Leon Trotski


Drie opvattingen over de Russische revolutie


Geschreven: 1940
Eerste Nederlandstalige publicatie: 1973, in een uitgave van de Revolutionair Communistische Bond.
Deze versie: Invoegen van tussentitels en kleine taalkundige aanpassingen. Enkele stukken tekst ontbraken en zijn aangevuld uit het Engels volgens de Engelstalige versie op het MIA.
Transcriptie: Adrien Verlee
HTML: Maarten Vanheuverswyn, voor het Marxists Internet Archive, juli 2004


De revolutie van 1905 was niet alleen de ‘generale repetitie’ voor 1917, maar ook het laboratorium waarin alle belangrijkste stromingen van het Russische politieke leven ontstonden en alle strekkingen en schakeringen binnen het Russische marxisme vorm kregen.

In het middelpunt van de discussies en meningsverschillen stond vanzelfsprekend de vraag wat het historische karakter van de Russische revolutie was en hoe haar verdere ontwikkelingsgang zou zijn. Die meningsverschillen en uiteenlopende vooruitzichten staan min of meer los van de biografie over Stalin, omdat deze hierin geen zelfstandig aandeel heeft gehad. De weinige propagandistische artikelen die hij over dat onderwerp geschreven heeft zijn van geen enkel theoretisch belang. Vele bolsjewieken die de pen ter hand namen populariseerden dezelfde ideeën en deden het beduidend beter. Een kritische weergave van de verschillende revolutionaire opvattingen binnen het bolsjewisme hoort uiteraard in een biografie over Lenin thuis. Maar theorieën leiden zo hun eigen leven. Terwijl Stalin in de periode van de eerste revolutie en later tot aan 1923, toen de revolutionaire theorieën uitgewerkt waren en hun toepassing vonden, op geen enkele wijze een eigen standpunt innam, trad er in 1924 een kentering op die het begin betekende van een tijdperk van bureaucratische reactie en van een radicale herwaardering van het verleden. De film van de revolutie werd teruggedraaid. Oude doctrines werden onderworpen aan een revisie of opnieuw geïnterpreteerd. Daardoor werd, op het eerste gezicht vrij onverwacht, de aandacht gericht op de opvatting van de permanente revolutie, als de belangrijkste oorzaak van al de ideologische fouten van het trotskisme. De volgende jaren vormde de kritiek op deze opvatting de voornaamste inhoud van al de theoretische — sit venio verbo [1] — geschriften van Stalin en zijn medestanders. In theoretisch opzicht vloeit ieder aspect van het stalinisme voort uit de kritiek op de theorie van de permanente revolutie, zoals deze in 1905 werd geformuleerd. Daarom hoort een weergave van deze theorie, en van wat haar onderscheidt van de theorie én van de mensjewieken én van de bolsjewieken in dit boek thuis, al is het maar in het aanhangsel.

Ruslands gecombineerde ontwikkeling

Het is karakteristiek voor Ruslands ontwikkeling dat zij achtergebleven is. De historisch verlate ontwikkeling betekent echter niet dat een of twee eeuwen later de ontwikkeling van de meer ontwikkelde landen herhaald wordt. Deze ontwikkeling geeft veeleer aanleiding tot gecombineerde maatschappelijke formatie, waarin de meest moderne verworvenheden van de kapitalistische techniek en de kapitalistische structuur gecombineerd worden met de maatschappelijke verhoudingen van feodale en prefeodale aard, deze veranderen en aan zich ondergeschikt maken, en een uniek geheel van klassenverhoudingen scheppen. Dat geldt ook voor de ideeën. Juist door haar historisch achterblijven was Rusland het enige Europese land waarin het marxisme als leer en de sociaaldemocratie als partij zelfs voor de burgerlijke revolutie een geweldige ontwikkeling doormaakten, en wel omdat het probleem van de verhouding tussen de strijd voor de democratie en de strijd voor het socialisme uit de aard der zaak in Rusland op de meest diepgaande wijze theoretisch doordacht werd.

De idealistische democraten — en vooral de narodniki — weigerden hardnekkig de op handen zijnde revolutie als een burgerlijke revolutie te beschouwen. Zij noemden haar democratisch en trachtten door middel van deze neutrale politieke formule haar maatschappelijke inhoud niet alleen voor anderen, maar ook voor zichzelf te verbergen.

Plechanov, de grondlegger van het Russische marxisme, toonde daarentegen reeds in de tachtiger jaren van de vorige eeuw in zijn strijd tegen de narodniki aan dat Rusland geen enkele reden had te rekenen op een bevoorrechte ontwikkelingsgang. Dat het, net als de ‘profane’ naties, door het vagevuur van het kapitalisme heen moest, en dat het juist via deze weg de politieke vrijheid moest bevechten die onontbeerlijk was voor het proletariaat in zijn verdere strijd voor het socialisme. Plechanov maakte niet alleen een scheiding tussen de burgerlijke revolutie, als de eerste taak, en de socialistische revolutie, die hij verwees naar een vage verre toekomst, maar hij voorzag tevens voor iedere revolutie geheel verschillende combinaties tussen de maatschappelijke krachten.

Het proletariaat zou samen met de liberale bourgeoisie de politieke vrijheid veroveren. Vervolgens, vele tientallen jaren later, op een hoog niveau van de kapitalistische ontwikkeling zou het proletariaat de socialistische revolutie doorvoeren in een direct treffen met de bourgeoisie.

“De Russische intellectueel is steeds de mening toegedaan” schreef Lenin tegen het einde van 1904, “dat men onze revolutie kleurloos zou maken, haar zou vernederen en vulgariseren, door vast te stellen dat het een burgerlijke revolutie is (...) Voor het proletariaat is de strijd voor de politieke vrijheid en de democratische republiek in de burgerlijke maatschappij slechts een van de noodzakelijke etappes in de strijd voor de sociale revolutie”. [2]

“De marxisten”, schreef hij in 1905, “zijn diep doordrongen van het burgerlijke karakter van de Russische revolutie. Wat betekent dat? Dat betekent dat die democratische hervormingen (...) die voor Rusland noodzakelijk geworden zijn, op zichzelf niet alleen geen ondermijning van het kapitalisme betekenen, geen ondermijning van de heerschappij van de bourgeoisie, maar dat zij integendeel voor het eerst werkelijk de weg vrijmaken voor een brede en snelle Europese, en niet een Aziatische, ontwikkeling van het kapitalisme: dat zij voor het eerst de heerschappij van de bourgeoisie als klasse mogelijk maken (...)”. [3]

“We kunnen het burgerlijk-democratische kader van de Russische revolutie niet doorbreken”, onderstreepte hij nogmaals, “maar we kunnen dat kader aanzienlijk verbreden!” [4], dat wil zeggen binnen de burgerlijke maatschappij gunstiger voorwaarden scheppen voor de verdere strijd van het proletariaat. In zoverre volgde Lenin Plechanov. Het burgerlijke karakter van de revolutie was het gezamenlijke uitgangspunt van beide fracties van de Russische sociaaldemocratie.

Onder deze omstandigheden is het begrijpelijk dat Koba [5] bij zijn propaganda niet verder is gegaan dan deze ingeburgerde formuleringen, die het gemeenschappelijk erfdeel vormden van de bolsjewieken en de mensjewieken.

“De Wetgevende Vergadering, gekozen op basis van algemeen, gelijk, direct en geheim kiesrecht”, schreef hij in januari 1905, “daar moeten we nu voor strijden! Slechts een dergelijke vergadering zal ons een democratische republiek geven, die voor ons in onze strijd voor het socialisme zeer noodzakelijk is.”

