken wij voor Oranje? Nooit! Tegen Oranje! Wij hebben ook op dit punt een omgekeerde tendens als de stalinisten. Terwijl wij er scherp stelling tegen namen, zeggen zij dat Oranje zijn plaats in de wereld zal behouden. Wij zeggen, dat de 10de mei voor Holland het einde van een ontwikkelingsperiode betekent. Deze bewering stellen wij op, omdat wij communisten zijn. De oude koloniën krijgt Nederland nooit terug. Ik geloof, mijne heren, dat er geen mogelijkheid bestaat om in een geval als het onze de sabotageverordening toe te passen. Uit deze overweging werd een slecht voorbeeld genomen, daar nog nooit een andere groep met deze verordening veroordeeld werd.

Kent u, mijnheer de procureur-generaal, de RSAP om deze als saboteur te doen doden? Zij is immers reeds dood door de successen van uw politie. De tijd nadert, mij met ander werk te belasten. Het kan niet waar zijn, dat u zich een totaal beeld van deze groep uit enige vlugschriften kunt maken. U weet van de hoofdzaak niets. Deze vlugschriften waren werkelijk niet de beste stukken. Toen ik zei dat wij in hervormingspolitiek de hoofdzaak zagen, heb ik van mijn lange ervaringen gesproken. De problemen zijn zo gecompliceerd geworden, dat men niet alles vereenvoudigen en tot een niets terug kan brengen [In deze passage gaf Sneevliet geen realistisch beeld van de opvattingen van het MLL-Front. Blijkbaar probeerde Sneevliet een minder gevaarlijk beeld te scheppen van de organisatie]. Ik weet niet of het voor een macht als de Duitse in de huidige realiteit geen kwestie van genoegdoening is, hier in het land bloed te doen vloeien. Ik weet niet of men niet toch uit politieke overwegingen iets anders wil doen. Als wij ook gescheiden marcheren, zullen wij toch tot op zekere hoogte tot een verhoging van onze kracht komen.

Want economie is beslissend.

De toepassing van de sabotageverordening in dit geval is onrechtvaardig. Het geval had in Holland niet slechter gekozen kunnen worden.

Er is in dit proces herhaaldelijk sprake van geweest, dat aanhangers van onze groep voor Duitsland en Duitse belangen gewerkt hebben. Men heeft mij gevraagd hoe ik als bestuurder daartegenover stond. Ik heb de volgende opvatting vertegenwoordigd: De arbeider moet leven, hij moet eten en hij moet de arbeid die van hem verlangd wordt leveren. Het bestuur heeft geen recht, hem op dit punt beperkingen op te leggen. Ik heb wel eens een kameraad die in Frankrijk voor hoger loon gewerkt heeft dan de Franse arbeiders gevraagd hoe de Franse arbeiders tegenover dit vraagstuk stonden. Het is juist: het nationaalsocialistische element is niet ons element. Maar wij hebben in het vraagstuk van de arbeid niet dergelijke consequenties getrokken als de nationale kringen in Holland doen. Mij zijn de zorgen bekend, die Mussert heeft als hij moet zeggen, dat thans zovele van zijn aanhangers een veilig heenkomen zoeken in staatsbetrekkingen, daarmee echter de beweging verzwakken [Ook deze passage moet niet letterlijk worden opgevat. Het MLL-Front vond dat leden die bijvoorbeeld voor werk naar Duitsland werden uitgezonden moesten proberen daar een politieke werking op te bouwen].

Ik kon tot een resumé van mijn opvattingen:

Met de toepassing van de ordebeschermende verordening was naar mijn gevoel hier te rekenen, niet echter met de sabotageverordening [De door Sneevliet genoemde ordebeschermende verordening van 25 juli 1941 werd in de dagvaarding genoemd. De MLL-Fronters werden ervan beschuldigd de paragrafen 7 en 8 te hebben overtreden. Op overtreding van deze paragrafen stond gevangenisstraf, in ernstige gevallen tuchthuisstraf; de doodstraf kon op grond van deze paragrafen niet worden uitgesproken]. Het zou dan ook te onderzoeken zijn of het niet beneden de waardigheid van het huidige Duitsland is een dergelijke vernietiging van een kleine partij, die slechts kleine successen bereikt had, te veroorzaken. Politieke delicten kunnen niet zonder het in achtnemen van politieke standpunten tot afsluiting worden gebracht.

Ik dank u voor de aandacht, waarmee u mij hebt aangehoord en ik verzoek de uiteenzettingen van de verdediger en de mijne bij het vellen van het vonnis in overweging te nemen. Tenslotte zou ik nog om een gunst willen vragen, niet voor mij, maar ter wille van mijn vrouw die gevangen zit en voor de andere vrouwen van onze beweging, die niets anders gedaan hebben dan vrouwen van politieke mannen te zijn. Ik verzoek u ze zo te behandelen, dat zij niet door de slagen getroffen worden, die wij ons door onze arbeid toegetrokken hebben [Met deze opmerkingen probeerde Sneevliet de gearresteerde vrouwen vrij te krijgen; in dit licht moet men ook de formulering over vrouwen van politieke mannen beoordelen].