Johan Valkhoff

Marxisme, geweld en klassenstrijd



Geschreven: 10 februari 1930
Bron: Geweld en geweldloosheid in de strijd voor het socialisme - Lezingen gehouden op het 2de studieweekend der J.V.A. Haarlem 10 febr. 1930 door Dr. Mr. J. Valkhoff en Henr. Roland Holst, De Baanbreker, Servire Den Haag [JVA = Jongeren Vredes Actie]
Deze versie: spelling en soms zinsbouw
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, oktober 2007


Zie ook: Dietzgen | Henriette Roland Holst


Vrienden!

Het vraagstuk van het geweld en de geweldloosheid is te uitgebreid om het in kort bestek afdoende te behandelen. Ik heb daarom besloten mij te beperken tot het probleem van de klassenstrijd en het geweld. Maar nu is het nodig dat wij eerst ingaan op de marxistische beschouwingen van de maatschappij in het algemeen en vervolgens een blik werpen op de marxistische opvattingen van de moraal in het bijzonder, vöör wij het eigenlijke onderwerp: de marxistische beschouwing van het gebruik van geweld in de klassenstrijd aanvatten. De beide eerste onderwerpen zullen natuurlijk niet in ieder onderdeel nauwkeurig kunnen worden behandeld. Dit is ook niet nodig. Ik zal mij tot het noodzakelijke in verband met de geweldsvraag kunnen beperken. (Wie er meer van wil weten, verwijs ik thans naar de literatuurlijst aan het einde van dit artikel. J. V.)

1. De marxistische maatschappijbeschouwing

Allereerst dan een enkele blik in de marxistische opvattingen van de maatschappij. Als wij de maatschappij historisch bezien, blijkt, dat er niet altijd klassen zijn geweest. Wij hebben dit inzicht te danken aan de moderne etnologie, een inzicht dat door zeer velen, ook buiten de kring der marxisten, is overgenomen. Gebleken is dat in die oudste tijden een dwang tot gehoorzaamheid, zoals wij die tegenwoordig kennen, niet aanwezig was. In de nomadische horden bestond geen afzonderlijk, permanent overheidsgezag. Dit ontstaat pas langzamerhand (de hoofden). Bij dit ontstaan is van zeer groot belang de economische factor. Nu is door Marx en Engels zelf de betekenis van geweld van buiten (onderwerping, verovering) onderschat. Door hen zijn de economische factoren als te absoluut geponeerd, mede doordat zij met de etnologische onderzoekingen van de laatste vijftig jaren niet bekend konden zijn. Anderzijds zou het door geweld van buiten bereikte politieke gezag, dus de differentiatie door geweld van buiten (intra-tribaal), zich nooit blijvend hebben kunnen handhaven, zonder een gelijktijdige de economische differentiatie, welke zich door een wijziging van de productiewijze voltrokken had. Wij zien dit proces, dat van het nomadenleven van jagers en vissers, langs het halfnomadische herdersbestaan, tot de gevestigde landbouw voert.

De staat nu ontstaat als een organisatie, die beter past voor de nieuwe sociale verhoudingen (landbouw, privaateigendom). Hij is dan allereerst een verdedigings- en dwangorganisatie, d.w.z. een organisatie tot verdediging naar buiten en naar binnen om de naleving af te dwingen van de uit de nieuwe productieverhoudingen gegroeide sociale normen. Daarnaast is hij een heerschappijorganisatie. Want als wij zover zijn gekomen in de maatschappelijke ontwikkeling, zijn er in de maatschappij ook klassen ontstaan. De staat draagt derhalve van af het eerste begin van zijn bestaan het karakter van een klassestaat, een heerschappijorganisatie in handen van een klasse tegenover andere.

De maatschappij is dan niet meer een eenheid. De homogeniteit van het primitieve communisme is verdwenen. Er heeft een economische differentiatie plaats gehad, d.w.z. de verschillende groepen in de maatschappij hebben een verschillende functie in het arbeidsproces. Zij hebben een andere economische en dus maatschappelijke positie gekregen. Zij hebben derhalve verschillende economische en dus sociale en dus ook politieke macht. Zij staan anders in het gehele leven en zij brengen dat overal tot uiting. Bepaalde groepen hebben materieel en ook ideëel belang bij het voortbestaan van de aanwezige sociale verhoudingen. Van andere groepen echter wijzigt zich de maatschappelijke positie met de veranderingen, die zich in het productieproces voltrekken. Die groepen hebben dan op hetzelfde ogenblik belang bij veranderingen in het bestaande. Hebben zij eenmaal dit belang ingezien, dan brengt het in hun denken veranderingen mee en gaan zij streven naar wijziging van de juridische en politieke bovenbouw.

De groepen, welke belang hebben bij de veranderingen in de maatschappij, trachten die veranderingen door te zetten. Zij willen de belemmeringen, die daartoe in de politieke en juridische bovenbouw aanwezig zijn, weg hebben. Daartoe trachten zij invloed op de staatsmacht te krijgen. Zij streven naar de politieke macht, die overeenkomt, die strookt met de economische macht, welke zij langzamerhand in de maatschappij kregen door de veranderingen, die in het arbeidsproces plaats hadden. Recht is dus voor hen — die verandering, zoals voor de groep, die bij het bestaande belang heeft, dit de gegeven orde is. Moreel verdedigbaar is voor de opkomende groepen het nieuwe, voor de ondergaande groepen het bestaande.

Wij zien nu, dat sinds die oude tijden de geschiedenis een geschiedenis is van klassentegenstellingen en klassenbotsingen. Dit is de gehele geschiedenis door te volgen. Het is het duidelijkst te zien bij plotselinge breuken, bij revoluties. In de Engelse revolutie in de 17de eeuw zien wij de opkomende derde stand, die zich nog niet volledig van haar economische macht bewust en derhalve ideologisch ook nog niet volwaardig is. De Franse Revolutie op het einde van de 18de eeuw is reeds een verder stadium, daar door de ontwikkeling van het productieproces de derde stand niet alleen economisch sterker, maar ook meer gerijpt is in haar ideologische formuleringen. Overal is het echter duidelijk dat de klasse, die de macht nog niet heeft, probeert die met allerlei middelen te krijgen met propaganda, stembiljet, meeting, betoging, staking, boycot, dienstweigering, enz. En, het moet erkend, daarbij is ook altijd geweld gebruikt (barricadegevechten, opstand, enz.). Het meest kwam ook dit tot uiting bij plotselinge breuken, als er een zo grote spanning is ontstaan tussen het zich ontwikkelende economische leven en het zich niet daarmee gelijk op ontwikkelende politieke en juridische leven, dat de toestand onhoudbaar is geworden en gewelddadig barst; tot een revolutie uitbreekt en een plotselinge ommekeer zich doorzet. Dit gaat wel altijd gepaard met geweld, zelfs met de uiterste vorm van geweld: bloedige strijd. Men heeft zulke spanningen en uitbarstingen wel vergeleken met een baring, waar in moeite en pijn, onder gevaarlijke worsteling, een zegenrijke vernieuwing zich baanbreekt in het leven. Want gelijk met de geboorte van een kind, gaat ook met de revolutie veel onverkwikkelijks gepaard. Een zodanige chaotische toestand als een revolutie leidt tot het ontketenen van allerlei slechte instincten in de mensen.