Het perspectief was de burgerlijke republiek als de arena van de verdere klassenstrijd voor het socialistische doel. In 1908, na talloze discussies in de buitenlandse en Petersburgse pers, en na de gedegen verificatie van de theoretische vooruitzichten door de ervaring van de eerste revolutie, schreef Stalin:

“Dat onze revolutie burgerlijk is, dat zij haar einde moet vinden met de vernietiging van de lijfeigenschap en niet met die van de kapitalistische orde, dat zij slechts bekroond kan worden met een democratische republiek — daarover is, naar het schijnt, iedereen in onze partij het eens”.

Stalin sprak niet over waarmee de revolutie moest beginnen, maar over waar zij mee moest eindigen en hij beperkte haar bij voorbaat, en categorisch, tot “slechts een democratische republiek”. Tevergeefs speuren we in zijn geschriften van die dagen naar ook maar één aanwijzing over het perspectief van de socialistische revolutie in samenhang met de democratische revolutie. Dit standpunt nam hij tijdens het begin van de februari revolutie van 1917 nóg in, tot aan de komst van Lenin in Petrograd.

De mening van de mensjewieken

Voor Plechanov, Axelrod en algemeen de mensjewistische leiders, had de karakterisering van de revolutie als burgerlijk vooral de politieke betekenis, te vermijden dat de bourgeoisie vroegtijdig door het rode spook van het socialisme afgeschrikt en in het reactionaire kamp ‘teruggedreven’ zou worden.

“De maatschappelijke verhoudingen in Rusland zijn slechts rijp voor een burgerlijke revolutie” zei Axelrod, de belangrijkste tacticus van de mensjewieken op het Verenigd congres. “Omwille van de algemene onderdrukking van politieke rechten in ons land kan er zelfs niet gesproken worden van een strijd tussen het proletariaat en andere klassen om de politieke macht (...) Het proletariaat vecht voor een burgerlijke ontwikkeling. De objectieve historische omstandigheden maken het onvermijdelijk dat ons proletariaat met de burgerij strijdt tegen de gemeenschappelijke vijand”.

De inhoud van de Russische revolutie was daarom van in het begin beperkt tot veranderingen die verenigbaar zijn met de belangen van de liberale bourgeoisie.

Het is precies op dit punt dat de onenigheid tussen de twee strekkingen begint. Het bolsjewisme verwerpte volkomen de mogelijkheid dat de Russische burgerij haar eigen revolutie kan volbrengen. Met grotere kracht en consistentie dan Plechanov, stelde Lenin het landbouwvraagstuk als het centrale vraagstuk in de democratische omvorming van Rusland.

“De sleutel van de Russische revolutie,” herhaalde hij, “is het landbouwvraagstuk. Besluiten over de overwinning of nederlaag van de revolutie moeten rusten (...) op de massa in haar strijd om land.”

Met Plechanov zag Lenin de boeren als een kleinburgerlijke klasse en het landprogramma van de boeren als een programma van burgerlijke ontwikkeling.

“Nationalisatie is een maatregel van de bourgeoisie”, benadrukte hij op het Verenigingscongres. [6] “Het geeft een impuls tot kapitalistische ontwikkeling, het zal de klassenstrijd aanscherpen, land moderniseren, een instroom geven van kapitaal in de landbouw, de graanprijs verlagen.” [7]

Ondanks het zuiver burgerlijke karakter van de agrarische revolutie, stond de Russische bourgeoisie afwijzend tegenover de onteigening van het grootgrondbezit, en juist hierom streefde zij naar een compromis met de monarchie op basis van een grondwet naar Pruisisch voorbeeld. Tegenover het idee van Plechanov van een verbond tussen het proletariaat en de liberale bourgeoisie bracht Lenin het idee naar voren van een verbond tussen het proletariaat en boeren. Als de taak voor de revolutionaire samenwerking tussen deze twee klassen stelde hij de vestiging van een democratische dictatuur als het enige middel om Rusland volledig te ontdoen van feodale rommel, de vorming van een klasse van vrije boeren en het openen van de weg voor de ontwikkeling van het kapitalisme meer naar het Amerikaanse dan naar het Pruisische model.

De overwinning van de revolutie, schreef hij, kan slechts bereikt worden “door de dictatuur, want de verwerkelijking van de veranderingen die onmiddellijk, en onvermijdelijk nodig zijn voor het proletariaat en de boeren zal de verbitterde tegenstand zowel van de grootgrondbezitters als van de grote bourgeoisie en het tsarisme oproepen. Zonder dictatuur is het onmogelijk deze tegenstand te breken en de contrarevolutionaire plannen te doen mislukken. Maar het zal vanzelfsprekend geen socialistische, maar een democratische dictatuur zijn. Deze is (zonder een hele reeks van tussenfasen in de revolutionaire ontwikkeling) niet in staat de grondslagen aan het kapitalisme aan te tasten. Zij kan hoogstens een radicale herverdeling van het grondbezit ten behoeve van de boeren doorvoeren, een consequente en volledige democratisering, waaronder het invoeren van een republiek. Alle Aziatische verschijnselen van lijfeigenschap zowel in de fabrieken als in de dorpen uitroeien, de basis leggen voor belangrijke verbeteringen in de toestand van de arbeiders en voor het verhogen van hun levenspeil, en ten slotte, last but not least [8], de revolutionaire brand naar Europa overbrengen”. [9]

Lenins kwetsbare positie

Lenins opvatting betekende een geweldige stap voorwaarts, omdat zij uitging van de agrarische revolutie in plaats van grondwetshervormingen als het centrale doel van de revolutie, en omdat ze de enige op de werkelijkheid berustende combinatie van krachten aanwees die deze taak kon volbrengen. Het zwakke punt in Lenins opvatting was echter het in zich tegenstrijdige idee van democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren. Lenin zelf benadrukte de fundamentele beperkingen van die dictatuur, toen hij haar openlijk burgerlijk noemde. Dit impliceerde voor Lenin dat het proletariaat terwille van het handhaven van de eenheid met de boeren gedwongen zou zijn af te zien van het stellen van socialistische taken aan de ophanden zijnde revolutie.

Maar dat zou voor het proletariaat betekend hebben dat het af zou zien van haar eigen dictatuur. In feite gaat het hier dus om de dictatuur van de boeren, waaraan de arbeiders deelnemen. Bij bepaalde gelegenheden liet Lenin zich op exact deze wijze uit, zoals op het congres te Stockholm [10], toen hij aan Plechanov, die geageerd had tegen de utopie van de machtsovername, antwoordde:

“Over welk program spreken we nu? Over het agrarische programma. Wie moet volgens dit programma de macht grijpen? De revolutionaire boeren. Verwart Lenin de regering van het proletariaat met die van de boeren? Nee”, zei hij sprekend over zichzelf, “Lenin maakt een scherp onderscheid tussen de socialistische regering van het proletariaat en de burgerlijk-democratische regering van de boeren. [11]

“En hoe is een, succesvolle boerenrevolutie mogelijk”, zo riep hij wederom uit, “zonder de greep naar de macht door de revolutionaire boeren?”. [12]

In deze polemische formulering van Lenin komt de aanvechtbaarheid van zijn standpunt zeer duidelijk naar voren. De boeren leefden verspreid over het oppervlak van een immens land, waarin de steden als contactpunten functioneerden. Zelfstandig waren de boeren zelfs niet in staat hun eigen belangen te formuleren, omdat deze in iedere streek verschillend opgevat werden. De economische verbinding tussen de provincies werd gevormd door de markt en de spoorwegen. Wanneer de boeren probeerden door de grenzen van het dorp heen te breken en hun belangen samen te bundelen, dan werden zij onvermijdelijk politiek afhankelijk van de stad. Wat haar maatschappelijke verhoudingen betreft was het boerendom evenmin homogeen. De laag van koelakken was er van nature op uit boeren mee te slepen in een verbond met de stedelijke bourgeoisie, terwijl de lagere lagen in het dorp neigden in de richting van de arbeiders in de steden. Onder deze omstandigheden was het boerendom als geheel absoluut niet in staat regeringsmacht op zich te nemen.

