Leon Trotski

De Spaanse revolutie en de taak der communisten



Geschreven: 24 januari 1931
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands
Vertaling: onbekend
Deze versie: Spelling en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, augustus 2007


Deze studie over de Spaanse revolutie is door Trotski op 24 januari 1931 geschreven, toen de omzetting van de monarchie in de republiek nog niet had plaatsgevonden. Om de belangrijke inhoud van de beschouwing en de actualiteit van het onderwerp plaatsen wij haar geheel in het meinummer.
Red. Nieuwe Weg.

1. Het oude Spanje

De keten van het kapitalisme wordt opnieuw bedreigd met een breuk en wel in zijn zwakste schakel: de beurt is aan Spanje.

De revolutionaire beweging ontwikkelt zich in dit land met zulk een kracht, dat ze reeds van tevoren aan de wereldreactie de mogelijkheid van het geloof aan het herstel van de oude orde op het Iberisch schiereiland (d.i. Spanje en Portugal) ontneemt.

Spanje behoort ongetwijfeld tot de meest achterlijke landen van Europa. Doch die toestand van achterlijkheid is van een bijzondere soort, omdat het land een groot historisch verleden heeft. Terwijl het Rusland der tsaren steeds ver achterbleef bij zijn westelijke buren en onder hun druk langzaam vooruitging, kent Spanje tijdperken van groten bloei, tijdperken van overwicht over de rest van Europa en overheersing over Zuid-Amerika. De geweldige ontwikkeling van de binnenlandse en buitenlandse handel werd meer en meer een reden tot feodale versnippering van het platte land en het streven naar zelfstandigheid van afzonderlijke gewesten. De machtsvermeerdering en het gewicht van de Spaanse monarchie waren in die eeuwen nauw verbonden met de centraliserende rol, die het kapitaal speelde en met de geleidelijke vorming van de Spaanse natie.

De ontdekking van Amerika, die in de beginne Spanje heeft versterkt en verrijkt, keerde zich daarna tegen het land. De grote handelswegen gingen buiten het Iberische schiereiland om. Het rijk geworden Holland maakte zich los van Spanje. Na Holland was het Engeland, dat voor lange tijd de eerste werd in Europa. Reeds in de tweede helft der 16de eeuw ging het met Spanje bergafwaarts. Na de nederlaag van de Onoverwinnelijke Vloot (1588) nam die achteruitgang om zo te zeggen een officieel karakter aan. Het begin van die burgerlijke feodale toestand van Spanje noemde Marx “de langzame en weinig glorievolle ondergang”.

De oude en nieuwe heersende klassen — de landadel en de katholieke geestelijkheid met haar monarchie, de burgerlijke klassen met haar intellectuelen — trachtten halsstarrig hun oude aanspraken te behouden, helaas zonder de oude hulpmiddelen. In 1820 maakten de Zuid-Amerikaanse kolonies zich voorgoed vrij. En na het verlies van Cuba in 1898 was Spanje al zijn koloniën kwijt. Het Marokko avontuur heeft het land geruïneerd en de heersende ontevredenheid onder het volk vergroot.

De vertraging van de economische ontwikkeling van Spanje heeft onvermijdelijk geleid tot verzwakking van de centralistische neiging, die onafscheidelijk is van het kapitalisme. De neergang in het handels- en industriële leven van de steden en van de economische banden, die er tussen die steden bestonden, leidde noodzakelijk tot vermindering van de wederzijdse afhankelijkheid van bepaalde provincies. Dat is de voornaamste oorzaak, die tot heden de Spaanse bourgeoisie heeft verhinderd de neiging tot decentralisatie van de historische provincies te overwinnen. Het gebrek aan hulpmiddelen in de nationale economie en het gevoel van malaise in alle delen van het land, konden die separatistische neigingen slechts versterken. Het streven naar zelfstandigheid openbaart zich in Spanje buitengewoon krachtig, vooral in vergelijking met het naburige Frankrijk, waar de Grote Revolutie voorgoed de heerschappij van de burgerlijke natie over de oude feodale provincies één en ondeelbaar heeft gevestigd. En tezelfdertijd, dat zij de nieuwe burgerlijke maatschappij verhinderde zich te consolideren, ontwrichtte de stilstand in het economische leven eveneens de vroegere heersende klassen. De trotse edelen verborgen vaak hun hoogmoed onder hun versleten kleren. De Kerk plunderde de boeren uit, doch was van tijd tot tijd gedwongen zich te laten uitschudden door de monarchie. Marx zegt, dat deze laatste meer overeenkomst vertoonde met het Aziatische despotisme, dan met het Europese absolutisme. Hoe moeten wij dat opvatten? De vergelijking tussen het tsarisme en het Aziatische despotisme, die dikwijls gemaakt wordt, schijnt meer zin te hebben, zowel uit geografisch als historisch oogpunt. Doch met betrekking tot Spanje blijft deze vergelijking toch ook van kracht. Het verschil bestaat hierin, dat het tsarisme ontstond op de basis van de buitengewoon langzame ontwikkeling van de adelstand en de primitieve steden. De Spaanse monarchie is gevormd tijdens de decadentie van het land en de ondergang der heersende klassen. Waar het Europese absolutisme zich kon ontwikkelen, dankzij de worsteling van de opkomende steden met de oude bevoorrechte standen, daar ging de kracht, die de Spaanse monarchie nog bezat, verloren in de onmacht van oude kasten en steden, juist zoals dat met het Russische tsarisme gebeurde. En daarin bestaat de duidelijke gelijkenis met het Aziatische despotisme.

Het overwicht van de neiging tot decentralisatie op die tot centralisatie in het economische evenals in het politieke leven, ondergroef het Spaanse parlementarisme. De pressie, die de regering uitoefende op de kiezers droeg een beslissend karakter. Tijdens de gehele vorige eeuw brachten de verkiezingen onveranderlijk een regeringsmeerderheid. Omdat de Cortes afhankelijk was van de opeenvolgende ministeries, waren die ministeries zelf afhankelijk van de monarchie. Madrid schreef de verkiezingen uit en de macht viel in handen van de koning. De monarchie was onontbeerlijk voor de heersende klassen, weinig homogeen en gedecentraliseerd als ze waren en niet in staat om het land zelf te besturen. En deze monarchie, een weerspiegeling van de zwakheid van de staat, was, tussen twee opstanden in, sterk genoeg om het land haar wil op te leggen. In een woord het regeringsstelsel in Spanje kan worden aangeduid als een ontaard absolutisme binnen de perken gehouden door telkens terugkerende opstanden. De persoon van Alfonso XIII is een zeer goede uitdrukking van dit stelsel én inzake de degeneratie én inzake de absolutistische neigingen én inzake de vrees voor opstanden. Het laveren van de koning, zijn verraad, zijn trouweloosheid en zijn overwinningen over de oppositiegroepen, die zich af en toe vormden, waren geen gevolg van karaktereigenschappen van Alfonso XIII, doch maakten deel uit van het gehele regeringsstelsel. Onder de nieuwe omstandigheden herhaalt Alfonso XIII slechts de geschiedenis van zijn overgrootvader, Ferdinand VII. De geestelijkheid vertegenwoordigde naast het koningsschap en als zijn bondgenoot een tweede gecentraliseerde macht. Het katholicisme is nog steeds de staatsgodsdienst; de geestelijkheid speelt een grote rol in het volksleven, zij is het vaste steunpunt van de reactie. De Staat besteedt jaarlijks verscheiden tientallen miljoenen peseta’s voor de Kerk.

