Paul Verbraeken

Het verschrikkelijke bankgeheim

Aspecten van het internationale financiële bedrijf



Geschreven: 1985
Bron: Uitgeverij Toestanden — Boeken
Deze versie: Spelling
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, april 2007


Inhoud
Woord vooraf
Het Bretton Woodssysteem en hoe het jammerlijk ten onder ging
De ene bank is de andere niet
Het internationale geldbedrijf: spel zonder grenzen
Een bank gaat over kop
Een reisje naar Zwitserland: “The sound of money”
Lenen aan de Derde Wereld: hoe een dubbeltje rollen kan
Lenen aan de Derde Wereld: als het kalf verdronken is...
Besluit
Geraadpleegde literatuur

Woord vooraf

Wat is het hoogste doel van de mens? Rijk worden.
Op welke manier? Op oneerlijke wijze indien mogelijk;
op een eerlijke manier als het niet anders kan.
Wie is de enige en ware God? Geld is God.
Mark Twain

Dit boekje heeft geen enkele wetenschappelijke pretentie: het was niet mijn bedoeling om een theoretische analyse te maken van de internationale financiële structuur in samenhang met de ontwikkeling van de kapitalistische economie. Maar het heeft wel énige pretentie: ik heb getracht om enkele essentiële elementen van het internationale financiële bedrijf te verduidelijken ten behoeve van mensen die er weinig of niets van afweten, dat wil zeggen de meesten onder ons.

De leesbaarheid was één van mijn voornaamste bekommernissen. Dit heeft me er toe gebracht om de zuiver technische aspecten tot een minimum te beperken. Maar zoals elk vakgebied heeft ook de financiewereld haar bijzonder jargon. Elke vakterm wordt eenvoudig (soms te eenvoudig) uitgelegd.

Ondanks zijn geringe omvang kwam dit boekje toch tot stand op basis van een relatief omvangrijke documentatie. Opnieuw uit overwegingen van leesbaarheid leek het me niet gepast om de tekst te doorspekken met een massa voetnoten van bibliografische aard. Slechts voor rechtstreekse citaten en tabellen vermeld ik de exacte bron. Voor het overige verwijs ik naar de korte bibliografie.

Het Bretton Woodssysteem en hoe het jammerlijk ten onder ging

Indien de internationale economische betrekkingen zo zouden functioneren dat tegenover elke betaling die door een land A aan een land B wordt verricht, onmiddellijk een gelijkwaardige tegenbetaling van B aan A staat, zou er geen internationaal aanvaard geld nodig zijn. We kunnen deze veronderstelling nog op een andere wijze formuleren: indien de betalingsbalans van elk land ten opzichte van elk ander land op elk ogenblik in evenwicht zou zijn, zouden de betalingen die voortvloeien uit de buitenlandse handel, investeringen, dienstverlening, toerisme... mekaar permanent compenseren en kunnen verricht worden in het eigen geld.

Een dergelijke hypothese is uiteraard een utopie. Een land waarvan de handelsbalans op jaarbasis in evenwicht is, kan tegenover één of enkele landen een handelstekort hebben dat goedgemaakt wordt door een overschot tegenover één of enkele andere landen. Een globaal handelstekort tijdens de eerste jaarhelft kan gecompenseerd worden door een gelijkwaardig overschot in de loop van de laatste zes maanden. De globale handelsbalans kan bovendien een overschot of tekort vertonen dat wordt weggewerkt door een tekort of overschot op één of enkele andere posten van de betalingsbalans. Ten slotte kan de betalingsbalans zelf niet in evenwicht zijn. Met andere woorden, in de praktijk treedt er voortdurend asymmetrie op, in de ruimte of in de tijd.

Deze asymmetrie leidt tot de noodzaak van een internationaal geld, een algemeen equivalent dat de functies van waardemeter, circulatiemiddel en reservemiddel in zich verenigt. Wanneer we in de geschiedenis terugkijken, zien we dat vooral goud en zilver deze rol hebben gespeeld. De prijzen van de internationaal verhandelde goederen konden ofwel rechtstreeks ofwel via de goud/zilverbinding van het geld waarin ze uitgedrukt werden, vergeleken worden. Een voldoende voorraad van edele metalen was vereist om het betalingsverkeer dat voortvloeide uit de transacties tussen staten (handel, buitenlandse investeringen, transportdiensten, patentrechten, uitgevoerde winsten en dividenden,...) te kunnen voeden. De toename van de internationale goud- en zilverstock mocht niet onbeperkt zijn en geen al te spectaculaire schommelingen vertonen, wilden ze als veilig reservemiddel kunnen fungeren.