Zeker, in het oude China brachten revoluties de boeren aan de macht, of liever, de militaire leiders van de boerenopstanden. Dat leidde steeds weer tot een herverdeling van de grond en de vestiging van een nieuwe boerendynastie, waarna de geschiedenis weer van voren af aan begon. Nieuwe concentratie van het grondbezit, een nieuwe aristocratie, nieuwe woeker, nieuwe opstanden. Zolang de revolutie haar zuiver boerenkarakter bleef behouden, geraakte de samenleving niet uit deze hopeloze vicieuze cirkel. Dit vormde de grondslag van de oude Aziatische, met inbegrip van de oude Russische, geschiedenis. Vanaf het begin van de Middeleeuwen kwam in Europa door iedere succesvolle boerenopstand, niet een boerenregering aan de macht, maar een partij van linkse burgers. Nauwkeuriger gezegd: een boerenopstand bleek slechts inzoverre succesvol, als zij leidde tot de bevestiging van de positie van het revolutionaire deel van de stedelijke bevolking.

Van een machtsovername door de revolutionaire boeren kon in het burgerlijke Rusland van de twintigste eeuw geen sprake zijn.

De verhouding tegenover het liberalisme

De houding ten opzichte van de liberale bourgeoisie wordt hierdoor het criterium van het verschil tussen revolutionairen en opportunisten onder de sociaaldemocraten. Hoe ver de Russische revolutie kon gaan, wat het karakter zou zijn van de toekomstige voorlopige revolutionaire regering, voor welke taken deze zou komen te staan en in welke volgorde, deze vragen konden in hun volle omvang slechts op de juiste wijze gesteld worden, wanneer ze betrokken werden op het fundamentele karakter van de politiek van het proletariaat. En dit karakter wordt voornamelijk bepaald door haar relatie tot de liberale bourgeoisie. Plechanov sloot demonstratief en hardnekkig de ogen voor de fundamentele praktische les van de negentiende-eeuwse politieke geschiedenis. Overal waar het proletariaat als een onafhankelijke macht op de voorgrond trad, ging de bourgeoisie naar het kamp van de contrarevolutie. Hoe heldhaftiger de strijd van de massa’s, des te sneller vond de reactionaire vervorming van het liberalisme plaats. Niemand heeft nog het middel gevonden om de werking van de wetten van de klassenstrijd op te heffen.

“We moeten blij zijn met de steun van de niet-proletarische partijen”, herhaalde Plechanov voortdurend in de jaren van de eerste revolutie, “en hen niet van ons vervreemden door tactloos gedrag”. [13]

Door dergelijke eentonige zedenpreken gaf de filosoof van het marxisme er blijk van dat hij niet in staat was de levende dynamiek van de maatschappij te bevatten. Tactloosheid kan een incidentele overgevoelige intellectueel van je vervreemden. Maar klassen en partijen worden door hun maatschappelijke belangen aangetrokken of afgestoten.

“Men kan rustig zeggen”, zo diende Lenin Plechanov van repliek, “dat de liberalen grootgrondbezitters ons miljoenen tactloze daden zullen vergeven, maar zij zullen geen oproep tot inbeslagname van hun land vergeven” [14].

En niet alleen de grootgrondbezitters, de bovenste lagen van de bourgeoisie die met de grootgrondbezitters verbonden zijn door het feit dat hun belang bij het eigendom overeenstemt en nog meer door het banksysteem, evenals de bovenlaag van de kleine bourgeoisie en de intellectuelen, die materieel en moreel afhankelijk zijn van de grote en middelgrote bezitters, zij allen vreesden het zelfstandig in beweging komen van de massa’s. Om echter het tsarisme te kunnen verslaan moesten tientallen miljoenen onderdrukten opgeroepen worden tot een heldhaftige, zelfopofferende, voor niets terugdeinzende revolutionaire strijd. De massa’s konden slechts tot deze opstand gebracht worden onder het vaandel van hun eigen belangen en dientengevolge in onverzoenlijke vijandschap tegenover de uitbuitende klassen, vooral tegenover de grootgrondbezitters. Het vervreemden van de oppositionele bourgeoisie van de revolutionaire boeren en arbeiders was daarom een immanente wet van de revolutie zelf en kon niet door ‘tactvol optreden’ of diplomatie voorkomen worden.

Iedere maand opnieuw werd Lenins beoordeling van het imperialisme bevestigd. Alle vrome wensen van de mensjewieken ten spijt maakten de kadetten [15] niet alleen geen aanstalten om de burgerlijke revolutie te leiden, zij vonden integendeel hun historische missie meer en meer in het bestrijden hiervan. Na de verpletterende nederlaag van de Decemberopstand [16] probeerden de liberalen, die dankzij de kortstondige Doema [17] in het politieke voetlicht traden, uit alle macht aan het tsarisme hun onvoldoende contrarevolutionaire optreden in de herfst van 1905 te rechtvaardigen, toen de meest heilige pijlers van de cultuur in gevaar verkeerden. De leider van de liberalen, Miljukov, die geheime onderhandelingen voerde met het Winterpaleis, wees er in de pers zeer terecht op dat de kadetten tegen het eind van 1905 zich zelfs niet voor de massa’s konden vertonen.

“Diegenen die het de (kadetten-)partij nu kwalijk nemen”, zo schreef hij, “dat ze toen niet protesteerden door meetings te houden tegen de revolutionaire illusies van het trotskisme (...) begrijpen gewoonweg niet of herinneren zich niet de destijds heersende stemming onder het democratische publiek, dat toen deze meetings bezocht”.

Met de illusies van het trotskisme bedoelde de liberale leider de onafhankelijke politiek van het proletariaat, waardoor de sympathie van de lagere klassen van de stadsbevolking, de soldaten, boeren en van alle onderdrukten naar de sovjets gingen, en daardoor de beschaafde wereld afstootte. De evolutie van de mensjewieken liep hiermee parallel. Steeds opnieuw moesten zij zich ten opzichte van de liberalen rechtvaardigen dat zij zich na de oktober van 1905 in een blok met Trotski bevonden. De verklaringen van de begaafde publicist van de mensjewieken Martov kwamen hier op neer, dat het nodig was concessies te doen aan de revolutionaire illusies van de massa’s.

Het aandeel van Stalin in de discussie

In Tiflis hadden zich politieke groeperingen gevormd, die op dezelfde principes stonden als in Petersburg.

“De nederlaag van de reactie”, schreef de leider van de Kaukasische mensjewieken, Jordania, “het verkrijgen van een grondwet en het in de praktijk laten functioneren hiervan hangen af van de bewuste vereniging van de krachten van het proletariaat en de bourgeoisie en van hun gerichtheid op hetzelfde doel (...) Zeker de boeren zullen bij deze beweging betrokken worden en zullen haar het karakter van een natuurkracht geven. Desondanks zullen deze twee klassen de beslissende rol spelen, terwijl de boerenbeweging koren op de molen zal zijn.”

