Leon Trotski

Voor kwaliteit — voor cultuur!



Geschreven: 7 november 1925
Bron: Marxisme.net
Vertaling: Peter den Haan
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2006


Dit artikel was onderdeel van een serie artikelen van ‘vooraanstaande leiders’ ter nagedachtenis aan 8 jaar bolsjewistische machtsovername en verscheen in een speciale uitgave van de Pravda op 7 november 1925. Na de nederlaag van het “Platform van de Oppositie” (zie Documenten van de Oppositie 1923-1924) in het begin van 1924, wist de rechtervleugel in het Politburo zich gesterkt en werd de N.E.P politiek onveranderd doorgezet. Dat leidde tot graantekorten en hongersnood, mede door de slechte oogst van 1924. De staat was gedwongen de vastgestelde lage graanprijzen los te laten en duur graan in te kopen bij de welgestelde boeren, die gesteund door Boecharin’s beruchte oproep “verrijkt U”, er niet voor terugdeinsden woekerprijzen te vragen.
Een breuk tussen Boecharin en Stalin als vertegenwoordigers van de rechtervleugel en Zinovjev en Kamenev in het centrum begon zich af te tekenen. In eerste instantie over het economische vraagstuk en het al dan niet uitbreiden van concessies aan de welgestelde boeren (Zinovjev en Kamenev namen hiertegen stelling) en tegen de theorie van het “socialisme in één land”. Op een zitting van het Centraal Comité in oktober kwamen deze tegenstellingen tot uitbarsting. Trotski, die na de nederlaag van het Platform slachtoffer van een heksenjacht was geworden, zag zich gedwongen een vernederende verklaring van onderwerping op het 13e congres in mei 1924 af te leggen; deed afstand van het Commissariaat van Oorlog in januari 1925 en werd benoemd in de Raad van de Nationale Economie.
Toen het conflict tussen Zinovjev en Stalin openlijk uitbrak in september en oktober 1925, hulde Trotski zich in stilzwijgen. Pas na het 14e congres in december 1925 en de manoeuvres van Stalin in begin 1926 tegen de achterban van Zinovjev in Leningrad, kwamen beide oppositionele stromingen in mei 1926 bij elkaar en vormden de Verenigde Oppositie. De belangrijkste programmapunten waren gericht tegen de NEP en de theorie van het socialisme in één land. Ondanks het stilzwijgen van Trotski op dat moment in het Stalin-Zinovjev conflict, dat net was uitgebroken op de oktober zitting van het Centraal Comité, wist Trotski duidelijk de vinger te leggen op de tegenstellingen waaronder de NEP gebukt ging. Het was ook een van de laatste gelegenheden dat Trotski vrijuit kon publiceren in de officiële media.

Peter den Haan, juni 2005.

Acht jaar dictatuur, en nog wel van een exclusief regime. En in die periode - economische groei! Hoe is zoiets mogelijk? Omdat de dictatuur alleen die krachten platwalste en vernietigde die al op sterven na dood waren; bovendien vond ze min of meer de middelen om samen te werken met die krachten die nog niet vervangen konden worden. Dat is de onvermoeibare vitaliteit van de proletarische dictatuur: ze is meedogenloos, niet omdat ze willekeurig of vanuit een blinde passie handelt, maar omdat ze is gebaseerd op een wetenschappelijke benadering van een historisch proces en loopt niet op dat proces vooruit als de noodzakelijke voorwaarden ervoor nog ontbreken.

De grote Franse Revolutie gaf ons het klassieke model van een preproletarische revolutionaire dictatuur, in de vorm van het terroristische regime van de jakobijnen. Babeuf en Blanqui gingen de strijd aan om een socialistische inhoud aan het idee van revolutionaire dictatuur toe te voegen. Deze grote erfenis ging over op Marx. Maar deze ging verder en bracht eens en voor altijd het socialisme samen met de klassenstrijd binnen de burgerlijke maatschappij. Uit de traditie van revolutionaire dictatuur verrees het programma van de proletarische dictatuur.

Marx was de eerste die ons leerde de samenleving te nemen als hij werkelijk is, een organisch product van economische ontwikkeling. De historische samenleving, zoals wij die kennen, is de organisatie van de productie, gebaseerd op uitbuiting. Het feit dat de bourgeoisie de productieverhoudingen op een hogere basis wist te organiseren dan haar voorgangers, was een voorwaarde voor haar opmars. Marx leerde ons dat geen enkel sociaal systeem van het toneel verdwijnt totdat ze alle mogelijkheden om zich te ontwikkelen heeft uitgeput. Hieruit volgt dat de vervanging van de ene heersende klasse door de andere in de kern van de zaak gekoppeld is aan nieuwe manieren om de samenleving te organiseren. Alle echte sociale revoluties, of ze nu burgerlijk of proletarisch waren, zijn alleen voor te stellen onder die omstandigheden dat de opkomende klasse de hele natie achter zich weet te verenigen, tegen die klasse die aan het hoofd staan van het achterhaalde economische systeem. De proletarische revolutie is in elk afzonderlijk land tegelijkertijd een nationale revolutie, omdat het proletariaat niet de macht kan veroveren en ook behouden, laat staan de maatschappij veranderen, als ze zelf niet de centrale as is die alle vitale krachten in het land naar zich toe trekt, oftewel de overgrote meerderheid. Dat zijn de eerste letters, het ABC van het marxisme.

