Leon Trotski

De oorlog en de Internationale



Geschreven: 1914
Bron: J. Emmering, Amsterdam, 1915. Opgenomen in de Nederlandstalige Trotski Bibliotheek uitgegeven door Karel ten Haaf
Vertaling: H. Ide-Bottenheim
Deze versie: Spelling en punctuatie
PDF: Door Piet van Espen
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, mei 2007


Als PDF.
————
Zie ook:
Het K. Kautsky-archief, bv.
“Het bolsjewisme in het slop”.

Voorrede

De kern van de tegenwoordige oorlog is de opstand van de productiekrachten, die het kapitalisme gevormd hebben, tegen de in nationale staten opgesloten uitbuitingsvorm. De hele aarde, het vasteland zo goed als de zee, de oppervlakte, zowel als de diepte, is de arena geworden van een wereldhuishouding, waarvan de onderdelen onverbrekelijk aan elkaar verbonden zijn. Dit bracht het kapitalisme tot stand, maar ook worden juist daardoor de kapitalistische staten er toe gedreven, te streven naar de onderwerping van deze wereldhuishouding aan de winstbelangen van de nationale bourgeoisie. De politiek van het imperialisme is een bewijs, dat de oude nationale staat, die tot stand kwam tijdens de revoluties en oorlogen van 1789-1815, 1848-1859, 1864-1866 en 1870, uitgeleefd is en nu een onverdraaglijke belemmering voor de ontwikkeling van de productiekrachten geworden is. De oorlog van 1914 betekent in de eerste plaats de verbrijzeling van de nationale staat als zelfstandig productiegebied. De nationaliteit zal een cultureel, ideologisch, psychologisch feit blijven, de economische basis is er onderuit getrokken. Alle praatjes, die inhouden, dat de bloedige feiten van het ogenblik ter wille van de nationale verdediging plaats hebben, zijn huichelarij of blindheid. Integendeel: objectief beschouwd bestaat het doel van de oorlog juist in de verbrijzeling van de tegenwoordige nationaal economische centra. Maar niet door middel van een doelmatig georganiseerde arbeid van de gehele producerende mensheid tracht men die taak van het imperialisme tot een goed einde te brengen, maar door middel van de uitbuiting van de wereldproductie door de kapitalistische klasse van het overwinnende land, dat door deze oorlog van een grootmacht tot een wereldmacht worden zal. De oorlog voorspelt de ineenstorting van de nationale staat. Maar ook de ondergang van de kapitalistische productievorm. Het kapitalisme schiep uit de nationale staat de wereldhuishouding, doordat het de gehele aarde tussen de kapitaalmachten van de grote staten verdeelde, waaromheen zich de trawanten, de kleine staten, groeperen, die leven van de concurrentie tussen de grote. De verdere ontwikkeling van de wereldhuishouding op kapitalistische grondslag, betekent een onafgebroken strijd van de wereldmachten om nieuwe en altijd weer nieuwe gebieden van dezelfde aarde om tot voorwerp van kapitalistische uitbuiting te kunnen dienen. De economische na-ijver in het teken van het militarisme wordt afgewisseld door roof en verwoesting, die alle elementaire grondslagen van menselijke huishouding te niet doen. De wereldproductie is niet alleen gekant tegen de nationale verwarring, maar ook tegen de kapitalistische productieorganisatie, die tot barbaarse desorganisatie vervallen is.

De oorlog van 1914 is de grootste ineenstorting, die de geschiedenis kent, van een economisch systeem, dat aan zijn eigen tegenstrijdigheden ten gronde gaat. Alle historische machten, wier taak het was, de burgerlijke maatschappij te leiden, uit haar naam te spreken, en haar uit te buiten, zij allen hebben door de oorlog van 1914, hun eigen rotheid uitgesproken. Zij beschermen het kapitalisme als het systeem van menselijke cultuur en de uit dat systeem geboren catastrofe is in de eerste plaats hun catastrofe. De eerste stroom van gebeurtenissen verhief de nationale regeringen en legers tot een nooit gekende hoogte, voor een ogenblik stonden de naties om hen heen geschaard; maar te vreselijker zal de val van de regeringen zijn, als de volkeren, die nu door het kanongebulder verdoofd zijn, zullen gaan beseffen wat de betekenis van de gebeurtenissen is, als ze de waarheid in al haar verschrikking zullen zien.

De revolutionaire reactie van de massa zal machtiger zijn, naarmate de ontgoocheling, die de geschiedenis haar brengt, geweldiger is.

Het kapitalisme heeft de materiële voorwaarden voor een nieuwe socialistische productie geschapen. Het imperialisme heeft de kapitalistische volkeren de verwarring gebracht. De oorlog van 1914 wijst de weg om uit deze verwarring te komen, omdat het proletariaat nu met geweld gevoerd wordt op de weg der revolutie.

* * *

In de economisch achterlijke landen van Europa stelt de oorlog andere vragen, van jongeren historische oorsprong aan de orde, vragen van democratie en nationale gemeenschap. Zo bij voorbeeld in Rusland, Oostenrijk-Hongarije en de Balkan. Maar deze historisch laat gestelde vragen, die uit een vorig tijdperk overgebleven zijn, veranderen niets aan het karakter der gebeurtenissen. Niet het nationale ideaal van de Serviërs, Polen, Roemenen of Finnen heeft 25 miljoen soldaten op de been gebracht, maar de imperialistische belangen van de bourgeoisie der grote staten. De status-quo, in Europa vijf en veertig jaar lang gehandhaafd, volkomen omverwerpend, heeft het imperialisme weer de oude vragen naar voren gebracht, die, zoals bewezen is, de burgerlijke revolutie niet heeft kunnen beslechten. Maar in de tegenwoordige tijd missen die vragen volkomen ieder zelfstandig karakter. Het tot stand komen van normale nationale verhoudingen en economische ontwikkeling op de Balkan is ondenkbaar, zolang het tsarisme en Oostenrijk-Hongarije bestaan blijven. Het tsarisme is het onontbeerlijke militaire reservoir voor het financiële imperialisme van Frankrijk en voor de conservatieve koloniale macht van Engeland. Oostenrijk-Hongarije dient als steun voor het Duitse imperialisme. Beginnend met de huiselijke twisten tussen de nationale Servische terroristen en de Habsburgse politieke politie, kwam de ware oorzaak gauw genoeg aan het licht: de strijd op leven en dood tussen Duitsland en Engeland. Terwijl de onnozelen en huichelaars kletsen over de nationale vrijheid en onafhankelijkheid, wordt de Duits-Engelse oorlog in werkelijkheid gevoerd om de imperialistische uitbuitingsvrijheid met betrekking tot de volkeren van India en Egypte en om een nieuwe imperialistische verdeling van de volkeren der aarde.

Het op nationale basis tot kapitalistische ontwikkeling gebrachte Duitsland begon met de omverwerping der continentale hegemonie van Frankrijk in 1870-71. Nu heeft de ontwikkeling van de Duitse industrie op nationale grondslag het land tot de eerste kapitalistische macht van de wereld gemaakt, en nu wordt het in zijn verdere ontwikkeling gestuit door Engeland. De volle onbeperkte heerschappij op het Europese vasteland is voor Duitsland een besliste voorwaarde voor de overwinning op zijn wereldvijand. Het imperialistische Duitsland schrijft daarom in zijn program in de eerste plaats het vormen van een Midden-Europese statenbond. Het tegenwoordige Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, de Balkan met Turkije, Holland, Scandinavië, Zwitserland, Italië en zo mogelijk het uitgeputte Frankrijk met Spanje en Portugal zullen een economisch en militair geheel vormen, — een groot-Duitsland onder hegemonie van de tegenwoordige Duitse staat. Dit program, dat door economen, politici, juristen en diplomaten van het Duitse imperialisme grondig uitgewerkt en door zijn strategen verwezenlijkt wordt, is het beste bewijs en de felste uitdrukking van het feit, dat het kapitalisme te snel gegroeid is om binnen de grenzen van de nationale staat te blijven. In de plaats van de nationale grootmacht moet de imperialistische wereldmacht treden.

Voor het proletariaat kan het, onder deze historische voorwaarden, niet gaan om de verdediging van het uitgeleefde nationale ‘vaderland’, dat een belemmering voor de economische ontwikkeling geworden is, maar alleen om het tot stand brengen van een veel machtiger en sterker weerstand bezittend vaderland de republikeinse Verenigde Staten van Europa, als fundament van de Verenigde Staten van de wereld.

Tegenover de verwarring van het imperialistisch kapitalisme kan het proletariaat als praktisch program alleen zetten, de socialistische organisatie van de wereldhuishouding.

Tegenover de oorlog als methode van oplossing voor de onoplosbare tegenstrijdigheden van het kapitalisme op de tegenwoordige hoogte van de ontwikkeling moet het proletariaat zijn methode stellen — de methode van de sociale revolutie.

* * *

De Balkankwestie en de kwestie van de val van het tsarisme — deze twee problemen van het Europa van gisteren — kunnen slechts opgelost worden samen met de revolutionaire oplossing van de taak van het verenigd Europa van morgen. De Russische sociaaldemocratie, waartoe de schrijver van deze brochure behoort, heeft tot allereerste taak de strijd tegen het tsarisme, dat in Oostenrijk-Hongarije en op de Balkan een afzetmarkt voor zijn staatsmethode van plundering, diefstal, en geweld zoekt. De Russische bourgeoisie, het radicale intellect inbegrepen, is door de ongehoorde ontwikkeling van de industrie van de laatste vijf jaren, volkomen gedemoraliseerd, en heeft een innige bond met de dynastie gesloten, die door nieuwe landroof het ongeduldige kapitalisme zijn deel van de wereldbuit verzekeren moet.

Het bestormt en verwoest Galicië, en vernietigt daar het kleine beetje Habsburgse vrijheid. Het ongelukkige Perzië wordt uit elkaar geslagen en uit de hoek van de Bosporus tracht men de lasso om de volkeren van de Balkan te werpen. Het tsarisme laat aan het verachte liberalisme over, het roverswerk met de frase van de verdediging van België en Frankrijk te bemantelen. Het jaar 1914 betekent de volkomen vernietiging van het Russische liberalisme, maakt het Russische proletariaat tot enige drager van de strijd om de vrijheid, en maakt voor goed de Russische revolutie tot een deel van de sociale revolutie van het Europese proletariaat.

In onze strijd tegen het tsarisme, waarin we geen ‘nationale’ wapenstilstand gekend hebben, hebben wij nooit hulp gezocht bij het Habsburgse of Hohenzollernse militarisme, en zoeken die ook nu niet. We hebben genoeg helder, revolutionair inzicht behouden, om in te zien, dat het Duitse imperialisme er nooit toe zou overgaan zijn beste bondgenoot aan zijn Oostelijke grens, die met hem verbonden is door dezelfde sociale bouw en dezelfde historische verhoudingen, te vernietigen. Maar zelfs als dat niet zo was, als men zou kunnen aannemen, dat het Duitse militarisme tengevolge van de logica van de oorlogsfeiten, in tegenstelling met de logica van het politiek belang, het tsarisme een vernietigende slag zou toebrengen, dan nog zouden wij ons in dat — hoogst onwaarschijnlijke geval — nooit hebben laten verleiden in de Hohenzollern niet alleen een objectieve, maar ook een subjectieve bondgenoot te zien. Het lot van de Russische revolutie is te sterk met het lot van het Europese socialisme verbonden, en wij Russische sociaaldemocraten staan te zuiver op het internationale standpunt om er toe te kunnen overgaan de twijfelachtige stap tot de bevrijding van Rusland, met de zekere verwoesting van de vrijheid van België en Frankrijk te kopen en — wat belangrijker is — de imperialistische vergiftiging in het Duitse en Oostenrijkse proletariaat te enten.

In veel zijn wij met de Duitse sociaaldemocratie verbonden. Wij zijn allen door haar school gegaan, hebben geleerd van haar overwinningen en haar fouten. Zij was voor ons niet een partij van de Internationale, maar geheel de partij. Wij hebben steeds vaster aangehaald de broederband met de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Wij waren er trots op dat de verovering van het algemeen kiesrecht in Oostenrijk en het ontwaken van revolutionaire tendensen in het Duitse proletariaat ook onze bescheiden bijdrage inhield, die met meer dan een druppel bloed gekocht werd. Zonder tegenwerping hebben wij de morele en materiële steun van onze oudere broeder aanvaard, die aan de andere zijde van de grens voor de gemeenschappelijke idealen streed. Maar juist uit eerbied voor dat verleden en nog meer uit eerbied voor de toekomst, die de arbeidersklasse van Rusland met het proletariaat van Duitsland en Oostenrijk verbinden zal, werpen wij vol verontwaardiging de ‘bevrijdende’ hulp van ons, die ons het Duitse imperialisme, onder de zegen van het Duitse socialisme — in de vorm van Kruppse munitiewerktuigen — brengt. En wij hopen dat het verontwaardigde protest van het Russische socialisme luid genoeg klinken zal, om in Berlijn en Wenen weerklank te vinden.

* * *

De ineenstorting van de Tweede Internationale is een treurig feit, en het zou blindheid of lafheid zijn, daarvoor de ogen te sluiten. De positie die de Fransen en het grootste deel van de Engelse sociaaldemocratie heeft ingenomen, is zo goed een deel van die verbrijzeling, als de houding van de Duitse en Oostenrijkse sociaaldemocratie. En als deze brochure in haar kritisch gedeelte voornamelijk aan de Duitse sociaaldemocratie gewijd zal zijn, dan geschiedt dat omdat die het sterkste, meest invloedrijke, meest principiële lid van de socialistische wereldgemeenschap was — en in haar geschiedenis kunnen we het duidelijkste de oorzaken van de ineenstorting van de Tweede Internationale volgen.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof de sociaalrevolutionaire perspectieven van de komende tijd, waar wij reeds over gesproken hebben, volkomen bedrieglijk zijn, wanneer we de absolute zwakte van de oude socialistische partijen zien. Toch zou die sceptische gevolgtrekking geheel onjuist zijn. Wij zouden dan de ‘goede’ wil van de dialectiek over het hoofd zien, zoals we dat zo vaak met haar ‘slechte’ wil deden, die zo helder uit het noodlot van de Internationale gebleken is.

De oorlog van 1914 verkondigt de ineenstorting van de nationale staten. De socialistische partijen van het nu afgesloten tijdperk, waren nationale partijen. Met alle vertakkingen van haar organisaties, haar werk en psychologie waren zij met de nationale staten samengegroeid, en in strijd met de plechtige beloften van de congressen, gingen zij mee met de verdediging van het conservatieve staatsgebouw, toen het imperialisme, op nationale grond groot geworden, de overleefde nationale beperkingen begon omver te werpen. In hun historische ineenstorting trekken de nationale staten de nationale socialistische partijen met zich.

Niet het socialisme gaat ten gronde, maar de tijdelijke historische uiting ervan. De revolutionaire idee ontwikkelt zich, terwijl ze zich uit haar omhulsel vrij maakt. Dit omhulsel bestaat uit levende mensen, uit een socialistisch geslacht, dat met zelfopofferende agitatorische en organisatorische arbeid gedurende tientallen van jaren tegen politieke reactie optrad en beïnvloed werd door de nationale opvattingen en gewoonten. Pogingen om de Tweede Internationale te redden — geschoeid op de oude voet — met behulp van diplomatieke methoden en wederzijdse concessies, zijn volkomen hopeloos. De geschiedenis baant zich een doortocht en niemand kan haar tegenhouden.

Zoals de nationale staten een belemmering voor de ontwikkeling van de productiekrachten geworden zijn, zo zijn de oude socialistische partijen een hindernis geworden voor de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse. Zij moesten eerst hun gehele achterlijkheid openbaren, de grote bekrompenheid van hun methoden ten schande maken, de gruwel en verschrikking van nationale tweedracht over het proletariaat brengen, opdat het zich ten gevolge van de vreselijke teleurstellingen, van de vooroordelen en slaafse gewoonten van deze opvoedingstijd kan losmaken en eindelijk kan worden, waartoe de geschiedenis het nu oproept: de revolutionaire, om de macht strijdende klasse.

De Tweede Internationale heeft niet vergeefs geleefd. Ze heeft een enorme culturele arbeid tot stand gebracht, die in de geschiedenis haar weerga niet vindt: de opvoeding en samenvoeging van de onderdrukte klasse. Het proletariaat behoeft nu niet opnieuw te beginnen. Het zal de nieuwe weg niet met lege handen betreden. De tijd, die voorbij is, heeft een rijk materiaal aan ideeën achtergelaten. Het nieuwe tijdperk zal tot stand brengen, de vereniging van het oude wapen der kritiek met de nieuwe kritiek van de wapens.

Deze brochure werd in de kortst mogelijke tijd geschreven, onder omstandigheden die niet zeer gunstig waren voor geregelde arbeid. Een groot deel van deze arbeid is gewijd aan de oude Internationale, die gevallen is. Maar de gehele brochure, van de eerste tot de laatste bladzijde, is geschreven met de gedachte aan de nieuwe Internationale, die uit de heersende wereldellende zal opkomen, aan de Internationale van de laatste strijd om de volkomen ovenwinning.

Leon Trotski
Zürich, 13 oktober 1914

I. De Balkan kwestie

De 31ste augustus 1914 schreef een sociaaldemocratische krant:

“De oorlog, die nu tegen het Russische tsarisme en zijn aanhangers gevoerd wordt, wordt door een grote historische idee beheerst. De wijding van een grote historische gedachte vervult de slagvelden in Polen en in Oost-Rusland. Het dreunen van de kanonnen, het knetteren van de machinegeweren en de cavalerie aanvallen betekenen de voltrekking van het democratisch program der volksbevrijding. Als het tsarisme er niet in geslaagd was, in samenwerking met het Franse kapitaal en met de gewetenloosheid van een kleine politiek, de revolutie te onderdrukken, zou de tegenwoordige oorlog overbodig geweest zijn. Het vrije Russische volk zou deze gewetenloze en onnutte oorlog nooit toegelaten hebben. De grote ideeën van vrijheid en recht spreken nu de taal van de wapens, en ieder hart, dat in staat is voor recht en menselijkheid te voelen, moet wensen dat de macht van het tsarisme vernietigd zal worden en dat de onderdrukte Russische volken hun zelfbeschikkingsrecht zullen herkrijgen.”

De naam van de krant, die deze regels gepubliceerd heeft is Nepszava, het orgaan van de Hongaarse sociaaldemocratie, — het land, waarvan het innerlijk leven op de gewelddadige onderdrukking van nationale minderheden berust; op de demoraliserende uitbuiting van de arbeidersmassa’s, op een uitzuigend belastingstelsel en broodwoeker ten voordele van de heersende grootgrondbezitter — een land, waar mensen als Tisza heersen, echte agrariërs met manieren van politieke bandieten. In één woord, een land, dat het meeste gemeen heeft met het tsaristisch Rusland. Het is geen toeval, dat het noodlot ertoe leidde, juist de Nepszava, het sociaaldemocratische orgaan van Hongarije, de taak toe te bedelen met zoveel enthousiasme de bevrijdende werking van de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers te bepleiten. Wie anders dan graaf Tisza is geroepen om “de voltrekking van het democratisch program der volksbevrijding” door te voeren? Wie kon anders — in tegenstelling met “de gewetenloosheid van een kleine politiek” van het perfide Albion — de eeuwige principes van recht en billijkheid in Europa vestigen, behalve de heersende kliek in Budapest? Humor werkt verzachtend, en men kan zeggen dat de tragische tegenspraak in de politiek van de Internationale in de artikelen van de Nepszava niet alleen zijn bekroning vindt, maar ook zijn humoristische ondergang.

De tegenwoordige gebeurtenissen begonnen met het Oostenrijks-Hongaarse ultimatum aan Servië. De internationale sociaaldemocratie heeft geen enkele aanleiding het spel van Servische of andere Balkan dynastieën onder haar hoede te nemen. Nog minder aanleiding hebben wij moreel verontwaardigd te zijn over het feit dat een jonge, fanatieke Serviër op de misdadige, laffe nationale politiek van de heersers uit Wenen en Budapest met een bloedige aanslag antwoordde.[1]

In ieder geval bestaat er bij ons geen twijfel omtrent het feit dat in de historische handelingen van de Donaumonarchie met de Serviërs het werkelijk historisch recht, d.w.z. het recht van de ontwikkeling, geheel aan de zijde der laatste is, zoals het in 1859 aan de kant van Italië was. Achter het duel van de Oostenrijkse politie met de terroristen van Belgrado zit veel verborgen: aan de ene kant de imperialistische daden van een ondergaande nationaliteitenstaat, aan de andere kant het streven van het nationaal verbrokkelde Servendom, om een levenskrachtige eenheidsstaat tot stand te brengen.

Zijn wij zolang leerlingen in de school van het socialisme geweest, om het abc van het democratisch alfabet te vergeten? Een gebrek aan geheugen dat eerst na de 4e augustus is ingetreden. Tot die datum hebben de Duitse marxisten er zich wel degelijk rekenschap van gegeven wat eigenlijk in het zuidoosten van Europa plaats greep!

De burgerlijke revolutie van de Zuid-Slaven is in volle gang en de schoten van Sarajevo, hoe overspannen en krankzinnig ze daar op zichzelf ook zijn mogen, zijn zo goed een hoofdstuk van die revolutie, als de veldslagen, waarin Bulgaren, Serviërs en Montenegrijnen voor de Macedonische boeren het juk van de Turkse feodale uitbuiting hielpen afgooien. Het is geen wonder dat de Zuidslaven van Oostenrijk-Hongarije met verlangen zien naar hun stambroeders in het koninkrijk Servië, die het hoogste doel van een volk in de tegenwoordige maatschappij, de nationale zelfstandigheid, bereikt hebben, terwijl men in Wenen en Pest, alles wat Serviër of Kroaat heet, met minachting behandelt. Zeven en een half miljoen Zuidslaven zijn het, die, feller dan ooit sedert de overwinning van de Balkanslaven, hun politiek recht eisen, en als de Oostenrijkse keizerstroon op de duur blijft weigeren, zal hij neerstorten en het rijk, waarmee wij ons lot samengekoppeld hebben, zal in stukken breken. Want het ligt in de lijn van de geschiedkundige ontwikkeling dat zulke nationale revoluties de overwinning behalen.” Zo schrijft de Vorwärts de 3e juli 1914, na de aanslag van Sarajevo.

Wanneer de internationale sociaaldemocratie, samen met het Servische gedeelte van de Internationale, zich stelde tegenover de Servische nationale eisen, dan deed ze dat zeker niet om het historisch recht van Oostenrijk-Hongarije op onderdrukking en verbrokkeling van naties te steunen. En ook zeker niet ter wille van de bevrijdende roeping van de Habsburgers, waarover niemand voor augustus 1914 een woord uitte. Wij werden door geheel andere motieven geleid. Ten eerste kon de arbeidersklasse, hoewel zij het historisch recht van het streven van de Serviërs naar nationale eenheid volstrekt niet bestreed, de volbrenging van die taak niet toevertrouwen aan hen, die nu het lot van het Servische koninkrijk in handen hebben. Ten tweede echter — en die overweging geeft voor ons de doorslag — mocht de internationale sociaaldemocratie de vrede van Europa niet in gevaar brengen ter wille van de Servische zaak, daar de eenheid van Servië, behalve door een Europese revolutie, alleen door een Europese oorlog tot stand kon komen.

