Leon Trotski

Geen arbeiders en geen bourgeoisstaat? [1]



Geschreven: 1937
Bron: Vertaling van Not a Workers’ and Not a Bourgeois State? uit het Engelstalige Trotski-archief
Vertaling: Arno Dusart
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2006


Politieke vorm en sociale inhoud

De kameraden Burnham en Carter[2] hebben een nieuw vraagteken geplaatst bij het klassenkarakter van de sovjet staat. Het antwoord dat ze geven is, in mijn mening, compleet onjuist. Deze kameraden proberen niet zoveel, als sommige ultralinksen, om de ophefmakende analyses te vervangen door de wetenschappelijke, wij kunnen en zouden deze belangrijke vraag met B. en C. bespreken.

B. en C. vergeten niet dat het belangrijkste verschil tussen de USSR en de eigentijdse bourgeois staat zich bevind in de krachtige ontwikkeling van de productieve krachten als gevolg van een verandering in de vorm van eigenaarschap. Zij geven verder toe dat de “economische structuur zoals die door de Oktoberrevolutie wordt gevestigd” fundamenteel onveranderd blijft. Zij leiden uit dit af dat het de plicht van het Sovjet en wereldproletariaat is om de USSR van imperialistische aanvallen te verdedigen. Hier is er volledige overeenstemming tussen B., C. en ons. Maar het maakt niet uit hoe groot onze overeenkomst is, het bevat in elk geval niet de hele zaak. Hoewel B. en C. zich niet aansluiten bij de ultralinksen, beweren zij toch dat de USSR geen arbeidersstaat is, “in de traditionele zin die aan deze term is gegeven door het marxisme”. Maar omdat de “economische structuur onveranderd blijft” is de USSR nog geen bourgeoisstaat geworden. Op het zelfde moment ontkennen B. en C. — en hier kunnen we hun enkel dankbaar voor zijn — dat de bureaucratie een onafhankelijke klasse is. Het resultaat van deze inconsistente beweringen in de conclusie, dezelfde die de stalinisten trekken, dat de Sovjetstaat, in het algemeen, geen organisatie is van klasse dominantie. Wat is het dan?

Aldus hebben wij een nieuwe poging tot het herzien van de klassentheorie van de staat. Wij zijn niet, wat vanzelfsprekend is, fetisjisten; indien de nieuwe historische feiten een revisie van de theorie eisen, zouden we dit doen. Maar de jammerlijke ervaring van de oude revisionisten zouden ons in elk geval met een weldadige voorzichtigheid moeten doordringen. We zouden, tot tien keer toe, in onze gedachten de oude theorie en de nieuwe feiten moeten wegen alvorens wij proberen om een nieuwe doctrine te formuleren.

B. en C. zelf merken op dat in zijn afhankelijkheid van objectieve en subjectieve voorwaarden het bestuur van het proletariaat “in een aantal verschillende regeringsvormen kan uitdrukken”. Voor de duidelijkheid voegen we dit toe: ofwel door een open strijd tussen verschillende partijen binnen de Sovjet-Unie, of door een monopolie van één partij of zelfs door een feitelijke concentratie van macht in de handen van één enkele persoon. Natuurlijk is persoonlijke dictatuur een symptoom van het grootste gevaar voor het regime. Maar tezelfdertijd, is het, onder bepaalde voorwaarden, het enige middel om het regime te redden. De klassenaard van de partij wordt bijgevolg niet alleen bepaald door zijn politieke vorm maar ook door zijn sociale inhoud, in dit geval, door het karakter van de vorm van bezittingen en productieve relaties die de staat beschermt en verdedigt.

In principe ontkennen B. en C. dit niet, als ze toch niet zien dat de USSR een arbeidersstaat is, heeft dat twee redenen, één die economisch is en de andere politiek van karakter. “In het voorbije jaar”, schrijven ze, “is de bureaucratie de weg opgegaan die leid tot de vernietiging van de geplande en genationaliseerde economie”. (Enkel ‘opgegaan’?). Verder lezen we dat de koers van de ontwikkelingen “de bureaucratie in een steeds groter wordende en diep conflict brengt met de behoeftes van de genationaliseerde economie”. (Enkel ‘brengt’?). De contradictie tussen de bureaucratie en de economie werd eerder waargenomen, maar in het afgelopen jaar “wordt het plan gesaboteerd door de acties van de bureaucratie en desintegreren ze het staatsmonopolie”. (Slechts ‘desintegrerend’? Van nu af nog niet uiteengevallen?)

