Leon Trotski

Geen woorden maar daden



Geschreven: 3 oktober 1932
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands
Vertaling: onbekend
Deze versie: spelling en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2007


Overgenomen uit La Lutte des classes

Brief aan de kameraden te Peking

Welke zijn op dit ogenblik de voornaamste kenmerken van de politieke toestand in China? De twee belangrijkste revolutionaire vraagstukken, het nationale en het agrarische staan er nog slechter voor dan voorheen. Het slepende, doch in het algemeen zegevierende verloop van de oorlog der boeren levert het bewijs voor het feit, dat de dictatuur der Kwomintang niet in staat blijkt het platteland tevreden te stellen noch vrees aan te jagen. De interventie van Japan te Sjanghai en de annexatie van Mantsjoerije hebben het militaire bankroet van de dictatuur der Kwomintang duidelijk in het licht gesteld. De machtscrisis, die de laatste jaren onafgebroken voortduurt, moest wel verscherpen. De onderlinge strijd tussen de militaire klieken verwoest wat er nog aan saamhorigheid van het land over is.

Wel heeft de oorlog van de boeren de intellectuelen, die verbindingen hebben met het platteland, geradicaliseerd, doch de Japanse interventie heeft politiek leven gewekt onder de kleinburgerlijke bevolking der steden. Dat heeft de machtscrisis nog weer verscherpt. Vast staat dat slechts een deel van de zogenaamde “nationale” bourgeoisie overhelt tot de overtuiging dat het regime van de Kwomintang veel neemt en weinig geeft. Eisen dat de periode van “opvoeding” van de Kwomintang beëindigd wordt, staat gelijk met eisen dat men van de militaire dictatuur overgaat tot het parlementarisme.

De pers van de linkse oppositie heeft het regime van Tsjang Kai-sjek wel eens een fascistisch bewind genoemd. Deze mening heeft post gevat in verband met het feit dat in China, evenals in Italië, de militaire en politieke macht zijn samengetrokken in de handen van één enkele burgerlijke partij met uitsluiting van alle andere partijen, in het bijzonder de arbeidersorganisaties. Doch na de ervaringen van de laatste jaren, die ingewikkelder zijn geworden door de verwarring die de stalinisten hebben gesticht inzake het vraagstuk van het fascisme, zou het toch niet juist zijn de dictatuur van de Kwomintang gelijk te stellen met fascisme. Hitler evenals indertijd Mussolini steunt bovenal op de contrarevolutionaire kleinburgers: daar vindt men de bloem van het fascisme. De Kwomintang ontbeert dit steunpunt. Terwijl in Duitsland de boeren achter Hitler staan en daardoor indirect von Panen steunen, voeren de boeren in China een verbitterde oorlog tegen Tsjang Kai-sjek.

Het regime van de Kwomintang vertoont meer bonapartistische eigenschappen dan het fascisme: daar zij niet de geringste sociale grondslag bezit, zit de Kwomintang bekneld tussen de imperialisten en de leiders der Europese handelshuizen aan de ene kant en de revolutionaire beweging aan de andere kant. Het bonapartisme kan er echter slechts aanspraak op maken blijvend te zijn wanneer de landhonger der boeren zal zijn gestild. In dat geval verkeert China niet. Vandaar de machteloosheid van de militaire dictatuur, die zich slechts staande houdt dank zij de verdeeldheid van haar vijanden. Waar deze sterker opdringen, wordt zij zelf ontwricht. Het proletariaat heeft in de revolutie van 1925-1927 moreel en fysiek het meest geleden. Dat verklaart waarom nu de arbeiders achter staan bij de andere klassen en in die omstandigheid verkeren niet alleen ten opzichte van de kleinburgerij, te beginnen met de studenten, doch ook in zekere zin ten opzichte van de boeren. Het spreekt overigens vanzelf dat de derde Chinese revolutie niet alleen niet zal slagen, maar zelfs niet zal plaats hebben zolang de arbeidersklasse niet opnieuw in het strijdperk is getreden.

De leuzen van de revolutionaire democratie passen opperbest bij de voorrevolutionaire politieke toestand van China.