Maar van het ogenblik af, dat Oostenrijk-Hongarije de vraag van zijn lot en het lot van de Serviërs ter beslissing op het slagveld gebracht heeft, is er voor ons geen twijfel meer, dat de sociale en nationale vooruitgang in het zuidoosten van Europa door een overwinning van de Habsburgers veel meer belemmerd zou worden, dan door die van de Serviërs. En als er dan voor ons geen enkele aanleiding was, onze roeping met het doel van het Servische leger te doen samenvallen — en aan die gedachte gaven de Servische socialisten Ljaptschewitsch en Katzlerovitsch,[2] in hun votum tegen de oorlogskredieten uiting — dan is er ook zeker nog minder noodzaak, de dynastieke rechten van de Habsburgers en de imperialistische belangen van de feodale-kapitalistische kaste tegen de nationale strijd van de Serviërs te steunen.

In ieder geval echter zal het nodig zijn dat de Oostenrijkse sociaaldemocratie, die nu de Habsburgse wapens voor de bevrijding van Polen, Finland en het Russische volk zegent, eerst met zich zelf ten opzichte van de Servische kwestie in het reine komt. Die kwestie is niet beperkt tot het lot van de tien miljoen Serviërs. De strijd van de Europese volkeren, brengt de Balkankwestie in haar geheel naar voren. De vrede van Boekarest van 1903 heeft noch de nationale, noch de problemen van internationale aard van het Oosten opgelost, maar heeft alleen de verwarde toestand bevestigd, die voortgekomen was uit de volkomen uitputting van de deelnemers aan de beide Balkanoorlogen.

Tegenwoordig komt scherp naar voren de vraag welke houding Roemenië zal aannemen, dat met zijn leger van een half miljoen mensen een gewichtige factor in de toekomstige gebeurtenissen zijn kan. Roemenië stond, afgezien van de Romaanse sympathieën van de bevolking, in het teken van de Oostenrijks-Duitse politiek. Dit feit werd niet zozeer in de hand gewerkt door dynastieke oorzaken — op de troon zit een Hohenzollern — als door het gevaar van een Russische overval. In 1879 heeft de tsaar, als dankbetuiging voor de hulp van Roemenië in de Russisch-Turkse ‘Bevrijdingsoorlog’ een stuk van het Roemeense gebied (Bessarabië) ingepikt. Dit feit gaf de dynastieke sympathieën van de Hohenzollern van Boekarest een flinke steun. Maar met een sterk antinationale politiek in Transsylvanië, waar drie miljoen Roemenen zijn tegen vijf miljoen in Bessarabië, heeft de Magvarische-Habsburgse kliek de Roemeense bevolking tegen zich in het harnas gejaagd, en ook door de handelsverdragen met het Roemeense koninkrijk, die onder invloed van de Oostenrijkse grootgrondbezitters gesloten werden. En als Roemenië, niettegenstaande de dappere en sterke agitatie van de socialistische partij onder leiding van Gherea en Rakovskej, toch zijn leger bij het Russische zal voegen, dan valt de verantwoording daarvoor geheel op Oostenrijk-Hongarije, dat ook hier oogsten zal, wat het gezaaid heeft. Maar de zaak is met de vraag van de historische verantwoordelijkheid niet afgedaan. Morgen, na een maand, na een half jaar misschien, zal de oorlog de beslissing over het lot van de Balkanvolken en Oostenrijk-Hongarije aan de orde stellen, — en het proletariaat moet op die vraag het antwoord weten. De Europese democratie stond in de loop van de 19e eeuw zeer wantrouwend tegenover de bevrijdingsstrijd van de Balkanvolkeren, omdat men vreesde dat Rusland zich op kosten van Turkije zou versterken. Hierover schreef Marx in 1853, aan de vooravond van de Krimoorlog:

“Men kan beweren, dat, hoe sterker Servië en de Servische nationaliteit wordt, des te meer zal de invloed van Rusland op de Turkse Slaven op de achtergrond gedrongen worden. Want Servië zal, om zich als staat te kunnen handhaven, zijn politieke instellingen, zijn scholen van Europa moeten overnemen.”

Deze voorspelling is uitgekomen ten opzichte van Bulgarije, dat Rusland als post op de Balkan vestigde. Toen de Bulgaren op de been waren, hebben ze een sterke anti-Russische partij, — onder leiding van Stambulow, die uit de Russische school kwam — in het leven geroepen, en die partij heeft haar stempel gedrukt op de gehele buitenlandse politiek van het jonge land. Het gehele samenstel van de politieke partijen van Bulgarije is er op ingericht om tussen de beide Europese combinaties te kunnen heen zeilen, zonder in het vaarwater van een van beiden te geraken. Roemenië ging de Oostenrijkse kant op, Servië na 1903 de Russische, omdat het eerste land onder de druk van het Russische gevaar leeft, het tweede onder het Oostenrijkse. Hoe onafhankelijker de landen van Zuidoost-Europa tegenover Oostenrijk staan, zoveel te beter kunnen zij hun onafhankelijkheid tegenover het tsarisme behouden.

Het in 1879, op het Berlijnse congres, geschapen evenwicht op de Balkan, was vol tegenstrijdigheden. Door kunstmatige grenzen verdeeld, onder controle van geïmporteerde dynastieën van Duitse oorsprong, aan handen en voeten gebonden door de intriges van de grote mogendheden, moesten de Balkanvolkeren blijven strijden voor hun nationale bevrijding en eenheid. De blik van de nationale politiek van het zelfstandige Bulgarije was natuurlijk op het, met Bulgaren bevolkte Macedonië gericht, dat door het Berlijnse congres onder Turkse heerschappij gelaten was. De natuurlijke nationale belangen van Servië echter lagen over de grens van Oostenrijk-Hongarije: in Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en Dalmatië. Roemenië had niets in het Zuiden te zoeken, maar de nationale expansie richtte zich naar het Noordwesten en Oosten: op Hongaars Transsylvanië en Russisch Bessarabië. Griekenlands nationale expansie stootte ook op Turkije. Bulgarije en Griekenland hadden dus een veel zwakkere tegenstand als Servië en Roemenië. De Oostenrijks-Duitse politiek, die op het kunstmatig behoud van het Europese Turkije gericht was, ging niet ten gronde aan de diplomatieke intriges van Rusland, maar ten gevolge van de natuurlijke ontwikkelingsgang. Deze maakte het recht tot de zelfstandige vorming van staten voor de Balkanvolkeren, die opgenomen waren in de kapitalistische ontwikkeling tot een geschiedkundig feit.

De Balkanoorlog is het bankroet van het Europese Turkije geworden. Hiermee is de voorwaarde tot oplossing van de Bulgaarse en Griekse kwestie geschapen. Maar Servië en Roemenië, die alleen ten koste van Oostenrijk tot nationale volmaking konden komen, werden in hun expansiepogingen op het Zuiden teruggeworpen en schadeloos gesteld ten koste van Bulgarije, Servië in Macedonië en Roemenië in Dobrudza. Dit is de betekenis van de tweede Balkanoorlog en de vrede van Boekarest. Het feit alleen al van het bestaan van Oostenrijk-Hongarije, het Midden-Europees Turkije, laat geen plaats voor de natuurlijke zelfbeschikking der volkeren in het Zuidoosten, maar dringt hen de weg op van voortdurende onderlinge strijd, en maakt het voor hen nodig een steun van buiten tegen elkaar te zoeken, en zo worden zij tot een werktuig in handen van een combinatie van grote staten. Alleen bij een dergelijke verwarring kon het de diplomatie van de tsaar gelukken, het net van haar Balkanpolitiek te spinnen, waarvan het laatste punt Konstantinopel is. En alleen een federatie van Balkanstaten — een economische en militaire — zou een onoverwinnelijke macht tegenover het tsarisme zijn. Tegenwoordig, na het bankroet van Europees Turkije, staat Oostenrijk-Hongarije, de vereniging van de Zuidoostelijke volken van Europa in de weg. Wanneer Roemenië, Bulgarije, Servië, met natuurlijke grenzen en tot grondslag een economische band, zich met Griekenland en Turkije tot een bond verenigd hadden, zou de Balkan, die vulkaan, die Europa met uitbarstingen telkens weer bedreigd heeft, eindelijk rustig zijn.

De sociaaldemocratie was tot zekere hoogte gedwongen inzake de ingewikkelde Balkanpolitiek, de diplomaten, die het éne gat stopten, om een ander, groter, weer te maken, hun gang te laten gaan.

Zolang de definitieve beslissing verschoven werd, kon de socialistische Internationale nog hopen dat de opheffing van de Habsburgse macht, niet het gevolg zou zijn van de Europese oorlog, maar van een Europese revolutie. Maar nu de oorlog heel Europa uit haar evenwicht gebracht heeft en de grote mogendheden, die op buit uit zijn, de kaart van Europa zullen trachten te veranderen, — niet omdat ze er nationaaldemocratische principes op nahouden, maar ten gevolge van de militaire verhoudingen — nu moet de sociaaldemocratie zich rekenschap geven van het feit, dat de voornaamste belemmering van de vrijheid, de vrede en de vooruitgang — naast het tsarisme en het Duitse militarisme — de Habsburgse monarchie, als staatsorganisatie is. Het misdadige van de handelingen van de Galicische groep der socialisten zit niet alleen daarin dat ze de zaak van Polen boven het socialisme stellen, maar ook in het feit, dat ze het lot van Polen met dat van de Oostenrijkse legers en de Habsburgse monarchie verbinden.

Het socialistische proletariaat van Europa kan deze oplossing van de kwestie niet goedkeuren. Voor hen staat de eis voor een verenigd en onafhankelijk Polen op dezelfde lijn, als die van een verenigd en onafhankelijk Servië. Wij kunnen de Poolse kwestie niet oplossen, met een methode die zou voeren naar de bestendiging van de Zuidoostelijke chaos en de verwarring van geheel Europa. Het Poolse volk moet naar beide kanten vrij zijn, zowel naar die van Romanov, als van Habsburg. Wij behoeven nu niet te overwegen hoe de verhouding van een zelfstandig Polen, met Bohemen, Hongarije en de Balkanfederatie zijn zou. Maar duidelijk is het, dat een complex van middelgrote en kleine staten aan de Donau en op de Balkan, een veel grotere macht tegen de aanslagen van het tsarisme op Europa, zou vormen, dan het tegenwoordige verwarde, energieloze Oostenrijk-Hongarije, dat het recht op zijn bestaan alleen aantoont door voortdurende aanslagen op de vrede van Europa.

In het reeds aangehaalde artikel van Marx van 1863, schreef hij over de Balkan kwestie:

“Wij hebben gezien, dat de Europese staatslieden voor iedere poging, om de vraag te beantwoorden, wat er van Turkije in Europa moet worden, terugschrikken. Het grote motief, dat de houding van Rusland tegen Konstantinopel bepaalt, is juist hetzelfde waarop de bestrijding daarvan steunt, namelijk de holle theorie van de handhaving van het status-quo. Waaruit bestaat dat? Voor de christelijke onderdanen der Porte betekent het niets anders, dan de vereeuwiging van de onderdrukking door Turkije. Zolang ze onder de Turkse overheersing zitten, zien zij in de Griekse kerk hun natuurlijke behoeder en bevrijder.”

Hetzelfde wat hier van Turkije gezegd is, kunnen we ook van Oostenrijk-Hongarije zeggen. De oplossing van de Balkan kwestie is ondenkbaar, zonder tegelijkertijd de kwestie van Oostenrijk-Hongarije tot een eind te brengen. Beide kunnen wij samenvatten in dezelfde formule: de democratische federatie van de Donau- en Balkanvolkeren.

“De regeringen met hun ouderwetse diplomatie”, schreef Marx, “zullen de moeilijkheid nooit kunnen oplossen. Zoals de oplossing van zoveel problemen, moet ook die van het Turkse, overgelaten worden aan de Europese revolutie.” Deze bewering behoudt ook nu haar volle kracht. Maar juist daarom, moet het proletariaat zijn program hebben met betrekking tot het Oostenrijk-Hongaarse vraagstuk. En met dit program moet het stelling nemen tegen de veroverings lusten van het tsarisme en tegen de laffe, conservatieve bezorgdheid tot behoud van het Oostenrijk-Hongaarse status-quo.

II. Oostenrijk-Hongarije

Het Russische tsarisme vertegenwoordigt beslist een ruwere, meer barbaarse staatsorganisatie, dan het gebrekkige, door ouderdomszwakte verzachte, Oostenrijk-Hongaarse absolutisme. Maar Rusland, zelfs zuiver als staatsorganisatie beschouwd, is volstrekt niet hetzelfde als het tsarisme. De vernietiging van het tsarisme betekent niet, de opheffing van Rusland, maar juist zijn bevrijding en versterking. Uitspraken van het kaliber, Rusland moet naar Azië teruggedrongen worden, ook in een deel van de socialistische pers opgenomen, beruste op een zeer slechte kennis van de aardrijkskunde en volkenkunde. Hoe het ook met een gedeelte van Rusland zal gaan — Russisch Polen, Finland, Bessarabië — Europees Rusland zal blijven bestaan, als nationaal territorium van een volk van miljoenen, dat in de laatste 25 jaar in cultureel opzicht zeer vooruit gegaan is.

Geheel anders is het gesteld met Oostenrijk-Hongarije. Als staatsorganisatie is het hetzelfde als de Habsburgse monarchie. Daarmee staat of valt het, zo goed als Turkije, dat hetzelfde was als de Osmaanse militair-feodale kaste en met deze dan ook tenietgegaan is. Het behoud van Oostenrijk na de tegenwoordige Europese catastrofe zal niet alleen de ontwikkeling van de Donau- en Balkanvolkeren voor tientallen jaren knotten, zal niet alleen het gevaar voor een herhaling van de oorlog scheppen, maar zal ook het tsarisme politiek versterken, omdat het de hoofdbron van zijn ideaal onaangetast laat.

Wanneer de Duitse sociaaldemocratie genoegen neemt met de verplettering van Frankrijk, als straf voor de bond met Rusland, moet ze ook eisen, dat men hetzelfde toepast op de Duits-Oostenrijkse bond. Als de volkenbevrijdende taak, die de Franse en Engelse pers aan deze oorlog toekent, te niet gedaan wordt, door de bond van de beide democratische landen, met het reactionaire Rusland, dan is het een even grote aanmatiging, en de Duitse sociaaldemocratie doet daaraan mee, om de bevrijding van het Hohenzollernse leger te verwachten, dat niet alleen tegen het tsarisme en zijn bondgenoten strijdt, maar ook vóór de instandhouding en bevestiging van de Habsburgse monarchie. Oostenrijk is onontbeerlijk voor Duitsland — voor het heersende Duitsland, zoals wij dat kennen. Het stootte Frankrijk, door de verovering van Elzas-Lotharingen, in de armen van het tsarisme, het verscherpte door de snelle bewapening ter zee de verhouding met Engeland, het wees alle toenadering tot de beide westelijke democratieën van de hand en de jonkerkaste was gedwongen, steun te zoeken bij Oostenrijk-Hongarije, als reservoir voor militaire krachten tegen de vijanden in het Westen en Oosten. Van het Duitse standpunt gezien, bestond de taak van Oostenrijk erin Hongaarse, Roemeense, Poolse, Tsjechische, Rutheense, Servische en Italiaanse hulptroepen in dienst van de militaire Duitse jonkerpolitiek te stellen. Het heersende Duitsland heeft er zich gemakkelijk bij neergelegd, dat 10-12 miljoen Duitsers van hun nationaal middelpunt verwijderd bleven, omdat deze 12 miljoen de kern vormen, waarom heen de Habsburgers meer dan 40 miljoen, niet-Duitse bevolking geschaard hebben. Een democratische federatie van zelfstandige Donauvolken zou hen voor het Duitse militarisme als bondgenoten onbruikbaar gemaakt hebben. Alleen een militaire, gedwongen monarchistische organisatie van Oostenrijk-Hongarije maakt het bruikbaar als bondgenoot van het Duitsland van de jonkers. De voorwaarden voor dit bondgenootschap, dat door de trouw van de dynastieën geheiligd is, is te vinden in het voortdurend bereid zijn tot de oorlog van Oostenrijk, wat alleen bereikt kan worden door een kunstmatig kleinhouden van de nationale tendensen.

Voor Oostenrijk, dat omgeven is door verwante naties, staat de buitenlandse politiek in nauw verband met de binnenlandse. Om te kunnen bereiken dat 7 miljoen Serviërs en Zuid-Slaven binnen de grenzen van het militaire Oostenrijk blijven, moet het zelfstandige koninkrijk Servië vernietigd worden.

Het Oostenrijkse ultimatum aan Servië was de beslissende stap op die weg.

“Oostenrijk-Hongarije heeft die stap onder de dwang van de noodzakelijkheid gedaan”, schrijft Ed. Bernstein, in de Sozialistischen Monatsheften (16. Heft), — en dat is volkomen waar, wanneer men de politieke gebeurtenissen uit het oogpunt van dynastieke noodzakelijkheid beziet.

De politiek van de Habsburgers zoekt men te verdedigen door te wijzen op het lage morele peil waarop de heersende klasse van Belgrado staat, maar dat kan men alleen doen, als men de ogen sluit voor het feit dat de Habsburgers alleen maar bevriend kunnen zijn met een Servië, aan de spits waarvan een Oostenrijkse bende stond, een gemene regering, zoals de Balkan nog niet gekend had. Dat de afrekening met Servië zo laat kwam, komt alleen omdat de strijd voor het zelfbehoud nog niet sterk genoeg was in de monarchie.

Na de dood van de aartshertog, de steun van de Oostenrijkse en Berlijnse militaire partij, kwam een krachtige stoot van de bondgenoot. Het Oostenrijkse ultimatum aan Servië was niet alleen vooruit goedgekeurd, maar door Duitsland gedicteerd. Daarvoor hebben we de bewijzen in hetzelfde ‘Witboek’, waaruit de beroepsdiplomaten en de dilettanten het bewijs voor de Hohenzollernse vredelievendheid willen putten.

Het witboek beschrijft eerst het doel van de Groot-Servische propaganda en de invloed van het tsarisme op de Balkan en vervolgt: “Onder deze omstandigheden moest het Oostenrijk duidelijk worden dat het met de waardigheid en het zelfbehoud van de monarchie niet verenigbaar was, de gebeurtenissen buiten de grenzen kalm te blijven aanzien. De regering maakte dus haar opvatting kenbaar en vroeg ons oordeel. Met geheel ons hart, moesten wij het inzicht van onze bondgenoot in de toestand, goedkeuren en hem verzekeren dat een daad, die men nodig achtte, om tegen de beweging in Servië op te treden, onze goedkeuring zou wegdragen. We waren ons zeer goed bewust, dat een eventuele oorlogshandeling van Oostenrijk tegen Servië, Rusland zou doen loskomen, en ons hierdoor, tengevolge van ons bondgenootschap in de oorlog zou wikkelen.

Met de erkenning van de levensbelangen, die er voor Oostenrijk op het spel stonden, konden wij onze bondgenoten niet tot een onwaardige toegevendheid drijven, en ook konden wij, in het moeilijke ogenblik, onze hulp niet weigeren. Wij konden dat vooral ook niet, omdat onze belangen door de voortdurende Servische onlusten telkens bedreigd werden. Als de Serviërs, met behulp van Rusland en Frankrijk nog langer het bestaan van de monarchie hadden kunnen bedreigen, dan zou dat de ineenstorting van Oostenrijk en de onderwerping van het gehele Slavendom onder het Russische juk ten gevolge hebben, en daardoor zou de positie van het Germaanse ras in Midden-Europa, onhoudbaar worden. Een moreel verzwakt, door het opdringen van het Russische Panslavisme ineenstortend Oostenrijk, zou voor ons geen bondgenoot meer zijn, waar we op zouden kunnen rekenen en met wie we rekening zouden kunnen houden, zoals dat noodzakelijk is bij de steeds dreigender wordende houding van onze Oostelijke en Westelijke buren. Wij lieten Oostenrijk dus geheel de vrije hand in zijn actie tegen Servië.”

De verhouding van Duitsland tot het Oostenrijks-Servische conflict is hier duidelijk getekend. Duitsland was niet alleen door de Oostenrijkse regering van haar handelingen op de hoogte gesteld, heeft ze niet alleen goedgekeurd, heeft niet eenvoudig zijn bondsplichten vervuld, maar heeft in het optreden van Oostenrijk de redding gezien, en eigenlijk dit optreden van Oostenrijk-Hongarije op de Balkan, als voorwaarde gesteld voor het verder voortduren van de bondgenootschap.

Deze stand van zaken en het daarin schuilend gevaar zagen de Duitse marxisten duidelijk in. De 29ste juni, één dag na de moord op de Oostenrijkse aartshertog, schreef de Vorwärts:

“Te sterk heeft een kleine politiek het lot van ons volk aan dat van Oostenrijk verbonden. Het verbond met Oostenrijk is door de regeerders tot grondslag van de gehele buitenlandse politiek gemaakt. Maar het is geen bron van kracht, maar van zwakte. Het Oostenrijkse probleem wordt meer en meer een gevaar voor de vrede van Europa”.

Een maand later, toen het gevaar al dreigde, en op het punt stond in de werkelijkheid van een oorlog over te gaan, de 28ste juli, schreef hetzelfde orgaan nog: “Hoe moet zich het Duitse proletariaat tegenover deze zinneloze krankzinnigheid gedragen?” En antwoordde: “Het heeft zeker niet het minste belang bij de instandhouding van de Oostenrijkse volkeren chaos”.

Het democratische Duitsland heeft geen belang bij de instandhouding, maar bij het verval van Oostenrijk-Hongarije. Hierdoor zou Duitsland een bevolkingsvermeerdering van 12 miljoen gekregen hebben met een centrum van de bovenste plank, Wenen. Italië zou zijn nationale volmaking bereikt hebben en opgehouden zijn de rol van de onberekenbare te spelen. Een zelfstandig Polen, Hongarije, Bohemen en een Balkenfederatie met een Roemenië met zo miljoen inwoners aan de Russische grenzen, zou een sterke wal tegen het tsarisme geweest zijn. En het voornaamste: een democratisch Duitsland met 75 miljoen Duitse bevolking, zou zonder de Hohenzollern en de jonkers tot een overeenkomst met Frankrijk en Engeland kunnen komen, het tsarisme isoleren en het in zijn binnen- en buitenlandse politiek tot machteloosheid veroordelen. Een politiek gericht op dit doel, zou werkelijk bevrijdend voor de volkeren van Rusland en Oostenrijk geweest zijn. Maar een dergelijke politiek verlangt één grote voorwaarde, nl. dat het Duitse volk in stede van de Hohenzollern de bevrijding van andere volkeren op te dragen, zichzelf van de Hohenzollern bevrijdt.

De houding van de Duitse en Oostenrijkse sociaaldemocratie is in deze oorlog geheel in strijd geweest met een dergelijk doel. Ze gaat tegenwoordig uit van de noodzakelijkheid van het behoud en de bevestiging van de Habsburgse monarchie, in het belang van Duitsland of de Duitse natie. Deze antidemocratische beschouwingswijze, waar ieder internationaal denkend socialist van bloost, voert de Wiener Arbeiter Zeitung door, wanneer ze over de historische betekenis van de tegenwoordige oorlog schrijft dat “het in de eerste plaats een oorlog tegen de Duitse geest is”.

“Of de diplomatie goed gehandeld heeft of alles zo komen moest, zullen de komende tijden moeten beslissen. Nu staat het Duitse volk op het spel, en nu mogen we niet wankelen en niet aarzelen! Het Duitse volk is één in het onbuigzame besluit zich niet te laten overwinnen en niemand zal het gelukken, enz.” (Wiener Arbeiter Zeitung 5 aug.). Wij zullen de politieke en literaire smaak van onze lezers sparen en dit citaat niet vervolgen. Hier wordt niets gezegd van de bevrijdende roeping met betrekking tot andere volkeren, hier wordt het doel van de oorlog aangegeven als de instandhouding “van de Duitse mensheid”.