Als ze eenmaal de macht hebben, neemt het proletariaat bezit van het nationale historische erfgoed - en ze krijgt heus niet de mogelijkheid om een of ander deel van die erfenis op een bepaald moment af te wijzen. Het is waar dat de Sovjet macht met een pennenstreek afstand nam van de aflossing van de (tsaristische) leningen. Maar uiteindelijk bleken deze leningen een onbelangrijk deel van de historische verplichtingen van het land. Een veel aanzienlijker deel van deze verplichtingen bestond uit armoede, onwetendheid, bijgeloof, alcoholisme, prostitutie en, boven alles, de tegenstelling tussen stad en platteland. Deze rekening kon niet simpelweg via een decreet worden vereffend. De jaren direct na de machtsovername toonden ons met keiharde praktische feiten wat we eigenlijk in theorie al wisten: dat het proletariaat niet willekeurig een nieuwe rekening kan openen. Ze kan niet met een schone lei beginnen. Nee, ze neemt het sociale mechanisme gaandeweg over, met al haar maatschappelijke gelaagdheden en tegenstrijdigheden die de geschiedenis heeft achtergelaten. De voorhoede van het proletariaat, de direct uitvoerende van de dictatuur, kan niet zomaar de meerderheid van de bevolking, die nog vast zitten gekleefd aan het verleden, bevelen om de “oude economische methodes en verhoudingen te verlaten totdat de nieuwe zijn geschapen"!

Onze taak is op andere wijze geformuleerd: de opbouw van de nieuwe samenleving valt noodzakelijkerwijs samen met het behoud van die functies van de oude samenleving, die, als ze werden afgeschaft, de meerderheid van de bevolking zou achterlaten zonder verwarming, zonder water en zonder brood. Hieruit komt het probleem van de smysjka voort (letterlijk: ‘schaar’, in deze context: de spagaat of de band tussen stad en platteland). Dat is geen slim bedacht tactisch handigheidje, maar een kernprobleem van de revolutie. Het komt voort uit de omstandigheid dat, juist door de uitoefening van de dictatuur, het proletariaat de verantwoordelijkheid op zich neemt - niet formeel, in juridisch of ‘morele’ zin, maar juist praktisch, in materieel opzicht, direct verantwoordelijk - voor de levende menselijke maatschappij, met al haar levensbenodigdheden die geen uitstel dulden. De taak van de overgangsperiode is het coördineren van het bouwen van de nieuwe samenleving met gebruik van de gebruikelijke en tot dusver onvervangbare, marktmethodes van vraag en aanbod. Het probleem van de smysjka in zijn meest algemene vorm is geen nationale bijzonderheid, nog minder een uitzondering op de marxistische uitgangspunten. Het is een fundamenteel en onvermijdelijk gevolg van het bestaan van een proletarische dictatuur in een staatsvorm in overgang, dat de menselijke samenleving aan het herbouwen is - een samenleving die grote heterogene lagen uit het verleden in zich draagt. In onderscheid tot de Blanquiisten, dat zijn diegenen die de dictatuur idealistisch en mechanisch beschouwen en simpelweg het socialisme tegenover de oude samenleving in zijn algemeen plaatsen en daarom utopisch blijven, vooronderstelt de marxistische opvatting van de dictatuur onvermijdelijk de leninistische formule van de smysjka.

Bovendien heeft het woord smysjka niet alleen een nationale klank, maar ook een nationale inhoud. Lenin formuleerde dit centrale doel van de overgangsperiode van toepassing op een samenleving dat historisch gezien ver achter loopt, waar de tegenstelling tussen stad en platteland buitengewoon groot is, het proletariaat maar een minderheid van de bevolking is en de overgrote meerderheid kleinschalige producenten zijn - boeren of handwerklieden - en nog weinig cultureel ontwikkeld is. De leninistische formule, net zoals de hele leninistische politiek, is diepgaand nationaal. Maar dat betekent alleen dat ze internationalistische methodes toepast op de specifieke omstandigheden onder een bepaalde bevolking op een bepaalde tijd. Zonder dit voorbehoud bestaat er geen politiek. Maar als de smysjka de nationale belichaming is van de fundamenten van de marxistische opvatting over dictatuur, dan is het ook een ontwikkeling van dit concept op een internationale schaal. Want alleen vanuit de ervaringen van de Sovjet republiek, verhelderd door deze leninistische formule, zal het internationale proletariaat de nieuwe taken begrijpen en, noodgedwongen, ook moeten bereiken, die vanaf de eerste minuut dat ze de macht op zich neemt, haar toevallen.

In die landen waar het proletariaat de duidelijke meerderheid in het land vormt - hoewel dit geen noodzakelijke voorwaarde voor de proletarische dictatuur is, zoals we nu duidelijk begrijpen - zal ze ook gedwongen zijn, vanaf het eerste moment na de machtsovername, de noodzakelijke verbindingen tussen de collectieve en niet gesocialiseerde delen van de economie te ontwikkelen. In zijn meest ontwikkelde vorm zal het probleem van de economische smysjka, met de ambachtslieden, boeren en kleine handelaren een ander, specifiek gewicht hebben; haar precieze vorm zal afhangen van de sociale structuur van het desbetreffende land. Maar het zal in alle landen in meer of mindere mate een rol spelen. In een land als Engeland, waar de bevolking in overgrote meerderheid uit arbeiders bestaat, krijgt de kwestie van de smysjka onmiddellijk een internationaal karakter: het Engelse proletariaat zal, samen met de boeren van India, Egypte, etc. op vrijwillige basis die economische verhoudingen moeten oplossen, die nu nog een geforceerd koloniaal karakter dragen.

*

Als oppositionele klasse in de oude samenleving, volbracht het proletariaat een zeer zwaar examen door de oude heren en meesters omver te werpen. Maar gelijk hierna, in haar hoedanigheid als heersende klasse, kwam ze voor een nieuwe opgave te staan.

De arbeidersklasse moest zichzelf vormen als houder van de macht tegelijkertijd met het leggen van de fundamenten van de nieuwe staatsorganisaties en de samenleving die zij leidde te verdedigen tegen de binnenlandse en buitenlandse klassevijand. De opbouw van het staatsapparaat en het revolutionaire leger waren de eerste grote test voor het proletariaat als heersende klasse. De nieuwe staat en het nieuwe leger weerspiegelden het land dat werd herbouwd. De Sovjet grondwet garandeerde aan het proletariaat de leidende rol in de arbeiders- en boerenstaat. Het communistische proletariaat vormde de kern van het Rode Leger, maar de rangen in het leger werden vooral gevuld door de boerenmassa’s. In het staatsapparaat, net als in de militaire organisaties hadden we een smysjka van twee klassen - de leiders en de volgers. Het proletariaat had in de praktijk bewezen dat ze leiding kan geven en in staat is te verdedigen. Op deze manier garandeerde zij de basisvoorwaarden om onze socialistische taken te volbrengen.

