Leon Trotski


Vraagstukken van de burgeroorlog


Geschreven: 1924
Eerste publicatie: Inleiding en antwoorden voor de Academie voor Militaire Wetenschap 29 juli 1924, Moskou
Transcriptie: uit een Proletarisch Links Brochure nr. 11, door Adrien Verlee, maart 2004
HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, maart 2004


Alvorens dieper op een aantal problemen in te gaan zou ik enkele opmerkingen vooraf willen maken. Het gaat om iets, kameraden, dat ik ook al noemde in mijn rapport aan de Academie afgelopen voorjaar. Het is een feit dat er tot op heden niemand de moeite heeft genomen om de ervaringen met burgeroorlogen te bundelen, noch onze ervaringen, noch die in andere landen. Dit ondanks de grote behoefte, zowel praktisch als ideologisch, die er is aan zo een werk.

In de geschiedenis heeft de burgeroorlog altijd een buitengewoon belangrijke rol gespeeld. Van 1871 tot 1914 leek het (voor de reformisten) alsof deze rol uitgespeeld was, althans in West-Europa. Maar de imperialistische oorlog heeft ervoor gezorgd dat de burgeroorlog weer aan de orde gesteld werd. Dat is iets wat we weten en begrijpen. Wij hebben het verwerkt in ons programma. Ondanks dat ontbreekt er echter iedere wetenschappelijke benadering van de burgeroorlog, de fasen waarin hij zich voltrekt, de aspecten ervan, en de methodes waarmee hij gevoerd wordt. Zelfs als we alleen maar kijken naar de beschrijving van wat er zoal gebeurd is in de laatste tien jaar, ontdekken we een reusachtige achterstand. Zoals ik al eerder zei besteden we veel tijd en energie aan het bestuderen van de Commune van Parijs van 1871, maar we negeren volledig de strijd van de Duitse arbeiders, die al een rijke ervaring hebben opgedaan in de burgeroorlog, en we bemoeien ons al helemaal niet met de lessen van de Bulgaarse opstand van afgelopen september. [1] Het meest verbazingwekkend is wel dat het blijkbaar gewoon is dat we de ervaringen van de Oktoberrevolutie al geruime tijd naar de archiefkelders hebben verwezen.

Toch, kameraden, is er voor militaire deskundigen veel te leren van de Oktoberrevolutie, want de oorlogen van de toekomst zullen ongetwijfeld veel meer dan tot nu toe samengaan met vormen van de burgeroorlog. De voorbereidingen en de ervaringen van de Bulgaarse opstand van vorig jaar september zijn evenzeer van groot militair-revolutionair belang. Aangezien veel van de Bulgaarse kameraden, die deelnamen aan die opstand, nu in Rusland leven, beschikken we over mogelijkheden om die gebeurtenissen serieus te bestuderen. Het is bovendien tamelijk eenvoudig om een goed overzicht te krijgen. Het land waar die gebeurtenissen zich afspeelden was niet groter dan een Russische provincie. En de organisatie van de betrokken krachten, de politieke krachten, enz. namen het karakter aan van een regering. Daar komt bij dat in die landen waar de boerenbevolking overheerst (dat geldt vooral voor de landen in het oosten) de ervaringen van de Bulgaarse opstand van onschatbare waarde zijn.

Wat is nu onze taak? Het opstellen van een handboek met algemene geldigheid, of een gids, of een boek met teksten, of een handleiding, of een boek met een opsomming van de problemen van de burgeroorlog, en als consequentie daarvan, in het bijzonder, van de gewapende opstand als het hoogste stadium van een revolutie.

Het zal nodig zijn om de gegevens van burgeroorlogen te verzamelen en samen te voegen om de omstandigheden waaronder ze plaats vonden te analyseren, om de gemaakte fouten te bestuderen, om de meest succesvolle operaties te belichten, en uit dit alles de noodzakelijke conclusies te trekken. Als we dat doen, waar leveren we dan een bijdrage aan: de wetenschap, dus de kennis van de wetten van de historische ontwikkeling, of de kunst, dus het geheel van ervaringsregels volgens welke men bepaalde dingen moet verrichten. Volgens mij is het beide, maar in ieder geval is het doel zuiver praktisch; het verrijken van de militair-revolutionaire kunst.

Een dergelijke handleiding zal noodzakelijkerwijs een zeer gecompliceerde structuur hebben. Allereerst zal het nodig zijn om de voorwaarden te bepalen die vervuld moeten zijn wil het proletariaat de macht kunnen veroveren. Daarmee blijven we op het terrein van de revolutionaire politiek, want is uiteindelijk de opstand niet de voortzetting van de politiek met andere middelen?

Er zullen analyses van de voorwaarden die vervuld moeten zijn voor een opstand gemaakt moeten worden voor verschillende types landen. Aan de ene kant zijn er landen waar de arbeiders de meerderheid van de bevolking vormen, en aan de andere kant landen waar de arbeiders een kleine minderheid vormen in een overwegende boerenbevolking. Tussen deze twee soorten landen zijn er tussenvormen. We zullen onze studie moeten baseren op tenminste drie types landen. Geïndustrialiseerde, agrarische en landen met een tussenvorm. De inleiding (over de voorwaarde en de omstandigheden van de revolutie) moet deze drie types karakteriseren vanuit het gezichtspunt van de burgeroorlog.

We zullen de opstand op twee manieren beschouwen. Allereerst als een bepaalde fase van een historisch proces, de objectieve wetten van de klassenstrijd gezien vanuit een specifieke invalshoek. Vervolgens vanuit objectief en praktisch standpunt, namelijk hoe een opstand voor te bereiden en uit te voeren teneinde de overwinning te behalen. In dit opzicht biedt de oorlogvoering een zeer goede vergelijking omdat dit ook het product is van specifieke historische omstandigheden en het resultaat van een botsing van belangen. Tegelijkertijd is de oorlogvoering een kunst. De theorie van de oorlogvoering is het bestuderen van de krachten en middelen die men ter beschikking heeft, de concentratie en het inzetten ervan om de overwinning te behalen. Op dezelfde manier is de opstand een kunst. In puur praktisch opzicht betekent een dergelijke militaire handleiding een uitbreiding van de theorie van de opstand.

In het begin zullen we natuurlijk allerlei tegenwerpingen horen van mensen die zeggen dat het idee van een handleiding voor de opstand, of erger nog, de burgeroorlog, niets anders is dan bureaucratisch optimisme. Dat we de geschiedenis willen militariseren, dat het revolutionaire proces niet onderhevig is aan reguleringen, dat in ieder land de revolutie zijn eigen specifieke en unieke kenmerken heeft, dat in tijden van revolutie de situatie ieder moment anders is, en dat het een hersenschim is om een aantal richtlijnen te fabriceren voor revoluties, of om op dezelfde manier als het Oostenrijkse Oppercommando, een aantal onaantastbare reglementen op te stellen en die streng te handhaven. Welnu, als er iemand zoiets zou willen opstellen, zou hij inderdaad een lachwekkend figuur slaan.

Maar in principe kunnen al deze tegenwerpingen ook gemaakt worden tegen onze militaire handleidingen. Iedere oorlog speelt zich af in en onder voorwaarden die niemand kan voorzien. Toch zou het leiden van een leger in vredestijd, laat staan in oorlogstijd, ondenkbaar zijn zonder hulp van handboeken waarin de militaire ervaringen neergelegd zijn. We zeggen vaak dat men zich niet blindelings moet vastklampen aan regels, maar dat doet geenszins afbreuk aan het belang van die regels, evenmin als de dialectiek iets afdoet aan de waarde van de formele logica of de wiskundige wetten.

Ongetwijfeld zijn in de burgeroorlog de elementen die noodzakelijk zijn voor het opstellen van plannen, voor organisatievormen, voor de verdeling van krachten, oneindig veel schaarser dan in de oorlogen tussen ‘nationale’ legers. In de burgeroorlog is er veel directer verband tussen politiek en militaire acties dan het geval is bij de ‘nationale’ oorlogen. Het zou dan ook volstrekt ontoelaatbaar zijn om de methode van de ene soort klakkeloos toe te passen op de andere. Toch volgt daar geenszins uit dat het ook ontoelaatbaar zou zijn zich te baseren op de verworven kennis om op die manier nieuwe methodes, procedures, aanwijzingen, richtlijnen en suggesties te vinden waarin een zekere lijn te ontdekken is, van waaruit we ze kunnen herleiden tot algemene regels die een plaats kunnen vinden in een handboek voor de burgeroorlog.

Wij zijn het erover eens dat in die regels vooropgesteld moet worden dat het absoluut noodzakelijk is om de puur militaire acties ondergeschikt te maken aan de algemene politieke lijn, en om zich grondig rekenschap te geven van de algemene situatie en de stemming onder de massa’s.

