Leon Trotski


Literatuur en revolutie


Geschreven: 1924
Bron: Overgenomen uit: Trotski, De permanente of de verraden revolutie, een keuze uit het werk van Trotski samengesteld door E. Mandel
Deze versie: Het betreft hier de inleiding van Trotski tot zijn boek Literatuur en revolutie, dat voorlopig nog niet online beschikbaar is in het Nederlands.
Transcriptie: Marxisme.net, juli 2004
HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, januari 2005


De plaats van de kunst kan door het volgende algemene argument bepaald worden.

Indien het zegevierende Russische proletariaat niet haar eigen leger gesticht zou hebben, zou de arbeidersstaat reeds lang ter ziele gegaan zijn en wij zouden dan nu niet denken over de economische problemen en nog minder over intellectuele en culturele problemen.

Als de dictatuur van het proletariaat in de komende paar jaar niet in staat zou blijken haar economische leven te organiseren en de bevolking op zijn minst een dragelijk minimum aan materieel comfort te verzekeren, dan zal het proletarische regime onvermijdelijk tot stof vergaan. Het economische probleem van het ogenblik is het grootste van alle problemen.

Maar zelfs een succesvolle oplossing van de elementaire problemen van voedsel, kleding, huisvesting en zelfs van het kunnen lezen en schrijven, zou geenszins een volledige overwinning inhouden van het nieuwe historische beginsel, te weten, het socialisme. Slechts een vooruitgang van het wetenschappelijk denken op nationale schaal en het tot ontwikkeling komen van een nieuwe kunst zou dan betekenen dat het historische zaad niet alleen uitgegroeid is tot een plant, maar zelfs tot bloei is gekomen. In die zin is de ontwikkeling van de kunst de hoogste test van de vitaliteit en betekenis van elk tijdperk.

De cultuur voedt zich met de sappen van de economie, en om de groei, ontwikkeling en verfijning van de cultuur mogelijk te maken, is een materieel surplus noodzakelijk. Onze burgerij legde beslag op de literatuur en deed dit zeer vlug toen zij rijk werd. Het proletariaat zal in staat zijn de vorming van een nieuwe, dat wil zeggen een socialistische cultuur en literatuur voor te bereiden, niet door de laboratoriummethode op basis van onze hedendaagse armoede, gebrek en ongeletterdheid, maar met grote sociale, economische en culturele middelen. Kunst heeft behoefte aan comfort, zelfs aan overvloed. De ovens moeten heter, de wielen moeten sneller draaien, de scholen moeten beter werken.

Onze oude literatuur en ‘cultuur’ waren een uitdrukking van de aristocraat en de bureaucraat en ze steunden op de boer. De zelfingenomen evenals de ‘berouwvolle aristocraat’ drukten hun sporen op de meest belangrijke periode van de Russische literatuur. Later kwam de niet-adelijke intellectueel naar voren, steunend op de boer en de burger, en ook hij schreef zijn hoofdstuk in de geschiedenis van de Russische literatuur. Na een periode van de meest volledige ‘simplificatie’ (het leiden van het simpele leven van het volk) werd de niet-adelijke intellectueel gemoderniseerd, gedifferentieerd en geïndividualiseerd in de burgerlijke zin van het woord. Hier ligt de rol van de decadente en symbolische school. Al in het begin van deze eeuw, maar vooral na 1907-1908, voltrekt zich een krachtige opleving van de burgerlijke intelligentsia en haar literatuur. De oorlog deed dit proces patriottisch eindigen.

De revolutie wierp de burgerij omver, en dit beslissende feit sloeg bij de literatuur in als een bom. Dit soort literatuur dat rond een burgerlijke as draaide, bestaat niet meer. Al het in meerdere of mindere mate vitale, wat er op het gebied van de cultuur overgebleven was, en dit geldt vooral voor de literatuur, probeerde, en probeert nog altijd, een nieuwe as te vinden. Door het feit dat de burgerij niet langer meer bestaat, kan alleen het volk, zonder de burgerij, het middelpunt zijn. Maar wie is het volk? Allereerst de boeren, en tot op zekere hoogte de kleinburgers van de steden, en daarna de arbeiders die niet te scheiden zijn van het protoplasma van boer en volk. Dit is de fundamentele benadering van de ‘sympathisanten’ van de revolutie. Zo dacht wijlen Blok. En Pilnyak, de ‘Serapion Broederschap’, de imagisten, nog steeds actief en welvarend. Zo ook enkelen van de futuristen (Khlebnikov, Kroetsjenik en V. Kamenski). De boerenbasis van onze cultuur — of liever gezegd, ons gebrek aan cultuur — openbaart indirect al zijn kracht.