In het verschiet ligt de kwestie van de economie en, daarmee verweven en er afgeleide van, de kwesties van cultuur.

Van de eerste, hing de heropleving van de industrie af van de beschikbaarheid van levensmiddelen en andere voorzieningen en van grondstoffen - oftewel, van de plattelandseconomie. Het probleem van de smysjka kwam naar voren in haar economische essentie; en het was op dat moment dat Lenins goed gekozen term smysjka gemeengoed werd. Op dat moment had de smysjka nog een primitieve inhoud; het betekende het ruilen van het ene voor het andere, om zo iemand van de hongersdood te redden of om de laatste fabriek in een bepaald gebied toch nog draaiende te kunnen houden. Maar daaruit groeide een meer gereguleerde ruil van industriële voor landbouwproducten. De ontwikkeling van zulke verhoudingen is een zeer belangrijke factor van de laatste paar jaar geweest. Nu is het probleem van de smysjka zich meer en meer aan het focussen op de verhandeling van agriculturele hulpmiddelen en machinerieën ter verwerking van grondstoffen van het platteland. En hier treedt de zware industrie direct toe in de keten van de smysjka, een essentiële verbinding vormend in de vervaardiging van agriculturele machines. Alleen in de mate dat die taak wordt vervuld zullen er sterke grondvesten worden gelegd voor een productieve samenwerking op het platteland; voor socialistische landbouw. Dat werk duurt nog steeds voort.

Door de inname van Perekop (10-11-1920) en het Sovjet territorium te bevrijdden van haar vijanden bewees het proletariaat eens te meer dat ze een stevige greep had op de militaire aangelegenheden; door daarna de industrie weer terug te brengen naar haar vooroorlogse niveau, bewees ze onweerlegbaar haar vermogen om de economie te besturen. Het belangwekkende aan de statistische gegevens van Gosplan ( de Staatsplanningscommissie) is niet alleen dat ze een kader geven aan de elementen van onze snelgroeiende economische ‘winst en verlies rekening’ – wat een boekhoudkundige kwestie is - maar ook, bovenal, dat ze de toenemende heersende rol van de socialistische elementen over de kapitalistische in onze economie op het financiële, industriële en handelsvlak benadrukt. Juist dit en dit alleen rechtvaardigt, vanuit socialistisch oogpunt, de bredere mate van kapitalistische en semi-kapitalistische verhoudingen op het platteland. Deze verhoudingen brengen nieuwe gevaren met zich mee - en na de resolutie van de laatste zitting van het Centraal Comité over deze zaak, hoeven we daar niet meer op te wijzen (op voordracht van Molotov was er een resolutie aangenomen waarin de toenemende rol van de Koelak als ongewenst werd beschouwd en kregen arme boeren meer mogelijkheden zich tegen de rijke te verzetten; nt v.d. vert.). Maar deze gevaren kunnen worden getackeld; als de noodzakelijke politieke, beleidsmatig-economische, fiscale en andere maatregelen worden getroffen - alleen onder omstandigheden van een reusachtige ontwikkeling van de staatsindustrie en een ontwikkeling van haar capaciteit, niet alleen om de arme boer te voorzien van een hemd aan zijn lijf en schoenen aan zijn voeten, maar ook om de economie waarin hij werkt om te vormen. Deze grote taak moet nog worden volbracht. Tot dusver hebben we alleen het ruwe fundament van onze staat, leger en economie neergelegd, de afwerking ligt nog voor ons.

*

Op deze achtste verjaardag van de Oktoberrevolutie is het gepast zeer goed te beseffen dat de historische waarde en betrouwbaarheid van elke sociale formatie uiteindelijk wordt bepaald door de mate van arbeidsproductiviteit die ze weet te behalen. Dit is het meest belangrijke en objectieve criterium. Natuurlijk wijzen wij teleologie vierkant af, de ideologische opvatting dat de mensheid zich doelbewust in de richting van vooraf precies vastgestelde doelen beweegt. Maar het feit blijft dat de menselijke samenleving - deels spontaan, deels bewust - zich continu beweegt in de richting van toename van arbeidsproductiviteit: dit ‘doel’ wordt niet van binnenuit bepaald, maar komt voort uit de materiële levensomstandigheden van de maatschappij. Dat is het belangrijkste verschil tussen de mensheid en de dierenwereld: het is ook het fundamentele en, uiteindelijk, het meest accurate criterium van alle historische ontwikkeling.

“Progressie”, beschouwd als de zogenaamde constante vooruitgang van de mensheid, is een idealistische hersenschim, in ieder geval als je de laatste paar duizend jaar in beschouwing neemt. De ontwikkeling volgt feitelijk een zigzag koers. Neergang en lange periodes van ineenstorting volgen op sprintjes in ontwikkeling. Het kapitalisme wist zich te verzekeren van een aanzienlijke mate van stabiliteit in sociale vooruitgang, juist omdat ze de ontwikkeling van de productiekrachten als uitgangspunt nam. Maar de kapitalistische samenleving kent niet alleen een snelle afwisseling van industriële bloei en crisis, maar ook lange periodes van neergang. De wereldoorlog was een serieuze herinnering hieraan. Het kapitalisme heeft de technologische voorwaarden tot een geplande en algehele vooruitgang voorbereid, maar is zelf niet in staat geweest die sprong voorwaarts te maken. Boven alles was ze niet in staat de agricultuur op hetzelfde niveau te ontwikkelen als de industrie. Het kapitalisme stapelde op de zwakste en meest onderontwikkelde schouders de taak van de landbouw en veehouderij, er de voorkeur aan gevend haar vooraanstaande industriële positie te gebruiken om hen uit te buiten. Om de wereldwijde tegenstelling tussen stad en land te overwinnen is hetzelfde als de tegenstelling tussen Oost en West te overwinnen; tussen de uitbuitende landen en de onderdrukte koloniën. Alleen het socialisme zal hiertoe in staat zijn. Het is niet toevallig dat juist in Rusland zich de eerste proletarische revolutie heeft ontvouwen, die grote ontmoetingsplaats van het kapitalistische Westen en het koloniale Oosten.