Voordat men nu de moed opgeeft omdat het om zo een utopische poging zou gaan, ofwel dat men andere mensen hiervan afhoudt, is het nodig om de vraag te stellen of er algemene regels bestaan die bepalend kunnen zijn voor een overwinning en wat ze dan zijn. Alleen in het verdere verloop van zo’n beschouwing zal het mogelijk zijn om te beslissen waar de exacte, nuttige aanwijzingen voor dit werk beginnen en waar ze vervallen tot bureaucratische inbeelding.

Laten we een revolutie aldus benaderen: de hoogste fase van een revolutie is de opstand, die de machtsvraag beslist. De opstand wordt altijd vooraf gegaan door een periode van organisatie en voorbereiding op basis van een zekere politieke campagne. Algemeen kunnen we stellen dat het moment van een opstand kort van duur is, maar beslissend voor het verloop van de revolutie. Als de overwinning wordt behaald wordt ze gevolgd door een periode waarin de revolutie wordt geconsolideerd door de vernietiging van de laatste vijandelijke krachten, en de organisatie van nieuwe macht en de revolutionaire krachten voor de verdediging van de revolutie. Als de feiten zo liggen, zal het handboek voor de burgeroorlog — zo zullen we het werk maar noemen — moeten bestaan uit tenminste drie delen: de voorbereiding voor de opstand, de opstand zelf en ten slotte de consolidatie van de revolutie. Naast de basisinleiding die we hiervoor hebben besproken, en waarin (in de verkorte vorm van algemene regels of richtlijnen) de vereisten en de voorwaarden voor de revolutie worden weergegeven, zou onze handleiding tenminste drie delen inhouden, die tenminste drie opeenvolgende fasen van de burgeroorlog omvatten. Zo zou de strategische opbouw van het werk als geheel eruit zien.

Het strategische probleem is precies wat we moeten oplossen, hoe moeten we zo logisch mogelijk alle beschikbare krachten en hulpmiddelen combineren opdat het belangrijkste doel bereikt wordt: de verovering en het vasthouden van de macht. Elk onderdeel van de strategie van de burgeroorlog roept een aantal specifieke tactische problemen op, zoals het formeren van fabriekseenheden, de organisatie van revolutionaire commandoposten op de spoorlijnen en in de steden, en de gedetailleerde voorbereiding van de verovering van vitale punten in de steden. Soortgelijke tactische problemen zullen behandeld worden in ons handboek voor de periode waarin de verslagen vijand definitief vernietigd wordt en de consolidatie van de macht na de overwinning.

Als we van een dergelijk werkplan uitgaan, zal het mogelijk zijn om met veel aspecten tegelijk bezig te zijn. We kunnen aldus een bepaalde groep kameraden verantwoordelijk maken voor zekere tactische vragen met betrekking tot de burgeroorlog. Andere groepen zullen het algemeen strategische plan vastleggen, de basisinleiding, enzovoorts. Tegelijkertijd zal het nodig zijn om het beschikbare historische materiaal te bestuderen vanuit het oogpunt van de burgeroorlog, want het is duidelijk dat het niet onze bedoeling is om zomaar, zoals het ons invalt, een handleiding in elkaar te zetten, maar dat dit gebeuren moet onder invloed van enerzijds de marxistische theorie en anderzijds de gegevens van de krijgswetenschap.

Op dit moment zeg ik nog niets over de wijze van uiteenzetten. Het zou voorbarig zijn om dit nu al vast te leggen. We weten dat de militaire handleidingen alleen schema’s bevatten, en geen tijdstippen en gebeurtenissen. Dat wil zeggen: ze geven alleen maar algemene richtlijnen zonder de steun van precieze voorbeelden of gedetailleerde uiteenzettingen. Kunnen wij dezelfde methode van uiteenzetting overnemen om een duidelijk handboek te maken? Dat is iets waar ik niet zeker van ben. Het is goed mogelijk dat wij, bij wijze van voorbeeld, in het handboek zelf of in een apart hoofdstuk, een aantal leerzame historische feiten weergeven, of er naar verwijzen. Misschien zou dat een uitstekende manier zijn om een overmaat aan schematisme te voorkomen. Maar nogmaals, het vastleggen van de literaire opbouw zou nu op zijn minst voorbarig genoemd moeten worden.

Het tijdstip van de opstand

Wat moet het worden, een handboek voor de burgeroorlog of een handboek van de opstand? Ik geloof dat we bij het gebruik van het woord ‘handboek’ moeten denken aan een handboek voor de burgeroorlog.

Sommige kameraden hebben hiertegen bezwaar gemaakt en gaven de indruk de burgeroorlog te verwarren met de klassenstrijd in het algemeen, en de opstand met de burgeroorlog. De burgeroorlog is een bepaalde fase van de klassenstrijd wanneer deze, het raam van de wettige acties doorbrekend, de tegenover elkaar staande krachten tot confrontatie stuurt, een openlijke klassenbotsing, en tot op zekere hoogte, een fysieke krachtmeting.

Op deze manier geeft de burgeroorlog een combinatie te zien van een spontane opstand die bepaald wordt door lokale oorzaken, bloedige interventie door contrarevolutionaire hordes, een revolutionaire algemene staking, een opstand voor de verovering van de macht, en een periode waarin de pogingen tot opstand van de kant van de contrarevolutie neergeslagen worden. Dit alles past binnen het begrip burgeroorlog, is meer dan alleen maar de opstand, en is veel minder dan de klassenstrijd die door de hele geschiedenis loopt.

Als we spreken van een opstand als een taak die volbracht moet worden, dan is het nodig dat we weten waarover we spreken. We moeten het niet verwarren met de revolutie, want dan wordt het begrip dusdanig uitgebreid dat het niet meer hanteerbaar is. We moeten deze verwarring zien op te lossen en we moeten daarmee beginnen bij onszelf.

De opstand stelt overal en altijd een duidelijke taak om uit te voeren. Met dit doel verdelen we de opdrachten. We vertrouwen aan verschillende kameraden opdrachten toe, in samenhang, vanzelfsprekend, met de beweging van de massa’s. We kiezen het juiste tijdstip, slaan toe en veroveren de macht — als we van te voren niet verslagen worden. Het gaat om een bepaalde fase van de revolutie. De verovering van de macht maakt geen einde aan de burgeroorlog. Ze verandert er alleen het karakter van. Ons handboek moet ook deze fase omvatten. We hebben dus werkelijk behoefte aan een handboek voor de burgeroorlog, en niet alleen maar voor de opstand, hoewel deze taak natuurlijk het best belicht kan worden als de centrale taak.

We hebben al gewezen op de gevaren van schematisme. Laten we aan de hand van een voorbeeld bekijken waar dit uit kan bestaan. Ik ben in de gelegenheid geweest om zeer vaak getuige te zijn van een van de meest gevaarlijke uitdrukkingsvormen van schematisme in de wijze waarop onze jonge officieren de militaire problemen van de revolutie behandelen. Als we drie fasen nemen waarin we de burgeroorlog hebben onderscheiden, zien we dat het militaire werk van de revolutionaire partij in elk van deze drie periodes een specifiek karakter heeft. In de periode waarin de voorbereidingen voor de revolutie plaats vinden is, dat is duidelijk, onze activiteit gericht op de machtsmiddelen (politie, leger) van de heersende klassen. Negen tiende van het militaire werk van de revolutionaire partij bestaat in deze periode uit het breken van het leger van de vijand, het veroorzaken van interne ontwrichting, terwijl een tiende deel bestaat uit het verzamelen en voorbereiden van de machtsmiddelen van de revolutie. Het spreekt vanzelf dat de wiskundige verhoudingen arbitrair zijn, maar tegelijkertijd geven ze enig idee van de inhoud van het clandestiene militaire werk van de revolutionaire partij.

Hoe dichter het uur van de opstand nadert, des te meer moet het werken aan de organisatie van gevechtseenheden worden geïntensiveerd. Op zo’n moment komen de gevaren van het academisch schematisme om de hoek kijken. Het is duidelijk dat de gevechtseenheden waarop de revolutionaire partij rekent bij de voorbereidingen van de opstand niet de vorm hebben van geregelde eenheden, zoals brigades, divisies en legercorpsen. Natuurlijk moet het leidinggevende orgaan van de opstand ernaar streven om zoveel mogelijk planning door te voeren als mogelijk is. Maar het plan van de opstand wordt niet gebaseerd op gecentraliseerde controle over revolutionaire troepen maar op zo groot mogelijke initiatieven van de zijde van elke afdeling waaraan eerder, met zo groot mogelijke nauwkeurigheid, de uit te voeren taak is toebedeeld.

