Jozef Stalin

Over dialectisch en historisch materialisme



Geschreven: 1938
Bron: Uitgeverij Stichting onderzoek en studie, Rotterdam
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling en punctuatie
Transcriptie Rick Denkers, HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, maart 2006


1 Dialectiek

De marxistische dialectische methode wordt gekenmerkt door de volgende fundamentele trekken.

a) In tegenstelling tot de metafysica beschouwt de dialectiek de natuur niet als een toevallige opeenhoping van los van elkaar staande, geïsoleerde en niet van elkaar afhankelijke voorwerpen en verschijnselen, maar als één samenhangend geheel, waarin de voorwerpen en verschijnselen organisch met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk zijn en elkaar vooronderstellen.

Derhalve meent de dialectische methode dat men een enkel verschijnsel in de natuur kan begrijpen, als men het geïsoleerd, buiten verband met de omringende verschijnselen neemt, want elk willekeurig verschijnsel op elk willekeurig gebied van de natuur kan tot een zinneloosheid worden gemaakt, als men het beschouwt buiten verband met de omringde voorwaarden en los daarvan; en omgekeerd, elk willekeurig verschijnsel kan worden begrepen en gemotiveerd, als men het beschouwt in zijn onverbrekelijk verband met de omringende verschijnselen, in zijn afhankelijkheid van de verschijnselen, die het omringen.

b) In tegenstelling tot de metafysica beschouwt de dialectiek de natuur niet als een toestand van rust en onbeweeglijkheid, van stilstand en onveranderlijkheid, maar als een toestand van onafgebroken beweging en verandering, van onafgebroken vernieuwing en ontwikkeling, waar steeds iets ontstaat en zich ontwikkelt, steeds iets te gronde gaat en zijn tijd overleeft.

Derhalve eist de dialectische methode, dat de verschijnselen niet alleen zullen worden beschouwd van het gezichtspunt van hun onderlinge samenhang en onderlinge afhankelijkheid, maar ook van het gezichtspunt van hun beweging, hun verandering, hun ontwikkeling, van het gezichtspunt van hun ontstaan en vergaan. Voor de dialectische methode is niet datgene in de eerste plaats van belang, wat op het gegeven ogenblik stevig schijnt, maar reeds begint af te sterven, doch datgene, wat ontstaat en zich ontwikkelt, zelfs indien het er op het gegeven ogenblik niet stevig uitziet, want voor de dialectische methode is alleen datgene onoverwinnelijk, wat ontstaat en zich ontwikkelt.

“De gehele natuur, zegt Engels, bevindt zich vanaf het kleinste tot aan het grootste, van de zandkorrels tot aan de zonnen, van de protisten (oorspronkelijk levende cel — Red.) tot aan de mens, in een eeuwig ontstaan en vergaan, in een onafgebroken vloeien, in rusteloze beweging en verandering.”

(F. Engels, Dialektik der Natur, Moskou, 1935, blz. 491).

Derhalve neemt de dialectiek, zoals Engels zegt,

“de dingen en hun afbeeldingen in de begrippen, in wezen in hun verband, hun aaneenschakeling, hun beweging, hun ontstaan en vergaan”

(Engels, Anti-Dühring, Ned. Vert. Pegasus 1938, blz. 21)

c) In tegenstelling tot de metafysica beschouwt de dialectiek het ontwikkelingsproces niet als een eenvoudig proces van groei, waarin de kwantitatieve veranderingen niet tot kwalitatieve veranderingen voeren, maar als een ontwikkeling, die van onbetekenende en verborgen kwantitatieve veranderingen overgaat naar openlijke veranderingen, naar fundamentele veranderingen, niet geleidelijk, maar snel, plotseling, in de vorm van een sprongsgewijze overgang van de ene toestand naar de andere optreden, hetgeen niet toevallig, maar wetmatig geschiedt, als het resultaat van de opeenhoping van onmerkbare en geleidelijke kwantitatieve veranderingen. Derhalve oordeelt de dialectische methode, dat men het ontwikkelingsproces niet moet opvatten als een cirkelgang, niet als een eenvoudig herhalen van de afgelegde weg, maar als een voortschrijdende beweging, als een beweging in opwaarts gaande lijn, als een overgang van de oude kwalitatieve toestand naar een nieuwe kwalitatieve toestand, als een ontwikkeling van het eenvoudige naar het ingewikkelde, van het lagere naar het hogere.

“De natuur”, zegt Engels, “is de proef op de dialectiek. En wij moeten erkennen, dat de moderne natuurwetenschap voor deze proef een uiterst rijk, dagelijks toenemend materiaal heeft geleverd en daarmede heeft bewezen, dat het in de natuur, in laatste instantie, dialectisch en niet metafysisch toegaat, dat zij zich niet eeuwig in dezelfde kring voortbeweegt, maar een werkelijke geschiedenis doormaakt. Hier moet voor alles Darwin genoemd worden, die aan de metafysische natuurbeschouwing een geweldige schok heeft toegebracht door zijn ontdekking, dat de gehele tegenwoordige organische natuur, planten en dieren en daarmede ook de mens, het product is van een gedurende miljoenen jaren voortgezet ontwikkelingsproces”.

(Engels, Anti-Dühring t. a. p. blz. 21).

De dialectische ontwikkeling karakteriserende als de overgang van de kwantitatieve veranderingen naar kwalitatieve veranderingen, zei Engels:

“In de fysica... is iedere verandering een omslag van de kwantiteit in de kwaliteit — het gevolg van de kwantitatieve verandering van de in het lichaam voorhanden of daaraan toegevoerde hoeveelheid beweging in de een of andere vorm. Zo heeft bv. de temperatuur van het water de eerste tijd geen invloed op de vloeibaarheid daarvan, maar bij de verhoging of verlaging van de temperatuur van het vloeibare water breekt er een moment aan dat deze cohesietoestand zich wijzigt en het water in het ene geval in damp en in het andere geval in ijs verandert... Zo is er een bepaalde minimumstroomsterkte voor nodig om de platinadraad van de elektrische gloeilamp te doen gloeien, zo heeft ieder metaal zijn eigen gloei- en smeltpunt; zo heeft iedere vloeistof haar eigen, bij een gegeven druk vaststaand vries- en kookpunt — voor zover onze middelen het ons veroorloven om de betreffende temperatuur te doen ontstaan; zo heeft tenslotte ook elk gas zijn kritiek punt, waar druk en afkoeling het tot druppels, vloeibaar doen worden... De zogenaamde constanten van de fysica (de overgangspunten van de ene toestand in de andere — Red.) zijn voor het merendeel niet anders dan namen van knooppunten, waar de kwantitatieve wijziging, toevoer of onttrekking van beweging, een kwalitatieve verandering te weeg brengt in de toestand van het desbetreffende lichaam — waar dus de kwantiteit in de kwaliteit omslaat.”

(Dialektik der Natur, blz. 502).

Verder overgaand tot de chemie, vervolgt Engels:

“Men kan de chemie de wetenschap noemen van de kwalitatieve veranderingen van de lichamen ten gevolge van een veranderde kwantitatieve samenstelling. Dat wist Hegel zelf reeds ... Laten wij de zuurstof nemen: als zich hier in plaats van zoals gewoonlijk twee atomen drie atomen tot een molecuul verenigen, dan hebben wij ozon — een lichaam, dat door reuk en werking zeer duidelijk van de gewone zuurstof verschilt. En wat valt er niet te zeggen van de verschillende verhoudingen waarin zuurstof zich met stikstof of met zwavel verbindt en waarvan elk een van alle andere kwalitatief verschillend lichaam vormt.”

(zelfde plaats, blz. 503).

En tenslotte zegt Engels, bij zijn kritiek op Dühring, die uit alle macht tegen Hegel te keer gaat, maar tegelijk heimelijk aan hem de bekende stelling ontleent dat de overgang uit het rijk van de wereld zonder gevoel naar het rijk van het gevoel, uit het rijk van de anorganische wereld naar dat van het organische leven, een sprong is naar een nieuwe toestand:

“Dit is geheel en al Hegels knooplijn van maatverhoudingen, waar louter kwantitatieve toeneming en afneming op bepaalde knooppunten een kwalitatieve sprong veroorzaakt, bv. bij het verwarmen of afkoelen van water, waar het kookpunt en vriespunt de knopen zijn, waarbij zich de sprong in een nieuwe aggregatietoestand — onder normale druk — voltrekt, waar dus kwantiteit in kwaliteit omslaat.”

(Anti-Dühring, Nederlandse vertaling, blz. 422).

d) In tegenstelling tot de metafysica gaat de dialectiek ervan uit dat aan de natuurvoorwerpen, aan de natuurverschijnselen, innerlijke tegenstrijdigheden eigen zijn, want zij alle hebben hun negatieve en hun positieve kant, hun verleden en hun toekomst, hun aflevende en hun zich ontwikkelende kant — dat de strijd tussen deze tegenstellingen, de strijd tussen het oude en het nieuwe, tussen het afstervende en het ontstaande tussen het aflevende en zich ontwikkelende, het innerlijk gehalte van het ontwikkelingsproces, het innerlijke gehalte van het overgaan van de kwantitatieve veranderingen in kwalitatieve, vormt. Derhalve oordeelt de dialectische methode dat het ontwikkelingsproces van het lagere naar het hogere niet verloopt op de wijze van een harmonische ontwikkeling der verschijnselen, maar op de wijze van het blootleggen der tegenstrijdigheden, die aan de voorwerpen, de verschijnselen, eigen zijn, op de wijze van de ‘strijd’ van de tegenstrijdige tendentie, die op de grondslag van deze tegenstrijdigheden werkzaam zijn.

“In de eigenlijke zin”, zegt Lenin, “is de dialectiek het onderzoek van de tegenstrijdigheden in het wezen van de voorwerpen zelf”.

(Lenin, Filosofische Aantekeningen. blz. 263).

En verder:

“De ontwikkeling is de ‘strijd’ van de tegenstellingen”.