Onze relatie met het Oosten is een van de belangrijkste garanties tot ons succes. Maar ten aanzien van de techniek en de cultuur is het met het Westen, en het gehele Oosten met ons, dat we ons moeten vergelijken. Onze economische successen waren zo groot dat ze ons, ondanks het meest furieuze verzet van onze vijanden, in het wereldwijde economische systeem moesten opnemen. Maar het zijn juist de verbindingen die we met het kapitalisme zijn aangegaan die onze grote technische en culturele achterstand voor het voetlicht hebben gebracht. Het socialisme is een veel hogere maatschappelijke vorm dan het kapitalisme - en niet alleen omdat ze uitbuiting opruimt en de weg voorbereid naar sociale gelijkheid. Op zichzelf zijn deze criteria niet doorslaggevend. Wij willen geen gelijkheid in armoede en onwetendheid en bovendien is dat niet haalbaar. Ongelijkheid komt voort uit gebrek. We hebben uit eigen ervaring met onze boeren kunnen zien, hoewel pas in de laatste jaren, dat de slavernij aan de natuur net zo zwaar is als de klasse slavernij. Wij streven naar het socialisme omdat het de weg naar gelijkwaardigheid voorbereidt op basis van technische ontwikkeling, materiële welvaart en een hoog cultureel niveau.

Als we terugblikken op de resultaten van de afgelopen acht jaar met gepaste trots, moeten we deze niettemin accuraat afzetten tegen de schaal van de wereldeconomie. We hebben nog niet de vooroorlogse productiehoeveelheden weten te bereiken, laat staan de vooroorlogse kwaliteit. We hebben alle redenen om aan te nemen dat we in de komende 12 maanden wel de vooroorlogse hoeveelheid zullen bereiken, gedeeltelijk ook kwalitatief. Maar het vooroorlogse niveau wordt met reden ‘vooroorlogs’ genoemd: omdat ze tijdens de oorlog zwaar werd getest - en we kennen de uitkomst van deze test maar al te goed. Terwijl Duitsland, die van alle kanten door haar vijanden werd omringd, het 4 jaar uit wist te houden dankzij haar industriële macht, toonde elke oorlogsdag steeds genadelozer de zwaktes en tekortkomingen van de Russische industrie, ondanks de steun de ze van de sterkste van haar bondgenoten in oorlog kreeg. De oorlog velde een vernietigend oordeel over de economische achterlijkheid van het oude Rusland. Laten we daarom niet vergeten dat we binnen de nieuwe sociale vormen, tot dusverre het oude economische niveau nog niet hebben bereikt.

Het is waar dat de machtsbalans in buitengewone mate in ons voordeel is veranderd. Europa is onvergelijkbaar zwakker nu, dan ze was voor de oorlog; aan de andere kant geven de Sovjet vormen van organisatie ons de mogelijkheid om de beschikbare materiële bronnen vele malen nuttiger in te zetten. En daarbij zijn er grote politieke hulpbronnen beschikbaar geworden, zowel aan ons en aan de Communistische Internationale. Alleen dankzij deze factoren is Rusland geen kolonie geworden in de afgelopen 8 jaar - een lot dat onafwendbaar leek in de periode 1914-1917. Maar feiten zijn feiten. Vanuit technisch oogpunt zijn wij het meest achterlijke land van Europa. De arbeidsproductiviteit in de USSR is lager dan in elk van de ontwikkelde kapitalistische landen; onze consumptiegoederen zijn duurder en van slechtere kwaliteit. Dit alles kan en moet worden gemeten in accurate vergelijkbare statistieken, die de meest betrouwbare ‘index’ zal vormen van de taken die we in de toekomst moeten volbrengen - niet alleen de economische, maar ook de culturele taken.

*

Ons opbouwwerk, met name het economische aspect, is tot op heden gebaseerd geweest op de oude vaardigheden. Alle aspecten van ons werk dat tot nu toe is uitgevoerd, gebeurde op basis van het culturele niveau wat onder het oude regime was bereikt. Ten aanzien van de politiek en de sociale orde hebben we een grote sprong voorwaarts gemaakt die van groot historisch belang is. In andere opzichten zijn we slechts zeer langzaam vooruit gekomen. In de economie, ten aanzien van de productie van materiële welvaart, hebben we het oude niveau nog niet ingehaald. De ontwikkeling van de samenleving vindt niet overal gelijkmatig plaats - dat is juist een van de tegenstrijdigheden. Maar nu hebben we het moment bereikt dat we het front van productie en cultuur op gelijk niveau brengen met het sociaal-politieke front. We hebben de kennis, methodes en vaardigheden - zowel de productieve als de culturele - die we uit het verleden hebben geërfd, uitgeput. Vanaf nu, zijn er nauwelijks wegen vooruit onder het kapitalisme - sterker nog, zelfs geen voetpaden. Om vooruit te kunnen zullen we snelwegen moeten bouwen, nieuwe technologische grondslagen leggen, onszelf nieuwe vaardigheden moeten aanleren, het analfabetisme uitbannen, het scholingsniveau verhogen, keer op keer leren van onze vijanden en ons culturele niveau laten stijgen. We hebben een stijging nodig van de culturele ‘kwaliteit’ in alle aspecten van onze activiteit. We moeten het land in beweging krijgen - of beter, onze familie van landen - zodat die, geleid door het proletariaat, promoveert naar een hogere klas van de geschiedenis. We zullen dit alleen bereiken door intensieve inzet ten aanzien van elk aspect van de menselijke cultuur.

