Leon Trotski

Gesprek met Paul-Henri Spaak [1]

Brief aan L. Lesoil.



Geschreven: 18 februari 1934
Bron: het Engelstalige Trotski-archief
Vertaling: J. Piet Andries 06/02/08
HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, februari 2008


Zie ook:
Het plan van actie

18 februari 1934

Waarde vriend,

Ik heb een lang gesprek gehad met je neef in Brussel en ik wil je er een kort verslagje van geven.

Ik heb geprobeerd hem het misverstand met de publicatie van mijn brief aan jou, in Holland, uit te leggen. Hij heeft op een kalme en open manier geantwoord dat hij het recht om hem, zelfs publiekelijk te bekritiseren, helemaal niet betwistte. Deze kleine verklaring liet een gunstige indruk op me na. Ten gronde vormde de kwestie van vakbondsactie het belangrijkste deel van het gesprek. De vakbondsbureaucratie is de geduchtste grendel van reactie. De partijoppositie is veroordeeld tot machteloosheid in de mate dat ze geen solide basis in de vakbonden kan vinden, of beter gezegd kan creëren. Vandervelde zegt “indien ik zou moeten kiezen tussen onze vakbonden en bijvoorbeeld Spaak, zou me dat geen moeilijkheden opleveren.” Dus de macht van de vakbondsbureaucratie moet gefnuikt worden. Dit betekent het begin van een “illegale” activiteit want men kan niets uitrichten in de vakbonden zonder clandestien werk, ten minste tot op het punt dat men iets betekent. De werking moet van die aard zijn dat de onmiddellijke en directe verantwoordelijkheid niet op de leiders van de politieke oppositie valt. Het lijkt erop dat vooral door deze aanpak een overeenkomst tussen onze kameraden en de partijoppositie mogelijk is. Ten allen koste moet deze schandelijke, hebzuchtige en domme bureaucratie, die aan de rand van de afgrond vasthoudt aan haar privileges, gecompromitteerd worden.

Mijn interpellant was erg geïnteresseerd in de kwestie van de middenklassen. Daaromtrent heb ik hem dezelfde standpunten voorgelegd als in mijn brief aan u — en op een ander niveau — de thesen tegen de oorlog. Ik vestigde zijn aandacht op het feit dat het plan geen ernstig programma bevatte ten gunste van de kleinburgerij (landbouwers, vaklui, kleine winkeliers). Naast de onteigening van landgoed, zou het programma kunnen en moeten duidelijk maken dat de arbeidersklasse niet de intentie heeft over te gaan tot onteigening van vaklui en kleine middenstanders; maar integendeel: de nationalisatie van de banken leidt tot de opheffing van de drukkende schuldenlast en voorziet in haar productie- en distributieplanning gunstige kredietverleningen en staatsaankopen, voor zowel kleine winkeliers en vaklui, totdat zijzelf ondervinden dat het voor hen voordeliger is zich te engageren in de genationaliseerde economie. De afwezigheid van deze ideeën en beloften in het programma, legt zich uit door het feit dat de Man en co. Zich slechts bekommeren om de parlementaire leiders van de kleinburgerij en niet om de basis van de klasse.

Ik insisteerde ook fel op de noodzaak om, niet alleen de slogan van de arbeidersmilities (voor zelfverdedigingsdoeleinden) te stellen, maar ook om deze onvermoeid op te bouwen en tegelijkertijd de vijandige krachten, hun verspreiding, hun mogelijke plannen, te bestuderen. Ik geloof dat op dit tweede punt, er een intense samenwerking tussen onze kameraden en de socialistische oppositie mogelijk is.

Dit is zowat de kern van ons gesprek. We kwamen overeen onze correspondentie te onderhouden. Ik moet eraan toevoegen dat hij over onze Belgische kameraden, vooral over Lesoil en Vereeken, met de grootste bewondering sprak.

Het spijt me dat ik La Voix Communiste al minstens twee maanden niet heb ontvangen. Waarschijnlijk is er een misverstand: kunt u dit nakijken?


[1] Brief in het Frans (8864) van de Houghton Library.