(Complete Werken, Deel XIII, blz. 301).

Dat zijn in het kort de fundamentele trekken van de marxistische dialectische methode.

Het is niet moeilijk te begrijpen welk een ontzaglijk grote betekenis de uitbreiding van de stellingen van de dialectische methode op de studie van het maatschappelijke leven en van de geschiedenis der maatschappij heeft, van welk een ontzaglijk groot belang de toepassing van deze stellingen op de geschiedenis van de maatschappij, op de praktische werkzaamheid van de partij van het proletariaat is. Als er op de wereld geen geïsoleerde verschijnselen bestaan, als alle verschijnselen met elkaar verbonden zijn en elkaar vooronderstellen, dan is het duidelijk dat men ieder maatschappelijk stelsel en iedere maatschappelijke beweging in de geschiedenis moet beoordelen, niet uit het gezichtspunt van de “eeuwige gerechtigheid” of van een andere willekeurige vooropgezette idee, zoals de historici dit niet zelden doen, maar uit het gezichtspunt van de omstandigheden, die dit stelsel en deze maatschappelijke beweging hebben doen ontstaan en waarmede zij verbonden zijn. Het slavenhoudersstelsel is onder de moderne verhoudingen een zinneloosheid, een tegennatuurlijke ongerijmdheid.

Het slavenhoudersstelsel onder de verhoudingen van het in ontbinding verkerende stelsel van de primitieve dorpsgemeenschap is een volkomen begrijpelijk en wetmatig verschijnsel, daar het een stap vooruit betekent, vergeleken met het stelsel van de primitieve dorpsgemeenschap. De eis van de burgerlijk democratische republiek was onder de verhoudingen van het tsarisme en van de burgerlijke maatschappij, laat ons zeggen in 1905 in Rusland, een volkomen begrijpelijke, juiste en revolutionaire eis, want de burgerlijke republiek betekende toen een stap vooruit. De eis van de burgerlijk democratische republiek onder onze tegenwoordige omstandigheden in de USSR is een onzinnige en contrarevolutionaire eis, want vergeleken met de Sovjetrepubliek is de burgerlijke republiek een stap achteruit.

Alles hangt af van de omstandigheden, van de plaats en de tijd. Het is te begrijpen, dat zonder zulk een historische behandeling van de maatschappelijke verschijnselen, het bestaan en de ontwikkeling van een wetenschap van de geschiedenis niet mogelijk is, want alleen zulk een behandeling behoedt deze wetenschap ervoor, tot een chaos van toevalligheden en een opeenstapeling van de meest dwaze fouten te worden. Verder. Als de wereld in onafgebroken beweging en ontwikkeling verkeert, als het afsterven van het oude en het aangroeien van het nieuwe een wet van de ontwikkeling is, dan is het duidelijk, dat er geen “onwrikbare” maatschappelijke toestanden, geen “eeuwige beginselen” van de particuliere eigendom en de uitbuiting, geen “eeuwige ideeën” van de onderwerping van de boeren aan de landheren, van de arbeiders aan de kapitalisten meer bestaan.

Het kapitalistische stelsel kan dus door het socialistische stelsel worden vervangen, evenals het kapitalistische stelsel in zijn tijd het feodale heeft vervangen. Men moet zich dus niet oriënteren op die lagen van de maatschappij, die zich niet verder ontwikkelen, al zijn zij ook op het huidige ogenblik een overheersende kracht, maar op de lagen die zich ontwikkelen, die een toekomst hebben, al zijn zij ook op het huidige ogenblik geen overheersende kracht. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, in het tijdvak van de strijd van de marxisten tegen de narodniki, was het proletariaat in Rusland een onbetekenende minderheid vergeleken met de individuele boeren, die de overweldigende meerderheid van de bevolking uitmaakten. Maar het proletariaat ontwikkelde zich als klasse, terwijl het boerendom als klasse uiteenviel.

En juist omdat het proletariaat zich als klasse ontwikkelde, oriënteerden de marxisten zich op het proletariaat. En zij hebben zich niet vergist, want het is bekend dat het proletariaat later van een onbetekenende kracht tot een historische en politieke kracht van de eerste rang is uitgegroeid. Men moet dus, om zich in de politiek niet te vergissen, vooruitzien en niet achteruit. Verder. Als de overgang van de langzame kwantitatieve veranderingen tot snelle en plotselinge kwalitatieve veranderingen een wet van de ontwikkeling is dan is het duidelijk, dat de revolutionaire omwentelingen, die door de onderdrukte klassen worden voltrokken, een volkomen natuurlijk en onvermijdelijk verschijnsel zijn.

De overgang van het kapitalisme naar het socialisme en de bevrijding van de arbeidersklasse van de kapitalistische onderdrukking kan dus niet worden verwezenlijkt langs de weg van de langzame veranderingen, niet langs de weg van hervormingen, maar alleen door kwalitatieve verandering van het kapitalistische stelsel, langs de weg van de revolutie. Men moet dus, om zich in de politiek niet te vergissen, een revolutionair en geen reformist zijn. Verder. Als de ontwikkeling verloopt door het blootleggen van de innerlijke tegenstrijdigheden, door de botsing van de tegenstrijdige krachten op de grondslag van deze tegenstrijdigheden teneinde deze tegenstrijdigheden te overwinnen, dan is het duidelijk dat de klassenstrijd van het proletariaat een volkomen natuurlijk en onvermijdelijk verschijnsel is.

Men moet dus de tegenstrijdigheden van de kapitalistische orde niet verdoezelen, maar ze blootleggen en afwikkelen, de klassenstrijd niet temperen, maar hem tot het einde toe doorzetten. Men moet dus, om zich in de politiek niet te vergissen, de onverzoenlijke proletarische klassenpolitiek voeren, maar geen reformistische politiek van de harmonie der belangen van het proletariaat en de bourgeoisie, geen compromispolitiek van het “ingroeien” van het kapitalisme in het socialisme. Zo staat de zaak met de marxistische dialectische methode, als men haar neemt in toepassing op het maatschappelijke leven, in toepassing op de geschiedenis van de maatschappij. Wat betreft het marxistische filosofische materialisme, dit is wat zijn grondslag betreft lijnrecht tegengesteld aan het filosofische idealisme.

2 Materialisme

Het marxistische filosofische materialisme wordt door de volgende fundamentele trekken gekarakteriseerd.

a) In tegenstelling tot het idealisme, dat de wereld als de belichaming van de “absolute idee”, van de “wereldgeest”, van het “bewustzijn” beschouwt, gaat het filosofische materialisme van Marx ervan uit dat de wereld naar aard materieel is, dat de veelvormige verschijnselen in de wereld verschillende soorten van de zich bewegende materie zijn, dat de onderlinge samenhang en de onderlinge afhankelijkheid van de verschijnselen, die door de dialectische methode worden vastgesteld, de wetmatigheden van de ontwikkeling der zich bewegende materie zijn, dat de wereld zich volgens de wetten van de beweging van de materie ontwikkelt en generlei “wereldgeest” van node heeft.

“De materialistische natuurbeschouwing”, zegt Engels, “betekent eenvoudig de opvatting van de natuur als datgene wat zij is, zonder enigerlei toevoeging van buiten.” (F. Engels, Manuscript bij Ludwig Feuerbach). Als hij de materialistische opvatting van de filosoof uit de oudheid, Heraclitus, aanroert, volgens wie “de wereld de eenheid van alles is, door geen godheid en door geen mens geschapen, maar zij was, zij is en zij zal eeuwig levend vuur zijn, wetmatig ontvlammend en wetmatig uitdovend”, dan zegt Lenin: “Een zeer goede uiteenzetting van de beginselen van het dialectische materialisme”.

(Filosofische Aantekeningen, blz. 318).

b) In tegenstelling tot het idealisme, dat beweert, dat slechts ons bewustzijn reëel bestaat, dat de materiële wereld, het zijn, de natuur, slechts in ons bewustzijn, in onze gevoelens, voorstellingen, begrippen bestaan, gaat het marxistische filosofische materialisme ervan uit dat de materie, de natuur, het zijn een objectieve realiteit is, die buiten en onafhankelijk van het bewustzijn bestaat, dat de materie het primaire is, daar zij de bron is van de gevoelens, de voorstellingen, het bewustzijn, en dat het bewustzijn het secondaire, het afgeleide is, daar het de weerspiegeling van de materie, de weerspiegeling van het zijn is, dat het denken het product is van de materie, die in haar ontwikkeling een hoge trap van volmaaktheid heeft bereikt en wel het product van de hersenen, die het orgaan van het denken zijn; dat men daarom het denken niet van de materie kan scheiden, als men niet tot een grove fout wil vervallen.

“Het belangrijkste vraagstuk van de gehele filosofie, zegt Engels, is het vraagstuk van de verhouding van het denken tot het zijn, van de geest tot de natuur...
Naar gelang deze vraag op deze of gene wijze werd beantwoord, splitsten de filosofen zich in twee grote kampen... Zij, die vasthielden aan de oorspronkelijkheid van de geest tegenover de natuur... vormden het kamp van het idealisme. De anderen, die de natuur als het oorspronkelijke beschouwden, behoren tot de verschillende scholen van het materialisme.”

(Engels, Ludwig Feuerbach, Ned. vert., blz. 15-16)

En verder:

“De stoffelijke, met de zintuigen waarneembare wereld, waartoe wij zelf behoren, is het enige werkelijke... Ons bewustzijn en denken, hoe bovenzinnelijk het ook schijnt, is het product van een stoffelijk lichaamsdeel, de hersenen. De materie is niet een product van de geest, maar de geest is zelf slechts het hoogste product van de materie”.

(Engels, zelfde plaats, blz. 19).

Het vraagstuk van de materie en het denken aanroerend, zegt Marx:

“Men kan het denken niet scheiden van de materie, die denkt. De materie is het subject van alle veranderingen.”

(F. Engels, De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap. Voorrede tot de Engelse uitgave, Marxistische Bibliotheek, nr. 7, Pegasus, 1933, blz. 14).