Wij springen nu over van het verre verleden naar de huidige maatschappij. Ook hier zijn die economisch bepaalde klassentegenstellingen er. Het zijn vooral de marxisten die daarop de nadruk leggen. Zoals het vroeger de derde stand was, die streefde naar grotere macht in de staat, opdat de werkelijke politieke macht zou stroken met de economische positie, welke die klasse reeds in de maatschappij was gaan innemen, zo is het nu de arbeidersklasse, die gedurende de laatste eeuw door de ontwikkeling van het arbeidsproces is opgekomen, die kwam uit grenzeloze ellende (vrouwenarbeid, kinderarbeid) en demoralisatie (lichamelijk en geestelijk), wier economische macht voortdurend is toegenomen en die, na tot groter bewustzijn te zijn gekomen van die economische macht, ook moreel, geestelijk en intellectueel rijpt en de strijd om de werkelijke macht in de maatschappij en in de staat is begonnen. Ook nu weer zien wij de strijd om de staatsmacht zich afspelen, omdat met de staatsmacht in zekere zin de verdere ontwikkeling van de maatschappij te beïnvloeden is, daar deze, weliswaar niet in laatste instantie, maar toch zeker tijdelijk valt te remmen of te bespoedigen. En hier is het, dat wij al scherper tegenover elkaar zien staan het grote geheel der burgerlijke klassen tegenover dat der arbeidersklasse.

Historisch noodzakelijk is thans de arbeidersklasse de draagster van de vooruitgang. Kan deze de staatsmacht ontnemen aan de burgerlijke klasse, dan heeft zij daardoor de gelegenheid, de mogelijkheid, om de vele belemmeringen, die er nu voor de verdere economische ontwikkeling van de mensheid bestaan, uit de weg te ruimen (een taak die de burgerlijke klasse niet, op geen enkel terrein, blijkt te kunnen en willen volvoeren) en zodoende een maatschappelijk stelsel te bevorderen, waarin die staketsels zijn verdwenen en waarin ruimte komt voor een beter en doeltreffender productieproces dan thans mogelijk is. Voor een eeuw deed de derde stand hetzelfde met al die traditionele belemmeringen, die het industriële kapitalisme in zijn opkomst hinderden: de absolute monarchie, de gilden, enz. Thans is het de historische taak der arbeidersklasse, om de elementen, die eenmaal nodig waren, maar nu tot hindernissen geworden zijn, voor een maatschappelijk stelsel met groter productieve kracht, uit de weg te ruimen.

Met de huidige stand der maatschappijwetenschappen zijn wij wel in staat om, voorzichtig, enige prognoses te stellen over de toekomstige maatschappelijke ontwikkeling. Vroeger kon men dat niet. Nooit, vöör de negentiende eeuw, heeft men zich dermate ernstig bezig gehouden met de maatschappij zelf, althans niet zo objectief wetenschappelijk. Nu echter, met onze huidige kennis van de maatschappij en haar ontwikkeling, zijn wij in staat het volgende te zeggen: men zal gaan komen tot een gesocialiseerde productie. Een nieuw geslacht zal dan opgroeien onder andere maatschappelijke omstandigheden. Deze zullen meer sociaal zijn. Daardoor zullen ook de morele opvattingen veranderen. Het gemeenschapsgevoel zal dan sterker worden. Eendracht en solidariteit zullen dan toenemen. Zo zullen, in die nieuwe maatschappelijke verhoudingen en gedetermineerd door deze, andere mensen, meer sociaal voelende mensen ontstaan. Met het uit de maatschappij wegvallen van de factoren winstbejag, uitbuiting, meerwaarde, arbeidsloos inkomen, met het onder de werking van die nieuwe maatschappelijke verhoudingen socialer worden van de mens, zal ook de reden tot het uitoefenen van heerschappij, overheersing en geweld wegvallen. Door die ontwikkeling heen zal langzamerhand het staatsgezag afnemen en geleidelijk zal de proletarische overgangsstaat als tijdelijke heerschappijorganisatie van de dan aan macht zijnde arbeidersklasse afsterven.

Weer, maar op een geheel ander plan dan de primitief-communistische maatschappij, zal er een maatschappij zijn zonder uitbuiting, zonder meerwaardevorming, zonder klassentegenstellingen en klassenbotsingen, een werkelijk homogene maatschappij. Hoe die toekomstmaatschappij precies eruit zal zien, kunnen wij niet zeggen. Hoe verder wij komen, des te vager worden de trekken van de maatschappelijke verhoudingen, die wij menen te mogen voorspellen. Maar dit kunnen we zeker zeggen: in die maatschappij — en men beschouwe dit niet als een eindtoestand, want de maatschappelijke ontwikkeling zal natuurlijk steeds verder gaan, zolang de aarde bestaat en bewoond is — in die maatschappij zal geen staat nodig zijn, daar er geen concurrentie en geen uitbuiting meer zal zijn om te verdedigen tegen een onderliggende concurrent of overheerste klasse. Alleen zal een bestuursorganisatie, een administratie, een zekere “Verwaltung” blijven bestaan, geIijk een concurrentie in een meer edele zin. De thans zo gevaarlijke internationale concurrentie zal verdwijnen in de dan tot stand gekomen bond van arbeidersrepublieken.