De buitengewoon talrijke geestelijke orden bezitten uitgestrekte goederen en hebben een grote invloed. Het aantal monniken en nonnen bedragen 70.000. Het is even groot als het aantal leerlingen der middelbare scholen en is twee en een half maal zo groot als het aantal studenten. Onder die omstandigheden behoeft het geen verwondering te wekken, dat 45 pct. van de bevolking lezen noch schrijven kan. Natuurlijk vindt men het grootste deel daarvan op het platteland.

De boerenbevolking heeft tijdens Karel V (Carlos I) weinig voordeel genoten van de bloei van het Spaanse rijk en later was zij het, op wie de ondergang van dat rijk in al haar zwaarte drukte. Eeuwenlang leidde zij een ellendig bestaan, ja in verscheidene provincies leed zij honger. Nog heden vormt zij 70 pct. van de gehele bevolking en gaat gebukt onder het gehele gewicht van de Staat.

Gebrek aan land, gebrek aan water, hoge pachten, primitieve landbouwwerktuigen, ouderwetse wijze van bebouwing; hoge belastingen, afdracht aan de Kerk, prijsstijging van de industriële producten, overbevolking, veel landlopers, bedelaars en monniken, zo ziet het beeld van het Spaanse platteland eruit.

De toestand, waarin de boerenbevolking verkeert, is oorzaak, dat zij van oudsher deelneemt aan talrijke opstanden. Maar die bloedige uitbarstingen zijn plaatselijk en niet landelijk en waren verschillend getint, meestal reactionair. Zoals de Spaanse revoluties kleine revoluties waren, werden de boerenopstanden tot kleine oorlogen. Spanje is het klassieke land der “guerrilla’s.”

2. Het Spaanse leger en de politiek

Sedert de oorlog tegen Napoleon is een nieuwe macht in Spanje ontstaan: de officieren-politici, het jonge geslacht van de heersende klassen, de zeer in verval geraakte erfgenaam van de bouwvallen van het grootte rijk.

In het land van particularisme en separatisme, is het leger onder de druk der omstandigheden een geweldige macht tot centralisatie geworden. Het is niet slechts de steun der monarchie, maar ook leider van de ontevredenheid van alle partijen der heersende klassen en voor alles van zijn eigen klasse; en evenals de bureaucratie, komt het officierscorps voort uit die elementen, die in Spanje zo buitengewoon talrijk zijn, die voor alles van de Staat een bestaan eisen. Doch daar hier het aanbod de vraag verre overtreft, versterken de uitgeslotenen de republikeinse partij, die overigens al even vlottend is als alle andere Spaanse partijen. Maar waar toch dikwijls oprechte en hevige verontwaardiging leeft onder de achteruitgezetten, vormen zich van tijd tot tijd revolutionaire, dappere groepen, voor wie de republiek een geheimzinnig, heilig wachtwoord is.

Het Spaanse leger telt in totaal 170.000 manschappen, waaronder meer dan 13.000 officieren en de nog 15.000 man omvattende marine. Omdat zij het instrument van de heersende klassen zijn, slepen de officieren het leger mee in hun complotten. Gevolg hiervan is het zelfstandig optreden der soldaten. Reeds zijn in het verleden de onderofficieren in beweging gekomen zonder en tegenover hun officieren. In 1836 zijn de onderofficieren van het garnizoen van Madrid in opstand gekomen en hebben de koningin gedwongen een grondwet af te kondigen. In 1866 zijn de sergeants van de artillerie, ontevreden over de in het leger geldende aristocratische orde, aan het muiten geslagen. Evenwel bleef de leidende rol in het verleden in handen van de officieren. De soldaten liepen achter hun ontevreden chefs aan, hoewel de ontevredenheid van de soldaten, die politiek machteloos waren, uit andere diepere sociale bronnen voortkwam.

De tegenstellingen in het leger corresponderen meestal met de verschillende wapens. Hoe hoger het wapen, d.w.z. hoe meer verstand het eist van soldaten en officieren, hoe meer geschikt de laatste zijn tot het overnemen van revolutionaire denkbeelden; terwijl de cavalerie overhelt tot het koningschap, is er bij de artillerie een groot percentage republikeinen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat het nieuwe wapen, de aviatiek, zich solidair heeft verklaard met de revolutie en daarin de avontuurlijke elementen van het beroep heeft overgeplant. Het laatste woord is aan de infanterie.

De geschiedenis van Spanje is de geschiedenis van een onafgebroken reeks van revolutionaire bewegingen. Opstanden en paleisrevoluties volgden elkaar op. In de loop der 19de eeuw en het eerste derde deel der 20ste eeuw is er een voortdurende wisseling geweest van politiek regime en in elk regime een caleidoscoopachtige wisseling van ministers.

Daar de Spaanse monarchie geen voldoende steun vond bij een van de bezittende klassen ofschoon allen daar behoefte aan hadden — verviel zij dikwijls tot afhankelijkheid van haar eigen leger. Doch de verspreide ligging van de Spaanse provincies drukte haar stempel op de aard van de militaire complotten. De ongelukkige rivaliteit der junta’s (Spaanse staatsraad) was slechts het uiterlijk verschijnsel van het feit, dat de Spaanse revoluties geen leidende klassen hadden. Daardoor kwam steeds weer het koningschap zegevierend uit elke nieuwe revolutie te voorschijn. Korte tijd na het herstel der orde echter openbaarde de chronische crisis zich opnieuw in ernstige verontwaardiging. Geen enkele van de regeringen, die elkaar omverwierpen, heeft het terrein voldoende omgewerkt. Zij leden snel de nederlaag in de strijd met de moeilijkheden veroorzaakt door de schaarste van de nationale inkomsten, die ontoereikend waren om de bovenmatige eisen der leidende klasse te bevredigen. Wij hebben in het bijzonder gezien hoe schandelijk de laatste militaire dictatuur is ondergegaan. De verschrikkelijke Primo de Rivera is zelfs gevallen zonder een nieuwe opstand: hij is eenvoudig leeggelopen als een band, die over een spijker rijdt.

Alle voorafgaande staatsgrepen waren bewegingen van een minderheid tegen een andere minderheid: de leidende en aspirant-leidende klassen verdrongen elkaar ongeduldig aan de staatsruif.

Verstaan wij onder de permanente revolutie een voortdurende toename van sociale opstanden, die de macht brengen in handen van de klasse, die het best weet wat zij wil, en die vervolgens die macht aanwendt tot opheffing van alle klassen en bijgevolg tot het uitschakelen van de mogelijkheid zelfs voor nieuwe revoluties, dan moeten wij vaststellen, dat ondanks de “continuïteit” der Spaanse opstanden, deze toch niets gemeen hebben met de permanente revolutie: het zijn eerder chronische stuiptrekkingen als uitingen van de verouderde kwaal waaraan dit achterlijke volk lijdt.