De algemene regel is dat de opstandelingen strijd voeren volgens guerillamethoden, dat wil zeggen als partizaneneenheden die eerder met elkaar verbonden worden door politieke discipline en door een helder bewustzijn over het doel dat gesteld wordt, dan door enige soort van regelmatige gecentraliseerde en hiërarchische bevelstructuur. Nadat de macht veroverd is, verandert de situatie totaal. De strijd van de succesvolle revolutie voor zelfbehoud en verdere ontwikkeling verandert onmiddellijk in een strijd voor de organisatie van een gecentraliseerd staatsapparaat. De partizanenvisie, die niet alleen onvermijdelijk is, maar zelfs uiterst progressief is in de periode van de strijd om de macht, kan na het veroveren van de macht zeer gemakkelijk de vorming van de revolutionaire staat in gevaar brengen. Hier begint de periode van de organisatie van het geregelde Rode Leger. Al deze factoren moeten op een juiste manier hun plaats vinden in het handboek voor de burgeroorlog.

Het bepalen van het tijdstip houdt nauw verband hiermee. Het spreekt vanzelf dat het er niet omgaat om zomaar los van de gebeurtenissen een vaste en onaantastbare datum voor de datum vast te stellen. Het gaat al evenmin om een uitdagende, open proclamatie in de geest van de oude verhalen: op die en die dag ‘komt het uur van de waarheid voor jou’. Dat zou een te simplistisch idee zijn van het karakter van een revolutie en de ontwikkeling daarvan.

Als marxisten moeten we weten en begrijpen dat het niet genoeg is om een opstand alleen maar te willen, teneinde hem ook uit te kunnen voeren. Maar als de objectieve voorwaarden voor een opstand zich voordoen zal die ook niet vanzelf plaatsvinden — hij moet gemaakt worden. En daarvoor moet de revolutionaire generale staf eerst een plan voor de opstand hebben voordat de zaak in beweging gezet kan worden.

Het plan van de opstand zal een oriëntatie geven van tijd en plaats. Op de meest gedetailleerde manier zal er rekening gehouden moeten worden met alle factoren en elementen van de opstand. Ze moeten bestudeerd worden om nauwkeurig hun dynamiek vast te stellen en om inzicht te geven in de afstand tussen de voorhoede en de arbeidersklasse, zodat de eerste niet geïsoleerd wordt op het moment van de beslissende stap.

Het bepalen van de tijd van de opstand is een van de noodzakelijke elementen in deze oriëntatie. Ze zal van te voren moeten worden vastgelegd, zodra de symptomen van de opstand duidelijk zichtbaar worden. Die datum zal zeker niet worden bekend gemaakt aan Jan en Alleman. Integendeel, ze zal zoveel mogelijk geheimgehouden worden voor de vijand, zonder echter de eigen partij en de massa’s die haar volgen te misleiden. Het werk van de partij op alle gebieden zal ondergeschikt worden gemaakt aan de datum van de opstand en alles moet in orde gemaakt worden voor de aangewezen datum. Als er een fout is gemaakt in de berekeningen kan de datum van de opstand worden veranderd, hoewel dit tegelijkertijd gepaard kan gaan met ernstige moeilijkheden en veel gevaren.

We moeten goed beseffen dat het vraagstuk van de vaststelling van de tijd van de opstand in veel gevallen het karakter draagt van een proef op de som, waarmee het revolutionaire bewustzijn wordt getest van zeer veel West-Europese communisten die zich niet volledig hebben losgemaakt van een fatalistische en passieve benadering van de belangrijkste problemen van de revolutie. Het meest serieuze en begaafde voorbeeld daarvan is nog steeds Rosa Luxemburg. Psychologisch is dit zeer begrijpelijk. Haar politieke vorming had ze ondergaan, bij wijze van spreken, in de strijd tegen het bureaucratische apparaat van de Duitse sociaaldemocratie en de vakbeweging. Onvermoeibaar toonde ze aan dat dit apparaat het initiatief van de massa’s verlamde en ze zag geen alternatief dan dat een spontane opstand van de massa’s alle obstakels en remmen die de sociaaldemocratie had opgebouwd weg zou vagen. De revolutionaire algemene staking, die de burgerlijke maatschappij zou overspoelen, werd voor Rosa Luxemburg het synoniem voor de proletarische revolutie.

Welke kracht er echter ook vanuit mag gaan, en hoe massaal ze ook gevoerd wordt, de algemene staking lost het probleem van de macht niet op, ze stelt het alleen aan de orde. Om de macht in handen te kunnen nemen is het noodzakelijk om de gewapende opstand te organiseren op basis van een algemene staking. De ontwikkeling van Rosa Luxemburg ging natuurlijk helemaal die kant uit. Ze had, toen de strijd voor haar afgelopen was, haar laatste woord nog niet gesproken, noch zelfs haar op een na laatste.

Tot voor kort was er in de Communistische Partij van Duitsland nog steeds een sterke stroming van revolutionair fatalisme. De revolutie komt, werd gezegd, ze zal de opstand en de machtsvorming met zich meebrengen. De partij heeft op zo’n moment geen andere taak dan het voeren van revolutionaire agitatie en de uitslag af te wachten. In die omstandigheden betekent het scherp stellen van het tijdstip van de opstand dat de partij boven de passiviteit en het fatalisme wordt uitgetild en dat ze wordt geconfronteerd met de belangrijkste vraagstukken van de revolutie, namelijk de bewuste organisatie van de opstand teneinde de macht uit handen van de vijand te slaan. De vraag van het vaststellen van een tijd van opstand zoals hierboven is weergegeven moet behandeld worden in een handboek van de burgeroorlog. Op deze manier wordt het gemakkelijker de partij, of in ieder geval haar kader, voor te bereiden op de opstand.

Bij dit alles moeten we in gedachte houden dat het moeilijkste voor een communistische partij zal zijn de overgang van het werk voorafgaande aan de revolutie, dat noodzakelijkerwijs lang zal zijn, naar de directe strijd om de macht. Deze overgang zal altijd crisissen, zware crisissen met zich meebrengen. De enige manier om de omvang ervan zo klein mogelijk te houden en om de meest vastberaden kameraden bijeen te brengen in de leidende organen is om de partijkaders ertoe te brengen zich ermee bezig te houden en van te voren het vraagstuk van de revolutionaire opstand uit te diepen, en dit alles des te meer naarmate het beslissende moment naderbij komt.

Zo gezien is het bestuderen van de Oktoberrevolutie van oneindig groot belang voor alle communistische partijen. Helaas gebeurt dit niet, en zal het ook niet gebeuren zolang als de middelen ervoor niet beschikbaar worden. Wij hebben zelf nooit ons materiaal over de Oktoberrevolutie bestudeerd en gesystematiseerd, en vooral niet de militair-revolutionaire lessen die we eruit kunnen trekken. Het is noodzakelijk om stap voor stap alle fasen te volgen van de voorbereiding van de revolutie, van de hele periode van maart tot oktober, de wijze waarop de opstand van oktober vorm kreeg op de meest kritieke momenten, en dan de strijd voor het consolideren van de macht.

Voor wie is dit voorgestelde handboek van de burgeroorlog bedoeld? Voor de arbeiders, zeggen sommige kameraden, zodat elke arbeider weet hoe hij zelfstandig moet handelen. Het is duidelijk dat het zeer goed zou zijn als elke arbeider wist wat hij moest doen. Maar zo zou de vraag te breed gesteld worden, en het zou daarom utopisch zijn. Hoe dan ook, we moeten niet op dat punt beginnen. Ons handboek zou in de eerste plaats gericht zijn op het kader van de partij, de leiders van de revolutie. Natuurlijk zullen in sommige hoofdstukken vragen voor bredere lagen van arbeiders op niet te moeilijke manier aangeroerd worden, maar in de eerste plaats zal het handboek gericht zijn op de leidende elementen.

Als eerste stap moeten we voor onszelf onze ervaringen en ideeën verzamelen, ze zo duidelijk mogelijk formuleren, ieder detail ervan verifiëren, en voor zover mogelijk, ze systematiseren. Voor de imperialistische oorlog klaagden enkele militaire schrijvers erover dat oorlogen te zeldzaam voorkwamen om de officieren goed te kunnen voorbereiden. We kunnen met evenveel reden zeggen dat de zeldzaamheid van revoluties de opvoeding van revolutionairen belemmert. Maar wat dit betreft heeft onze generatie bepaald geen reden tot klagen. Wij hebben het geluk gehad om bewust de revolutie van 1905 te kunnen meemaken, en we hebben een leidende rol kunnen spelen in de revolutie van 1917.