Het marxistische filosofische materialisme karakteriserend, zegt Lenin:

“Het materialisme erkent in het algemeen het objectieve werkelijke zijn (de materie), onafhankelijk van het bewustzijn, van het gevoel, van de ervaring... Het bewustzijn... is slechts de weerspiegeling van het zijn, in het beste geval zijn bij benadering juiste (adequate, ideaal nauwkeurige) weerspiegeling”.

(Complete Werken, Deel XIII, blz. 266-267).

En verder:
a) “De materie is datgene, wat door zijn werking op onze zinnen gevoel voortbrengt; de materie is de objectieve, ons in het gevoel gegeven werkelijkheid... De materie, de natuur, het zijn, het fysieke is het primaire en de geest, het bewustzijn, het gevoel, het psychische is het secondaire”. (zelfde plaats, blz. 119-120).
b) “Het wereldbeeld is het beeld van hoe de materie zich beweegt en hoe de materie denkt”. (zelfde plaats, blz. 288).
c) “De hersenen zijn het orgaan van het denken”. (zelfde plaats, blz. 125).

In tegenstelling tot het idealisme, dat de mogelijkheid van de kennis van de wereld en van haar wetmatigheid betwist, dat niet gelooft in de betrouwbaarheid van het weten, geen objectieve waarheid erkent en meent, dat de wereld vol is van “dingen op zich zelf”, die door de wetenschap nimmer kunnen worden gekend, gaat het marxistische filosofische materialisme ervan uit, dat de wereld en haar wetmatigheden zeer wel kenbaar zijn, dat onze kennis van de wetten van de natuur, getoetst aan de ervaring, aan de praktijk, betrouwbare kennis is, die de betekenis van objectieve waarheden heeft, dat er in de wereld geen onkenbare dingen zijn, maar dat er alleen dingen zijn die nog niet worden gekend, die door de krachten van de wetenschap en van de praktijk zullen worden blootgelegd en gekend. Bij zijn kritiek op de stelling van Kant en van andere idealisten over de onkenbaarheid van de wereld en de onkenbare “dingen op zich zelf” schreef Engels in zijn verdediging van de bekende stelling van het materialisme over de betrouwbaarheid van onze kennis:

“De meest afdoende weerlegging van deze, evenals van alle andere filosofische grillen is de praktijk, namelijk het experiment en de industrie. Wanneer wij de juistheid van onze opvatting van een natuurverschijnsel kunnen bewijzen, doordat wij het zelf tot stand brengen, het uit zijn voorwaarden doen ontstaan, het bovendien dienstbaar laten worden aan onze doeleinden, dan is het gedaan met Kant’s onvatbaar ‘ding op zich zelf’. De in de planten- en dierenlichamen gevormde chemische stoffen bleven zulke “dingen op zich zelf” totdat de organische chemie hen de een voor de ander na begon te vervaardigen; daarmee werd “het ding op zich zelf” een ding voor ons, zoals bv. de verfstof uit de meekrap, de alizarine, die wij niet meer op het land in de meekrapwortels laten groeien, maar veel goedkoper en eenvoudiger uit koolteer produceren. Het zonnestelsel van Copernicus was driehonderd jaren lang een veronderstelling waarop men honderd, duizend, tienduizend tegen een kon wedden, maar toch altijd een veronderstelling. Toen Leverrier echter uit de door dit stelsel gegeven feiten niet slechts de noodzakelijkheid van het bestaan van een onbekende planeet, maar ook de plaats berekende, waar deze planeet aan de hemel moest staan en toen Galle deze planeet daarna werkelijk vond, toen was het stelsel van Copernicus bewezen.”

(Engels, Ludwig Feuerbach t. a. p., blz. 17).

Lenin beschuldigde Bogdanov, Bazarov, Joesjkevitsj en andere aanhangers van Mach van fideïsme, verdedigde de bekende stelling van het materialisme, dat onze wetenschappelijke kennis van de wetmatigheden in de natuur betrouwbaar is, dat de wetten van de wetenschap objectieve waarheid zijn, en zei:

“Het moderne fideïsme verwerpt geenszins de wetenschap, het verwerpt alleen de “buitensporige aanspraken” van de wetenschap en wel de aanspraak op objectieve waarheid. Als er een objectieve waarheid bestaat (zoals de materialisten menen), als alleen de natuurwetenschap, die de buitenwereld in de “ervaring” van de mens weerspiegelt, in staat is, ons objectieve waarheid te geven, dan wordt ieder fideïsme onvoorwaardelijk verworpen.”

(Complete werken, deel 13, blz. 102)

Dat zijn in het kort de kenmerkende trekken van het marxistische filosofische materialisme. Het is gemakkelijk te begrijpen, welk een ontzaglijk grote betekenis de verbreiding van de stellingen van het filosofische materialisme op de studie van het maatschappelijk leven, de studie van de geschiedenis der maatschappij heeft — welk een ontzaglijk grote betekenis de toepassing van deze stellingen op de geschiedenis van de maatschappij, op de praktische werkzaamheid van de partij van het proletariaat heeft. Als de samenhang van de natuurverschijnselen en hun wederzijdse afhankelijkheid een wetmatigheid van de ontwikkeling der natuur zijn, dan vloeit hieruit voort dat de samenhang en de wederzijdse afhankelijkheid van de verschijnselen van het maatschappelijk leven eveneens geen toevalligheid, maar een wetmatigheid van de ontwikkeling der maatschappij zijn. Het maatschappelijk leven, de geschiedenis van de maatschappij is dus niet meer een opeenhoping van “toevalligheden”, want de geschiedenis van de maatschappij wordt tot een wetmatige ontwikkeling van de maatschappij en het onderzoek van de geschiedenis der maatschappij wordt tot een wetenschap. De praktische werkzaamheid van de partij van het proletariaat moet dus berusten niet op de vrome wensen van “uitblinkende persoonlijkheden”, niet op de eisen van “het verstand”, de “algemene moraal” etc., maar op de wetmatigheden van de ontwikkeling der maatschappij, op het bestuderen van deze wetmatigheden. Verder, als wij de wereld kunnen kennen en onze kennis van de wetten der ontwikkeling van de natuur betrouwbare kennis is, die de betekenis van objectieve waarheid heeft, dan volgt hieruit, dat het maatschappelijke leven, de ontwikkeling van de maatschappij, eveneens kunnen worden gekend en dat de gegevens van de wetenschap over de wetten van de ontwikkeling van de maatschappij betrouwbare gegevens zijn, die de betekenis van objectieve waarheid hebben.

De wetenschap van de geschiedenis van de maatschappij kan dus, ondanks heel de ingewikkeldheid van de verschijnselen van het maatschappelijk leven, eenzelfde exacte wetenschap worden als, laat ons zeggen, de biologie, een wetenschap, die in staat is om de wetten van de ontwikkeling der maatschappij voor praktische toepassing te gebruiken. De partij van het proletariaat moet zich in haar praktische werkzaamheid dus niet door deze of gene toevallige beweegredenen laten leiden, maar door de wetten van de ontwikkeling van de maatschappij, door de praktische gevolgtrekkingen uit deze wetten. Het socialisme wordt dus van een droom over een betere toekomst van de mensheid tot een wetenschap. De verbinding van de wetenschap en de praktische werkzaamheid, de verbinding van de theorie en de praktijk en hun eenheid moeten dus de leidster van de partij van het proletariaat worden. Verder, als de natuur, het zijn, de materiële wereld — het primaire, en het bewustzijn, het denken — het ,secundaire, het afgeleide is, als de materiële wereld een objectieve werkelijkheid is, die onafhankelijk van het bewustzijn der mensen bestaat en als het bewustzijn de weerspiegeling van deze objectieve werkelijkheid is, dan volgt hieruit, dat het materiële leven en de maatschappij, haar zijn, eveneens het primaire is, en dat het geestelijke leven het secondaire, het afgeleide is, dat het materiële leven van de maatschappij een objectieve werkelijkheid is, die onafhankelijk van de wil van de mensen bestaat en dat het geestelijke leven van de maatschappij de weerspiegeling van het zijn is.

De bron van de vorming van het geestelijke leven van de maatschappij, de ontstaansbron van de maatschappelijke ideeën, de maatschappelijke theorieën, de politieke opvattingen, de politieke instellingen, moet men dus niet in de ideeën, de theorieën, opvattingen, politieke instellingen zelf zoeken, maar in de voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij. In het maatschappelijke zijn, welke weerspiegeling deze ideeën, theorieën, opvattingen, enz. zijn. Als men dus in de verschillende perioden van de geschiedenis der maatschappij verschillende maatschappelijke ideeën, theorieën, opvattingen, politieke instellingen waarneemt, als wij onder het slavenhoudersstelsel deze maatschappelijke ideeën, theorieën, opvattingen, politieke instellingen ontmoeten, onder het feodalisme andere, onder het kapitalisme weer andere, dan is dit niet te verklaren door de “natuur”, niet door de “eigenschappen” van de ideeën, de theorieën de opvattingen, de politieke instellingen zelf, maar door de verschillende voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij in de verschillende perioden der maatschappelijke ontwikkeling. Zoals het zijn van de maatschappij, zoals de voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij zijn, zo zijn ook haar ideeën, theorieën, politieke opvattingen, politieke instellingen. In verband hiermee zegt Marx:

“Het is niet het bewustzijn van de mensen, dat hun zijn, maar omgekeerd, hun maatschappelijk zijn, dat hun bewustzijn bepaalt”,

(K. Marx, Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, Inleiding).