Zoals hierboven vermeld, heeft het tweede geschil een politiek karakter. Het “concept de dictatuur van het proletariaat is hoofdzakelijk geen economische maar hoofdzakelijk een politieke categorie... Alle vormen, organen en instellingen van de klassendictatuur van het proletariaat zijn nu vernietigd, wat wil zeggen dat de klassendictatuur van het proletariaat nu vernietigd is”. Na gehoord te hebben van ‘de verschillende vormen’ van het proletarisch regime, lijkt dit tweede geschil, dat alleen wordt genomen, onverwacht. Natuurlijk, is de dictatuur van het proletariaat niet alleen ‘hoofdzakelijk’ maar geheel en volledig een ‘politieke categorie’. Nochtans is deze politiek enkel geconcentreerde economie. De overheersing van de sociaaldemocratie in de staat en in de sovjets (Duitsland 1918-19) had niets gemeen met de dictatuur van het proletariaat aangezien het de bourgeois eigendomsvormen onschendbaar liet. Maar het regime dat het onteigende en genationaliseerde bezit van de imperialisten bewaakt is, onafhankelijk van politieke vormen, de dictatuur van het proletariaat.

B. en C. ‘in het algemeen’, als het ware, geven dit toe. Zij zoeken daarvoor toevlucht in het combineren van de economische en politieke geschillen. De bureaucratie, zeggen zij, heeft het proletariaat niet enkel van politieke macht ontnomen, maar heeft de economie in een blind steegje gedreven. Als tijdens de vorige periode de bureaucratie met al zijn reactionaire eigenschappen een betrekkelijk progressieve rol speelde, is het nu definitief een reactionaire factor geworden. In deze redenering is er een gezonde kern die volledig overeenstemt met de evaluaties en prognoses van de Vierde Internationale. We hebben meer dan eens gezegd dat het ‘verlicht absolutisme’ een progressieve rol gespeeld heeft in de ontwikkeling van de bourgeoisie, om slechts daarna een rem te zijn op deze ontwikkeling. Het conflict loste zich op, zoals geweten, in revolutie. Bij het leggen van de grondslag voor de socialistische economie, schreven we, ‘verlicht absolutisme’ kan enkel een progressieve rol spelen tijdens een onvergelijkbare korte periode. Deze prognose wordt duidelijk bevestigd voor onze eigen ogen. Misleid door de eigen successen, dacht de bureaucratie om steeds grotere coëfficiënten van de economische groei te bereiken. Ondertussen stuitte het op een acute crisis in de economie, die één van de redenen is voor zijn huidige paniek en zijn onderdrukkingen. Betekent dit dat de ontwikkeling van productieve krachten in de USSR al gestopt is? We zouden niet durven om een dergelijke bewering te maken. De creatieve mogelijkheden van een genationaliseerde economie zijn zo groot dat de productieve krachten, ondanks de bureaucratische rem die op hun wordt geplaatst, zich voor een periode van jaren kunnen ontwikkelen hoewel aan een aanzienlijk gematigder tempo dan hierboven. Volgens deze lijnen is het nauwelijks mogelijk om op dit moment een exacte voorspelling te maken. In elk geval, de politieke crisis die de bureaucratie in stukken scheurt is gevaarlijker vandaag dan het vooruitzicht op een onderbreking van de productieve krachten. Maar om de vraag te vereenvoudigen, laat ons stellen dat de bureaucratie al een absolute rem is op de economische ontwikkeling. Maar betekent dit feit op zichzelf dat de klassenaard van de USSR veranderd is of dat de USSR van om het even welk soort klassenaard verstoken is? Hier ligt, volgens mij, de belangrijkste fout van onze kameraden.

Tot de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde de bourgeoisie hun productieve krachten. Alleen tijdens de laatste kwarteeuw is de bourgeoisie een absolute rem geworden op de economische ontwikkeling. Betekent dit dat de bourgeois samenleving gestopt is met bourgeoisie te zijn? Nee, het betekent enkel dat het een aftakelende bourgeois samenleving is geworden. In een aantal landen is het behoud van bourgeois eigendom enkel mogelijk door een fascistisch regime. Met andere woorden, de bourgeoisie is verstoken van elke vorm en mogelijkheid van hun eigen politieke dominantie, en moeten ze een tussenpersoon gebruiken. Betekent dit dan dat de staat gestopt is met bourgeois te zijn? In de mate dat het fascisme met zijn barbaarse methodes het privébezit in de productie verdedigt, in die mate blijft de staat bourgeois onder het fascistische bewind.