Lenin lachte om de vrees van Jordania dat een onverzoenlijke houding ten opzichte van de bourgeoisie de arbeiders zou kunnen veroordelen tot een toestand van onmacht.

Jordania “onderzoekt het probleem van een mogelijke isolering van het proletariaat in de democratische opstand en vergeet... de boeren! Van de mogelijke bondgenoten van het proletariaat neemt hij slechts de grootgrondbezitters uit de Zemstvo’s [18] in ogenschouw, die hem wel bevallen, maar hij ziet de boeren niet. En dat in de Kaukasus!”

Lenins repliek was in essentie juist, maar simplificeerde het probleem op een punt. Jordania vergat de boeren niet en, zoals blijkt uit Lenins eigen opmerking, kon deze onmogelijk in de Kaukasus vergeten hebben waar zij destijds op stormachtige wijze onder de banier van de mensjewieken omhoogkwamen. Jordania zag de boeren echter niet zozeer als een politieke bondgenoot maar veeleer als een politiek stormram, die de bourgeoisie samen met het proletariaat gebruiken kon en moest. Hij geloofde niet dat de boeren een leidende of zelfs alleen maar een onafhankelijke macht in de revolutie konden worden, en hier had hij geen ongelijk in. Hij geloofde er echter evenmin in dat het proletariaat in staat zou zijn als leidende kracht de overwinning van de boerenopstand veilig te stellen — en dat was een fatale vergissing. Het mensjewistische idee van een verbond van het proletariaat met de bourgeoisie betekende in werkelijkheid de onderwerping zowel van de boeren als van de arbeiders aan de liberalen. Het reactionaire en utopische karakter van dat programma school hierin dat de reeds vergevorderde versnippering van de klassen de bourgeoisie bij voorbaat als revolutionaire factor uitschakelde. Het standpunt dat de bolsjewieken met betrekking tot dit fundamentele vraagstuk innamen was juist: het blijven streven naar een verbond met de liberale bourgeoisie hield onvermijdelijk in dat de sociaaldemocratie in het aan de revolutionaire beweging van arbeiders en boeren vijandige kamp gedreven werd. In 1905 ontbrak het de mensjewieken gewoonweg aan de moed de noodzakelijke conclusies te trekken uit hun theorie van de burgerlijke revolutie. In 1917 braken zij hun nek doordat zij hun ideeën tot in hun uiterste consequentie doorvoerden.

In het vraagstuk van de houding die ten opzichte van de liberalen ingenomen moet worden, nam Stalin tijdens de eerste revolutie hetzelfde standpunt in als Lenin. Gezegd moet worden dat in die periode zelfs een meerderheid van de mensjewieken in het probleem van de oppositionele bourgeoisie dichter bij Lenin stond dan bij Plechanov. Een minachtende houding ten opzichte van de liberalen lag geheel in het verlengde van de literaire traditie van het intellectuele radicalisme. Het zou echter van bijzonder weinig nut zijn geweest te zoeken naar een onafhankelijke bijdrage van Koba met betrekking tot dat vraagstuk, maar een analyse van de maatschappelijke verhoudingen op de Kaukasus of nieuwe argumenten, of zelfs maar naar een nieuwe formulering van oude argumenten. Jordania, de leider van de Kaukasische mensjewieken, was oneindig zelfstandiger in zijn houding ten opzichte van Plechanov, dan Stalin ten opzichte van Lenin.

“Tevergeefs proberen de heren liberalen”, schreef Koba na de Bloedige zondag [19], “de wankelende troon van de tsaar te redden. Tevergeefs reiken zij de tsaar de helpende hand! (...) De massa’s van het volk komen in beweging en bereiden zich voor op de revolutie, en niet op verzoening met de tsaar (...) Ja, mijne heren, tevergeefs zijn jullie pogingen! De Russische Revolutie is onafwendbaar, even onafwendbaar als het opkomen van de zon! Kunnen jullie de opgaande zon tegenhouden? Zo liggen de zaken!”

En zo gaat hij maar door. Verder kon Koba niet komen. Tweeëneenhalf jaar later schreef hij, Lenins woorden bijna letterlijk herhalend:

“De Russische liberale bourgeoisie is contrarevolutionair; zij kan niet de motor, en nog minder de leider van de revolutie zijn. Zij is de gezworen vijand van de revolutie, en men moet een voortdurende strijd tegen haar voeren!”

Juist met betrekking tot deze fundamentele kwestie maakte Stalin gedurende de daaropvolgende tien jaren een complete metamorfose door, zodat hij tijdens de februarirevolutie van 1917 een voorstander werd van een coalitie met de liberale bourgeoisie, en geheel hiermee in overeenstemming, als de voorvechter van een fusie met de mensjewieken tot één partij. Pas de uit het buitenland terugkerende Lenin maakte op abrupte wijze een eind aan Stalins zelfstandige politiek, die hij als een karikatuur van het marxisme kenschetste.

De boeren

De narodniki zagen alle arbeiders en boeren simpelweg als zwoegers en uitgebuiten, die allen evenveel belang hadden bij het socialisme, terwijl voor marxisten de boer een kleinburger was die slechts socialist kon worden voorzover hij materieel of wat mentaliteit betreft, ophield een boer te zijn. Met de hen eigen sentimentaliteit zagen de narodniki in deze sociologische karakterisering een belediging voor de boeren. Op dit vlak speelde zich twee generaties lang de principiële strijd af tussen diverse revolutionaire richtingen in Rusland.

Voor een beter begrip van het latere conflict tussen stalinisme en het trotskisme is het noodzakelijk er nadruk op te leggen dat Lenin, geheel in overeenstemming met de marxistische traditie, nooit de boeren beschouwd heeft als een socialistische bondgenoot van het proletariaat. Integendeel, juist het enorme overwicht van de boeren bracht Lenin tot de conclusie dat een socialistische revolutie in Rusland onmogelijk kon plaatsvinden. Deze opvatting zien we steeds weer in zijn artikelen terug die direct of indirect verband houden met het boerenvraagstuk.

“Wij ondersteunen de boerenbeweging”, schreef Lenin in september 1905, “inzoverre zij revolutionair en democratisch is. Wij bereiden ons erop voor (nu onmiddellijk op dit moment) haar te bestrijden voor zoverre zij zich als reactionair en anti-proletarisch ontpopt. De hele essentie van het marxisme ligt in deze dubbele taak (...)” [20].

Lenin zag het westerse proletariaat en in zekere zin de semi-proletariërs van het Russische dorp als socialistische bondgenoten, maar nooit de boeren als een geheel.

