Leon Trotski

De successen van het socialisme en de gevaren van het avonturisme



Geschreven: 193x
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling, punctuatie en zinsbouw licht aangepast
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, agustus 2007


Inhalen en voorbijstreven

Wij hebben altijd de wereldhistorische belangrijkheid onderstreept van de ervaringen en de economische successen in de Sovjetrepublieken. Het zou dus een overbodige herhaling van onze kant zijn, die nog eens weer te onderstrepen. Niets tekent thans het schrikkelijk verval van de internationale democratie scherper dan haar openlijk bekend gemaakt verlangen de Sovjetrepublieken te doen terugkeren op de weg van het kapitalisme, zowel als haar politieke actieve solidariteit met imperialistische samenzweerders en burgerlijke saboteurs. Niets kenschetst de lafheid en de laagheid van de heersende klassen der kapitalistische maatschappij, de sociaaldemocratie daaronder gerekend, beter dan haar protesten tegen de gedwongen arbeid in de Sovjetrepublieken op het ogenblik, waarop de agent van de slavenhouders Mac Donald met behulp van de IIe Internationale driehonderd miljoen Indiërs onderdrukt en het volk der Hindoes in koloniale lijfeigenschap houdt. Kan men ook maar een moment met elkaar vergelijken de onbeduidende prestaties van de sociaaldemocratie der “coalitie” of der “oppositie” en de reuzenarbeid door het volk verricht, dat in de Oktoberrevolutie tot nieuw leven is gewekt? Juist daarom zijn wij marxisten, verplicht de arbeidersklasse van de gehele wereld met kracht en volharding te waarschuwen tegen de gevaren, die zich ophopen en die de dictatuur van het proletariaat bedreigen, gevaren, die de uitkomst zijn van de onjuiste politiek van een leiding, welke het hoofd verloren heeft.

De officiële aanvoerders, de pers, de economisten — allen komen getuigen, dat het 5 jarenplan, omgezet in een 4 jarenplan, zich met de uiterste spanning verwezenlijkt. De administratieve methoden van de wedijver wijzen erop, dat het tempo in hoofdzaak bereikt is ten koste van spieren en zenuwen. Wij twijfelen er geen ogenblik aan, dat een zekere laag van de arbeiders, waaronder vooral de communisten, het werk met een waarachtige geestdrift verricht en dat de bredere massa van arbeiders door die geestdrift van tijd tot tijd in verschillende ondernemingen wordt meegesleept. Maar men moet totaal de menselijke psychologie en zelfs de fysiologie negeren om in de mogelijkheid te geloven van de geestdrift der massa voor een arbeid, die gedurende een serie van jaren aanhoudt. De arbeid wordt thans met dezelfde methoden geleid, welke men in de burgeroorlog aanwendde. Zowel onze ervaring als onze ammunitie stonden gedurende de oorlog zoals men weet, niet op hoog peil. De massa vulde de leemte aan door de superioriteit van het getal van haar onstuimigheid en haar geestdrift. Zelfs gedurende de oorlog was die geestdrift niet algemeen, vooral niet onder de boeren. Zij, die zich schuil hielden en deserteerden, speelden toen dezelfde rol als de dronkaards, die dikwijls op het werk ontbreken en degenen, die doorlopend van werkplaats veranderen. In bepaalde perioden, bij een directe aanval van de Witten, wierpen zich niet alleen de arbeiders maar ook de boeren met vuur in de strijd. Op deze wijze hebben wij de overwinning bevochten.

De burgeroorlog duurde drie jaren. Tegen het einde van de burgeroorlog had de algemene spanning de uiterste grens bereikt. Wij hebben afgezien van een tweede Poolse veldtocht ondanks de harde vredesvoorwaarden van Riga. Een sterke reactie tegen de spanning en de ontberingen van drie jaar burgeroorlog kwam bij de massa van boeren en arbeiders op. Bij de boeren liep de reactie in opstanden uit, die de vloot en het leger omvatten. Onder de arbeiders kwam het tot stakingen en andere arbeidsstoringen: in de partij begon de arbeidersoppositie aan invloed te winnen. Haar kracht vloeide klaarblijkelijk niet voort uit de semi-syndicalistische naïviteiten van haar leiders — in het algemeen raakte de strijd de vakverenigingen niet, zoals stompzinnige officiële handboeken dat voorstellen — maar uit het protest der massa tegen de doorlopende spanning der krachten en uit de behoefte aan rust.

In de discussie van 1920-1921 was het voornaamste argument tegen de “trotskisten” van toen, dat het meeste effect sorteerde in de massa het volgende: “zij willen de arbeid van economische opbouw met dezelfde methoden leiden, als die waarmee men de oorlog heeft gevoerd.”[1]

In de atmosfeer van de reactie tegen de periode van de burgeroorlog en het oorlogscommunisme is de economische filosofie ontstaan van de meerderheid der stalinistische fractie: “Wie langzaam gaat, gaat zeker.” Het terugwijken voor de private economie der boeren, de minachting jegens de methoden van het plan, de verdediging van het minimumtempo, het losmaken van de wereldrevolutie — dat alles vormt het wezen van het stalinisme voor het tijdvak 1923-1928. Maar de welgestelde boer — de steun en de hoop van deze politiek — is in de ontwikkeling koelak geworden en heeft de dictatuur van het proletariaat bij de keel gegrepen, wier industriële basis zich veel te langzaam ontwikkeld heeft. Het tijdperk van de zelfvoldaanheid en van het laat maar waaien maakte plaats voor een van paniek en overhaasting. Men heeft de leuze aangeheven “Inhalen en passeren in de kortst mogelijke termijn.” Het minimum 5 jarenplan van Stalin-Kryanovsky, in beginsel goedgekeurd door het XVe congres werd door het nieuwe 5 jarenplan vervangen, waarvan de grondslagen ontleend zijn aan het program der oppositie. Dat komt tot uitdrukking in de verklaring van Rakovski tot het XVIe congres gericht: “Gij hebt een plan aanvaard, dat een ernstige stap kan worden op de goede weg en wij zijn bereid onze meest loyale medewerking aan te bieden zonder ook maar een van onze opvattingen prijs te geven en ons het recht voorbehoudende, die in alle twistvragen te verdedigen.”

Toen de oppositie eerst de noodzakelijkheid verdedigde van het uitwerken van een 5 jarenplan en vervolgens van vastgestelde tempo’s (de werkelijkheid heeft voldoende aangetoond dat de door ons voorgestelde tempo’s volstrekt niet denkbeeldig waren, zoals toen alle leden van het tegenwoordige politiek bureau zonder uitzondering het uitschreeuwden), in één woord toen de oppositie voor een versnelde industrialisatie en collectivisatie streed tegen de lijn van 1923 tot 1928, zag zij het 5 jarenplan niet als een dogma, maar als een te verwezenlijken onderstelling. De collectieve verificatie van het plan, moest bij de uitvoering plaatshebben. Wat de elementen van deze verificatie betreft, die bestaan niet alleen in de cijfers van de socialistische comptabiliteit, maar ook in de spieren en zenuwen van de arbeiders en de politieke gevoelens der boeren. De partij moet met dat alles rekening houden, peilen, onderzoeken, samenvatten en veralgemenen.