Dat de boeren, welke ook hun nationaliteit mag zijn, vechten voor de doeleinden van de agrarische kleinburgerij, behoeft voor een marxist niet nader te worden aangetoond. De leuze van een onafhankelijk China opnieuw naar voren gekomen door de interventie van Japan, is een leuze van de nationale democratie. De machteloosheid van de militaire dictatuur en de verdeling van het land onder militaristische benden brengen de leuze van de politieke democratie op de dagorde.

De studenten roepen: “Weg met de regering der Kwomintang!” De voorhoede der arbeidersgroepen ondersteunt deze leuze. De “nationale” bourgeoisie eist de invoering van een constitutioneel bewind. De boeren komen in verzet tegen het gebrek aan land, de druk van militairen en ambtenaren en de woekerleningen. Onder deze omstandigheden kan de partij van het proletariaat geen andere algemene politieke leuze aanheffen dan die van de Nationale Vergadering (de Constituante).

Wil dat zeggen — zo zal men ons vragen — dat wij van de huidige regering eisen de Nationale Vergadering samen te roepen of dat wij ons gereed maken haar zelf samen te roepen? Het is — althans in het tegenwoordige stadium — te formeel om de zaak zo te stellen. Lange jaren had de Russische Revolutie deze twee leuzen: “Weg met het absolutisme” en “Leve de Constituerende Vergadering.” Op de vraag: “Wie zal de Const. Vergadering bijeenroepen?”, hebben wij geruime tijd geantwoord: de toekomst zal het leren, d.w.z. de verhouding der krachten zoals die tot ontwikkeling zal komen in de loop der revolutie zelf. Deze wijze van behandeling van de vraag blijft juist ook voor China. Zal de regering van de Kwomintang in het ogenblik van haar ondergang, trachten een of ander vertegenwoordigend lichaam samen te roepen? Wat zal onze houding te dien opzichte zijn, d.w.z. hoe zullen wij ze aanwenden ten bate van de revolutie, hetzij wij de verkiezingen boycotten, hetzij wij eraan deelnemen? Zal het de revolutionaire massa’s gelukken een onafhankelijk regeringsorgaan te scheppen, dat de taak op zich zal nemen de Nationale Vergadering bijeen te roepen? Zal het proletariaat erin slagen om in de loop van de strijd voor de leuzen der democratie sovjets te vormen? Zullen die laatste de bijeenroeping der Nationale Vergadering niet overbodig maken? Dat alles kan nu niet voorspeld worden. Het is overigens niet onze taak om voorspellingen te doen, doch om de arbeiders in beweging te brengen voor de leuzen die uit de politieke toestand voortvloeien. Onze tactiek is een tactiek van revolutionaire actie en niet van abstracte beschouwingen.

Uit hoofde van de feiten richt zich momenteel de revolutionaire beweging allereerst tegen de regering van de Kwomintang. Wij zeggen aan de massa, dat de dictatuur van Tsjang Kai-sjek de voornaamste hinderpaal is op de weg naar de Nationale Vergadering en dat men China slechts kan bevrijden van de militaristische benden door de gewapende opstand. De mondelinge en schriftelijke propaganda, de stakingen, de meetings, de betogingen, de boycot, alles moet zijn hoogtepunt vinden in de leuzen: Weg met de Kwomintang! Leve de Nationale Vergadering! Welke concrete vraagstukken zij overigens behandelen.