Wij zijn helemaal niet van plan om onze analogie een alles bevattende betekenis te geven. Niettemin illustreert het dat de concentratie van macht in de handen van de bureaucratie en zelfs de vertraging van de ontwikkeling van de productieve krachten, op hun eigen, de klassennatuur van de maatschappij en zijn staat veranderen. Enkel de indringing van een revolutionaire of contrarevolutionaire kracht in bezitsrelatie kan de klassenaard van de staat veranderen.

(De Londense New Leader onder het redacteurschap van Fenner Brockway, schrijft in een hoofdartikel, op 12 november van dit jaar: “De onafhankelijke Labour party accepteert niet de trotskistische mening dat de economische beginselen in Sovjet Rusland vernietigd zijn.”[3] Wat kan men zeggen over deze mensen? Zij snappen de gedachte van anderen niet omdat ze er zelf geen hebben. Zij kunnen alleen verwarring zaaien in de hoofden van de arbeiders — L.T.)

Maar kent de geschiedenis niet werkelijk gevallen van klassenconflict tussen economie en staat? Ja! Nadat de ‘middenklasse’ de macht greep, bleef de maatschappij voor enkele jaren nog feodaal. In de eerste maanden van het Sovjetregime regeerde het proletariaat op de basis van een bourgeois economie. Op het gebied van landbouw handelde de dictatuur van het proletariaat op de basis van een kleinburgerlijke economie (het doet dit in aanzienlijke mate nu nog). Moest een bourgeois contrarevolutie slagen in de USSR, moet de nieuwe regering voor een aanzienlijke periode zich baseren op een genationaliseerde economie. Maar wat betekent dit tijdelijke conflict tussen de economie en de staat? Het betekent een revolutie of contrarevolutie. De overwinning van één klasse over de andere betekent dat het de economie zal heropbouwen in het voordeel van de overwinnaar. Maar een dergelijke tweedeling, die een noodzakelijk stadium in elke sociale omverwerping is, heeft niets gemeen met de theorie van een klassenloze staat die in afwezigheid van een baas word uitgebaat door een klerk, d.w.z., door de bureaucratie.

Norm en feit

Het is de substitutie van een subjectieve ‘normatieve’ methode in plaats van een objectieve, dialectische benadering van de vraag die het voor veel kameraden moeilijk maakt om bij een correcte sociologische inschatting van de USSR te komen. Niet zonder reden zeggen Burnham en Carter dat de Sovjet-Unie niet beschouwd kan worden als een arbeidersstaat “in de traditionele zin die aan deze term word gegeven door het marxisme”. Dit betekent enkel dat de USSR niet overeenstemt met de normen van een arbeidersstaat die vooropgesteld zijn door ons programma. Op dit gebied kan er geen meningsverschil zijn. Ons programma rekende op een progressieve ontwikkeling van de arbeidersstaat en door dat item ook het geleidelijk wegkwijnen ervan. Maar de geschiedenis, die niet altijd handelt ‘volgens een programma’, heeft ons geconfronteerd met een aftakelende arbeidersstaat.

Maar betekent dit dat een arbeidersstaat die in conflict komt met de eisen van ons programma, daarbij ophoud van een arbeidersstaat te zijn? Een lever die vergiftigd is door malaria wijkt af van de normale lever. Maar daardoor stopt het niet met het zijn van een lever. Voor het begrip van zijn aard, volstaan de anatomie en de fysiologie niet; ook de pathologie is noodzakelijk. Natuurlijk is het veel simpeler om bij het zien van de zieke lever te zeggen: “dit voorwerp spreekt me niet aan” en het zijn rug toe te keren. Maar een arts kan zichzelf een dergelijke luxe niet toelaten. Afhangend van de toestand van de ziekte, en de resulterende misvorming van het orgaan, hij moet toevlucht zoeken tot therapeutische behandeling (hervormingen) of tot een operatie (revolutie). Maar om dit te kunnen doen moet hij eerst begrijpen dat het misvormde orgaan een zieke lever is, en niet iets anders.