De verdediging van de Duitse cultuur, van de Duitse grond, van de Duitse mensheid, is volgens het voorgaande de taak van het Duitse, zowel als van het Oostenrijkse leger. Serviërs moeten dus tegen Serviërs strijden; Polen tegen Polen, Oekraïners tegen Oekraïners — vóór de Duitse mensheid. Veertig miljoen niet-Duitse soldaten van Oostenrijk-Hongarije, worden hier eenvoudig gemaakt tot werktuigen voor de Duitse cultuur. Niemand behoeft zeker te bewijzen dat dit niet het standpunt van de internationale sociaaldemocratie kan zijn.

Hier ontbreekt zelfs iedere elementaire nationale democratie. De Oostenrijkse staf maakt het deze mensheid duidelijk met de woorden: “Alle volkeren van onze eerbiedwaardige monarchie moeten tegen iedere vijand, wie het ook zijn moge, wedijverend in dapperheid, eensgezind samengaan”...

Ook de Wiener Arbeiter Zeitung huldigt dit standpunt. En als men weet, dat deze opvatting niets nieuws is in de Duitse sociaaldemocratie van Oostenrijk, dan zien we meteen wat de hoofdoorzaak is van de verdeling van de Oostenrijkse sociaaldemocratie in nationale groepen, waardoor haar politieke betekenis zeer gering is. De verdeling in elkaar onderling bestrijdende, nationale onderdelen vormt een van de uitingen van de objectieve onvolkomenheid van Oostenrijk als staatkundige organisatie. Tegelijkertijd bewijst de houding van de Duits-Oostenrijkse sociaaldemocratie, dat zij zelf een treurig slachtoffer van die onvolkomenheid geworden is. Ze was niet in staat het proletariaat van de verschillende nationaliteiten van Oostenrijk door de band van het internationalisme samen te houden en gaf tenslotte die taak geheel op. Hiermee heeft ze Oostenrijk-Hongarije en daarmee haar eigen politiek gesteld onder de ‘idee’ van het Pruisisch-jonkerse nationalisme. Deze absolute principiële overgave spreekt in ongehoorde taal tot ons uit de Wiener Arbeiter Zeiting.

Als men opmerkzaam naar de muziek van dit hysterische nationalisme luistert, hoort men ook de ernstige stem van de geschiedenis, die ons zegt dat de weg naar de politieke vooruitgang voor Midden- en Zuidoost Europa leidt over het verval van de Oostenrijk-Hongaarse monarchie.

III. De strijd tegen het tsarisme

Maar het tsarisme! Betekent de overwinning van Duitsland en Oostenrijk dan niet de nederlaag van het tsarisme? En weegt een dergelijk resultaat niet rijkelijk op tegen alle behandelde gevolgen?

Deze vraag heeft een grote betekenis bij de gehele verdediging van de Duitse en Oostenrijkse sociaaldemocratie. De onderdrukking van een klein neutraal land, de verplettering van Frankrijk, alles wordt verdedigd met de noodzakelijkheid van de strijd tegen het tsarisme. De stem voor de oorlogskredieten wordt door Haase gemotiveerd met de noodzakelijkheid “Om het gevaar van het Russisch despotisme af te wenden”. Bernstein gaat terug tot Marx en Engels en neemt oude teksten te hulp om te komen tot: “Afrekenen met Rusland”.

Südekum, die met het resultaat van zijn Italiaanse reis niet tevreden is, werpt de Italianen de beschuldiging toe dat zij het tsarisme niet begrijpen. En als de Oostenrijkse en Hongaarse sociaaldemocraten zich scharen rondom het Habsburgse vaandel, dat de heilige oorlog aan de, naar nationale eenheid strevende, Serviërs verklaart, dan brengen zij hun socialistische eer ten offer aan de strijd tegen het tsarisme.

En niet alleen de sociaaldemocraten. De gehele Duitse, burgerlijke pers heeft tegenwoordig geen ander doel, dan de vernietiging van het tsaristisch absolutisme, dat de volkeren van Rusland onderdrukt en de vrede van Europa bedreigt.

De rijkskanselier brandmerkt Frankrijk en Engeland als vazallen van het Russische despotisme. Zelfs de Duitse generaal-majoor v. Morgen, een beproefd vriend van ‘vrijheid en onafhankelijkheid’, roept de Polen op tot een opstand tegen het despotisme van het tsarisme.

Het zou voor ons, historisch-materialisten, beschamend zijn, wanneer we ons door deze grote woorden, leugens, gemeenheden en domheden van de wijs lieten brengen, en de werkelijke samenhang van de gebeurtenissen niet zouden zien.

Niemand zal ernstig geloven, dat de Duitse reactie het tsarisme werkelijk zo haat, dat ze het vernietigen wil. Integendeel, na de oorlog zal het tsarisme voor de Duitse heersersbende weer, zoals altijd, de meest verwante regeringsvorm zijn. Het tsarisme is voor het Duitsland van de Hohenzollern onontbeerlijk, en wel om twee redenen. Ten eerste verzwakt het Rusland economisch, cultureel en militair, zo dat het zijn ontwikkeling tot imperialistische mededinger remt. Ten tweede versterkt het bestaan van het tsarisme de monarchie der Hohenzollernse en de oligarchie van de jonkers. Want als er geen tsarisme was, zou het Duitse absolutisme in Europa het laatste steunpunt voor de feodale barbaarsheid zijn.

Het Duitse absolutisme heeft nooit zijn verwantschap met het tsarisme, dat dezelfde, alleen nog onbeschaafder, sociale opvattingen heeft, verborgen gehouden. Belangen, traditie en sympathie voeren de Duitse reactie aan de zijde van het tsarisme. “Ruslands rouw is Duitslands rouw”. Tegelijkertijd kunnen de Hohenzollern, zo al niet voor West-Europa, dan toch voor hun eigen volk doorgaan, als bestrijders van de barbaarsheid, dragers der cultuur.

“Met innig leed zag ik een door Duitsland trouw bewaarde vriendschap breken”, zei Wilhelm II in zijn troonrede na de oorlogsverklaring. Niet op Frankrijk of Engeland was het gemunt, maar op Rusland, of nog beter op de Russische dynastie.

De Duitse sociaaldemocraten schrijven Wilhelm II en de kanselier de volgende politiek toe: door de overwinning over Frankrijk en Engeland wil hij de voorwaarden voor een toenadering met die staten scheppen, verder wil hij de strategische overwinning over Frankrijk gebruiken, om het Russische despotisme te onderdrukken. In werkelijkheid hebben de politieke plannen van de Duitse reactie een geheel tegengesteld doel en kunnen ook geen ander hebben.

Wij zullen voorlopig niet bespreken of het van strategisch standpunt beschouwd nodig was tegen Frankrijk op te treden, of niet een verdedigingsoorlog aan de Westelijke grens mogelijk geweest zou zijn.

Maar niet zien dat de politiek van de jonkers de verplettering van Frankrijk nodig had, kan alleen iemand die reden heeft de ogen gesloten te houden, Frankrijk — dat is de vijand.

Ed. Bernstein, die gaarne de politiek van de Duitse sociaaldemocratie zou willen verdedigen, komt tot de volgende conclusie: wanneer Duitsland een democratisch land was, zou men er niet aan behoeven te twijfelen, hoe de afrekening met het tsarisme te bereiken. Dan zou de oorlog tegen het Oosten revolutionair gevoerd worden. De onderdrukte naties van Rusland, zouden tot opstand tegen Rusland bijeengeroepen worden, en men zou hun de middelen geven, om voor hun bevrijding te strijden. Maar, zegt Bernstein, Duitsland is geen democratie, het zou daarom een utopie zijn een dergelijke politiek te verwachten. (Vorwärts 28 augustus). Hier breekt Bernstein zijn analyse van de Duitse politiek plotseling af. Na eerst de schreeuwende tegenstrijdigheid in de positie van de Duitse sociaaldemocratie blootgelegd te hebben, eindigt hij met de hoop uit te spreken dat een reactionair Duitsland hetzelfde zal volbrengen, waartoe alleen maar een revolutionair in staat zou zijn. Men zou hier tegen kunnen inbrengen; de heersende kaste in Duitsland heeft natuurlijk geen belang bij de strijd tegen het tsarisme. Maar Rusland staat nu als vijand tegenover Duitsland; en uit die oorlog, uit de overwinning van Duitsland over Rusland, zal het tsarisme, onafhankelijk van de wil van de Hohenzollern, verzwakt te voorschijn komen. Leve Hindenburg, het grote onbewuste werktuig van de Russische revolutie, roepen wij met de Chemnitzer Volksstimme. Leve de Pruisische kroonprins — ook een vrij onbewust werktuig! Leve de Sultan, die in dienst van de revolutie de Russische steden aan de Zwarte Zee bombarderen laat! De gelukkige Russische Revolutie zal nu snel in omvang toenemen! Maar wij willen proberen de kwestie ernstig te behandelen. Zou werkelijk de nederlaag van het tsarisme goed zijn voor de Russische revolutie?

Wij kunnen tegen de mogelijkheid niets zeggen. De mikado had volstrekt geen belang bij de bevrijding van Rusland. En toch was de Russisch-Japanse oorlog de grote aanleiding voor de revolutionaire gebeurtenissen. Zulke gevolgen kunnen we dus ook van de Duits-Russische oorlog verwachten. Maar om zulke historische mogelijkheden, werkelijke politieke waarde toe te kennen, moeten we het volgende in aanmerking nemen. Zij, die denken dat de Russisch-Japanse oorlog de oorzaak van de revolutie geweest is, begrijpen niets van de geschiedenis.

De oorlog heeft het uitbreken van de revolutie alleen verhaast. Maar ook juist daarom is de revolutie verzwakt geworden. Want als de revolutie zich ontwikkeld had door toename aan innerlijke kracht, dan zou ze later uitgebroken zijn, maar beter georganiseerd en machtiger geweest zijn. Dientengevolge heeft de revolutie geen belang bij de oorlog. Ten tweede heeft de Russisch-Japanse oorlog, al heeft hij het tsarisme verzwakt, het Japanse militarisme versterkt. Deze beschouwingen kunnen we volkomen toepassen op de Duits-Russische oorlog.

In de loop van de jaren 1912-1914 had Rusland, tengevolge van de industriële vooruitgang zich geheel uit de contrarevolutionaire druk naar boven gewerkt. De groei van de revolutionaire beweging, steunend op economische en politieke oorzaken, de groei van de oppositionele stemming bij brede lagen van de bevolking, voerden het land in een nieuw tijdperk van storm en strijd. Maar in tegenstelling tot de jaren 1902-05 ontwikkelde de beweging zich veel bewuster, veel beter georganiseerd en op veel bredere sociale grondslag. Er was tijd nodig, om haar rijp te doen worden.

De oorlog kan — wanneer Rusland de nederlaag lijdt — een sneller uitbreken van de revolutie tengevolge hebben, maar dan zal er een innerlijke verzwakking zijn. En als de revolutie, in die omstandigheden toch de overwinning behaalt, dan zal het leger van de Hohenzollern, tegen haar zijn wapens richten. Dit vooruitzicht, moet de revolutionaire krachten van Rusland lam leggen, omdat het onloochenbaar is, dat achter de Hohenzollernse wapens, de partij van het Duitse proletariaat staat. Dit is de ene zijde van de zaak. De nederlaag van Rusland brengt noodzakelijk mee, de overwinning van Duitland en Oostenrijk ook op de andere slagvelden, en dit betekent de instandhouding van de Midden- en Zuid-Europese verwarring en ook de onbegrensde macht van het Duitse militarisme in geheel Europa.

Een gedwongen ontwapening van Frankrijk, een oorlogsopbrengst van miljarden, een gedwongen tolverbond met de overwonnenen, een gedwongen handelsverdrag met Rusland, dit alles samen zou het Duitse imperialisme voor tientallen van jaren verheffen tot beheerser van de toestand.

De totale verandering in de politiek van Duitsland, die begint met het wijken van de proletarische partij voor het nationalistisch militarisme, zou voor lang gesterkt zijn, de Duitse arbeidersklasse zou langen tijd materieel en ideëel tevreden zijn met de voordelen, die het zegevierende imperialisme ook hen geven zou, maar de sociale revolutie daarentegen zou vernietigd zijn.

Dat onder zulke omstandigheden zelfs een tijdelijk geslaagde Russische revolutie een historische misgeboorte zou zijn, behoeft zeker niet nader bewezen te worden. Zo zitten er in de tegenwoordige strijd van de volkeren die onder het juk van het imperialisme gebukt gaan, geweldige tegenstrijdigheden, die noch door de oorlog zelf, noch door de leidende regeringen zó opgelost zullen kunnen worden, dat het zou liggen in de lijn van de toekomstige geschiedkundige ontwikkeling.

De sociaaldemocraten konden, en kunnen, geen enkel voordeel hebben bij de overwinning van een der partijen.

De Duitse partij heeft dat vroeger zeer goed geweten, en over de strijd tegen het tsarisme schrijft de Vorwärts de 28ste juli: “wat moet er gebeuren, als het niet gelukt het conflict te lokaliseren? Als Rusland gaat optreden? Welke houding moeten wij dan ten opzichte van het tsarisme aannemen. Hierin ligt de grote moeilijkheid van de situatie”.

Is nu niet het ogenblik gekomen om het tsarisme de doodsteek toe te brengen, zal misschien de Russische revolutie tot de overwinning gebracht worden, als de Duitse legers de grens overschrijden? Deze vraag onderzoekende, komt de Vorwärts tot het volgende resultaat:

“Is het zeker, dat de Russische revolutie overwinnen zal, als de Duitse legers de grens overschrijden? Deze daad kan de ondergang van het tsarisme met zich brengen; maar zullen de Duitse legers niet met veel groter energie het revolutionaire Rusland bestrijden en trachten omver te werpen, als het absolutistische Rusland?”

En nog meer. De 3e augustus aan de vooravond van de historische Rijksdagzitting schrijft de Vorwärts:

“Terwijl de conservatieve pers, de sterkste partij van het rijk, tot vreugde van het buitenland voor hoogverrader uitscheldt, tracht men ook de sociaaldemocratie te doen begrijpen dat de oorlog, die op het punt staat uit te breken, eigenlijk de vervulling van een oude sociaaldemocratische eis is. De oorlog tegen Rusland, tegen het met bloed bevlekte Rusland, zoals de vroegere bewonderaars van de knoet het nu noemen, tegen het ontrouwe tsarisme — is dat niet een oude sociaaldemocratische eis van het begin af?

Zo spreekt men in het meest verstandige deel van de burgerlijke pers en bewijst daarmee alleen hoeveel men hecht aan de stemming van het deel van de bevolking, dat achter de sociaaldemocratie staat. Daarom zegt men nu niet meer: Russische rouw, is Duitse rouw! Maar: neer met het tsarisme! Sedert de grote leiders van de sociaaldemocratie (Bebel, Lassalle, Engels, Marx) de democratische oorlog tegen Rusland wilden, is Rusland niet meer alleen de haard van de reactie, ook is het geworden de haard van de revolutie. Het is de taak van het Russische volk in het algemeen en van het Russische proletariaat in het bijzonder geworden, tegen het tsarisme te vechten en het omver te werpen, en wij weten hoe stevig de arbeidersklasse deze taak aanpakt, daarvan geven de laatste weken zeker de bewijzen... Alle nationalistische ophitsingpogingen, van de ‘echte Russen’, om de haat van de massa tegen het tsarisme te keren, door een reactionaire beweging tegen het buitenland, vooral tegen Duitsland op touw te zetten, hebben tot nu toe gefaald. Te goed weet het Russische proletariaat, dat zijn vijand niet aan de andere zijde van de grenzen ligt, maar in het eigen land zit. Voor de nationalistische drijvers, de echte Russen, en Planslavisten, was niets ellendiger dan de tijding van de vredesdemonstraties van de Duitse sociaaldemocratie. Hoe zouden ze gejubeld hebben, als dat anders geweest was, als ze tot het revolutionaire Russische proletariaat hadden kunnen zeggen; wat wilt ge? De Duitse sociaaldemocratie staat vooraan bij de oorlogsdrijvers tegen Rusland! En vadertje in Petersburg zou een zucht van verlichting geslaakt hebben en gezegd hebben: dat was de tijding, die ik nodig had, nu heeft men de Russische revolutie, mijn gevaarlijkste vijand, lam geslagen! De internationale solidariteit van het proletariaat is verscheurd! Nu kan ik het nationalistische ondier loslaten. Ik ben gered!”

Zo schreef de Vorwärts, nadat Duitsland, Rusland reeds de oorlog verklaard had. Deze woorden tekenen de eerlijke, flinke positie van het proletariaat tegen het oorlogvoerende chauvinisme. De Vorwärts heeft de lage huichelarij, van het heersende Duitsland, dat zich plotseling bewust geworden was van zijn roeping, Rusland van het tsarisme te moeten bevrijden, uitmuntend begrepen en gebrandmerkt. De Vorwärts waarschuwde het proletariaat voor de politieke druk, die de burgerlijke pers, op zijn revolutionaire overtuiging uitoefenen wil. Gelooft deze vrienden van de knoet niet, zegt de Vorwärts tot de Duitse proletariërs, ze snakken naar uw zielen, en kleden hun imperialistische belangen, in het mooie kleed van de vrijheidsbelofte. Zij bedriegen u — het bezielde kanonnenvlees, dat zij nodig hebben. Wanneer het hen gelukt, u op hun weg te brengen, helpen zij het tsarisme, omdat zij de Russische revolutie een vreselijke morele slag toebrengen. — En als toch de Russische revolutie het hoofd zou opsteken, zouden juist zij het tsarisme geholpen hebben, om haar te doden.

Dat is de betekenis, van hetgeen de Vorwärts tot de 4e augustus de arbeidersklasse leerde.

En maar drie weken later schrijft diezelfde Vorwärts:

“Bevrijding van het Moskouvitendom”(?), vrijheid en onafhankelijkheid, vrije ontwikkeling voor het grote Russische volk zelf, verbreking van de onnatuurlijke bond van twee cultuurvolken met het tsaristisch barbarendom, dat was het doel, dat het Duitse volk vol geestdrift en bereid tot offers gemaakt heeft. En blijkbaar niet het Duitse volk alleen, ook de Duitse sociaaldemocratie en haar orgaan. Wat is er dan in die drie weken gebeurd; wat dreef de Vorwärts er toe haar oorspronkelijk standpunt te verlaten?

Wat er gebeurd is? Niets van betekenis. De Duitse legers worgden het neutrale België, brandden enige Belgische dorpen neer, verwoestten Leuven, waar de inwoners zo gemeen waren geweest om brutaalweg, zonder helm op, op de gewapende vreemdelingen te schieten, die met geweld hun huis waren binnengevallen;[3] in die drie weken brachten de Duitse legers dood en verderf op het Franse territorium, en het met hen verbonden Oostenrijkse leger, stampte de Serviërs aan de Sava en de Drina, de liefde voor de Habsburgse monarchie in — dat zijn de feiten die de Vorwärts overtuigden, dat de Hohenzollern de oorlog voor de bevrijding der volkeren voeren. Men verdrukte het neutrale België, de sociaaldemocraten zwegen. En Richard Fischer kwam speciaal, als buitengewoon gezant van de partij, naar Zwitserland, om het volk van dat neutrale land duidelijk te maken, dat schending van de Belgische neutraliteit en de verplettering van het kleine volk een doodnatuurlijke zaak was. Iedere regering zou in hetzelfde geval net zo gehandeld hebben als de Duitse. Op dat tijdstip heeft de Duitse sociaaldemocratie de oorlog aanvaard, niet als een noodzakelijke handeling ter verdediging van de natie, maar zij heeft erin gelegd, het ideaal van een aanvallende veldtocht voor de vrijheid. Welk een ineenstorting voor een partij, die gedurende vijftig jaar de Duitse arbeidersklasse opvoedde in het besef, dat de Duitse regering de vijand van alle vrijheid en democratie is!

Ondertussen openbaart zich iedere dag van de oorlog meer en meer het grote Europese gevaar, dat de marxisten hadden moeten zien. De hoofdmacht van de Duitsers is niet tegen het Oosten, maar tegen het Westen gericht, tegen België, Frankrijk en Engeland. Zelfs wanneer we het onwaarschijnlijke zouden aannemen, dat de strategische noodzakelijkheid dit nodig maakte dan blijft toch bestaan het politieke, logische gevolg van deze strategie; namelijk de noodzakelijkheid van de algehele onderdrukking van België, Frankrijk en het Engelse landleger, om de handen tegen Rusland vrij te hebben. Was het dan niet duidelijk, dat wat een voorlopige strategische nodige maatregel genoemd werd, tot troost van de Duitse sociaaldemocratie, door de macht van de feiten worden moest tot een zelfstandig doel? Hoe hardnekkiger de tegenstand van Frankrijk is, dat nu werkelijk zijn onafhankelijkheid tegen de Duitse overval te verdedigen heeft, des te langer zal het Duitse leger aan de Westgrens moeten blijven; hoe meer daarbij Duitsland uitgeput raakt, hoe minder kracht er overblijft, om de oorspronkelijke grote taak, de “afrekening met Rusland” tot een goed einde te brengen! Dan zal de geschiedenis getuige zijn van een eervolle vrede tussen de twee meest reactionaire machten van Europa: tussen Nicolaas, wie het lot de overwinning over de door en door rotte Habsburgse monarchie[4] toebedeeld heeft, en Wilhelm, die de afrekening voltrok, niet met Rusland, maar met België.

De bond tussen Hohenzollern en Romanov — na de uitputting en vernedering van de Westelijke Staten — zal een nieuw tijdperk van de zwartste reactie in Europa en in de gehele wereld betekenen.

Met haar tegenwoordige politiek baant de Duitse sociaaldemocratie de weg voor dat grote gevaar. En dat gevaar zal werkelijkheid worden, als het Europese proletariaat niet als revolutionaire factor gaat optreden en zich mengt in de plannen der dynastieën en van de kapitalistische regeringen.

IV. De oorlog tegen het Westen[5]

Na de terugkeer van zijn diplomatieke reis naar Italië schreef Dr. Südekum in de Vorwärts, dat de Italiaanse partijgenoten het wezen van het tsarisme niet begrijpen. Wij zijn het geheel eens met dr. Südekum, dat het voor een Duitser gemakkelijker is, de natuur van het tsarisme te begrijpen, omdat hij iedere dag aan de lijve de geest van het Pruisisch-Duitse absolutisme voelt. En die beide stelsels zijn zeer na aan elkaar verwant.