Om zich dus in de politiek niet te vergissen en niet in de toestand van ijdele dromers te geraken, moet de partij van het proletariaat bij haar werkzaamheid niet uitgaan van abstracte “beginselen van het menselijk verstand”, maar van de concrete voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij, als de beslissende kracht van de maatschappelijke ontwikkeling; niet van de goede wil van “grote mannen”, maar van de reële behoeften van de ontwikkeling van het materiële leven der maatschappij. De ondergang van de utopisten, de narodniki, de anarchisten en de sociaal-revolutionairen daarbij inbegrepen, is onder andere hier uit te verklaren, dat zij de primaire rol van de voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij in de ontwikkeling der maatschappij niet erkenden, daardoor tot idealisme vervielen en hun praktische werkzaamheid niet op grondslag van de ontwikkelingsbehoeften van het materiële leven der maatschappij opbouwden, maar onafhankelijk daarvan en daartegen in, op de grondslag van “ideale plannen” en “alles omvattende ontwerpen”, die los stonden van het reële leven van de maatschappij. De sterkte en de levenskracht van het marxisme-leninisme ligt hierin besloten, dat het bij zijn praktische werkzaamheid juist van de ontwikkelingsbehoefte van het materiële leven der maatschappij uitgaat en zich nooit van het reële leven der maatschappij losmaakt.

Uit de woorden van Marx volgt evenwel niet, dat de maatschappelijke ideeën en theorieën, de politieke opvattingen en politieke opvattingen en politieke instellingen niet van belang zijn voor het leven van de maatschappij, dat zij geen terugwerkende kracht uitoefenen op het maatschappelijke zijn, op de ontwikkeling van de materiële voorwaarden van het maatschappelijke leven. Wij spraken hier tot nu toe slechts over de oorsprong van de maatschappelijke ideeën, theorieën, opvattingen, politieke instellingen, over hun ontstaan, over het feit, dat het geestelijke leven van de maatschappij de weerspiegeling is van de voorwaarden van haar materiële leven.

Wat betreft de betekenis van de maatschappelijke ideeën, theorieën, opvattingen, politieke instellingen, wat betreft hun rol in de geschiedenis, het historische materialisme ontkent niet alleen niet, maar het legt zelfs de nadruk op de belangrijke rol en de betekenis daarvan in het leven van de maatschappij, in de geschiedenis van de maatschappij. Er komen maatschappelijke ideeën en theorieën van verschillende soort voor. Er zijn oude ideeën en theorieën, die hun tijd hebben overleefd en die de belangen van de aflevende krachten in de maatschappij dienen. Hun betekenis ligt hierin, dat zij de ontwikkeling van de maatschappij, haar beweging voorwaarts, remmen. Er bestaan nieuwe, vooruitstrevende ideeën en theorieën, die de belangen van de vooruitstrevende krachten in de maatschappij dienen. Hun betekenis ligt hierin, dat zij de ontwikkeling van de maatschappij, haar beweging voorwaarts vergemakkelijken, waarbij zij een des te grotere betekenis verkrijgen, naar gelang zij de ontwikkelingsbehoeften van het materiële leven der maatschappij nauwkeuriger weerspiegelen.

Nieuwe maatschappelijke ideeën en theorieën ontstaan slechts nadat de ontwikkeling van het materiële leven van de maatschappij haar voor een nieuwe taak heeft gesteld. Maar nadat zij zijn ontstaan, worden zij een bijzondere belangrijke kracht, die het vervullen van de nieuwe taken vergemakkelijkt, die door de ontwikkeling van het materiële leven van de maatschappij zijn gesteld en de beweging voorwaarts van de maatschappij vergemakkelijkt. Hier blijkt dan ook juist de geweldige organiserende, mobiliserende en reorganiserende betekenis van de nieuwe ideeën, nieuwe theorieën, nieuwe politieke opvattingen, nieuwe politieke instellingen. De nieuwe maatschappelijke ideeën en theorieën ontstaan juist ook daarom, omdat zij voor de maatschappij noodzakelijk zijn, omdat zonder hun organiserend, mobiliserend en reorganiserend werk de vervulling van de rijp geworden taak tot ontwikkeling van het materiële leven der maatschappij niet mogelijk is.

Ontstaan op de grondslag van de nieuwe taken, die door de ontwikkeling van het materiële leven van de maatschappij gesteld zijn, banen de nieuwe maatschappelijke ideeën en theorieën zich een weg, worden zij het bezit van de volksmassa’s, mobiliseren zij hen, organiseren zij hen tegen de aflevende krachten in de maatschappij en vergemakkelijken zij zo het ten val brengen van de aflevende krachten in de maatschappij, die de ontwikkeling van het materiële leven van de maatschappij remmen. Zo werken de maatschappelijke ideeën, theorieën, politieke instellingen, die op de grondslag van de rijp geworden taak van de ontwikkeling van het materiële leven der maatschappij, van de ontwikkeling van het maatschappelijke zijn, zijn ontstaan, daarna zelf op het maatschappelijke zijn, op het materiële leven van de maatschappij in en scheppen zij de noodzakelijke voorwaarden om de rijp geworden taak van het materiële leven van de maatschappij volledig te vervullen en haar verdere ontwikkeling mogelijk te maken. In verband hiermee zegt Marx:

“De theorie wordt tot materiële macht, zodra zij zich van de massa’s meester maakt.”

(Verzamelde Werken, Eerste Afdeling, Ter kritiek op de rechtsfilosofie van Hegel, blz. 614, Duits).

Teneinde dus de mogelijkheid te hebben om op de verhoudingen van het materiële leven van de maatschappij in te werken en hun ontwikkeling en verbetering te verhaasten, moet de partij van het proletariaat steunen op een maatschappelijke theorie, op een maatschappelijke idee, die de ontwikkelingenbehoeften van het materiële leven van de maatschappij op de juiste wijze weerspiegelt en die derhalve in staat is, de brede massa’s van het volk in beweging te brengen, hen te mobiliseren en uit hun midden het grote leger van de proletarische partij te organiseren, dat bereid is om de reactionaire krachten te verslaan en de weg te banen voor de vooruitstrevende krachten van de maatschappij. De ondergang van de “economisten” en de mensjewieken is onder andere hieruit te verklaren, dat zij de mobiliserende, organiserende en reorganiserende rol van een vooruitstrevende theorie, een vooruitstrevende idee niet erkenden en, doordat zij tot vulgair materialisme vervielen, deze rol bijna tot op nul terugbrachten en bijgevolg de partij tot passiviteit, tot niets doen veroordeelden.

De sterkte en levenskracht van het marxisme-leninisme liggen hierin besloten, dat het steunt op een vooruitstrevende theorie, die op de juiste wijze de ontwikkelingsbehoeften van het materiële leven der maatschappij weerspiegelt, dat het de theorie tot de haar toekomende hoogte verheft en het zijn plicht acht haar mobiliserende, organiserende en reorganiserende kracht ten volle te gebruiken. Zo lost het historische materialisme het vraagstuk van de verhouding tussen het maatschappelijke zijn en het maatschappelijke bewustzijn, tussen de ontwikkelingsvoorwaarden van het materiële leven en die van het geestelijke leven van de maatschappij op. Er blijft slechts een vraag ter verklaring over: wat moet men uit het gezichtspunt van het historische materialisme verstaan onder de “voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij”, die in de laatste instantie de gedaante van de maatschappij, haar ideeën, opvattingen, politieke instellingen enz. bepalen?

Inderdaad — wat zijn dat voor “voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij”, wat zijn de kenmerkende trekken daarvan?

Het lijdt geen twijfel dat tot het begrip “voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij”, in de eerste plaats de natuur, die de maatschappij omringt, het geografische milieu behoort, dat een van de noodzakelijke en bestendige voorwaarden van het materiële leven van de maatschappij is en natuurlijk op de ontwikkeling van de maatschappij invloed uitoefent. Welke rol speelt het geografische milieu in de ontwikkeling van de maatschappij? Is het geografische milieu wellicht de voornaamste kracht, die de gedaante van de maatschappij, het karakter van het maatschappelijk stelsel der mensen, de overgang van het ene stelsel naar het andere bepaalt? Het historisch materialisme beantwoordt deze vraag ontkennend. Het geografische milieu is onbetwistbaar een van de bestendige en noodzakelijke voorwaarden voor de ontwikkeling der maatschappij en het oefent natuurlijk invloed uit op de ontwikkeling der maatschappij, het versnelt of vertraagt de loop van de ontwikkeling der maatschappij.

Maar zijn invloed is niet de beslissende invloed, daar de veranderingen in de ontwikkeling van de maatschappij onvergelijkelijk veel sneller plaats hebben dan de ontwikkeling van het geografische milieu. In de loop van drieduizend jaren konden in Europa drie verschillende maatschappelijke stelsels elkaar afwisselen: het stelsel van de primitieve dorpsgemeenschappen, het slavenhoudersstelsel en het feodale stelsel, en in het oostelijk gedeelte van Europa, in de USSR, wisselden zelfs vier maatschappelijke stelsels elkaar af. Intussen wijzigden in deze periode de geografische verhoudingen in Europa zich hetzij in het geheel niet hetzij in een zo weinig betekenende mate, dat de geografie daarover zelfs niet wil spreken. En dat is ook begrijpelijk. Voor enigszins belangrijke wijzigingen van het geografische milieu worden miljoenen jaren vereist, terwijl zelfs voor zeer gewichtige wijzigingen van het maatschappelijk stelsel van de mensen enige honderden of een paar duizend jaar voldoende zijn. Maar hieruit volgt, dat het geografische milieu niet als de hoofdoorzaak, niet als de beslissende oorzaak van de maatschappelijke ontwikkeling kan dienen, want iets, dat in de loop van tienduizenden jaren bijna onveranderd blijft, kan niet als hoofdoorzaak dienen van de ontwikkeling van datgene, wat in de loop van honderden jaren een radicale verandering ondergaat.

Het lijdt verder geen twijfel, dat de toeneming van het bevolkingsaantal, deze of gene dichtheid van de bevolking, eveneens tot het begrip “voorwaarden van het materiële leven der maatschappij” behoort, want de mensen vormen een noodzakelijk element van de voorwaarden van het materiële leven der maatschappij en zonder de aanwezigheid van een zeker minimum mensen kan er generlei materieel leven van de maatschappij bestaan. Is de toeneming van het bevolkingsaantal wellicht de voornaamste kracht die het karakter van het maatschappelijke stelsel van de mensen bepaalt? Het historisch materialisme beantwoordt deze vraag eveneens ontkennend.