Maar laten we een vertrouwde analogie nemen: die tussen een arbeidersstaat en een vakbond. Vanuit het standpunt van ons programma, zou de vakbond een organisatie moeten zijn van klassenstrijd. Wat moet dan onze houding zijn tegenover de American Federation of Labor?[4]

Met aan het hoofd agenten van de bourgeoisie. De heren Green, Woll en compagnie voeren een politieke lijn uit die tegengesteld is aan de belangen van het proletariaat. We kunnen de analogie uitbreiden en zeggen dat tot het verschijnen van de CIO,[5] de AFL wat progressief werk realiseerde, nu dat de hoofdinhoud van hun activiteit ingebed is in een strijd tegen het meer progressieve (of minder reactionaire) tendensen van de CIO, Greens apparaat definitief een reactionaire factor is geworden. Dit zou volledig correct zijn. Maar de AFL houd hierdoor niet op met het zijn van een organisatie van de vakbonden.

Het klassenkarakter van de staat wordt bepaald door zijn relatie met de eigendomsvormen van de productiemiddelen. Het karakter van een arbeidersorganisatie zoals een vakbond wordt bepaalt door zijn relatie met de verdeling van het nationaal inkomen. Het feit dat Green en compagnie privébezit in de productie verdedigen karakteriseert hun als burgerlijk. Indien de heren daarnaast ook het inkomen van de bourgeoisie zouden verdedigen tegen aanvallen van de arbeiders; als ze zouden strijden tegen stakingen, tegen een stijging van lonen, tegen hulp voor de werklozen; dan zouden we een organisatie van onderkruipers hebben, en geen vakbond. Nochtans, Green en compagnie , om hun basis niet te verliezen, moeten binnen bepaalde grenzen de strijd van de arbeiders leiden voor een stijging of zeker tegen een daling van hun deel van het nationaal inkomen. Dit objectieve symptoom is voldoende om ons toe te staan om in elk belangrijk geval een lijn te trekken tussen de meest reactionaire organisatie en een organisatie van bedriegers. Aldus zijn we verplicht om niet alleen ons werk in de AFL verder te zetten, maar om het te verdedigen tegen onderkruipers als de Ku Klux Klan, en dergelijke.

De functie van Stalin, net zoals die van Green heeft een dubbel karakter. Stalin dient de bureaucratie en zodoende de wereldbourgeoisie; maar hij kan de bureaucratie niet dienen zonder de sociale fundering die de bureaucratie voor eigen gewin uitbuit te verdedigen. In die mate verdedigt Stalin genationaliseerd bezit van imperialistische aanvallen en van te ongeduldige en hebzuchtige lagen van de bureaucratie zelf. Hoewel, hij voert deze verdediging met middelen die de algemene vernietiging van de Sovjetmaatschappij voorbereiden. Het is precies vanwege dit dat de stalinistische kliek omvergeworpen moet worden. Het proletariaat kan dit werk niet uitbesteden aan de imperialisten. Ondanks Stalin verdedigt het proletariaat de USSR van imperialistische aanvallen.

De historische ontwikkeling heeft ons vertrouwd gemaakt met het meest gevarieerde soort vakbonden: militant, hervormend, reactionair, revolutionair, liberaal en katholiek. Het is anders dan met een arbeidersstaat. Zulk fenomeen zien we voor de eerste keer. Dat geld voor onze neiging om de USSR exclusief te benaderen vanuit het standpunt van de normen van het revolutionaire programma. Ondertussen is de arbeidersstaat een objectief historisch feit dat onderworpen word aan verschillende historische krachten en kan in volledige tegenspraak komen met de ‘traditionele’ normen.

Kameraden B. en C. zijn volledig correct wanneer ze beweren dat Stalin en compagnie de internationale bourgeoisie dienen met hun politiek. Maar deze juiste gedachte moet geplaatst worden in de juiste plaats en tijd. Hitler dient ook de bourgeoisie. Hoewel er een verschil is tussen de functies van Stalin en Hitler. Hitler verdedigt de bourgeois vorm van bezit. Stalin past de belangen van de bureaucratie aan de belangen van de proletarische vormen van bezit aan. Dezelfde Stalin in Spanje, d.w.z., op het grondgebied van een bourgeois regime, voert de functie van Hitler uit (in hun politieke methodes verschillen ze weinig van elkaar). De juxtapositie van de sociale rollen van de één en dezelfde Stalin in de USSR en Spanje demonstreren dat de bureaucratie geen klasse is maar een werktuig van de klassen; en dat het onmogelijk is om het karakter van een staat te bepalen aan de hand van de deugd of de slechtheid van de bureaucratie.