Het moeilijke evenwicht tussen zijn rol als circulatiemiddel (die een bepaalde aangroei vereist in functie van de ontwikkeling van de buitenlandse economische betrekkingen) en zijn rol als waardemeter en reservemiddel (die een zo groot mogelijke stabiliteit vraagt) heeft de goede werking van het internationaal algemeen equivalent altijd min of meer problematisch gemaakt. De plotselinge uitbreiding van de stock van edele metalen ingevolge het ontdekken van nieuwe voorraden of van nieuwe productietechnieken heeft meerdere malen tot moeilijkheden en verstoringen geleid.

Maar het probleem kreeg een totaal andere dimensie met de onstuitbare opgang van de kapitalistische productiewijze. De snelle expansie van het kapitalisme in de diepte en de breedte (steeds meer maatschappelijke sferen en steeds meer landen werden in de wareneconomie opgenomen) had een even snelle uitbreiding van de geldeconomie tot gevolg. In de periode van 1750 tot 1913 nam de wereldhandel met 5.450 % toe en vanaf de tweede helft van de 19de eeuw stegen de buitenlandse investeringen in snel tempo. Het precaire evenwicht tussen de verschillende functies van het internationaal algemeen equivalent kon steeds moeilijker gehandhaafd blijven in het kader van een mondiaal economisch systeem dat zich op chaotische wijze ontwikkelde omdat het gebaseerd is op individuele beslissingen van tienduizenden ondernemers, handelaars, financiers en speculanten die in een voortdurende concurrentiestrijd verwikkeld zijn. Men kan rustig stellen dat het kapitalisme, minstens sinds de Eerste Wereldoorlog, in een haast permanente monetaire crisis verkeert, in de mate waarin het door de tegenstelling tussen zijn noodzakelijke drang tot expansie en internationalisering enerzijds en het privé-karakter van het kapitaal en het voortbestaan van de staten anderzijds, geen werkzame basis vindt voor een evenwichtig internationaal monetair systeem.

In de zomer van 1944 was de Tweede Wereldoorlog duidelijk in zijn laatste fase getreden. In Oost-Europa moesten de nazitroepen steeds meer terugplooien onder de druk van het Rode Leger en in het Westen hadden de geallieerde troepen een stevig bruggenhoofd gevestigd in Normandië. Het zou nog slechts een kwestie van maanden zijn vóór de Duitse oorlogsmachine totaal vernietigd was. En hoewel er onzekerheid heerste over de naoorlogse betrekkingen tussen de Westerse landen en de Sovjet-Unie, bestond er voor de deskundige waarnemer geen enkele twijfel omtrent de verhoudingen binnen de kapitalistische wereld.

Het overwicht van de Amerikaanse economie, dat reeds in het begin van de eeuw tot stand kwam, was tijdens de oorlog uitgegroeid tot een absolute hegemonie: drie vierde van het geïnvesteerde kapitaal en twee derde van de industriële capaciteit waren geconcentreerd in de Verenigde Staten, haar handelsvloot bedroeg 60 % van de wereldtonnenmaat. Gedurende de oorlog had de Amerikaanse industrie, in het kader van de Leen- en Pachtwet voor meer dan 50 miljard dollar geleverd aan de bondgenoten en voor nog geen 8 miljard dollar ingevoerd.

Maar dit economische overwicht zou weinig baten indien de andere ontwikkelde kapitalistische landen zich niet snel konden herstellen van de massale vernielingen die de oorlog had aangericht. Vanaf april 1943 waren er reeds intensieve besprekingen tussen Britse en Amerikaanse deskundigen aan de gang, om te trachten op basis van een vergelijk tussen het Keynes-plan en dat van White, een internationale monetaire ordening tot stand te brengen binnen de grenzen van het vrije marktprincipe en waarbij moest getracht worden om de factoren die aanleiding hadden gegeven tot de zware crisis van de dertiger jaren zoveel mogelijk uit te schakelen.