In werkelijkheid heeft de economische zwenking naar industrialisatie en collectivisatie zich voltrokken onder de zweepslag der administratieve paniek. Die paniek woedde altijd. Men behoeft slechts de eerste bladzijden van alle tegenwoordige Sovjetistische dagbladen te zien. Het is een complete aanvaarding van de wachtwoorden, uitdrukkingen en oproepen van de burgeroorlog: front, mobilisatie, doorbreken van het front, cavalerie, enz., dat alles soms aangevuld met sportief snobisme: start, finish, enz. Hoe moet dat alles ernstige arbeiders ontmoedigen en iedereen ontstemmen! Terwijl wij in de verschrikkelijke omstandigheden van de burgeroorlog niet zonder aarzeling als tijdelijke maatregel de orde van het rode vaandel hebben ingevoerd (Lenin was er in het begin tegen en nam haar slechts als tijdelijke maatregel aan) bestaan thans in het 13e jaar van de revolutie 4, of men weet niet hoeveel verschillende orden. Maar wat belangrijker is, is de invoering van de onafgebroken werkweek, het vastmaken der arbeiders aan de bedrijven, de uiterste opvoering van de dichtheid van de arbeid. Als de verwezenlijking van deze uitzonderingsmaatregelen mogelijk is geworden, vloeit dat uit het feit voort, dat zij in de geest van de voorhoede een tijdelijk karakter hebben in nauw contact met het idee van het 5 jarenplan. Op dezelfde wijze als in de periode van de burgeroorlog arbeiders en boeren hun uiterste krachten inspanden om de vijand te vernietigen en zich het recht op arbeid en op rust te verzekeren, rekenen thans de voorhoede elementen der arbeidersklasse er ernstig op de verder gevorderde kapitalistische landen in te halen en voorbij te streven en zich tegen de economische en militaire gevaren te waarborgen. Theoretisch, politiek en psychologisch is het idee van het 5 jarenplan voor de massa het probleem geworden van de bouw van een ondoordringbare muur rondom het socialisme in een land. Daarin alleen vinden de arbeiders de rechtvaardiging van de uiterste spanning, welke hun door het apparaat der partij is opgelegd. Voor de 12de jaardag schreef Stalin “Wij zullen nog eens zien, welke landen men zal kunnen rangschikken onder de achtergebleven en de verder gevorderde landen.” Zulke en nog andere verklaringen, met nog positiever inhoud werden gepubliceerd en in talloze exemplaren verbreid. Zij geven de voornaamste toon aan bij de arbeid van het 5 jarenplan. In de wijze, waarop deze zaken voor de massa worden gebracht, zijn er elementen van misleiding, ten dele bewust en ten dele onbewust van de kant der bureaucratie, die de massa wil doen geloven, dat de verwezenlijking van het 5 jarenplan de Sovjetrepublieken de voorrang boven de kapitalistische wereld geven zal. Geloofde de Kautsky van het apparaat-Varga niet, dat de theorie van het socialisme in een land, hoe absurd op zichzelf, toch nodig is, om de arbeiders aan te moedigen: de misleiding der priesters tot heil der ziel?

Voor zijn rapport aan het XVIe congres heeft Stalin naast vele andere cijfers statistieken verlangd om te bewijzen, dat tenslotte bij de verwezenlijking van het 5 jarenplan de Sovjetrepublieken de kapitalistische wereld zullen hebben ingehaald en overvleugeld. De sporen van deze opdracht kunnen in de regel van Stalin worden teruggevonden. Komende tot het hoofdpunt van het rapport, de verhouding der krachten tussen de Sovjethuishouding en de wereldhuishouding, heeft de rapporteur zich op onverwachte wijze tot de volgende frase bepaald: “Wij zijn verschrikkelijk achter wat het niveau der ontwikkeling van onze industrie betreft bij de kapitalistische landen.” En hij voegde er onmiddellijk aan toe: “Slechts door opvoering van het tempo der ontwikkeling van onze industrie, zullen wij technisch en economisch de ontwikkelde kapitalistische landen kunnen inhalen en voorbijstreven.” Denkt men hier aan een enkel 5 jarenplan of aan een serie van 5 jarenplannen — men weet het niet. Met zijn gebrekkige theoretische kennis is Stalin eenvoudig geschrokken van de onverwachte inlichtingen, die hij zich deed verschaffen en in plaats van aan de partij nauwkeurige gegevens te verstrekken over onze achterlijke staat en de ware omvang te tonen van de taak, die bestaat in het inhalen en voorbijstreven, is Stalin met een kleine frase over onze verschrikkelijke achterstand heen geglipt (om zich daarvan bij mislukking als een rechtvaardiging te bedienen; dat is de hele kunst van zijn politiek). De massa propaganda wordt voortgezet in het teken van de bluf en de misleiding.

Dit beperkt zich niet tot de Sovjet-Unie. De officiële bladen van alle partijen der Komintern worden niet moe te herhalen, dat aan het eind van het 5 jaren plan de Sovjet-Unie in het eerste gelid zal staan van de industriële landen. Als dat juist was, zou het probleem van het socialisme op wereldbasis opgelost zijn. Na de ontwikkelde landen te hebben ingehaald, zou de Sovjet-Unie met haar bevolking van 160 miljoen mensen, haar uitgestrektheden en enorme rijkdommen in de loop van het tweede 5 jarenplan, dus in 3 of 4 jaren een toestand scheppen in verhouding tot de rest van de kapitalistische wereld, die veel meer overheersend zou zijn dan waarin thans de Verenigde Staten verkeren. Het proletariaat van de gehele wereld zou door de ervaring, dat het socialisme in een der achterlijkste landen in enkele jaren een levenspeil geschapen zou hebben voor de bevolking, dat onvergelijkelijk veel hoger is dan dat der ontwikkelde kapitalistische landen, meteen overtuigd zijn. De bezittende klasse zou geen dag langer weerstand kunnen bieden aan de druk van de arbeidende massa. Langs die weg zou de liquidatie van het kapitalisme het eenvoudigste, het meest economische, het humaanst en het zekerst zijn, als het... juist was. In waarheid is het slechts fantasie.

Enige vergelijkende cijfers

De verwezenlijking van het 5 jarenplan is begonnen in 1928-29, op de grondslag bijna gelijk aan die van Rusland van voor de oorlog, d.w.z. op hetzelfde peil van de ellende en barbaarsheid. In de loop der jaren 1924-30 zijn enorme successen bereikt. Niettemin bevindt de Sovjet-Unie zich thans in het derde jaar van het 5 jarenplan, volgens haar productieve krachten dichter bij het tsaristische Rusland dan bij de ontwikkelde kapitalistische landen.