De bewering dat de bureaucratie van een arbeidersstaat een bourgeois karakter heeft moet niet alleen onbegrijpelijk maar volkomen zinloos lijken voor mensen die een formele geestesgesteldheid hebben ingeprent. Nochtans hebben chemisch zuivere staten nooit bestaan, en bestaan in het algemeen niet. De semi-feodale Pruisische monarchie voerde de meest belangrijke taken van de bourgeois uit, maar voerde ze uit op hun eigen manier, d.w.z. , in een feodale, geen jakobijnse stijl. In Japan nemen we zelfs vandaag een analoge correlatie waar tussen het bourgeois karakter van de staat en het semi-feodale karakter van de heersende klasse. Maar dit alles belet ons niet om een duidelijk onderscheid te maken tussen een feodale en een bourgeois samenleving. Het is waar, men kan bezwaar maken dat de samenwerking tussen feodale en bourgeois krachten onmetelijk sneller tot stand komen dan de samenwerking tussen bourgeois en proletarische krachten, aangezien de eerste instantie een geval van twee vormen van klassenuitbuiting voorstelt. Dit is volledig correct. Maar een arbeidersstaat creëert geen nieuwe maatschappij in één dag. Marx schreef dat in de eerste periode van een arbeidersstaat de bourgeois normen van distributie bewaard worden. (zie voor dit The Revolution Betrayed p.53.) Men moet deze gedachte goed wegen en uitdenken tot het einde. De arbeidersstaat op zich, als staat, is precies noodzakelijk omdat de bourgeoisnormen van distributie nog van kracht blijven.

Dit betekent dat zelfs de meest revolutionaire bureaucratie tot op zekere hoogte een bourgeois orgaan in de arbeidersstaat is. Natuurlijk speelt de mate van bourgeoisificatie en de algemene tendens van ontwikkeling een grote rol. Als de arbeidersstaat zijn bureaucratisering verliest en geleidelijk wegvalt, betekent dit dat zijn ontwikkeling het pad van het socialisme bewandelt. In tegenstelling, als de bureaucratie machtiger word, gebiedend, bevoorrecht, conservatief, betekent dit dat de bourgeois tendensen groeien ten nadele van de socialistische; met andere woorden, dat de interne tegenstelling die tot op zekere hoogte in de arbeidersstaat is ondergebracht niet vermindert, zoals de ‘norm’ eist, maar stijgt. Zolang de tegenstelling niet van het gebied van de distributie naar het gebied van de productie gaat, en het genationaliseerde bezit en planeconomie niet heeft opgeblazen, blijft de staat een arbeidersstaat.

Lenin heeft reeds vijftien jaar geleden gezegd dat: “onze staat een arbeidersstaat is maar met bureaucratische misvormingen”. In die periode vertegenwoordigde bureaucratische misvormingen een directe erfenis van het bourgeois regime en, in die zin, verscheen het als slechts een overleving van het verleden. Echter, onder de druk van ongunstige historische omstandigheden, , ontving de bureaucratische overleving nieuwe voedingsbronnen en werd het een enorme historische factor. Het komt eigenlijk hierdoor dat we spreken van een degeneratie van de arbeidersstaat. Deze degeneratie, zoals de huidige orgie van bonapartische terreur aantoont, bevind zich op een kritiek punt. Dat wat een bureaucratische misvorming was maakt zich op dit moment klaar om de arbeidersstaat te verslinden, zonder enige restjes achter te laten, en om op de ruines van genationaliseerd bezit een nieuwe bezittende klasse te stichten. Deze mogelijkheid is zeer sterk toegenomen. Maar dit alles is slechts een mogelijkheid en wij weigeren om op voorhand hier voor te buigen.

De USSR beantwoordt niet aan de ‘traditionele’ norm van arbeidersstaat. Dit betekent niet dat het er geen is. Noch betekent dit dat de norm fout wordt gevonden. De ‘norm’ rekende op een complete overwinning van de internationale proletarische revolutie. De USSR is slechts een gedeeltelijke en verminkte uitdrukking van een achterwaartse en geïsoleerde arbeidersstaat.

Het idealistisch, uiteindelijke, ‘zuiver’ normatieve denken wilt de wereld schapen in zijn eigen beeld, en draait eenvoudig weg van fenomenen die hun niet aanstaan. Sektariërs, d.w.z., mensen die enkel revolutionair zijn in hun eigen verbeelding, gidsen zichzelf met lege idealistische normen. Zij zeggen: “Deze vakbonden staan ons niet aan, wij sluiten ons er niet bij aan; deze arbeidersstaat staat ons niet aan, wij verdedigen hem niet.” Elke keer beloven zij om de geschiedenis opnieuw te maken. Zij zullen, zie je, een ideale arbeidersstaat creëren, wanneer God een ideale partij en ideale vakbonden in hun handen plaatst. Tot dit gelukkige moment arriveert, zullen zij, zoveel mogelijk, hun lippen pruilen bij de werkelijkheid. Een zeer grote pruillip — dat is de opperste uitdrukking van een sektarische revolutionair.

