Leon Trotski

Nationalisme en economie



Geschreven: 1934
Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands
Vertaling: onbekend
Deze versie: spelling en punctuatie
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2007


Het Italiaanse fascisme karakteriseerde het heilige egoïsme der natie als de enige scheppende factor. Terwijl het Duitse nationaalsocialisme de menselijke geschiedenis terugbracht tot de natie, leidde het nog bovendien de natie af van het ras en het ras van het bloed. Doch ook in die landen, die in de politiek niet opklommen tot of daalden in het fascisme, worden de economische vraagstukken steeds meer pasklaar gemaakt voor de omlijsting der natie. Niet steeds kan men er toe besluiten de autarkie openlijk op zijn banier te schrijven. Doch de praktische politiek is overal gericht op een zo hermetisch mogelijke afsluiting van de wereldeconomie. Twintig jaar geleden leerden de schoolboeken ons nog dat de arbeidsverdeling over de wereld, die berust op de natuurlijke en historische ontwikkelingsvoorwaarden der mensheid een machtige factor van rijkdom en cultuur was. En vandaag blijkt de wereldruilhandel de bron van alle kwaad en alle gevaren te zijn. Terug naar de nationale haard! Niet alleen de fout van admiraal Perry, die een bres schoot in de Japanse autarkie, moet hersteld worden, maar ook de veel grotere fout van Christoffel Columbus, die de speelruimte voor de menselijke cultuur zo bovenmatig heeft vergroot.

De door Mussolini en Hitler ontdekte onvergankelijke waarde der natie wordt gesteld tegenover de valse waarden van de twintigste eeuw: democratie en socialisme. Hier geraken wij weer in onverzoenlijke tegenspraak met de oude leerboeken en — wat erger is — met de onomstotelijke historische feiten. Alleen boosaardige onkunde kan zich bedienen van de lege tegenstelling tussen natie en liberale democratie. In werkelijkheid droegen alle vrijheidsbewegingen van de nieuwe tijd, te beginnen met de strijd van Holland om de onafhankelijkheid hetzelfde nationale en democratische karakter. Het ontwaken der onderdrukte en verbrokkelde naties. Hun strijd om de vereniging van hun gescheiden delen en om de bevrijding van de vreemde overheersing waren zonder strijd voor politieke vrijheid onmogelijk. Op het keerpunt van de 18e naar de 19e eeuw werd in de storm van een democratische revolutie de Franse natie geboren. In een reeks oorlogen en revoluties vormden zich in de 19e eeuw de Italiaanse en Duitse naties. De machtige ontwikkeling van de Noord-Amerikaanse natie, die ten doop was gehouden in de Vrijheidsoorlog van de 18e eeuw, werd vastgelegd door de overwinning van de noordelijke over de zuidelijke staten in de Burgeroorlog. Noch Mussolini noch Hitler hebben de natie ontdekt. Het patriottisme in zijn nieuwe, meer begrensd burgerlijke betekenis is een product van de 19e eeuw. Het nationale bewustzijn van het Franse volk — wel het meest conservatieve en taaiste — laaft zich nu nog aan de bronnen van de democratische traditie.

Doch de economische ontwikkeling der mensheid, nadat zij het middeleeuwse particularisme ten val had gebracht, geen halt binnen het nationale bestek. Evenwijdig met de ontbolstering der nationale economie groeide de wereldhandel. De ontwikkelingstendens trad aan het licht — althans voor de meer vooruitgeschoven landen — in de verplaatsing van het zwaartepunt van de binnen- naar de buitenlandse markt. Was voor de 19e eeuw de verbinding van het lot der natie met dat der economie kenmerkend, de hoofdstrekking van onze eeuw is de groeiende tegenspraak tussen economie en natie. In Europa heeft deze tegenspraak een ondraaglijk scherp karakter gekregen.