De wet van Hegel over de omslag van kwantiteit in kwaliteit werkt ook andersom: kwaliteit wordt omgezet in kwantiteit. Als we ons gehele economische leven in overweging nemen, kunnen we de kracht van deze wet afleiden uit onze eigen ervaring. In het laatste jaar van de burgeroorlog en het eerste van de Nieuwe Economische Politiek (de NEP), toen het hele land zonder voorraden zat en leefde van de restjes, durfde niemand de kwestie van kwaliteit ook maar aan te roeren. We hadden meer spullen nodig, ongeacht de kwaliteit! Maar in de mate dat extra hoeveelheden goederen in omloop kwamen, verbeterde de productie zich automatisch. Een extra baal van slechte kwaliteit katoen verbeterde het werk van een halfdode textielfabriek; een extra poed (ong. 16 kilo) halfbedorven meel of twaalf slechte pennen verbeterde de organisatie van het lesgeven op een school die daarvoor was gesloten. En zo over de hele linie. De kwaliteit van het werk steeg dankzij de toename in kwantiteit, maar slechts tot bepaalde hoogte.

Nadat de ondragelijke hongersnood gedeeltelijk was afgenomen en haar vernietigende werking op alle aspecten van het economische en culturele leven ook afnam, waren we in staat eens kritisch naar onszelf te kijken. Uit het land klonk, via de stem van de ontwikkelde elementen: we werken slordig, onhandig, duur en slecht. De kwestie hoe ons werk op wetenschappelijke basis uit te voeren kreeg in bredere kringen weerklank. Er werden productie-bijeenkomsten belegd. De kwestie van kwaliteit van de productie, zowel materieel als spiritueel - inclusief dat van de kantoren en niet alleen de fabrieken - kwam meer en meer op de voorgrond. Maar zonder dat de aandacht voor het doel van stijging in de hoeveelheid producten naar de achtergrond verdween; integendeel, dit laat zich als nooit tevoren gevoelen. We komen van alles tekort en er zijn te weinig voorraden. Maar het gevecht om kwantiteit zelf, hangt in elke fase af van het vraagstuk van kwaliteit. Om de arbeidsproductiviteit te laten stijgen, hebben we betere technologie nodig, een meer wetenschappelijk georganiseerde productie, betere grondstoffen en een hoger niveau van training en scholing. Hoe vollediger we onze gebrekkige bronnen in circulatie weten te brengen, des te duidelijker zal blijken dat ons streven naar kwantiteit door de kwaliteit wordt bepaald.

Het elektrificatieprogramma is afhankelijk van oude reserves en met name de oude ingenieurs. Maar die bron is bijna uitgeput. De vervolmaking van de elektrificatie hangt nu direct af van hoe onze scholen erin zullen slagen om nieuwe technici, ingenieurs en arbeiders op te leiden. Meer dan dat: de ontwikkeling van het elektriciteitsnetwerk stelt gelijk de opdracht om in de dorpen leraren te hebben die aan kinderen en hun ouders uit kunnen leggen van welk groot belang de elektriciteitsmasten zijn en, op die manier, er toe bijdragen dat ze goed bewaakt worden. Het werk in de dorpsschool, op zijn beurt, doet de vraag naar goedkope en handzame leerboeken rijzen, papierleveranties, pennen, en het stelt gelijk het vraagstuk van onze slecht ontwikkelde boekdrukindustrie aan de orde. En verder; deze smysjka van stad en platteland roept het vraagstuk van communicatiemiddelen, snelwegen, landwegen en bruggen op.

Verbeteringen in de kwaliteit van de landbouwmachines - opgewassen zijn tegen slijtage, gebruiksgemak en effectief onderhoud door voldoende reserve onderdelen - zal het vertrouwen van de boeren in onze binnenlandse machine industrie doen stijgen en daarmee ook de vraag ernaar. Verbeteringen in de kwaliteit van het graan, vlas en dergelijke zal het volume van onze export doen stijgen. Een verbetering in de druktechniek van kranten - duurzamer papier en leesbare letters - zal met elke uitgave het aantal lezers doen stijgen. Verbeteringen in de literair-politieke inhoud van de media - een grotere vitaliteit en veelzijdigheid, een sterkere organische band met het publiek - zal nieuwe lezers opleveren. Een simpele verbetering in de kwaliteit van het eten in de openbare kantines zal de verandering van het besloten gezin als economische eenheid versnellen. Een consistent gevecht tegen de diverse negatieve tendensen onder onze jeugd, met name een gebrek aan discipline en onachtzaamheid op allerlei terreinen, zal de kwaliteit van de persoonlijkheid verder doen stijgen. De middelen hiervoor zijn wetenschappelijke studie, techniek, literatuur (de echte, niet de escapistische literatuur), sport, enzovoort. Dus in alle opzichten, in alle aspecten van het leven, is het vraagstuk van ‘kwaliteit’ de sleutel tot onze nieuwe cultuur geworden.

*

Met elke nieuwe fase, worden we op een nieuwe manier geconfronteerd met de basis taken van de socialistische organisatie van de samenleving en, zeer belangrijk, op een steeds concretere wijze. Vandaag de dag is de hamvraag geworden: Hoe voorkomen we bureaucratisme, dodelijke onverschilligheid en verstikkende regelgeving? De staatseconomie omvat een grote verscheidenheid aan thema’s, mensen en processen - en dat betekent dat zij die sturing geven buitengewoon ver af staan van hen die ze uit moeten voeren. Het socialisme is er op gericht vijandige competitie in de industrie op te lossen, dubbel werk te voorkomen, evenals onnodige wrijvingen en onnodig verplaatsten van goederen; in een zin: ze probeert de anarchie in de economie en in alle culturele en maatschappelijke gebruiken uit te bannen - door middel van leiderschap, gebaseerd op planmatig werken en uitgewerkte perspectieven. Maar onze socialistische remedies dragen hun eigen ziektekiemen in zich, die we met recht - en zonder het schadelijke karakter ervan te bagatelliseren - kinderziektes kunnen noemen. Het grote probleem bestaat erin om een combinatie van actieve persoonlijke aandacht met een sociale planning van de economie te realiseren. Op dat gebied hebben we al wat klinkende resultaten bereikt, bovendien hebben we tot in zekere mate - verre van volledig of perfect, maar in zekere mate - het loonniveau weten te koppelen aan de arbeidsproductiviteit. Maar op dit gebied staan we nog ver af van ons uiteindelijke doel.