Hier volgen enige feiten en cijfers:

4/5 van de gehele voortbrengende bevolking zijn bij ons in de landbouw betrokken. In de Verenigde Staten zijn er voor elke persoon, die in de landbouw werkt, 2,7 bij de industrie betrokken.

De industriearbeid is bij ons 5 maal zo productief als de landbouwarbeid. In Amerika is de landbouwarbeid 2 maal zo productief dan bij ons en de industriearbeid - 3,5 maal. De nettoproductie per persoon is ook in de Verenigde Staten bijna 10 maal zo hoog als bij ons.

De kracht van de mechanische installaties in de industrie bedraagt in de Verenigde Staten 35.8 miljoen paardenkracht. In de Sovjet-Unie bedraagt zij 4.6 miljoen, d.w.z. bijna het tiende deel. Indien men de kracht van een paardenkracht vergeleek met de kracht van 10 mannen kan men zeggen, dat in de Verenigde Staten voor iedere bewoner drie stalen slaven werken in de industrie, terwijl in de Sovjet-Unie slechts één slaaf werkt voor drie bewoners. Indien men rekening houdt met de mechanisch bewegende kracht niet alleen in de industrie maar ook in het transport en in de landbouw zal de vergelijking voor ons nog veel ongunstiger zijn. Toch is de mechanisch bewegende kracht de zuiverste meting van de macht van de mens over de natuur.

Aan het eind van het 5 jarenplan zal de Sovjet-Unie, in het geval dat het gehele voorgenomen elektrificatieprogram verwezenlijkt zal zijn, beschikken over een vierde van de Amerikaanse elektrische kracht, een zesde indien men rekening houdt met het verschil van bevolking en een nog kleiner deel, indien men let op het verschil in oppervlakte, en dit cijfer veronderstelt dat het Russische plan geheel verwezenlijkt is en dat de Verenigde Staten geen stap vooruit komen.

In 1928 hebben de Verenigde Staten 38 miljoen ton gietijzer geproduceerd, Duitsland 12 miljoen, de Sovjet-Unie 31/3 miljoen. Staal: VS 52 miljoen, Duitsland 14 miljoen; Sovjet-Unie 4 miljoen. In het eerste jaar van het 5 jarenplan was onze productie van metalen gelijk aan die van de Verenigde Staten in 1880. Het is juist een halve eeuw geleden, dat de Verenigde Staten 4.3 miljoen ton metaal produceerden met een bevolking gelijk aan bijna een derde van de tegenwoordige Russische bevolking. In 1929 heeft de Sovjet-Unie bijna 5 miljoen ton ruw metaal geproduceerd.

Dat wil zeggen dat het verbruik van metalen thans voor iedere Sovjetburger bijna het derde deel is van de hoeveelheid die op iedere burger der Verenigde Staten kwam, een halve eeuw geleden.

De tegenwoordige metaalproductie staat in de Verenigde Staten 28 pct. boven de agrarische productie; bij ons is de metaalproductie bijna 18 maal zwakker dan de agrarische. Aan het eind van het 5 jarenplan zal de verhouding 1 op 8 zijn. Het is overbodig de betekenis van de metaalindustrie voor de industrialisatie zowel als voor de collectivisering in de landbouw te verklaren.

Aan het eind van het 5 jarenplan zal het kolenverbruik per Sovjetburger een achtste zijn van dat der Verenigde Staten. De productie van petroleum is 7 pct. van de wereldproductie, de Verenigde Staten leveren meer dan 68 pct., dus 10 maal zoveel.

Gunstiger verhoudingen bestaan in de textielindustrie, maar zelfs hier is het verschil voor ons kolossaal. De Verenigde Staten beschikken over 22,3 pct. van de weefmachines, Engeland over 34,8 pct., de Verenigde Staten over 4,2 pct. Deze cijfers worden nog treffender als men het aantal weefmachines met de sterkte der bevolking vergelijkt.

Het spoorwegnet van de Sovjet-Unie zal door het 5 jarenplan met 18 tot 20 duizend km uitgebreid zijn en tachtigduizend km bereiken, tegen de vierhonderdduizend km spoor in Amerika. Per 100 vierkante km bezitten de Verenigde Staten 51,5 km spoor, België 37 km. Het Europese deel van de Sovjet-Unie 13,7 km en het Aziatische deel 1 km.

De cijfers van de handelsvloot zijn nog ongunstiger. Het aandeel van Engeland in de wereldvloot bedraagt 30 pct., van de Verenigde Staten 22,5 pct., dat van de Sovjet-Unie 0,5 pct. De Verenigde Staten bezaten in 1927 80 pct. van het totale aantal automobielen, terwijl het aandeel van de Sovjet-Unie zelfs niet in tienden van een procent uit te drukken is. Tegen het eind van het 5 jarenplan voorziet men de aanwezigheid van 158.000 automobielen in ons land; d.w.z. 1 automobiel voor meer dan 1000 inwoners, thans is er een per 7000 inwoners. Volgens Ossinsky zullen wij aan het eind van het 5 jarenplan Polen makkelijk voorbijstreven als dat land op hetzelfde niveau blijft.

De goudreserves der voornaamste landen: Verenigde Staten 36,2 pct. van de wereldreserve, Frankrijk 11 pct.; de 10 voornaamste kapitalistische landen tezamen 83 pct. Geheel de rest van de aardbol, daarin begrepen de Sovjet-Unie bijna 17 pct.

Op het journalistiek terrein en op dat van de publicaties zijn belangrijke vorderingen gemaakt, vergeleken met voor de revolutie. Maar juist op dit terrein is onze achterstand bijzonder ernstig. Het papierverbruik bij ons bedraagt 3,5 kilo per inwoner, terwijl zelfs in de Europese landen, die het meest achterlijk zijn, het verbruik veel hoger is: 6 tot 7 kilogram in Joegoslavië, Bulgarije, Spanje, Hongarije, Polen, enz. In de Verenigde Staten is het papierverbruik per hoofd 80 kg, dus 23 maal het Russische cijfer. In het algemeen is het papierverbruik per hoofd in de meer ontwikkelde kapitalistische landen niet alleen thans enige malen groter dan dat van het huidige Sovjetverbruik, doch die toestand wordt ook voor het eind van het 5 jarenplan voorzien. Bijgevolg lost het probleem zichzelf niet zo gemakkelijk op, ook in deze lichte industrie niet, waarin meer bereikt kan worden en waarvan de belangrijkheid niet alleen van economisch standpunt maar ook politiek en cultureel buitengewoon groot is, als de bluffers en de fanfareblazers het voorstellen.

Een onjuiste theorie brengt onverbiddelijk politieke fouten teweeg. Uit de onjuiste theorie van het socialisme in een land ontstaat niet alleen een algemeen verkeerd perspectief, doch ook een misdadige tendens tot het mooipraten van de hedendaagse werkelijkheid in de Sovjet-Unie.

