Leon Trotski

Anatol Vassiljevitsj Loenatsjarski



Geschreven: 1 januari 1934
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands
Vertaling: onbekend
Deze versie: spelling en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2007


In het laatste tiental jaren heeft het politieke gebeuren ons in verschillende kampen gebracht, zodat ik Loenatsjarski’s lot slechts aan de hand der kranten volgen kon. Toch zijn er jaren geweest waarin enge politieke banden ons verbonden hielden en de persoonlijke betrekkingen, zonder direct intiem te zijn, een zeer vriendschappelijk karakter droegen.

Loenatsjarski was 4 of 5 jaar jonger dan Lenin en ongeveer even oud als ik. Het op zich zelf niet belangrijke leeftijdsverschil betekende toch het behoren tot twee revolutionaire generaties. Toen hij in Kiev als gymnasiast in het politieke leven trad, stond Loenatsjarski nog onder de invloed van de laatste uitlopers van de terroristische strijd der Narodowolzi tegen het tsarisme. Voor mijn tijdgenoten was de strijd van de Narodowolzi reeds meer legende.

Op de schoolbanken verraste reeds Loenatsjarski door het bezitten van een veelzijdig talent. Hij schreef — natuurlijk — verzen, nam gemakkelijk filosofische gedachten tot zich, las voortreffelijk voor op studentenavonden, was een onvergelijkelijk redenaar en op zijn literatenpalet was nooit gebrek aan kleuren. Als twintigjarige jongeling was hij in staat voordrachten over Nietzsche te houden, Marx’ waardetheorie te verdedigen en vergelijkingen te trekken tussen Sophocles en Shakespeare. Zijn buitengewone begaafdheid verbond zich organisch in hem met het overdadige dilettantisme van de adellijke intelligentsia, die haar hoogste publicistische uitdrukking eens in de gestalte van Alexander Hertzens had gevonden.

Met de revolutie en met het socialisme was Loenatsjarski 40 jaren lang verbonden, d.w.z. gedurende zijn gehele bewuste leven. Hij maakte kerker, verbanning, emigratie door en bleef onveranderd marxist. In deze lange jaren verhuisden duizenden en nog eens duizenden van zijn vroegere kameraden uit dezelfde kring der adellijke en burgerlijke intelligentsia naar het kamp van het Oekraïense nationalisme, van het burgerlijke liberalisme of van de monarchistische reactie. De ideeën der revolutie waren voor Loenatsjarski geen jeugdige geestdrift: zij zaten hem in merg en been. Dat is het eerste wat men boven zijn vers graf moet zeggen.

Het zou evenwel fout zijn, zich Loenatsjarski voor te stellen, als een man met een ijzeren wil en een ruwe hardheid, als een strijder, die noch naar rechts noch naar links kijkt. Neen. Zijn standvastigheid was zeer — menigeen van ons leek het al te — elastisch. Het dilettantisme zat hem niet alleen in het intellect maar ook in het karakter. Als spreker en als schrijver week hij gemakkelijk van het thema af. Het artistieke beeld trok hem niet zelden ver van de ontwikkeling der grondgedachte weg. Ook als politicus keek hij gaarne naar beide kanten om. Loenatsjarski was te ontvankelijk voor iedere filosofische en politieke nieuwigheid, om zich niet door haar te laten meeslepen en niet met haar te spelen.

Zonder twijfel verstikte de dilettantistische vrijgevigheid der natuur in hem de stem der innerlijke kritiek. Zijn redevoeringen waren meest improvisaties en zoals steeds in dergelijke gevallen noch vrij van lengte noch van banaliteiten. Hij schreef en dicteerde met buitengewone ongedwongenheid en verbeterde zijn manuscripten bijna nooit. Het ontbrak hem aan geestelijke concentratie en innerlijke censuur, om constantere en onbetwistbaardere waarden te scheppen. Talent en kennis bezat hij daarvoor genoeg.