Hier moet worden geconstateerd dat tendenties in die richting reeds aanwezig zijn in de huidige maatschappij. Ik wijs, om één voorbeeld te noemen, op de toenemende internationalisering, die uitgaat van en volgt op de nieuwste technische vindingen, de radio, de film, enz. Dat onlangs, bij het openen van een nieuwe elektriciteitscentrale ergens in ons land de leidende ingenieur de mededeling deed, dat hij in de naaste toekomst de noodzaak van één groot pan-Europees elektriciteitsnet zag komen, is iets, dat wij als socialisten met ontroering en met een gevoel van hernieuwde zekerheid in de juistheid van ons inzicht vernemen. Want, zonder dat de mensen het nu direct voelen, brengt iedere soortgelijke technische organisatie met zich mee het verdwijnen van internationale verschillen en tegenstellingen.

Intussen zijn er en blijven er in de bestaande kapitalistische staats- en rechtsstelsels nog steeds allerlei belemmeringen voor een zo gerichte maatschappelijke ontwikkeling. Ja, in deze kring hoeft het niet nader te worden uiteengezet, de nationale burgerlijke staat als zodanig is een grote belemmering voor de verdere ontwikkeling geworden, hoe zegenrijk hij ook was, toen hij, op zijn tijd, in het verleden, mede door geweld en oorlogen, ontstond. Want de nationale burgerlijke staat is, ondanks het vele verderfelijke, dat er mee is gepaard gegaan, toch in zijn tijd een grote vooruitgang geweest. Maar thans is hij — evenals de stedenorganisatie, de stad als eenheid met haar eigen wetgeving, haar eigen recht en haar eigen rechtspleging, dit indertijd werd — een belemmering, die door de industrie, de telegraaf, de telefoon, de radio, het vliegwezen, enz., enz., reeds wordt terzijde gesteld, maar door bepaalde groepen uit belangenmotieven nog wordt gehandhaafd. De taak der arbeidersklasse is echter om deze machten van reactie te overwinnen en daardoor uit een welbegrepen klassebelang zich zelf én de gehele mensheid, door het bevorderen der vooruitgang, te dienen.

Dit is een punt, dat ik nadrukkelijk voorop stel, en dat nooit vergeten mag worden: de vooruitgang van allen is ermee gediend. Niet alleen die van de opkomende arbeidersklasse, maar ook die van de antagonistische maatschappelijke groepen, van de gehele mensheid.

II. De marxistische moraaltheorie

Wij komen thans tot een korte beschouwing over de marxistische moraaltheorie.

Kenmerk van de marxistische wetenschap is een zuiver empirische werkwijze, het baseren op de feiten en op niets anders. Het eerste maxime, dat voor de hand ligt, is dat de mens een sociaal wezen is, die steeds met anderen in een verband leeft. Uit dit met anderen samen in een maatschappelijk verband leven en arbeiden ontstaan allerlei onderlinge menselijke betrekkingen. Maar ook ontstaan conflicten en wrijvingen. Wanneer dergelijke wrijvingen zich voordoen, moet de mens die in zijn geest verwerken. Hij zal dit te intensiever doen, naarmate ze zich in groter frequentie en met groter nadrukkelijkheid aan hem opdringen. Het zal gepaard gaan met gevoelens van lust en onlust. Uit de vergelijking van deze gevoelens zal hij langzamerhand gaan concluderen “wat behoorlijk is.” En dit deels nog onbewust gevoel zal zich met de tijd gaan consolideren tot een bepaalde norm.

Nu hebben wij echter gezien, dat het maatschappelijk productieproces iets voortdurend verandert. Het is duidelijk dat dit met zich meebrengt dat ook de productieverhoudingen, d.w.z. de verhoudingen van mens tot mens in dat productieproces, zich voortdurend wijzigen. En met de zich wijzigende situatie verandert ook telkens de houding van de mens; telkens opnieuw moet hij dat verwerken, telkens komt hij tot andere conclusies, telkens is iets anders behoorlijk, telkens wordt iets anders morele norm. Zo is er volgens de marxistische opvattingen van de moraal een weliswaar zeer gecompliceerd, maar toch causaal en aanwijsbaar verband tussen de maatschappij enerzijds en moraal en recht anderzijds. De moraal en het recht zijn binnen maatschappelijk verband geldende eisen en treden als maatschappelijk-cultureel verschijnsel op.

Nu blijkt dat de moraal altijd iets wisselend is. Dit nog veel verder uit te werken is hier niet aan de orde, maar een enkel ding kan er wel van worden gezegd. Overigens verwijs ik naar de desbetreffende literatuur (zie onderaan). De onderzoekingen van vele etnologen en sociologen hebben uitgemaakt, dat bij talloze primitieve volken bijvoorbeeld kindermoord en oudermoord niet alleen in zwang, doch ook moreel waren. Hetzelfde geldt voor verschijnselen als het kannibalisme, de slavernij, enz. Men kan dit betreuren of niet, als wetenschappelijk mens heeft men eenvoudig te constateren, dat dit het geval was. Steeds werd met het veranderen der maatschappelijke verhoudingen wat zedelijk was onzedelijk en werden andere dingen moreel. Wat in de ene tijd en onder bepaalde omstandigheden moreel was, werd onder de nieuwe verhoudingen immoreel. De moraal veranderde naar plaatselijke en tijdelijke behoeften der mensen.

Het marxisme heeft dus een sociaal-utilitaire kijk op de moraal. Het zegt dat de ideologieën moraal en recht middelen zijn tot instandhouding van de mensen en de maatschappij. Uit zelfbehoud van individu en maatschappij moeten dergelijke normen ontstaan en zo nodig worden afgedwongen. Moraal is middel tot het doel. En dat doel is het behoud en de vooruitgang van de menselijke samenleving in die zin, dat het productieproces niet stagneert of achteruitgaat, maar zich verder kan ontwikkelen, om zo te komen tot een vermeerderde productieve kracht, tot een grotere welvaart.

Er zit een bedenkelijk smaakje aan deze woorden. Want wij naderen de veel gewraakte uitspraak: het doel heiligt de middelen. Toch wil ik tot op zekere hoogte deze leus inderdaad aanvaarden. Maar dan zijn een nadere toelichting en verklaring nodig. Nu is dit probleem door Marx en Engels zelf nooit voldoende helder uiteengezet. Wel echter is dit gebeurd door de arbeiderfilosoof Dietzgen, de “Dritte im Bunde”, die men dikwijls, geheel ten onrechte, vergeet en negeert.