Om de werkelijke nationale bevrijding te bereiken moet de Kwomintang omver geworpen worden. Doch dat wil niet zeggen dat wij de strijd uitstellen tot het ogenblik dat de Kwomintang omver geworpen zal zijn. Hoe meer de strijd tegen de vreemde onderdrukking veld wint, hoe groter de moeilijkheden voor de Kwomintang. Hoe meer wij de massa in opstand doen komen tegen de Kwomintang, hoe meer de strijd tegen het imperialisme zich zal ontwikkelen. Op het hoogtepunt van de Japanse interventie vroegen de arbeiders en studenten om wapens. Aan wie? Al weer aan de Kwomintang. Het zou een sektarische domheid zijn die eis niet te stellen onder voorwendsel, dat wij de Kwomintang omver willen werpen. Wij willen haar omver werpen, maar wij zijn nog niet zover. Hoe krachtiger wij de bewapening der arbeiders eisen, des te eerder zullen wij zover zijn. De officiële communistische partij vraagt ondanks zijn uiterst links zijn, “de hervatting van de Russisch-Chinese betrekkingen”, welnu deze leuze richt zich rechtstreeks tot de regering van de Kwomintang. Die eis stellen betekent volstrekt niet dat men “vertrouwen” heeft in de Kwomintang; integendeel, die leuze heeft ten doel om de positie van de Kwomintang ten opzichte van de massa te bemoeilijken. Enkele leiders van de Kwomintang hebben van nu af de leuze van het herstel der betrekkingen met de USSR weer voor hun rekening moeten nemen. Wij weten, dat er bij die heren een grootte afstand is tussen woorden en daden. Doch in deze zoals in alle andere problemen hangt alles af van de kracht die de druk van de massa’s zal bereiken.

Wanneer de regering van de Kwomintang onder de zweep van de revolutie kleine concessies doet in de agrarische kwestie, poogt een soort van Nationale Vergadering bijeen te roepen, gedwongen wordt wapens aan de arbeiders te geven of de betrekkingen met de USSR moet hervatten, dan spreekt het vanzelf, dat wij die concessies onmiddellijk uitbuiten, dat wij er ons van meester maken, terwijl wij terzelfder tijd hun ontoereikendheid aantonen om van de concessies van de Kwomintang een wapen te smeden om haar omver te werpen. Zo is in het algemeen het wederzijds verband tussen hervormingen en revolutie in de marxistische politiek.

* * *

Moeten wij uit de omvang die de boerenoorlog aanneemt niet opmaken dat er voor de leuzen en de vragen van de parlementaire democratie in China tijd noch plaats meer is? Laten wij die vraag nader bezien.

Nu de revolutionaire Chinese boeren hun strijdorganisaties “sovjets” noemen, bestaat er voor ons geen reden die naam te laten vallen. Men moet zich echter niet op dit woord blindstaren. Te denken dat de sovjetmacht in de volstrekt agrarische gebieden een consequente en gevestigde macht kan zijn, zou een bewijs zijn van grote oppervlakkigheid. Men kan onmogelijk de ervaring negeren, die het enige land waar de sovjetmacht waarlijk heeft gezegevierd, ons biedt. Hoewel de sovjetmacht te Petrograd, Moskou en in andere centra en industriële gebieden van Rusland stevig en blijvend heeft stand gehouden sedert november 1917, in het overige uitgestrekte gebied (Oekraïne, Noord-Kaukasus, Trans-Kaukasië, de Oeral, Siberië, Centraal-Azië, Archangel-Moermansk) is die macht herhaaldelijk opgekomen en ondergegaan niet alleen tengevolge van internationale tussenkomst, doch ook door inwendige opstanden. De Chinese sovjetmacht heeft een zuiver landelijk karakter en ontbeert volkomen een steunpunt in het industriële proletariaat. Toch is die macht stevig en vast, dus is het een sovjetmacht. Het artikel van Ko-Lin, dat verschenen is in het Duitse tijdschrift Der Rote Aufbau zegt dat er in de Rode Legers 36 pct. arbeiders, 57 pct. boeren en 7 pct. intellectuelen worden aangetroffen. Ik moet zeggen, dat ik die cijfers niet vertrouw. Slaan die getallen op alle gewapende krachten van de opstand, krachten die volgens de schrijver 350.000 man tellen, dan volgt daaruit, dat het leger ongeveer 125.000 arbeiders bevat. Slaan die 36 pct. slechts op de Rode Legers, dan volgt daaruit, dat er op 150.000 soldaten meer dan 50.000 arbeiders zijn. Is dat wel waar? En dan, wie zijn die arbeiders? Maakten zij vroeger deel uit van de vakverenigingen, van de partij en namen zij deel aan de revolutionaire strijd? Doch zelfs dat beslist de vraag niet. Tengevolge van de afwezigheid van sterke, onafhankelijke, proletarische organisaties in de industriële centra, zullen de revolutionaire arbeiders, zonder veel ervaring en scholing, onherroepelijk ondergaan in het boeren- en kleinburger milieu.