“Eerst steunen we tot het einde toe met alle middelen, waaronder de confiscatie”, herhaalde hij met de hem zo eigen vasthoudendheid, “de boer in het algemeen tegen de grondbezitter, maar daarna (en zelfs niet eens daarna, maar tezelfdertijd) ondersteunen wij het proletariaat tegen de boer in het algemeen”. [21]

“De boeren zullen in de burgerlijk-democratische revolutie overwinnaar zijn”, schreef hij in maart 1906, “en daarmee hun revolutionaire kracht als boerenklassen volledig verbruiken. Het proletariaat zal winnen in een burgerlijk democratische revolutie, en daarmee zal zij slechts beginnen met het ontwikkelen van haar werkelijk socialistische revolutionaire aard”. [22] “De boerenbeweging”, zo herhaalde hij in mei van hetzelfde jaar, “is de beweging van een andere klasse. Haar strijd is niet gericht tegen de grondslagen van het kapitalisme, maar erop gericht deze te ontdoen van al de overblijfselen van de lijfeigenschap”. [23]

Deze zienswijze valt bij Lenin waar te nemen van artikel tot artikel, van jaar tot jaar, van boek tot boek. De wijze van uitdrukken en de illustraties variëren, de grondgedachte blijft echter dezelfde. Dat zou ook niet anders kunnen. Als Lenin de boeren had beschouwd als een socialistische bondgenoot, dan was er niet de minste reden aanwezig geweest om te hameren op het burgerlijke karakter van de revolutie en haar te beperken tot de dictatuur van het proletariaat en de boeren, tot zuiver democratische opgaven. Bij die gelegenheden waarop Lenin mij ervan beschuldigde de boeren te onderschatten, doelde hij niet op het feit dat ik niet voldoende de socialistische tendenties van de boeren zag, maar veeleer op het feit dat ik mij, vanuit Lenins gezichtspunt, onvoldoende de burgerlijk-democratische zelfstandigheid van de boeren realiseerde, hun capaciteit tot het scheppen van hun eigen macht en tot het door middel hiervan verhinderen van de vestiging van de socialistische dictatuur van het proletariaat.

De herwaardering van deze kwestie begon pas in de jaren van de thermidoriaanse reactie [24], waarvan het begin ongeveer samenviel met de ziekte en dood van Lenin. Van toen af verklaarde men dat het verbond van de Russische boeren en arbeiders op zichzelf een voldoende garantie was tegen de gevaren van een herstel en als een veilig onderpand voor de verwerkelijking van het socialisme binnen de grenzen van de Sovjet-Unie. Nadat hij de theorie van de internationale revolutie had vervangen door die van het socialisme in één land, ging Stalin ertoe over de marxistische zienswijze op de boeren trotskisme te noemen, en dat niet alleen met betrekking tot het heden, maar ook met terugwerkende kracht tot het hele verleden.

Natuurlijk kan men zich afvragen of de klassiek marxistische visie op de boerenklasse achteraf niet fout is gebleken. Dat thema zou ver buiten het bestek van deze bijlage vallen. Hier hoeft alleen opgemerkt te worden dat het marxisme nooit een absoluut en onveranderlijk karakter heeft willen toekennen aan zijn opvatting dat de boeren een niet-socialistische klasse vormen. Marx heeft lang geleden gezegd dat de boer zowel tot oordeel als vooroordeel instaat is. Onder veranderde omstandigheden verandert ook het karakter van de boerenklasse zelf. Het stelsel van de dictatuur van het proletariaat ontdekte zeer grote mogelijkheden om de boeren te beïnvloeden en her op te voeden. De geschiedenis heeft deze mogelijkheden nog niet tot op de bodem uitgeput. Maar het is nu al duidelijk dat de groeiende rol van de overheidsdwang in de USSR in feite een bevestiging is van de opvatting over de boeren, die de Russische marxisten onderscheidde van de narodniki. Echter, hoe de situatie op dit gebied vandaag de dag na twintig jaar nieuw regime ook moge zijn, het feit blijft bestaan dat voor de Oktoberrevolutie, of beter nog, voor 1924, niemand in het marxistische kamp, en Lenin nog het minst, de boeren heeft beschouwd als een factor voor de socialistische ontwikkeling. Zonder hulp van een proletarische revolutie in het Westen, herhaalde hij steeds weer opnieuw, is de restauratie in Rusland onafwendbaar. Hij heeft zich niet vergist. De stalinistische bureaucratie is niets meer af minder dan de eerste fase van het burgerlijke herstel.

Trotski neemt een derde positie in

Dit waren de standpunten van de twee belangrijkste fracties in de Russische sociaaldemocratie. Hiernaast werd echter al vóór het begin van de eerste revolutie nog een derde standpunt geformuleerd, dat in die dagen nauwelijks erkenning vond, maar waarover hier gesproken moet worden, niet alleen omdat het door de gebeurtenissen van 1917 bevestigd werd, maar in het bijzonder omdat het zeven jaar na de revolutie, nadat men het volledig op zijn kop gezet had, een zeer onvoorziene rol begon te spelen in de politieke evolutie van Stalin en van de hele sovjetbureaucratie.

Begin 1905 publiceerde ik in Genève een brochure die de politieke situatie analyseerde zoals die zich in de winter van 1904 voordeed. Ik kwam tot de conclusie dat de onafhankelijke campagne van liberale petities en banketten in zijn mogelijkheden was uitgeput. Dat de radicale intellectuelen die hun hoop op de liberalen hadden gevestigd, met hen in het slop waren geraakt, dat de boerenbeweging omstandigheden schiep die gunstig waren voor de overwinning, naar niet in staat was deze te verwezenlijken. Dat alleen de gewapende opstand van het proletariaat de doorbraak teweeg zou kunnen brengen. Dat de eerstvolgende stap op deze weg de algemene staking moest zijn. Dit geschrift, geheten Tot aan de negende januari, was geschreven vóór de Bloedige Zondag in Petersburg. De krachtige stakingsgolf die in die tijd begon en de eerste gewapende schermutselingen die hiermee gepaard gingen, vormden de ondubbelzinnige bevestiging van de strategische prognoses van deze brochure.

Het voorwoord tot mijn werk werd geschreven door Parvus, een Russische emigrant die toen al een prominent Duits schrijver geworden was. Parvus was een creatieve persoonlijkheid, die zowel in staat was gegrepen te worden door de ideeën van anderen, als zelf anderen met zijn ideeën te verrijken.

Hem ontbrak het echter aan de innerlijke evenwichtigheid en toewijding die noodzakelijk waren om zijn talenten als denker en schrijver aan de arbeidersbeweging ten goede te doen komen. Ongetwijfeld heeft hij een aanzienlijke invloed op mijn persoonlijke ontwikkeling uitgeoefend, in het bijzonder wat betreft het maatschappelijk-revolutionaire begrip van het tijdperk waarin wij leven. Enkele jaren voor onze eerste ontmoeting verdedigde Parvus hartstochtelijk het idee van een algemene staking in Duitsland. Dit land bevond zich echter in een tijdperk van een lange industriële opgang, de sociaaldemocratie paste zich aan het regime van de Hohenzollers aan en de revolutionaire propaganda ondervond slechts een ironische onverschilligheid. Toen Parvus de dag na de bloedige gebeurtenissen in Petersburg het manuscript van mijn brochure gelezen had, werd hij begeesterd door de gedachte dat het proletariaat in het achtergebleven Rusland voorbestemd was een buitengewone rol te spelen. De enkele dagen die we samen in München doorbrachten werden gevuld met gesprekken die ons beiden veel duidelijk maakten en ons persoonlijk nader tot elkaar brachten. Het voorwoord van Parvus, toen hij die brochure schreef, nam voor altijd zijn plaats in de geschiedenis van de Russische revolutie in. In enkele bladzijden liet hij zijn licht schijnen op die maatschappelijke eigenaardigheden van het achtergebleven Rusland, die weliswaar al bekend waren, maar waaruit voor hem nog niemand de noodzakelijke conclusies getrokken had.

