Leon Trotski

Genationaliseerde industrie en arbeidersbeheer



Geschreven: mei of juni 1938
Bron: De Internationale, oktober 1972
Eerste versie: Fourth International augustus 1946
Vertaling: onbekend
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, september 2007


Dit artikel werd door Trotski tijdens zijn ballingschap in Mexico in mei of juni geschreven. Kort daarvoor had president Cardenas in Mexico de buitenlandse (vooral Noord-Amerikaanse) petroleummaatschappijen onteigend. De nationalisatie was een maatregel die als staatskapitalistisch kon beschouuwd worden, d.i. een maatregel waarvan het doel is, een zekere economische onafhankelijkheid t.o.v. het imperialisme te bekomen. Daar Cardenas de petroleum onder het beheer plaatste van vertegenwoordigers van de arbeiders, rees de vraag welke houding hier moest worden aangenomen.

In de industrieel achtergebleven landen speelt het buitenlands kapitaal een beslissende rol. Vandaar de relatieve zwakte van de nationale burgerij t.o.v. het nationale proletariaat. Hierdoor ontstaan speciale omstandigheden, wat de staatsmacht betreft. De regering laveert tussen buitenlands en binnenlands kapitaal, tussen de zwakke nationale burgerij en het relatief sterke proletariaat. Dat geeft de regering een bonapartistisch [met bonapartisme bedoelt men een politiek die steunt op een zeer labiel evenwicht tussen de belangrijkste maatschappelijke groepen in een bepaalde maatschappij - bron/MIA] karakter sui generis (van een eigen aard). Ze verheft zichzelf a.h.w. boven de klassen. Eigenlijk kan ze slechts regeren, hetzij door zich tot werktuig van het buitenlands kapitaal te maken, en het proletariaat te ketenen in een politionele dictatuur, hetzij door het proletariaat te manoeuvreren en het zelfs toegevingen te doen teneinde demogelijkheid te scheppen tot een zekere vrijheid t.o.v. het buitenlands kapitaal. De huidige politiek (van de Mexicaanse regering — vert.) bevindt zich in dit tweede stadium; de grootste verovering hierbij is de onteigening van de spoorwegen en van de petroleumindustrie.

Deze maatregelen vallen volledig binnen het kader van het staatskapitalisme. Het staatskapitalisme bevindt zich echter in een semi-koloniaal land onder zware druk van het buitenlands privékapitaal en zijn regeringen, en kan geen stand houden zonder de actieve steun van de arbeiders. Daarom tracht het, zonder de werkelijke macht uit handen te geven, de arbeidersorganisaties een belangrijk aandeel te geven in de verantwoordelijkheid voor de productie in de genationaliseerde industrietakken.

Wat moet in dat geval de politiek van de arbeiderspartij zijn? Het zou natuurlijk een rampzalige vergissing zijn, en tot een volslagen ontgoocheling leiden, als men beweert dat de weg naar het socialisme niet via de proletarische revolutie gaat, maar via de nationalisatie van verschillende industrietakken door de burgerlijke staat, en hun overdracht aan de arbeidersorganisaties. Maar daar gaat het hier niet om. De burgerlijke regering heeft zelf de nationalisatie doorgevoerd en zich verplicht gezien de medewerking van de arbeiders te vragen in het beheer van de genationaliseerde industrie. Men kan natuurlijk het probleem ontwijken door te wijzen op het feit dat, zolang het proletariaat de macht niet gegrepen heeft, de deelname van de vakbonden in het beheer der ondernemingen van het staatskapitalisme geen socialistische resultaten kan geven. Maar zo’n negatieve politiek van de revolutionaire vleugel zou niet begrepen worden door de massa’s en zou de opportunistische posities verstevigen. Voor marxisten gaat het niet om de opbouw van het socialisme door de burgerij, maar om het benutten van de omstandigheden die zich voordoen binnen het staatskapitalisme en het versterken van de revolutionaire arbeidersbeweging.

Deelname aan burgerlijke parlementen kan geen belangrijke positieve resultaten meer geven; in sommige omstandigheden kan het zelfs leiden tot de demoralisatie van de arbeidersafgevaardigden. Maar dit is voor revolutionairen geen argument voor het antiparlementarisme.

Het zou onjuist zijn de politiek van arbeidersmedebeheer in de genationaliseerde industrie gelijk te stellen met de deelname van socialisten in een burgerlijke regering (wat wij ministerialisme noemen). Alle leden van een regering zijn verbonden door een solidariteit. Een partij die in de regering vertegenwoordigd is, is aansprakelijk voor de gehele regeringspolitiek. Deelname aan het beheer van een bepaalde industrietak laat alle mogelijkheden open voor een politieke oppositie. Ingeval de arbeidersafgevaardigden in het beheer in de minderheid zijn, hebben zij alle gelegenheid hun voorstellen die door de meerderheid verworpen werden, bekend te maken en te publiceren, ter kennis van de arbeiders te brengen, enz.