Het artikel van Van-Ming dat in het voorjaar verschenen is in de pers van de Komintern overdrijft, voor zover ik kan beoordelen, de omvang van de beweging in de steden, de graad van onafhankelijkheid van de arbeiders in deze beweging en de invloed van de communistische partij. Het ongeluk van de huidige officiële pers is, dat zij de feiten meedogenloos verdraait in naam van de fractiebelangen. Toch is het niet moeilijk zelfs uit het artikel van Van-Ming op te maken dat de leiding van de beweging, die het vorig jaar begonnen is berust bij de studenten of in het algemeen bij de studerende jeugd. De stakingen aan de universiteit waren van groter gewicht dan de stakingen in de bedrijven.

De arbeiders in beweging brengen, hen organiseren, hun de mogelijkheid verschaffen te steunen op de nationale en agrarische beweging ten einde zich aan het hoofd van beide te stellen, dat is onze taak. De ogenblikkelijke eisen van het proletariaat, voor zoverre ze gesteld zijn (verkorte arbeidsdag, lonen, recht van vereniging, enz.) moeten de grondslag van onze actie vormen. Doch dit alleen is niet voldoende. Drie leuzen slechts kunnen het proletariaat opvoeren tot leider van het volk: Onafhankelijkheid voor China, de grond aan de arme boeren, de Nationale Vergadering .

De stalinisten verkeren in de mening, dat van het ogenblik dat de opstandige boeren hun organisaties aanduiden met de naam sovjets, het stadium van revolutionair-parlementarisme reeds voorbij is. Dat is een ernstige dwaling. De opstandige boeren kunnen slechts tot steunpunt dienen voor de sovjets, het stadium van revolutionair-par-proletariaat hun praktische bewijzen geeft van zijn geschiktheid tot leiding geven. Zonder de leiding van het proletariaat kan de boerenbeweging slechts de overwinning van de ene burgerlijke kliek over de andere verzekeren om daarna provincie gewijze uiteen te vallen. De Nationale Vergadering zou — uithoofde van zijn centraliserend vermogen — een belangrijke etappe betekenen in de ontwikkeling van de agrarische revolutie. Het instituut van de landelijke “sovjets” en de “Rode Legers” zou de boeren bijstaan in het kiezen van revolutionaire vertegenwoordigers. Alleen door dat middel kan men in het huidige stadium de boerenbeweging politiek verbinden aan de nationale en proletarische beweging.

* * *

De officiële Chinese communistische partij verklaart dat haar “voornaamste leuze” op dit ogenblik die is van de nationale revolutionaire oorlog tegen het Japanse imperialisme (zie het artikel van Van-Ming in de Communistische Internationale no. 1 1932). Dit is een eenzijdige en zelfs “avontuurlijke” wijze van het stellen van de vraag. Vast staat, dat de strijd tegen het imperialisme, de onafwijsbare taak van het Chinese proletariaat, slechts volvoerd kan worden door de opstand en de revolutionaire oorlog. Doch daaruit vloeit volstrekt niet voort dat de strijd tegen het Japanse imperialisme de allesbeheersende leuze zou zijn van het huidige ogenblik. Het probleem zal moeten worden opgelost uit internationaal oogpunt.