De linkervleugel van de bourgeoisie, bovenal de jonge intellectuelengroep, heeft zich weliswaar sinds lange tijd tot taak gesteld Spanje tot een republiek te maken. De Spaanse studenten, die om dezelfde reden als de officieren voornamelijk voortkomen uit de ontevreden jongeren, spelen een rol, die niet in overeenstemming is met hun aantal. De overheersing van de katholieke reactie heeft de oppositie aan de universiteiten in het harnas gejaagd en aan die oppositie een antiklerikaal karakter gegeven. Doch het zijn niet de studenten, die de toon aangeven. Aan de top van de beweging der Spaanse republikeinen verenigt men zich om een buitengemeen conservatief program: het huidige reactionaire Frankrijk is het ideaal, dat men zich voor ogen stelt, in de mening, dat met de republiek de voorspoed zal komen; doch men is in de verste verte niet in staat de voetsporen der jakobijnen te drukken: de vrees voor de massa is sterker dan de haat jegens het koningschap.

Zoals de burgerlijke samenleving in Spanje veel gedeclasseerden uit leidende groepen telt, die er hun voordeel en een gemakkelijk leventje zoeken, bevatten de onderste lagen der maatschappij ontelbare lompenproletariërs, de gedeclasseerden uit de arbeidersklasse. De lazaroni met een das evengoed als de lazaroni in lompen vormen het drijfzand der maatschappij. Zij zijn voor de revolutie te gevaarlijker, omdat die laatste geen waarlijk drijvende kracht en politieke leiding vindt. Zes jaren dictatuur van Primo de Rivera hebben alle vormen van ontevredenheid en verontwaardiging tot één compacte massa gemaakt. Doch de dictatuur droeg in zich de ongeneeslijke kwaal van de Spaanse monarchie; sterk tegenover elke klassen afzonderlijk, stond zij machteloos tegenover de historische behoeften van het land. Dat was oorzaak, dat de dictatuur reeds gestrand was op de rotsen van financiële en andere moeilijkheden voor de eerste revolutionaire golf haar had kunnen bereiken. De val van Primo de Rivera heeft alle ontevredenheid en alle hoop doen ontwaken. En zo is Berenguer de portier der revolutie geworden.

3. Het Spaanse proletariaat en de nieuwe revolutie

In deze nieuwe revolutie vinden wij op het eerste gezicht dezelfde elementen terug, die in de vorige revoluties een rol hebben gespeeld: het trouweloze koningschap, groepen conservatieven en liberalen, die de koning haten en hem toch naar de ogen zien, rechtse republikeinen altijd klaar tot verraad en linkse republikeinen altijd klaar voor het avontuur; samenzwerende officieren, waarvan een deel de republiek verlangt en een ander deel: promotie, ontevreden studenten, die door hun vaders met bezorgdheid worden gadegeslagen en ten slotte stakende arbeiders verdeeld over verschillende organisaties en boeren, die naar de hooivorken, ja naar de geweren grijpen.

Toch zou het een grove fout zijn te menen, dat de huidige crisis zich precies zo ontwikkelt als alle voorgaande crises. De laatste tientallen jaren en bovenal de jaren van de wereldoorlog hebben belangrijke veranderingen gebracht in de economische toestand van het land en in de sociale structuur van het volk. Wel te verstaan staat Spanje ook nu nog achteraan in de rij der Europese landen. Toch heeft zich een nationale industrie ontwikkeld: mijnbouw, textielindustrie, inrichting van elektrische centrales, enz. Er hebben zich in het land industriecentra gevormd. Dat alles vermeerdert de inkomsten en opent nieuwe perspectieven.

Het welslagen van de industrialisering heeft de binnenlandse tegenstellingen niet verzacht. Integendeel: het feit dat Spanje als neutrale mogendheid met het in de oorlog verdiende goud zijn industrie heeft kunnen uitbreiden, is na de oorlog, toen de vraag uit het buitenland afnam, een bron van nieuwe moeilijkheden geworden. Niet alleen dat de afzet op de buitenlandse markten verdween — het aandeel van Spanje in de wereldhandel is kleiner dan voor de oorlog (1,1 pct. tegen 1,2 pct.) maar de dictatuur zag zich genoodzaakt met behulp van de hoogste tariefmuur van Europa de binnenlandse markt te verdedigen tegen de invoer van buitenlandse goederen. De te hoge invoerrechten hebben een prijsstijging veroorzaakt, die de koopkracht van het volk, voordien al niet groot, nog aanmerkelijk heeft verminderd. Vandaar dat de industrie sinds de oorlog, geen kans ziet zich te herstellen, hetgeen duidelijk blijkt aan de ene kant uit de chronische werkloosheid en aan de andere kant uit botsingen tussen de klassen.

De Spaanse bourgeoisie kan nu nog minder dan in de 19de eeuw aanspraak maken op de historische rol, die in hun tijd de Engelse en Franse bourgeoisie hebben vervuld. Te laat gekomen, afhankelijk van vreemd kapitaal als een vampier het volk uitzuigend, is de industriële grootbourgeoisie niet in staat ook maar tijdelijk de gids te worden van de “natie” tegenover de oude kasten. De industriemagnaten staan vijandig tegenover het volk en vormen de meest reactionaire groep in het blok van bankiers, industriëlen, eigenaren van latifundium, het koningschap, zijn generaals en ambtenaren, die elkaar afmaken in binnenlandse twisten. Het is voldoende er aan te herinneren, dat de voornaamste steun van Primo de Rivera gevormd werd door de industriëlen van Catalonië.

Doch de industriële ontwikkeling heeft het proletariaat in beweging gebracht en versterkt. Op 23 miljoen inwoners — zonder de emigratie zou het aantal veel groter zijn — telt men 11/2 miljoen arbeiders werkzaam in handel, industrie en transport. Daaraan moet een even groot aantal landarbeiders worden toegevoegd. Het sociale leven in Spanje moest wel in een vicieuze cirkel ronddraaien, waar er geen klasse was in staat de oplossing der revolutionaire vraagstukken ter hand te nemen. Nu het Spaanse proletariaat in het strijdperk treedt verandert de toestand volkomen en worden nieuwe uitzichten geopend. Voor alles moet men goed begrijpen, dat de bevestiging van de economische overheersing van de grootbourgeoisie en de vermeerdering van de politieke invloed van het proletariaat de middenstandsklasse beroven van de mogelijkheid een leidende plaats in te nemen in het politieke leven van het land. De vraag of de huidige revolutionaire schokken kunnen overgaan in een werkelijke revolutie, die de grondslagen van het nationale bestaan ombouwt, kan teruggebracht worden tot de vraag: is het Spaanse proletariaat in staat de leiding van het nationale leven in handen te nemen? Een andere pretendent voor deze rol is er in het Spaanse volk niet. Intussen heeft de historische ervaring in Rusland ons duidelijk laten zien het buitengewone belang van een proletariaat, werkzaam in de grootindustrie in een achterlijke agrarische staat, gevangen in een net van halffeodale verhoudingen.