Zuiver ‘historisch’ reformist, mensjewiek, passief, conservatief denken is druk bezig met het rechtvaardigen van, zoals Marx het uitdrukte, het zwijnachtige van vandaag door het zwijnachtige van gisteren. Vertegenwoordigers van dit soort sluiten zich aan bij een massaorganisatie en lossen zich daar op. De verachtelijke ‘vrienden’ van de USSR passen zich aan aan de gemeenheid van de bureaucratie, door de ‘historische’ omstandigheden aan te roepen.

In tegenstelling tot deze twee geestesgesteldheden, het dialectisch denken — marxistisch, bolsjewisme — neemt fenomenen op in hun objectieve ontwikkeling en tezelfdertijd vind het in de interne tegenstelling van deze ontwikkeling een basis voor de realisatie van hun ‘norm’. Het is natuurlijk noodzakelijk dat wij verwachten dat de programmanormen worden gerealiseerd enkel als ze uiting zijn van de progressieve tendensen van het objectieve historische proces zelf.

De programmatische definitie van een bond zou ongeveer zo klinken: een organisatie van arbeiders van een handel of industrie met als doelstelling om (1) tegen het kapitalisme te strijden voor een verbetering van de arbeiders, (2) deelnemen aan de revolutionaire strijd voor de omverwerping van de bourgeoisie, (3) deelnemen in de organisatie van een economie op socialistische basis. Als we deze ‘normatieve’ definitie zouden vergelijken met de realiteit, zouden we gedwongen zijn om te zeggen dat er vandaag geen enkele vakbond in de wereld bestaat. Maar dergelijke tegenstelling tussen norm en feit, d.w.z., van de algemene uitdrukking van de ontwikkeling van de bijzondere manifestatie van dezelfde ontwikkeling — zulk een formele, uiteindelijke, niet-dialectische tegenstelling van een programma met de realiteit is absoluut levenloos en opent geen enkele weg voor de interventie van de revolutionaire partij. Ondertussen kunnen de bestaande opportunistische bonden, onder de druk van kapitalistische desintegratie — en gegeven bij een correcte politiek van ons in de bonden — moeten zij onze programmatische normen toevoegen en een belangrijke progressieve historische rol spelen. Dit veronderstelt natuurlijk een verandering van leiderschap. Het is noodzakelijk dat de arbeiders van de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk; Green, Citrine, Jouhaux en compagnie verdrijven.[6] Het is noodzakelijk dat de sovjetarbeiders Stalin en compagnie verdrijven. Als het proletariaat de bureaucratie op tijd verdrijft, dan zal het nog de genationaliseerde productiemiddelen en de basiselementen van de planeconomie na zijn overwinning vinden. Dit betekent dat het niet van bij het begin zal moeten beginnen. Dat is een enorm voordeel! Alleen radicale dandy’s die gewend zijn om zorgeloos van tak tot tak te springen kunnen lichthoofdig een dergelijke mogelijkheid verwerpen. De socialistische revolutie is een enorm en moeilijk probleem, zodat men niet lichthoofdig de materiele vooruitgang en het begin van het begin kan wegwuiven.

Het is zeer goed dat kameraden B. en C., in onderscheid van onze Franse kameraad Craipeau en andere, de factor van de productieve krachten niet vergeten en de verdediging van de Sovjet-Unie niet ontkennen. Maar dit is volledig inefficiënt. En wat als de criminele leiding van de bureaucratie de groei in de economie zou verlammen? Zou het kunnen dat in een dergelijk geval kameraden B. en C. passief zouden toekijken hoe het imperialisme de sociale basis van de USSR vernietigd? We zijn er zeker van dat dit niet het geval is. Nochtans opent hun niet-marxistisch definitie van de USSR als geen arbeidersstaat noch bourgeoisstaat de deur voor allerlei besluiten. Dat is waarom deze definitie categorisch verworpen moet worden.