Het Duitse absolutisme vertegenwoordigt een feodaal-monarchale organisatie, waarvoor de ontwikkeling van de laatste vijftig jaar een machtige kapitalistische grondslag schiep. De kracht van het Duitse leger, zoals we die in de meest bloedige arbeid weer hebben leren kennen, is niet alleen ontstaan door de materiële-technische kennis der natie, door de intelligentie en de nauwkeurigheid van de soldaten, die geschoold zijn in de industrie en de klasseorganisatie, maar ook door het officierscorps van jonkers, met hun machtstraditie, die hen geleerd heeft te onderdrukken, wat onder ligt, de onderwerping aan hetgene dat boven hen staat. Het Duitse leger, zoals ook de Duitse staat, vertegenwoordigt een feodaal-monarchale organisatie met onuitputtelijke kapitalistische bronnen. De burgerlijke mensen kunnen kletsen zoveel ze willen over het overwicht dat de Duitser, de plichtmens heeft, over de Fransman, de genotsmens; het werkelijk onderscheid ligt niet in de eigenschappen van het ras, maar in de sociale en politieke verhoudingen. Het staande leger, die afgesloten, zelfgenoegzame staat in de staat, blijft, afgezien van de algemene dienstplicht, een kastenorganisatie, die voor haar bloei de kunstmatig volgehouden standenafsluiting nodig heeft. In zijn boek La Nouvelle Armée (Het nieuwe leger) heeft Jaurès bewezen, dat Frankrijk alleen een verdedigingsleger kan hebben, dat steunt op de volkswapening, dus een volksleger. De burgerlijke Franse republiek moet er nu voor boeten, dat zij in haar leger een tegenwicht voor de democratie van de staat wilde hebben. Zij vormde, zegt Jaurès, een bastaardregiem, waarin verouderde vormen vermengd zijn met zich nog ontwikkelende vormen, en deze beide heffen elkaar op. Deze wanverhouding tussen het staande leger en het republikeinse stelsel, is de grondslag van de zwakte van het militaire stelsel van Frankrijk. Omgekeerd, geeft de werkelijk barbaarse politieke achterlijkheid van Duitsland het een groot militair overwicht. De Duitse bourgeoisie moge van tijd tot tijd mopperen, als de kastengeest van de officieren tot gebeurtenissen als Zabern voert, zij moge de kroonprins uitlachen om de leuze “Altijd stevig er op los”; de Duitse sociaaldemocratie moge de systematische mishandeling van de persoonlijkheid van de Duitse soldaat brandmerken, die in vergelijking met andere landen tot het dubbele aantal zelfmoorden voert — de politieke karakterloosheid van de bourgeoisie en het ontbreken van een revolutionaire school bij het Duitse proletariaat maakt het de heersende kaste mogelijk, het geweldige gebouw van het militarisme op te richten.

Hans Delbrück zoekt de oorsprong van de militaire macht van Duitsland in het Teutoburger woud!

“De oudste, Germaanse oorlogsorganisatie”, zegt hij “berustte op het gevolg van de vorst, bijzonder uitgezochte krijgers en op een massa soldaten, die het gehele volk omvatte. Dat hebben wij nu ook. Maar onze wijze van vechten is anders geworden. Een wonderbaarlijke techniek van de moderne wapens en een prachtige verdeling van de enorme massa’s en toch eigenlijk in wezen dezelfde organisatie; de oorlogsgeest ten hoogste gespannen, tot hoogste volmaking gebracht in een lichaam dat toen klein was, nu vele duizenden omvat; de leiders, die door trouw aan hun heer gebonden zijn, door hem als zijn gelijken behandeld worden, en het gehele volk onder hun leiding hebben, dat door hen opgevoed en gedrild wordt. Hierin zit het geheim van het krijgshaftig karakter van het Duitse volk.”

De Franse Majoor Driant kijkt met verliefde na-ijver naar de Duitse keizerin de uniform van de witte kurassiers, en is verrukt over de wijze, waarop hij zijn tijd te midden van zijn leger, de familie der Hohenzollern, doorbrengt. De feodale kaste, voor wie reeds lang de tijd gekomen was, om politiek en moreel uitgeleefd te zijn, heeft door het imperialisme weer contact met de natie gekregen. En zó diep was dat contact, dat de voorspelling van majoor Driant, die men altijd als een valse insinuatie van een bonapartist, of als de beuzelpraat van een krankzinnige beschouwd had, uitkwam.

“De keizer is de veldheer... en achter hem staat de gehele arbeidende klasse als één man; Bebels sociaaldemocraten liggen ook in de rijen, met de vinger aan de trekker, en ook zij denken aan niets anders, dan aan het heil van het vaderland. De tien miljard oorlogsschatting, die Frankrijk zal moeten betalen, zullen meer tot stand brengen dan de socialistische utopieën, met welke zij zich nog de vorige dag gevoed hebben.”

En over deze oorlogsschatting — maar niet van 10, maar van 20 of 30 miljard, schrijven nu op de meest onbeschaamde wijze enige sociaaldemocratische (!) bladen.

De overwinning van Duitsland over Frankrijk — een te betreuren strategische noodzaak, zegt de Duitse sociaaldemocratie ... zou niet de nederlaag van het staande leger in het regime van de republikeinse democratie zijn, maar zou betekenen de overwinning van de feodaal-monarchale over de democratisch-republikeinse organisatie.

Het bestaan van het oude ras van de Hindenburgs, Moltcke en Kluck, erfelijke specialisten op het gebied van de massamoord, is even goed een voorwaarde voor de Duitse overwinning, als 42 centimeter kanonnen, de nieuwste uitvinding van het technisch vermogen van de mensen!

Nu reeds spreekt de gehele burgerlijke pers, over de onwankelbaarheid van de Duitse monarchie, die door de oorlog gesterkt is. En reeds verklaren de Duitse geleerden — dezelfde die Hindenburg doctor in alle wetenschappen gemaakt hebben — dat politieke slavernij een hogere vorm van maatschappelijk leven is.

“Hoe weinig stevig is de democratische republiek en de door het parlement ondermijnde schijn-koningsmacht gebleken toen de storm kwam!”

En moge het beledigend, en beschamend zijn de geschriften te lezen van de Franse socialisten, die veel te zwak waren om de bond van Frankrijk met Rusland te verbreken, en zelfs om de driejarige diensttijd te verhinderen, en toch de rode broek aantrekken en meedoen om Duitsland te bevrijden; een gevoel van onuitsprekelijke verontwaardiging komt over ons als wij in de Duitse partijpers lezen hoe in enthousiaste bewoordingen de heldenmoed van de kaste van erfelijke onderdrukkers voor hun wapenfeiten op het Franse grondgebied, lof toegezwaaid wordt!

De 15e augustus 1870, toen de overwinnende Duitse legers Parijs naderden, schreef Engels in een brief aan Marx, waarin hij de verwarde toestand van de Franse verdediging beschreef, “niettegenstaande dat, behoeft een revolutionaire regering, als ze gauw komt, niet te wanhopen. Ze moet echter Parijs aan zijn lot overlaten en de oorlog van het zuiden uit voeren. Dan is het nog mogelijk, dat ze zich zolang kan staande houden, tot er voldoende wapens zijn en de nieuwe legers georganiseerd zijn en de vijand langzaam aan weer naar de grens teruggedreven kan worden. Dat zou een goed einde van de oorlog zijn, want dan zouden beide landen elkaar het bewijs geleverd hebben, dat ze onoverwinnelijk zijn.”

Er zijn mensen die met dronken stemmen schreeuwen “naar Parijs!” en die de brutaliteit hebben, zich op Marx en Engels te beroepen. In hoeverre staan zij hoger, dan de sterk verachte Russische liberalen, die kruipen voor de generaal, die de Russische ‘Nahajka’ in Oostgalicië invoert? Als een laffe aanmatiging klinken ons de woorden in de oren, dat de strijd aan de westgrens een zuiver ‘strategisch’ karakter draagt. Wie houdt daarmee rekening; zeker niet de Duitse regerende klassen. Zij noemen de zaken bij hun ware naam. Zij weten wat zij willen en weten voor hun overtuiging te strijden.

De sociaaldemocraten vertellen ons dat de oorlog gevoerd wordt ter wille van de nationale onafhankelijkheid. Arthur Dix antwoordt “niet waar”!

“Zoals de grote politiek van de vorige eeuw zijn grondslag dankte aan de nationale gedachte, zo staan nu de wereldgebeurtenissen in het teken van de imperialistische gedachte”. (Der Weltwirtschaftskrieg 1914)

Hij gaat verder: “Het getuigt van goed inzicht, bij hen die de oorlog militair voorbereid hebben, dat reeds in het eerste stadium van de oorlogvoering het naar voren dringen van ons leger tegen Frankrijk en Rusland plaats had, waar waardevolle schatten van de Duitse grond beschermd moesten worden, en er delen van het vijandelijk land bezet werden, die ons eigen bezit aan ondergrondse rijkdommen konden aanvullen.”

De ‘strategie’ waarvan de socialisten eerbiedig spreken, begint haar taak met de roof van agrarische schatten.

De sociaaldemocraten vertellen ons dat de oorlog het werk van de volksverdediging dient, maar de heer George Irmer schrijft: “men moet niet aldoor, als over iets van oudst bekend, erover spreken dat Duitsland in de strijd om de wereldproductie en de wereldmacht te laat gekomen is; dat de wereld al verdeeld is. Is de wereld dan niet altijd weer opnieuw verdeeld geworden, in de loop van de geschiedenis”. (Los vom englischen Weltjoch, 1914 blz. 42).

De socialisten troosten ons, en zeggen dat België maar tijdelijk onderdrukt zal worden, en dat de Duitsers gauw België verlaten zullen. Maar Arthur Dix, die wel weet wat hij wil, schrijft: “een Duitse uitgang naar de open Atlantische Oceaan”, — dat is het wat Engeland het meeste vreest. “En juist daarom mogen wij België niet meer verlaten, en moeten we zorg dragen dat de kust zo mogelijk van Oostende tot het noorden van Frankrijk, niet weer in handen valt van een staat die de politieke vazal van Engeland zou kunnen worden, maar we moeten bereiken dat die staat onder Duitse invloed komt.” Nu wordt dit programmapunt van de Berlijnse beurs vervuld, getuige de strijd tussen Oostende en Duinkerken.

De socialisten vertellen ons ook nog, dat de oorlog tussen Frankrijk en Duitsland maar het voorspel is van een vaste bond tussen hen, maar Arthur Dix geeft ook hierover de waarheid.

Het doel is “vernietiging van de Engelse macht in de wereldhuishouding, dodelijke slagen toebrengen aan de Engelse volkshuishouding”.

Prof. van Litszt verkondigt: “De buitenlandse politiek van Duitsland heeft maar één doel voor de komende jaren, tegen Engeland”. (Ein mittereuropäischen Staatenverband, 1914 bl. 24).

“Wij moeten”, roept een derde uit, “de gemeenste van onze vijanden vernietigen, wij moeten de tirannie, die Engeland op zee met schaamteloze rechtsverkrachting uitoefent, de kop indrukken.” De oorlog gaat niet tegen het tsarisme, maar vooral tegen de overmacht van Engeland op zee.

De Duitse sociaaldemocraten zeggen dat het hoofddoel, de afrekening met Rusland is. Maar de vrome heer Rudolf Theuden wil Galicië aan Rusland uitleveren en Noord-Perzië op de koop toe geven. Dan zou Rusland zoveel bereikt hebben, dat het vele jaren lang bevredigd zou zijn en men zou eraan kunnen denken vriendschap te sluiten. Dat werd nog vóór de Russische overwinningen in Galicië geschreven.

“Wat zal de oorlog ons brengen”, vroeg de heer Theuden en antwoordde:

“Het grootste deel zal Frankrijk ons moeten betalen... Frankrijk zou dus Belfort, en het door Moezel en Maas begrensde deel van Lotharingen, moeten afstaan; als wij dan Moezel en Maas tot Duitse grensrivieren maken, zullen de Fransen er niet meer over denken de Rijn tot Franse grensrivier te willen maken.”

Burgerlijke politici en professoren weten ons dus te zeggen dat Engeland de hoofdvijand is, dat België en Frankrijk de weg naar de Atlantische Oceaan vrijmaken, dat de hoop op een Russische oorlogsschatting een utopie is, dat Rusland voordeliger is als vriend, dan als vijand; dat Frankrijk in de vorm van geld en grond zal moeten betalen, en ondanks dat alles roept de Vorwärts de Duitse arbeiders op om vol te houden “zo lang, tot de overwinning geheel ons zij!” En daarbij beweert het blad dat de oorlog gevoerd wordt ter wille van de onafhankelijkheid van de Duitse natie en van de bevrijding der volkeren van Rusland. Wat is nu het einde? Men moet geen logica of waarheid zoeken waar men het niet vinden kan; er is blijkbaar een gezwel met slavengevoelens opengebroken en het vuil valt op de bladzijden van de arbeiderspers. Het is duidelijk dat de onderdrukte klasse, die langzaam de vrijheid tegemoet gaat, al haar hoop, haar schone beloften, door vuil en bloed sleuren moet, vóór in haar ziel de schone stem opbloeit — de stem van de revolutionaire eer.

V. De verdedigingsoorlog

“Wij moeten het gevaar (van het Russische despotisme) afwenden, de cultuur en de onafhankelijkheid van ons eigen land moeten we beschermen. Dan maken wij de woorden, die wij altijd gebezigd hebben, waar; wij laten in de ure des gevaars, het vaderland niet in de steek... Op grond hiervan, stemmen wij voor de oorlogskredieten.”

Zo luidde de door Haase voorgelezen verklaring van de sociaaldemocratische fractie in de zitting van de Duitse Rijksdag van 4 augustus.

Hierin sprak men alleen over de bescherming van het vaderland, en nog niet over de bevrijding van het Russische volk, wat later in allerlei vormen door de socialistische pers opgediend werd. Hierbij hield de logica geen gelijke tred met het patriottisme en de pers had de grootste moeite de oorlog tegelijkertijd als een verdedigingsoorlog, met de taak, bescherming van het Duitse bezit voor te stellen, en als een revolutionair aanvallende oorlog, die gevoerd wordt voor de bevrijding van Rusland en Europa van het tsarisme.

Wij hebben dikwijls genoeg duidelijk aangetoond waarom het Russische volk reden heeft de hulp af te slaan, die men het op de punt van de Hohenzollernse bajonet aanbiedt.

Hoe staat het nu met de verdedigingsoorlog? Het meest verwonderlijke van de verklaring der Duitse sociaaldemocratie ligt niet in hetgeen waarover ze spreekt, maar veel meer in hetgeen waarover ze zwijgt. Nadat Bethmann-Hollweg in de Rijksdag gesproken had over de schending van de neutraliteit van België en Luxemburg, met het doel om Frankrijk aan te vallen, heeft Haase geen enkel woord gezegd. Dit zwijgen is zo onbegrijpelijk, dat men de verleiding niet kan weerstaan, de verklaring nog eens en ten derde male te lezen, doch te vergeefs, ze is zó opgesteld alsof op de politieke kaart van de Duitse sociaaldemocratie nooit een België, Frankrijk en Engeland gestaan had.

Maar de feiten blijven, al sluiten de politieke partijen ook de ogen ervoor. En ieder lid van de Internationale heeft het recht Haase te vragen: “Welk deel van de vijf miljard oorlogskrediet, was voor de verwoesting van België bestemd?” Het is zeer wel mogelijk dat de bescherming van het Duitse vaderland tegen het Russisch despotisme, het nodig maakte het Belgische vaderland te onderdrukken. Maar waarom heeft de sociaaldemocratische fractie daarover gezwegen?

De oorzaak is duidelijk: de Engelse liberale regering, die er op uit was de oorlog bij de massa populair te maken, beriep zich alleen op de noodzakelijkheid, de onafhankelijkheid van België en Frankrijk te beschermen; ze verzweeg het bondgenootschap met Rusland. Op soortgelijke wijze, steunend op dezelfde motieven spreekt de Duitse sociaaldemocratie tot de massa, alleen over de oorlog tegen het tsarisme, en noemt België, Frankrijk en Engeland niet. Dit feit is zeker niet zeer vleiend voor de internationale reputatie van het tsarisme. Het is echter zeer bedroevend dat de Duitse sociaaldemocratie haar goede naam opoffert aan de leuze van de strijd tegen het tsarisme. Lassalle heeft gezegd dat iedere grote politieke actie begint met het eerlijk constateren van de feiten. Waarom begint dan de verdediging van het vaderland met het onbeschaamde verzwijgen van de feiten? Ziet men daarin misschien geen grote politieke actie?

In ieder geval is de verdediging van het vaderland een zeer veelomvattend begrip. De catastrofe begon met het ultimatum van Oostenrijk aan Servië. Natuurlijk werd Oostenrijk hier geleid door zijn grote behoefte, zijn grenzen tegen de onrustige nabuur te verdedigen. Oostenrijks ruggesteun was Duitsland. De aanmoediging van Duitsland was ook gegrond op de bescherming van de staat. Quessel schrijft daarover: “Het zou onzinnig zijn te geloven dat men een muur van het gebouw (Europa) naar beneden zou kunnen halen, zonder de veiligheid van het gehele gebouw in de waagschaal te stellen.” Duitsland begon zijn verdedigingsoorlog met de aanval op België, waarbij het motief alleen kon zijn, naar Frankrijk te trekken langs de zijde van de zwakste tegenstand. De militaire omverwerping van Frankrijk zou dan ook alleen een strategische episode in de vaderlandsverdediging zijn.

Toch scheen dit plan enige Duitse patriotten niet te bevredigen. Zij beweerden iets anders: Rusland zal na enige jaren voor Duitsland veel gevaarlijker zijn dan het nu is; Frankrijk zal ondertussen zijn driejarigen diensttijd geheel doorgevoerd hebben. Dan is het dus duidelijk, dat juist een goed begrepen drang naar zelfverdediging eiste, dat Duitsland niet zou afwachten tot de vijand het overviel, maar een paar jaar vroeger, zelf offensief ging optreden. En dan is het ook duidelijk, dat zulk een aanvalsoorlog, bewust door Duitsland en Oostenrijk in het leven geroepen, in werkelijkheid blijkt te zijn een preventieve verdedigingsoorlog. Overigens kan men de beide opvattingen tot één verenigen. Er zit wel enige tegenstrijdigheid in: de ene maakt duidelijk dat Duitsland geen oorlog wilde, maar door de driebond gedwongen werd; de andere tracht te beweren dat juist voor de driebond de oorlog onvoordelig was, en dat juist daarom Duitsland het initiatief voor de oorlog moest nemen. — Maar deze tegenspraak wordt opgeheven door het begrip: verdedigingsoorlog, dat beide opvattingen huldigen.

De andere betrokken mogendheden bestrijden, met goed succes, dit begrip. Frankrijk kon de omverwerping van Rusland niet toelaten; zelfverdediging eiste hier ingrijpen. Engeland verdedigt zijn aanvallend optreden met het motief dat een versterking van Duitsland in het kanaal een groot gevaar voor het Britse eiland zou opleveren. En ook Rusland spreekt alleen van zelfverdediging, hoewel niemand het Russische grondgebied bedreigde. Maar nationaal bezit, bestaat niet alleen uit grondgebied, maar ook uit allerlei onroerende goederen, bv. de invloed op zwakkere staten. Servië ‘behoort’ onder Russische invloed te blijven, wil het evenwicht op de Balkan, en ook dat tussen Russische en Oostenrijkse macht, behouden blijven. Een overwinning van Oostenrijk in Servië zou dat evenwicht ten gunste van Oostenrijk verstoren en betekende ook een indirecte aanval op Rusland. Het is overbodig hier nog bij te voegen dat Servië en Montenegro, België en Luxemburg ook bewijzen aanvoeren voor het verdedigingskarakter van hun politiek. Welke betekenis heeft dan nog de tegenstelling: verdediging- en aanvalsoorlog?

Van groot belang is de vraag naar de historische rol van de oorlog, voor ons marxisten. Zal het gevolg zijn, een bevordering van de ontwikkeling van de productiekrachten; een veranderde staatsvorm; zal de concentratie van het kapitaal toenemen of geremd worden. Deze materialistische werking van de oorlog staat boven iedere formele werking, en hangt niet samen met de kwestie van verdediging of aanval. Menigmaal echter wordt met deze formele uitdrukkingen de historische betekenis van de oorlog geschetst. Toen Engels zei dat de Duitsers in 1870 zich verdedigden, doelde hij zeker niet op de politieke en diplomatieke verhoudingen. Voor hem was de kwestie of de Duitsers in die oorlog voor hun nationale eenheid vochten, die de noodzakelijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van het land en voor de socialistische organisatie van het proletariaat was. In deze zin voerden ook de christelijke volken van de Balkan een verdedigingsoorlog tegen Turkije, omdat zij vochten voor hun recht op zelfstandige nationale ontwikkeling.

Los van de historisch-materialistische beschouwing van de oorlog, staat het onderzoek omtrent de wereldpolitieke aanleiding. De oorlog van 1870 was historisch onvermijdelijk; het recht, het streven naar ontwikkeling was aan de Duitse zijde. Maar deze historische feiten zeggen niets omtrent de kwestie, welke partij er voordeel bij had de oorlog juist in 1870 te doen uitbreken.

Nu weten wij zeer goed dat politieke en militaire overwegingen Bismarck bewogen hebben het initiatief tot de oorlog te nemen. Het had echter ook anders kunnen zijn. De regering van Napoleon III had, wanneer er meer kans tot slagen en groter energie geweest was, Bismarck vóór kunnen zijn, en de oorlog een jaar eerder kunnen beginnen. Dat zou de politiek geheel veranderd hebben, maar zou de historische waardering van de oorlog onaangetast gelaten hebben.

Ook met de diplomatieke gebeurtenissen moet rekening gehouden worden. De taak van de diplomatie is tweeledig; zij moet de oorlog doen uitbreken op het ogenblik, dat het, gezien de internationale en militaire toestand voor hun land het voordeligste is; maar zij moet ook tot haar doel komen door middelen, waardoor de verantwoordelijkheid voor het bloedig conflict, in de ogen van het grote publiek, op de vijandelijke regering valt. De ontmaskering van de diplomatieke schurkenstreken is een van de belangrijkste politieke daden van de sociaaldemocratie. Natuurlijk weten wij, wanneer we het net van de diplomatieke intriges ontward hebben, nog niets van de historische betekenis van de oorlog, noch van de werkelijke aanleiding ervan. Door allerlei kunstgrepen heeft Bismarck, Napoleon III gedwongen Pruisen de oorlog te verklaren, en toch lag het feitelijk initiatief bij Duitsland.

Verder zijn er nog de militaire overwegingen. Het strategische plan kan berekend zijn op aanval of op verdediging, onafhankelijk van het feit, wie de oorlog verklaart en onder welke voorwaarden het gebeurt. De eerste handelingen tot uitvoering van het strategische plan, spelen vaak een grote rol bij de beoordeling van de oorlog, bij de vaststelling of men met een aanvals- of een verdedigingsoorlog te doen heeft.

Engels schreef 31 juli 1870 aan Marx: “Het is goed dat de Fransen eerst op Duits gebied binnen gevallen zijn. Als de Duitsers een afgeslagen inval op de voet volgen, maakt dat in Frankrijk niet dezelfde indruk, als een inval in Frankrijk, zonder voorafgaande inval in Duitsland. De oorlog blijft van Franse zijde daardoor meer bonapartistisch”.

Zo kunnen wij door de ervaring van 1870 geschoold, gerust zeggen dat het criterium aanvals- en verdedigingsoorlog, bij de beoordeling van de strijd tussen twee of meer volkeren, vol tegenstrijdigheden zit. De eerste tactische schrede van de Fransen heeft in het bewustzijn van het volk de verantwoordelijkheid voor de overval op de Fransen geworpen. Het gehele strategische plan van de Duitsers had echter een offensief karakter.