De Spaanse arbeiders hebben weliswaar reeds deelgenomen aan revolutionaire worstelingen in de 19de eeuw, maar steeds in het gevolg der bourgeoisie, op het tweede plan, als hulpkracht. De onafhankelijke revolutionaire positie van de arbeiders wordt in de loop van het eerste kwart der 20ste eeuw versterkt. De opstand van Barcelona in 1909 heeft aangetoond welk een kracht er schuilt in het jonge proletariaat van Catalonië. Talrijke stakingen, die overgingen in ware opstanden vonden plaats in andere delen van het land. In 1912 vond een staking van spoormannen plaats. De industriecentra zijn omgezet in strijdperken van het dappere proletariaat.

De Spaanse arbeiders hebben getoond vrij te zijn van alle traditie en in staat op de gebeurtenissen te reageren, hun krachten te mobiliseren, stoutmoedig tot de aanval overgaande.

De eerste jaren na de oorlog of liever de eerste jaren van de Russische revolutie (1917-20) waren jaren van zware strijd voor het Spaanse proletariaat. In 1917 een revolutionaire algemene staking. Het verliezen van die staking evenals de nederlaag in volgende stakingen hebben de bodem bereid voor de dictatuur van Primo de Rivera. Toen de ineenstorting van die dictatuur weer de vraag naar voren bracht van het lot van het Spaanse volk, toen de laffe aanslagen van oude klieken en de machteloze pogingen van radicale kleinburgers duidelijk hebben bewezen, dat van die zijde geen heil te verwachten is, hebben de arbeiders door een reeks dappere stakingen acte de prèsence gegeven.

De “linkse” Europese burgerlijke journalist en ook de sociaaldemocraten, filosoferen graag met de bewering, dat ze wetenschappelijk zijn over het onderwerp, dat Spanje eenvoudig de Grote Franse Revolutie gaat herhalen met een achterstand van 150 jaren. Met die mensen over de revolutie te praten is hetzelfde als kleuren bespreken met een blinde. Ondanks zijn achterstand is Spanje ver vooruit bij het Frankrijk van het einde der 18de eeuw. Grootte industriële ondernemingen, 16.000 kilometer telegraaflijn zijn voor de revolutie factoren van oneindig groter belang dan historische herinneringen.

Het befaamde Engelse weekblad “The Economist” dat iets verder wil gaan, zegt van de gebeurtenissen in Spanje: “Het is veeleer de invloed van het Parijs van 1848 en 1871 dan die van Moskou in 1917, waarvan hier sprake is.” Doch Parijs van 1871 is een stap van 1848 naar 1917. Tegenstelling te zoeken tussen die data heeft dus geen zin.

Veel meer waarde heeft de slotsom van het artikel van L. Tarquin in de Lutte de Classes van vorig jaar: “Het proletariaat (van Spanje) gesteund door de boerenbevolking is de enige kracht, die in staat is de macht in handen te nemen... De revolutie moet uitlopen op de dictatuur van het proletariaat, die nadat het de burgerlijke revolutie heeft volbracht, stoutmoedig de weg zal openen tot socialistische opbouw.” Op dit ogenblik kan de kwestie slechts zo gesteld worden.

4. Het program van de revolutie

De republiek, dat is nu het officiële wachtwoord van de strijd. Doch de ontwikkeling van de revolutie zal niet slechts de conservatieve en liberale groepen van de heersende klassen, maar ook haar republikeinse groepen onder het vaandel van de monarchie brengen.

Tijdens de revolutionaire gebeurtenissen van 1854 schreef Canonas del Castillo: “Wij trachten de troon te handhaven, doch zonder de hofkliek, die hem onteert.” Nu ontwikkelen Romanones en de anderen deze grootse gedachte. Alsof in het algemeen de monarchie mogelijk ware zonder hofkliek en vooral in Spanje!

Een dergelijke situatie, waarbij de bezittende klassen genoodzaakt zijn het koningschap op te offeren om zichzelf te redden (zie: Duitsland) is niet uitgesloten. Toch is er een kans, dat het Madrileense koningshuis zich staande houdt, zij het met een blauw oog, tot aan de dictatuur van het proletariaat.

Het wachtwoord: republiek is ook het wachtwoord van het proletariaat. Doch voor het laatste gaat het niet alleen om de verwisseling van een koning door een president, maar om een radicale opruiming van al het vuil van het feodalisme. En hier gaat de agrarische kwestie voorop. De verhoudingen op het Spaanse platteland zijn die van halffeodale uitbuiting. De armoede der boeren vooral in Andalusië en in Castillië, het juk der landjonkers, van autoriteiten en van de kazieken [1] hebben meer dan eens de landarbeiders en arme boeren er toe gebracht openlijk hun verontwaardiging te luchten. Betekent dat, dat de mogelijkheid in Spanje bestaat zelfs door middel van de revolutie de burgerlijke verhoudingen vrij te maken van de feodale verhoudingen? Neen, het betekent slechts, dat in Spaanse verhoudingen het kapitalisme de boerenbevolking slechts kan uitbuiten in halffeodale vormen. Het wapen der revolutie richten tegen de overblijfselen van de Spaanse middeleeuwen, d.w.z. dat wapen richten tegen de wortels van de burgerlijke overheersing.

Om de boeren los te maken van lokale belangen en reactionaire invloeden heeft het proletariaat een duidelijk revolutionair-democratisch program nodig. Het gebrek aan grond en aan water, de slavernij van het pachtstelsel stellen de vraag aan de orde van de onteigening van privaat grondbezit ten bate van de arme boeren. De belastingdruk, de ondraaglijke staatsschulden, de kosten van de bureaucratie en de avonturen in Afrika stellen de vraag aan de orde van een goedkope regering, die niet zeker gesteld wordt door de eigenaren der latifundium, noch door bankiers of industriëlen of liberale adel, maar door de arbeiders zelf.

De overheersing door de geestelijkheid en de rijkdom van de Kerk leggen van tevoren deze democratische plicht op: scheiding van Kerk en Staat en de eerste ontwapenen door haar rijkdommen aan het volk te geven. Zelfs de meest bijgelovige lagen van de boerenbevolking zullen deze maatregelen steunen, wanneer men hun doet inzien, dat de bedragen van de begroting, die nu naar de Kerk gaan en de bezittingen van de Kerk zelf na de secularisatie (onteigening van kerkelijke goederen) niet in de zakken der liberale vrijdenkers terecht zullen komen, maar besteed zullen worden om de economische toestanden onder de uitgemergelde boerenbevolking te verbeteren.

De separatistische neigingen stellen de revolutie tot democratische taak: het zelfbeschikkingsrecht. Die neigingen zijn versterkt en aan de dag getreden tijdens de dictatuur. Maar terwijl het “separatisme” van de Catalaanse bourgeoisie in haar spel met de regering te Madrid slechts een werktuig is tegen het Catalaanse en Spaanse volk, is het separatisme van arbeiders en boeren slechts de vorm van hun sociale verontwaardiging. Wij moeten een duidelijk onderscheid maken tussen die twee soorten van separatisme. Om de onderdrukte arbeiders en boeren nationaal van hun bourgeoisie te scheiden, moet de proletarische voorhoede in de vraag van het zelfbeschikkingsrecht de meest stoutmoedige, oprechte houding innemen. De arbeiders moeten onvoorwaardelijk verdedigen het recht van Catalanen en Basken hun onafhankelijk nationaal bestaan te organiseren ingeval de meerderheid van die volkeren zich uitspreekt voor algehele afscheiding. Dat wil evenwel niet zeggen, dat de vooraanstaande arbeiders de Catalanen en Basken moeten drijven tot onafhankelijkheid. Integendeel de economische eenheid van het land met een grote autonomie voor nationale landstreken biedt aan arbeiders en boeren grote voordelen uit economisch en cultureel oogpunt.