Het doel heiligt de middelen, wanneer dat doel is de vooruitgang van de mensheid, het heil der mensheid als zodanig. Moreel is wat dit heil bevordert, en alleen vanuit dit algemene doel zijn de middelen moreel. Hieruit volgt tevens, dat niet ieder middel moreel is, want niet ieder middel is dienstig om dit doel te verwezenlijken. Vanzelfsprekend staan niet alle middelen op dezelfde lijn. Er is keuze tussen betere en slechtere. Er zijn ook middelen, die naar twee kanten hun werking doen en derhalve zeer gevaarlijk zijn, bv. het geweld.

Maar samenvattend is dus alleen in het concrete dat middel moreel, hetwelk op dat ogenblik en in die bepaalde situatie dienstig is om het heil der mensheid te bevorderen, om te bevorderen de sociale vooruitgang, de betere beheersing van de natuur door de mensen, de hogere productiviteit van de arbeid, de betere voorziening in de behoeftebevrediging. Dit is een maatschappelijk noodzakelijk doel en daarom naar mijn mening het eigenlijke, ware, algemene doel. Het is een edel, een heilig doel. De middelen, die daartoe werkelijk dienstig zijn, zijn moreel.

In deze probleemstelling nu is bepalend de gedachte van de klassen. In onze maatschappij bestaat immers geen homogeniteit. Zij is gespleten in klassen. Zij is een klassenmaatschappij. De mensen, die tot die klassen behoren, staan verschillend in het maatschappelijk leven, omdat zij anders deelnemen aan het maatschappelijk arbeidsproces. Ik behoef slechts naar de werkelijkheid te verwijzen. Ieder kan het om zich heen zien. Zij leven onder geheel andere omstandigheden, onder geheel andere voorwaarden. Zij hebben dus ook in vele opzichten andere opvattingen over wat behoorlijk is. Zo valt er in de tegenwoordige maatschappij niet te spreken van één morele standaard, van één voor allen geldende zedenwet, maar, om van kleinere onderscheidingen als beroepsmoraal enz. maar te zwijgen, van verschillende morele opvattingen in de verschillende sociale klassen. Wat voor de een moreel is, is dikwijls voor de ander, die niet tot dezelfde economische klasse behoort, immoreel (bijvoorbeeld: huwelijksmoraal). Dit is iets dat al te dikwijls verwaarloosd wordt, hoewel het zeer belangrijk is.

Omdat de mensheid thans geen eenheid is, zijn wij klasse-mensen. Wij zijn mensen in de klassenstrijd. En wij zijn daarbij dikwijls gedwongen, eenvoudig door onze positie in het arbeidsproces, op een bepaalde wijze te handelen, ook al willen wij anders. Echter is de moraal toch niet alleen klassenmoraal. Want wij zijn niet alleen producent en niet alleen klasse-mens. Ik wijs op de gewone, aan het dagelijks leven ontleende feiten, die Henriette Roland Holst ter illustratie hiervan geeft in het vierde hoofdstuk van haar studie over Communisme en Moraal (algemeen-menselijk solidariteitsgevoel; hulp bij ongelukken of andere gebeurtenissen buiten de klassenstrijd). Zij laat daar zien hoe de klassenstrijd niet het gehele menselijke leven omvat. In tijden van rust en kalmte heeft hij een veel minder sterke invloed dan in tijden van botsingen en conflicten tussen de verschillende maatschappelijke groepen. Ook in de klassenstrijd ontstaan er conflicten tussen de mens als klassenstrijder en als mens buiten de klassenstrijd, als ouder, als echtgenoot, als vriend, enz.

Met dat al bestaat het maatschappelijk leven in onze dagen voor een groot gedeelte wel uit klassenstrijd tussen de proletarische klasse en de burgerlijke klasse. Op dit klassenkarakter van de tegenwoordige maatschappij en de huidige moraal wil ik de nadruk leggen. Het voeren van de klassenstrijd is zonder twijfel de drijvende kracht, de motor van het maatschappelijke leven, en heeft de maatschappelijke vooruitgang zeer bevorderd. Voor een zeer groot deel is de proletarische moraal thans nog strijdmoraal. Weer herhaal ik, wat ik reeds eerder zei: de proletarische klasse is, economisch bepaald, dus in laatste instantie gedreven door economische potenties, die zich in haar doorzetten, de brengster van de vooruitgang. Zij draagt die vooruitgang uit zelfbehoud. Zij heeft belang bij een andere maatschappelijke organisatie dan de huidige kapitalistische. Zij moet uit zelfbelang streven naar een wegruimen van belemmeringen, die daartoe in de tegenwoordige politieke en juridische bovenbouw bestaan. En die nieuwe maatschappelijke organisatie betekent een vooruitgang boven de huidige, omdat zij de productiewijze op een hoger plan brengt, de productiviteit van de arbeid, nationaal en internationaal doet toenemen, en beter in de behoeften van alle mensen voorziet. Zij staat sociaal gezien economisch en daarmee moreel hoger dan de huidige kapitalistische organisatie. Daarom is de proletarische strijd een beweging tot economische en morele verlossing en bevrijding van allen, niet alleen van de arbeidsklasse zelf, maar ook van haar tegenwoordige vijanden.

Daartegenover staat de burgerlijke klasse, de handhaafster van het bestaande, als de rem van de vooruitgang. Daarom nu ook zijn de morele normen van het proletariaat moreel hoger dan die van de andere klassen, omdat de arbeidersklasse aangewezen is om de verdere ontplooiing van het productieproces en daarmee de ontwikkeling naar een werkelijk homogene, klassenloze, ééngeworden maatschappij te bevorderen, waarin geen sprake meer zal zijn van heerschappij en geweld. Maatschappelijk noodzakelijk gezien betekent de proletarische moraal dus een hogere dan de burgerlijke moraal. Laten wij ook dit bij onze verdere beschouwingen van het geweldprobleem in het oog houden!

III. Geweld en klassenstrijd

Zo komen wij thans aan de kwestie van het geweld als middel in de klassenstrijd. Zonder echter eerst deze samenhangen te hebben bezien, zonder vooraf dit zozeer gecompliceerd verband nauwkeurig te hebben nagegaan, zou men niet kunnen begrijpen, hoe, en of, en wanneer volgens het marxisme geweld moreel kan zijn.