Maar het spreekt vanzelf dat de dagelijkse revolutionaire ervaringen zeer snel vergeten worden. Hoeveel nieuwe, praktische, bij voortduring aanwezige dringende problemen zijn er daarvoor niet in de plaats gekomen! Zijn we vandaag de dag niet gedwongen om te spreken over vraagstukken als de fabricage van kleding, de bouw van de Volkhov-elektriciteitsfabriek, de productie van aluminium, veeleer dan hoe een revolutie gemaakt moet worden? Maar daarmee wordt dit laatste nog niet overbodig. Meer dan ooit vereist de geschiedenis een antwoord op dit vraagstuk.

Wanneer te beginnen?

De Duitse catastrofe van vorig jaar heeft de Communistische Internationale voor het probleem gesteld hoe een revolutie en, in het bijzonder, de revolutionaire opstand, te organiseren. In dit verband is de vaststelling van het tijdstip van groot belang omdat duidelijk en onloochenbaar is gebleken dat alle vragen met betrekking tot de organisatie van de revolutie hier acuut worden. De houding die de sociaaldemocratie tegenover de revolutie heeft aangenomen is dezelfde houding die het liberalisme had tegenover de machtsstrijd van de bourgeoisie tegen feodalisme en monarchie. Het burgerlijke liberalisme houdt bespiegelingen over de revolutie zonder er de verantwoordelijkheid voor zich op te nemen. Op het gunstigste ogenblik in de strijd van de massa’s brengt ze haar bezit, haar ideologie en andere middelen in de strijd om de macht in handen te kunnen nemen. In november 1918 speelde de Duitse sociaaldemocratie een soortgelijke rol.

De sociaaldemocratie vormde feitelijk het apparaat dat aan de bourgeoisie de macht overhandigde die aan de keizer was ontvallen. Zo’n politiek van passieve bespiegelingen is absoluut onverenigbaar met het communisme dat zich tot doel stelt de macht te veroveren in naam en ten behoeve van het proletariaat.

De proletarische revolutie is een revolutie van enorme, grotendeels ongeorganiseerde massa’s. De blinde opleving van de massa’s speelt een niet te onderschatten rol in de beweging. De overwinning kan alleen worden bereikt door een communistische partij die gecentraliseerd is, die zich als nauw omschreven doel de verovering van de macht stelt, die voorzichtig deze doelstelling uitwerkt, verfijnt, die zich erop voorbereidt en haar verwezenlijkt, steunend op de opstand van de massa’s. Door haar centralisatie, besluitvaardigheid en planmatige benadering van de gewapende opstand geeft de communistische partij dezelfde voordelen aan het strijdende proletariaat die de bourgeoisie heeft door haar economische positie. Het vaststellen van het tijdstip van de opstand is hierbij meer dan een technisch detail. Zo helder en precies als mogelijk is spreekt daaruit de opstand als kunst. Het is duidelijk bij dit vaststellen van het tijdstip van de opstand de berekeningen niet uitsluitend op militaire ervaringen mogen berusten. Een staat die over voldoende gewapende krachten beschikt kan op elk moment de oorlog verklaren. Dan beslist het opperbevel tijdens de oorlog over het offensief — vanzelfsprekend niet in het wilde weg, maar nadat alle factoren tegen elkaar zijn afgewogen. Het is evenwel nog steeds veel eenvoudiger om een puur militaire situatie te analyseren dan een revolutionaire politieke situatie.

Het militaire opperbevel heeft te maken met strijdkrachten waarvan de wijze van organisatie berust op nauwgezette studie en die zijn voorbereid op hun taak. Als gevolg daarvan zijn de legers bij wijze van spreken volledig manipuleerbaar door het opperbevel. Het is duidelijk dat dit niet zo is in een revolutie. Hier zijn de gevechtseenheden niet gescheiden van de massa’s der arbeiders, ze kunnen hun slagkracht alleen vergroten door deze te verbinden met de voorwaartse beweging van de massa’s. In zo’n situatie is het de taak van de revolutionaire leiding om inzicht te krijgen in het ritme van de beweging ten einde met zekerheid te kunnen beslissen op welk tijdstip het offensief geopend moet worden. Zoals we zien geeft het vaststellen van het tijdstip van de opstand aanzienlijk moeilijkheden.

Het kan natuurlijk voorkomen dat de situatie zo duidelijk is dat de partijleiding geen verdere twijfels heeft over de acute noodzaak om in actie te komen. Het uur heeft geslagen, we moeten in actie komen. Maar als zo’n beoordeling van de situatie plaats vindt vierentwintig uur voor het beslissende moment, kan de oproep tot actie te laat komen. De partij wordt erdoor verrast, en komt in de onmogelijke positie te verkeren een beweging te moeten leiden die, in dit geval, alleen maar een nederlaag zal worden toegebracht.

Vandaar de noodzaak om zo ver mogelijk van te voren de komst van het beslissende moment te voorzien, of met andere woorden, om ruim op tijd tijdstip van opstand vast te stellen op basis van de ontwikkeling van de beweging en de algemene situatie in het land.

Als, bijvoorbeeld, de tijd ongeveer twee maanden van te voren wordt vastgesteld, benut het Centraal Comité of het leidende orgaan van de partij de tussenliggende periode. Die geeft aan de partij de noodzakelijke stuwkracht doordat er vastberaden agitatie gevoerd wordt die alle fundamentele vraagstukken scherp aan de orde stelt en door organisatorische voorbereiding die hiermee samenvalt, het uitkiezen en de verdeling van de meest strijdbare elementen, enz. Het spreekt vanzelf dat een datum die twee of drie of meer, die vier maanden van te voren wordt vastgelegd, niet onherroepelijk vastligt. Maar de tactiek moet erop gericht zijn om in de tussenliggende periode na te gaan of de gekozen datum juist was. Laten we een voorbeeld bekijken.

De politieke voorwaarden voor het succes van een gewapende opstand zijn te vinden in de steun die de meerderheid van de arbeiders in de voornaamste steden en gebieden van een land geeft aan de strijdbare voorhoede, en in de daarmee gepaard gaande vernietiging van het overheidsapparaat. Laten we nu zeggen dat de ontwikkelingen nog niet op het kritieke punt zijn aangekomen, maar er niet meer ver van verwijderd zijn. De krachten van de revolutionaire partij groeien snel, maar de partij vindt het nog steeds moeilijk om te zeggen of ze de noodzakelijke meerderheid achter zich heeft. Intussen wordt de situatie steeds ernstiger. Het vraagstuk van de opstand doet zich in de praktijk voelen. Wat moet het Centrale Comité van die partij doen? Het kan bijvoorbeeld op deze manier redeneren:

  1. Gezien het tempo van de laatste weken groeit de invloed van de partij zeer snel, en het is daarom verantwoord om aan te nemen dat in die en die belangrijke punten van het land de meerderheid van de arbeiders op het punt staan ons te volgen. Onder deze omstandigheden moeten we de beste krachten van de partij concentreren. op de beslissende punten, en we nemen aan dat er ongeveer een maand nodig is om de meerderheid te veroveren;
  2. Wanneer een keer de belangrijkste punten voor ons gewonnen zijn, kunnen we de arbeiders oproepen om sovjets van arbeidersvertegenwoordigers op te zetten, op voorwaarde — dat moet goed begrepen worden — dat het afbreken van het overheidsapparaat voortgezet wordt. Laten we aannemen dat het organiseren van sovjets in de voornaamste steden en gebieden van het land nog twee weken vereist;
  3. Als deze sovjets in de belangrijkste punten een keer organisatorisch onder leiding staan van de partij, volgt daaruit natuurlijk dat er opgeroepen wordt tot een nationaal congres van sovjets. Dit vereist nog drie of vier weken.

Nu is het zeer duidelijk dat in een dergelijke situatie het congres van sovjets de verovering van de macht zal voltooien, omdat het congres anders een nietszeggende vertoning zou zijn en worden uiteengejaagd. Met andere woorden, tegen de tijd van het congres zal het proletariaat het werkelijke machtsapparaat in handen hebben. Zodoende wordt de opstand bepaald voor over twee-en-een-halve maand. Twee-en-een-halve maand wordt vastgesteld als de periode voor de voorbereiding van de opstand.

Deze tussenliggende periode, die volgt uit de algemene analyse van de politieke situatie en de ontwikkeling daarvan, is bepalend voor het karakter en het tempo dat gegeven moet worden aan het militair-revolutionaire werk. Dat heeft ten doel de ontwrichting van het burgerlijke leger, de overname van het spoorwegennet, de vorming en bewapening van arbeidersafdelingen, enzovoorts. Wij vertrouwen aan de geheime commandant van de te veroveren stad omschreven taken toe: die en die maatregelen in de eerste vier weken, het overzicht over alle voorbereidingen, en het opvoeren van de voorbereidingen tijdens de volgende twee weken zodat in de twee weken daarop alles gereed zal zijn voor actie. Door de uitvoering van beperkte maar nauwkeurig omschreven taken wordt zodoende het militair-revolutionaire werk voltooid binnen de vastgestelde tijd.