Een poging van de monarchie om de ontwikkeling van de revolutie te verhinderen met behulp van een nieuwe militaire dictatuur is volstrekt niet uitgesloten. Doch dat een dergelijke poging op de duur zou slagen is wel uitgesloten. De les van Primo de Rivera ligt nog vers in het geheugen. Men zou de nieuwe dictatuur moeten aansluiten bij de nog niet geheelde wonden van de oude. Uit de telegrammen te oordelen wil de koning dit experiment wel aan: hij zoekt een geschikte kandidaat, maar er biedt zich niemand aan. Eén ding staat vast: zou die nieuwe dictatuur de nederlaag lijden, dan zou dat aan de monarchie en haar waardige vertegenwoordiger duur te staan komen: wat de revolutie betreft, zij zou er door worden opgestuwd. De arbeiders kunnen tot de leidende klassen zeggen: “Faites vos jeux, messieurs!” [2]

Mag men aannemen dat de Spaanse revolutie het parlementaire tijdperk zal overspringen? Theoretisch is dat niet uitgesloten. Men mag veronderstellen, dat de revolutionaire beweging in een betrekkelijk kort tijdsverloop zoveel macht zal verkrijgen, dat zij aan de heersende klassen tijd noch gelegenheid zal laten voor het parlementarisme. Toch is een dergelijk vooruitzicht weinig waarschijnlijk. Het Spaanse proletariaat bezit ondanks zijn uitstekende strijdvaardigheid nog niet een erkende revolutionaire partij, noch de ondervinding van de sovjetorganisatie. Bovendien vormen de weinig talrijke communisten geen eenheid. Er is geen helder en door allen onderschreven program van actie. Ondertussen is het vraagstuk van de Cortes reeds aan de orde gesteld. Onder die omstandigheden moet men wel aannemen, dat de revolutie genoodzaakt zal zijn een parlementaire periode door te maken.

Dat sluit volstrekt niet uit een tactiek van boycot van de fictieve Cortes van Berenguer, zoals de Russische arbeiders met succes de Doema van Boelyguin hebben geboycot in 1905 en haar hebben doen stranden. De tactische kwestie inzake de boycot moet beslist worden op de basis van de verhouding van krachten tot een bepaalde etappe van de revolutie.

Doch zelfs terwijl zij de Cortes van Berenguer boycotten zouden de vooruitstrevende arbeiders daar tegenover moeten stellen het wachtwoord: wetgevende, revolutionaire Cortes. Wij moeten zonder pardon het kwakzalverachtige karakter aan de kaak stellen van het wachtwoord: wetgevende Cortes in de mond van de “linkse” bourgeoisie, die in waarheid slechts verzoenende Cortes wenst bij de gratie van de koning en van Berenguer om tot een vergelijk te komen met de oude heersende, bevoorrechte klieken. Een waarlijk wetgevende vergadering kan slechts bijeengeroepen worden door een revolutionaire regering als gevolg van een geslaagde opstand van arbeiders, soldaten en boeren. Wij kunnen en moeten de revolutionaire Cortes plaatsen tegenover de verzoenende Cortes; doch naar mijn mening zou het verkeerd zijn om in het huidige stadium af te zien van de leuze: revolutionaire Cortes. Het zou het meest jammerlijke en onvruchtbare dogmatisme zijn, om de leuze van de dictatuur van het proletariaat te stellen tegenover de taken en wachtwoorden van de revolutionaire democratie (republiek, agrarische revolutie, scheiding van Kerk en Staat, onteigening van de kerkelijke goederen, nationale onafhankelijkheid, revolutionaire wetgevende vergadering). Voordat ze de macht veroveren, moeten de volksmassa’s zich verzamelen rondom een leidende revolutionaire partij. De strijd voor democratische vertegenwoordiging evenals de deelname aan het werk der Cortes in een of andere etappe van de revolutie kan de uitvoering van die taak zeer vergemakkelijken.

Het wachtwoord: de bewapening van arbeiders en boeren (vorming van een arbeiders- en boerenleger) zal onvermijdelijk in de strijd een steeds belangrijker rol gaan spelen. Toch moet in de huidige etappe die leuze nauw verbonden worden met de vraagstukken van het behoud der arbeiders- en boerenorganisaties, van de agrarische opstand, van de vrijheid der verkiezingen en van de bescherming van het volk tegen de reactionaire opstanden.

Het radicale program van sociale wetgeving in het bijzonder de werklozenverzekering, het leggen van de belastingdruk op de bezittende klassen, algemeen kosteloos onderwijs — al deze en dergelijke maatregelen, die nog niet gaan buiten het raam der burgerlijke maatschappij moet de proletarische partij in haar vaandel schrijven.

Tegelijkertijd moet men van nu af overgangseisen naar voren brengen: het nationaliseren van de spoorwegen, die in Spanje alle privaat bezit zijn; het nationaliseren van de bodemschatten, van de banken; arbeiderscontrole over de industrie; in een woord het regelen van het economisch leven door de Staat. Al die eisen staan in verband met de overgang van het burgerlijk regime naar het proletarische; zij bereiden de weg tot die overgang om, na het nationaliseren van de banken en de industrie, zich op te lossen in het geheel van economische maatregelen, dat de socialistische maatschappij voorbereidt. Slechts de waanwijzen kunnen een tegenstelling zien in de verbinding van de democratische leuzen met de leuzen voor de overgangstijd en de zuiver socialistische leuzen. Een dergelijk samengesteld program, dat de tegenstrijdige bouw van de historische maatschappij weerspiegelt, vloeit onvermijdelijk voort uit de verscheidenheid der taken, die een erfenis van het verleden zijn. Alle tegenstellingen en alle taken onder één noemer te willen brengen, nl. deze: de proletarische dictatuur — dat is een noodzakelijke, doch een onvoldoende bewerking. Zelfs al doet men een stap voorwaarts in de veronderstelling, dat de proletarische voorhoede zich reeds rekenschap heeft gegeven van het feit, dat slechts de proletarische dictatuur Spanje zal kunnen redden van de ontbinding, dan blijft toch nog het verzamelen rondom de voorhoede van de lagen der arbeidersklasse en van de nog meer heterogene werkers op het land, in al zijn omvang tot voorlopige taak gesteld. De scherpe leuze van de proletarische dictatuur stellen tegenover de historische taken, die vandaag de massa’s voeren tot opstandigheid, zou betekenen de marxistische opvatting van de revolutie te vervangen door de opvatting van Bakoenin. Dat zou het zekerste middel zijn om de revolutie te verliezen.