Gelijktijdig een heersende en een onderdrukte klasse

“Hoe kan ons politiek geweten het ons niet kwalijk nemen” zeggen de ultralinksen “dat ze ons willen doen geloven dat in de USSR onder Stalin zijn leiding het proletariaat de ‘heersende klasse’ is...?!”. Deze bewering die op zulk een abstracte manier wordt gesteld kan onze ‘wrok’ wekken. Maar de waarheid is dat abstracte categorieën, noodzakelijk in het analyse proces, compleet ongeschikt zijn voor de synthese, die de uiterste concreetheid eist. Het proletariaat van de USSR is de heersende klasse van een achteruitgesteld land waar er nog steeds een gebrek is aan de meest vitale noodzakelijkheden om te leven. Het proletariaat van de USSR heerst over een land waar er slechts één-twaalfde uit humanisme bestaat; het andere elf-twaalfde wordt geregeerd door het imperialisme. Het bestuur van het proletariaat dat al reeds verminkt is door de ontwikkelingsachterstand en de armoede in het land, is dubbel en driedubbel misvormd onder de druk van het wereldimperialisme. Het orgaan van de regering van het proletariaat — de staat — word een orgaan voor druk van het imperialisme (diplomatie, leger, buitenlandse handel, ideeën en gebruiken). De strijd om de dominantie, beschouwd op een historische schaal is niet tussen het proletariaat en de bureaucratie, maar tussen het proletariaat en de wereldbourgeoisie. De bureaucratie is enkel het uitzendmechanisme in deze strijd. De strijd is nog niet beslecht. Ondanks al de inspanningen van de kliek van Moskou om zijn conservatieve betrouwbaarheid te demonstreren (de contrarevolutionaire politiek van Stalin in Spanje!), het wereldimperialisme vertrouwt Stalin niet, het spaart hem niet van de meest vernederende tikjes en is klaar bij de eerste gelegenheid om hem omver te werpen. Hitler — en daar ligt zijn kracht — drukt gewoon de houding van de wereldbourgeoisie tegenover de Sovjetbureaucratie consequent uit. Voor de bourgeoisie — zowel fascisten als democraten — volstaat het niet om contrarevolutionaire prestaties van Stalin te isoleren; het heeft nood aan een volledige contrarevolutie in de relaties van bezit en het openen van de Russische markt. Zolang dit niet het geval is beschouwt de bourgeoisie de Sovjetstaat als vijandig. En ze hebben gelijk.

Het interne regime in de koloniale en semi-koloniale landen heeft hoofdzakelijk een bourgeoisie karakter. Maar de druk van het buitenlandse imperialisme verandert en vervormd zo de economische en politieke structuur van deze landen, dat de nationale bourgeoisie (zelfs in onafhankelijke landen in Zuid-Amerika) slechts gedeeltelijk de hoogte van een heersende klasse bereikt. De druk die het imperialisme op ontwikkelingslanden uitoefent, dit is de waarheid, verandert niet hun basis sociaal karakter omdat de onderdrukker en onderdrukte verschillende niveaus van ontwikkeling vertegenwoordigen in dezelfde bourgeoisie maatschappij. Niettemin het verschil tussen Engeland en India, Japan en China, de US en Mexico is zo groot dat wij strikt genomen differentiëren tussen onderdrukkende en onderdrukte bourgeoisie landen en dat wij het als onze plicht beschouwen om de laatstgenoemde te steunen tegen de eerstgenoemde. De bourgeoisie van koloniale en semi-koloniale landen is een gedeeltelijk regerende klasse en een gedeeltelijk onderdrukte klasse.

De druk van het imperialisme op de Sovjet-Unie heeft als doel deze maatschappij te wijzigen. De strijd — vandaag vredig, morgen militair — gaat over de vormen van bezit. In zijn hoedanigheid van een overbrengend mechanisme in deze strijd, leunt de bureaucratie nu op het proletariaat tegen het imperialisme, nu op het imperialisme tegen het proletariaat, om zijn eigen macht te vergroten. Tezelfdertijd buit het genadeloos zijn rol van distributeur van de noodzakelijkheden van het leven uit om zijn eigen welzijn en macht veilig te stellen. Door dit teken neemt de regering van het proletariaat een verkort, in bedwang gehouden, vervormd karakter aan. Men kan volledig rechtvaardig zeggen dat het proletariaat, heersend over een geïsoleerd ontwikkelingsland, nog steeds een onderdrukte klasse blijft. De bron van onderdrukking is wereldimperialisme; het mechanisme van transmissie van de onderdrukking — de bureaucratie. Als er in de woorden: “gelijktijdig een heersende en een onderdrukte klasse” een tegenstelling is, vloeit dat niet voort uit een tegenstelling in de gedachte maar van de tegenstelling in de situatie van de USSR. Het is juist hierdoor dat we de theorie van het socialisme in één land verwerpen.