Wij voorkomen de onsystematische aanpak en de afwachtende houding die zo fataal kunnen zijn, en in plaats daarvan komen we tot de noodzakelijke samenhang van activiteiten als gevolg van de krachtige aanpak van de leiding van de beweging. Tegelijkertijd wordt het politieke werk onverminderd voortgezet. De revolutie volgt haar eigen logische koers. Na een maand zullen wij in staat zijn om te controleren of de partij inderdaad de meerderheid van de arbeiders voor zich heeft weten te winnen in de voornaamste centra in het land. Deze controle kan worden gedaan door het houden van stemmingen, of door een vakbondsactie, of door demonstraties op straat. Het beste is een combinatie hiervan te vinden.

Als we ervan overtuigd zijn dat de eerste fase, zoals we voor onszelf hebben vastgesteld, volgens onze verwachtingen is verlopen, is dit een goede bevestiging van de juistheid van de vastgestelde datum van de opstand. Als echter blijkt dat, hoe onze invloed ook gegroeid mag zijn, in de afgelopen maand wij toch niet de meerderheid van de arbeiders achter ons hebben, zouden we er wijzer aan doen de datum van de opstand op te schuiven. In deze periode zullen we veel mogelijkheden hebben om na te gaan welke mogelijkheden de bourgeoisie nog ziet en in hoeverre het repressieapparaat verzwakt is. Door deze waarnemingen zullen we in staat zijn te ontdekken wat voor zwakke punten er zijn geweest in illegaal werk met het oog op de revolutionaire voorbereidingen.

De organisatie van sovjets zal vervolgens het middel worden om in de toekomst de krachtsverhoudingen na te gaan en gelijktijdig daarmee vast te stellen of de voorwaarden rijp zijn voor het uitvoeren van de opstand. Het is duidelijk dat het niet altijd en overal mogelijk zal zijn om voor de opstand sovjets op te richten. Men moet zelfs verwachten dat sovjets alleen tijdens de actie kunnen worden georganiseerd. Maar in de gevallen waarin het mogelijk zal zijn, onder leiding van de communistische partij, om sovjets te organiseren voor de omverwerping van het burgerlijke regime, zal dit de betekenis hebben van een eerste aankondiging van de op komst zijnde opstand. En de datum zal hierdoor des te gemakkelijker kunnen worden vastgesteld.

Het Centraal Comité van de partij zal het werk van de militaire organisatie controleren. Van elke afdeling zal worden nagegaan welke resultaten er geboekt zijn en als de situatie dat vereist zal er aandacht aan besteed worden. We mogen verwachten dat de militaire organisatie zelf niet uitgaat van de algemene analyse van de situatie en de bestaande krachtsverhoudingen, maar van de beoordeling van de resultaten die er zijn bereikt bij de voorbereidende activiteiten, en daarom altijd zal vinden dat ze onvoldoende is voorbereid. Maar het spreekt vanzelf, van beslissend belang is op dat moment de beoordeling van de situatie en de krachtsverhoudingen tussen de beide partijen, tussen de stoottroepen van de vijand en die van ons. Zodoende kan het vaststellen van een datum twee, drie of vier maanden van tevoren een onschatbare waarde hebben voor de organisatie van de opstand, zelfs als we door latere ontwikkelingen worden gedwongen om deze datum een paar dagen naar voren te schuiven of haar op te schorten.

Het is duidelijk dat het gegeven voorbeeld zuiver hypothetisch is, maar het is een uitstekend voorbeeld van de houding die we moeten innemen ten opzichte van de voorbereidingen van een opstand. Het is geen kwestie van het in wilde weg met datums omspringen maar van het vaststellen van de dag van de opstand, waarbij men uitgaat van de ontwikkeling van de gebeurtenissen zelf, van het controleren van de juistheid van de datum tijdens de opeenvolgende fasen van de beweging, en vervolgens het vaststellen van de uiteindelijke datum waaraan al het andere voorbereidende werk ondergeschikt zal worden gemaakt.

Ik herhaal, dat in dit verband de lessen van de Oktoberrevolutie nauwgezet bestudeerd moeten worden, de enige revolutie tot op heden die het proletariaat met succes heeft doorgevoerd. Vanuit de strategische en praktische inzichten moeten we een overzicht van de gebeurtenissen maken. We moeten laten zien hoe alles zich afspeelde, de golfbeweging, wat gevolgen waren binnen de partij, binnen de sovjets, binnen het Centraal Comité, en in de militaire organisatie van de partij. Wat was de betekenis van de aarzeling die in de partij te zien was? Hoeveel invloed had die op het totaal van de gebeurtenissen? Wat was de rol van de militaire organisatie? Een dergelijk werk heeft een onschatbare waarde. Ieder uitstel daarvan zou een onvergeeflijke en misdadige fout zijn.

De stilte voor de storm

Er is een ander punt dat van groot belang is voor het begrijpen van de burgeroorlog, waarop in ons toekomstige ‘handboek’ op een of ander manier ingegaan moet worden. Degene die op de hoogte is van de discussies die hebben plaats gevonden na de gebeurtenissen in Duitsland in 1923 zal zich zeker de verklaring herinneren die gegeven werd voor de nederlaag. "De belangrijkste reden was dat het de Duitse arbeidersklasse totaal ontbrak aan strijdlust op het beslissende ogenblik; de massa’s wilden niet strijden — het beste bewijs hiervoor is dat ze in het geheel niet gereageerd hebben op het fascistische offensief; wat kon de partij dus doen toen ze geconfronteerd werd met deze houding van de massa’s?" enzovoorts, enzovoorts, zo ging dat door.

Dat is wat we hoorden van de kameraden Brandler, Thalheimer en de anderen. Op het eerste gezicht lijkt de redenering onaantastbaar, de massa’s wilden niet strijden, dus wat kon de partij doen? Maar waar kwam dan het beslissende moment vandaan? Dat was het resultaat van de hele voorafgaande periode van strijd die voortdurend scherpere vormen aannam.

Het jaar 1923 is van begin tot het eind gekenmerkt geweest door stukken strijd die het Duitse proletariaat gedwongen was aan te gaan. Hoe kon het dan gebeuren dat de Duitse arbeidersklasse plotseling aan de vooravond van haar eigen Oktober, haar strijdbaarheid verloor? Dat is niet erg goed te bevatten. De vraag komt dan natuurlijk naar voren: is er een echte aanwijzing dat de arbeiders inderdaad niet wilden strijden? Deze vraag brengt ons terug tot onze eigen ervaringen met onze eigen Oktober-gebeurtenissen.

Als we de bladen uit de tijd voorafgaande aan de Oktoberrevolutie opnieuw lezen (eventueel alleen maar die van de partij), zien we hoe kameraden die tegen de gedachte van de opstand zijn zich vooral beroepen op het gebrek aan strijdlust van de Russische arbeiders. Vandaag de dag, men houdt het niet voor mogelijk, wordt deze zelfde redenering naar voren gebracht. We bevinden ons in een vergelijkbare situatie: gedurende het hele jaar 1917 was de Russische arbeidersklasse op haar post geweest, maar toch, toen het vraagstuk van de verovering van de macht aan de orde kwam, kwamen er stemmen op die zeiden dat de massa’s van de arbeiders, niet wilden strijden. In feite ging de beweging zelfs, aan de vooravond van Oktober, enigszins omlaag.

Was dat het gevolg van toeval? Of is hier misschien sprake van een historiese wetmatigheid? Het formuleren van die wet zou misschien enigszins voorbarig zijn. Maar zo’n verschijnsel moet ongetwijfeld een algemene oorzaak hebben. In de natuur noemen we dit verschijnsel de stilte voor de storm. Ik zou willen beweren dat in een revolutionaire periode zo’n zelfde verschijnsel zich voordoet en dat dat dezelfde betekenis heeft.

Tijdens een zekere periode groeit de strijdvaardigheid van de arbeidersklasse. Die strijdvaardigheid neemt verschillende vormen aan, stakingen, demonstraties, botsingen in de straten. De massa’s beginnen zich voor het eerst bewust te worden van hun kracht. De beweging neemt zulke vormen aan dat politieke gevolgen niet kunnen uitblijven. Gisteren ging het om een beweging van honderden en duizenden, nu gaat het ons een beweging van miljoenen. Een hele reeks economische en politieke standpunten worden ingenomen op basis van deze elementaire druk. Om die reden zijn de massa’s graag bereid om zich in iedere nieuwe staking in te zetten.