De diplomatieke stappen, die Bismarck deed, dwongen Bonaparte tegen zijn wil de oorlog te verklaren en zo de rol van verstoorder van de vrede op zich te nemen, terwijl het militair-politieke initiatief tot de oorlog, geheel van de Pruisische regering uitging. Deze omstandigheden zijn volstrekt niet onverschillig voor de historische beoordeling van de oorlog, maar ze putten de zaak lang niet uit. Een van de oorzaken van de oorlog is zeker te vinden in het streven van de Duitsers naar nationale zelfbeschikking, wat met de opvattingen van de Franse monarchie in strijd was. Deze nationale verdedigingsoorlog had tot resultaat de annexatie van Elzas-Lotharingen en werd dus in zijn tweede stadium een veroveringsoorlog. In hun beoordeling van de oorlog van 1870, gingen Marx en Engels, getuige hun briefwisseling, voornamelijk van historische beschouwingen uit. Ze zijn natuurlijk niet onverschillig voor het feit wie de oorlog voert en hoe hij gevoerd wordt. Marx schrijft vol bitterheid: “Wie had het voor mogelijk gehouden dat 22 jaar na 1848 een nationale oorlog in Duitsland een dergelijke theoretische verdediging zou vinden!” De objectieve gevolgen van de oorlog waren voor Marx en Engels de hoofdzaak. “Als de Pruisen overwinnen, is de centralisatie van de staatsmacht, in het belang van de centralisatie van de Duitse arbeidersklasse.” Liebknecht en Bebel, die van dezelfde historische beschouwing uitgingen waren gedwongen een politiek standpunt in te nemen, dat stond tegenover dat van Marx en Engels. Maar toch was het met de volle goedkeuring van Marx en Engels, dat Liebknecht en Bebel, iedere verantwoordelijkheid voor de oorlog in de Rijksdag van zich wezen. Hun verklaring luidde: “De geldmiddelen die de regering de Rijksdag vraagt, om de oorlog te kunnen voeren, kunnen wij niet toestaan, omdat dit een motie van vertrouwen in de Pruisische regering zou betekenen. Als principiële tegenstanders van iedere oorlog, gevoerd ter wille van de dynastie; als socialistische republikeinen en leden van de internationale arbeidersorganisatie, die zonder onderscheid van nationaliteit alle onderdrukkers bestrijdt, alle onderdrukten in één broederbond tracht te verenigen, kunnen wij ons noch direct, noch indirect, voor de tegenwoordige oorlog verklaren.”

Schweizer heeft anders gehandeld. Hij heeft het mogelijk historisch gevolg van de oorlog gemaakt tot grondslag van de tactiek van het ogenblik, en met zijn stem vóór de kredieten ook zijn vertrouwen in de politiek van Bismarck uitgesproken, terwijl het juist zo nodig was dat de arbeidersklasse onmiddellijk tegenover de centralisatie van de heersende klasse, haar eigen revolutionaire klassecentralisatie stelde, opdat de eenheid van de staat, die het gevolg van de oorlog zou zijn, ten voordele van de zaak van het socialisme gebruikt zou kunnen worden. Door zijn politieke houding heeft Schweizer juist deze gevolgen van de oorlog, die hem dreven tot een votum van vertrouwen in de makers van de oorlog, ongebruikt gelaten.

Veertig jaar later toen Bebel de rekening van zijn leven opmaakte schreef hij:

“De houding die Liebknecht en ik bij het uitbreken en gedurende de oorlog in en buiten de Rijksdag innamen, is jaren lang heftig bestreden. In het begin ook in de partij; maar na korte tijd gaf men ons gelijk. Ik beken dat ik onze toenmalige houding in geen enkel opzicht betreur en wanneer we bij het uitbreken van de oorlog reeds geweten hadden, wat wij later uit ambtelijke en niet-ambtelijke mededelingen te weten kwamen, zou onze houding van het eerste ogenblik af nog veel feller geweest zijn. Wij zouden ons, bij de eerste kredietaanvraag niet van stemming onthouden hebben, maar wij hadden onmiddellijk tegen moeten stemmen”. (Aus meinem Leben, II deel Bl. 167.)

Als wij de verklaring van 1870 van Liebknecht-Bebel vergelijken met die van 1914 van Haase, komen wij tot de slotsom, dat Bebel zich vergiste toen hij zei: “Men gaf ons gelijk!” Want de stemming van 4 augustus was zeker een veroordeling van de politiek van Bebel van 1870, omdat men volgens de opvatting van Haase zou moeten zeggen dat Bebel toen het vaderland in de ure des gevaars in de steek gelaten heeft.

Welke politieke oorzaken, welke overwegingen hebben de partij van het Duitse proletariaat ertoe gedreven, af te wijken van haar schoonste traditie? Dat hebben wij tot nu toe niet gehoord. Alle argumenten, die aangevoerd worden, zijn vol tegenstrijdigheden en gelijken op diplomatieke nota’s, die men samenstelt om een voltrokken daad te rechtvaardigen. In hoofdartikelen van de Neue Zeit kunnen we lezen, dat de verhouding van Duitsland tot het tsarisme, dezelfde is als in 1870 tot het bonapartisme!

Kautsky geeft aan dit geschrijf zijn zegen: “De gehele massa van het Duitse volk van alle klassen, heeft ingezien dat het gaat om het nationaal bestaan en daarom hebben allen meegedaan”, citeert de Neue Zeit uit een brief van Engels. Op grond van dezelfde overwegingen heeft nu de Duitse sociaaldemocratie meegedaan; het ging om het nationaal bestaan.

“Wat Engels hier zegt blijft gelden, wanneer we tsarisme zetten in plaats van bonapartisme. Maar ook blijft bestaan het grote feit dat Liebknecht en Bebel in 1870 weigerden het financiële en politieke krediet toe te staan. Blijft dat ook niet gelden, als we tsarisme zetten in plaats van bonapartisme?” Op deze vraag hebben wij geen antwoord gekregen.

Wat zei Engels eigenlijk in zijn brief, met betrekking tot de tactiek der arbeiderspartij? “Dat een Duitse politieke partij onder deze omstandigheden de totale obstructie prediken kon, lijkt mij onmogelijk.”

De totale obstructie! — Maar tussen de totale obstructie en de totale overgave van een politieke partij is een grote afstand en over deze afstand verdeelden zich in 1870 de posities van Bebel en Schweizer. Marx en Engels waren met Bebel tegen Schweizer — Onze partijgenoot Kautsky had dat Hermann Wendel, die het hoofdartikel schreef, onder het oog moeten brengen. En wanneer nu de Simplizissimus de schaduwen van Bebel en Bismarck in de hemel met elkaar verzoent, dan is dat een smaad op de dode. En wanneer de Simplicissimus en Wendel het recht hebben iemand uit de rust van het graf te wekken, om de tegenwoordige tactiek kracht bij te zetten, dan moeten ze niet Bebel hebben, maar Schweizer. Zijn schaduw is het, die tegenwoordig op de politiek van het Duitse proletariaat drukt.

* * *

Maar de vergelijking tussen de oorlog van 1870 en die van nu, is in hoge mate oppervlakkig en verkeerd. Laten we alle internationale samenhang ter zijde laten. Laten we vergeten, dat de oorlog de verwoesting van België betekende; dat de legermacht van Duitsland zich niet tegen het tsarisme, maar tegen het republikeinse Frankrijk gekeerd heeft; laten we vergeten dat het uitgangspunt van de oorlog bestond in het streven Servië te onderdrukken, en dat het doel was het reactionaire Oostenrijk te versterken. We zullen hier ook niet weer ophalen dat de Russische revolutie, die in de laatste twee jaren weer naar boven kwam door de houding van de Duitse sociaaldemocratie zeer sterk benadeeld is. Voor al deze feiten zullen wij de ogen sluiten, zoals de Duitse sociaaldemocratie op de 4e augustus deed, toen zij het bestaan van België, Frankrijk, Engeland en Oostenrijk-Hongarije vergat. We zullen ons alleen met Duitsland bezighouden.

In 1870 was de historische beoordeling van de oorlog duidelijk. “Als Pruisen overwint, is de eenheid van de staat ook nuttig voor de eenheid van de Duitse arbeidersklasse”. Maar welke voordelen zijn er nu voor de Duitse arbeidersklasse te behalen als Duitsland overwint?

De enige vergroting van het Duitse gebied, die de arbeidersklasse met vreugde zou kunnen begroeten, omdat het de volmaking van de nationale eenheid betekent, is de vereniging van het Duitse deel van Oostenrijk met Duitsland en juist de overwinning van Duitsland betekent de instandhouding van Oostenrijk-Hongarije. Iedere andere vergroting van het Duitse vaderland betekent een schrede tot de hervorming van Duitsland van een nationale staat tot een nationaliteitenstaat, met alle daaruit voortvloeiende moeilijkheden met betrekking tot de klassenstrijd van het proletariaat.

Ludwig Frank hoopte na een overwinningsoorlog op de ontwikkeling van de staat in de diepte. Men behoeft er niet aan te twijfelen dat Duitsland deze verdieping van de staat ná de oorlog zo goed zal nodig hebben, als ervoor. Maar zal een overwinning die arbeid gemakkelijker maken? De historische ervaringen in Duitsland en andere landen leiden zeker niet tot de bevestiging van deze vraag.

Bebel zegt in zijn herinneringen: “Wij beschouwden de handelingen van de heersers na de overwinning van 1870 als iets vanzelf sprekend. Het was een illusie van het partijbestuur dat het geloofde aan een zekere vrijheid voor de toekomst, die dezelfde man zou toestaan, die zich altijd de grootste vijand van iedere vrije, om niet te zeggen democratische, ontwikkeling getoond had, en die nu als overwinnaar het nieuwe rijk de voet op de borst zette.” Er is geen enkele aanleiding, nu andere gevolgen van een overwinning te verwachten. Er is nog meer. In 1870 moesten de Pruisische jonkers zich eerst aan de nieuwe rijksregeling aanpassen; ze voelden zich niet ineens thuis; de socialistenwet kwam eerst 8 jaar later. Maar in de loop van deze 44 jaar zijn de Pruisische jonkers, de jonkers van het rijk geworden, die na een halve eeuw van geweldige klassenstrijd aan het hoofd van de overwinnende natie zullen staan en men hoeft er niet aan te twijfelen dat zij geen behoefte aan de ‘verdieping’ van het rijk zullen voelen, zoals Frank, als hij ongedeerd van de velden der Duitse overwinning zou zijn teruggekeerd.

Van meer belang dan de versterking van de positie der heersende klasse, is de invloed die de overwinning op het proletariaat zal hebben. De oorlog is ontstaan tengevolge van de imperialistische tegenstellingen der kapitalistische staten en de overwinning van Duitsland kan maar één resultaat hebben: territoriale veroveringen ten koste van België, Frankrijk en Rusland; gedwongen handelsverdragen met de vijanden en nieuwe koloniën.

De klassenstrijd van het proletariaat zou dan gestreden worden op de grondslag van de Duitse imperialistische hegemonie, en de strijd voor het revolutionaire socialisme zou lange tijd niet anders kunnen zijn, dan de rol van een propagandistische sekte.

Zoals in 1870 Marx een grote ontwikkeling van de Duitse arbeidersbeweging voorspelde, onder de leiding van het wetenschappelijk socialisme, als resultaat van de Duitse overwinning, zo kunnen we nu op grond van de internationale feiten juist het tegendeel verwachten. De overwinning van Duitsland zal de afstomping van de revolutionaire beweging betekenen; zal tengevolge hebben een theoretische vervlakking, de dood van de marxistische ideeën.

* * *

Maar men zal zeggen, dat de Duitse sociaaldemocratie niet naar de overwinning streeft. Dat is echter niet waar. Wat zij wil kunnen we uit haar pers leren. Op een paar uitzonderingen na noemt zij iedere dag weer de overwinning van de Duitse wapens, haar overwinning. De inname van Maubeuge, de ondergang van drie Engelse oorlogsschepen, de val van Antwerpen, al die feiten geven haar dezelfde soort vreugde, als de overwinningen bij verkiezingen of in de loonstrijd. Men mag het feit niet uit het oog verliezen, dat de Duitse arbeiderspers, zowel de partijpers, als de pers van de vakbeweging, nu een machtig werktuig is, dat de opvoeding tot de klassenstrijd heeft vervangen door die tot de militaire strijd en overwinning. Wij hebben hier niet op het oog de chauvinistische buitensporigheden van enkele organen, maar de stemming van de grote meerderheid van de sociaaldemocratische bladen. Het sein voor die houding was de stemming van de fractie op de 4e augustus.

Maar de fractie dacht niet aan de overwinning van Duitsland. Ze stelde zich alleen tot taak de bestrijding van het gevaar van buiten, de verdediging van het vaderland. Meer niet.

Hier moeten wij terugkomen op de tegenstelling: verdediging- en aanvalsoorlog. De Duitse pers ook de sociaaldemocratische hield niet op telkens weer te herhalen dat Duitsland zich in deze oorlog moest verdedigen. Wij hebben reeds de argumenten onderzocht waarmee dit verdedigd wordt. We hebben gezien dat de tegenstelling niet te handhaven is en dat de militaire daden van Duitsland zeker niet te rangschikken zijn onder het begrip verdedigingsoorlog. Trouwens voor de tactiek van de sociaaldemocratie heeft dat geen betekenis.

Historisch bekeken treedt het jonge Duitse imperialisme beslist agressief op. Opgejaagd door de koortsachtige ontwikkeling van de nationale industrie, verstoort het Duitse imperialisme het evenwicht tussen de staten en speelt de eerste viool in de bewapeningswaanzin.

Gezien van het standpunt van wereldpolitiek was het ogenblik voor Duitsland gekomen, om zijn concurrenten te vernietigen — waarmee echter de schuld van de vijanden van Duitsland niet vermindert.

- Het diplomatieke beeld van de gebeurtenissen laat geen twijfel omtrent de leidende rol van Duitsland in het Oostenrijkse conflict. Dat de Russische diplomatie nog gemener is geweest, verandert niets aan de zaak.

Strategisch is het gehele Duitse oorlogsplan opgebouwd op een felle aanval.

De eerste tactische schrede is de inval van het Duitse leger in het neutrale België. Als dat alles verdediging is, wat is dan aanval? Maar zelfs al nemen wij aan dat de diplomatie aan de gebeurtenissen een andere uitleg kan geven — hoewel het witboek zeer duidelijk is op dat punt — heeft dan de revolutionaire partij van de arbeidersklasse geen andere grondslag om haar politiek op te steunen, dan de documenten, die de regering haar toont, terwijl die regering er het grootste belang bij heeft haar te bedriegen.

Bebel vertelt: “Bismarck heeft de hele wereld voor de gek gehouden en is er in geslaagd het geloof te verwekken dat Napoleon de oorlog uitgelokt heeft en hij, de vredelievende Bismarck, heeft zich door zijn politiek de rol van aangevallene op de schouders geladen.”

“De gebeurtenissen, die leidden tot de oorlog, waren zo bedrieglijk, dat men geheel over het hoofd zag dat Frankrijk, dat de oorlog verklaarde met zijn leger niet op een oorlog voorbereid was, terwijl Duitsland, naar het scheen in de oorlog gesleept, met zijn oorlogsvoorbereidingen in de puntjes klaar was en de mobilisatie daar van een leien dakje ging”. (Aus meinem Leben B. III pag. 167). Van de sociaaldemocratie had men, zeker na dit historisch antecedent, meer kritische voorzichtigheid kunnen verlangen.

Wáár is het, dat Bebel telkens herhaalde, dat wanneer Duitsland aangevallen werd, de sociaaldemocratie haar vaderland verdedigen moest. Op het congres in Essen heeft Kautsky hem hierop van antwoord gediend: “Mijns inziens kunnen wij onmogelijk vooruit zeggen, dat telkens wanneer we overtuigd zijn dat een aanvalsoorlog dreigt, wij de oorlogsroes van de regering zullen delen. Bebel staat op het standpunt dat we nu veel verder zijn dan in 1870; we zouden zelfs nu bij iedere gelegenheid duidelijk kunnen uitmaken, of we met een werkelijke of met een vermeende aanvalsoorlog te doen hebben. Ik zou die verantwoording niet op mij durven nemen. Ik zou er geen borg voor kunnen staan dat wij altijd dat verschil duidelijk kunnen onderkennen, dat wij altijd weten of een regering ons om de tuin leidt, of dat zij werkelijk het belang van de natie voorstaat tegenover een aanvalsoorlog. Gisteren was de Duitse regering de aanvaller, morgen de Franse en we kunnen niet weten of het overmorgen niet de Engelse zal zijn. Dat wisselt voortdurend. In werkelijkheid gaat het in geval van oorlog voor ons niet om een nationale, maar om een internationale kwestie, want een oorlog tussen twee grote staten wordt een wereldoorlog, die invloed heeft op geheel Europa en niet alleen op de twee betrokken landen. De Duitse regering zou ook op een goede dag de Duitse proletariërs kunnen wijsmaken dat ze aangevallen zijn; de Franse regering zou hetzelfde zeggen tegen de Fransen, en dan zou er een oorlog zijn waarin Duitse en Franse proletariërs met evenveel geestdrift hun regering steunen, en elkaar wederzijds vermoorden en de kop afsnijden. Dat moeten we verhoeden, en dat kan wanneer we niet als maatstaf de aanvalsoorlog gebruiken, maar het proletarisch belang, dat ook het internationaal belang is. Gelukkig is het een misverstand dat de Duitse sociaaldemocratie in geval van oorlog van nationaal en niet van internationaal standpunt zou oordelen; dat ze in de eerste plaats een Duitse en dan pas een proletariërs partij zou zijn.”

Prachtig helder geeft Kautsky in deze rede aan welke gevaren er aan het streven verbonden zijn, de houding van de sociaaldemocratie afhankelijk te maken van de onderscheiding in aanvals- en verdedigingsoorlog; gevaren, die nu vreselijke werkelijkheid geworden zijn. Bebel heeft Kautsky niet kunnen weerleggen en zijn standpunt was te meer onbegrijpelijk, na zijn eigen ondervindingen van 1870. Maar Bebels positie had toch, afgezien van haar theoretische zwakte, een zeer positieve politieke betekenis. De imperialistische tendensen, die het oorlogsgevaar te voorschijn brachten, sloten voor de sociaaldemocratie de mogelijkheid uit, heil te verwachten van de overwinning van één van de partijen. Daarom was alles gericht op de voorkoming van de oorlog; hoofdzaak was de regeringen bang te maken voor de gevolgen.

“De sociaaldemocratie”, zegt Bebel “zal tegen iedere regering zijn die het initiatief tot de oorlog nemen zal.” Daarmee dreigde hij de regering van Wilhelm II. Rekent niet op ons, wanneer ge op een goede dag uw kanonnen en pantserschepen wilt inwijden!” De opvatting van Bebel betekende dus een politiek dreigement, dat naar twee kanten werkte, naar binnen zowel als naar buiten. Op alle historische en logische bezwaren verklaarde hij hardnekkig: “Wij zullen wel middelen vinden om de regering te ontmaskeren die de eerste stap tot de oorlog doet, daarvoor zijn we wijs genoeg!”

Deze dreigende houding van de sociaaldemocratie, niet alleen van de Duitse, maar van de gehele Internationale, bleef niet zonder resultaat. De regeringen hebben hun best gedaan om de slag tegen te houden. Niet alleen dat. De koningen en diplomaten hebben ernstig rekening gehouden met de vredelievende houding van de volksmassa. Ze hebben overleg gepleegd met socialistische leiders, hebben zich in verbinding gesteld met het Internationaal Bureau, en hebben zo een stemming gekweekt die het Jaurès en Haase mogelijk maakte te beweren dat hun regeringen geen ander doel hadden dan het behoud van de vrede. Dat was enige dagen voor het uitbreken van de oorlog. Toen het onweer losbarstte, zocht de sociaaldemocratie van ieder land, de schuldigen aan de andere zijde van de grens. Bebels standpunt, dat als dreigement zijn rol gespeeld had, verloor iedere werkelijke ondergrond, van het ogenblik af dat de eerste schoten aan de grenzen weerklonken. Toen is het vreselijke ingetreden, dat Kautsky voorspeld had.

Het meest merkwaardige is wel dat de sociaaldemocratie in werkelijkheid geen verlangen naar een politiek criterium had. In de catastrofe van de Internationale waren de gebezigde argumenten zeer oppervlakkig; zij weerspraken elkaar wederkerig, wisselden telkens en hadden een zeer ondergeschikte betekenis — de kern van de zaak was, dat men het vaderland verdedigen moet. Onafhankelijk van de historische vooruitzichten van de oorlog, van democratische- en klasseoverwegingen, moeten wij het gegeven vaderland verdedigen! Niet omdat onze regering de vrede wilde, de vijanden ons ‘valselijk overvielen”, maar omdat de oorlog een gevaar voor ieder oorlogvoerend land betekent, onafhankelijk ervan onder welke voorwaarden en op welke wijze hij ontketend is. De theoretische, politieke, diplomatieke en militaire overwegingen vallen in puin. De regering met haar leger wordt de enige beschermende en reddende macht, de grote massa komt in werkelijkheid in een vroegere politieke toestand terug. Deze stemming van de massa, voor zover ze slechts tijdelijk is, en direct veroorzaakt door de catastrofe, behoeft niet gekritiseerd te worden. Een andere zaak is de houding van de sociaaldemocratie, de verantwoordelijke, politieke vertegenwoordigster van de massa. De politieke organisaties van de bezittende klassen en de staatsmacht hebben zich niet zo maar met de stroom laten meedrijven, ze hebben dadelijk een zeer grote en veelzijdige werkkracht ontwikkeld, die erop gericht was, de stemming aan te wakkeren en de massa te scharen om het leger en de staatsmacht. De sociaaldemocratie heeft niet alleen niet in dezelfde mate getracht in tegengestelde richting te werken, ze heeft van het eerste ogenblik af zich overgegeven aan de politiek van de regering en aan de stemming van de massa. In plaats die massa met kritiek en wantrouwen te wapens, heeft zij de teruggang van de massa tot de vroegere politieke toestand verhaast. Met opvallende bereidwilligheid, die niet geschikt was, om de heersende klasse achting voor haar in te boezemen, heeft zij haar vijftig jaar lang gehandhaafde tradities en politieke verplichtingen in de steek gelaten.

Bethmann-Hollweg verklaarde dat de Duitse regering geheel één was met de Duitse bevolking, en de Vorwärts zelf geeft toe dat hij het volle recht had dat te zeggen, gezien de houding van de sociaaldemocratie.

Maar hij had ook nog het recht tot iets anders. Als de toestand hem niet gedwongen had, de politieke geschillen tot een gunstiger tijdstip te laten rusten, zou hij in de zitting van de 4e augustus, tot de vertegenwoordigers van het socialistisch proletariaat hebben kunnen zeggen: Nu erkent gij het bestaan van het gevaar, waarin het vaderland verkeert, en samen met ons wilt gij het met de wapens in de hand afweren. Maar dat gevaar is niet gisteren geboren en gegroeid. Van het bestaan van het tsarisme hebt gij ook vroeger geweten. Gij wist ook, dat wij nog andere vijanden hebben. Met welk recht valt gij ons dan aan, als wij een leger staande houden en een vloot bouwen? Met welk recht hebt gij jaar in, jaar uit de oorlogsbegroting verworpen, met het recht van verraad of van blindheid? Als wij niet zonder uw steun ons leger gehandhaafd hadden, zouden wie nu machteloos zijn tegenover het Russische gevaar, dat u nu verstandig doet worden. Geen enkel krediet, dat gij ons nu zou willen toestaan, zou ons in staat stellen het verzuimde in te halen; wij zouden nu zonder geweren, zonder kanonnen, zonder vestingen zijn. Met uw steun van heden voor de vijf miljard oorlogskrediet, erkent gij, dat uw jaarlijkse afkeuring van de begroting slechts schijn was en erger dan dat, politieke demagogie. Want zodra de historische beproeving kwam, hebt gij uw verleden verloochend!”

Zo had de kanselier kunnen spreken, en zijn rede zou zeer overtuigend geweest zijn. Wat zou Haase erop hebben kunnen antwoorden?