Onnodig te zeggen, dat de democratische leuzen niet de toenadering van het proletariaat tot de republikeinse bourgeoisie ten doel hebben. Integendeel zij scheppen het terrein voor de zegevierende strijd tegen de linkse bourgeoisie daar zij in staat zijn bij elke gelegenheid haar antidemocratisch karakter te ontmaskeren. Hoe stoutmoediger, beslister en onmeedogender de strijd van de proletarische voorhoede voor de democratische leuzen is, hoe sneller deze de massa’s zal winnen en de rijen van republikeinse burgers en van reformistische socialisten zal ondermijnen en hoe groter de zekerheid, dat hun beste elementen zich aan onze zijde zullen scharen des te sneller zal de democratische republiek zich in de geest der massa vereenzelvigen met de arbeidersrepubliek.

Opdat een nauwkeurig begrepen theoretische formule een levend historisch feit worde, moet men haar doen doordringen in de geest der massa met behulp van haar ervaring, haar behoeften en noden. Daartoe is het nodig zich niet te verliezen in onderdelen, de aandacht der massa niet te verspreiden, doch het program der revolutie terug te brengen tot een klein aantal duidelijke en eenvoudige leuzen en die te vervangen door anderen naarmate de strijd voortgang heeft. Daarin bestaat de revolutionaire politiek.

5. Communisme, anarchosyndicalisme en sociaaldemocratie

Zoals gewoonlijk heeft de leiding van de Komintern in het begin geen aandacht geschonken aan de Spaanse gebeurtenissen. Manoeilsky, de “aanvoerder” van de Latijnse landen heeft nog kort geleden verklaard, dat de gebeurtenissen in Spanje geen aandacht verdienden. Die mensen hebben in 1928 verklaard, dat Frankrijk stond aan de vooravond van een proletarische opstand. Na zo lange tijd de begrafenis te hebben opgeluisterd met bruiloftsmuziek, moeten zij de bruidsstoet wel opwachten met een treurmars. Anders handelen zou in hun geval verraad hebben betekend. Toen desalniettemin bewaarheid werd, dat de gebeurtenissen in Spanje, die niet voorzien waren in de almanak der “derde periode”, zich verder ontwikkelden, hebben de leiders van de Komintern er het zwijgen toe gedaan, hetgeen stellig van voorzichtigheid getuigde. Doch de decembergebeurtenissen hebben het onmogelijk gemaakt langer stommetje te spelen. En de traditie getrouw heeft opnieuw de aanvoerder van de Latijnse landen een zwenking van 180° gemaakt: wij hebben het oog op het Pravda artikel van 17 december. De dictatuur van Berenguer wordt evenals de dictatuur van Primo de Rivera in dit artikel aangeduid als “fascistisch regime”. Mussolini, Matteoti, Primo de Rivera, Mac Donald, Tsjang Kai-sjek, Berenguer, Dan — alles slechts verschillende soorten van fascisme. Er is een stempel op gedrukt, waarom nu nog langer er over nagedacht? Er blijft ons slechts over aan deze reeks het “fascistische” regime van de negus van Abessinië toe te voegen. Over het Spaanse proletariaat schrijft de Pravda niet alleen “dat het meer en meer het program en de leuzen van de Spaanse communistische partij overneemt,” maar ook dat het zich “reeds bewust is van zijn rol van hegemonie in de revolutie.” Terzelfder tijd spreken de officiële telegrammen van Parijs over de boerensovjets in Spanje. Het is van algemene bekendheid, dat onder stalinistische leiding het sovjetstelsel bovenal wordt overgenomen en toegepast door de boeren (China!). Daar het proletariaat zich reeds “bewust is van zijn rol van hegemonie in de revolutie” en daar de boeren begonnen zijn sovjets te organiseren alles onder de officiële leiding van de Communistische Partij, moet de overwinning van de Spaanse revolutie als verzekerd beschouwd worden — ten minste tot het ogenblik, dat de “uitvoerders” van Madrid door Stalin en Manoeilsky er van beschuldigd zullen worden slecht de algemene lijn te hebben toegepast, die zich in de kolommen van de Pravda aan ons openbaart als onwetendheid en algemene lichtzinnigheid. Door hun eigen politiek bedorven tot in het merg, zijn die “aanvoerders” niet meer in staat iets te leren.

In werkelijkheid zijn ondanks de grote uitgebreidheid van de strijd de “subjectieve” factoren — partij van de massa, leuzen — ver achter bij de taken der beweging en dit achter zijn levert nu het ernstigste gevaar op.

De golf van stakingen, die ontketend is en die uitloopt op opofferingen en nederlagen of zonder resultaat eindigt, is een der onvermijdelijke etappen van de revolutie; het is het tijdperk van de ontwaking der massa, haar mobilisatie en eerste deelname aan de strijd. Het is niet alleen de voorhoede der arbeiders, die deelneemt aan de beweging, doch de gehele massa van werkers. In staking gaan niet slechts de fabrieksarbeiders, doch ook de ambachtslieden, de chauffeurs, de bakkers, de bouwvakarbeiders, de arbeiders van de irrigatiewerken, ja ook de landarbeiders. De veteranen gaan uitrusten, de jongeren leren. Door die stakingen ontwikkelt zich het gevoel van saamhorigheid van de klasse.

Maar wat in de huidige etappe de kracht van de beweging uitmaakt — haar spontaniteit — kan op de duur haar zwakke punt worden. Toegeven dat de beweging blijvend aan haar eigen lot kan worden overgelaten zonder duidelijk program, zonder leiding, zou betekenen toegeven, dat de vooruitzichten hopeloos zijn. Het gaat om niets minder dan de verovering van de macht. Zelfs de meest onstuimige stakingen volbrengen die taak niet. Bovenal niet, wanneer ze verlopen. Indien het proletariaat niet binnen enkele maanden in het verloop van de strijd bemerkt dat zijn taken en methoden hem duidelijk geworden zijn en dat zijn rijen dichter en meer aaneengesloten worden, dan zal onvermijdelijk een afscheiding volgen in eigen boezem. Brede lagen door de huidige beweging voor de eerste maal gewekt, zullen terugvallen in de passiviteit. Al naar mate de grond onvaster gaat worden onder zijn voeten zal de voorhoede een geestesgesteldheid gaan veroorzaken gunstig voor het avonturisme. Noch de boeren, noch de arme stadsbevolking zouden in dat geval hun onbetwiste leiding vinden. De gewekte hoop zou snel omslaan in teleurstelling en verbittering. Men zou tot op zekere hoogte in Spanje een herhaling aanschouwen van de toestand in Italië na de herfst van 1920. De dictatuur van Primo de Rivera was niet fascistisch, doch een typische Spaanse dictatuur van een militaire kliek, die steunde op een bepaald deel der bezittende klassen. In de omstandigheden hierboven genoemd — passiviteit en afwachting bij de revolutionaire partij, spontaniteit in de beweging van de massa zou Spanje het terrein kunnen worden van het echte fascisme. De grote bourgeoisie zou zich meester maken van de kleinburgerlijke, verlaten, misleide en wanhopige massa’s om hun verontwaardiging tegen het proletariaat te keren. Wel te verstaan zijn wij daar nog ver van verwijderd. Doch er is geen tijd te verliezen.