In juli 1944 kwamen vertegenwoordigers uit 44 landen bijeen in het Amerikaanse stadje Bretton Woods voor de finale onderhandelingen die zouden leiden tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (beter bekend als de Wereldbank). De statuten voor het IMF bevatten de principes die voor de volgende 25 jaar de internationale monetaire betrekkingen tussen de kapitalistische landen zouden regelen:

a) de vrije omwisselbaarheid van de valuta der lidstaten, met andere woorden, het instellen van het vrije geldverkeer dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de internationale concurrentie op handelsgebied en voor het bevorderen van de buitenlandse investeringen.

b) de invoering van een systeem van vaste wisselkoersen, met andere woorden, het scheppen van zekerheid in het internationaal betalingsverkeer. De Amerikaanse hegemonie kwam tot uitdrukking in het feit dat de dollar en het goud als basis van het systeem werden genomen met een vaste verhouding tussen beide: 35 dollar voor 1 ounce goud. De regering van de Verenigde Staten, die op dat ogenblik veruit over de grootste goudstock beschikte, verbond zich ertoe om dollarreserves in het bezit van buitenlandse Centrale Banken om te wisselen in goud. Voor elk lid van het IMF werd een officiële pariteit ten opzichte van de dollar of het goud (wat op hetzelfde neerkwam) vastgesteld. De onderlinge wisselkoersen mochten niet méér dan 1 % afwijken van deze pariteit. Elke schommeling buiten die marge moest voorkomen worden door tussenkomst van de Centrale Banken op de wisselmarkt.

c) de instelling van een mechanisme om tijdelijk de betalingsbalans onevenwichten op te vangen, met andere woorden, het voorkomen van de neiging om tekorten weg te werken door beperkende maatregelen in het handels- en betalingsverkeer. Dit mechanisme steunde op het verstrekken van leningen uit een geldpool die door alle lidstaten, in verhouding tot hun economische sterkte, werd bijeengebracht.

Elke overeenkomst, van een ordinair verkoopcontract tot een diplomatiek akkoord, dat in het kader van het kapitalistische economische en politieke systeem tot stand komt, moet door de aard van het systeem zelf, de op dat moment heersende krachtsverhoudingen uitdrukken. Het ‘visionaire’ voorstel van Keynes, die de gelegenheid wou aangrijpen om een nieuw internationaal algemeen equivalent (de bancor) te scheppen, had in Bretton Woods dan ook geen schijn van kans. Door haar verpletterend overwicht kon de regering van de Verenigde Staten haar economische belangen laten overwegen. Het einde van de oorlogseconomie betekende voor dat land een overtollige productiecapaciteit en een overschot aan kapitaal dat niet op een voldoende rendabele wijze binnen de eigen grenzen kon geïnvesteerd worden. Tegelijk beschikte de rest van de wereld, in de eerste plaats West-Europa en Japan, niet over voldoende nationale en internationale koopkracht (dollars en goud) om als interessant afzetgebied voor de Amerikaanse industrie te dienen. Naast politieke overwegingen (de strijd tegen het communisme) was het Akkoord van Bretton Woods (en de Marshallhulp als initieel steuntje) er dus in de eerste plaats op gericht om de kapitaals- en goederenuitvoer van de Verenigde Staten te bevorderen. Via een permanent tekort op de betalingsbalans konden de Verenigde Staten de rest van de wereld bevoorraden met de broodnodige sleutelvaluta. Het is bijzonder leerrijk om de structuur van dit deficit te bekijken voor de periode waarin het Bretton Woods-akkoord van toepassing was:

Globale gecumuleerde betalingsbalans van de VS over de periode 1950-1970 (in miljard dollar):

1) Handelsbalans + 70,70
2) Balans investeringsinkomsten + 70,67
3) Balans directe investeringen - 58,00
4) Balans militaire uitgaven - 50,13
5) Balans diensten en overdrachten - 64,52
———
Totale balans - 31,28