Ook hier zullen wij weer zuiver inductief te werk gaan. Wij zullen uitgaan van de feiten en uit de feiten empirisch concluderen over de moraliteit van het geweld. Niet a-prioristisch zullen wij het geweld beschouwen, maar empirisch en dialectisch als marxist. Daarbij moeten wij ons baseren op de historische ervaring, opgedaan in vroegere fasen van klassenstrijd. Omdat het daar het duidelijkst spreekt, zullen wij onze voorbeelden ontlenen aan de revoluties, die de latere geschiedenis heeft gekend.

Het zal ons dan telkens duidelijk zijn, dat bij die revoluties geweld is gebruikt. Dit geldt voor de Franse Revolutie, waarvan ieder weet dat de derde stand daarbij gewelddadig is opgetreden, dat deze legers heeft gevormd (de Sansculottes in 1792) ter verdediging van de revolutie. Het geldt evenzeer voor de Engelse revolutie in de 17de eeuw, waarin Cromwell zijn legers heeft gerekruteerd ter verdediging van die revolutie. Het geldt tenslotte ook voor de tachtigjarige oorlog, waarin de Nederlandse handelsburgerij zich vrij maakte van het Spaanse absolutisme en waarbij onze gevierde Geuzen de ergste geweldenaars waren.

Zo zien wij, dat naast veel edels — denk aan de heldenmoed en de zelfopoffering der Sansculotten — ook veel ellendigs aan de dag komt, veel ellendigs, dat iedere oorlog meebrengt. Toch zullen wij moeten erkennen, dat het vormen van die legers onontbeerlijk was, daar de revolutie anders onder de voet zou zijn gelopen, terwijl zij toch noodzaak was en de vooruitgang der mensheid heeft verhaast. Immers, indien zij onder de voet gelopen zou zijn door de agitaties der emigranten met de steun van de buitenlandse mogendheden, — de economische ontwikkeling zou toch zijn voortgegaan, ondanks de reactionaire ideologieën, maar de verhaasting van de vooruitgang door de revolutie zou met talloos veel meer ellende later ingehaald zijn moeten worden, terwijl thans, ondanks het natuurlijke terugkrabbelen na de korte, te hevige, uitbarsting, toch veel meer behouden bleef dan anders zou zijn teruggehouden, indien de reactionaire machten de overhand hadden gekregen. Laten wij slechts denken aan de centralisatie, die een economische noodzakelijkheid was voor het opkomende industriële kapitalisme en welke in die tijd een grote vooruitgang betekende. Denk aan het uit de weg ruimen van de gilden, waaraan ook de reactie na 1814 niet meer heeft kunnen tornen. Denk aan het tot stand brengen der wetboeken en wat de eenheid van wetboeken betekend heeft tegenover de grote belemmering, die een niet-gecodificeerd recht geweest zou zijn. Denk aan het metrieke stelsel, de burgerlijke stand en al dat vele meer, dat geünificeerd en geconsolideerd is onder Napoleon. Zo zien wij onmiskenbaar: de revolutie betekende vooruitgang en de onderdrukking van de revolutie zou betekend hebben remmen van het in die tijd voor verdere economische ontwikkeling noodzakelijke.

Zo concludeer ik inderdaad, dat die legers en die terreur noodzakelijk zijn geweest. Ik doe hierbij een beroep op Jean Paul Marat, een man, wiens naam veel gesmaad is en geen aangename klank heeft, terwijl men eigenlijk nog liever de naam hoort van zijn moordenares Charlotte Corday. Er is over Marat veel gelasterd, maar hij was een nobel mens, volkomen zelfverloochenend en meedogenloos rechtvaardig. Hij heeft zich geheel gegeven aan de strijd voor de onderdrukte massa. Hij was geheel niet de bloeddorstige, de moord- en geweldmaniak, die de traditie van hem gemaakt heeft. Nu had Marat een scherp inzicht in de maatschappelijke noodzakelijkheid van zijn tijd en dat wordt je wel eens erg kwalijk genomen. Ik heb hier het oog op een woord van Marat, dat luidt als volgt: “Vijf tot zeshonderd afgeslagen hoofden zouden u rust, vrijheid en geluk verzekerd hebben. Een valse humaniteit heeft uw armen tegengehouden en uw slagen teruggehouden: zij zal het leven van miljoenen van uw broeders kosten.” Telkens weer herhaalde Marat dit. Hoe wreed deze woorden ook klinken, toch is dit de juiste kijk op de zaak. Want hij kiest de kleine afgrijselijkheden om erger te voorkomen en ... om het grotere, mooiere te verhaasten. En het is een feit dat het in de werkelijkheid zo is, als Marat het voorstelt. Want de revolutie — het kan niet nadrukkelijk genoeg worden herhaald — zou onder de voet gelopen zijn zonder dergelijke daden van terreur. De contrarevolutie zou nog veel erger zijn geweest. Dit kunnen wij aan talloze voorbeelden uit de geschiedenis nagaan. Daarover valt niet meer te twisten. Het is soms beter dat enkelen sterven, dan dat tallozen ten gronde gaan. En wie uit misplaatste gevoelens van menselijkheid niet op de juiste tijd weet in te grijpen, kan schuld zijn van massale moorden door de contrarevolutionaire terreur. Laat ik wijzen op Finland, waar de rode regering het parool uitgaf ieder leven te sparen, maar waar zij onderging, gruwelijk onderging, in bloed verdronk, — want de witte legers spaarden niemand.

Zo is het offer van enkele levens soms noodzakelijk, niet alleen om de meerderheid der mensen van heden te sparen, maar ook om de toekomst van allen veilig te stellen. Zo is het geweld niet absoluut te verwerpen, maar is het soms aanvaardbaar in dienst van het betere. Men versta mij wel, ik verwerp alle excessen (slachtingen, gruwelen, plunderingen) d.w.z. wanneer het maatschappelijk noodzakelijke ver overschreden wordt. Op de gevaren die het gebruiken van het geweld als middel in de klassenstrijd met zich brengt, kom ik straks terug.