Bij het begin van dit jaar (1932) was men in de kringen van de Komintern de mening toegedaan, dat Japan zijn militaire actie tegen China op touw had gezet om snel te komen tot een oorlog tegen de Sovjet-Unie. Ik heb toen geschreven dat de regering te Tokio wel geheel het hoofd kwijt moest zijn om de kans te lopen van een oorlog met de Sovjet-Unie zonder van tevoren ook maar enigszins het arsenaal, dat Mantsjoerije vormt te hebben geconsolideerd. Als antwoord op deze beoordeling van de toestand, verklaarden de Amerikaanse stalinisten, de domsten en brutaalsten van allen, dat ik werk ten gunste van de Japanse staf... Wat hebben echter de gebeurtenissen van de laatste maanden bewezen? De vrees van de leidende kringen in Japan voor de gevolgen van een militair avontuur bleek zo groot te zijn, dat de militaire kliek een aantal Japanse staatslieden naar de andere wereld heeft moeten doen verhuizen om de regering van de Mikado te dwingen de annexatie van Mantsjoerije door te zetten. Dat nu nog de oorlog tegen Sovjet-Rusland een reële zaak blijft staat vast, doch in de politiek is tijd een belangrijke factor.

Wanneer de Sovjetregering een oorlog met Japan vanaf dit ogenblik onvermijdelijk achtte, zou zij noch het recht, noch de mogelijkheid hebben een vredespolitiek, d.w.z. een struisvogelpolitiek te voeren. In werkelijkheid heeft de Sovjetregering in de loop van het jaar een overeenkomst gesloten met Japan voor de levering van Russische benzine aan de Japanse oorlogsvloot. Is de oorlog vandaag al onvermijdelijk dan staat de benzinelevering gelijk met verraad ten opzichte van de proletarische revolutie. Wij bespreken hier niet de vraag in hoeverre deze of gene verklaringen en handelingen van de Sovjetregering juist zijn. Eén ding is duidelijk: in tegenstelling met de Amerikaanse stalinisten, die een bovenmatige ijver aan de dag legden, hebben de Moskouse stalinisten zich gericht op vrede met Japan en niet op oorlog.

De Pravda van 14 september schrijft: “Met intens ongeduld wachtte de wereldbourgeoisie op een Japans-Russische oorlog ... Doch het feit, dat de USSR zich volkomen heeft onthouden van inmenging in het Chinees-Japanse conflict en de sterke vredespolitiek, die zij volgt, hebben de oorlog belet.” Aannemende dat de houding van Amerikaanse en andere schreeuwers enige politieke betekenis had, dan kan het slechts deze geweest zijn: zij dreven de Sovjetmacht op dezelfde weg waarop de bourgeoisie haar dreef. Wij bedoelen niet te zeggen dat zij bewust in dienst stonden van de Japanse staf. Wij willen slechts vaststellen dat zij onbekwaam zijn om bewust de proletarische revolutie te dienen. Het Chinese proletariaat heeft in zijn vaandel niet alleen de hervatting van de diplomatieke betrekkingen met de Sovjet-Unie geschreven, doch ook het aangaan met die Unie van een stevig aanvallend en verdedigend verbond. Dat houdt in dat de politiek van het Chinese proletariaat in overeenstemming moet zijn met de gehele internationale toestand en in de eerste plaats met de politiek van de Sovjet-Unie. Wanneer Japan op dit ogenblik aan de Sovjet-Unie de oorlog opdrong, moest het feit dat China zou worden meegesleept in die oorlog een vraag van leven of dood zijn voor het Chinese proletariaat en zijn partij. Deze oorlog zou wijde perspectieven opleveren voor de Chinese revolutie. Maar als de internationale toestand en de binnenlandse verhoudingen de Sovjet-Unie dwingen in het Verre Oosten belangrijke concessies te doen om de oorlog te vermijden, d.w.z. om die zolang mogelijk uit te stellen en Japan niet sterk genoeg blijkt om de vijandelijkheden te openen, dan kan de oorlog tegen het Japanse imperialisme in geen geval op dit ogenblik de voornaamste strijdleuze worden van de Chinese Communistische Partij.

* * *

Van-Ming citeert de volgende leuzen van de linkse oppositie in China: “Herstel van de massabeweging”, “Samenroepen van de Nationale Vergadering”, “Hervatting van de diplomatieke relaties tussen China en de Sovjet-Unie”. Onder het voorwendsel dat, naar het schijnt, deze leuzen slecht gemotiveerd worden in een artikel dat in het blad van de oppositie is verschenen, noemt Van-Ming de linkse oppositie in China een “contrarevolutionaire, trotskistische, tsjen-toesioeïstische groepering.”