Natuurlijk heeft de toeneming van het bevolkingsaantal invloed op de ontwikkeling van de maatschappij, zij vergemakkelijkt of vertraagt de ontwikkeling van de maatschappij, maar zij kan niet de voornaamste kracht van de ontwikkeling der maatschappij zijn en haar invloed op de ontwikkeling van de maatschappij kan niet de beslissende zijn, daar de toeneming van het bevolkingsaantal op zich zelf de sleutel niet geeft om op te helderen, waarom het gegeven maatschappelijke stelsel juist door dit en niet door een ander stelsel wordt vervangen, waarom het stelsel van de primitieve dorpsgemeenschap juist door het slavenhoudersstelsel werd vervangen, het slavenhoudersstelsel door het feodale, het feodale door het burgerlijke en niet door een willekeurig ander stelsel.

Indien de toeneming van het bevolkingsaantal de beslissende kracht van de maatschappelijke ontwikkeling was, zou een grotere bevolkingsdichtheid in elk geval een daaraan beantwoordend hoger type van maatschappelijk stelsel moeten te weeg brengen. In de werkelijkheid evenwel ziet men dit niet. De dichtheid van de bevolking is in China viermaal zo groot als in de Verenigde Staten, de Verenigde Staten staan echter wat hun maatschappelijke ontwikkeling betreft hoger dan China, want in China heerst nog altijd een half feodaal stelsel (1936), terwijl de Verenigde Staten reeds lang het hoogste stadium van ontwikkeling van het kapitalisme hebben bereikt. De dichtheid van de bevolking is in België 19 maal zo groot als in de Verenigde Staten en 26 maal zo groot als in de USSR, de Verenigde Staten staan evenwel wat hun maatschappelijke ontwikkeling betreft hoger dan België en België is bij de USSR een geheel historisch tijdvak ten achter, want in België heerst het kapitalistische stelsel, terwijl de USSR reeds een einde heeft gemaakt aan het kapitalisme en het socialistische stelsel hij zich heeft ingevoerd. Maar hieruit volgt, dat de toeneming van de dichtheid van de bevolking niet de hoofdkracht is of zijn kan van de ontwikkeling van de maatschappij, die het karakter van het maatschappelijke stelsel, de gedaante van de maatschappij bepaalt.

Waarin bestaat in dat geval dan de voornaamste kracht in het systeem van voorwaarden van het materiële leven der maatschappij, die de gedaante van de maatschappij, het karakter van het maatschappelijke stelsel, de ontwikkeling van de maatschappij van het ene stelsel tot het andere bepaalt? Die kracht acht het historisch materialisme de wijze waarop de levensbenodigdheden worden verkregen, die voor het bestaan van de mensen noodzakelijk zijn, de productiewijze van de materiële goederen: voedsel, kleren, schoeisel, woningen, brandstof, productiewerktuigen enz., die noodzakelijk zijn, opdat de maatschappij zal kunnen leven en zich ontwikkelen.

Om te leven moet men voedsel, kleren, schoeisel, woningen, brandstof enz. bezitten, om deze materiële goederen te bezitten, moet men ze produceren en om ze te produceren, moet men productiewerktuigen hebben, met behulp waarvan de mensen voedsel, kleren, schoeisel, woningen, brandstof enz. voortbrengen, moet men deze werktuigen weten voort te brengen en er gebruik van te maken. De productiewerktuigen, met behulp waarvan de materiële goederen worden voortgebracht, de mensen, die deze productiewerktuigen in beweging brengen en de productie van de materiële goederen verwezenlijken, dank zij een zekere productie-ervaring en zekere geoefendheid — al deze elementen tezamen vormen de productiekrachten van de maatschappij. Maar de productiekrachten vormen slechts één kant van de productie, een kant van de productiewijze, die de verhouding uitdrukt van de mensen tot de voorwerpen en de krachten van de natuur, die voor de productie van de materiële goederen worden gebruikt. De andere kant van de productie, de andere kant van de productiewijze, vormen de verhoudingen van de mensen tot elkaar in het productieproces, de productieverhoudingen van de mensen. De mensen voeren strijd tegen de natuur en gebruiken de natuur voor de productie van de materiële goederen niet geïsoleerd van elkaar, niet als los van elkaar staande enkelingen, maar tezamen, als groepen, als gemeenschappen. Derhalve is de productie altijd en onder alle omstandigheden maatschappelijke productie. Bij het voortbrengen van de materiële goederen gaan de mensen onder elkaar deze of gene onderlinge verhoudingen in de productie aan, deze of gene productieverhoudingen.

Deze verhoudingen kunnen verhoudingen zijn van samenwerking en wederzijdse hulp van mensen, die geen uitbuiting ondergaan, zij kunnen ook verhoudingen van heerschappij en ondergeschiktheid zijn, zij kunnen tenslotte overgangsverhoudingen zijn van de ene vorm van productieverhoudingen naar de andere. Maar welk karakter de productieverhoudingen ook mogen hebben, zij vormen — steeds en onder alle stelsels — een even noodzakelijk element van de productie als de productiekrachten van de maatschappij.

“In de productie”, zegt Marx, “werken de mensen niet alleen op de natuur, maar ook op elkaar in, zij produceren slechts, doordat zij op een bepaalde manier samenwerken en hun werkzaamheden tegen elkaar uitwisselen. Om te produceren, treden zij in bepaalde betrekkingen en verhoudingen tot elkaar en alleen binnen deze maatschappelijke betrekkingen en verhoudingen heeft hun inwerking op de natuur, heeft de productie plaats.”

(Loonarbeid en kapitaal, Marxistische Bibliotheek, Deel 9, blz. 27).

Bijgevolg omvat de productie — de productiewijze — zowel de productiekrachten van de maatschappij als de productieverhoudingen van de mensen; zij zijn dus de belichaming van hun eenheid in het productieproces van de materiële goederen. Een van de bijzonderheden van de productie ligt hierin besloten, dat zij nooit gedurende een lange periode op hetzelfde punt blijft steken en zich steeds in staat van verandering en ontwikkeling bevindt, waarbij de veranderingen in de productiewijze onvermijdelijk een verandering van het gehele maatschappelijke stelsel, van de maatschappelijke ideeën, de politieke opvattingen, de politieke instellingen verwekken, waarbij zij de vervorming van de gehele maatschappelijke en politieke formatie verwekken. Op de verschillende trappen van de ontwikkeling passen de mensen verschillende productiewijzen toe of als men het grover uitdrukt — hebben zij een verschillende levenswijze. Onder de primitieve gemeenschap bestaat er een bepaalde productiewijze, onder de slavernij bestaat er een andere, onder het feodalisme weer een andere, enz.

Dienovereenkomstig zijn ook het maatschappelijke stelsel van de mensen, hun geestelijk leven, hun opvattingen, hun politieke instellingen verschillend. Zoals de productiewijze van de maatschappij is, zo is in hoofdzaak ook de maatschappij zelf, zo zijn haar ideeën en theorieën, politieke opvattingen en instellingen. Of, als men het grover uitdrukt: zoals de levenswijze van de mensen is, zo is hun denkwijze. Dit betekent dat de geschiedenis van de ontwikkeling der maatschappij in de eerste plaats de ontwikkelingsgeschiedenis is van de productie, van de productiewijzen, die elkaar in de loop der eeuwen afwisselen, de ontwikkelingsgeschiedenis van de productiekrachten en van de productieverhoudingen der mensen.

De geschiedenis van de maatschappelijke ontwikkeling is dus tevens de geschiedenis van de voortbrengen, van de materiële goederen zelf, de geschiedenis van de werkende massa’s, die de fundamentele krachten van het productieproces zijn en die de productie van de materiële goederen, die voor het bestaan van de maatschappij noodzakelijk zijn, verwezenlijken. De historische wetenschap kan dus, indien zij werkelijk een wetenschap wil zijn, de geschiedenis van de maatschappelijke ontwikkeling niet langer terugbrengen tot de handelingen van koningen en veldheren, tot de daden van “veroveraars” en “onderwerpers” van staten, maar moet zich in de eerste plaats bezighouden met de geschiedenis van de voortbrengers der materiële goederen, met de geschiedenis van de werkende massa’s, met de geschiedenis van de volken.

De sleutel tot het onderzoek van de wetten der geschiedenis voor de maatschappij moet men dus niet zoeken in de hoofden van de mensen, niet in de opvattingen en ideeën van de maatschappij, maar in de productiewijze, die in iedere gegeven historische periode door de maatschappij in praktijk wordt gebracht, — in de economie van de maatschappij. De eerste taak van de historische wetenschap is dus het onderzoeken en blootleggen van de wetten der productie, van de wetten der productiekrachten en van de productieverhoudingen, van de wetten der economische ontwikkeling van de maatschappij. De partij van het proletariaat moet dus, indien zij een werkelijke partij wil zijn, in de eerste plaats de kennis van de ontwikkelingswetten der productie beheersen, de kennis van de wetten der economische ontwikkeling van de maatschappij. Om zich niet te vergissen in de politiek, moet dus de partij van het proletariaat, zowel in de opbouw van haar programma als ook in haar praktische werkzaamheid, in de eerste plaats uitgaan van de ontwikkelingswetten der productie, van de wetten van de economische ontwikkeling der maatschappij.

De tweede bijzonderheid van de productie bestaat hierin, dat haar veranderingen en ontwikkeling steeds beginnen met de veranderingen en de ontwikkeling van de productiekrachten, in de eerste plaats met de veranderingen en de ontwikkeling van de productiewerktuigen. De productiekrachten zijn dus het beweeglijkste en revolutionairste element van de productie. Eerst wijzigen en ontwikkelen zich de productiekrachten van de maatschappij en daarna, afhankelijk van deze wijzigingen en in overeenstemming hiermee, wijzigen zich de productieverhoudingen van de mensen, de economische verhoudingen van de mensen. Dit betekent evenwel niet, dat de productieverhoudingen geen invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de productiekrachten en dat de laatsten niet van de eersten afhankelijk zijn.