Het tweede jaar van het 5 jarenplan wordt in de redevoeringen en artikelen gekenschetst als: “de nationale huishouding van het land is de periode van het socialisme ingegaan.” Het socialisme wordt reeds “in zijn grondslagen” verwezenlijkt verklaard. Iedereen weet, dat er dan sprake zou moeten zijn van een productie, welke in de directe behoefte van de mens voorziet. Ondertussen heeft de zware industrie, tijdens een verschrikkelijk tekort aan verbruiksgoederen in het land, in het laatste jaar een stijging geboekt van 28,1 pct. en de lichte industrie slechts van 13,1 pct., hetwelk op de vertraging in de uitvoering van het program wijst. Zelfs als men deze verwezenlijkte verhoudingscijfers als ideaal beschouwt (wat volstrekt niet klopt met de werkelijkheid) vloeit er desondanks uit voort, dat in het belang van zekere “primitieve socialistische accumulatie” de bevolking van de Sovjet-Unie verplicht is zich de gordel vaster aan te snoeren. Maar dat toont juist aan, dat het socialisme onmogelijk is op een laag niveau der voortbrenging en dat slechts voorbereidende stappen in de richting van het socialisme mogelijk zijn. Is dit niet monsterlijk: het land raakt niet uit het tekort aan verbruiksgoederen, de moeilijkheden met de voeding doen zich dagelijks voor, de kinderen hebben geen melk — en de officiële voorlichters verklaren: “Het land is de periode van het socialisme ingegaan.” Kan men het socialisme bedrieglijker compromitteren?

Ondanks alle economische successen in de industrie en in de landbouw heeft de inzameling van het graan thans meer het karakter van een “politieke veldtocht” dan van een economische handeling, met andere woorden, zij is door staatsdwang verwezenlijkt.

Gedurende het bewind der epigonen is het woord “Smytsjka” (contact met de boeren) op allerlei wijze te schande gemaakt, doch men vergat er de enig juiste zin aan te geven, welke bestaat in het scheppen van economische betrekkingen tussen stad en land, welke aan het land mogelijk zouden maken vrijwillig en met een groeiend belang zijn voortbrengselen tegen de industrieproducten in te ruilen.

Zo bestaat het succes van het verbond met de boeren in de verzwakking der “politieke methoden” bij de inzameling van het koren, dus van de dwang. Men kan dit doel niet anders bereiken dan door het sluiten van de benen der schaar, die de prijzen van industrie- en landbouwproducten voorstellen. Maar Stalin heeft 13 jaar na de Oktoberrevolutie verklaard, dat de benen van de schaar slechts “burgerlijke vooroordelen” zijn. Met andere woorden, heeft hij erkend, dat de schaar verder opengaat in plaats zich te sluiten. Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat zelfs het woord “Smytsjka” geheel uit het woordenboek verdween.

Een beambte bij de inzameling van het graan maakt ter verklaring van het langzame tempo der inzameling tengevolge van ontoereikende druk der lokale autoriteiten op de koelak de volgende opmerkingen: “De berekening en de handeling van de koelak zijn volstrekt niet ingewikkeld. Als hij verplicht is drie ton te leveren, kan hij die door een boete van 400 roebel vervangen. Hij behoeft dus slechts op de vrije markt een halve ton te verkopen om zijn boete te kunnen voldoen en kan voor hemzelf 2,5 ton graan bewaren.” Deze merkwaardige berekening wijst erop, dat op de vrije markt de graanprijs minstens 6 maal zo hoog is als de prijs van de staat, misschien zelfs 8 tot 10 maal, omdat wij niet weten op hoeveel wij het surplus kunnen schatten. Het is op deze wijze dat de benen der schaar, die voor Stalin slechts “burgerlijke vooroordelen” zijn, door de Pravda heen gaan en hun twee scherpe punten laten zien. Informaties over het verloop van de inzameling van het graan, worden dagelijks in de Pravda verstrekt onder het opschrift: “De strijd om het graan is de strijd voor het socialisme.” Maar toen Lenin die uitdrukking gebruikte was hij er verre van te denken, dat het land de periode van het socialisme was ingegaan. Het feit, dat men verplicht is te strijden — ja te strijden! — voor het graan, het eenvoudige graan, laat zien, dat het land nog een heel eind verwijderd is van het socialistische systeem. Men kan niet ongestraft de grondslagen van de theorie met voeten treden. Men kan zich niet beperken tot de sociale vorm van de betrekkingen in de productie,- onrijpe, primitieve vormen en in de landbouw broos en met elkaar in strijd — en van de voornaamste factor der sociale ontwikkeling: van de productieve krachten een abstractie maken. De sociale vormen hebben een wezenlijk sociale inhoud of kunnen die hebben, die verschillend is naar de stand van de techniek. De sociale Sovjetistische vormen op de grondslag der Amerikaanse productie, dat is reeds min of meer het socialisme in zijn eerste stadium. Dezelfde vormen op de grondslag van de Russische techniek — betekenen slechts de eerste stappen in de worsteling voor het socialisme.

Als men het peil van het huidige Sovjetleven neemt, het dagelijkse leven der arbeidende massa, het culturele peil en het groot aantal ongeletterden — dan moet men — als men geen leugens vertelt, als men zichzelf en anderen niet bedriegt, als men zich niet aan de ondeugd van de bureaucratische demagogie overgeeft, eerlijk erkennen, dat de erfenis van de Russische bourgeoisie en van het tsarisme 95 pct. van het dagelijkse leven, van de zeden en gewoonten der overweldigende meerderheid van de Sovjetbevolking uitmaakt, terwijl de socialistische elementen zich tot 5 pct. beperken. Dat is volstrekt niet in tegenspraak met de dictatuur van het proletariaat, het Sovjetregime en de grote economische successen. Dat alles is de steiger rondom het toekomstgebouw of liever rondom een der hoeken van het gebouw. Aan de bouwers die de steiger met cement en steen beklimmen, die dikwijls niet genoeg eten en aan dodelijke ongevallen zijn blootgesteld, zeggen, dat zij zich reeds in dit huis kunnen inrichten — men is in het socialisme aangeland — betekent, met de bouwers en het socialisme de spot drijven.

(Wordt vervolgd)

De successen van het socialisme en de gevaren van het avonturisme
door L. Trotski
(Slot)

Vier of vijf jaar

Wij staan beslist tegenover het gemak, waarmee men het niet geverifieerde 5 jarenplan in een 4 jarenplan heeft omgezet. Wat zeggen ons te dien opzichte de cijfers?