De erkenning van de Sovjetstaat als arbeidersstaat- geen type maar een verminking van een type — betekent helemaal geen theoretische en politieke amnestie voor de Sovjetbureaucratie. Integendeel, zijn reactionair karakter word volledig blootgelegd in het licht van de tegenstelling tussen zijn antiproletarische politiek en de nood voor een arbeidersstaat. Enkel door het stellen van de vraag op deze manier krijgt onze blootlegging van de misdaden van de stalinistische kliek volledig kracht. De verdediging van de USSR betekent niet alleen de opperste strijd tegen het imperialisme, maar de voorbereiding van de omverwerping van de bonapartische bureaucratie.

De ervaring van de USSR toont ons hoe groot de mogelijkheden die in de arbeidersstaat ondergebracht zijn en hoe groot zijn sterke weerstand is. Maar deze ervaring toont ons ook hoe groot de druk van het kapitalisme en zijn bureaucratisch agentschap zijn, hoe moeilijk het is voor het proletariaat om volledige bevrijding te krijgen en hoe belangrijk het is om de nieuwe Internationale te onderwijzen en te matigen in de geest van de onverzoenlijke revolutionaire strijd.

_______________
[1] Geen arbeidersstaat en geen bourgeoisiestaat. Intern bulletin (OCSPC), Nr. 3, december 1937. Dit was een bijdrage van Trotski tot de interne discussie die voorafging aan de oprichting van de Socialist Workers Party. Intern bulletin Nr. 2, november 1937, had een ontwerpresolutie over de Sovjet-Unie gepubliceerd, en een langer amendement door Burnham en Carter dat Trotski hier analyseert. (Het Interne Bulletin, Nr. 3, december 1937, moest de antwoorden van Burnham en van Carter aan Trotski bevatten.)
[2] James Burnham en Joseph Carter waren leiders van de bolsjewistisch-leninistische factie van de Socialist Party (left wing) en later van de SWP. In de preconventie discussie vertegenwoordigden zij een tendens in het leiderschap die tot doel had om de karakterisering, die de partij had van de Sovjet-Unie als een arbeidersstaat, te wijzigen maar zij stonden erop dat zij de USSR bleven steunen tegen de imperialistische aanvallen. Bovendien begonnen zij hun vrees over de centralistische aspecten van het bolsjewistisch organisatorisch beleid uit te drukken. Bij de SWP conventie ontving hun resolutie over de USSR de stemmen van 3 afgevaardigden tegen negenenzestig voor de meerderheidsresolutie. De Burnham-Carter resolutie over de organisatievraag werd teruggetrokken toen de meerderheid akkoord ging met enkele kleine amendementen in zijn resolutie. In 1940 braken Burnham en Carter, deze keer bijgestaan door Shachtman en Abern met de SWP over de klassenaard van de Sovjetstaat. Burnham trok zich spoedig terug uit de Shachtmanse arbeiderspartij, en hij werd later een propagandist voor McCarthyism en andere ultra rechtse bewegingen en een redacteur van het rechtse National Review.
[3] The New Leader was een blad van de Britse Independent Labour Party. De ILP werd opgericht in 1893 en hielp bij de oprichting van de Labour party, verliet het in 1931 en werd nu geassocieerd met het centralistische bureau van Londen. Het keerde naar de Labour party terug in 1939. Fenner Brockway (1890-1979) was een tegenstander van de Vierde Internationale en het secretariaat van het Londense bureau. Hij was ook een leider van de ILP.
[4] De American Federation of Labor (AFL) was een conservatieve ambachtsfederatie van wie William Green (1873-1952) leider was en van wie één van zijn vice-voorzitters Matthew Woll (1880-1956) was.
[5] Het Congres of Industrial Organizations (CIO) werd oorspronkelijk opgezet in 1935 als commissie binnen AFL. De leiders van de AFL weigerden de vraag naar nieuwe organisaties die de radicaliserende arbeiders zouden vertegenwoordigen en verdreven de CIO vakbonden in 1938, waardoor ze hen dwongen om hun eigen nationale organisatie op te richten. De AFL en CIO kwamen in 1955 samen.
[6] Sir Walter Citrine (1887-1976) was de algemene secretaris van het British Trade Union Congress vanaf 1926 tot 1946. Hij werd geridderd voor zijn diensten aan het Britse kapitalisme in 1935, en hij werd Baron in 1946.