Zelfs al geeft men toe dat de wijze waarop de revolutionaire leuzen verdedigd zijn verre van gelukkig is, dat geeft aan die leuzen evenmin als aan de partij die ze aanheft een contrarevolutionair karakter. Doch Van-Ming en zijns gelijken moeten wel spreken over de “contrarevolutionairen geest der trotskisten”, willen zij zich niet beroofd zien van hun ambten en inkomsten.

Tezelfdertijd, dat zij zich zo streng tonen ten opzichte van de bolsjewisten-leninisten, die het bewijs hebben geleverd, dat zij gelijk hadden in de gebeurtenissen, die van 1924 tot 1932 in China zich hebben afgespeeld, tonen de stalinisten zich zeer toegeeflijk jegens zichzelf, d.w.z. ten opzichte van de ononderbroken rij van hun dwalingen. In de dagen dat Japan Sjanghai aanviel, hief de Kwomintang als leuze aan “het eenheidsfront van arbeiders, boeren, soldaten, kooplieden en studenten om het imperialisme te bestrijden”. Doch dat is het beruchte “blok der vier klassen” van Stalin-Martynow! Sedert de tweede revolutie is de vreemde overheersing in China niet afgenomen, doch versterkt. De tegenstelling tussen de ontwikkelingsbehoeften van het land en het imperialistisch bewind is eveneens verscherpt. Bijgevolg hebben al de oude stalinistische argumenten ten gunste van het blok der vier klassen dubbele betekenis gekregen. Welnu, ditmaal hebben de stalinisten het voorstel van de Kwomintang uitgemaakt voor een nieuwe poging om de massa te bedriegen. Zeer goed! Doch zij hebben vergeten te zeggen waarom tussen 1924 en 27 de leiding van de Komintern de Chinese bourgeoisie bij haar bedrog heeft geholpen en waarom de zienswijze van uiterste beleefdheid tegenover de Kwomintang vertolkt is in het programma van de Komintern?

Het spreekt vanzelf dat wij de leuzen van democratisch zelfbestuur, aanstelling der ambtenaren door het volk, enz. kunnen en moeten aanheffen. Het programma van de democratie vormt vergeleken bij het regime der militaire dictatuur een grote vooruitgang. Doch men moet telkens de op zichzelf staande democratische leuzen verbinden aan de grondleuzen en aan de vraagstukken van de revolutionaire groepering en de mobilisering van de arbeiders.

De vragen van “patriottisme” en “nationalisme” en enige andere punten in uw brief betreffen meer de terminologie en niet de kern van de zaak. Daar ze aanhangers zijn van de nationale bevrijding van onderdrukte volken door revolutionaire middelen, ondersteunen de bolsjewisten met al hun krachten de nationale bevrijding van de volksmassa’s, niet alleen van buitenlandse imperialisten, doch ook van binnenlandse burgerlijke uitbuiters der nationale beweging in de geest der Kwomintang.

Moeten wij de term “patriottisme”, zo bezoedeld en zo indiscreet, weer invoeren? Ik betwijfel het. Moeten wij in die poging niet de neiging zien om zich aan te passen bij de kleinburgerlijke ideologie en terminologie? Zou deze neiging werkelijk aan de dag treden in onze rijen, dan zou men haar meedogenloos moeten bestrijden.

Veel vragen van tactiek en strategie schijnen onoplosbaar als men ze formeel stelt. Doch zij nemen haar juiste plaats ogenblikkelijk in wanneer men ze op dialectische wijze stelt, d.w.z. in het raam van de levende strijd van de klassen en partijen. In de werkelijke strijd past de revolutionaire dialectiek zich het best aan. Ik twijfel er niet aan dat onze Chinese geestverwanten en vrienden, de bolsjewisten-leninisten niet alleen hartstochtelijk de ingewikkelde vraagstukken van de revolutie bespreken doch ook met niet minder geestdrift deelnemen aan de zich ontwikkelende strijd. Wij zijn voorstanders van een actief optreden en niet van het houden van beschouwingen; geen woorden maar daden.

Prinkipo, 3 oktober 1932