De officiële cijfers van de groei der industriële productie gaan voor het tweede jaar tot 24,2 pct. De groei, die voor het tweede jaar van het 5 jarenplan voorzien was (21,5 pct.) is met 2,7 pct. overschreden, maar blijft bij het 4 jarenplan bijna 6 pct. achter. Als wij er rekening mee houden, dat met betrekking tot de kwaliteit en de kostende prijs er een aanzienlijke achterstand is en dat de coëfficiënt van 24,2 pct. met de zweep verkregen is, zal het duidelijk worden, dat in werkelijkheid het tweede jaar verlopen is overeenkomstig het tempo van het 5 jarenplan en in geen geval volgens dat van het 4 jarenplan. Op het terrein van de voornaamste industrieën zijn de verwachtingen voor het jaar 1929-1930 niet vervuld; er ontbreekt bijna 20 pct. aan; het grootste tekort komt voor bij de bouw van nieuwe grote metaalfabrieken, bij de installaties voor de productie van cokes, in de chemische bedrijven en de elektrische bedrijven, dus juist bij de bedrijven, die de grondslag vormen van de gehele industrialisering. Tezelfdertijd is de verwachte verlaging van de productiekosten, in het plan geraamd op 14 pct., slechts voor 4 pct. verwezenlijkt. Het is klaar, zonder dat men commentaar levert, wat deze administratieve 4 pct. te betekenen hebben: we mogen gelukkig zijn, als de productiekosten niet zijn toegenomen. De coëfficiënt van het tekort op het plan zal dus eerder 30 pct. te boven gaan dan dat zij 20 pct. bedraagt. Ziedaar de erfenis waarmee het derde jaar wordt ingegaan in de voornaamste industrieën.

De leemten van het plan zullen niet kunnen worden aangevuld ten koste van de lichte industrie, zoals dat tot op zekere hoogte in de twee eerste jaren geschied is, omdat het aanzienlijkste tekort van het plan werd vastgesteld op het terrein van de voortbrenging der geheel afgewerkte producten. Volgens het plan van 5 jaar zou de lichte industrie in 1929-1930 met 18 pct. moeten groeien; volgens het 4 jarenplan met 23 pct. In werkelijkheid is zij slechts met 11 pct. toegenomen (volgens andere gegevens 13 pct.). Ondertussen eist het tekort aan producten buitengewone inspanning op het gebied van de lichte industrie.

Men heeft verklaard, dat een van de bijzondere opgaven van het supplementaire kwartaal ingeschoven tussen het tweede en het derde jaar (dit maal heeft de afsluiting van het economische jaar niet op 1 oktober maar op 1 januari plaats gevonden) de bevestiging met alle middelen was van de geldcirculatie en van het gehele financiële systeem. Daarmee erkent men officieel en voor de eerste maal, dat het financiële systeem geschokt is aan het einde van de beide eerste jaren van het 5 jarenplan door een leiding, die zonder een vast plan werkte. De inflatie van het geld betekent niets minder dan een niet gegarandeerde lening ten laste van de volgende jaren. Gedurende die volgende jaren zal men verplicht zijn deze lening terug te betalen. Het beroep op het gezond maken van de geldcirculatie wijst er op, dat ofschoon wij “de periode van het socialisme” zijn ingegaan men niet alleen niet in staat is met de tsjervonnitz af te rekenen, maar bovendien nog verplicht hem op poten te houden. Wat de theorie betreft, die is hier op de kop gesteld. In de ziekelijke staat van de tsjervonnitz (banknoot van 10 roebel) komen alle fouten en onjuiste berekeningen, alle overhaasting, alle onevenredigheden, leemten, afwijkingen en onrijpheden van de economische leiding der centristen tot uitdrukking. De zieke tsjervonnitz vormt de erfenis der beide eerste jaren van het 5 jarenplan. Het is geen gemakkelijke taak de taaiheid der inflatie te overwinnen. De toepassing van het financiële plan in de eerste maand van het supplementaire kwartaal bewijst het. Maar wat men bovenal niet moet vergeten, is dat het succes van het herstel van de tsjervonnitz (dat volstrekt onvermijdelijk is) in zich draagt de kiemen van een crisis van min of meer grote deflatie in de industrie en de gehele huishouding. Niet gegarandeerde en vooral verkapte leningen ten koste van de toekomst aangegaan blijven nooit ongestraft.

Wat de algemene groei van de industriële productie voor de beide afgelopen jaren betreft, wordt die becijferd op 52 pct. tegen 471/2 pct. als in het 5 jarenplan voorzien was, dus een overschrijding met slechts 41/2 pct. Als men daarbij rekent met het tekort ten aanzien van de kwaliteit kan men met zekerheid zeggen, dat gedurende de beide eerste jaren men op zijn best de verwachtingen van het 5 jarenplan heeft benaderd en dat nog wel in zijn geheel genomen, dus buiten beschouwing latende een serie van onevenredigheden binnen het plan zelf.

De karakteristiek van de zware erfenis der beide eerste jaren van het 5 jarenplan, welke wij gaven, verkleint de betekenis der bereikte successen niet. Deze successen zijn zeer groot en de historische betekenis ervan wordt nog belangrijker, wijl zij verkregen zijn ondanks de vele fouten van de leiding, doch tegelijkertijd rechtvaardigt het bereikte niet het gemak, waarmee men de sprong van 5 tot 4 jaar heeft ondernomen, garandeert het zelfs niet de verwezenlijking van het 5 jarenplan, omdat men het losgeld zal moeten opbrengen van de onevenredigheden en leemten der beide eerste jaren in de loop der drie volgende jaren. Hoe minder de leiding in staat zal blijken naar de waarschuwing te luisteren, des te drukkender zal haar schuld wegen.

De voornaamste taak van de economische leiding bestaat in het verifiëren van de ontwikkeling van het 5 jarenplan, het waken over zekere onderdelen, het beperken van andere onderdelen, niet naar vooruit bijeengebrachte gegevens, die altijd onnauwkeurig en van beperkte waarde zijn, doch slechts op de grondslag van nauwkeurige waarneming. Maar juist die taak heeft de democratie in de partij, in de vakverenigingen en in de sovjets tot voorwaarde. De goede gang van de socialistische opbouw wordt belemmerd door het belachelijke en tezelfdertijd monsterachtige principe van de onfeilbaarheid der algemene leiding, die in werkelijkheid slechts de wispelturigheid en het algemene gevaar vertegenwoordigt.

De Pravda zelf van 27 oktober is verplicht te constateren:

“Wij ondervinden moeilijkheden met de voorziening van voedingsmiddelen en industriële producten van dagelijks gebruik. Wij ondervinden een groot gebrek aan metaal, kolen, elektrische kracht en bouwstoffen om ten volle in de socialistische opbouw het vastgestelde tempo te verzekeren. Het vervoer van industriële en landbouwproducten wordt door ons verkeerswezen nog lang niet verzekerd. De nationale huishouding kampt met een drukkend tekort aan werklieden en geschoold kader.”