“Wij stonden nooit op het standpunt van de ontwapening van Duitsland, ten opzichte van het gevaar van buiten; deze soort vredespropaganda was nièt de onze. Zolang de internationale tegenstellingen het oorlogsgevaar oproepen, willen wij, dat Duitsland behoed zal zijn voor een vreemden inval en voor vreemde overheersing. Maar wij streven naar een militaire organisatie die in het binnenland niet tot onderdrukking van de arbeidersklasse kan dienen, die bij internationale conflicten, zich niet laat gebruiken voor imperialistische avonturen, en die ook onoverwinnelijk is wanneer zij de nationale verdediging op zich neemt. Dat is het volksleger! Wij kunnen u het werk van de nationale verdediging niet toevertrouwen. Gij hebt het leger tot een reactionaire drilschool gemaakt; gij hebt uw officierskorps opgevoed in de haat tegen de grootste klasse van de tegenwoordige maatschappij, het proletariaat. Gij bent in staat, miljoenen mensenlevens op het spel te zetten, niet voor werkelijke volksbelangen, maar voor de egoïstische belangen van de heersende minderheid, die gij onder het mom van de nationale ideeën en de staatseer verbergt.

Wij vertrouwen u niet, en juist daarom hebben wij ieder jaar geroepen: voor deze klasseregering geen man en geen cent.”

“Maar vijf miljard! ...”, zou een stem van links en van rechts kunnen roepen.

“Helaas hebben wij nu geen keus; we hebben geen ander leger behalve dat, wat de tegenwoordige heersers in Duitsland gemaakt hebben en de vijand staat voor de poorten. We kunnen op het ogenblik het leger van Willem II niet vervangen door een volksleger; en omdat dat nu eenmaal zo is, kunnen wij het leger, dat ons verdedigt niet zonder voedsel, kleren, en oorlogsmateriaal laten. Wij verloochenen niet ons verleden, leggen ons ook niet vast voor de toekomst; wij zijn gedwongen voor de oorlogskredieten te stemmen”. Maar hoewel we met deze argumenten kunnen verklaren waarom de socialistische arbeiders als burgers, niet de militaire organisatie belemmerden, maar vervulden wat de omstandigheden hen als burgerplicht voorschreef, dan wachten we nog vergeefs een antwoord op de vraag: waarom heeft de sociaaldemocratie als politieke organisatie van een klasse, die geen deel heeft in de regering, als de onverzoenlijke vijand van de burgerlijke maatschappij, als republikeinse partij, als tak van de Internationale, de verantwoording op zich genomen voor handelingen, die haar klassevijanden van plan waren te doen?

Als we nog niet in staat zijn het leger door het volksleger te vervangen, dan betekent dat nog niet dat wij nu ook de verantwoording voor de daden van dat bestaande leger op ons nemen moeten. Als wij strijden tegen de monarchie, bourgeoisie en militarisme in normale tijden en met al onze macht het proletariaat tot die strijd drijven, dan begaan we een grote misdaad tegen onze toekomst, wanneer wij die macht ter beschikking van de monarchie, de bourgeoisie en het militarisme stellen, zodra de vreselijke, antisociale, barbaarse methoden van de oorlog opdoemen.

De natie of de staat kan zich niet aan de verdediging onttrekken. Maar wanneer wij de heersers ons vertrouwen ontzeggen, beroven wij de burgerlijke staat nog volstrekt niet van haar wapens en de middelen van verdediging, zelfs ontnemen we hem de mogelijkheid niet van de aanval. We kunnen dit niet, zolang we niet sterk genoeg zijn, hun de macht uit handen te nemen. Wij zijn een oppositiepartij in vrede zowel als in oorlog. Op die wijze dienen wij ook het beste de nationale onafhankelijkheid. De sociaaldemocratie mag niet het gehele lot van de natie laten afhangen van militaire successen. Zij moet de verantwoording van de schending en onderdrukking van andere staten overlaten aan de kapitalistische staat. De sociaaldemocratie moet ondertussen bij de volksmassa’s het bewustzijn wakker roepen van de werkelijke nationale onafhankelijkheid. Wij moeten de internationale solidariteit van de arbeiders bewaren en ontwikkelen, dan verzekeren wij het beste de onafhankelijkheid van de natie.

Als het bestaan van het tsarisme een gevaar van de onafhankelijkheid van Duitsland betekent, dan is er maar één middel om dat gevaar te keren; de solidariteit van de arbeidersklasse van Rusland en Duitsland. Deze solidariteit wordt te niet gedaan door een politiek, die Wilhelm II toestaat te verklaren, dat het gehele Duitse volk achter hem staat. Wat moeten de Russische sociaaldemocraten tot de Russische arbeiders zeggen met betrekking tot het feit, dat de kogels, waarmee de Duitse arbeiders op hen schieten, de stempel dragen van de politieke en morele zegen van de Duitse sociaaldemocratie. “Wij kunnen onze politiek niet voor Rusland maken, wij maken die voor Duitsland”, heeft één van de voormannen der Duitse partij gezegd. En hieruit blijkt wel, welk een slag de Internationale gekregen heeft.

De zaak wordt er zeker niet beter op, wanneer de socialistische partijen in beide oorlogvoerende landen de regeringen steunen, zoals in Duitsland en Frankrijk. Geen uiterlijke macht, geen confiscatie, geen gevangennemingen kunnen de Internationale z66 knotten, als zij zelf gedaan heeft, toen zij zich aan het kapitalisme overgaf, toen dat de taal van vuur en ijzer spreken ging.

Kautsky heeft in Essen het vreselijk beeld getekend waarop broeders tegen elkaar vechten in het teken van de ‘verdedigingsoorlog’. Nu is dat beeld bloedige werkelijkheid geworden, en nu tracht Kautsky het te verdedigen. Hij ziet niet de ineenstorting van de Internationale. Hij schrijft in de Neue Zeit. “De tegenstelling tussen Duitse en Franse socialisten komt niet voort uit een verschil in principiële opvattingen, maar alleen uit een verschillende opvatting van de toestand, hetgeen voortkomt uit de verschillende geografische ligging van de beide partijen. Die tegenstelling zal niet te overwinnen zijn tijdens de oorlog, maar het is geen principiële tegenstelling, maar komt voort uit de situatie van het ogenblik en behoeft dus niet blijvend te zijn.” Wanneer Guéde en Sembat optreden als helpers van Poincaré, Delcassé en Briand als bestrijders van Bethmann-Hollweg; wanneer Franse en Duitse arbeiders elkaar vermoorden, niet gedwongen door de regeringen, maar als socialisten, die hun plicht vervullen, onder de geestelijke leiding van hun partij, dan is dat geen ondergang van de Internationale; het principe is hetzelfde. Wanneer Ludwig Frank de wapens opnam, dan deed hij dat niet om een principiële tegenstelling met de Franse socialisten duidelijk te maken, maar om hen, hoewel in volle principiële vrede met hen, neer te schieten, en wanneer Frank zelf door een Franse kogel viel, misschien die van een socialist, dan is er toch geen schade toegebracht aan het principe, alles is slechts het gevolg van het verschil in geografische ligging! Het is treurig zulke regels te lezen; dubbel treurig, omdat Kautsky ze geschreven heeft.

De Internationale was tegen de oorlog. “Wanneer het, alle moeite van de sociaaldemocratie ten spijt, toch tot een oorlog komt, moet de natie zich verdedigen, zo goed zij kan. Daaruit volgt voor de sociaaldemocratie van alle landen het recht, of de plicht, aan de verdediging deel te nemen, en de een mag de ander daar geen verwijt van maken”, schrijft Kautsky.

Hetzelfde principe voert er dus toe zich te verdedigen, en bij wijze van verdediging elkaar neer te slaan. Maar voor ons ligt de kwestie niet alleen in de overeenstemming van het principe zonder meer, maar in haar inhoud.

Ook Bethmann-Hollweg, Sasonow, Grey en Delcassé zijn het volkomen eens in principe; er is bij hen geen principiële tegenstelling; zij hebben zeker niet het recht, elkaar niets te verwijten; hun houding komt alleen voort uit het “verschil in geografische ligging”; wanneer Hollweg een Engelse minister geweest zou zijn, zou hij net zo gehandeld hebben als Grey. Hun principe is juist zo gelijk, als hun kanonnen, die alleen in doorsnee verschillen. De vraag is alleen maar of wij hun opvattingen tot de onze kunnen maken. “Gelukkig is het een misverstand dat de Duitse sociaaldemocratie in tijd van oorlog nationaal en niet internationaal zou voelen en handelen, dat zij in de eerste plaats Duitse en dan eerst proletariërpartij zou zijn”, zei Kautsky in Essen. En nu alle arbeiderspartijen zich aan het nationale standpunt hebben gehouden, nu legt Kautsky zich bij het ‘misverstand’ neer, en vindt in het gemeenschappelijk beginsel dat daaruit blijkt, de zekerheid voor de wedergeboorte van de Internationale.

“Het proletariaat van iedere nationale staat moet met al haar energie meewerken, dat de zelfstandigheid van het nationale gebied niet aangetast wordt. Dat is een stuk van de democratie, en de noodzakelijke voorwaarde voor de strijd en de overwinning van het proletariaat”.

Hoe staat het nu met de Oostenrijkse sociaaldemocratie? Moet zij ook al haar energie gebruiken, voor het behoud van de niet-nationale en antinationale Donaumonarchie? En de Duitse sociaaldemocratie?

Terwijl zij haar steun aan het leger geeft, eist zij de bestendiging van de Oostenrijks-Hongaarse nationale verwarring en maakt de vernietiging van de nationale eenheid van Duitsland zelf gemakkelijker. De nationale eenheid wordt niet alleen door de nederlaag, maar ook door de overwinning bedreigd.

Voor het Europese proletariaat is het even schadelijk of een deel van het Franse grondgebied bij Duitsland of een deel van Duitsland bij Frankrijk zal komen. Ook het behoud van de status-quo is niet in overeenstemming met ons program; de politieke kaart van Europa is met de punt van de bajonet getekend, en alle grenzen zijn getrokken over de levende lichamen der naties. Wanneer de sociaaldemocratie haar nationale of antinationale regeringen met haar energie schraagt, laat zij het weer aan de macht en het inzicht van de bajonet over, om de kaart van Europa te verbeteren. Wanneer de sociaaldemocratie de Internationale in stukken scheurt, vernietigt zij de enige macht die in staat is de daden van de bajonet te keren door haar program van de nationale onafhankelijkheid en democratie te handhaven, en die geheel of gedeeltelijk dat program zou kunnen uitvoeren onafhankelijk ervan, welke nationaal zwaard overwint.

De oude ervaring wordt nog eens bevestigd: wanneer de sociaaldemocratie haar nationale taak boven haar klassetaak stelt, begaat zij een misdaad aan het socialisme niet alleen, maar ook aan het goed begrepen belang van de natie.

VI. De ineenstorting van de Internationale

Twee weken voor het uitbreken van de oorlog drongen de Franse socialisten op hun congres er op aan alle delen van de Internationale, in geval van mobilisatie, tot revolutionaire actie te verplichten. Ze hadden voornamelijk de Duitse sociaaldemocratie op het oog. Het radicalisme van de Franse partijgenoten met betrekking tot de buitenlandse politiek had meer een nationale, dan een internationale grondslag. De oorlogsgebeurtenissen hebben waar gemaakt, wat velen al vooruit begrepen hadden. De Franse socialistische partij wilde van haar Duitse broederpartij een soort verzekering hebben, dat Frankrijk niet aangetast zou worden. Alleen wanneer het Duitse proletariaat daarvoor kon instaan, meenden de Franse socialisten hun handen vrij te hebben, om tegen het nationale militarisme te strijden. De Duitse sociaaldemocratie heeft van haar kant geheel afgeslagen, enige verplichting van die aard op zich te nemen. Bebel wees erop dat de socialistische partijen, wanneer zij de Franse resolutie ondertekenden, daardoor nog niet de macht kregen op het beslissende ogenblik hun verplichtingen na te komen. In deze tijd zal men zeker niet betwijfelen dat Bebel gelijk had.

Zoals de gebeurtenissen weer bewezen hebben, verlamt de mobilisatietijd de actie van de socialistische partijen bijna geheel. Zodra de mobilisatie afgekondigd is, staat de sociaaldemocratie dadelijk tegenover de geconcentreerde regeringsmacht, die steunt op de militaire organisatie, die bereid is alle hindernissen omver te lopen, met volkomen medewerking van alle burgerlijke partijen en organisaties.

Van grote betekenis is ook dat de mobilisatie kringen van personen bereikt die in vredestijd bijna geen politieke rol spelen. Honderdduizenden, miljoenen kleine baasjes, lompenproletariërs, kleine boeren en landarbeiders gaan deel uitmaken van het leger, waar zij in militaire kledij evenveel betekenen als de klassenbewuste arbeiders. Hun gezinnen worden uit hun onverschilligheid gehaald, en krijgen belang bij het lot van het land. In deze kringen, waar onze propaganda haast niet doordringt, wekt de mobilisatie en de oorlog nieuwe verwachtingen. Een zekere hoop op verandering van de toestand, op verbetering, maakt zich meester van die massa, haalt hen uit de onverschilligheid, gewekt door ellende en knechtschap. Hetzelfde gebeurt, wat wij aan het begin van een revolutie zien, maar met dit grote verschil, dat in de revolutie, de ontwaakte kring van het volk met de revolutionaire klasse samengaat, in de oorlog met de regering en het leger. Zoals in de revolutie alle onbevredigde verlangens, alle vurig gekoesterde hoop hun uitdrukking vinden in revolutionaire geestdrift, zo nemen in de oorlog, diezelfde sociale gevoelens tijdelijk de vorm van patriottische dronkenschap aan. Brede kringen van de halfbewuste arbeiders worden meegesleept. De sociaaldemocratische leiders voelen zich in de minderheid; hun organisatie wordt verwoest door de legerorganisatie. Onder zulke omstandigheden kan er geen kwestie zijn van revolutionaire actie in de partij. En dit alles is onafhankelijk van de waarde, die men aan de oorlog hecht.

De Russisch-Japanse oorlog heeft niettegenstaande zijn koloniaal karakter, en de haat die hij in het land verwekte, in de loop van het eerste halve jaar de revolutionaire beweging bijna geheel verstikt. Het is dus duidelijk dat, alle goede wil ten spijt, de socialistische partijen niet de verplichting van totale obstructie in tijden van mobilisatie, op zich kunnen nemen, omdat juist in die ogenblikken het socialisme politiek geheel alleen staat.

Daarom zou het feit dat de arbeiderspartijen niet hun revolutionaire mobilisatie tegenover de militaire mobilisatie gezet hebben, niets onverwachts of ontmoedigends in zich behoeven te sluiten, wanneer de socialisten zich ertoe beperkt hadden hun oordeel over de tegenwoordige oorlog uit te spreken, iedere verantwoording er voor te weigeren, hun regeringen hun vertrouwen en de oorlogskredieten te onthouden, dan waren ze hun verplichtingen voorlopig nagekomen. Zij zouden dan een afwachtende houding hebben kunnen aannemen, die het karakter van oppositie zou gehad hebben, en dadelijk zouden de regeringen zowel als de volksmassa’s dat begrepen hebben. Verdere actie zou aangewezen zijn door de gebeurtenissen en door de veranderingen, die de oorlogsellende in het bewustzijn van het volk oproept.

De band zou in de Internationale ongebroken zijn geweest, het socialistisch banier zou niet bezoedeld zijn; de sociaaldemocratie, die tijdelijk verzwakt zou zijn geweest, zou volkomen de vrijheid behouden hebben in de verdere gebeurtenissen in te grijpen, zodra de omkeer in de stemming van de arbeiders zich zou voltrokken hebben. En men kan met zekerheid zeggen, dat alle invloed op de massa, die de sociaaldemocratie door de aangegeven houding, bij het begin van de oorlog zou verloren hebben met woeker teruggewonnen zou worden, als de kentering, die onvermijdelijk is, zou zijn gekomen.

Dit is niet gebeurd, en het ogenblik van de mobilisatie is ook het ogenblik van de ineenstorting der Internationale geworden. Maar wanneer de nationale arbeiderspartijen, zonder protest samen zijn gegaan met hun regeringen en legers, dan moeten daarvoor diepe internationale oorzaken bestaan. We kunnen het niet zoeken in persoonlijke fouten, in de bekrompenheid van de leiders, wij moeten de voorwaarden bezien onder welke de socialistische Internationale ontstond. Dit wil echter niet zeggen, dat de wankelbaarheid van de leiders, en de verwarde onbekwaamheid van de partijbestuurders verontschuldigd kunnen worden. Maar het zijn geen hoofdfactoren. De historische verhoudingen van het gehele tijdperk moeten onderzocht warden. Het gaat ditmaal niet om enkele fouten, om opportunistische daden; niet om onhandige verklaringen in het parlement, niet om het stemmen van de Badense socialisten vóór de begroting: niet om enkele pogingen van Fransen in zake het ministerialisme: het gaat om de volkomen nederlaag van de Internationale in het historische tijdperk waarin zij mede de verantwoordelijkheid droeg.

Alle tot nu toe geleverde arbeid van het socialisme kan alleen als voorbereiding beschouwd worden. Wanneer we terug zien, kunnen we een hele rij feiten en symptomen vaststellen, die bij ons twijfel hadden kunnen oproepen omtrent de diepte en de vastheid van het internationalisme in de arbeidersbeweging.

We spreken niet van de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Te vergeefs zochten de Russische en Servische socialisten in de Wiener Arbeiter Zeitung naar citaten, die zij de Servische en Russische arbeiders konden tonen, zonder dat zij zich over de Internationale behoefden te schamen. De verdediging van het Oostenrijks-Duits imperialisme, niet alleen tegenover zijn buitenlandse, maar ook tegenover zijn binnenlandse tegenstanders, bleef een van de hoofdlijnen waarlangs dit blad werkte. Zonder ironie kan men zeggen, dat in de tegenwoordige crisis in de Internationale, de Wiener Arbeiter Zeitung zichzelf trouw gebleven is.

Het Franse socialisme was aan de ene kant sterk patriottisch en anti-Duits, aan de andere kant waren de felle kleuren van het antipatriottisme van Hervé, die, zoals we gezien hebben, gemakkelijk in hun tegendeel omslaan.

Het patriottisme van Hyndman, eigenlijk een soort sektarisch radicalisme heeft de Internationale vaak politieke moeilijkheden bereid.

De nationalistische symptomen in de Duitse sociaaldemocratie waren minder duidelijk. Weliswaar heeft bij de Zuid-Duitsers het opportunisme zich sterk ontwikkeld maar zij hadden geen grote politieke invloed. De belofte van Bebel om in geval van nood, het geweer op de schouder te zullen nemen, vond slechts bij een deel van de partij instemming. En toen ‘Noske’ hetzelfde herhaalde, werd hij in de partijpers afgemaakt. In het algemeen hield de Duitse sociaaldemocratie strenger als enige andere van de oude socialistische partijen vast aan de internationale gedachte. En juist daarom is bij haar de schending van het verleden het sterkst. Volgens de verklaringen van partij en pers, is ertussen het verleden en het heden van het Duitse socialisme geen samenhang. Het is duidelijk, dat dit ontzettende ongeluk niet gebeurd zou zijn, wanneer in het vorige tijdperk de voorwaarden er toe niet ontwikkeld waren. Het feit, dat twee jonge partijen, de Servische en de Russische trouw zijn gebleven aan hun internationale plichten is volstrekt niet een bevestiging van de burgerlijke filosofie, waarin trouw aan de beginselen het natuurlijk gevolg is van onrijpheid. Dit feit echter brengt ons ertoe, de oorzaken van de ineenstorting van de Tweede Internationale te zoeken, in de ontwikkelingsvoorwaarden, die op de jongere leden de minste invloed uitgeoefend hebben.

* * *

Het Communistisch Manifest van 1847 eindigt met de woorden: “Proletariërs aller landen, verenigt u!” Deze woorden kwamen veel te vroeg, zij konden niet ineens tot levende werkelijkheid worden. Op het geschiedkundig program stond toen de burgerlijke revolutie van 1848. De schrijvers van het manifest waren in deze revolutie geen leiders van het internationale proletariaat, maar strijders van de uiterste linkerzijde van de nationale democratie.

De revolutie van 1848 heeft geen enkel nationaal probleem opgelost, ze heeft het alleen op de voorgrond geplaatst. De contrarevolutie in samenwerking met de industriële ontwikkeling verbrak de draad van de revolutionaire beweging. Er kwam een tijd van rust, totdat de tegenstellingen zo verscherpt werden, dat inmenging van het zwaard nodig was. Maar het was niet het zwaard van de revolutie, dat uit de handen der bourgeoisie gevallen was, maar het zwaard uit de schede van koningen en keizers. De oorlogen van 1859, 64, 66, en 70 schiepen een nieuw Italië en een nieuw Duitsland. De feodale heersers hadden op hun manier de erfenis van de revolutie van 1848 vervuld. Het politieke bankroet van de bourgeoisie, dat bleek uit deze feiten werd, dank zij de snelle kapitalistische ontwikkeling, een grote aansporing voor een zelfstandige proletarische beweging.

In 1863 stichtte Lassalle in Duitsland de politieke arbeidersorganisatie. In 1864 ontstond onder leiding van Marx de Eerste Internationale in Londen. De leuze van Het Communistisch Manifest wordt in het eerste vlugschrift van de Internationale Arbeidersvereniging overgenomen. Het is voor de strekking van de moderne arbeidersbeweging kenmerkend, dat zij bij haar eerste ontwaken een internationale vereniging tot stand brengt. Maar toch was deze organisatie meer een aanwijzing voor de toekomstige ontwikkeling, dan een werkelijk leidend orgaan in de klassenstrijd. Een brede kloof lag nog tussen het einddoel van de Internationale, de sociale revolutie, en de praktijk van de dag, die voornamelijk gericht was op internationale medewerking bij stakingsbewegingen in verschillende landen. Zelfs de stichters hoopten, dat de revolutionaire gang van zaken in zeer korte tijd de wanverhouding tussen ideologie en praktijk zou opheffen. De Generale Raad deed, tegelijk met het verzenden van gelden aan groepen van stakers in Engeland en op het continent, pogingen om de actie van de arbeiders van alle landen te concentreren op het gebied van de wereldpolitiek.

Deze pogingen hadden nog geen toereikende materiële grondslag. De tijd, waarin de Eerste Internationale werkt, valt samen met de oorlogsperiode, die in Europa en Noord-Amerika de weg tot de kapitalistische ontwikkeling baande. De pogingen van de zijde van de Internationale moesten, hun principiële en opvoedende betekenis daargelaten, het gevolg hebben dat de ontwikkelde arbeiders hun onmacht tegenover de nationale klassenstaat sterker voelden. De uit de oorlog spontaan opgekomen Parijse Commune was het hoogtepunt in het tijdperk van de Eerste Internationale. Zoals Het Communistisch Manifest de theoretische voorloper van de moderne arbeidersbeweging was, en de Eerste Internationale de organisatorische voorloper van de vereniging van de arbeiders over heel de wereld, zo was de Parijse Commune de revolutionaire voorloper van de dictatuur van het proletariaat. Maar ook alleen de voorloper en juist daaruit bleek dat het voor het proletariaat onmogelijk is, alleen door zijn revolutionaire spontane handelingen, de staatsmacht in handen te krijgen en de maatschappij te hervormen. De nationale staten, uit de oorlogen ontstaan, schiepen voor deze historische arbeid de enige werkelijke voorwaarde, de nationale grondslag. De Eerste Internationale had haar roeping, het planten van de nationale socialistische partijen, vervuld. Na de Frans-Duitse oorlog en de Commune sleepte de Internationale haar leven nog voort en werd in 1872 verplaatst naar Amerika, waarheen zoveel pogingen met een sociaal, religieus of ander karakter gaan, om daar te sterven.