Nemen we voor een ogenblik aan, dat de revolutionaire beweging geleid door de linkervleugel der bourgeoisie — de officieren, de studenten, de republikeinen — tot de overwinning zou kunnen leiden, dan zou de onvruchtbaarheid van die overwinning per slot van rekening gelijk blijken te staan met een nederlaag. De Spaanse republikeinen staan, zoals we reeds opmerkten, geheel op de basis van de huidige eigendomsverhoudingen. Van hen heeft men noch de naasting van het grote agrarische privaat bezit, noch de liquidatie van de bevoorrechte positie van de katholieke kerk, noch een radicale reiniging van de augiasstal van de burgerlijke en militaire bureaucratie te verwachten. De hofkliek zou eenvoudig vervangen worden door de republikeinse kliek en wij zouden een nieuwe uitgave krijgen van de kortstondige en onvruchtbare republiek van 1873-74.

Het feit, dat de socialistische leiders achter de republikeinen aanlopen ligt in de aard der dingen. Gisteren steunde de sociaaldemocratie met haar rechterschouder tegen de dictatuur van Primo de Rivera. Vandaag steunt ze met haar linkerschouder tegen de republikeinen. De hoogste taak voor de socialisten, die geen eigen politiek hebben of kunnen hebben, is deel uit te maken van een stevige burgerlijke regering. Op die voorwaarde zouden zij bij gebrek aan beter niet weigeren zelfs met de monarchie samen te werken.

De rechtervleugel der anarchosyndicalisten is evenwel volstrekt niet veilig gesteld tegen hetzelfde gevaar: de decembergebeurtenissen zijn een goede les en een ernstige waarschuwing in die richting.

Ongetwijfeld verzamelen zich rondom de Confédération Nationale du Travail de meest strijdvaardige elementen van het proletariaat.

Gedurende een reeks van jaren heeft hier selectie plaats gehad. Deze bond consolideren en hem omvormen tot een werkelijke organisatie van de massa’s is plicht voor elk vooruitstrevend arbeider en in de eerste plaats voor de communisten. Men kan daartoe bijdragen door te werken in de reformistische vakverenigingen en daar onverdroten het verraad van de leiders te ontmaskeren en de arbeiders op te roepen zich te verenigen in één groot vakverbond. De voorwaarden van de revolutie zullen dat werk zeer bevorderen. Maar tegelijkertijd moeten wij ons geen illusies maken over het lot van het anarchosyndicalisme als leer en revolutionaire methode. Door het ontbreken van een revolutionair program en het verkeerd begrip van de rol van de partij ontwapent het anarchosyndicalisme het proletariaat. De anarchisten “ontkennen” de politiek tot het ogenblik, dat de laatste hen bij de kraag grijpt: dan maken zij plaats voor de politiek van de vijandige klasse. Dat is in december gebeurd! Indien de socialistische partij gedurende de revolutie een overwegende invloed had verkregen op het proletariaat, zou zij nog slechts tot één ding in staat zijn geweest: de door de revolutie verkregen macht overgeven in handen van de republikeinse vleugel, die haar automatisch zou doorgeven naar de handen van de huidige onrechtmatige bezitters. De verlossing zou uitlopen op een miskraam.

Wat de anarchosyndicalisten betreft, zij zouden slechts de leiding kunnen nemen op voorwaarde van het afzien van hun anarchistische vooroordelen. Het is onze plicht hen in die zin te helpen. In werkelijkheid moet men aannemen, dat een deel van de syndicalistische leiders over zou lopen naar de socialisten of door de revolutie op zij zou worden gezet; de echte revolutionairen zullen aan onze zijde staan; de massa’s zullen zich bij de communisten voegen evenals de meerderheid der socialistische arbeiders.

Het voordeel van de revolutionaire situatie bestaat juist hierin, dat de massa’s snel leren. De evolutie van de massa’s veroorzaakt onvermijdelijk scheiding en scheuring, niet alleen in socialistische kringen, maar ook in syndicalistische. In de loop der revolutie is een praktische overeenkomst met de revolutionaire syndicalisten onafwijsbaar. Die overeenkomst zal loyaal door ons worden uitgevoerd. Doch het zou noodlottig zijn in die overeenkomsten iets te leggen van dubbelzinnigheid, valsheid of een verzwijgen van de waarheid. Zelfs op de dag en in het uur dat de communistische arbeiders zij aan zij; moeten strijden met de syndicalistische arbeiders moet men de scheidsmuur van het beginsel niet omverhalen en de verschillen verzwijgen of de kritiek op de verkeerde stelling van het beginsel van de bondgenoot verzachten. Slechts op deze voorwaarde zal de voortgaande ontwikkeling van de revolutie verzekerd zijn.

6. Het revolutionaire comité en de partij

De 15de december toen de arbeiders gelijktijdig zijn opgestaan niet slechts in de grote steden, maar ook in de afgelegen dorpen, toont aan hoezeer het proletariaat zelf streeft naar eenheid van optreden. Het heeft gebruik gemaakt van het sein der republikeinen, omdat het zelf nog geen klaroen bezit. De nederlaag van die beweging heeft zelfs geen schaduw van inzinking veroorzaakt. De massa neemt haar eigen daden op als een ervaring, als een school, als een voorbereiding. Dat is een buitengewoon karakteristieke trek van de revolutionaire ontwikkeling.

Om toegang te krijgen tot de groten weg, heeft het proletariaat sedert behoefte aan een organisatie, die staat boven alle politieke, nationale, provinciale en beroepsverdeeldheid, die er in de rijen van het proletariaat bestaat; een organisatie die beantwoordt aan het elan van de huidige revolutionaire strijd. Zulk een organisatie democratisch gekozen door de fabrieksarbeiders, de mijnwerkers, de handelsbedienden, het spoorwegpersoneel en de transportarbeiders, door de proletariërs van stad en land — dat kan slechts de sovjet zijn. De epigonen hebben de arbeidersbeweging over de gehele wereld zeer veel kwaad gedaan door in de geesten dit vooroordeel te planten, dat de sovjets slechts kunnen worden gevormd ter wille van een gewapende opstand, en uitsluitend aan de avond voorafgaand van die opstand. In werkelijkheid worden de sovjets daar gevormd, waar de revolutionaire beweging van de arbeidersmassa’s, hoewel nog verre verwijderd van de gewapende opstand de behoefte gevoelt aan een grote, onaangevochten organisatie, in staat de economische en politieke strijd te leiden, die zich achtereenvolgens in verschillende ondernemingen en beroepen voordoen. Slechts op deze voorwaarde d.w.z. wanneer de sovjets er in zullen slagen gedurende het voorbereidende tijdperk voor de revolutie vaste voet te krijgen in de arbeidersklasse, zullen zij in staat zijn de leidende rol te spelen op het ogenblik van de directe strijd om de macht. Het is een feit, dat het woord “sovjet” na een bestaan van 13 jaren van het sovjetstelsel een betekenis heeft aangenomen aanmerkelijk verschillend van die, welke het had in 1905 of in het begin van 1917 toen de sovjets gevormd werden niet als machtsorganen, maar louter als strijdorganisaties van de arbeidersklasse. Het woord junta, dat nauw verbonden is met de gehele revolutionaire geschiedenis van Spanje, drukt deze gedachte uitstekend uit. Op de dagorde in Spanje staat de vorming van arbeidersjunta’s.