Moet uit dit alles niet afgeleid worden, dat de overgang van 5 tot 4 jaar kort en goed een avontuurlijke zet was? Voor iedereen is dat zo, behalve voor de Pravda. “Het tekort in de voornaamste industrieën van 1920-1930” — schrijft de Pravda — “ondanks het feit, dat daarvoor objectieve oorzaken ontbreken, werd een voorwendsel voor de agenten der koelakken in de partij, de rechtse opportunisten, opnieuw een gejank aan te heffen over de onverdraaglijke tempo’s, waartoe de partij was overgegaan.” (3 november 1930). Op deze manier effenen de stalinisten (men kan het niet beter doen) de weg voor de rechtse elementen door hun verschillen met die rechtse elementen tot het dilemma terug te brengen: 4 of 5 jaar. Maar deze kwestie kan niet op een “principiële” wijze tot oplossing worden gebracht, maar alleen langs proefondervindelijke weg. Bij dit verschil, dat gemeten wordt met een termijn van 12 maanden, is het moeilijk twee onderscheiden lijnen aan te geven. Toch geeft deze bureaucratische wijze van het stellen der kwestie ons de juiste maatstaf aan van de verschillen tussen rechts en de centristen bij de waardering van de centristen zelf. De verhouding tussen hen is van 4 tot 5. Wat dus neerkomt op een onderling verschil van 20 pct. En wat zal er nu gebeuren als de ondervinding zal aantonen, dat men het plan niet in 4 jaar verwezenlijken kan? Zal dat dan betekenen, dat de rechtervleugel gelijk heeft?

Men heeft tussen het 2e en het 3e jaar het zg. supplementaire kwartaal (oktober-november-december 1930) ingelast. Het derde jaar van het 5 jarenplan begint nu officieel met 1 januari 1931 zonder het extrakwartaal te rekenen. De verschillen met rechts worden op die wijze van 20 op 15 pct. teruggebracht. Waartoe dienen zulke onwaardige vertoningen? Voor het “prestige”, maar in geen geval komen zij aan het socialisme ten goede.

De gaten, die men met het extra kwartaal moest stoppen, zijn volgens de Pravda ontstaan “hoewel objectieve oorzaken ontbraken.” Dat is een troost gevende verklaring, maar zij vervangt zo min de onafgewerkte fabrieken als de niet voortgebrachte waren. Het ongeluk is, dat de subjectieve factoren als “de onbekwaamheid”, het “gemis aan initiatief”, beheerst worden tot op zekere hoogte door het subjectieve element, dat het bureaucratische apparaat is. Doch buiten deze grenzen worden de subjectieve factoren objectieve hindernissen, die door het peil van de techniek en van de cultuur bepaald worden. Tenslotte worden zelfs de “gaten”, die door subjectieve oorzaken teweeg worden gebracht bv. door de kortzichtigheid van de algemene leiding objectieve factoren, die de mogelijkheden van de ontwikkeling beperken. Als het opportunisme gekenmerkt wordt door passieve aanpassing bij objectieve voorwaarden, wordt het avonturisme, de tegenhanger van het opportunisme, gekenmerkt door zijn luchtig omspringen met objectieve factoren. Alle dagen keert in de Sovjetpers de uitdrukking terug: “Aan een Rus is niets onmogelijk.”

De artikelen van de Pravda (Stalin blijft voorzichtig zwijgen) tonen aan, dat in de toekomst evengoed als voorheen het vooruitzien, de collectieve ervaring, de soepelheid in de economische leiding door de algemene knoet vervangen zullen worden. De Pravda erkent in een serie van gevallen, dat “de teleurstellingen minder door de voortbrenging dan door de revolutionaire druk der massa werden opgeheven.” (1 november). De zin van dit getuigenis is duidelijk genoeg. Het is waar, dat als het er werkelijk om ging in de loop van 2 of 3 jaren, die nu gaan komen de ontwikkelde kapitalistische landen voorbij te streven en zodoende de onkwetsbaarheid van de socialistische voortbrenging te verzekeren, dat dan een tijdelijke druk, hoe dan ook op de spieren en zenuwen der arbeiders begrijpelijk en gerechtvaardigd zou zijn. Wij hebben hierboven reeds gezien, met hoeveel dubbelzinnigheid, gezichtsbedrog en demagogie de kwestie tegenover de arbeiders gesteld werd. De onafgebroken spanning der zenuwen dreigt in de massa een reactie teweeg te brengen, die onvergelijkelijk veel ernstiger zal zijn dan die aan het eind van de oorlog. Dit gevaar is zoveel te scherper en dreigender nu niet alleen de taak van het inhalen en voorbijstreven niet vervuld zal zijn, als het 5 jarenplan ten volle verwezenlijkt wordt, maar het plan in 4 jaar nooit verwezenlijkt zal worden, ondanks de uiterste spanning der krachten. Wat de zaak nog ernstiger maakt, is dat het avonturisme der leiding de verwezenlijking van het plan in 5 jaren nog steeds minder waarschijnlijk maakt. De stompzinnige en blinde hardnekkigheid om het gehele plan intact te laten in naam van het algemene prestige, maakt een ganse serie van crises onvermijdelijk, die de economische ontwikkeling kunnen vertragen en een openlijke politieke crisis kunnen doen losbarsten.

De Sovjetrepublieken en de wereldmarkt

Aldus tekenen de kort samengevatte resultaten van de groei der productie, die zeldzaam zijn door hun draagwijdte, de situatie niet op de juiste wijze, want zij doen de economische en politieke ongunstige voorwaarden niet uitkomen, waarmee op 1 oktober 1930 het derde jaar van het 5 jarenplan is ingezet. Een juistere ontleding toont aan, dat een willekeurige statistiek van de successen een gehele reeks van diepe tegenstellingen verbergt: a. Tussen stad en land (de prijsschaar; het tekort aan voedingsmiddelen en aan eerste benodigdheden; het tekort aan industriële goederen voor het platteland); b. tussen de zware en de lichte industrie (de niet gegarandeerde ondernemingen voor de eerste benodigdheden en het tekort aan waren); c. tussen de reële koopkracht en de nominale waarde van de tsjervonnitz (inflatie); d. tussen de partij en de arbeidersklasse; e. tussen het apparaat en de partij; f. in het innerlijke van het apparaat.

Maar los van deze zo te zeggen binnenlandse tegenstellingen bestaat er door de logica der feiten een tegenstelling, die steeds grotere betekenis krijgt: die tussen de Sovjethuishouding en de buitenlandse markt.