Terwijl zij zich ontwikkelen, afhankelijk van de ontwikkeling der productiekrachten, werken de productieverhoudingen op hun beurt in op de ontwikkeling van de productiekrachten, verhaasten of vertragen zij die. Het is hierbij noodzakelijk op te merken, dat de productieverhoudingen niet al te lang bij de groei van de productiekrachten kunnen ten achter blijven en zich daarmee in tegenspraak bevinden, daar de productiekrachten zich alleen dan in volle omvang kunnen ontwikkelen, als de productieverhoudingen aan het karakter, aan de stand van de productiekrachten beantwoorden en aan de ontwikkeling van de productiekrachten de vrije loop geven. Derhalve moeten de productieverhoudingen, hoezeer zij ook bij de ontwikkeling van de productiekrachten mogen zijn ten achter gebleven, — vroeg of laat, aan het ontwikkelingspeil van de productiekrachten, aan het karakter van de productiekrachten gaan beantwoorden en is dit in werkelijkheid ook het geval. In het tegenovergestelde geval zouden wij een radicaal verbreken van de eenheid van de productiekrachten met de productieverhoudingen in het stelsel van de productie hebben, en daarmee het uiteenrijten van de productie in haar geheel, een crisis van de productie, de verwoesting van de productiekrachten. Een voorbeeld van het niet beantwoorden van de productieverhoudingen aan het karakter van de productiekrachten, een voorbeeld van het conflict tussen hen beide, zijn de economische crisissen in de kapitalistische landen, waar de kapitalistische particuliere eigendom van de productiemiddelen in een schreeuwende tegenspraak verkeert met het maatschappelijke karakter van het productieproces, met het karakter van de productiekrachten. Het resultaat van deze tegenspraak zijn de economische crisissen, die tot de verwoesting van de productiekrachten voeren, waarbij deze tegenspraak zelf de economische grondslag vormt van de sociale revolutie, waarvan de bestemming erin bestaat de huidige productieverhoudingen te vernietigen en nieuwe, aan het karakter van de productiekrachten beantwoordende productieverhoudingen te scheppen.

En omgekeerd, — een voorbeeld van het volkomen beantwoorden van de productieverhoudingen aan het karakter van de productiekrachten is de socialistische volkshuishouding in de USSR, waar de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen volkomen beantwoordt aan het maatschappelijke karakter van het productieproces en waar met het oog hierop geen economische crisissen en geen verwoesting van de productiekrachten bestaan. Bijgevolg zijn de productiekrachten niet alleen het beweeglijkste en revolutionairste element van de productie. Zij zijn tevens het beslissende element bij de ontwikkeling van de productie.

Zoals de productiekrachten zijn, zo moeten ook de productieverhoudingen zijn. Als de stand van de productiekrachten de vraag beantwoordt, met welke productiewerktuigen de mensen de voor hen noodzakelijke materiële goederen voortbrengen, dan beantwoordt de toestand van de productieverhoudingen een andere vraag: in wiens bezit zich de productiemiddelen (de grond, de bossen, het water, de bodemschatten, de grondstoffen, de productiewerktuigen, de bedrijfsgebouwen, de verkeers- en verbindingsmiddelen, enz.) bevinden, tot wiens beschikking zich de productiemiddelen bevinden, in de beschikking van de gehele maatschappij of ter beschikking van afzonderlijke personen, groepen, klassen, die ze gebruiken om andere personen, groepen, klassen uit te buiten.

Ziehier een schematisch beeld van de ontwikkeling der productiekrachten van de oudheid tot op onze dagen. De overgang van de grove stenen werktuigen naar pijl en boog en in verband hiermede de overgang van het jagersleven naar het temmen van dieren en naar de primitieve veeteelt; de overgang van de stenen werktuigen naar metalen werktuigen (de ijzeren bijl, de houten ploeg met ijzeren kouter enz.) en in overeenstemming daarmede, de overgang naar het verbouwen van gewassen en naar de landbouw; de verdere verbetering van de metalen werktuigen ter bewerking van materialen, de overgang naar de smidsblaasbalg, de overgang naar de pottenbakkerij en in overeenstemming daarmee de ontwikkeling van het handwerk, de scheiding van het handwerk van de landbouw, de ontwikkeling van de zelfstandige handwerk- en daarna van de manufactuurproductie; de overgang van de handwerk productiewerktuigen naar de machine en de verandering van de handwerk en manufactuurproductie in de machinale industrie; de overgang naar het machinestelsel en het verschijnen van de moderne grote machinale industrie, — dat is het algemene, lang niet volledige beeld van de ontwikkeling van de productiekrachten der maatschappij, in de loop van de geschiedenis der mensheid. Het spreekt hierbij vanzelf, dat de ontwikkeling en de verbetering van de productiewerktuigen door de bij de productie betrokken mensen en niet onafhankelijk van hen werd bewerkstelligd, — bijgevolg veranderden en ontwikkelden zich, tezamen met de verandering en de ontwikkeling van de productiewerktuigen, ook de mensen als het belangrijkste element van de productiekrachten, veranderden en ontwikkelden zich hun ervaring in de productie, hun arbeidsgeoefendheid, hun vaardigheid in het gebruiken van de productiewerktuigen.

Overeenkomstig de veranderingen en de ontwikkeling van de productiekrachten van de maatschappij in de loop van de geschiedenis, veranderden en ontwikkelden zich de productieverhoudingen van de mensen, hun economische verhoudingen. De geschiedenis kent vijf fundamentele typen van productieverhoudingen: dat van de primitieve gemeenschap, het slavenhouders-, het feodale, het kapitalistische en het socialistische type. Onder het stelsel van de primitieve gemeenschap is de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen de grondslag van de productieverhoudingen. Dit beantwoordt in hoofdzaak aan het karakter van de productiekrachten in deze periode. De stenen werktuigen en de later verschenen pijl en boog sloten de mogelijkheid uit om als enkeling tegen de natuurkrachten en de wilde dieren te strijden. Om vruchten in het bos te verzamelen, om in de wateren vis te vangen, om de een of andere woning te bouwen, waren de mensen gedwongen om gemeenschappelijk te werken, indien zij niet aan de hongerdood, aan de wilde dieren of aan een naburige gemeenschap ten offer wilden vallen. De gemeenschappelijke arbeid voert tot gemeenschappelijke eigendom van de productiemiddelen, evenals van de voortbrengselen van de productie. Hier heeft men nog geen begrip van de particuliere eigendom van de productiemiddelen, indien men de persoonlijke eigendom van enige productiewerktuigen, die tevens wapens tot bescherming tegen wilde dieren zijn, niet meetelt. Hier is geen uitbuiting, hier zijn geen klassen. Onder het slavenhoudersstelsel is de grondslag van de productieverhoudingen de eigendom van de slavenhouder van de productiemiddelen en tevens van de werker in de productie — de slaaf, die de slavenhouder als vee kon verkopen, kopen en doden. Deze productieverhoudingen beantwoordden in hoofdzaak aan de stand van de productiekrachten in deze periode.

In plaats van de stenen werktuigen hadden de mensen thans metalen werktuigen te hunner beschikking, in plaats van het armzalige en primitieve jachtbedrijf, dat geen veeteelt, geen landbouw kende, ontstonden veeteelt, landbouw, handwerk, arbeidsverdeling tussen deze productietakken, ontstond de mogelijkheid om producten tussen de afzonderlijke personen en gemeenschappen te ruilen, de mogelijkheid om rijkdom in de handen van enkelen op te hopen, de werkelijke opeenhoping van de productiemiddelen in handen van een minderheid, de mogelijkheid om de meerderheid aan de minderheid te onderwerpen en tot slaven te maken. Hier bestaat al geen gemeenschappelijke en vrije arbeid van alle leden van de maatschappij in het productieproces meer, — hier heerst gedwongen arbeid van slaven, die door de niet werkende slavenhouders worden uitgebuit.

Er bestaat derhalve ook geen gemeenschappelijke eigendom van de productiemiddelen evenmin als van de voortbrengselen van de productie. Deze is door de particuliere eigendom vervangen. Hier is de slavenhouder de eerste en voornaamste volwaardige eigenaar. Rijken en armen, uitbuiters en uitgebuitenen, ten volle gerechtigden en rechtelozen, een verbitterde klassenstrijd tussen hen, — dat is het beeld van het slavenhoudersstelsel. Onder het feodale stelsel is de grondslag van de productieverhoudingen de eigendom van de feodale heer op de productiemiddelen en zijn niet volledige eigendom van de werker in de productie, de lijfeigene, die de feodale heer al niet meer kan doden, maar die hij kan kopen en verkopen. Naast de feodale eigendom bestaat de individuele eigendom van de boer en de handwerksman op de productiewerktuigen en op hun particulier bedrijf, berustend op de persoonlijke arbeid. Deze productieverhoudingen beantwoorden in hoofdzaak aan de stand van de productiekrachten in deze periode.

De verdere verbetering van het gieten en bewerken van ijzer, de verbreiding van de ijzeren ploeg en van het weefgetouw; de verdere ontwikkeling van de landbouw, de tuinbouw, de wijnbouw, het zuivelbedrijf, het ontstaan naast de handwerkerwerkplaatsen van manufactuurbedrijven, — dat zijn de kenmerkende trekken van de stand der productiekrachten. De nieuwe productiekrachten eisen, dat de werker is de productie het een of andere initiatief en bereidheid tot de arbeid aan de dag legt, dat hij bij het werk belang heeft. Daarom doet de feodale heer afstand van de slaaf, daar deze geen belang heeft bij het werk en in het geheel geen initiatief aan de dag legt; hij geeft er de voorkeur aan met lijfeigenen te doen te hebben, die hun eigen bedrijf, hun eigen productiewerktuigen bezitten en enigszins belang hebben bij de arbeid, hetgeen noodzakelijk is om de grond te bewerken en aan de feodale heer van hun oogst accijns in natura te betalen.