Maar deze periode zal zichzelf onvermijdelijk uitputten. En terwijl de massa’s meer ervaringen opdoen ontwikkelt zich ook hun organisatie. Het vijandelijke kamp geeft te verstaan dat men zich niet zonder strijd zal overgeven. Het resultaat is dat de revolutionaire stemming van de massa’s veel kritieser wordt, veel ernstiger, veel bezorgder. De massa’s zoeken, vooral als ze fouten hebben gemaakt en nederlagen hebben geleden, naar een betrouwbare leiding. Ze willen ervan overtuigd zijn dat zij de leiding op ons willen en kunnen nemen en dat ze in de beslissende slag mogen rekenen op een overwinning.

Welnu, deze overgang van halfblind optimisme naar een duidelijker inzicht in de moeilijkheden is de oorzaak van de onderbreking in het revolutionaire proces, die tot op zekere hoogte een crisis in de stemming van de massa’s weerspiegelt. Als de verdere omstandigheden geschikt zijn kan deze crisis overwonnen worden, maar dat kan alleen door een politieke partij, en voor alles doordat deze partij vastberaden blijft om leiding te willen geven aan de opstand.

Inmiddels leidt de grote historische betekenis van de gestelde taak (de verovering van de macht) onvermijdelijk tot aarzelingen binnen de partij, met name bij de leidinggevende personen op wie eerdaags de volle verantwoordelijkheid voor de beweging komt te berusten. De terugtrekking van de massa’s voor het beslissende gevecht, en de aarzelingen van de leiders zijn twee verschijnselen die, zonder gelijkwaardig te zijn, toch gelijktijdig optreden. Om die reden horen we waarschuwingen in de trant van: De massa’s willen de strijd niet aangaan, integendeel, hum, stemming is passief; onder deze omstandigheden zou het avonturisme zijn om ze tot een opstand aan te zetten. Het spreekt vanzelf dat als een dergelijke stemming overheerst, de revolutie alleen maar neergeslagen kan worden. En na de nederlaag, die door de partij zelf wordt uitgelokt, is er geen reden waarom de partij niet aan Jan en Alleman zou verkondigen dat de opstand onmogelijk was omdat de massa’s er niets van wilden weten.

Dit is het probleem, dat diepgaand bestudeerd moet worden. Men moet op basis van de bestaande ervaringen leren wat die stemming is van voor de opstand, als het proletariaat tot zichzelf zegt: Er is niets meer te winnen bij stakingen, demonstraties en andere protesten. We moeten nu de strijd voeren. Ik ben daartoe gereed want een andere mogelijkheid is er niet meer; maar het gevecht moet tot het einde toe gevoerd worden, dat wil zeggen met inzet van al onze krachten en onder een betrouwbare leiding. Op zo’n moment is de situatie uiterst kritiek. Er is een volledige onevenwichtige situatie. De minste beweging kan de balans naar de ene of naar de andere kant doen overgaan.

In ons geval naar de kant van de overwinning, dank zij de vastberaden aanpak van de partijleiding. In Duitsland liet de partijpolitiek het evenwicht naar de kant van de nederlaag omgaan.

Politieke en militaire zaken

Is ons ‘handboek’ politiek of militair van karakter? Ons beginpunt is daar waar de politiek overgaat in militaire actie, en we bekijken de politiek dan ook vanuit het oogpunt van militaire actie. Op het eerste gezicht lijkt dit tegenstrijdig omdat het niet de politiek is die ondergeschikt is aan de opstand, maar omgekeerd, de opstand dient de politiek. In werkelijkheid is hier evenwel geen enkele tegenstrijdigheid. De opstand staat duidelijk ten dienste van de doeleinden van de proletarische politiek. Maar als een keer de weg naar de opstand wordt ingeslagen, dan is de hele politiek in deze periode daaraan ondergeschikt.

De overgang van politieke naar militaire actie en de samenhang tussen deze twee alternatieven roepen grote problemen op. Wij weten allen dat het punt waar het een in het ander overgaat altijd het zwakste punt is. Het is dan ook gemakkelijk om te struikelen op het punt van de overgang van politiek op zijn militaire voortzetting. We hebben daar ook hier enigszins getuige van kunnen zijn.

Kameraad X heeft duidelijk laten zien hoe moeilijk het is om op een juiste manier politieke en militaire actie te combineren. Hij vond navolging bij kameraad Y, die de fout nog verergerde. Als we kameraad X moeten geloven ontkende Lenin, in 1918, het belang van het Rode Leger, omdat onze veiligheid zou afhangen van de onderlinge strijd tussen de imperialistische tegenspelers. Volgens kameraad Y speelden wij ‘de rol van de derde rover’.

Kameraad Lenin heeft zich nooit op zo’n manier uitgelaten. De beider kameraden maken hier een onjuiste overgang van politieke naar militaire zaken. Het is zonder meer juist dat als wij ten tijde van de Oktoberrevolutie geconfronteerd waren geweest met vrede in Europa, en een overwinning van Duitsland, het Duitse leger ons verpletterd zou hebben, al hadden we honderdduizenden, vijfhonderdduizend of drie miljoen man onder de wapenen. Noch in 1918, noch in 1919, zouden we ons te weer hebben kunnen stellen tegen het overwinnende Duitse leger. Hieruit volgt, dat de strijd tussen de twee imperialistische kampen onze belangrijkste verdedigingslinie vormde.

Maar binnen het raamwerk van die strijd zouden we honderd maal verslagen zijn geworden, als we in 1918 niet beschikten over het kleine en zwakke Rode Leger. Kwam het doordat Engeland en Frankrijk de Duitse bewegingsvrijheid belemmerden dat de strijd om Kazan gewonnen werd? [2] Als onze half-partizane en half-geregelde troepen niet Kazan hadden kunnen verdedigen, zouden de Witten ons de keel hebben afgesneden, en daar zeden ze van hun kant gelijk in hebben gehad. Op een dergelijk moment zou het niet zo best geweest zijn om de rol van de ‘derde’ rover te spelen — met de keel afgesneden.

Lenin nam een politiek standpunt in toen hij zei: Vrienden, militante arbeiders, maakt geen overdreven voorstelling van je gewicht, u vertegenwoordigt een factor in het geheel aan krachten, maar jullie zijn noch de enige, noch de belangrijkste kracht. In werkelijkheid weten wij ons slechts te handhaven dankzij de oorlog in Europa die de twee concurrerende imperialistische machtsblokken de handen bindt. Daaruit volgt niet dat hij het belang van het Rode Leger ontkende. Als wij zo een argumentatie zouden toepassen op de problemen die met de revolutie verbonden zijn, zoals de gewapende opstand, zouden we op zeer vreemde conclusies uitkomen.

Neem bijvoorbeeld de organisatie van gevechtseenheden. Een communistische partij die min of meer illegaal is geeft zijn militaire organisatie de opdracht gevechtseenheden te formeren. Wat betekent nu fundamenteel een paar dozijn op die manier geformeerde eenheden in relatie met het vraagstuk van de verovering van de macht? Van uit sociaal en histories oogpunt wordt de machtsvraag beslist door de samenstelling van de maatschappij, door de positie van het proletariaat in het productieproces, door zijn politieke rijpheid, door de mate waarin de burgerlijke staat is ontregeld, enzovoorts. Al deze factoren spelen wel degelijk een rol, maar alleen over langere termijn, terwijl de uitslag van de strijd direct kan afhangen van het bestaan van deze paar dozijn eenheden.

De vereiste maatschappelijke en politieke omstandigheden voor de verovering van de macht zijn de voorwaarden voor succes (en daar moet, de inleiding voor onze handleiding aandacht aan besteden); maar ze garanderen niet automatisch de overwinning. Wij maken het mogelijk om het punt te bereiken waarop de politieke activiteiten omslaan in de opstand — waarop we zeggen: Nu zijn de bajonetten aan het woord.

Nogmaals, de burgeroorlog is slechts de verscherpte voortzetting van de klassenstrijd. De opstand is de voortzetting van de politiek met andere middelen. Dat is de reden waarom ze alleen begrepen kan worden vanuit het gezichtspunt van deze speciale middelen. Het is niet mogelijk om de politiek te beoordelen zoals men oorlogen beoordeelt. Net zo min als het mogelijk is om de oorlog met de meetlat van de politiek te beoordelen, al was het alleen maar vanwege de verschillende betekenis van tijd. Het is een specifiek probleem dat serieus bestudeerd moet worden in ons toekomstige handboek voor de burgeroorlog. In de periode van revolutionaire voorbereiding rekenen we met de politieke meetlat, dat wil zeggen in jaren, maanden en weken. In de periode van de opstand tellen elke dag en elk uur.

Het is niet voor niets dat we zeggen dat in de oorlog een enkele, maand, soms zelfs een enkele dag, gelijk staat met een heel jaar. In april 1917 sprak Lenin over het geduldig, onvermoeibaar uitleggen aan de arbeiders... Tegen het einde van oktober was er geen tijd voor uitleg aan hen die nog niet hadden begrepen. Het was noodzakelijk om tot de aanval over te gaan en leiding te geven aan degenen die wel begrepen wat er moest gebeuren. In oktober zou het verliezen van een enkele dag al het werk hebben kunnen tenietdoen van maandenlange, zelfs jarenlange, revolutionaire voorbereidingen.