“Het politieke radicalisme in West-Europa”, schreef Parvus, “steunde, zoals iedereen weet, voornamelijk op de kleine bourgeoisie. Dit waren de handwerkers en in het algemeen al degenen van die delen van de bourgeoisie die door de industriële revolutie omhoog waren gekomen, maar tezelfdertijd door de klasse van de kapitalisten werden onderdrukt (...) In het Rusland van de prekapitalistische periode ontwikkelden de steden zich eerder naar Chinees dan naar Europees voorbeeld. Het waren de administratieve centra, met een louter ambtelijk-bureaucratisch karakter, zonder enige politieke betekenis, terwijl zij economisch gezien de bazaars vormden voor de grondbezitters en de boeren uit de omgeving. Hun ontwikkeling was nog vrij bescheiden geweest toen hieraan een eind werd gemaakt door het kapitalistische proces, dat de voor dat systeem zo typerende grote steden stichtte, dat wil zeggen fabriekssteden en centra van wereldhandel (...) Wat de ontwikkeling van een kleinburgerlijke democratie verhinderd had, namelijk de zwakke ontwikkeling van het handwerk als productiewijze, kwam in Rusland ten goede aan het klassenbewustzijn van het proletariaat. Het proletariaat werd direct in de fabrieken geconcentreerd (...)”

“Steeds grotere massa’s boeren zullen door de beweging worden meegesleept. Al wat zij kunnen doen is echter slechts de in het land heersende politieke anarchie nog verergeren en daarmee de regering verzwakken. Zij kunnen geen samenhangend revolutionair leger worden. Hierdoor zal met het voortschrijden van de revolutie een steeds groter deel van het politieke werk aan het proletariaat toevallen. Tezelfdertijd zal zijn politiek bewustzijn groeien en zijn politieke energie aanzienlijk toenemen (...)”

“De sociaaldemocratie zal zich voor het volgende dilemma geplaatst zien: verantwoordelijkheid op zich nemen voor de voorlopige regering of buiten de arbeidersbeweging komen te staan. De arbeiders zullen die regering als de hunne aanvaarden, wat ook de houding van de sociaaldemocratie moge zijn (...) In Rusland kunnen alleen de arbeiders een revolutionaire opstand volbrengen. In Rusland zal de voorlopige revolutionaire regering een regering zijn van arbeidersdemocratie. Deze regering zal sociaaldemocratisch zijn indien de sociaaldemocratie de leiding van de revolutionaire beweging van het Russische proletariaat op zich neemt (...)”

“De sociaaldemocratische voorlopige regering kan in Rusland geen socialistische revolutie doorvoeren, maar de vernietiging van de autocratie de vestiging van een democratische republiek zullen het een vruchtbare grond geven voor politieke activiteiten.” [25]

In de herfst van 1905, toen de revolutionaire gebeurtenissen hun hoogtepunt vonden de, kwam ik Parvus wederom tegen, deze keer in Petersburg. Organisatorisch onafhankelijk van beide fracties, gaven we gezamenlijk Russkoje Slovo uit (Het Russische Woord), een blad voor de massa’s van de arbeidersklasse, en in samenwerking met de mensjewieken, het belangrijke politieke blad Nachalo (Het Begin). De theorie van de permanente revolutie werd gewoonlijk verbonden met de namen Parvus en Trotski. Dat was slechts gedeeltelijk juist. Parvus’ revolutionaire rijpheid ligt tegen het einde van de vorige eeuw, toen hij zich in de voorste linies bevond van de strijd tegen het zogenaamde revisionisme, dat wil zeggen de opportunistische ontwrichting van de theorie van Marx. Maar zijn optimisme werd ondergraven door het feit dat zijn pogingen om de Duitse sociaaldemocratie in de richting te stuwen van een meer resolute politiek, faalden. Parvus kwam steeds gereserveerder te staan tegenover de perspectieven van een socialistische revolutie in het Westen. Tegelijkertijd meende hij dat “De sociaaldemocratische voorlopige regering geen socialistische opstand in Rusland kan doorvoeren.” Zijn prognose ging daarom, in plaats van naar omvorming van de democratische in de socialistische revolutie, in de richting van de vestiging van een regime van arbeidersdemocratie in Rusland, min of meer zoals in Australië, waar de eerste arbeidersregering, steunend op een basis van kleine boeren, zich niet buiten de grenzen van het burgerlijke systeem waagde.

Ik deelde deze conclusie niet. De Australische democratie, rijpend op de maagdelijke grond van een nieuw continent, nam onmiddellijk een conservatief karakter aan en overheerste het jonge, nog tamelijk bevoorrechte proletariaat. De Russische democratie kon maar alleen ontstaan als gevolg van een revolutionaire opstand op brede schaal. De dynamiek van zo een opstand zou de arbeidersregering nooit in staat stellen om zichzelf binnen het kader van de burgerlijke democratie te handhaven. Onze meningsverschillen, die spoedig na de revolutie van 1905 begonnen, leidden tot een volledige breuk bij het begin van de oorlog, toen Parvus, in wie de scepticus de revolutionair helemaal had vermoord, aan de kant van het Duitse imperialisme bleek te staan en vervolgens de raadsman en inspirator werd van de eerste president van de Duitse republiek, Ebert.

De theorie van de permanente revolutie

Nadat ik mijn brochure Tot aan de negende januari geschreven had, heb ik mij er steeds opnieuw op toegelegd de grondslag te leggen voor de theorie van de permanente revolutie en deze verder te ontwikkelen. Met het oog op het belang dat deze theorie later kreeg in de intellectuele ontwikkeling van de held van deze biografie [26], is het nodig deze theorie hier in de vorm van nauwkeurige citaten uit mijn geschriften uit de jaren 1904 en 1905 weer te geven.

“De kern van de bevolking van een hedendaagse stad — althans van een stad van economische en politieke betekenis — wordt gevormd door de scherp te herkennen klasse van de loonarbeiders. Juist deze klasse, die tijdens de Franse Revolutie in wezen nog onbekend was, is voorbestemd in onze revolutie de beslissende rol te spelen (...)” [27] “In een economisch achtergebleven land kan het proletariaat eerder aan de macht konen dan in een kapitalistisch verder ontwikkeld land. De opvatting die uitgaat van een soort automatische afhankelijkheid van de proletarische dictatuur, van de technische mogelijkheden en middelen van een land is het vooroordeel van een tot het uiterste gesimplificeerd economisch materialisme. Een dergelijke opvatting heeft niets gemeen met het marxisme (...)” [28] “Hoewel de productiekrachten van de Verenigde Staten tienmaal zo groot zijn als bij ons, is de politieke rol van het Russische proletariaat, zijn invloed op de politiek van zijn eigen land en de mogelijkheid, dat het spoedig ook de wereldpolitiek zal beïnvloeden, oneindig veel groter dan de rol en de betekenis van het Amerikaanse proletariaat (...)” [29]

“De Russische revolutie schept mijns inziens de voorwaarde waaronder de macht in handen van het proletariaat kan overgaan (en bij een overwinning van de revolutie overgaan moet), nog voor de politici van het burgerlijke liberalisme de mogelijkheid zullen hebben hun staatsmankunst ten volle te ontplooien” [30] “De Russische bourgeoisie zal alle revolutionaire stellingen aan het proletariaat afstaan. Zij zal ook de revolutionaire hegemonie over de boeren aan hen over moeten laten. Het aan de macht gekomen proletariaat zal de boeren als de bevrijdende klasse, tegemoet treden (...)” [31] “Het proletariaat, steunend op de boeren, zal alle krachten aanwenden om het culturele peil van het platteland te verhogen en om het politieke bewustzijn van de boeren te ontwikkelen (...)” [32]

“Maar zullen de boeren misschien niet zelf het proletariaat verdrijven en zijn plaats innemen? Dat is onmogelijk. Elke historische ervaring verzet zich tegen een dergelijke veronderstelling. De historische ervaring toont aan dat de boeren absoluut niet in staat zijn tot het spelen van een onafhankelijke rol (...)” [33] Uit wat we hierboven hebben gezegd zal het duidelijk zijn hoe wij de idee van de dictatuur van het proletariaat en de boeren zien. In werkelijkheid gaat het er niet om of wij het in beginsel aanvaardbaar vinden, of wij een dergelijke vorm van politieke samenwerking wel of niet wensen. Wij geloven eenvoudig dat het niet te verwezenlijken is — tenminste niet in een directe en onmiddellijke zin (...)” [34]

Bovenstaande citaten tonen aan hoe onjuist de bewering is dat de hier uiteengezette opvatting de burgerlijke revolutie overslaat. “De strijd voor de democratische vernieuwing van Rusland”, schreef ik toen, “is geheel gegroeid uit het kapitalisme en gestuurd door krachten aan die zich ontplooien op basis van het kapitalisme, en is gericht, direct en in de eerste plaats, tegen de feodale obstakels op de weg naar de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij.” Maar de vraag was: welke krachten en methoden kunnen deze hindernissen verwijderen?