De particuliere eigendom ondergaat hier een verdere ontwikkeling. De uitbuiting is hier bijna even hardvochtig als onder de slavernij; zij is maar weinig verzacht. De klassenstrijd tussen de uitbuiters en de uitgebuitenen vormt de voornaamste trek van de feodale orde.

Onder het kapitalistische stelsel is de grondslag van de productieverhoudingen de kapitalistische eigendom van de productiemiddelen, terwijl de werkers in de productie geen eigendom bezitten; zij zijn de loonarbeiders, die de kapitalist niet kan doden en niet kan verkopen, want zij zijn vrij van persoonlijke afhankelijkheid; zij hebben echter geen productiemiddelen en om niet van honger te sterven zijn zij genoodzaakt, hun arbeidskracht aan de kapitalist te verkopen, het juk van de uitbuiting op hun nek te tornen. Naast de kapitalistische eigendom van de productiemiddelen bestaat er ook particuliere eigendom van de productiemiddelen, berustend op de persoonlijke arbeid bij de van de horige afhankelijkheid bevrijde boer en handwerksman. Deze particuliere eigendom is in de eerste tijd ruim verbreid. In plaats van de handwerkerwerkplaatsen en de manufactuurondernemingen ontstonden geweldige fabrieken en bedrijven, toegerust met machines.

In plaats van de adellijke landgoederen, die met de primitieve productiewerktuigen van de boeren werden bewerkt, ontstonden er grote kapitalistische landbedrijven, die op de grondslag van de landbouwtechniek en van de voorziening met landbouwmachines worden gevoerd. De nieuwe productiekrachten eisen, dat de arbeiders in de productie meer beschaving en begripsvermogen hebben dan de neergedrukte en onwetende horigen, dat zij in staat zijn om de machine te begrijpen en er op de juiste wijze mee om te gaan. De kapitalisten geven er derhalve de voorkeur aan met loonarbeiders te doen te hebben, die vrij zijn van feodale banden en die beschaafd genoeg zijn om op de juiste wijze met machines om te gaan. Maar toen het kapitalisme de productiekrachten tot op een geweldige hoogte had ontwikkeld, raakte het verstrikt in tegenstellingen, die het niet kon oplossen. Doordat het kapitalisme een steeds groter hoeveelheid waren voortbrengt en de warenprijzen verlaagt, verscherpt het de concurrentie, richt het een massa kleine en middelmatige particuliere eigenaars te gronde, maakt het hen tot proletariërs en verlaagt hun koopkracht, ten gevolge waarvan het onmogelijk wordt de geproduceerde waren af te zetten.

Doordat het kapitalisme de productie uitbreidt en miljoenen arbeiders in de reusachtige fabrieken en bedrijven bijeenbrengt, verleent het aan het productieproces een maatschappelijk karakter en ondermijnt daarmee zijn eigen basis, daar het maatschappelijke karakter van het productieproces de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen vereist, terwijl de eigendom van de productiemiddelen particuliere kapitalistische eigendom blijft, die met het maatschappelijke karakter van het productieproces niet verenigbaar is. Deze onverzoenlijke tegenstelling tussen het karakter van de productiekrachten en de productie verhoudingen komen aan het licht in de periodieke crisissen van overproductie, wanneer de kapitalisten, die ten gevolge van de door hen zelf veroorzaakte verarming van de massa der bevolking, geen koopkrachtige afnemers vinden, genoodzaakt zijn de producten te verbranden, geproduceerde waren te vernietigen, de productie stil te leggen, de productiekrachten te verwoesten, terwijl miljoenen van de bevolking aan de werkloosheid ten prooi vallen en honger moeten lijden, niet omdat er niet genoeg waren zijn, maar omdat er te veel waren zijn voortgebracht.

Dit betekent dat de kapitalistische productieverhoudingen niet meer aan de stand van de productiekrachten in de maatschappij beantwoorden en daarmee in een onverzoenlijke tegenstelling zijn geraakt. Dit betekent dat het kapitalisme zwanger gaat van de revolutie, die geroepen is om de tegenwoordige kapitalistische eigendom van de productiemiddelen door de socialistische eigendom te vervangen. Dit betekent dat de scherpste klassenstrijd tussen de uitbuiters en de uitgebuitenen de voornaamste trek van het kapitalistische stelsel vormt. Onder het socialistische stelsel, dat voorlopig alleen in de USSR is verwezenlijkt, is de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen de grondslag van de productieverhoudingen.

Hier zijn al geen uitbuiters en uitgebuitenen meer. De voortgebrachte producten worden verdeeld volgens de arbeid, overeenkomstig het beginsel “wie niet werkt zal ook niet eten”. De betrekkingen tussen de mensen in het productieproces hebben hier het kenmerk van betrekkingen van kameraadschappelijke samenwerking en van socialistische wederzijdse hulp van werkers, die vrij zijn van uitbuiting. Hier beantwoorden de productieverhoudingen ten volle aan de stand van de productiekrachten, want het maatschappelijke karakter van het productieproces wordt geschraagd door de maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen.

Daarom kent de socialistische productie in de USSR geen periodieke crisissen van overproductie met de daaraan verbonden ongerijmdheden. Daarom ontwikkelen de productiekrachten zich hier in een versneld tempo, daar de aan de productiekrachten beantwoordende productieverhoudingen hun volledig vrije loop voor zulk een ontwikkeling geven. Zo is het beeld van de ontwikkeling van de productieverhoudingen in de loop van de geschiedenis van de mensheid. Zo is de afhankelijkheid van de ontwikkeling van de productieverhoudingen van de ontwikkeling van de productiekrachten van de maatschappij, in de eerste plaats van de ontwikkeling van de productiewerktuigen, krachtens welke de veranderingen en de ontwikkeling van de productiekrachten vroeg of laat tot overeenkomstige veranderingen en tot de ontwikkeling van de productieverhoudingen leiden.

“Hoewel zij in de kiem reeds aan zekere dier soorten eigen zijn, karakteriseren het gebruik en de schepping van arbeidsmiddelen (Onder ‘arbeidsmiddelen’ verstaat Marx hoofdzakelijk de productiewerktuigen), het specifiek menselijke arbeidsproces en Franklin definieert derhalve de mens als ‘a toolmaking animal’, een dier, dat werktuigen fabriceert. Het zelfde belang, dat de structuur van beenderresten heeft voor de kennis van het organisme van uitgestorven dierengeslachten, hebben de resten van arbeidsmiddelen voor de beoordeling van ten onder gegane economische maatschappijformaties. Niet wat er wordt gemaakt, maar hoe, met welke arbeidsmiddelen er gemaakt wordt, onderscheidt de economische tijdperken. De arbeidsmiddelen zijn niet alleen graadmeters van de ontwikkeling van de menselijke arbeidskracht maar ook de aanwijzers van de maatschappelijke verhoudingen, waaronder gewerkt wordt”.

(Karl Marx, Das Kapital, Deel 1, uitgave 1932, blz. 187-188).

En verder:
“De maatschappelijke verhoudingen zijn nauw verbonden met de productiekrachten. Met het verwerven van nieuwe productiekrachten veranderen de mensen hun productiewijze en met de verandering van de productiewijze, de wijze waarop zij in hun levensonderhoud voorzien, veranderen zij al hun maatschappelijke verhoudingen. De handmolen geeft ons een maatschappij met feodale heren aan het hoofd, de stoommolen een maatschappij met industriële kapitalisten” (Karl Marx, De ellende van de filosofie, blz. 91).
“Wij leven te midden van een voortdurende beweging van het toenemen van de productiekrachten, van de vernietiging van sociale verhoudingen, van het vormen van ideeën; onbewegelijk is alleen de abstractie van de beweging” (zelfde plaats, blz. 91).

In zijn karakteristiek van het historisch materialisme, geformuleerd in het Manifest van de Communistische Partij, zegt Engels:

“Vat de economische productie en de daaruit noodzakelijk voortvloeiende maatschappelijke geleding van ieder historisch tijdperk de grondslag vormt voor de politieke en intellectuele geschiedenis van dat tijdperk, dat dienovereenkomstig (sinds de ontbinding van het oeroude gemeenschappelijke bezit van de grond) de gehele geschiedenis een geschiedenis van klassenstrijden is geweest, van strijd tussen uitgebuiten en uitbuitende, overheerste en heersende klassen op verschillende trappen van de maatschappelijke ontwikkeling, dat deze strijd thans echter een trap van ontwikkeling heeft bereikt, waarop de uitgebuite en onderdrukte klasse (het proletariaat) zich niet meer van de haar uitbuitende en onder(de bourgeoisie) kan bevrijden, zonder tegelijk de gehele maatschappij voor altijd van uitbuiting, onderdrukking en klassenstrijd te bevrijden.”

(Engels. Voorwoord tot de Duitse uitgave van Het Communistisch Manifest, Marxistische Bibliotheek, Deel I, 1934, blz. 5).

De derde bijzonderheid van de productie bestaat hierin, dat het ontstaan van nieuwe productiekrachten en van de daaraan beantwoordende productieverhoudingen niet los van het oude stelsel, niet na het verdwijnen van het oude stelsel plaats heeft, maar in de schoot van het oude stelsel, niet als het resultaat van een van te voren vastgestelde, bewuste werkzaamheid van de mensen, maar elementair, onbewust, onafhankelijk van de wil van de mensen. Het heeft elementair en onafhankelijk van de wil van de mensen plaats uit twee oorzaken. Ten eerste, omdat de mensen niet vrij zijn in het kiezen van deze of gene productiewijze, want ieder nieuw geslacht, dat geboren wordt, vindt reeds productiekrachten en productieverhoudingen voorhanden, als het resultaat van het werk van vroegere geslachten, als gevolg waarvan het in de eerste tijd alles moet aannemen, wat het in gerede vorm op het gebied van de productie aantreft en zich daaraan moet aanpassen, om de mogelijkheid te krijgen materiële goederen voort te brengen.