Nu staat er nog een ding vast, een les, die wij uit de historie moeten trekken: na een revolutie komt altijd een contrarevolutie. Het ene is zonder het andere ondenkbaar. De tegenaanval van de tevoren heersende klassen blijft nooit uit. Deze is onafscheidelijk bestanddeel van de revolutie. Het duidelijkst voorbeeld voor het heden is Sovjet-Rusland. Door de revolutie is daar de macht ontnomen aan de burgerlijke groepen; andere groepen hebben de staatsmacht in handen genomen. Hoe nu verder de toestand in Sovjet-Rusland ook is, het staat wel vast, dat daar in allerlei opzichten sprake is van aanwijsbare maatschappelijke vooruitgang. Economisch gezien valt er te wijzen op de reeds grotendeels gesocialiseerde industrie en handel en de toenemende collectivisering van de landbouw, kortom op de opbloeiende socialistische productie. Wat het gebied der moraal aangaat, is verheugend het sterk toenemen van sociaal gevoel onder de in die nieuwe maatschappelijke verhoudingen opgroeiende mensen. Ik denk aan de Russische film en aan de nieuwe Russische literatuur, (Cement bijv.), waarin de gemeenschapsgedachte zo sterk op de voorgrond staat. Maar ik denk ook aan de verdere vernieuwing van de kunst en aan het moderne Russische strafrecht, aan het enig waarlijk moderne geldende strafwetboek ter wereld, dat volkomen gebaseerd is op bescherming en verbetering en dat de wraakgedachte en de vergeldingsidee geheel heeft afgezworen. Ik denk ook aan het huwelijks- en familierecht en zoveel meer. Zo is er in deze en vele andere opzichten een grote vooruitgang in Sovjet-Rusland, vooral indien wij het vergelijken met wat er in de kapitalistische staten van West-Europa gebeurt. De ondergang van de Russische revolutie zou een ontzettende verzwakking van het West-Europese proletariaat betekenen, dat het toch al zo moeilijk heeft tegen de groeiende reactie, met name tegen het fascisme. Ging Sovjet-Rusland te gronde, dan zou er van democratie geen sprake zijn; veeleer zou er een fascistische tegenpool komen, zoals in Hongarije Horthy volgde op Bela Kun. De steun, die het enkel bestaan der Sovjet-Unie uitmaakt voor de strijd van het West-Europese proletariaat, is ieder duidelijk. Daarom alleen reeds is het behoud van de Russische revolutie een steun voor allen, die de vooruitgang willen.

Welnu, ook dit zal ieder duidelijk zijn: de Russische revolutie zou spoedig zijn ondergegaan zonder gebruik van geweld, zonder het vormen van legers. Talloze aanvallen bedreigden de revolutie: admiraal Koltschak, generaal Judenitsch, generaal Denikin, generaal Kornilov, generaal Wrangel, de interventie van de Entente als helpster van de contrarevolutie, de blokkade, de aanslagen, de samenzweringen, de sabotage, de spionnen, om van de aanvallen op gezanten en consuls maar te zwijgen. Gezien dit alles waren leger en vloot nodig. Dat betekent dan echter tevens: een goed leger. Dat betekent, dat de militaire organisatie volgt, met de dwang, het gezag, de krijgstucht, de oorlogsindustrie en al wat er toe behoort. Zeker, maar zonder dat alles zou de revolutie zijn ondergegaan. Het Rode Leger en de Rode Vloot waren nodig ter verdediging van hetgeen verkregen was. Hoewel het natuurlijk niet zuiver socialistisch kan worden geacht, beschouw ik dat verkregen goed toch zonder twijfel als een begin van socialistische opbouw. Dat is vooruitgang. Niet voor verovering, maar om het grootse werk van die socialistische opbouw te verdedigen — ik zwijg hier over de culturele betekenis van het Rode Leger in dienst van de volksontwikkeling en de bestrijding van het analfabetisme — was de legervorming een maatschappelijke noodzakelijkheid en dus moreel.

Een ander middel, dat moreel twijfelachtig kan zijn is de doodstraf. De doodstraf wordt behouden in Sovjet-Rusland door dezelfde mensen, die dat zo moderne strafwetboek niet alleen ontwierpen — dit deed de onlangs overleden Italiaanse criminoloog en socioloog Enrico Ferri ook — doch het ook invoerden. Natuurlijk zijn zij tegen de doodstraf. Ook Karl Marx was tegen de doodstraf. De doodstraf is de slechtste van alle straffen. Toch mag men nooit beslissen, eens en voorgoed, dat het altijd immoreel is om de doodstraf te handhaven en toe te passen. Men moet ook hier empirisch te werk gaan. Men moet iedere situatie concreet beschouwen en niet abstract redeneren. Aangetoond moet kunnen worden, dat het handhaven en toepassen van de doodstraf noodzakelijk is voor de verdediging van de revolutionaire veroveringen tegen acute, gevaarlijke tegenaanvallen van die klassen, welke tot ondergang gedoemd zijn; dat die op andere wijze niet afgeweerd kunnen worden. M.a.w. dat handhaving van de doodstraf nodig is voor het behoud van de verkregen vooruitgang. Dan is handhaving van de doodstraf moreel.

Laat de geschiedenis spreken. Kerenski ging in het voorjaar van 1917 uit a-prioristisch-humanitaire overwegingen over tot het afschaffen van de doodstraf. Hij werd in de zomer van dat jaar 1917 gedwongen haar weer in te voeren, daar dit noodzakelijk bleek tot behoud van de militaire organisatie in dienst van de strijd met en voor de Entente, d.w.z. ten dienste van de imperialistische oorlog. Zij die in november 1917 aan de macht kwamen, gingen uit niet van abstract-humanitaire principes, doch lieten zich leiden door sociaal-utilitaire overwegingen. Zij deden met filantropische experimenten bittere ervaringen op. Zij lieten bijvoorbeeld generaal Krasnow op erewoord vrij en een maand later streed hij aan de zijde van de witte terroristen tegen de Sovjets. Tegen hun wil moesten zij de doodstraf gaan toepassen. De Sovjetregering handhaafde de doodstraf in haar straffenstelsel als uiterste middel, dat dienstig is om de revolutie te beschermen en als tijdelijk middel.

Eerst in 1927, ter herdenking van het tienjarig bestaan van de revolutie, is de doodstraf aanmerkelijk beperkt in de Russische wetgeving. Wanneer wij de percentagecijfers nagaan, dan blijkt dat bij een vrijwel gelijkblijvend aantal misdrijven, het aantal tot de doodstraf veroordeelden was in 1926: 0.10 %, in 1927: 0.05 %, in 1928: 0.03 %. De toepassing van de doodstraf is derhalve minder geworden. De cijfers over 1929 zijn mij helaas nog niet bekend.