Het verrotte van het bureaucratisme bestaat uit haar onachtzaamheid ten aanzien van de benodigde taken en het ontwijken van het belangrijke werk, het afwijken van wat werkelijk essentieel is - precies in een periode die als nooit tevoren van ons verlangt tot de essentie, de kern van de zaak te komen, in elk probleem, groot en klein. Een circulaire, direct volgend op een eerdere en daar weer een circulaire achteraan lost niets op - zelfs als we niet zonder circulaires kunnen. Veel meer hebben we raderen van betrokkenheid en verantwoordelijkheid nodig, zowel individueel als collectief, die nauw in elkaar grijpen. Zo’n systeem kan niet in afgeronde vorm worden opgebouwd - die moet dag voor dag worden ontwikkeld en uitgewerkt. De opbouw van een socialistische economie is een voortdurende creatieve arbeid van de samenleving. Zulk creatief werk als het onze, op zo’n grote schaal, heeft een element van experimenteren nodig, oftewel, de productie van prototypes, het testen van verschillende systemen van toezicht, initiatieven, materialen en morele straf en beloning, wederzijdse schadeloosstellingen, etc. We mogen in ons werk geen routine laten insluipen, maar openingen creëren die beter uitgewerkte methodes toe kan laten en nieuwe creatieve mogelijkheden doet ontstaan. Al dit werk zal worden voortgedreven door het streven naar een beter leven door de massa’s, de veiligheid van materieel welzijn, een hoger geestelijk niveau, voor alles wat het lichaam versterkt en het bewustzijn verrijkt en wat het denken opheft en verlicht - in een woord: cultuur.

In onze relatie tot de boer, als kleinschalige producent, is het ons doel om hem stap voor stap - met al zijn belangen van kwaliteit en kwaliteit in zijn geproduceerde handelswaar - te integreren in het systeem van socialistische productie.

De belangrijkste hefboom om dit te bereiken is de socialistische industrie. Haar toekomstige succes zal haar in staat stellen en helpende hand te bieden aan de agricultuur. Dat is de nieuwe fase van de smysjka. In de eerste jaren gaf de industrie niets aan de boer, maar vroeg wel keer op keer om een lening. De stappen vooruit van de Moezjiks waren de tol die werd betaald om de fabrieksovens brandende te houden. Toen de wielen van de industrie eindelijk een beetje begonnen te draaien, begon ze voor het eerst de boer als consument te bevoorraden, zonder direct bij de boereneconomie betrokken te zijn. De boerenindustrie leefde weer op, op basis van de kracht, of juist de zwakte, van het verleden. De smysjka was in principe een verhouding van consumenten: brood naar de arbeiders, geweven katoenproducten naar de boeren. Maar tegenwoordig schiet dat aan beide zijden tekort. De stad heeft van het platteland meer en meer grondstoffen nodig voor de industrie. Het platteland verlangt van de stad elektriciteit, machines en andere hulpmiddelen. De industrie is nu bezig, weliswaar langzaam, om aan haar grootste opgave te beginnen: om de agricultuur op sleeptouw te nemen en het uit die verschrikkelijke omstandigheden te halen die Marx en Engels ooit “de idiotie van het boerenbestaan” noemden. Dat sleeptouw van de industrie moet zo sterk zijn dat het niet breekt. De mechanisatie van de agricultuur, de introductie van het smysjka principe in het productieproces, moet onze dichtgewoven staalkabel worden waarmee de industrie het platteland voortsleept.

Elke tractor is een nieuwe streng in die kabel, die de boereneconomie uit het moeras van keuterbedrijfjes en de zinloze verspilling van lichamelijke arbeidskracht trekt. Volgens onze prognoses zal het platteland dit financiële jaar 20.000 van deze tractoren ontvangen. Zelfs dat is niet genoeg, maar het is tenminste iets. We merken ook op dat dit 20.000 tractorbestuurders betekent en duizenden reparatiestations met gekwalificeerde arbeiders. De tractor is een streng in de sleepkabel, niet alleen in technisch, maar ook vooral in cultureel opzicht. Een Communist op een tractor is de beste leiding die aan het platteland van de toekomst kan worden gegeven. De industrialisatie van de agricultuur zal de natuurlijke basis vormen voor de introductie van proletarische leiding in het leven op het platteland. ‘Toezicht’ dat wordt uitgeoefend door een proletarisch corps van tractorbestuurders, mecaniciens, reparateurs, welke zorgvuldig door de stad worden uitgezocht en naar het platteland worden gezonden, zal onvergelijkelijk krachtiger zijn, dan die vormen van toezicht die, vaak kunstmatig en niet altijd succesvol, nu noodgedwongen door de stad worden toegepast.

We moeten echter niet vergeten dat van die 20.000 tractoren die dit jaar voor levering zijn gepland, het leeuwendeel geïmporteerd zal moeten worden. De Sovjetindustrie kan in het komende jaar maar 2000 tractoren produceren. Daar hoeven we niet over te treuren; onze industrie zal in eerste instantie het platteland van de meest simpele machines voorzien en de massaproductie van tractoren zal te zijner tijd plaatsvinden. Niettemin zijn deze cijfers - ongeveer 2000 van onze eigen tractoren en 18.000 via import - een indicator van de reusachtige en tot op heden nog onvervulde taak voor ons. Het sleeptouw moet geen kapitalistische worden, maar een Sovjet kabel, een stalen kabel gemerkt met hamer en sikkel.