Het meest dynamische karakter vertoonde de ontwikkeling van het Duitse kapitalisme. Kreeg het Duitse volk het in het midden der 19e eeuw te benauwd in de kooien van enige tientallen vaderlanden, reeds vier decennia na het ontstaan van het Duitse Rijk verstikte de Duitse industrie in het bestek van de nationale staat. Een van de hoofdoorzaken van de wereldoorlog, was het streven van het Duitse kapitaal, een ruimer strijdperk te veroveren. Korporaal Hitler vocht van 1914 tot 1918 niet in naam van de eenheid der Duitse natie, doch in naam van een bovennationaal, imperialistisch program, dat uitdrukking vond in de beroemde formule: “Europa organiseren”. Onder de soevereiniteit van het Duitse militarisme verenigd, moest Europa de verzamelplaats worden voor een nog verder strekkende onderneming: de organisatie van de aardbol. Duitsland vormde evenwel geen uitzondering. Het sprak slechts in een sterke agressieve vorm uit wat de strekking was van elke nationale kapitalistische economie. Het resultaat van de botsing van deze tendensen was juist de oorlog. Weliswaar wierp de oorlog als elke grootse historische schok de meest verschillende historische vragen op en gaf o.a. de stoot tot nationale revoluties in de achterlijkste delen van Europa (tsaristisch Rusland, Oostenrijk-Hongarije). Doch dat waren slechts vertraagde naklanken van een tijdperk, dat reeds tot het verleden behoorde. Naar zijn wezen had de oorlog een imperialistisch karakter. Met barbaarse uitroeiing en vernietigingsmethoden trachtte hij een vooruitstrevende historische taak te vervullen: de organisatie van de economie in het gezamenlijke strijdperk, die door de wereldarbeidsverdeling was voorbereid.

Onnodig te zeggen dat de oorlog deze taak niet vervuld heeft. Integendeel hij heeft Europa alleen maar meer verbrokkeld. Hij heeft de wederzijdse afhankelijkheid van Europa en Amerika en daarmee hun antagonisme versterkt. Hij gaf de stoot tot de zelfstandige ontwikkeling der koloniën en verscherpte tegelijkertijd de afhankelijkheid van het moederland van de koloniale markten. Alle tegenstellingen uit het verleden traden als nasleep van de oorlog nog scherp op. In de eerste jaren, toen Europa met medewerking van Amerika een algemeen herstel van zijn ontredderde economie op touw zette, kon men daarvoor nog de ogen sluiten. Doch het herstel der productieve krachten betekende onvermijdelijk de verergering van alle misstanden, die tot de oorlog hadden geleid. De huidige crisis — synthese van alle kapitalistische crisissen uit het verleden — betekent in de eerste plaats de crisis der nationale economie.

De Volkenbond trachtte de door de oorlog niet vervulde taak uit de taal van het militarisme over te brengen in de taal der diplomatieke overeenkomsten. Was Ludendorff er niet in geslaagd met het zwaard “Europa te organiseren”, daar deed Briand een poging de “Verenigde Staten van Europa” te scheppen met behulp van grote diplomatieke welbespraaktheid. Maar de onafgebroken reeks van politieke, economische, financiële, tarieven en monetaire conferenties heeft slechts het gehele schouwspel van de onmacht der heersende klasse ten opzichte van de meest urgente en dringende taak van onze tijd ten toon gespreid.

Theoretisch kan deze taak aldus worden geformuleerd: hoe te komen tot economische eenheid van het Europese gebied bij volkomen vrijheid van culturele ontwikkeling van de volkeren die het bewonen? Hoe het verenigde Europa in een evenwichtige economie van de gehele wereld in te voegen? De oplossing van deze vraag moet niet gezocht worden op de weg van verafgoding der natie, maar omgekeerd op de weg van de volledige bevrijding van de productiekrachten uit de boeien, waarin de nationale staat hen slaat. Ondertussen vatten de heersende klassen van Europa, ontmoedigd door het bankroet én van de militaire én van de diplomatieke methoden, de taak het tegenovergestelde einde aan. D.w.z. zij trachten de economie met geweld te onderwerpen aan de uitgeleefde nationale staat. De sage van het procustus bed wordt weer op grote schaal van toepassing. In plaats van aan de moderne techniek ruim baan te geven, hakken en snijden de heersers het levende organisme der economie in stukken.

Mussolini verkondigde onlangs in een programrede de dood van het “economisch liberalisme”, d.w.z. de heerschappij van de vrije concurrentie. Op zich zelf is dat geen nieuwe gedachte. Het tijdperk van de trusts, syndicaten, vennootschappen heeft de vrije concurrentie sinds lang op de achtergrond gedrongen. Maar de trusts verdragen zich nog minder met de begrensde nationale markt dan de ondernemingen van het liberale kapitalisme. Het nieuwe monopolie verslond de concurrentie in dezelfde mate, waarin de wereldeconomie zich aan de nationale markt onderwierp. Het economische liberalisme heeft afgedaan met het economische nationalisme. Pogingen om de economie te redden door haar in te spuiten met het lijkengif van het nationalisme leiden tot die bloedvergiftiging, die de naam fascisme draagt.