De reactionaire utopie van de gesloten socialistische huishouding, die zich harmonisch ontwikkelt op de binnenlandse grondslagen, welke beschermd worden door het monopolie van buitenlandse handel, was het uitgangspunt van het gehele plan. De specialisten van het staatsplan, vrijwillig tegemoetkomende aan de lastgevers en hun sabotageplannen combinerende met de vooroordelen van hun meesters, hebben het eerste ontwerp van het 5 jarenplan niet alleen samengesteld met een verzwakking van het industriële tempo, maar ook met een verzwakking van de buitenlandse handel; men voorzag dat binnen 10, 15 jaren de Sovjetrepublieken compleet de invoeren stopgezet zouden hebben en terwijl aan de andere kant hetzelfde plan de overvloedige groei van de oogst voorzag en dus de groei van exportmogelijkheden, bleef een vraag zonder antwoord: wat zal men beginnen met de overschotten van het graan, zowel als met andere overschotten door het land voortgebracht? Men zou die toch niet in de oceaan werpen? Nog voordat het eerste ontwerp van het 5 jarenplan onder de druk van de oppositie aan een principiële herziening wordt onderworpen, heeft de ontwikkeling der feiten zelf reeds scheuren in de theorie en de praktijk der afgesloten huishouding aangebracht. De wereldmarkt biedt voor de huishouding van elk, zowel socialistisch als kapitalistisch, land onmetelijke en kolossaal onuitputtelijke reserves. De groei van de Sovjetindustrie schept aan de ene kant technische en culturele behoeften, aan de andere kant nieuwe tegenstellingen en verplicht daarom in toenemende mate zijn toevlucht te nemen tot de reserves van de buitenlandse handel. Tevens veroorzaakt de ontwikkeling van de industrie, die tengevolge van natuurlijke voorwaarden ongelijk is, in verschillende takken toenemende behoefte aan uitvoer (bv. petroleum, hout) vóór dat de industrie in haar geheel aan de elementaire behoeften van het land kan voldoen. De wedergeboorte van het economische leven der Sovjetrepublieken voert dus naar alle kanten niet tot de economische afsluiting van het land, maar integendeel tot de groei van zijn betrekkingen met de wereldeconomie en dus tot de groei van zijn afhankelijkheid van de wereldeconomie. Het karakter van deze afhankelijkheid wordt enerzijds gekenmerkt door het soortelijk gewicht van de Sovjeteconomie in de wereldeconomie maar nog directer door de verhouding van de kostprijzen der Sovjetvoortbrengselen en die der ontwikkelde kapitalistische landen.

Het optreden van de Sovjeteconomie op de wereldmarkt vindt op die wijze niet volgens de verwachtingen van het plan met een breed perspectief plaats, maar integendeel in strijd met de voorspellingen onder de druk van de onverbiddelijke noodzakelijkheid, toen gebleken was, dat de invoer van machines van onontbeerlijke grondstoffen en van materialen een kwestie van leven en dood werd voor alle takken van industrie. Men kan de invoer niet vergroten dan door uitbreiding van de uitvoer.

De Sovjetstaat voert uit, omdat hij niet anders doen kan dan uitvoeren en verkoopt tegen prijzen, die door de wereldeconomie bepaald zijn. Daardoor valt de Sovjethuishouding niet alleen in toenemende mate onder de controle van de wereldmarkt, maar zij wordt bovendien meegesleept in de invloedssfeer der conjunctuurschommelingen van het wereldkapitalisme, ook al poogt zij zich daartegen te verzetten. Het plan van uitvoer voor het jaar 1929-1930, dat volstrekt niet overeenkomstig de verwachtingen is afgewerkt, is voor wat de financiële uitkomsten betreft aanzienlijk benadeeld geworden door de wereldcrisis. Het is op deze wijze, dat een gehele reeks van discussies tussen de linkse oppositie en de centristen tot haar oplossing is gekomen. Reeds in de strijd voor de noodzakelijkheid van het opstellen van het 5 jarenplan hebben wij het denkbeeld naar voren gebracht, dat dit 5 jarenplan niet meer dan een eerste stap is, waarna men zo spoedig mogelijk tot het plan voor de periode van 8 tot 10 jaar zal moeten komen om een gemiddeld tijdperk te omvatten voor de vernieuwing van de werktuigen en om zich aan te passen bij de wereldconjunctuur. Een hoe weinig duurzame stabilisatie van het kapitalisme na de oorlog — aldus oordeelden de vertegenwoordigers der oppositie — zal onvermijdelijk weer leiden tot de verschijning van de handels-industriële kringlopen, door de oorlog verstoord en wij zullen verplicht zijn onze plannen samen te stellen niet op de beweerde onafhankelijkheid van de wereldconjunctuur maar op de verstandige aanpassing bij die conjunctuur om zoveel mogelijk te winnen bij economische opleving en zo min mogelijk te verliezen bij crisis. Het is onnodig nu de nationaalsocialistische gemeenplaatsen in de herinnering terug te roepen, die de officiële leiders en vooral Stalin en Boecharin tegenover deze voorspellingen plaatsten, welke zich thans verwezenlijken. Hoe minder de leiders van het economische leven de eenvoudige logica der feiten voorzagen, een des te chaotischer karakter neemt de tegenwoordige uitvoer aan. Uit de korte geschiedenis van de buitenlandse Sovjethandel en van de moeilijkheden, welke de uitvoer van het laatste jaar ondervond, die ondanks het toegepaste forceren zeer onvoldoende was, moet men eenvoudige conclusies trekken, die voor de toekomst zeer belangrijk zijn. Hoe meer succes de ontwikkeling van de Sovjethuishouding in de toekomst zal hebben, des te breder zullen de buitenlandse economische betrekkingen moeten zijn. De daartegenover staande stelling is nog belangrijker: slechts door steeds grotere uitbreiding van de uitvoer en de invoer zal het economische leven thans de gedeeltelijke crises overwinnen, de gedeeltelijke onevenredigheden verkleinen, het dynamische evenwicht van de verschillende takken van het economische leven nivelleren en op deze wijze het versnelde tempo van de ontwikkeling verzekeren.

Maar het is juist op dit punt, dat wij in de laatste analyse stuiten op beslissende vragen en moeilijkheden. De mogelijkheid om zich voor de ontwikkeling van de socialistische huishouding van de reserves der wereldmarkt te bedienen is, zoals wij gezegd hebben, direct door de verhouding van binnenlandse en wereldkostprijzen bepaald bij een eenheid van producten, van een vaste kwaliteit en een vaste standaard. Doch de bureaucratische regeling van het tempo heeft tot nu toe niet alleen niet veroorloofd enige successen op dit gebied te bereiken, doch zelfs niet om deze vraag onder de juiste gezichtshoek te stellen.

In zijn verslag op het 16de congres zei Stalin, dat de kwaliteit van onze productie “somtijds schandelijk” is. (Het is met verklaringen van deze soort, dat de bureaucratie de gaten stopt). Dat lijkt merkwaardig veel op de uitdrukking “onze verschrikkelijke achterstand.” (Zie blz. 14 in het januarinummer van deze jaargang). In plaats van concrete gegevens te verstrekken bedient men ons met uitdrukkingen, die er op het oog krachtig uitzien, maar die slechts lafhartig de werkelijkheid maskeren: — de achterstand — “verschrikkelijk”, de kwaliteit — “schandelijk”. Toch zouden twee cijfers, twee vergelijkende coëfficiënten aan de partij en aan de arbeidersklasse een onvergelijkelijk betere oriëntatie verschaft hebben dan bergen goedkoop statistisch materiaal, die de redevoeringen van 10 uur der wijzen van onze dagen vullen en die ook op dit terrein de kwaliteit door de hoeveelheid trachten te vervangen. De verkoop van Sovjetproducten zelfs beneden de kostprijs — in het belang van de invoer — is tot zekere hoogte onvermijdelijk en bekeken vanuit het standpunt der algemene huishouding gerechtvaardigd. Doch slechts tot zekere hoogte. De toeneming van de uitvoer, zal in de toekomst toenemende belemmeringen ondervinden door het verschil van de binnenlandse kostprijzen met de wereldprijzen. Hier komt het probleem van de vergelijkende coëfficiënten van kwaliteit en hoeveelheid der binnenlandse en wereldproducten met bijzondere acuutheid en klaarblijkelijke noodzakelijkheid voor ons te staan. Het lot van de Sovjethuishouding wordt economisch in de greep van de buitenlandse handel beslist, zoals het politiek beslist wordt in de band, die de Russische communistische partij met de Komintern verbindt.