Onze revolutie is de uitdrukking van de boer die arbeider geworden is, die echter nog op de boer steunt en de te volgen weg bepaalt. Onze kunst is de uitdrukking van de intellectueel die aarzelt tussen boer en arbeider, en die organisch niet in staat is met de een of de ander te versmelten, maar die naar de boer overhelt, wegens zijn tussenpositie en zijn familiebanden. Hij kan geen boer worden, maar hij kan de boer bezingen. Tegelijkertijd kan er echter geen revolutie zijn zonder de leiding van de arbeider. Dat is de bron van de fundamentele tegenstelling zelfs bij de benadering van het onderwerp. Men kan zeggen dat de dichters en schrijvers uit deze bijzonder kritische jaren van elkaar verschillen in de manier waarop zij aan deze tegenstelling ontsnappen en in de manier waarop zij de gaten opvullen; de een met mystiek, een ander met romantiek, een derde met voorzichtige gereserveerdheid, en een vierde met een kreet waarin alles verdrinkt. Ongeacht de verscheidenheid van de methoden om de tegenstelling te overbruggen, blijft deze in essentie dezelfde. Zij bestaat in de scheiding, aangebracht door de burgerlijke maatschappij, tussen intellectuele arbeid, met inbegrip van de kunst, en lichamelijke arbeid, en het blijkt dat de revolutie het werk is van mensen die lichamelijke arbeid verrichten. Een van de einddoelen van de revolutie is de scheiding tussen deze twee soorten activiteiten geheel op te heffen. In die zin, zoals in elke andere zin, verloopt het probleem van het scheppen van een nieuwe kunst geheel langs de lijnen van het fundamentele probleem van het opbouwen van een socialistische cultuur.

Het is dwaas, absurd en in hoge mate dom te beweren dat kunst onverschillig zal blijven voor de krampen van onze tijd. De gebeurtenissen worden door mensen voorbereid, door mensen gemaakt, ze treffen mensen en ze veranderen mensen. Kunst raakt direct of indirect het leven van de mensen die de gebeurtenissen maken of meemaken. Dit heeft betrekking op alle kunst, op de grootste zowel als op de meest intieme. Wanneer de natuur, de liefde of de vriendschap geen band zouden hebben met de sociale geest van een tijdperk, dan zou de lyrische poëzie reeds lang ter ziele zijn gegaan. Een diepgaande breuk in de geschiedenis, dat wil zeggen, een heropstelling van de klassen in de maatschappij, schudt de individualiteit wakker, brengt de perceptie van de fundamentele problemen van de lyrische poëzie vanuit een nieuwe hoek tot stand, en redt zodoende de kunst van een eeuwige herhaling.

Maar werkt de ‘geest’ van de tijd niet onmerkbaar voor en onafhankelijk van de subjectieve wil? Natuurlijk wordt deze geest uiteindelijk in iedereen weerspiegeld, in degenen die hem aanvaarden en in degenen die hem belichamen, evenals in degenen die er zich hopeloos tegen verzetten en in degenen die er zich passief voor willen verschuilen. Maar degenen die er zich passief voor verschuilen zijn onmerkbaar aan het sterven. Degenen die er zich tegen verzetten, zijn in staat de oude kunst met de een of andere ouderwetse vlam te laten herleven. Maar de nieuwe kunst, die nieuwe bakens zal oprichten, en die het kanaal van de scheppende kunst zal verbreden, kan alleen gemaakt worden door diegenen die één zijn met hun tijd. Wanneer er een lijn zou getrokken worden van de huidige kunst naar de socialistische kunst van de toekomst, dan zou men kunnen zeggen dat we nauwelijks het stadium voorbij zijn van het voorbereiden van de voorbereiding daarvan.

Een ruwe schets van de verschillende groepen in de huidige Russische literatuur zou als volgt verlopen:

De niet-revolutionaire literatuur, van de feuilletonschrijvers in Soevorin’s krant tot de meest subtiele lyrici van het tranendal van de aristocraat, sterft uit, samen met de klassen die zij diende. Genealogisch vertegenwoordigt deze, wat de vorm betreft, de voltooiing van de oude lijn van onze oude literatuur, die begon als hoofse literatuur en eindigde als burgerlijke literatuur van begin tot het einde.