Maar welke zijsprongen Loenatsjarski ook steeds maakte, telkens keerde hij tot zijn grondgedachte terug, niet alleen in afzonderlijke artikelen en redevoeringen, maar ook in zijn gehele politieke werkzaamheid. Zijn veelvuldige, somtijds onverwachte slingeringen gingen nooit boven bepaalde grenzen uit. Zij gingen nooit over de lijn van de revolutie en van het socialisme.

Reeds in het jaar 1904, ongeveer een jaar na de scheuring van de Russische sociaaldemocratie in bolsjewieken en mensjewieken, sloot Loenatsjarski, juist uit de verbanning in de emigratie aangekomen, zich bij de bolsjewieken aan. Lenin, die juist eerst met zijn leraren (Plechanov, Axelrod, Sauoelitsj) en met zijn naaste geestverwanten (Martov, Potressow) had gebroken, stond in die dagen geheel alleen. Hij had dringend een medewerker nodig voor dat omvattende werk, waarvan Lenin niet hield. Loenatsjarski was voor hen een waar geschenk van het lot. Nauwelijks uit de spoorwagen gestapt, wierp hij zich in het leven der Russische emigratie in Zwitserland, in Frankrijk, in geheel Europa. Hield voordrachten, trad als debater op, polemiseerde in de pers, leidde clubs, schertste, spotte, zong verkeerd, pakte jong en oud door zijn veelzijdige ontwikkeling en zijn beminnelijke toegevendheid in persoonlijke betrekkingen.

Weke buigzaamheid was een niet onbelangrijke trek in het morele gelaat van deze man. Hem waren vreemd zowel bekrompen ijdelheid als de diepere zorg: tegenover vriend en vijand te verdedigen, wat hij zelf als waarheid erkende. Zijn leven lang gaf Loenatsjarski zich over aan de invloed van andere lieden, niet zelden van minder ontwikkelden en met minder talent dan hij, maar met een krachtiger gemoedsgesteldheid. Door zijn oudere vriend Bogdanov kwam hij tot het bolsjewisme. De jonge geleerde — man van de natuurwetenschap, arts, filosoof, nationaal-econoom — Bogdanov (zijn juiste naam is Malinovski) verzekerde Lenin bij voorbaat, dat zijn jongere kameraad Loenatsjarski, na aankomst in het buitenland, onverwijld zijn voorbeeld zou volgen en zich bij de bolsjewieken zou aansluiten. Deze voorspelling werd volkomen bewaarheid. Doch dezelfde Bogdanov haalde na het neerslaan van de revolutie van 1905 Loenatsjarski van de bolsjewieken over naar een kleine ultra onverzoenlijke groep, die de sektarische “niet-erkenning” der succesvolle contrarevolutie verbond met het abstracte prediken van een in een laboratorium bereide “proletarische cultuur”.

In de donkere jaren der reactie (1908-1912), toen brede kringen van de intelligentsia in massa in de mystiek vervielen, wijdde Loenatsjarski zich tezamen met Gorki, met wie een innige vriendschap hem verbond, aan het mystieke zoeken. Zonder met het marxisme te breken, begon hij met het socialistische ideaal als een nieuwe vorm der religie voor te stellen en nam hij zich ernstig voor een nieuwe ritus te vinden. De sarcastische Plechanov noemde hem de “gelukzalige Anatol”. Deze bijnaam bleef lang in gebruik. Lenin geselde de voormalige en toekomstige kameraad niet minder onverbiddelijk. Al matigde de vijandschap zich ook langzamerhand, toch duurde zij tot 1917, het jaar waarin Loenatsjarski niet zonder tegenstand en niet zonder sterke druk van buiten, ditmaal van mijn kant, zich bij de bolsjewieken aansloot. Er kwam een periode van rusteloze agitatie arbeid, die tot de periode van de politieke culminatie van Loenatsjarski werd. Gebrek aan impressionistische zijsprongen was er ook nu niet. Zo had hij juist en juist niet met de partij gebroken op het kritieke moment, in november 1917, toen uit Moskou het gerucht kwam dat de bolsjewistische artillerie de kerk van de zalige Vassili zou hebben vernield. Zo een vandalisme kon de kunstkenner en schatter niet vergeven. Gelukkig was Loenartsjarski, zoals we weten, toegevend en buigzaam, des te meer toen met de kerk van de zalige Vassili in de dagen der Moskouse omwenteling in het geheel geen medelijden werd getoond.