Het zal mogelijk zijn om deze gigantische taak uit te voeren, alleen door een kwalitatieve stijging van onze techniek en door onze organisatie van de industrie en ons bestuurlijke en culturele werk te verbeteren. Dit is een nieuwe fase, waardoor van eenieder en van alles een hoger niveau wordt vereist. Dit kan niet volbracht worden, behalve als we persoonlijke aandacht en verantwoordelijkheid combineren met de organisatie van collectief beheer en bestuur. Het maken van goede laarzen, ploegen en pennen - net zoals de training van geschikte ingenieurs, technici, gediplomeerde arbeiders, leraren, bevelvoerders en staatsbeambten - kan alleen worden gegarandeerd als het wordt gedaan onder druk van actief collectief beheer, een sterke vraag en vaardige selectie. Het gevecht tegen onzinnige procedures en bureaucratische rompslomp moet een intrinsiek onderdeel worden van de onderlinge maatschappelijke verhoudingen. Consumenten, die in coöperatieven zijn georganiseerd, moeten in staat zijn controle uit te oefenen over de producenten. De industrie moet in staat zijn invloed te hebben over de training van technici voor speciale onderdelen. De boer moet in staat worden gesteld een afgestudeerde van de landbouwhogeschool te onderwerpen aan een laatste en beslissend examen. Elke tak van de industrie staat in verbinding met andere takken als consument of als leverancier. Elementen van wederzijds beheer moeten worden uitgewerkt binnen deze keten van onderlinge afhankelijkheid en worden doorontwikkeld. Om deze vorm van beheer te organiseren, gewapend met de meest effectieve methodes: om vijandige competitie te vervangen door een streven naar gezamenlijke verbeteringen; inventiviteit op te wekken, dit te belonen en te stimuleren, ondertussen een meedogenloze oorlog voerend tegen methodes van geheimzinnigdoenerij; een socialistische arbeidsmoraal aan te leren zonder doortrapte propaganda of wettelijke voorschriften, maar door een weldoordachte combinatie van diverse belangen en waar nodig, deze tegenover elkaar te stellen in de sociale en industriële verhoudingen - dat zijn de methodes en de wegen vooruit die we voor de geest hebben. Om in het belang van de consument te werken — dat is de sleutel! De vakbonden moeten organisaties worden, niet alleen van producenten, maar ook van consumenten. In haar gevecht voor betere levensomstandigheden voor de arbeiders die zij organiseert, moet bijvoorbeeld de metaalarbeidersbond goedkopere kleren eisen, beter leer voor laarzen, betere scholen en beter gekwalificeerde bedrijfshulpverleners. Alleen door het samengaan en soms tegenover elkaar zetten, van diverse organisaties en sociale groeperingen kunnen we een echt, levend en juist niet een bureaucratisch beheer en bestuur bereiken.

*

Ieder persoon kan zijn werk beter, of juist slechter uitvoeren. Dit hangt van allerlei factoren af. Een van deze - en op dit moment belangrijkste - factoren is persoonlijke aandacht. Een andere, nog hogere, kwaliteit is verantwoordelijkheidsgevoel. Over het laatste zegt de militaire regelgeving: handel achter de rug van je superieuren net zo als je onder hun ogen zou doen. Interne discipline komt niet uit de lucht vallen; het is een kristal van maatschappelijke opvattingen in het individuele bewustzijn. Een persoon werkt beter als hij weet dat hem is gevraagd beter te werken en als hij is aangesteld hetzelfde ook aan anderen te vragen. In de kern van de zaak ligt de publieke opinie, de eisen en de kritiek die ze heeft over ons allen, haar scherpe controle en haar culturele activiteit.

Een particuliere zakenman werkt met persoonlijke aandacht en ‘met de ogen van de baas’. Wij zullen onze persoonlijke aandacht veel effectiever moeten ontwikkelen en uitoefenen dan de particuliere zakenman, omdat we onvergelijkelijk meer redenen en mogelijkheden hebben om dat te doen - in de zin dat we het beste uit onszelf halen, van het hoogste niveau, het meest efficiënt en het meest enthousiast. Het is altijd lastiger om direct onder de zogenaamde ogen van de baas te werken. Dit moet vervangen worden door collectief beheer en bestuur. Onze kunde om dit beheer en bestuur actief, ter zake en flexibel uit te oefenen, zal afhangen van het culturele niveau van hen die met die taken zijn belast en hen die ze moeten uitvoeren.

Maar zal het niet een aantal generaties kosten om ons culturele niveau te laten stijgen? Uiteraard ligt de socialistische cultuur nog ver in de toekomst. Op dit moment maken we nog steeds een voorbereidende en daarom nog moeilijkste leerfase door. Op dit moment zijn we nog steeds de meest eenvoudige informatie, kennis, methodes en vaardigheden aan het leren. Als die gemeengoed zijn geworden, dan zit de ontwikkeling naar het socialisme op het juiste spoor. Net als in de economie, is ook in dit opzicht de periode van primitieve culturele accumulatie de zwaarste. Maar we moeten niet denken dat het nog decennia zal duren voordat we de eerste vruchten kunnen plukken. Onze pogingen en ook onze successen zullen zich in concentrische cirkels voort planten: van duizenden naar miljoenen mensen; van miljoenen naar tientallen miljoenen mensen.