* * *

Dat de kapitalistische wereldpers de toeneming van de Sovjetuitvoer als een dumping heeft voorgesteld en dat de koopbare bourgeoisie der Russische emigratie en haar makke “democratie” zich van dit wachtwoord hebben meester gemaakt, behoeft in geen enkel opzicht te verwonderen, zoals er niets verwonderlijks is in het feit, dat de pers der koopbare emigranten in de vorm van feuilletons onthullingen brengt van defensiegeheimen van de Sovjetrepublieken in het belang van Roemenië, Polen en van nog meer betekenende deurwaarders. Hun lafheid is niet verbazingwekkend, ook hun domheid is niet verrassend: verlang van een omkoopbare bourgeoisie niet te veel intelligentie. Door de Sovjet-“dumping” als een bedreiging voor de wereldeconomie voor te stellen erkennen de liberalen en democraten, dat de Sovjetindustrie een zo belangrijke graad van macht bereikt, dat ze storing op de wereldmarkt kan veroorzaken. Ongelukkigerwijzeis dat niet het geval.

Het is voldoende, er op te wijzen, dat de Sovjetuitvoer in haar tegenwoordige aanzienlijk toegenomen omvang slechts 11/2 pct. van de werelduitvoer bedraagt. Daarmee kan men het kapitalisme niet omkeren, hoe verrot het ook is. Slechts erkende domkoppen kunnen, zonder dat zij daarom ophouden schelmen te zijn, aan de Sovjetregering de bedoeling toeschrijven de wereldrevolutie te provoceren door die 11/2 pct. van de uitvoer. Wat men de inbraak der Sovjethuishouding in de wereldhuishouding noemt is in veel erger mate de inbraak van de wereldhuishouding in de Sovjethuishouding. Dit proces zal meer en meer het economisch duel van twee stelsels worden. In het licht van dit vooruitzicht zien wij hoe kinderachtig de bekrompen filosofie is, volgens welke de opbouw van het socialisme verzekerd is door de overwinning op de bourgeoisie van het eigen land, waarbij de betrekkingen met de buitenlandse wereld zich beperken tot de strijd tegen de militaire interventie.

Reeds bij het begin van de wereldcrisis stelde de oppositie een internationale proletarische campagne voor ter versterking van de economische samenwerking met de Sovjetrepublieken. Hoewel de crisis en de werkloosheid deze campagne urgent maakten, werd zij onder allerlei ondeugdelijke voorwendsels verworpen, in werkelijkheid slechts omdat dit initiatief van de oppositie kwam. Thans zijn met het oog op de wereldaanval tegen de Sovjetdumping de secties der IIIe Internationale toch verplicht de propaganda die wij rechttijdig hadden voorgesteld voor economische samenwerking met de Sovjetrepublieken te voeren. Maar hoe gebrekkig is die campagne, zonder klaarheid, zonder perspectief. In plaats van een goed voorbereid offensief een slordige verdedigende propaganda. Zo zien wij met dit voorbeeld nog eens weer, dat achter het bureaucratisch geschreeuw zich het hinken achter de feiten aan verbergt, de onbekwaamheid van het politieke initiatief in een enkel belangrijk probleem.

Conclusies

1. Publiek erkennen, dat de verwezenlijking van het 5 jarenplan in 4 jaar een fout was.

2. De ervaringen der beide eerste jaren en van het toegevoegde kwartaal moeten onderwerpen van studie en vrije discussie zijn.

3. De kenmerken van deze discussie: a. het meest redelijke tempo, dus het tempo, dat niet alleen de toepassing van gegeven bevelen waarborgt, maar ook het dynamische evenwicht van de snelle groei gedurende de volgende jaren; b. de stelselmatige vermeerdering van het reële salaris; c. het toedrukken van de prijzenschaar voor industriële en landbouwproducten, d.w.z. de bevestiging van het bondgenootschap met de boeren.

4. Het in geen geval gelijkstellen der kolchozen met socialisme. Het aandachtig volgen van het onvermijdelijke proces van differentiatie binnen de kolchozen en tussen de kolchozen.

5. Het openlijk en in het raam van het plan aan de orde stellen van het vraagstuk der sanering van het monetaire systeem, anders zullen de gevaren van de paniek, die de bureaucratische deflatie kan teweegbrengen even dreigend zijn als de inflatie.

6. Het probleem van de buitenlandse handel moet als het grondprobleem gesteld worden in het perspectief van de uitbreiding der betrekkingen met de wereldeconomie.

7. Een stelsel van vergelijkende coëfficiënten uitwerken tussen de Sovjetproductie en de productie der ontwikkelde kapitalistische landen, niet alleen als gids voor de praktische behoeften van uitvoer en invoer, maar ook als het enig juiste criterium in de vraag van het “inhalen en voorbijstreven”.

8. Er mee ophouden zich in de huishouding door bureaucratische overwegingen van prestige te laten leiden. De werkelijkheid niet schminken, de waarheid niet verzwijgen, niet bedriegen, de tegenwoordige Sovjethuishouding van de overgang, die door haar niveau veel dichter staat bij de huishouding van het tsarisme dan bij die van het ontwikkelde kapitalisme niet als socialisme aanduiden.

9. Het nationale en internationale onjuiste perspectief van de economische ontwikkeling prijs geven, dat uit de theorie van het socialisme in een land voortvloeit.

10. Eens vooral het dogma van de katholieke kerk liquideren, dat in de praktijk funest is, vernederend voor een revolutionaire partij en door en door stompzinnig, nl. het dogma van de onfeilbaarheid der algemene leiding.

11. Het doen herleven van de partij door de verbrijzeling van de bureaucratische dictatuur van het apparaat.

12. Het stalinisme veroordelen. Het terugkeren tot de theorie van Marx en tot de revolutionaire methoden van Lenin.


[1] In werkelijkheid was er gelet op de zeer gebrekkige productiekrachten of om beter te zeggen op de ellende — zonder de nieuwe economische politiek, d.w.z. zonder de opneming van het element van het privaatbelang op de grondslag van de markt — geen andere methode en kon er geen andere methode zijn dan die van het oorlogscommunisme. Vóór de overgang naar de nieuwe economische politiek liep de discussie altijd naast de eigenlijke kwestie. De overgang naar de nieuwe economische politiek doet zelfs het onderwerp van de discussie verdwijnen. Alleen Zinovjev en tot op zekere hoogte Tomski gingen er mee voort het abc van de vakbewegingskwesties te herkauwen zonder ooit te begrijpen, waarover de zaak eigenlijk liep.