Als volkscommissaris voor volksontwikkeling was Loenatsjarski niet te vervangen in het verkeer met de oude universiteits- en vooral pedagogische kringen, die overtuigd van de “onontwikkelde overweldigers” de volkomen liquidatie van wetenschap en kunst verwachtten. Loenatsjarski bewees deze afgesloten wereld hartstochtelijk en gemakkelijk, dat de bolsjewieken niet alleen de cultuur achten, maar dat deze hun ook niet geheel vreemd is. Meer dan één priester van de katheder moest in die dagen, mond en ogen wijd opengesperd, op deze vandaal zien, die een half dozijn levende en twee dode talen las en bovendien een zo veelzijdige ontwikkeling aan de dag legde, dat zij zonder meer voor een goed dozijn professoren voldoende zou zijn geweest. Het brengen van de gediplomeerde en gepatenteerde intelligentsia naar de zijde van de sovjetmacht was een niet geringe verdienste van Loenatsjarski. Doch als directe organisator van het onderwijswezen bleek hij hopeloos zwak te zijn. Na de eerste ongelukkige poging, waarin dilettantistische fantasie zich paarde aan administratieve hulploosheid, zag Loenatsjarski er van af aanspraak te maken op de praktische leiding. Het centraal comité gaf hem helpers, die gedekt door het persoonlijk aanzien van de volkscommissaris de teugels vast in handen namen.

Des te meer gelegenheid had Loenatsjarski om zijn vrije uren aan de kunst te wijden. De revolutie-minister was niet alleen een kenner van het theater, maar ook een vruchtbare dramaturg. Zijn stukken openbaren de gehele rijkdom van zijn kennis en interesse, een verbazende gemakkelijkheid van het binnendringen in de geschiedenis en cultuur der verschillende landen en tijdperken, tenslotte een ongewone bekwaamheid in het verbinden van het verzinsel met het ontkende. Maar ook niet veel meer dan dat. Het stempel van een echt artistiek genie was niet op hem gedrukt.

In 1923 gaf Loenatsjarski een boekje Silhouetten uit, gewijd aan de karakteristiek van de leiders der revolutie. Het boekje aanschouwde het licht op een ongelegen tijdstip: het is voldoende om te zeggen dat de naam Stalin er niet één keer in genoemd was. Reeds in het volgende jaar werd Silhouetten aan de omloop onttrokken en voelde Loenatsjarski zichzelf reeds half in de ban gedaan. Maar ook nu liet de hem voordelige trek hem niet in de steek: zijn buigzaamheid. Spoedig verzoende hij zich met de verandering in de leidende personengroep, in elk geval boog hij zich volkomen voor de nieuwe meesters van de toestand. Desniettegenstaande bleef hij echter tot het laatst een vreemde in hun rijen. Loenatsjarski kende te goed het verleden der revolutie en van de partij, had veelzijdige interesses, was tenslotte te ontwikkeld dat hij in de bureaucratische rijen niet minder gewenst zou zijn geweest. Van zijn post van volkscommissaris ontheven, waarop hij overigens zijn historische taak ten einde kon brengen, bleef hij bijna zonder bezigheid tot dicht voor zijn benoeming tot gezant in Spanje. Doch deze nieuwe post zou hij niet meer bezetten: de dood achterhaalde hem in Menton. Niet alleen de vriend, doch ook de eerlijke tegenstander zal zijn nagedachtenis moeten eren.

1 januari 1934
L. Trotski