Ten tweede, omdat de mensen zich, als zij het een of andere productiewerktuig, het een of andere element van de productiekrachten verbeteren, niet er van bewust zijn, niet begrijpen en er niet over nadenken, tot welke maatschappelijke resultaten deze verbeteringen moeten leiden, maar slechts aan hun eigen dagelijkse belangen denken, hoe zij hun arbeid kunnen verlichten en het een of andere directe, tastbare voordeel voor zich zelf kunnen verkrijgen.

Toen enkele leden van de maatschappij van de primitieve gemeenschap geleidelijk en tastend overgingen van stenen naar ijzeren werktuigen, wisten zij natuurlijk niet en dachten zij er niet over na, tot welke maatschappelijke resultaten deze nieuwigheid zou leiden, zij begrepen niet en waren zich er niet van bewust, dat de overgang naar de metalen werktuigen een omwenteling in de productie betekende, dat hij in laatste instantie naar het slavenhoudersstelsel zou leiden; zij wilden eenvoudig hun arbeid vergemakkelijken en nabij liggende, tastbare voordelen verkrijgen; hun bewuste werkzaamheid was binnen de nauwe perken van hun dagelijks persoonlijk voordeel begrensd.

Toen in de periode van het feodale stelsels de jonge bourgeoisie van Europa naast de kleine gildenwerkplaatsen grote manufactuurondernemingen begon op te richten en op deze wijze de productiekrachten van de maatschappij vooruitbracht, wist zij natuurlijk niet en dacht zij er niet over na, tot welke maatschappelijke gevolgen deze nieuwigheid zou leiden; zij was zich niet er van bewust, dat deze “kleine” nieuwigheid tot zulk een hergroepering van de maatschappelijke krachten zou leiden, die moest eindigen met een revolutie, zowel tegen de koninklijke macht, wier gunsten zij zo hoog schatte, als tegen de adellijken, in wier rijen haar beste vertegenwoordigers niet zelden droomden te worden opgenomen; zij wilde eenvoudig de productie van de waren goedkoper maken, meer waren op de markten van Azië en van het zo juist ontdekte Amerika werpen en meer winst behalen; haar bewuste werkzaamheid werd binnen de nauwe perken van deze dagelijkse praktijk begrensd.

Toen de Russische kapitalisten gemeenschappelijk met de buitenlandse kapitalisten met kracht de moderne grote machinale industrie in Rusland vestigden, waarbij zij het tsarisme onaangetast lieten en de boeren aan de vraatzucht van de landheren uitleverden, toen wisten zij natuurlijk niet en dachten er niet over na, tot welke maatschappelijke gevolgen deze belangrijke toeneming van de productiekrachten zou leiden; zij waren zich er niet van bewust en begrepen niet, dat deze belangrijke sprong op het gebied van de productiekrachten van de maatschappij tot zulk een hergroepering van de maatschappelijke krachten zou leiden, die aan het proletariaat de mogelijkheid zou geven om de boeren rondom zich te verenigen en de zegevierende socialistische revolutie voltrekken; zij wilden eenvoudig de industriële productie tot het uiterste uitbreiden, de kolossale binnenlandse markt beheersen, monopolisten worden en uit de volkshuishouding een zo groot mogelijke winst persen; hun bewuste werkzaamheid ging niet verder dan hun dagelijkse, beperkt praktische belangen in overeenstemming hiermee zegt Marx:

“In de maatschappelijke productie van hun leven” (dat wil zeggen in de productie van de voor het leven van de mensen noodzakelijke materiële goederen) “begeven de mensen zich in bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen, productieverhoudingen, die aan een bepaalde trap van ontwikkeling van hun materiële productiekrachten beantwoorden.”

(Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, Inleiding bij Ausgewahlte Schriften I, 1934, blz. 359).

Dit betekent echter niet, dat de veranderingen van de productieverhoudingen en de overgang van de oude productieverhoudingen naar de nieuwe vlot, zonder conflicten, zonder schokken verloopt. Integendeel, zulk een overgang heeft gewoonlijk plaats door middel van het op revolutionaire wijze omverwerpen van de oude en het instellen van nieuwe productieverhoudingen. Tot aan een zekere periode verlopen de ontwikkeling van de productiekrachten en de veranderingen op het gebied van de productieverhoudingen elementair, onafhankelijk van de wil van de mensen.

Maar dit geschiedt alleen tot op een zeker ogenblik, tot op het ogenblik dat de ontstaande en zich ontwikkelende productiekrachten er in zijn geslaagd een toestand van rijpheid te bereiken. Nadat de nieuwe productiekrachten deze toestand hebben bereikt, worden de bestaande productieverhoudingen en de dragers daarvan — de heersende klassen — tot zulk een “onoverkomelijke” belemmering, dat die alleen door middel van de bewuste activiteit van de nieuwe klassen, door middel van gewelddadige acties van deze klassen, door middel van de revolutie ter zijde kan worden gesteld. Hier treedt met bijzondere duidelijkheid de geweldige rol van de nieuwe maatschappelijke denkbeelden, de nieuwe politieke macht aan het licht, die geroepen zijn om de oude productieverhoudingen met geweld op te heffen. Op de grondslag van het conflict tussen de nieuwe productiekrachten en de oude productieverhoudingen, op de grondslag van de nieuwe economische behoeften van de maatschappij, ontstaan nieuwe maatschappelijke denkbeelden; de nieuwe denkbeelden organiseren en mobiliseren de massa’s, de massa’s sluiten zich aaneen tot een nieuw politiek leger, zij scheppen een nieuwe revolutionaire macht en gebruiken die om de oude orde op het gebied van de productieverhoudingen met geweld af te schaffen en de nieuwe orde te verankeren. Het elementaire proces van de ontwikkeling maakt plaats voor de bewuste werkzaamheid van de mensen, de vreedzame ontwikkeling voor de gewelddadige omwenteling, de evolutie voor de revolutie.

“Het proletariaat, zegt Marx, verenigt zich in de strijd tegen de bourgeoisie noodzakelijkerwijs tot een klasse ... het maakt zich door een revolutie tot heersende klasse en heft als heersende gewelddadig de oude productieverhoudingen op”.

(Het Communistisch Manifest, blz. 35).

En verder:
a. “Het proletariaat zal zijn politieke macht gebruiken om aan de bourgeoisie stap voor stap alle kapitaal te ontrukken, alle productie instrumenten in handen van de staat, dat wil zeggen van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat te centraliseren en de hoeveelheid van de productiekrachten zo snel mogelijk te vermeerderen” (zelfde plaats, blz. 34).
b. “Het geweld is de verloskundige van iedere oude maatschappij, die van een nieuwe maatschappij zwanger gaat”. (Het Kapitaal, deel I. 1932, blz. 791).

Ziehier de geniale formulering van het wezen van het historisch materialisme, door Marx in het jaar 1859 gegeven in het historische “Voorwoord” bij zijn beroemde boek Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie:

“In de maatschappelijke productie van hun leven begeven de mensen zich in bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen, productieverhoudingen, die aan een bepaalde trap van ontwikkeling van hun materiële productiekrachten beantwoorden. Het geheel van deze productieverhoudingen vormt de economische structuur van de maatschappij, de reële grondslag, waarop zich een juridische en politieke bovenbouw verheft en waaraan bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen beantwoorden. De productie van het materiële leven bepaalt het sociale, politieke en geestelijke levensproces in het algemeen.
Het is niet het bewustzijn van de mensen, dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijk zijn, dat hun bewustzijn bepaalt. Op een bepaalde trap van hun ontwikkeling geraken de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak tot de aanwezige productieverhoudingen, of wat slechts een juridische uitdrukking daarvoor is, tot de eigendomsverhoudingen, binnen de grenzen waarvan zij zich tot nu toe hadden bewogen. Van ontwikkelingsvormen van de productiekrachten slaan deze verhoudingen om in kluisters daarvan. Dan begint er een tijdperk van sociale revolutie. Met de verandering van de economische grondslag wentelt zich de gehele reusachtige bovenbouw meer of minder snel om.
Bij het beschouwen van zulke omwentelingen moet men altijd onderscheid maken tussen de materiële, natuurwetenschappelijk nauwkeurig te constateren omwenteling in de economische productievoorwaarden en de juridische, politieke, religieuze, artistieke of filosofische, in een woord de ideologische vormen, waarin de mensen zich van dit conflict bewust worden en het uitvechten. Evenmin als men datgene, wat een persoon is, beoordeelt naar datgene, wat hij van zich zelf denkt, evenmin kan men zulk een omwentelingstijdperk naar zijn bewustzijn beoordelen; men moet veeleer dit bewustzijn verklaren uit de tegenstrijdigheden van het materiële leven, uit het bestaande conflict tussen de maatschappelijke productiekrachten en de productieverhoudingen.
Een maatschappijformatie gaat nooit ten onder voordat alle productiekrachten ontwikkeld zijn, voor welke zij ruim genoeg in en nieuwe hogere productieverhoudingen verschijnen nooit voordat de materiële bestaansvoorwaarden daarvan in de schoot van de oude maatschappij zelf zijn uitgebroed. Daardoor stelt de mensheid zich altijd slechts taken, die zij kan volbrengen, want nauwkeuriger beschouwd zal steeds blijken, dat de taak zelf alleen daar ontstaat, waar de materiële voorwaarden om haar te vervullen reeds voorhanden zijn, of zich ten minst in hun wordingsproces bevinden.”

(Karl Marx, Ausgewahlte Schriften, deel I, blz. 359-360).

Zo staat het met het marxistische materialisme. Indien men het neemt in zijn toepassing het maatschappelijk leven, in zijn toepassing de geschiedenis van de maatschappij. Dat zijn de fundamentele trekken van het dialectisch en het historisch materialisme.