Dit herinnert aan een thema dat enige tijd geleden centraal stond bij oefeningen aan onze Militaire Academie. Er was onenigheid over de beslissing of het gebied van Byelostok, waar onze positie onhoudbaar was, onmiddellijk ontruimd moest worden, of dat we onze posities moesten vasthouden in de hoop dat Byelostok, een arbeiderscentrum, in opstand zou komen. Het spreekt vanzelf dat dit soort problemen alleen opgelost kan worden op basis van precieze en juiste gegevens. Zo’n militaire oefening heeft die gegevens niet omdat ze helemaal in vergadering gehouden werd. In de praktijk draaide de tegenstelling echter rond twee tijdschalen: de zuiver militaire en de revolutionair-politieke. Welnu, als we al het andere verder buiten beschouwing laten, welke schaal is dan doorslaggevend voor een goed resultaat?

Het antwoord is: de militaire. Met andere woorden, het was twijfelachtig of Byelostok in opstand zou kunnen komen in enkele dagen tijd, en zelfs als die mogelijkheid aanwezig was zou het nog zeer de vraag zijn wat de in opstand gekomen arbeiders konden uitrichten zonder wapens en zonder enige militaire voorbereiding. En tegelijkertijd was het zeer goed mogelijk dat er in deze twee of drie dagen twee of drie divisies zouden worden vernietigd bij het standhouden in onhoudbare posities, in de hoop op een opstand die, zelfs als ze zou plaatsvinden, nog niet een radicale wijziging zou aanbrengen in de militaire situatie.

Brest-Litovsk geeft ons een klassiek voorbeeld van een onjuiste toepassing van de politieke en militaire tijdschalen. [3] Zoals bekend besloot de meerderheid, waar ikzelf toen ook toehoorde, van het Centrale Comité van de Russische Communistische Partij, tegen de minderheid, die door Lenin geleid werd, om niet de vrede te tekenen hoewel we het risico liepen dat de Duitsers in het offensief zouden gaan. Wat betekende dit besluit? Sommige kameraden koesterden een utopische hoop op een revolutionaire oorlog. Anderen, waartoe ik hoorde, vonden het noodzakelijk om de Duitse arbeiders op de proef te stellen om te weten te komen of zij tegen de keizer in opstand zouden komen als hij een aanval op de revolutie zou openen.

In welk opzicht maakten zij een fout? In het buitengewone risico dat we liepen. Het zou weken, zelfs maanden duren voor de Duitse, arbeiders in beweging gebracht waren, terwijl op dat moment de Duitse legers slechts enkele dagen nodig hadden om tot Dvinsk, Minsk en Moskou door te stoten. De tijdschaal van de revolutionaire politiek is lang; de tijdschaal van de oorlog is kort.

Wie er niet in slaagt tot een heldere conclusie te komen — iets wat afhangt van de persoonlijke ervaringen — die weloverwogen moet zijn en algemeen geldig, loopt het risico een bron van nieuwe fouten te scheppen op het punt waar de revolutionaire politiek en militaire actie in elkaar overgaan, dat wil zeggen: op een terrein waar wij sterker staan dan de tegenstander.

Burgeroorlog vereist uiterste helderheid.

Dankzij kameraad P komen we terug op de vraag wat voor soort handboek we moeten schrijven, een handboek voor de opstand of een handboek voor de burgeroorlog. We moeten niet, zegt onze kameraad, te veel willen, want anders zal onze taak, grof gesteld, samenvallen met de taken van de Communistische Internationale. Niets van dat alles! Wie er op deze manier over spreekt laat zien dat hij de burgeroorlog, bij correct gebruik van deze term, verwart met de klassenstrijd.

Als we bijvoorbeeld Duitsland als studieobject nemen dan kan het zeer nuttig zijn te beginnen bij de gebeurtenissen van maart 1921. Daarna volgt de lange periode van hergroepering van de krachten onder de leuze van het Verenigd Front. Het is duidelijk dat deze periode niet thuishoort in een handboek voor de burgeroorlog. In januari 1923, bij de bezetting van het Ruhr-gebied, is er wederom een revolutionaire situatie, die aanzienlijk verscherpt wordt in juni 1923, als de politiek van de passieve weerstand die de bourgeoisie voert ineen stort en het burgerlijke staatsapparaat kraakt in al zijn voegen. Dit is de periode die we gedetailleerd moeten bestuderen, omdat ze enerzijds een klassiek voorbeeld geeft over het ontstaan en het rijpen van de revolutionaire situatie, en anderzijds een niet minder klassiek voorbeeld van een revolutie die voorbijging.

Verleden jaar had Duitsland zijn burgeroorlog, maar de gewapende opstand die hem zou moeten afsluiten en beslissen is nooit gekomen. Het resultaat was een werkelijk buitengewone revolutionaire situatie die onherroepelijk in diskrediet gebracht werd en leidde tot een nieuwe consolidatie van de bourgeoisie. Waarom? Omdat op het beslissende moment de politiek niet werd voortgezet met de andere noodzakelijke middelen, dat wil zeggen, met gebruik van wapenen.

Het is duidelijk, dat het burgerlijke regiem dat in Duitsland hersteld is na het mislukken van de proletarische revolutie, van een twijfelachtige stabiliteit is. We kunnen er zeker van zijn dat er, vroeg of laat, opnieuw een revolutionaire situatie in Duitsland zal ontstaan. Het is duidelijk dat augustus 1924 heel anders zal zijn dan augustus 1923. Maar als we onze ogen sluiten voor deze gebeurtenissen, als we gewoon doorgaan met het maken van fouten zoals die gemaakt zijn, kunnen we alleen maar een herhaling verwachten van de Duitse catastrofe van 1923, en de gevaren die daaruit voort vloeien voor de revolutionaire beweging zullen onvoorstelbaar zijn.

Dat is waarom wij, vooral het betrekking tot dit vraagstuk vergeleken met andere, elke afwijking van onze fundamentele opvattingen moeten tegengaan. We hebben hier allerlei onsamenhangende, sceptische tegenwerpingen kunnen horen over het punt van de vaststelling van het tijdstip van de opstand. Daaruit blijkt alleen maar een onvermogen om op een marxistische wijze in te gaan op het vraagstuk van de opstand als een kunst.

Alsof het een heel nieuw en leerzaam argument was werd er naar voren gebracht dat het ontoelaatbaar is om, in de verwarring van een buitengewoon gecompliceerde en veranderende situatie, zichzelf al bij voorbaat vast te leggen door een of andere beslissing. Maar als we dergelijke gemeenplaatsen doortrekken komen we tot de logische conclusie dat we ook in militaire operaties af moeten zien van plannen en van datums, omdat ook de oorlogssituatie aan snelle en onverwachte veranderingen onderhevig is. Geen enkele militaire operatie wordt ooit voor 100% volbracht; we mogen ons zelfs gelukkig prijzen als ze slechts voor 25% wordt volbracht, met andere woorden, als er tijdens de uitvoering maar 75% verandert. Maar iedere militaire leider die dit aan zou grijpen om het nut van een operatieplan te ontkennen moet ogenblikkelijk in een dwangbuis gezet worden.

Hoe het zij, ik pleit met kracht voor het vasthouden aan de volgende meest logische en juiste methode: formuleer eerst de algemene regels, de algemene richtlijnen, kijk dan wat daarvan losgelaten en vastgehouden moet worden. Maar als we beginnen met weglaten en toevoegen, met allerlei afwijkingen, twijfelingen en aarzelingen, zullen we nooit tot een conclusie komen.

Een van de kameraden die aan deze discussie deelnam heeft een opmerking van mij aangevochten, die ging over de ontwikkeling van de militaire organisatie van de partij in de periode van revolutionaire voorbereidingen, tijdens de opstand, en na het veroveren van de macht. Volgens deze kameraad moeten partizaneneenheden niet toegestaan worden omdat er alleen een noodzaak bestaat voor geregelde militaire formaties. De partizaneneenheden, zegt hij, zijn chaotische organisaties...

Deze woorden maakten me bijna sprakeloos. Wat voor onmogelijke, doctrinaire en academische hoogmoed is dat? Als de partizaneneenheden chaotisch zijn, dan moeten we erkennen dat, puur formeel gezien, de revolutie ook chaotisch is.