De periode van grote kapitalistische ontwikkeling op de basis van de nationale staat neemt nu een aanvang. Voor de arbeidersbeweging werd het een tijd van concentratie van krachten, van organisatie en politieke actie.

In Engeland was de tijd van het chartisme, de tijd van het revolutionair ontwaken van het Engelse proletariaat, geheel voorbij wel tien jaar vóór het ontstaan van de Eerste Internationale. De afschaffing van de korenwetten (1846), de daarop volgende industriële bloei, die Engeland tot het industriële wereldcentrum maakte; de invoering van de tienurendag (1847), de toenemende emigratie van Ierland naar Amerika en ten slotte de uitbreiding van het kiesrecht van de stedelijke arbeiders (1867) — al deze dingen, die de positie van het beste deel van het proletariaat sterk verbeterden, hadden ten gevolge, dat de klassebeweging aan de kalme oevers van het ‘trade-unionisme’ en de liberale politiek belandde. Voor het Engelse proletariaat kwam de tijd aan van de bewuste aanpassing aan de economische, rechts- en staatsvormen van het nationale kapitalisme, — nog vóór de Internationale gesticht was, wel twintig jaar vroeger, dan voor het continentale proletariaat. En wanneer de grote Engelse vakverenigingen zich toch in het begin bij de Internationale aansloten, dan deden zij dat uitsluitend om beter de stroom van onderkruipers van het vasteland te kunnen tegengaan, wanneer die bij loonconflicten zich over Engeland verspreidde.

De Franse arbeidersbeweging heeft heel langzaam haar krachten weer verzameld, na het bloedverlies van de Commune. De langzamer gaande industriële ontwikkeling, de atmosfeer van felle zucht naar wraak hield haar tegen. Haar beide uitersten stonden op het standpunt van de anarchistische ontkenning van de staat en de overgave aan de democratie en de beweging paste zich aan de sociale en politieke vorm van de burgerlijke republiek aan.

Het zwaartepunt van de socialistische beweging lag in Duitsland, zoals Marx in 1870 al voorspeld had.

Na de Frans-Duitse oorlog kwam er voor het verenigde Duitsland een tijd, zoals vroeger in Engeland: een tijd van kapitalistische bloei, van democratisch kiesrecht, van verhoging van de levensstandaard van de bovenste lagen van het proletariaat.

Theoretisch werd de beweging van het Duitse proletariaat beheerst door het marxisme. Maar omdat zij gebonden was aan de voorwaarden, die het tijdperk schiep, werd het marxisme niet de algemene vorm van de revolutie, zoals ten tijde van zijn ontstaan, maar de theoretische methode van aanpassing aan de Pruisische nationaal-kapitalistische staat. Het kapitalisme, dat een zeker evenwicht bereikt had, veranderde voortdurend de economische grondslag van het nationale leven. Om de door de oorlog bereikte machtspositie te behouden was vergroting van het staande leger nodig. De bourgeoisie gaat geheel mee met de politiek van de feodale monarchie, maar handhaaft zich vol energie in haar economische positie, beschermd door de militaire staat. Het zegevierend kapitalisme, het militarisme, de politieke reactie, voortgekomen uit het in elkaar groeien van de feodale en de kapitalistische klassen, het revolutioneren van het economisch leven en het prijsgeven van de revolutionaire methode en tradities in het politieke leven, zijn de grondslagen van het laatste vijf en veertig jarige tijdperk. De arbeid van de Duitse sociaaldemocratie was gericht op de scholing van de achterlijke arbeiderskringen door middel van geregelde strijd voor verbetering van hun toestand, op verzameling van krachten, vermeerdering van het ledental, versterking van de kassen, ontwikkeling van de pers, verovering van macht en het gebruiken en uitbreiden van die macht Dat was de grote historische arbeid van de bewustmaking van de arbeidersklasse. Steunend op de ontwikkeling van de nationale industrie, werden de grote centrale vakverenigingen opgericht in Duitsland. Het bereikte was geheel in overeenstemming met de stand van de nationale- en wereldmarkt. De politieke organisatie van het Duitse proletariaat, met haar bureaucratische hiërarchie, haar miljoen leden, vier miljoen kiezers, 91 dagbladen, en 65 partijdrukkerijen ontwikkelde zich in overeenstemming met het kiesrecht, en de kiesdistricten, met grote vertakkingen in stad en land. Dit grote, veelzijdige werk van onschatbare historische betekenis was praktisch geheel doortrokken van de geest van het possibilisme. Vijf en veertig jaren lang heeft de geschiedenis het Duitse proletariaat geen gelegenheid gegeven door een revolutionaire daad een hindernis uit de weg te ruimen of een vijandelijke stelling te veroveren. Het was gedwongen zich aan te passen of hindernissen uit de weg te gaan. Het marxisme als denkmethode was een goed werktuig maar kon het hervormingskarakter van de klassebeweging, dat ook in Frankrijk en Engeland overheerste, niet veranderen. De tactiek van de vakverenigingen was, hoewel de Duitse organisatie veel machtiger was, in principe niet verschillend in Berlijn en Londen. Het hoogtepunt was de loonstrijd. Op politiek gebied is er een veel groter verschil. Toen het Engelse proletariaat nog rondom de liberale vlag geschaard stond, schiepen de Duitse arbeiders een zelfstandige partij met socialistisch program. Toch is de politieke werkelijkheid van dit verschil niet zo groot. Door de druk, die zij op het liberalisme uitoefenden, bereikten de Engelse arbeiders dezelfde hervormingen op het gebied van het kiesrecht, van de coalitievrijheid en van de sociale wetgeving, als het Duitse proletariaat met zijn zelfstandige partij. Omdat het Duitse liberalisme zijn revolutionair karakter verloren had, moest het Duitse proletariaat een zelfstandige partij vestigen. Maar deze partij, die principieel streed voor de verovering van de politieke macht, was in de praktijk gedwongen, zich aan de heersende macht aan te passen, om de arbeidersbeweging voor ondergang te behoeden, en enkele hervormingen af te dwingen. Met andere woorden, op grond van het verschil in historische traditie en in politieke voorwaarden, paste het Engelse proletariaat zich aan de kapitalistische staat aan door tussenkomst van de liberale partij; het Duitse proletariaat was gedwongen, voor hetzelfde politieke doel een zelfstandige partij te stichten. De inhoud van de strijd was bij beide volken dezelfde. We zien dat ook duidelijk in de laatste tijd. Het Engelse proletariaat was om haar taak te kunnen vervullen gedwongen een zelfstandige partij op te richten, zonder echter haar liberale traditie te schenden, de Duitse partij heeft, toen de oorlog haar voor de keuze stelde het antwoord gegeven, dat overeenkwam met de nationaal-liberale tradities van de Engelse arbeiderspartij.

Het marxisme was natuurlijk niet iets toevalligs of een onbetekenend iets in de Duitse arbeidersbeweging, maar er is geen enkele grond voor de opvatting, dat de officiële marxistische ideologie ook een revolutionair karakter aan de partij gegeven heeft.

De ideologie is van groot gewicht in de politiek, zij bepaalt echter niet de politiek, maar dient haar. De diepe tegenstelling van de ontwakende revolutionaire klasse en de feodaal-reactionaire staat, had een onverzoenlijke leuze nodig, die de gehele beweging het aanschijn gaf van het streven naar revolutionaire doeleinden. Maar omdat de historische ontwikkeling haar een verzoenende tactiek opdrong, was de onverzoenlijkheid van de proletarische klasse slechts te vinden in de revolutionaire woorden van het marxisme. De tegenspraak tussen hervorming en revolutie is door het marxisme op dialectische wijze opgelost. Maar de dialectiek van de historische ontwikkeling is veel ingewikkelder, dan de dialectiek van het theoretische denken. Het feit, dat de revolutionaire klasse gedwongen was, gedurende tientallen van jaren zich aan te passen aan de monarchale politiestaat, die steunde op de kapitalistische ontwikkeling blijft bestaan en ook, dat tijdens die aanpassing een organisatie van miljoenen tot stand kwam en een arbeiders bureaucratie gekweekt werd, die de gehele beweging leidde. Dit verliest niets van zijn betekenis, omdat het marxisme theoretisch een sociaalrevolutionair karakter had. Alleen een naïef geloof kon dit gelijkstellen met de politieke werkelijkheid van de Duitse arbeidersbeweging.

De Duitse revisionisten gingen uit van de tegenspraak, die er is tussen de reformistische praktijk van de partij en haar revolutionaire theorie. Zij begrepen niet, dat deze tegenspraak uit de bestaande verhoudingen voortgekomen is, en dat die alleen door de maatschappelijke ontwikkeling overwonnen worden kan. Voor hen was het een logische tegenspraak. De fout van de revisionisten was niet, dat zij het reformistisch karakter van de partijpolitiek vaststelden, maar dat ze het reformisme theoretisch wilden vastleggen, als enige methode van proletarische klassenstrijd. Zo geraakten de revisionisten in conflict met de tendensen van de kapitalistische ontwikkeling, die door verscherping van de klassentegenstellingen tot de sociale revolutie voeren moet, als enigen weg tot de vrijmaking van het proletariaat

Het marxisme heeft in de theoretische strijd overal overwonnen. Maar het theoretisch verslagen revisionisme leefde voort, gevoed door de gehele praktijk van de beweging. De kritische weerlegging van het revisionisme als theorie, betekende volstrekt niet haar tactische en psychologische nederlaag. De parlementariërs, de leden van vakbeweging en partij gingen voort te handelen in de atmosfeer van het reformisme, en de nationale bekrompenheid. Zelfs Bebel, de grootste man van het gehele tijdperk, kon er zich niet aan onttrekken.

Heel sterk deed het reformisme haar invloed gelden op het geslacht, dat omstreeks 1880 in de partij kwam. Dat was de tijd van de uitzonderingswetten van Bismarck en van de drukkende reactie in geheel Europa. Zonder de geestdrift van het geslacht van de Eerste Internationale, gedwongen zich te wringen in de voetangels en klemmen, die de socialistenwet hen in de weg legde, is deze generatie opgegroeid in de geest van matigheid en organisatorisch wantrouwen tegen revolutionaire daden. Nu staan deze mensen, allen tussen 50 en 60 jaar aan het hoofd van de vak- en politieke organisaties. Het reformisme is hun politieke leidstar, om niet te zeggen hun dogma. De geleidelijke overgang in het socialisme — de grondslag van de theorie van het revisionisme — bleek een jammerlijke utopie, gezien de feiten van de kapitalistische ontwikkeling. Maar de geleidelijke overgang van de sociaaldemocratie in het mechanisme van de nationale staat, bleek treurige werkelijkheid.

De Russische revolutie was de eerste grote gebeurtenis, die 35 jaar na de Commune, Europa deed opschrikken. De snelle ontwikkeling van de Russische arbeidersklasse en de onverwachte kracht van haar revolutionair werk maakte diepen indruk op de gehele beschaafde wereld en gaf overal aanleiding tot verscherping van de politieke tegenstellingen. In Engeland is de vorming van een zelfstandige arbeiderspartij door de Russische revolutie verhaast. In Oostenrijk is dank zij bijzondere omstandigheden, het algemeen kiesrecht het gevolg geweest. In Frankrijk ontstond als weerklank van de revolutie het syndicalisme, de tactisch en theoretisch gebrekkige uitdrukking van de ontwakende revolutionaire tendensen van het Franse proletariaat. En ten slotte was de invloed van de Russische revolutie in Duitsland merkbaar in de versterking van de uiterste linkerzijde van de partij, in de zwenking van het leidende centrum naar links en de isolering van het revisionisme. Scherper kwam de kwestie van het Pruisische kiesrecht naar voren. De revolutionaire methode van de algemene werkstaking werd principieel door de partij aanvaard. Maar de invloeden van buiten waren niet sterk genoeg om de partij op de weg van de politieke aanval te brengen. Geheel in overeenstemming met de traditie van de partij kreeg de zwenking naar het radicalisme haar beslag in discussies en principiële resoluties. Maar tot verdere ontwikkeling kwam het niet.

De revolutionaire vloed werd overal door politieke stilstand gevolgd. In Rusland behaalde de contrarevolutie de overwinning en hiermee begon een periode van politiek en organisatorisch verval van het Russische proletariaat.

In Oostenrijk was het met de overwinningen gauw gedaan. De arbeidersverzekering bleef in de regeringsbureaus, de nationale strijd laaide opnieuw op met het algemeen kiesrecht en dit was de oorzaak van de totale verzwakking van de sociaaldemocratie. In Engeland heeft de Arbeiderspartij, nadat ze zich van het liberalisme had losgemaakt, opnieuw een verbond ermee gesloten. In Frankrijk hebben de syndicalisten een reformistische richting ingeslagen; Gustav Hervé is in korten tijd geheel omgeslagen. In de Duitse partij kwam het revisionisme weer boven. De Zuid-Duitsers stemden demonstratief voor de begroeting. De marxisten waren genoodzaakt van de aanval tot de verdediging over te gaan. De pogingen van de linkervleugel om de partij tot actieve politiek te brengen bleven zonder succes. Het centrum, dat de boventoon voerde sloot zich meer en meer bij de rechterzijde aan, en zodoende werden de radicalen geïsoleerd. Het conservatisme triomfeerde. De gehele energie wierp zich op automatische uitbreiding van de organisatie; nieuwe partij- en vakverenigingsleden; nieuwe partij bladen, nieuwe lezers. In de loop van de jaren tot een reformistische politiek van aanpassing veroordeeld, werd de organisatie het doel in zich zelf voor de partij. Nooit heeft de geest van organisatorische traagheid zo absoluut geheerst, als in de laatste jaren voor het uitbreken van de catastrofe. Er is geen twijfel aan, dat het verlangen naar het behoud van de organisatie, de kassen, de drukkerijen een grote rol gespeeld heeft bij de vaststelling van de houding van de rijksdagfractie. Het eerste argument van een van de leiders was “als wij anders gehandeld hadden, waren onze organisaties en onze pers teniet gegaan”. Tekenend is het voor de psychologie van het organisatorische aanpassingsvermogen, dat geen enkele van de gr partijbladen het voor mogelijk heeft gehouden een protest te uiten tegen de schending van België. Na de opheffing van de uitzonderingswetten heeft de partij lang geaarzeld eigen drukkerijen op te richten, juist omdat er bij gewichtige gebeurtenissen alle kans was, dat ze door de regering in beslag genomen zouden worden. En nu de drukkerijen bestaan, mijdt men iedere beslissende stap om geen reden tot in beslagname te geven. Nog meer tekenend is het geval met de Vorwärts, die vergunning vroeg te mogen blijven bestaan wanneer het nieuwe program, nl. tot nader bepaling opschorting van de klassenstrijd, werd ingevoerd. Iedere vriend van de Duitse sociaaldemocratie kreeg het gevoel van diepe krenking, toen hij het nummer van het partijorgaan, met het vernederende voorschrift ontving. Wanneer de Vorwärts verboden zou zijn gebleven zou dat een politiek feit geweest zijn, waarop de partij later met trots zou kunnen terugzien. Zeker zou het beter geweest zijn, dan het voortbestaan met de afdruk van de voet der overheid op de nek. Maar hoger dan alle politieke overwegingen, hoger dan de gedachte aan het partijbelang, stond het behoud van de onderneming, van de organisatie en nu is de Vorwärts blijven bestaan als een tweeledige getuigenis, nl. van de onbegrensde brutaliteit van de overheid in Berlijn, zowel als in Leuven, en van het onbegrensde aanpassingsvermogen van de Duitse sociaaldemocratie.

De rechtervleugel nam een meer principiële houding aan, die steunde op politieke overwegingen. Wolfgang Heine, als vertegenwoordiger van het reformisme geeft die overwegingen ten beste in de belachelijke polemiek over de kwestie of men in de Rijksdag bij het uitbrengen van het ‘Hoch’ op de keizer de zaal moet verlaten of blijven zitten. “De vestiging van de republiek in het Duitse rijk ligt zover buiten alle afzienbare mogelijkheden, dat dat geen onderwerp van onze dagelijkse politiek kan uitmaken.” ... De praktische dingen kunnen alleen bereikt worden door samenwerking met de liberale bourgeoisie.

“Daarom heb ik erop gewezen dat de parlementaire arbeid bemoeilijkt wordt door demonstraties, die het grootste deel der leden van de Rijksdag kwetsen in hun gevoelens”. Als dus de schending van de burgerlijke etiquette in staat is, de hoop op reformistische samenwerking te niet te doen, dan zou de breuk met de burgerlijke natie, in de ure des gevaars, voor langen tijd een einde gemaakt hebben aan hervormingen, en ook aan de reformistische wensen. De houding van de conservatieve leiders van het partijcentrum, die aangegeven was door de zorg voor het organisatorisch zelfbehoud, werd bij de revisionisten aangevuld door politieke overwegingen. Het standpunt van de revisionisten bleek veel omvattender en heeft langzaam aan het veld veroverd. De gehele partijpers haalt nu aan, waar ze vroeger over spotte; nl. dat de patriottische houding van de arbeidersklasse haar na de oorlog de medewerking van de bezittende klasse brengen zal, om te komen tot hervormingen.

De Duitse sociaaldemocratie voelde zich tijdens de grote gebeurtenissen niet als een revolutionaire macht, die een taak heeft veel groter, dan de verandering van de grenzen. Zij was niet de partij, die niet in de nationalistische roes wordt meegesleept, maar het gunstige moment afwacht om samen met de andere delen van de Internationale krachtig in de gang van zaken in te grijpen. Integendeel ze voelde zich voor alles de moeilijk verplaatsbare organisatie, die door de vijand bedreigd werd. Daarom heeft ze de gehele toekomst van de Internationale ondergeschikt gemaakt aan de verdediging van de grenzen van de klassenstaat, omdat ze zichzelf voelde als een conservatieve staat in de staat.

“Kijk naar België”, spoorde de Vorwärts de arbeiderssoldaten aan. Daar zijn de volkshuizen veranderd in hospitalen, de kranten gesloten, het gehele leven staat stil.[6] Daarom moeten wij volhouden tot het einde “tot wij volkomen overwonnen hebben”. Met andere woorden: verwoest verder, schrik zelf terug voor het werk van uw handen, zie België! — en schep uit deze afkeer de moed voor nieuwe verwoestingen. Alles wat we hier geschreven hebben, heeft niet alleen betrekking op de Duitse sociaaldemocratie, maar op alle delen van de Internationale, die de geschiedenis van de laatste 60 jaar meegemaakt hebben. De oorzaken van de ondergang van de Tweede Internationale zijn hiermee nog niet alle aangegeven. We hebben het nog niet gehad over de grote factor, die in de kern van alle doorleefde gebeurtenissen ligt. De afhankelijkheid van de proletarische beweging, vooral van de economische strijd, van de imperialistische politiek van de staat is een kwestie, die nog niet behandeld is van socialistische kant. Ook wij kunnen deze kwestie in deze brochure, die meer een politiek pamflet is, niet uitputten. We kunnen niet veel meer dan een zeer korte algemene uiteenzetting geven.

Het proletariaat heeft het grootste belang bij de ontwikkeling van de productiekrachten. Het type van de economische ontwikkeling van het afgelopen tijdperk was de nationale staat, die in Europa tot stand kwam door de revoluties en oorlogen van 1789-1870. Met zijn gehele politiek heeft het proletariaat aan de ontwikkeling van de productiekrachten op nationale grondslag bijgedragen. Het steunde de bourgeoisie in haar strijd tegen vijanden van buiten, voor de nationale bevrijding; in zijn strijd tegen monarchie, feodalisme en kerk ter wille van het regiem van de politieke democratie. Toen de bourgeoisie reactionair werd, nam het proletariaat, de historische taak, die de burgerlijke klasse had laten liggen, over. De arbeidersklasse voerde tegen de bourgeoisie een politiek voor de vrede, de cultuur en de democratie en hiermee droeg ze bij tot vergroting van de nationale markt, voerde dus de ontwikkeling van de productiekrachten op. In dezelfde mate had ze economisch belang bij de democratisering en de culturele ontwikkeling van alle andere landen, als kopers en verkopers in verhouding tot het eigen land. Juist hierin kunnen we een van de oorzaken vinden van de internationale solidariteit van het proletariaat. Niet alleen in het einddoel, maar juist in de dagelijkse politiek. De strijd tegen de overblijfselen van de feodale barbaarsheid, tegen krankzinnige eisen van het militarisme, tegen agrarische tollen, tegen indirecte belastingen, waren de hoofdinhoud van de arbeiderspolitiek en droegen direct of indirect iets bij tot de ontwikkeling van de productiekrachten. Juist daarom ging het grootste deel van de georganiseerde arbeiders in hun politiek met de sociaaldemocratie mee; iedere vertraging in de ontwikkeling van de productiekrachten heeft onmiddellijk invloed op de vakorganisaties van het proletariaat.

Toen het kapitalisme van nationaal, internationaal-imperialistisch werd, werd de nationale productie en daarmee de economische strijd van het proletariaat afhankelijk van de voorwaarden van de wereldmarkt, die beschermd worden met behulp van dreagnoughts en kanonnen. Met andere woorden: in tegenstelling met de principiële belangen van het proletariaat, gezien in hun volle historische omvang, bleken de directe beroepsbelangen van de afzonderlijke delen, geheel afhankelijk te zijn van het succes of de nederlaag van de buitenlandse politiek van de regering.

Engeland heeft al vroeg zijn kapitalistische ontwikkeling geleid op imperialistische banen. De bovenste lagen van het proletariaat heeft het laten delen in zijn wereldheerschappij. Het Engelse proletariaat heeft in de strijd voor zijn belangen zich er toe beperkt druk op de burgerlijke partijen uit te oefenen en heeft daardoor aandeel gekregen in de kapitalistische uitbuiting van andere landen. Het begon een zelfstandige politiek te voeren, toen Engeland zijn positie op de wereldmarkt verloor, o.a. teruggedrongen door zijn grootste concurrent Duitsland. Maar tegelijkertijd met de groei van de industriële wereldrol van Duitsland, nam niet alleen de materiële maar ook de ideële afhankelijkheid van het imperialisme voor brede kringen van het Duitse proletariaat toe.

De 11e augustus schreef de Vorwärts “dat de Duitse arbeiders, die men tot de politiek geschoolden rekent en die men sedert jaren de gevaren van het imperialisme heeft voorgehouden (inderdaad met zeer weinig succes), net zo schelden op de Italiaanse neutraliteit, als de meest felle chauvinisten.” Toch heeft dit de Vorwärts niet weerhouden, met “nationale en democratische argumenten” de bloedige arbeid van het imperialisme goed te praten voor de arbeiders. Bij vele schrijvers zijn de ruggen zo buigzaam als rotting.

Maar dit alles verandert niets aan de feiten. In het bewustzijn van de Duitse arbeiders bestond in het beslissende ogenblik geen onverzoenlijke vijandschap tegen de imperialistische politiek — integendeel, zij openbaarden een buitengewone gevoeligheid voor allerlei nationale en democratische frasen. Het socialistische imperialisme treedt niet voor de eerste maal in de Duitse sociaaldemocratie op. We behoeven allen maar te bedenken dat op het internationaal congres in Stuttgart de meerderheid van de Duitse afgevaardigden, vooral de vakverenigingsleiders tegen de marxistische resolutie betreffende de koloniale politiek stemden. Eerst in het licht van de tegenwoordige gebeurtenissen zien we dit feit, dat toen nogal wat beroering wekte, in zijn volle betekenis. Tegenwoordig verbindt de vakpers met meer bewustheid en zakelijkheid, dan de politieke pers, de zaak van de Duitse arbeidersklasse met het werk van het Hohenzollernse leger.