“We kunnen een grens stellen aan alle vragen betreffende de revolutie door te beweren dat onze revolutie burgerlijk is in haar objectieve doeleinden, en aldus in haar onvermijdelijke resultaten. We kunnen onze ogen sluiten voor het feit dat de hoofdrolspeler van deze burgerlijke revolutie het proletariaat is, en het proletariaat gedreven wordt naar de macht in de loop der revolutie (...) [35] Je kan je sussen met de gedachte dat de sociale omstandigheden in Rusland nog niet rijp zijn voor een socialistische economie, en daaruit de overweging verwerpen dat zodra het proletariaat aan de macht is, het uit de logica van zijn situatie een economie zal moeten introduceren geleid door de staat (...) [36] Deze zal niet regeren als impotente gijzelaars, maar als een heersende klasse, de vertegenwoordigers van de arbeidersklasse zullen uit dit handelen zelf de grens vernietigen tussen het minimum- en het maximumprogramma, dat wil zeggen: de collectiviteit op de dagorde zetten. Waar het proletariaat zal stoppen in deze ontwikkeling is afhankelijk van de krachtsverhoudingen, maar zeker niet van de oorspronkelijke bedoelingen van de partij van de arbeidersklasse (...)” [37]

“Men kan zich echter nu afvragen: moet de dictatuur van het proletariaat nu per se stranden op de grenzen van de burgerlijke revolutie of kan zij, op basis van de bestaande historische wereldsituatie, het perspectief van de uiteindelijke overwinning voor ogen hebben, nadat zij dit beperkende kader doorbroken heeft?” [38] “Een ding kan met zekerheid gezegd worden: zonder de directe steun van de toekomstige regeringen van het Europese proletariaat zal de Russische arbeidersklasse niet in staat zijn aan de macht te blijven en zijn tijdelijke regeringsmacht te veranderen in een duurzame socialistische dictatuur (...)” [39]

Maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijze te leiden tot een pessimistisch vooruitzicht.

“De politieke bevrijding, geleid door de Russische arbeidersklasse, zal haar als leider tot een hoogte verheffen die zijn gelijke in de geschiedenis niet kent. Zij zal deze klasse enorme middelen en krachten geven en haar tot de initiatiefneemster maken van de liquidatie van het kapitalisme over de gehele wereld, waarvoor de geschiedenis alle subjectieve voorwaarden geschapen heeft (...)”[40]

Over de vraag in hoeverre de internationale sociaaldemocratie in staat zal zijn om haar revolutionaire taak te vervullen, schreef ik in 1906:

“De Europese socialistische partijen, in het bijzonder de grootste daarvan, de Duitse sociaaldemocratische partij, hebben hun conservatisme in dezelfde mate ontwikkeld als de massa’s tot het socialisme toetreden en deze massa’s steeds sterker georganiseerd en gedisciplineerd worden. Daarom kan de sociaaldemocratie, als de organisatie die de politieke ervaring van het proletariaat belichaamt, op een gegeven moment die directe belemmering worden voor een open conflict tussen de arbeiders en de burgerlijke reactie (...)” [41]

Toch besloot ik mijn analyse met te zeggen dat ik ervan overtuigd was dat “De revolutie in het Oosten het westerse proletariaat zal aansteken met een revolutionair idealisme en het verlangen zal doen opkomen om tegen hun vijanden ‘Russisch’ te spreken (...)” [42]

Samenvattend

De narodniki gingen evenals de slavofielen van de illusie uit dat de ontwikkeling van Rusland uniek zou zijn, doordat deze het kapitalisme en de burgerlijke republiek zou vermijden. Het marxisme van Plechanov wil bewijzen dat de historische ontwikkeling van Rusland in principe dezelfde is als die van het Westen. Het programma dat hieruit voortkwam ging voorbij aan de zeer reële en verre van mystieke eigenaardigheden van Ruslands maatschappelijke structuur en revolutionaire ontwikkeling. De opvatting van de mensjewieken over de Russische revolutie komt, ontdaan van zijn incidentele nuanceringen en individuele afwijkingen, hier op neer: de overwinning van de Russische burgerlijke revolutie was slechts mogelijk onder leiding van de liberale bourgeoisie en moet deze aan de macht brengen. Later zou het democratische regime het Russische proletariaat in staat stellen met onvergelijkelijk meer succes dan daarvoor zijn oudere westerse broeders op de weg van de strijd voor het socialisme in te halen.

Lenins perspectief kan in het kort in de volgende woorden weergegeven worden: de achtergebleven Russische bourgeoisie is niet in staat zijn eigen revolutie tot het einde toe door te voeren! De volledige overwinning van de revolutie door middel van de democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren zou het land ontdoen van zijn middeleeuwse karaktertrekken, de ontwikkeling van het Russische kapitalisme een Amerikaans tempo verlenen, het proletariaat in de steden en dorpen versterken en de strijd, voor het socialisme echt mogelijk maken. Aan de ander kant zou de Russische revolutie een enorme impuls geven aan de socialistische revolutie in het Westen, terwijl deze op zijn beurt niet alleen Rusland zou beschermen tegen de gevaren van het herstel, naar bovendien het Russische proletariaat staat stellen in een relatief korte historische periode tot de verovering van de macht te komen.

Het perspectief van de permanente revolutie kan op de volgende wijze samengevat worden: de volledige overwinning van de democratische revolutie in Rusland is alleen in de vorm van de dictatuur van het proletariaat, steunend op de boeren, voorstelbaar. De dictatuur van het proletariaat, die onvermijdelijk niet alleen democratische, maar ook socialistische taken op de dagorde zou plaatsen, zou tegelijkertijd een krachtige impuls geven aan de internationale socialistische revolutie. Slechts de overwinning van het proletariaat in het Westen zou Rusland kunnen beschermen tegen het burgerlijke herstel en voor dit land de mogelijkheid veilig stellen om de vestiging van het socialisme volledig door te voeren.

Deze compacte formuleringen doen met een even grote nauwgezetheid de overeenkomst van de laatste twee concepten uitkomen in hun onverzoenlijke tegenstelling tot het liberale mensjewistische perspectief, als het uiterst essentiële verschil met betrekking tot het probleem van het maatschappelijke karakter en de taken van de dictatuur die uit de revolutie voort moet komen. Het in de geschriften van de huidige Moskouse theoretici vaak voorkomende verwijt dat het programma van de dictatuur van het proletariaat in 1905 prematuur was, mist iedere grond. Empirisch gezien was het programma van de democratische dictatuur van het proletariaat en de boeren even prematuur. De ongunstige krachtsverhoudingen ten tijde van de eerste revolutie verhinderden niet zozeer de dictatuur van het proletariaat als zodanig, als wel de overwinning van de revolutie in het algemeen.