De historische vooruitgang van de mensheid wordt geleid door het streven om met de minste arbeidskosten de grootst mogelijke hoeveelheid goederen te verkrijgen. Deze materiële grondslag van de culturele groei levert tegelijkertijd het diepste criterium voor de beoordeling van de sociale heerschappijvorm en politieke programma’s. Het jongste economische nationalisme is onherroepelijk veroordeeld door dat het achteruitgang is: het remt en vermindert de productiekracht van de mens.

De politiek van de afgesloten economie betekent kunstmatige beknotting van die takken van industrie die met succes economie en cultuur van andere landen zouden kunnen bevruchten. Tegelijkertijd betekent de tendens in de richting van autarkie het kunstmatig kweken van die takken, waarvoor op de nationale bodem geen gunstige voorwaarden aanwezig zijn. De waan van economische onafhankelijkheid veroorzaakt op die wijze zware onkosten naar beide zijden.

Daarbij komt de inflatie. Als kosmopolitisch equivalent werd het goud in de loop der 19e eeuw grondslag van alle muntstelsels, die die naam verdienen. Het afstand doen van de goudruil scheurt de wereldeconomie nog grondiger in stukken dan de tariefmuren. Uitdrukking als zij is van de verstoring der inwendige verhoudingen van de economie en haar internationale verbindingen, versterkt de inflatie harerzijds deze verstoring en helpt haar van een functionele tot een organische te worden. Zo kroont het “nationale” muntstelsel het vernielend werk van het economische nationalisme.

De meest onverschrokken vertegenwoordigers van deze school troosten zich hiermee, dat wordt de natie bij een afgesloten economie ook armer, ze toch meer tot een gemeenschap wordt (Hitler), of dat de aanleidingen tot buitenlandse conflicten met een afnemende betekenis van de wereldmarkt verminderen. Dergelijke verwachtingen bewijzen slechts dat het dogma van het economische nationalisme niet alleen reactionair is, maar ook door en door utopisch.

Bij de eerste tekenen van een economische opleving — en die moeten er altijd komen — zal de strijd om de buitenlandse markten ongedacht scherpe vormen aannemen. De mooie argumenten voor de voordelen der autarkie zullen ogenblikkelijk ter zijde worden gezet, de knappe plannen van nationale harmonie onder de tafel worden gegooid. Dat heeft niet alleen betrekking op het Duitse kapitalisme met zijn ontplofbare krachtsverhoudingen of het vertraagde, ongeduldige en begerige Japanse kapitalisme, maar ook op het ondanks al zijn nieuwe tegenstellingen machtige Amerikaanse kapitalisme.

De Ver. Staten waren het volmaaktste type van kapitalistische ontwikkeling. Het betrekkelijke evenwicht van de schijnbaar onuitputtelijke binnenlandse markt verzekerde het een groot technisch en economisch overwicht over Europa. Doch het feit alleen al van het ingrijpen van Amerika in de wereldoorlog was een uiting van het reeds verstoorde binnenlandse evenwicht. En de veranderingen die de oorlog bracht in de structuur der Ver. Staten, maakten voor het Amerikaanse kapitalisme het plaatsnemen in het wereldstrijdperk tot een levensvraag. Alles wijst er op dat deze uitweg buitengewoon dramatische vormen moet aannemen. Democratisch nationalisme heeft in zijn tijd de mensheid voorwaarts gebracht. Ook nu nog is het in staat tot op zekere hoogte in de koloniale oosterse landen een vooruitstrevende rol te spelen. Doch het fascistische nationalisme van de neergang brengt niets anders dan verderf. Het brengt geen verzachting van de economie binnen het nationale bestek, maar vulkanische uitbarstingen en grote botsingen op het wereldtoneel. Alles wat in dit opzicht de laatste 25 à 30 jaren te zien hebben gegeven, zal blijken een idyllische ouverture te zijn vergeleken met de helse muziek, die ons wacht. Ditmaal gaat het niet om een tijdelijke daling der economie, doch om haar volledige verwoesting en om de ineenstorting van onze gehele cultuur, als de werkende en denkende mensheid niet ter rechter tijd bekwaam zal blijken haar productiekrachten te beheersen en deze op juiste wijze te organiseren naar de maatstaf van Europa en de wereld.