Zolang het kapitalisme op nationale grondslag bleef staan kon het proletariaat zich niet onttrekken aan de arbeid voor de democratisering van de politieke verhoudingen en de ontwikkeling van de productiekrachten door middel van parlementair, gemeentelijk en ander werk. De pogingen van de anarchisten om tegenover de politieke strijd van de sociaaldemocratie, een zogenaamde revolutionaire agitatie te voeren veroordeelde hen tot isolering en ondergang. Voor zover de kapitalistische staten echter van nationale bolwerken tot imperialistische wereldrijken werden, kon het proletariaat tegenover dat imperialisme geen oppositie stellen en wel op grond van het program, dat de politiek binnen de grenzen van de nationale staat beheerst heeft. Omdat de strijd in hoofdzaak gevoerd wordt voor loonsverhogingen, collectieve contracten en sociale wetgeving is het proletariaat niet in staat, tegen het imperialisme op te treden met dezelfde energie als vroeger tegen het feodalisme. Omdat het in de nieuwe fase van het kapitalisme op dezelfde wijze de klassenstrijd voert als vroeger — en zich dus voortdurend aanpast aan de beweging van de markt, — wordt het materieel en ideëel afhankelijk van het imperialisme. Het proletariaat kan het imperialisme met revolutionaire kracht alleen bestrijden door voortdurend het socialisme als einddoel in het oog te houden. De arbeidersklasse is machteloos tegenover het imperialisme, zolang haar grote organisaties de oude reformistische politiek blijven voeren; de arbeidersklasse krijgt macht om het imperialisme te bestrijden, wanneer zij de weg van de sociale revolutie betreedt.

Het voeren van een nationaal parlementaire oppositie blijft niet alleen objectief beschouwd, zonder resultaat, maar de arbeiders hebben er subjectief geen belangstelling voor, wanneer ze weten dat achter de ruggen van de parlementariërs het imperialisme met gewapende arm, het loon, het gehele bestaan van de arbeider in voortdurend groter afhankelijkheid van de verhoudingen van de wereldmarkt brengt. De overgang van het proletariaat van het possibilisme tot de revolutie kan niet door agitatorische arbeid, maar alleen door de historische ontwikkeling teweeggebracht worden, dat begrijpt iedere denkende socialist.

Maar dat deze onvermijdelijke verandering in de tactiek voorafgegaan zou worden door een dergelijke vreselijke ineenstorting van de Internationale, heeft niemand vooruit kunnen zien. De geschiedenis werkt met ontzettende onbarmhartigheid. Wat betekent voor haar de kathedraal van Reims? Wat politieke reputatie? En wat het leven of de dood van honderdduizenden of miljoenen? Het proletariaat is te lang in de klasse van voorbereiding gebleven, veel langer dan zijn grote wegbereiders gedacht hadden. De geschiedenis nam de bezem op, veegde de Internationale uit elkaar, en voerde de miljoenen in het veld, waar met bloed de laatste illusies van hen afgewassen worden. Een afschuwelijke proef! Van het resultaat ervan hangt misschien het lot van de gehele cultuur van Europa af.

VII. Het revolutionaire tijdperk

Aan het einde van de vorige eeuw ontstond in Duitsland een felle strijd over de vraag, welke invloed de industrialisering van het land op de legermacht uitoefende. De reactionaire agrarische politici en schrijvers bv. Sehring, Karl Ballod, Georg Hansen enz. wezen erop, dat de snelle groei van de stedelijke bevolking, ten koste van de landelijke de steunpilaren van de militaire kracht ondermijnt en trokken daaruit patriottische conclusies, die overeenstemden met de geest van het agrarische protectionisme. Lujo Brentano en zijn school daarentegen stonden juist op het tegenovergestelde standpunt. Zij wezen erop, dat de industrialisering van de productie niet alleen nieuwe financiële en materieel-technische bronnen opende, maar ook in het proletariaat levende krachten wekte, die in staat zouden zijn alle nieuwe middelen van verdediging en aanval in het werk te stellen. Puttend uit de ervaringen van 1870-71 beweert Brentano, dat de uit het industriële Westfalen stammende regimenten tot de beste behoren en verklaart dat feit zeer juist door te wijzen op de veel grotere bekwaamheid van de arbeiders om in nieuwe toestanden de weg te vinden en zich aan de omstandigheden aan te passen.

- Wie van deze schrijvers kreeg gelijk? De tegenwoordige oorlog bewijst dat Duitsland, dat de grootste vooruitgang op de baan van het kapitalisme doorgemaakt heeft, in staat was de geweldigste militaire kracht te ontwikkelen. Maar ook bewijst deze oorlog met betrekking tot alle oorlogvoerende landen welk een kolossale, gekwalificeerde energie het proletariaat in zijn oorlogsarbeid ten toon kan spreiden. Dat is niet de passieve troepsgewijze heldenmoed van een boerenleger, dat door overgeleverde onderworpenheid en godsdienstig bijgeloof samengedrongen is, maar dat is de individuele moed die uit een innerlijke drang gegroeid is, en geschraagd wordt door een idee. Deze idee is de idee van het krijgslistige nationalisme, de doodsvijand van het proletariaat. De heersende klassen bleken machtig genoeg, om het proletariaat haar idee op te dringen en het proletariaat heeft bewust zijn verstand, hartstocht en offervaardigheid in dienst van de zaak van zijn klassenvijanden gesteld, Hierin ligt de vreselijke nederlaag van het socialisme opgesloten. Het valt niet te betwijfelen, dat een klasse, die in staat is, zoveel standvastigheid en opoffering in een oorlog, die zij rechtvaardig vindt, te tonen, nog veel beter in staat zal zijn, die eigenschappen te ontwikkelen, als de verdere loop der geschiedenis haar voor de taak zal stellen, die de historische roeping van die klasse, waardig is. De tijd van het ontwaken, de bewustwording en de organisatie van het proletariaat maakte grote revolutionaire energie los, die in de dagelijkse strijd niet voldoende gebruikt kon worden. De sociaaldemocratie heeft niet alleen de bovenste lagen van het proletariaat in actie gebracht, zij heeft aan de andere kant de revolutionaire energie geremd, omdat zij in haar tactiek een afwachtende houding heeft aangenomen.

Het langdurige reactionaire karakter van deze tijd gaf de sociaaldemocratie geen gelegenheid, het proletariaat te scholen in daden, die zijn hele zelfverloochening eisten. Deze eisen stelt het imperialisme wel aan de arbeidersklasse. Dit doel bereikte het, door het proletariaat mee te slepen in de nationale verdediging, wat voor de arbeiders betekende de verdediging van alles, wat zij zelf tot stand gebracht hadden; niet alleen de grote rijkdommen van de natie, maar ook hun eigen kassen, hun pers, kortom alles wat zij door onvermoeide strijd in de laatste tientallen van jaren veroverd hadden. Het imperialisme rukte de maatschappij uit haar evenwichtstoestand, het wierp de dammen om, die de sociaaldemocratie opgeworpen had om de revolutionaire stroom van het proletariaat tegen te houden, en leidde die stroom de kant op, die het wilde. Deze geweldige historische gebeurtenis heeft plotseling de Internationale gebroken, maar draagt ook in zich een dodelijk gevaar voor de burgerlijke maatschappij zelf. Het werktuig wordt de arbeiders uit handen genomen, en het wapen wordt hen in de vuist gedrukt. De arbeider, die door de machinale inrichting van de kapitalistische productiewijze gebonden is, wordt plotseling uit zijn gewone doen getrokken, en leert dat het doel, dat de gemeenschap nastreeft, hoger staat als huiselijk geluk, zelfs hoger als het leven zelf.

Met het wapen, dat hij zelf gesmeed heeft, in de handen, bevindt de arbeider zich in een positie waarin het politieke lot van de staat van hem afhangt. Zij, die in gewone tijden hem onderdrukten en verachtten, vleien nu om zijn gunst en kruipen voor hem. Hij komt daarbij in de directe nabijheid van dezelfde kanonnen, die volgens Lassalle een groot deel van de constituties uitmaken. Hij komt over de grenzen van zijn land, vecht mee, en met zijn medewerking gaan steden van de ene hand in de andere over. Er geschieden dingen, komen veranderingen tot stand, die het levende geslacht nog niet meegemaakt heeft.

Hoewel de leiding van de arbeiderspartij zeer goed theoretisch wist, dat de macht de moeder van het recht is, bleef zij in haar politieke denkwijze toch geheel doordrongen van de noodzakelijkheid van aanpassing aan de wetten der bourgeoisie. Nu leren de arbeiders deze wetten verachten en met voeten treden. Nu leren de kanonnen hen de gedachte kennen, dat, wanneer het niet mogelijk is, een hindernis te vermijden, de mogelijkheid blijft die te vernietigen. Bijna de gehele volwassen manlijke bevolking wordt nu geschoold door het vreselijk realisme van de oorlog, die een nieuw mensentype schept. Boven alle normen van de burgerlijke maatschappij, met haar recht, moraal en godsdienst, staat de ijzeren noodzakelijkheid. “Nood breekt wetten!”, zei de Duitse rijkskanselier de 4e augustus. De vorsten beschuldigen elkaar, als viswijven, in het openbaar van allerlei leugens, de regeringen werpen door hen erkende plichten omver en de nationale kerk smeedt haar God vast aan het nationale kanon. Het is duidelijk, dat deze omstandigheden een diepgaande verandering in de psyche van de arbeidersklasse ten gevolge hebben moest. Ze vernietigden de begrippen van wettelijkheid, die de periode van politieke stilstand gevestigd had.

De bezittende klassen zullen dat spoedig gewaar worden. Het proletariaat, dat in de oorlog, geschoold is, zal bij de eerste ernstige hindernis in het eigen land de behoefte hebben geweld toe te passen. “Nood breekt wetten!”, zal het uitroepen, wanneer men hen binden wil door de wetten der bourgeoisie. En de nood, de ontzettende economische nood, die in de loop van deze oorlog en er na ontstaan zal, zal er zeker toe bijdragen de massa op te zwepen tot schending van veel voorschriften. De algemene economische uitputting van Europa, zal het felste zijn invloed bij het proletariaat doen gelden. De materiële hulpbronnen van de staat worden door de oorlog uitgeput, de mogelijkheid, dat de eisen van de arbeidersmassa ingewilligd zullen worden, is zeer klein. Dit zal leiden tot grote politieke conflicten, die voortdurend groter en dieper zullen werden en het karakter van een sociale revolutie kunnen aannemen, waarvan het verloop en de afloop niet te voorspellen is.

Aan de andere kant is het mogelijk, dat de oorlog met zijn miljoenenlegers en zijn helse wapens niet alleen de hulpbronnen van de maatschappij uitput maar ook de morele kracht van het proletariaat verlamt. Zonder innerlijke tegenstand, kan deze oorlog nog jaren duren, met afwisselend succes op beide zijden, tot de absolute uitputting van allen. Dan kan de energie van het internationale proletariaat, die het imperialisme losgemaakt heeft, geheel weer te niet gaan in de vreselijke wederzijdse vernietigingsarbeid. Het resultaat zou dan zijn, dat de gehele cultuur jaren en jaren achteruit gezet zou zijn. Een vrede, die niet berust op de wil van de ontwaakte volkeren, maar op de uitputting van de deelnemers aan de oorlog, zou van dezelfde aard zijn, als de vrede van Boekarest, die de Balkanoorlog afsloot.

Met behulp van allerlei draaierijen en tegemoetkomingen zouden al de tegenstellingen en onvolkomenheden blijven bestaan, die de tegenwoordige oorlog hebben uitgelokt. Met veel andere dingen zou ook de socialistische arbeid van twee mensenlevens in een zee van bloed verdronken zijn.

Men kan onmogelijk vooruit bepalen, welke van de twee toekomstbeelden, die we hier hebben opgeworpen, werkelijkheid zal worden. Het resultaat hangt geheel af van de activiteit van de maatschappelijke krachten en voornamelijk van de revolutionaire sociaaldemocratie.

“Onmiddellijke beëindiging van de oorlog!” Dat is de leuze, waarmee de sociaaldemocratie haar uiteengeslagen rijen weer verzamelen kan, zowel binnen de grenzen van de nationale partijen, als in de gehele Internationale. De wil tot de vrede moet bij het proletariaat niet afhangen van de strategische overwegingen van de generale staf, maar het moet zeer beslist zijn wil tegenover die overwegingen stellen. Wat de oorlogvoerende regeringen een strijd om het nationale zelfbehoud noemen, is in werkelijkheid niets anders dan wederzijdse nationale vernietiging. De werkelijke nationale zelfverdediging is de strijd voor de vrede.

Die strijd betekent voor ons niet alleen het behoud van de materiële en culturele goederen van de mensheid, de bescherming tegen krankzinnige verwoesting, maar in de eerste plaats het behoud van de revolutionaire energie van het proletariaat.

De rijen van de proletariërs te verenigen in de strijd voor de vrede, betekent, het razende imperialisme bestrijden met alle kracht van het revolutionaire socialisme. De voorwaarden, waaronder de vrede gesloten moet worden, de vrede der volkeren zelf en niet van de diplomaten, moeten dezelfde zijn voor de gehele Internationale:

Geen Oorlogsschattingen!
Het zelfbeschikkingsrecht van alle naties erkend!
De Verenigde Staten van Europa — Zonder koninkrijken, zonder staande legers, zonder regerende kaste, zonder geheime diplomatie!

De actie voor de vrede, die gevoerd moet worden overal met alle middelen, waarover de sociaaldemocratie beschikt, en ook met die, waarvan zij zich meester maken kan, zal niet alleen de arbeiders uit de ban van het nationalisme trekken, maar ook een innerlijke, reddende reiniging tot stand brengen in de kringen van de tegenwoordige officiële partijen van het proletariaat. De nationale revisionisten en patriotten, die in de Tweede Internationale hun plaats hebben, en die de historisch veroverden invloed van het socialisme op de arbeidersmassa’s gebruiken voor nationaal-militaristische doeleinden, moeten door een onverzoenlijke revolutionaire actie voor de vrede teruggeworpen worden in de armen van de klassevijanden van het proletariaat.

De revolutionaire sociaaldemocratie behoeft nu zeker niet te vrezen geïsoleerd te worden. De oorlog maakt de grootste actie tegen zich zelf. Iedere nieuwe dag van de oorlog zal nieuwe massa’s om onze vlag bijeenbrengen, wanneer het de eerlijke vlag voor de vrede en de democratie is. Met haar strijd voor de vrede, zal de revolutionaire sociaaldemocratie zeer zeker de oorlogzuchtige reactie in Europa isoleren, en haar noodzaken, een aanvallende houding aan te nemen.

* * *

Wij revolutionaire marxisten, hebben geen enkele aanleiding te wanhopen. Het tijdperk dat wij nu ingetreden zijn, zal ons tijdperk zijn. Het marxisme is niet overwonnen. Integendeel, het brullen van de kanonnen verkondigt de theoretische overwinning van het marxisme. Wat blijft er dan nog over van de hoop op vreedzame ontwikkeling, op verzachting van de kapitalistische tegenstellingen, op geleidelijke overgang in het socialisme?

De principiële reformisten, die de sociale kwestie hoopten op te lossen langs de weg van loonovereenkomsten, consumptieve coöperaties en parlementaire samenwerking van de sociaaldemocratie met de burgerlijke partijen, hebben nu hun hoop gevestigd op de zege van de nationale wapens. Zij verwachten, dat de bezittende klassen nu aan de behoeften van het proletariaat, dat het bewijs van zijn patriottisme geleverd heeft, zal tegemoet komen.

Deze hoop zou volkomen idioot zijn, wanneer er niet een veel minder ‘idealistische’ hoop achter verborgen was; nl. dat de overwinning van de wapens voor de nationale bourgeoisie een grote basis voor imperialistische rijkdom scheppen zal, ten koste van de bourgeoisie van andere landen. En deze rijkdom zal ook haar vruchten afwerpen voor het nationale proletariaat, ten koste van het proletariaat van andere landen. Het socialistische reformisme heeft de vorm aangenomen van een socialistisch imperialisme.

Wij zagen de hoop op geleidelijke groei van de proletarische welstand de bodem ingeslagen; de reformisten werden gedwongen, zeer tegen hun opvattingen, in de strijd de oplossing te zoeken, maar niet in de strijd der volkeren tegen de heersende klassen, maar in de militaire strijd van de heersende klassen, tegen andere volkeren. De Duitse bourgeoisie heeft na 1848 ervan afgezien, haar doel te bereiken door de revolutie. Zij liet het aan de reactionaire klasse over de burgerlijke taak, door de oorlog in vervulling te doen gaan. De maatschappelijke ontwikkeling stelde het proletariaat voor het probleem van de revolutie. Maar de reformisten gingen de revolutie uit de weg en werden gedwongen dezelfde historische weg van ondergang te gaan, als de bourgeoisie. Zij lieten het aan de heersende klasse over, de proletarische taak, door de oorlog in vervulling te doen gaan. Hiermee is de vergelijking tussen de geschiedenis van het proletariaat en de bourgeoisie uit. De vestiging van nationale staten is werkelijk de vervulling van de burgerlijke taak. Het tijdperk van de koloniale oorlogen, door nationale staten gevoerd, leidde tot de tegenwoordige oorlog der nationale staten, om koloniën. Nadat alle achterlijke delen van de aarde het bezit van kapitalistische staten geworden waren, bleef er niets anders over dan elkaar die koloniën weer af te nemen.

Georg Irmer schrijft: “Men moet niet zeggen dat het Duitse rijk in de strijd om de wereldheerschappij en de wereldmacht te laat gekomen is; dat de aarde al verdeeld was. Alsof die aarde in alle tijdperken van de geschiedenis niet altijd weer opnieuw verdeeld kan worden?” Maar de nieuwe verdeling van de koloniën tussen de kapitalistische landen breidt de basis van de kapitalistische ontwikkeling niet uit; want winst aan de ene zijde, betekent hetzelfde verlies aan de andere. Een tijdelijke verzachting van de klassentegenstellingen in Duitsland kon alleen bereikt worden door de verscherping van de klassenstrijd in Frankrijk en Engeland — en omgekeerd. Hierbij komt nog iets, wat van grote betekenis is; het kapitalistische ontwaken van de koloniën zelf; wat zeker een grote aansporing tot de tegenwoordige oorlog geweest is. Onafhankelijk van de uitslag van de oorlog, zal de imperialistische basis voor het Europese kapitalisme niet uitgebreid worden, maar enger worden. De oorlog lost niet de sociale kwestie langs de weg van het imperialisme op, maar verscherpt haar, omdat hij de kapitalistische wereld voor twee mogelijkheden stelt: Oorlog in permanentie of revolutie.

De oorlog heeft de Tweede Internationale overvallen, zijn gevolgen zullen de bourgeoisie van de gehele wereld overvallen. Wij revolutionaire socialisten hebben de oorlog niet gewild. Maar wij vrezen hem ook niet. Wij raken niet in wanhoop, omdat de oorlog oorzaak was van de val van de Internationale, die voor de geschiedenis afgedaan had.

Het revolutionaire tijdperk zal uit de onuitputtelijke bronnen van het proletarische socialisme, nieuwe organisatorische vormen scheppen, die overeen zullen stemmen met de grootheid van de nieuwe taak. Deze arbeid willen wij ter hand nemen, ondanks het gebulder van de kanonnen; zonder op het kraken der kathedralen en het patriottisch gehuil te letten. Te midden van deze helse muziek van de dood blijven onze gedachten en onze blikken helder, en wij voelen ons de enige scheppende kracht der toekomst. Wij hebben reeds veel meer aanhang dan wij kunnen overzien. Morgen zullen er meer zijn dan heden. Overmorgen zullen zich miljoenen om ons vaandel scharen, die ook nu nog, zeven en zestig jaar, na de verschijning van Het Communistisch Manifest, niets te verliezen hebben dan hun ketenen.


[1] Het is leerzaam te zien, dat juist dezelfde Oostenrijks-Duitse opportunisten, die altijd met de Russische terroristen sympathiseerden terwijl wij principiële tegenstanders van de terroristische methode zijn, nu heftig verontwaardigd zijn, over de ‘gluiperig volbrachte bloeddaad van Sarajevo’. Aangetast door het chauvinisme zijn deze mensen niet eens in staat in te zien dat de Servische terrorist Gawrilo Princip: hetzelfde nationale beginsel heeft als de Duitse terrorist Sand. Zij zullen nog van ons vergen dat wij onze sympathie van Sand naar Kotzebue verleggen. Zullen zij de Zwitsers aanraden dat zij de standbeelden van de moordenaar Teil omvergooien en daarvoor in de plaats standbeelden van de geestelijke voorloper van de vermoorde aartshertog, van Gessler zetten?
[2] Om deze handeling volkomen te kunnen begrijpen moeten we ons de gehele politieke toestand voor de geest roepen. Een groep Servische samenzweerders doodt een Habsburger, de steunpilaar van het Oostenrijkse klerikalisme, militarisme en imperialisme. Tengevolge hiervan stelt de Weense militaire partij een onbeschaamd ultimatum aan Servië, zoals de diplomatieke geschiedenis er geen tweede kent. De Servische regering doet in haar antwoord grote concessies en stelt voor de beslissing aanhangig te maken bij het Haagse scheidsgerecht. Hierop verklaart Oostenrijk, Servië de oorlog. Als het begrip ‘verdedigingsoorlog’, enige zin heeft, dan kunnen we het hier voor Servië zeker gebruiken. Niettegenstaande dat hebben onze partijgenoten in overeenstemming met hun inzicht in hun socialistische plicht hun regering kortweg hun vertrouwen geweigerd. De schrijver van deze brochure was in Servië bij het begin van de Balkanoorlog. Over de oorlogskredieten werd in het parlement onder enorme nationale geestdrift gestemd. De stemming gebeurde persoonlijk en onder de tweehonderd maal ‘ja’ hoorde men het ene ‘neen’ van de socialist Ljaptscbewitsch. Allen voelden de morele kracht van dit protest, dat als een diepe herinnering in onze gedachten is blijven leven.
[3] “Echt Pruisisch is de verklaring”, schreef Marx aan Engels, “dat niemand, die geen uniform draagt, zijn ‘Vaderland’ verdedigen mag”.
[4] “Alleen zulke oorlogen kunnen haar (de tsaristische diplomatie) goedkeuring wegdragen”, schreef Engels terecht in 1890, waarin de bondgenoten van Rusland de grootste lasten dragen, hun gebied laten verwoesten, de grootste massa strijders leveren, en waarin de Russische troepen de rol van reserve kunnen spelen... Alleen tegen zwakkere machten, als Zweden, Turkije, Perzië, zal het tsarendom zelfstandig oorlog voeren. — Nu moet men Oostenrijk-Hongarije op één lijn stellen met Turkije en Perzië.
[5] Zoals ons uit een particuliere correspondentie bekend is, bestond bij Trotski het plan dit hoofdstuk om te werken, daar het niet meer overeen kwam met zijn opvattingen en met enkele feiten. Bij het ter perse gaan van deze brochure was die verandering echter nog niet in ons bezit. (vert)
[6] Een correspondent van de Vorwärts vertelt sentimenteel, dat hij in Brussel in het volkhuis een Belgisch partijgenoot zocht en een Duits hospitaal vond. Waarom zocht de correspondent de Belgische partijgenoot? “Om hem voor de zaak van het Duitse volk te winnen”. Op het ogenblik dat heel Brussel al “voor de zaak van het Duitse volk” gewonnen was.