Welnu, in de eerste periode van een revolutie zijn we gedwongen om volledig te vertrouwen op zulke afdelingen. Daar wordt tegenin gebracht dat deze afdelingen volgens de regels moeten worden opgebouwd. Als dat betekent dat we in de partizanenoorlog geen enkel element van methodisch optreden moeten veronachtzamen, dan kunnen we het volledig met elkaar eens zijn. Maar als iemand droomt van een soort hiërarchische militaire organisatie, gecentraliseerd en ingedeeld voordat de opstand heeft plaatsgevonden, houdt hij zich bezig met een utopie die, als ze in de praktijk gebracht wordt, fataal zou blijken te zijn.

Als ik, met behulp van een clandestiene militaire organisatie, een stad in handen moet krijgen (een onderdeel van het totale plan voor de verovering van de macht in een land), deel ik mijn opdracht in afzonderlijke delen in: de bezetting van overheidsgebouwen, spoorwegstations, postkantoren, telegraafkantoren, drukkerijen. En ik vertrouw elk van deze taken toe aan de hoofden van kleine afdelingen die van tevoren een totaaloverzicht hebben gehad van de doelen die er gesteld worden. Elke afdeling moet zelfstandig kunnen werken, ze moet een eigen commissariaat hebben, omdat het anders, na bijvoorbeeld de verovering van een postkantoor, kan voorkomen dat er totaal geen voedselvoorziening is. Iedere poging om deze afdelingen te centraliseren en in een hiërarchie onder te brengen zou onvermijdelijk leiden tot bureaucratisme dat, in oorlogstijd, om twee redenen fout is. Ten eerste omdat het de hoofden van de afdelingen de verkeerde voorstelling geeft dat iemand anders ze orders zal geven, terwijl zij echter volledig ervan doordrongen moeten zijn dat zij de grootste bewegingsvrijheid hebben en een maximum aan initiatieven kunnen ontplooien. Ten tweede omdat het bureaucratisme, samen met een hiërarchisch systeem, de beste elementen zou doen verhuizen van de afdelingen naar allerlei soorten generale staven. Vanaf het eerste moment van de opstand zullen deze staven voor het grootste deel ergens tussen hemel en aarde zweven, terwijl de afdelingen, die op orders van bovenaf wachten, niet in actie komen en tijd verliezen. Dat zal zeker het falen van de opstand betekenen. Om deze redenen moet de afkeer van de beroepssoldaten van ‘chaotische’ partisanenorganisaties veroordeeld worden als onrealistisch, onwetenschappelijk en niet-marxistisch.

Op dezelfde manier kunnen na de verovering van de macht in de voornaamste delen van een land de partisaneneenheden een uiterst effectieve rol spelen in de niet-centrale delen van het land. Moeten we ons in herinnering brengen welke hulp de partisaneneenheden aan het Rode Leger en de revolutie brachten door achter de Duitse troepen in de Oekraïne en achter Kolchak’s troepen in Siberië te opereren?

Toch moeten we als onweerlegbare regel formuleren: de revolutionaire krachten werken aan het invoegen van de beste partisaneneenheden en de betrouwbaarste elementen ervan binnen het systeem van een geregelde militaire organisatie. Anders zouden deze partisaneneenheden ongetwijfeld wanorde bevorderende factoren kunnen worden, en in staat zijn te degenereren tot gewapende bendes in dienst van de kleinburgerlijke anarchistische elementen voor gebruik tegen de proletarische staat. We beschikken over een niet gering aantal voorbeelden daarvan.

Het is duidelijk dat zich onder de partizanen die zich verzetten tegen de gedachte van een geregelde militaire organisatie ook helden bevonden. De namen van Sivers en Kikvidze zijn hier gevallen. Ik zou er veel meer aan kunnen toevoegen. Sivers en Kikvidze hebben gestreden en zijn gevallen als helden. Vandaag, in het licht van hun enorme verdiensten voor de revolutie, vallen daarbij vergeleken de negatieve kanten van hun partisanenacties absoluut in het niet. Toch was het in die tijd zonder meer noodzakelijk om alles te bestrijden wat er negatief aan was. Alleen door tegen de partisanengedachte te vechten zijn we erin geslaagd het Rode Leger te organiseren en beslissende overwinningen te behalen.

Ik herhaal mijn waarschuwing tegen verwarring in terminologie, omdat hier meestal een verwarring in ideeën achter schuilgaat. Eveneens waarschuw ik tegen fouten die gemaakt kunnen worden door te weigeren het vraagstuk van de opstand helder en met durf te stellen, onder het mom dat de situaties onderling verschillen en telkens weer veranderen.

Op een of andere vreemde oppervlakkige manier wordt dit dialectiek genoemd, het wordt in ieder geval gemakkelijk als zodanig versleten. Maar in werkelijkheid staat het daar zeer ver vanaf. Het dialectische denken is als een veer, en die worden gemaakt van gehard staal. Van twijfels en bedenkingen leert men in het geheel niets. Als de essentie duidelijk gesteld wordt kunnen de bedenkingen en beperkingen op logische wijze daar bij in rekening genomen worden. Als we alleen maar bedenkingen hebben zal dat leiden tot verwarde theorie en chaotische praktijk. Maar verwarring en chaos hebben niets te maken met de dialectiek. In werkelijkheid gaan achter dergelijke pseudo-dialectiek maar al te vaak sociaaldemocratische of stompzinnige gevoelens over de revolutie schuil, alsof het gaat om iets dat buiten onszelf om gemaakt wordt. Als dat zo was zou er geen sprake zijn van de opvatting van de opstand als een kunst. En het is precies de theorie van die kunst die we wensen te bestuderen.

Alle vraagstukken die naar voren gekomen zijn moeten worden uitgewerkt en geformuleerd. Ze moeten een integraal onderdeel vormen van onze militaire instructies en opleiding, in ieder geval voor de hogere kaders in de bevelvoering.

Er is ontegenzeglijk een verhouding van deze problemen tot de problemen van de verdediging van de Sovjet-Unie . Onze vijanden gaan voort met hun beschuldigingen dat het Rode Leger de taak heeft, zoals zij het noemen, van het kunstmatig uitlokken van revolutionaire bewegingen in andere landen. Zij doen dat teneinde deze bewegingen beter gewelddadig te kunnen onderdrukken. Het is overbodig om te zeggen dat deze karikatuur niets gemeen heeft met de politiek die wij voeren. We hebben belang bij het handhaven van de vrede; we hebben dit bewezen door onze houding, door onze concessies in verdragen, en door de voortgaande vermindering van onze strijdkrachten.

Maar we zijn voldoende doordrongen van revolutionair realisme om ons er duidelijk rekenschap van te geven dat onze vijanden zullen proberen onze krachten te meten. En als het idee van het door kunstmatige militaire maatregelen afdwingen van revolutionaire ontwikkelingen ver van ons staat, zijn we er omgekeerd van overtuigd dat een oorlog door de kapitalistische staten tegen de Sovjet-Unie zal worden gevolgd door heftige sociale uitbarstingen, de voorwaarden voor de burgeroorlog, in de landen van onze vijanden. We moeten daarop voorbereid zijn. We moeten weten hoe we de defensieve oorlog die het Rode Leger wordt opgedrongen moeten combineren met burgeroorlog in het vijandelijke kamp. Met dat doel moet het handboek van de burgeroorlog één van de noodzakelijke elementen worden in een hogere soort van militair-revolutionaire opleiding.


Voetnoten (redactie)

[1] In juni 1923 werd de Bulgaarse regering van de boerenleider Stambulisky afgezet door reactionaire krachten. De Communistische Partij bleef neutraal, maar de winnende reactie onderwierp de communisten aan hevige vervolgingen, dwong hen in de illegaliteit. De Bulgaarse communisten ontkenden vriendelijk dat zij een nederlaag hadden geleden en in september probeerden zij zichzelf te herstellen door een coup, die van te voren al gedoemd was te mislukken.

[2] Een sleutelmoment in de Russische burgeroorlog. In Kazan en in de buurt van Svyazhsk in augustus-september 1918, hielden partizanendetachementen – onder directe leiding van Trotski – stand tegenover de Tsjechoslowaakse witte troepen, die binnen kwamen vallen. In de ontwikkeling daarna werden deze detachementen door Trotski tot een arm van het Rode Leger georganiseerd.

[3] Het Brest-Litovsk verdrag (1918) beëindigde de oorlog tussen revolutionair Rusland en imperialistisch Duitsland. Ofschoon Lenins vredesvoorstel in het begin werd geweigerd door meer dan de helft van de gedelegeerden van het Al-Russisch Sovjet Congres, werd het uiteindelijk toch geaccepteerd. Rusland moest toegeven aan een grote schadeloosstelling en een groot gebied afstaan. Trotski vertraagde de onderhandelingen zolang als het maar mogelijk was om de stakingsbeweging in Duitsland een kans te geven zich te ontwikkelen naar een revolutionaire omvang, maar de Duitse sociaaldemocratie drukte deze opstandige beweging de kop in.