Toch gingen alle revolutionaire groeperingen uit van de hoop op de volledige overwinning; de onverzoenlijke revolutionaire strijd zou zonder een dergelijke hoop onmogelijk zijn geweest. De meningsverschillen gingen over het algemene perspectief van de revolutie en de strategie die hieruit voortvloeide. Het perspectief van de mensjewieken was totaal verkeerd. Het wees het proletariaat de verkeerde weg. Het perspectief van de bolsjewieken was niet volledig. Het wees op een juiste wijze de algemene richting van de strijd aan, maar karakteriseerde de stadia hierin onjuist.

De onvolkomenheden van het perspectief van het bolsjewisme kwamen in 1905 alleen niet naar boven, doordat de revolutie zich niet doorzette. Echter, begin 1917 was Lenin gedwongen zijn perspectief te wijzigen, in direct conflict met de oude kaders van zijn partij.

Geen enkele politieke prognose kan aanspraak maken op mathematische exactheid. Het is voldoende als zij op juiste wijze de algemene ontwikkelingslijn aangeeft en behulpzaam is bij het richting geven aan de actuele gang van de gebeurtenissen, die onvermijdelijk links en rechts van de hoofdlijn afwijkt. In die zin is het onmogelijk niet in te zien dat de opvatting van de permanente revolutie de toets van de geschiedenis succesvol doorstaan heeft. In de eerste jaren van het Sovjetregime trok niemand dat in twijfel, integendeel, dit feit werd in een groot aantal officiële publicaties erkend. Toen echter de bureaucratische reactie tegen de Oktoberrevolutie begon, in de verstokte en verkilde bovenlaag van de Sovjetmaatschappij, richtte deze zich onmiddellijk tegen de theorie die op de meest volledige manier een weerspiegeling was van de eerste proletarische revolutie, en tegelijkertijd haar onvoltooide, beperkte en onvolledige karakter blootlegde. Zo ontstond, als reactie hiertegen, de theorie van het socialisme in één land, het fundamentele dogma van het stalinisme.


Voetnoten

[1] Sit venio verbo — men verontschuldige de uitdrukking.

[2] V.I. Lenin: De alleenheerschappij van het proletariaat, Werke, deel 8, blz. 8.

[3] V.I. Lenin: Twee tactieken van de sociaaldemocratie in de democratische revolutie, Werke, deel 9, blz. 35.

[4] Ibid. blz. 39.

[5] Koba: vroegere schuilnaam van Stalin.

[6] Verenigingscongres: 1906.

[7] Vergelijk: “De nationalisering van grond en bodem in een democratische republiek schept zonder twijfel de grootste speelruimte voor de klassenstrijd — de grootste die zonder meer onder het kapitalisme mogelijk en denkbaar is. Nationalisering betekent het verdwijnen van de absolute rente, het dalen van de graanprijs, het verzekeren van maximale vrijheid voor de concurrentie en van vrijheid voor het binnendringen van het kapitaal in de landbouw.” V.I. Lenin: Vereinungsparteitag der SDAPR, Werke deel 10, blz. 282.

[8] Last but not least — als laatste, maar niet als minste.

[9] V.I. Lenin: Twee tactieken van de sociaaldemocratie in de democratische revolutie, Werke, deel 9, blz. 44

[10] IVde (verenigings-)congres.

[11] V. I. Lenin: Vereinungsparteitag der SDAPR, Werke deel 10, blz. 340-341.

[12] Ibid., blz. 341.

[13] Vergelijk: Plechanov geciteerd door Lenin in: De huidige toestand van Rusland en de tactiek van de arbeiderspartij. Werke deel 10, blz. 103.

[14] Ibid., blz. 105.

[15] De Konstitutioneel-Democratische Partij (kadetten) was de eerste legale politieke partij van de liberale bourgeoisie in Rusland. Zij werd in oktober 1905 opgericht.

[16] 1905.

[17] In 1905 beloofde de tsaristische regering een staatsdoema bijeen te roepen. Minister Boelygin kreeg de opdracht een ontwerp uit te werken. De algemene staking van oktober 1905 bracht zo’n schrik teweeg dat de Boelygin-Doema vergeten werd. Het manifest van de tsaar van 17 oktober werd in plaats van de Doema met raadgevende stem nu een Doema met wetgevende stem beloofd. In maart 1906 vonden de verkiezingen plaats. De bolsjewieken boycotten de Doema. De Radicalen domineerden in de Doema, die in mei bijeenkomt en in juni weer ontbonden werd.

[18] De Zemstvo’s (landraden) waren een soort provinciale staten. Na de opheffing van de lijfeigenschap in 1861 werden ze in 1864 ingesteld in de 34 gouvernementen van Rusland. De randgebieden en Siberië kregen deze vertegenwoordiging niet. De afgevaardigden voor een Zemstvovergadering werden gekozen volgens een drieklassenkiesstelsel: grondbezitters, stadsbewoners, boeren. Voor de eerste twee klassen gold een hoog minimumvermogen als voorwaarde voor het stemrecht. De boeren hadden indirect kiesrecht. In iedere Welast kozen ze een kiesman.

[19] Zondag 9 januari 1905 werd onder leiding van pope Gapon een demonstratie gehouden waarbij een verzoekschrift aan de tsaar zou worden aangeboden. De vreedzame demonstratie werd voor het Winterpaleis uit elkaar geschoten.

[20] V.I. Lenin: De verhouding van de sociaaldemocratische partij tot de boerenbeweging, Werke, deel 9, blz. 231.

[21] Ibid., blz. 233.

[22] V.I. Lenin: De overwinning van de kadetten en de taak van de arbeiderspartij, Werke, deel 10, blz. 258 noot.

[23] V. I. Lenin: De boeren- of ‘trudoviken-’ groep en de SDAPR, Werke, deel 10, blz. 415.

[24] De 9e Themidor II (27 juli 1794) kwam Robespierre ten val en daarmee ging de macht in Frankrijk over op gematigde delen van de bourgeoisie. Op de 9e Thermidor werd het feodalisme niet hersteld. De macht bleef in handen van de bourgeoisie. De Thermidor was dus reactie op basis van de revolutie. Zie verder L. Trotski: Arbeidersstaat, thermidor en bonapartisme.

[25] Afgedrukt in: Winfried B. Scharlau und Zbynek A. Zeman, Freibeuter der Revolution, Köln 1964, blz. 350 — 360.

[26] Stalin, nvdr

[27] L. Trotski: Ergebnisse und Perspektive, Verlag neue Kritik, Frankfurt 1967, blz. 49.

[28] Ibid. blz. 65.

[29] Ibid. blz. 67.

[30] Ibid. blz. 65.

[31] Ibid. blz. 75 en L. Trotski: De permanente of de verraden revolutie, Van Gennep 1971, blz. 47

[32] Ibid. blz. 76 resp. blz. 47.

[33] Ibid. blz. 74 resp. blz. 46.

[34] Ibid. blz. 76 resp. blz. 47 — 48.

[35] Ibid. blz. 69.

[36] Ibid. blz. 69.

[37] Ibid. blz. 82.

[38] Ibid. blz. 70

[39] Ibid. blz. 109

[40] Ibid. blz. 112

[41] Ibid. blz. 119 en L. Trotski, De permanente of de verraden revolutie, blz. 48

[42] Ibid. blz. 119 resp. blz. 49