In de huidige situatie van het proletariaat veronderstelt de vorming van junta’s de deelname van communisten, anarchosyndicalisten, sociaaldemocraten en partijloze leiders van stakingen. In welke mate kan men rekenen op het deelnemen van anarchosyndicalisten en sociaaldemocraten aan de sovjets? Het is moeilijk, dat te voorzien in het buitenland. Het enthousiasme van de beweging zal zonder twijfel talrijke syndicalisten en misschien een deel der socialisten noodzaken veel verder te gaan dan ze wensen, indien de communisten erin slagen het vraagstuk van de arbeidersjunta’s met de nodige kracht aan de orde te stellen.

Onder de druk der massa’s kunnen en moeten de praktische vragen van de bouw der sovjets, de wijze van vertegenwoordiging, de datum en middelen van de verkiezingen, enz. het onderwerp worden van een overeenkomst niet alleen van alle groepen communisten onderling, doch ook met de syndicalisten en de socialisten, die erin toestemmen mede te werken tot vorming der junta’s.

De communisten zijn wel te verstaan bij elke etappe van de strijd present met ontplooide banier.

Ondanks de nieuwe stalinistische theorie over de boerensovjets is het weinig waarschijnlijk, dat de boerenjunta’s als verkiesbare organisaties in voldoend aantal zullen ontstaan voordat het proletariaat de macht neemt. Gedurende het voorbereidende tijdperk zal het platteland een andere vorm zich zien ontwikkelen niet gebaseerd op de verkiesbaarheid, maar op de persoonlijke keuze: boerenbonden, comités van arme boeren, communistische kernen, vakverenigingen van landarbeiders, enz. Toch kan de propaganda voor de leuze: boerenjunta’s op de basis van het agrarische revolutionaire program reeds nu aan de orde worden gesteld. Het is van groot belang de kwestie der soldatenjunta’s zuiver te stellen. Volgens de aard van een militaire organisatie, kunnen de sovjets van soldaten pas ontstaan in het laatste tijdperk van de revolutionaire crisis, wanneer de staatsmacht de controle over het leger verliest. In de voorbereidende periode gaat het slechts om een organisatie van gesloten karakter, groepen revolutionaire soldaten, partijcellen, in veel gevallen persoonlijke verbindingen tussen arbeiders en soldaten.

De republikeinse opstand van december 1930 zal ontegenzeggelijk in de historie worden opgetekend als de grens tussen twee tijdvakken van de revolutionaire strijd. Weliswaar heeft de linkervleugel der republikeinen een verbinding tot stand gebracht met de leiders der arbeidersorganisaties om de eenheid van handelen te verkrijgen. De ontwapende arbeiders moesten de rol van koor spelen naast de republikeinse leiders. Dat doel is verwezenlijkt geworden in een voldoende mate om eens vooral aan te tonen, dat een samenzwering van officieren onverenigbaar is met revolutionaire staking. Tegen de militaire samenzwering, die het ene wapen tegenover het andere stelde, heeft de regering voldoende krachten gevonden in de boezem van het leger zelf. En de staking zonder onafhankelijk doel en eigen leiding was gedoemd tot mislukking zodra de militaire opstand was onderdrukt. De revolutionaire rol van het leger niet als een werktuig tot experimenteren voor de officieren, maar als gewapend deel van het volk zal in laatste instantie bepaald worden door de rol, die arbeiders en boeren in de loop van de strijd vervullen. Opdat de revolutionaire staking een succes zij, moet zij uitlopen op een samengaan van de arbeiders en het leger. Hoe belangrijk ook de militaire elementen zijn in een dergelijk samengaan, de politiek overheerst daarbij. De massa der soldaten te winnen is slechts mogelijk door de sociale opgaven van de opstand duidelijk te formuleren. En juist de sociale opgaven schrikken de officieren af. Het spreekt vanzelf, dat de proletarische revolutionairen van nu af hun aandacht wijden aan de soldaten door in de regimenten cellen te vormen van bewuste en dappere revolutionairen. De communistische arbeid in het leger politiek ondergeschikt aan het werk onder arbeiders en boeren, kan zich slechts ontwikkelen op de basis van een duidelijk program. Wanneer het beslissende ogenblik daar zal zijn, moeten de arbeiders door hun aantal en door de kracht van hun aanval een groot deel van het leger meeslepen naar de zijde van het volk of althans het neutraliseren. Deze brede, revolutionaire opvatting van de vraag sluit de militaire “samenzwering” van de vooruitstrevende soldaten en met de proletarische revolutie sympathiserende officieren in de periode, die onmiddellijk voorafgaat aan de algemene staking en de opstand niet uit.

Een dergelijk soort “samenzwering” heeft evenwel niets gemeen met de vroegere opstanden (pronunciamiento) haar taak heeft een hulpverlenend karakter en bestaat daarin de overwinning van de proletarische opstand te verzekeren.

Voor de zegevierende vervulling van al die taken zijn drie voorwaarden nodig: een partij, nog eens: een partij en wederom: een partij. Hoe de betrekkingen tussen de verschillende communistische organisaties en groepen van nu zich zullen regelen en wat hun lot in de toekomst zal zijn, daarover kan men in het buitenland moeilijk oordelen. De ondervinding zal het leren. Grote gebeurtenissen stellen onfeilbaar ideeën, organisaties en mensen op de proef. Indien de leiding van de Komintern zich niet in staat toont iets anders voor te stellen aan de Spaanse arbeiders dan een verkeerde politiek, een bureaucratisch bevel en de scheiding, dan zal de echte communistische partij van Spanje zich vormen en zich krachtig maken buiten het raam van de Komintern. In elk geval, de partij moet gevormd worden, zij moet een gecentraliseerde eenheid vormen. De arbeidersklasse moet in geen geval haar politieke organisatie bouwen op federalistische grondslag. De communistische partij is niet het beeld van het toekomstige regime van de Spaanse staat, maar een stalen hefboom om het bestaande regime omver te werpen. Zij kan niet anders georganiseerd worden dan op de beginselen van het democratische centralisme.

De proletarische junta zal een ruim strijdperk worden, waarin elke partij of elke groep onderworpen zal zijn aan de proef en het examen voor de ogen van de brede massa’s. De leuze van het eenheidsfront der arbeiders zal door de communisten worden gesteld tegenover de coalitiepraktijk met de bourgeoisie van de socialisten en een deel der syndicalisten. Alleen het revolutionaire eenheidsfront zal aan het proletariaat het onmisbaar vertrouwen schenken der onderdrukte massa’s van land en stad.

De verwezenlijking van het eenheidsfront is slechts mogelijk onder de vaan van het communisme. De junta heeft behoefte aan een leidende partij. Zonder stevige leiding zal ze een lege vorm van organisatie blijven en in afhankelijkheid geraken van de bourgeoisie.

Dus rust op de Spaanse communisten een grootse historische taak. De vooruitstrevende arbeiders zullen met gespannen aandacht de ontknoping van het grote revolutionaire drama volgen, dat vroeger of later niet alleen hun sympathie, doch ook hun hulp zal vereisen. Laten we ons gereed houden!


[1] De eigenlijke niet-officiële heersers in bepaalde streken.
[2] Waarschuwing in de speelzalen, dat het tijd is voor de inzet.