Het deelnemen van de vakbonden in het beheer van de genationaliseerde industrie kan vergeleken worden met de deelname van socialisten in de gemeentebesturen, waar de socialisten soms een meerderheid krijgen, en verplicht zijn een belangrijke gemeentedienst te leiden, terwijl de bourgeoisie in de staat de heerschappij nog uitoefent, en de burgerlijke eigendomswetten nog gelden. Reformisten passen zich in het gemeentebestuur passief aan het burgerlijk regime aan. Revolutionairen doen op dit vlak alles wat ze kunnen in het belang van de arbeiders, en leren hen tegelijkertijd, bij elke stap, dat de gemeentelijke politiek machteloos is zonder de verovering van de staatsmacht.

Om het duidelijk te stellen: het verschil is dat op het vlak van het gemeentebestuur de arbeiders bepaalde posities veroveren d.m.v. democratische verkiezingen, terwijl op het vlak van de genationaliseerde industrie de regering zelf hen uitnodigt bepaalde plaatsen in te nemen. Maar dit verschil is van zuiver formele aard. In beide gevallen is de burgerij verplicht aan de arbeiders zekere activiteitssferen af te staan. De arbeiders gebruiken deze in hun eigen belang.

Het zou lichtzinnig zijn, zijn ogen te sluiten voor de gevaren die voortvloeien uit een toestand waarin de vakbonden een leidinggevende rol spelen in de genationaliseerde industrie. De oorzaak van het gevaar ligt in de verbinding van de topleiders van de vakbeweging met het apparaat van het staatskapitalisme, de verandering van vertegenwoordigers die in opdracht van het proletariaat zetelen, in knechten van de burgerlijke staat. Maar hoe groot dit gevaar ook mag zijn, het is slechts een onderdeel van een algemeen gevaar, of juister: van een algemene ziekte, nl. de burgerlijke degeneratie van de vakbondsapparaten in de imperialistische fase, niet alleen in de oude moederlanden, maar ook in de koloniale landen. De vakbondsleiders zijn in de overgrote meerderheid der gevallen, politieke agenten van de burgerij en zijn staat. In de genationaliseerde industrie kunnen zij rechtstreekse administratieve agenten worden, en worden dat trouwens reeds. Hiertegen bestaat geen ander middel dan de strijd voor de onafhankelijkheid van de arbeidersbeweging in het algemeen, en meer bepaald door de vorming, binnen de vakbonden, van sterke revolutionaire kernen die, terwijl ze de eenheid van de vakbeweging bewaren, in staat zijn te vechten voor een klassepolitiek en voor een revolutionaire samenstelling van de leidinggevende organen.

Een ander soort gevaar ligt besloten in het feit dat de banken en andere kapitalistische ondernemingen, waarvan een bepaalde genationaliseerde industrietak in economische zin afhankelijk is, speciale sabotagemethodes kunnen en zullen gebruiken om het arbeidersbeheer hindernissen in de weg te leggen, om het te discrediteren en het te doen mislukken. De reformistische leiders zullen daarentegen uit de sabotage door de banken de conclusie trekken dat het nodig is de banken te onteigenen en één nationale bank te stichten die de rekenkamer zou worden van die hele economie. Dit probleem moet natuurlijk onverbrekelijk verbonden worden met het probleem van de verovering van de macht door de arbeidersklasse.

De verschillende kapitalistische bedrijven, binnen- en buitenlandse, zullen onvermijdelijk samenzweren met de staatsinstellingen om het arbeidersbeheer van de genationaliseerde industrie hindernissen in de weg te leggen. Anderzijds moeten de arbeidersorganisaties die in het beheer van verschillende takken van de genationaliseerde industrie zitten, samenwerken om hun ervaringen uit te wisselen, ze moeten elkaar economische steun geven, met verenigde krachten optreden tegenover de regering, wat de kredietvoorwaarden e.d. betreft... Natuurlijk moet een dergelijk centraal bureau van het arbeidersbeheer der genationaliseerde industrietakken in nauw contact blijven met de vakbonden. Samenvattend kan men zeggen dat dit nieuwe werkterrein zowel de grootste mogelijkheden als de grootste gevaren inhoudt. Het gevaar bestaat in het feit dat het staatskapitalisme d.m.v. de gecontroleerde vakbonden, de arbeiders in toom kan houden, hen vreselijk uitbuiten en hun weerstand verlammen kan. De revolutionaire mogelijkheden liggen in het feit dat de arbeiders, uitgaande van hun posities in buitengewoon belangrijke industrietakken, in de aanval kunnen gaan tegen alle krachten van het kapitaal en tegen de burgerlijke staat. Welke van deze mogelijkheden zal de overhand krijgen? En in welke tijdsspanne? Dat is natuurlijk onmogelijk te voorspellen. Dat hangt volledig af van de strijd tussen de verschillende tendensen binnen de arbeidersklasse, van de ervaringen van de arbeiders zelf, van de wereldsituatie. In elk geval, om deze nieuwe vorm van activiteit in het belang van de arbeidersklasse te gebruiken, en niet in het belang van de arbeidersaristocratie en van de bureaucratie, is er maar één noodzakelijke voorwaarde: dat er een marxistisch-revolutionaire partij bestaat die elke vorm van activiteit van de arbeidersklasse aandachtig bestudeert, elke afwijking bekritiseert, de arbeiders opvoedt en organiseert, invloed wint in de vakbonden en een revolutionaire arbeidersvertegenwoordiging in de genationaliseerde industrie verzekert.