Naar onze mening zal het verlangen naar het beste sterker en algemener worden naarmate de mogelijkheden om dit inderdaad ook te bereiken steeds duidelijker wordt. Daar kunnen we op rekenen. Initiatief en het voorbeeld dat wordt gegeven door een minderheidsvoorhoede kunnen wonderen verrichten, als de methodes van die minderheid aansluiten bij de ervaringen van de massa’s. Het gevecht voor cultuur vereist een dagelijks, vasthoudend, doortastend en onophoudelijk afwijzen van onbeschaafd gedrag in al zijn vormen: slonzigheid, onkunde, onachtzaamheid, onverantwoordelijkheid en gebrek aan aandacht voor het werk of voor anderen. Het is geen kwestie van simpelweg agiteren voor cultuur - met praatjes alleen komen we er niet - maar in onze dagelijks culturele leven en economische activiteitactiviteit het gevecht voor ‘kwaliteit’ aan te gaan. Niets aan onze aandacht laten ontsnappen. Onze ogen niet sluiten of ergens ons hoofd van wegdraaien. Stel jezelf en anderen in alle omstandigheden de hoogst mogelijke eisen. Til elk ei op ter inspectie, trek elk onkruidje uit de groentetuin. De geest van persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel en beroepstrots zullen parallel groeien aan het tot stand komen van een socialistische publieke opinie - wat geen levenloze superstructuur op de top van de economische basis is, maar juist het belangrijkste werktuig van de economie.

In een veel hogere mate dan we nu al doen, zullen we de culturele en technische steun van onze Europese en Amerikaanse vrienden nodig hebben. De buitenlandse delegaties, die hier komen kijken hoe we leven en in staat zijn de waarheid te vergelijken met de leugens die ze thuis verteld krijgen, doen uitermate belangrijk politiek werk; ze versterken zowel de internationale positie van onze (Sovjet) Unie als die van de arbeidersklasse in hun eigen land. Maar naast deze politieke delegaties, hebben we een toenemend aantal, laten we zeggen, technische en industriële delegaties nodig, om zich op die problemen te richten. Laat hooggekwalificeerde arbeiders, technici en ingenieurs, alleen of in groepen, ons bezoeken en kijken hoe wij werken - en laat ze ons helpen effectiever te werken. Deze wijze van buitenlandse ‘interventie’ wordt uitermate op prijs gesteld en zal bijdragen aan het werk wat wordt gedaan door onze ingenieurs, technici en arbeiders op studiereis in het buitenland. Zowel de stam, als de takken van onze economie hebben nog ‘enten’ nodig van ontwikkelde techniek en productieve cultuur; al is de stam al wel sterk genoeg om zo’n ent-operatie te overleven.

Zonder uitzondering moet in alle aspecten van ons werk de komende jaren worden besteed aan intensieve verbetering en diepgaande studie. Met rechtvaardige boosheid spreken we over de verspilling van de kleinschalige landbouw. Maar ook in de fabrieken lijden we hieronder, in essentie door de meest afschuwelijke vormen van industriële kleinschaligheid die achter zijn gelaten door de kapitalistische economie. Genadeloos stellen we ons teweer tegen het archaïsche “drie-velden systeem”, dat de grond uitput en de boerenbevolking tot armoede veroordeelt. Maar veel industrietakken worden gedomineerd door afgeleiden van dezelfde methodes. Reserve onderdelen die niet passen en niet uniforme materialen zijn overal in onze fabrieken te vinden, net zo goed als het feit dat veel schoolverlaters maar heel slecht Russisch kunnen lezen, spreken en schrijven; dat onze kantoren soms nachtmerries van bureaucratische regelgeving zijn; om dezelfde reden dat trappenhuizen en gangen van openbare ruimtes vaak bedekt liggen met spuug en peuken. Dit zijn allemaal problemen op een ander niveau, maar van hetzelfde soort: we hebben een laag cultureel niveau. We zullen nog steeds de overweldigende meerderheid van de bevolking de school van basale praktische kennis moeten laten doorlopen, wat in de leidende kapitalistische landen al de gewoonste zaak van de wereld is. Hierin, net als in andere vraagstukken, hebben we geen behoefte aan “ook maar de het geringste spoortje van misplaatste idealisering”, om in de woorden van Lenin te spreken. We zullen onze economie van onder tot boven moeten herbouwen. We zullen moeten scholen, herscholen en blijven scholen. We moeten onszelf beter toerusten, beter leiding moeten geven en onze taken beter uit moeten voeren. We zullen moeten leren van het kapitalistische Europa en Amerika. Laat er geen spoor van misplaatste idealisering zijn! En ook geen spoor van vertwijfeling!

Onze historische taak wordt niet afgemeten in kalenderjaren of herdenkingen. Het negende jaar van de Sovjetmacht gaat verder waar ze in het achtste is gebleven. Maar tegelijkertijd is er reden om te stellen dat de achtste verjaardag van de revolutie samenvalt met een duidelijke aanwijsbare verandering in al ons economische en culturele werk. Acht jaar lang hebben we gejaagd gewerkt om de ruwe steigers op te trekken. Natuurlijk zal dit niet van de ene op de andere dag veranderen, in nog veel te veel terreinen van ons werk wachten we nog steeds op de eerste, zelfs ‘brute’ slagen van de graafmachine. Maar tegelijkertijd is het in de sleutelsectoren van de economie en de cultuur nu tijd om te praten over het uiteindelijke bouwwerk.

Dit alles kan niet alleen door enthousiasme worden volbracht. Het enthousiasme van de massa’s is een onschatbare kracht, die in het verleden zijn effectiviteit heeft bewezen en in de toekomst in veel grotere mate nodig zal zijn. Maar wat we vandaag de dag boven alles nodig hebben is eigen bezit, systematische methodes en bewust gereguleerd doorzettingsvermogen. Deze kwaliteiten heffen enthousiasme niet op - integendeel, in combinatie hiermee brengen ze de belofte van ongeëvenaarde historische resultaten met zich mee.

Over twee jaar tijd hebben we het eerste decennium van Sovjetmacht volbracht. Dat dienen twee jaren van sterke vooruitgang te zijn. Onze vijanden zullen de economische, zoniet de militaire druk, op ons verhogen. De weerstand tegen die druk - samen met de groei van de revolutionaire beweging in het Westen - kan alleen bestaan uit een toename in het tempo van onze economische en culturele groei. De kwestie van het tempo is de kwestie van onze verdediging, van onze zelfverzekerdheid en van onze overwinning.