Dan is daar de terreur om de tegenstand van de groepen, aan wie de macht ontnomen is, te breken. Wanneer wij de terreur in de historie nagaan, dan blijkt overduidelijk, dat de met de ontwikkeling van het arbeidsproces opkomende klassen altijd oneindig veel menselijker zijn geweest dan de klassen, aan wie de macht ontnomen werd. Laten wij alleen maar denken aan de Parijse Commune en haar pacifisme en haar menselijkheid, en hoe zij door de legers der reactie in bandeloze wreedheid werd neergesabeld en neergeschoten (Thiers en Gallifet; de Mur des Fédérés).

Het kan zijn dat de terreur noodzakelijk is. Ik kan niet beter doen dan te wijzen op de regels die Henriette Roland Holst in haar Heldensage (bl. 97) wijdt aan het ontstaan van het Rode Leger en aan de tragedie van Schwiask, waar de doodstraf werd toegepast tegen de eigen makkers en klassegenoten tot behoud van het onder de leiding van Trotski zich vormende leger. Het gaat lijnrecht tegen het hart, maar het is onverbiddelijk noodzakelijk.

Talloze innerlijke tragedies vloeien eruit voort voor hen, die de terreur, de uit maatschappelijk inzicht noodzakelijk geoordeelde bescherming van de door de opkomende klasse verkregen resultaten, moeten toepassen. Ik verwijs u naar Lebedinski’s novelle Eine Woche, die Henriette Roland Holst in Communisme en Moraal (bl. 79) citeert. Ik denk aan die vele leden der Tjseka, die als mens goed en zacht waren, geen voorkeur voor geweld hadden, geweld verafschuwden, maar de terreur moesten toepassen, en aan de innerlijke conflicten zijn bezweken. Thans worden verscheidene van hen door de radenregering als zenuwpatiënten dankbaar vertroeteld.

Tot nu toe sprak ik over Sovjet-Rusland, het land, waar de burgerlijke heerschappij gebroken en het proletariaat aan de macht is. Hetzelfde geldt nu voor de toestanden hier, waar het proletariaat nog niet de macht heeft. Wij mogen niet a priori ieder middel als absoluut goed aanprijzen of als absoluut slecht verwerpen. Het gaat bijvoorbeeld niet altijd alleen met een economische staking zonder geweld. Wanneer er een staking is, dan hopen wij dat zij om zich heen zal grijpen, dat zij zich zal uitbreiden. En als zij dan algemeen wordt en een politiek karakter gaat aannemen, dan leert de realiteit dat de machten, die er tegenover staan, niet zullen schuwen om geweld te gebruiken. Dit geweld wordt opgedrongen. De arbeidersklasse is helaas niet vrij in het kiezen van haar middelen. De keuze der middelen hangt niet van haar alleen af. Zij wordt tot deze gedwongen. Het kan dan komen tot geweld als noodzakelijk middel, ja, het kan dan komen tot bloedige revolutie. Ik wijs hierbij op wat Troelstra in zijn laatste boek over de staking als strijdmiddel schrijft.

Wij komen er niet altijd met individuele dienstweigering alleen. De dienstweigering moet, wil zij resultaten hebben, uitgebreid; zij kan zich gaan uitstrekken over grotere legereenheden; zij kan massaal worden. Dan zal daartegenover geweld worden gebruikt door de autoriteiten en de dienstweigering zal dan heus niet bij de gratie van de burgerlijke staat (Dienstweigeringswet) kunnen geschieden. Dat is maar tijdelijk, in tijden van kalmte en rust. Zo gaat het niet bij massaal optreden. Toen in het jaar 1917 Franse regimenten aan het front weigerden verder te vechten, werd uit elke compagnie één man genomen en werden deze met de eigen kanonnen en door eigen landgenoten neergeschoten. Men leze daar het schrikkelijke relaas van Barbusse maar op na.

Zo wordt bij ieder punt duidelijk, dat het onjuist is om bij ieder middel onmiddellijk a priori en in abstracto vast te stellen: dit is altijd absoluut goed of dit is altijd absoluut slecht. Dat gaat niet. Absoluut goede middelen en absoluut kwade middelen bestaan niet. Al naar de omstandigheden en de samenhang is hetzelfde middel nu eens goed, dan slecht. Overal is er de verstrengeling en de samenhang, de voortgang, de ontwikkeling, de overgang, de omslag van het een in het andere. Uitsluitend moreel geweld zonder daadwerkelijk geweld is even ondoeltreffend in bepaalde omstandigheden als uitsluitend daadwerkelijk geweld zonder moreel of geestelijk geweld, zonder een bepaalde graad van morele en geestelijke rijpheid. Zij zijn niet absoluut te scheiden. Zij zijn innig verbonden. Concluderend mogen wij zeggen: geweld, dat de maatschappelijke vooruitgang steunt, deze werkelijk dient, is marxistisch gezien moreel.

Nu ligt hierin een beperking, want, gelijk ik hierboven reeds heb gezegd, niet ieder middel is even dienstig. De historische ervaring leert, dat vrijwel altijd daadwerkelijk geweld, welks extreem het bloedig geweld is, van alle middelen het gebrekkigst en het slechtst is. En ook het gevaarlijkst voor hen zelf, die er zich van bedienen. Want het keert zich altijd tegen de individuen, die gebruik ervan maken, zelf. Vooral wanneer de geweldstoepassing een gewoonte wordt, werkt dit middel verruwend en verlagend. Het ontketent allerlei lage en verkeerde instincten als haat en wraakzucht. Het is uitermate geschikt om antisociale aandriften en neigingen wakker te roepen en te bevorderen en de edele gevoelens te verstikken. Het is in disharmonie met het ideaal van de opkomende klasse. Geweld lokt geweld uit en kan zo verder van het edel doel afbrengen. Dit is herhaaldelijk geconstateerd en het kan ons slechts manen tot voorzichtigheid.