De ‘Sovjet’-landelijke of boeren-bezingende literatuur kan haar genealogie, wat de vorm betreft, terugvoeren tot de slavofiele en populistische strekkingen van de oude literatuur, hoewel dat minder duidelijk is. Zeker, de boeren-bezingende schrijvers zijn niet direct het product van de boer. Ze zouden ondenkbaar zijn zonder de voorafgaande literatuur van de aristocratie en de burgerij, waarvan zij de jongste lijn vertegenwoordigen. Op dit moment passen zij zich aan om beter te harmoniëren met de nieuwe maatschappelijke situatie.

Het futurisme vertegenwoordigt ongetwijfeld eveneens een loot van de oude literatuur. Maar het Russische futurisme bereikte niet zijn volledige ontwikkeling onder de oude literatuur en onderging niet de noodzakelijke burgerlijke transformatie die het een officiële erkenning opgeleverd zou hebben. Toen de oorlog en de revolutie begonnen, was het futurisme nog bohémien, hetgeen de normale toestand is voor elke nieuwe literaire school in de kapitalistische steden. Voortgestuwd door de gebeurtenissen leidde het futurisme zijn ontwikkeling in de nieuwe kanalen van de revolutie. Maar hoewel het futurisme in zeker opzicht een bohémien-revolutionaire loot van de oude kunst blijft, draagt het in grotere mate en meer direct en actief bij tot de vorming van de nieuwe kunst dan alle andere stromingen.

Hoe belangrijk de resultaten van de proletarische dichters afzonderlijk in het algemeen ook mogen zijn, hun zogenaamde ‘proletarische kunst’ bevindt zich nog in een leerperiode. Zij zaait de elementen van de artistieke cultuur ver uit, helpt een nieuwe klasse de oude verworvenheden te assimileren, zelfs al is het onder een zeer dun vernis, en is op deze wijze een van de stromingen van de socialistische kunst van de toekomst.

Het is fundamenteel onjuist de burgerlijke cultuur en de burgerlijke kunst te contrasteren met de proletarische cultuur en de proletarische kunst. Deze laatste zal nooit bestaan, omdat het proletarische regime een tijdelijk en overgangsregime is. De historische betekenis en de morele grootheid van de proletarische revolutie bestaat in het feit dat deze de fundamenten legt van een cultuur die boven de klassen uitgaat en die de eerste cultuur zal zijn die echt menselijk is.

Ons beleid ten aanzien van de kunst kan en moet erin bestaan voorlopig de verscheidene groepen en scholen van kunst, die naar de kant van de revolutie zijn overgegaan, te helpen de historische betekenis van de revolutie juist te begrijpen en hen een volledig zelfbeschikkingsrecht te laten op het gebied van de kunst, na hun categorische norm voorgelegd te hebben of ze voor of tegen de revolutie zijn.

De revolutie wordt in de kunst weerspiegeld, en dit voorlopig slechts gedeeltelijk, voor zover de kunstenaar haar niet langer meer beschouwt als een externe catastrofe, en voor zover het gilde van nieuwe en oude dichters en kunstenaars deel gaat uitmaken van het levende weefsel van de revolutie en deze van binnenuit en niet van buitenaf leert zien.

De sociale draaikolk zal niet zo spoedig tot rust komen. Er liggen tientallen jaren van strijd voor ons, in Europa en in Amerika. Niet alleen de mannen en vrouwen van onze generatie, maar die van de komende zullen er de deelnemers, de helpen en de slachtoffers van worden. De kunst van die tijd zal geheel onder invloed van de revolutie staan. Deze kunst heeft een nieuw zelfbewustzijn nodig. Zij is bovenal onverenigbaar met de mystiek, openlijk of met het masker van de romantiek, omdat de revolutie uitgaat van de centrale gedachte dat de collectieve mens de enige meester moet worden, en dat de grenzen van zijn macht bepaald worden door zijn kennis van de natuurkrachten en door zijn bekwaamheid deze te gebruiken. Deze nieuwe kunst is onverenigbaar met pessimisme, met scepticisme en met alle andere vormen van een spirituele ineenstorting. Zij is realistisch, actief, vitaal collectivistisch en vervuld van een onbegrensde scheppende hoop op de toekomst.

29 juli 1924