Wij zien het nu bij de arbeidersklasse, die de macht in de staat moet veroveren en dan de staatsmacht uitoefenen om een meer sociale samenleving te verkrijgen, zoals dat thans reeds in de Sovjet-Unie zijn begin heeft. Maar nu moet deze met haar gesocialiseerde productie meer dan enige andere een beroep doen op de sociale gevoelens van de mensen, terwijl zij onderwijl tot het uitoefenen van dictatuur en terreur wordt gedwongen door de tegenwerkende machten binnen en buiten het land. Steeds zijn daar die samenwerkende en elkaar lijnrecht tegengestelde krachten tijdens iedere machtsvorming van de opkomende klasse, in iedere klassenstrijd en iedere burgeroorlog: het beroep op de sociale gevoelens in de mens en tegelijk het uitoefenen van geweld, dat al die sociale gevoelens kan verstikken en al te vaak inderdaad verstikt en in hun tegendeel doet verkeren. Het is dus zeer gevaarlijk voor een klasse als de arbeidersklasse, die het van de sociale gevoelens juist moet hebben voor de opbouw van de socialistische productie en de verdere ontwikkeling naar een klassenloze maatschappij, om van het geweld, het middel met de ergste antisociale potenties, gebruik te maken.

Geweld is daarom het uiterste middel, de “ultima ratio”, en het moet zoveel mogelijk vermeden en tot een minimum beperkt worden in de naaste toekomst. Maar ik heb er een zwaar hoofd in, want de neiging tot gewelddadigheden van de kant der heersende, tot ondergang gedoemde klassen, speciaal van het fascisme, is onrustbarend. Zij grijpen steeds meer naar het geweld om hun heerschappij te handhaven tegen de opstrevende arbeidersklasse. Zij worden cynischer en barbaarser. Er is reeds een overstelpende berg materiaal over terroristische gruweldaden in Midden- en Zuid-Europa, over geweldmaatregelen en executies tegen de arbeidersklasse daar. Eén voorbeeld: op de Internationale Juristenconferentie, die in december van het vorig jaar te Berlijn gehouden werd, kreeg ik een lijst met niet minder dan vijftig namen van advocaten, die alleen in Sofia door de fascistische terreur gedood waren, omdat zij het gewaagd hadden (als verdedigers in politieke processen bijvoorbeeld) op te treden ten gunste van de onderdrukte arbeiders en boeren. Ik herinner aan de lezing van Dr. L. H. Grondijs, voor de vereniging tot beoefening van de krijgswetenschap in Den Haag, over het beteugelen van revolutionaire woelingen. (Nieuwe Rotterdammer Courant, 21 december 1929, Ochtendblad B.), waarin hij met klem het nut en de doeltreffendheid der Witte Legers verdedigde en hun tactiek aanprees als de beste methode voor het neerslaan van revoluties. Hij roemde ook de moord op Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, verklaarde zo voor de vuist weg, dat zij “terecht” waren vermoord, en deelde mede hoe voortreffelijk en op hoe “elegante” wijze door de burgerwachten en witte gardisten in München, Litouwen, Bulgarije enz. was opgetreden ter handhaving van de bestaande orde. Hoe “elegant” dat optreden van burgerwachten en politie wel is, toont ons thans o.a. Indonesië.

Helaas, veel geweld zal gebruikt worden, van beide kanten. Er is veel, dat tot geweld dringt. Veel leed zal geleden worden. Er zal veel geofferd moeten worden, én door degenen, die de absolute geweldloosheid voorstaan (tolstojanen, Gandhi en zijn aanhangers enz.), én door hen die geweld op bepaalde ogenblikken en in bepaalde omstandigheden aanvaarden. Heel wat bereidheid tot het doen van offers zal worden gevraagd. Bereidheid, die nu reeds dagelijks in Europa veel meer wordt geëist, dan men in het algemeen hier te lande wel weet.

Maar toch, nooit zou ik het aandurven, om in iedere omstandigheid het geweld te verwerpen. Een dergelijke a-prioristische verwerping van ieder geweld voor elke situatie leidt tot objectief contrarevolutionair zijn in concrete gevallen. Ook al is men zich subjectief hiervan niet bewust, al haat men de bestaande misstanden en wil men vurig de verandering en de vernieuwing. Men kan dan objectief op een bepaald tijdstip en onder bepaalde omstandigheden tegen de vooruitgang komen te staan. Dit leert de historische ervaring. Daarmee is een dergelijke houding veroordeeld. Laat ik alleen hopen dat het geweld zo weinig mogelijk gebruikt zal worden. En laat ik waarschuwen, om zo vele klemmende redenen, tegen lichtvaardig gebruik van geweld, tegen geweldsuggestie juist in de arbeidersklasse, die de draagster is van de toekomst: een klassenloze, geweldloze, communistische maatschappij.

Het marxistische standpunt en inzicht zijn een sterke steun om iedere concrete situatie in het licht van de menselijke vooruitgang te beoordelen. Daarbij toch worden het scherpst en diepst alle gecompliceerde verbanden en samenhangen, als die tussen moreel geweld en daadwerkelijk geweld, evolutie en revolutie, parlementaire en rechtstreekse actie, wettige middelen en onwettige middelen, ontleed en doorgrond. Zij kunnen dus een goede maatstaf zijn voor de na te leven normen en een juiste leidster, om hetgeen in iedere concrete situatie inderdaad geboden en noodzakelijk is, eerlijk en klaar te zien en te aanvaarden.

Literatuur
N. Boecharin: Die Theorie des Historischen Materialismus (1922).
H. Cunow: Die Marxsche Geschichts-, Gesellschafts- und Staatstheorie (1923).
K. Kautsky: Die materialistische Geschichtsauffassung. (1927).
N. Lenin: Staat en Revolutie (1919).
I. Luppol: Lenin und die Philosophie (1928).
J. Valkhoff: De marxistische opvattingen over recht en staat (1928).
J. Dietzgen: Samtliche Schriften (1911).
J. Dietzgen: Het wezen van de menselijke hoofdarbeid.
E. Preobrazhenski: Moral und Klassennormen (1923).
H. Gorter: Klassemoraal (1920).
S. R. Steinmetz: Kritiek op de proletarische moraal van Mevrouw Roland Holst (1905).
H. Roland Holst: Communisme en moraal (1925).
H. Roland Holst: Revolutionaire massa-actie (1918).
H. Roland Holst: De strijdmiddelen der sociale revolutie (1918).
Cl. Meyer-Wichmann: Bevrijding (1924).
R. Kuyper: Doel en middelen der Sociaal-Democratie in de naaste toekomst (1919).
G. Kapteyn-Muysken: v. Revolutie en Wedergeboorte (1921).
Klassenstrijd, pro en Contra, Serie X, No. 8. (1919).
De Nieuwe Tijd, 26ste jaargang, blz. 112 e.v. en blz. 213 e.v.