De posten 1), 2) en 3) die slaan op de onmiddellijke economische belangen van de Amerikaanse industrie vertoonden over de Bretton Woods-periode een globaal overschot van 83,37 miljard dollar. Een nog meer gedetailleerde analyse wijst uit dat de elementen van post 5) die verband houden met kapitalistische activiteiten (transport, verzekeringen, telecommunicatie...) eveneens een voortdurend overschot opleverden, dat ‘gecompenseerd’ werd door de negatieve balans van het toerisme, de unilaterale overdrachten (‘ontwikkelingshulp’) en de andere overheidsuitkeringen. Voor het Amerikaanse bedrijfsleven was het dus wel degelijk een goede zaak dat de dollar als sleutelvaluta gold in het internationale betalingsverkeer. Het globale tekort op de betalingsbalans dat daarmee noodzakelijk gepaard ging, werd gefinancierd door alle belastingbetalers en particulieren (militaire uitgaven, overheidsuitkeringen, toerisme...) of door inflatoire geldschepping. Bovendien waren de Verenigde Staten het enige land dat, door de bijzondere positie van zijn valuta, in staat was om zijn betalingsbalanstekort in de eigen munt terug te betalen! Waarom liep het systeem dan spaak?

Zolang de economische hegemonie van de Verenigde Staten geen twijfel leed en de dollar een relatief schaarse en dus gegeerde valuta was op de wereldmarkt, functioneerde het internationale geldstelsel tamelijk probleemloos. Maar dit overwicht begon reeds in de loop van de vijftiger jaren te tanen. De heropbouw van de Europese (vooral de Duitse) en Japanse industrie kwam snel op gang en voorzag de meeste ontwikkelde kapitalistische landen (met uitzondering van Groot-Brittannië) van een modern productieapparaat. De technologische voorsprong van de bedrijven in de Verenigde Staten werd steeds kleiner. In de meeste landen lag ook de loonkost aanzienlijk beneden die in de Amerikaanse industrie. Deze factoren hadden tot gevolg dat de productiviteitsaangroei in de VS gevoelig kleiner was dan in de andere Westerse landen. Voor de periode 1960-1973 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse productiviteitstoename in de VS 2,1 %. Voor de voornaamste industrielanden was de stijging als volgt:

Groot-Brittannië 2,6 % België 4,2 %
Canada 2,7 % West-Duitsland 4,3 %
Denemarken 3,1 % Frankrijk 4,9 %
Zwitserland 3,1 % Italië 5,7 %
Zweden 3,5 % Japan 8,4 %
Nederland 4,1 %

Bron: jaarverslag 1983 van de Bank voor Internationale Betalingen, blz. 25.

De ‘Groep van Tien’ groepeert de voornaamste financiële wereldmachten: de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, West-Duitsland, Japan, Frankrijk, Italië, Canada, Nederland, Zweden en België, en werd opgericht naar aanleiding van het opzetten van de Algemene Leningsregelingen (General Agreemente to Borrow) — een systeem waarbij de deelnemende landen via het IMF onder uitzonderlijke omstandigheden mekaar met kredietverstrekking bijstaan. In 1964 trad Zwitserland toe als waarnemer, nu is het een volwaardig lid.

Niet toevallig komt de samenstelling van deze groep bijna geheel overeen met die van de beheerraad van de Bank voor Internationale Betalingen, in Bazel gevestigd. Japan heeft geen zitting in het bestuur en het statuut van de Verenigde Staten is nogal verward.

De BIB werd opgericht in het kader van de regeling der Duitse herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog. Na de nazistische machtsovername in Duitsland leidde de bank een sluimerend bestaan, maar na de Tweede Wereldoorlog kende ze een heropleving van haar activiteiten. Ze speelt nu een sleutelrol in de globale werking van het internationale geldcircuit: ze treedt op als een centrale bank voor de centrale banken, ze speelt een bemiddelingsrol bij een aantal financiële overeenkomsten tussen landen en ze biedt een forum voor (overwegend informele) besprekingen. De beheerraad van de BIB vergadert 10 maal per jaar, meestal op een dinsdag. Tien maal per jaar, meestal op de maandag voor de bijeenkomst van de BIB-beheerraad, vergaderen de vertegenwoordigers van de Groep van Tien. In het kader van deze groep wordt sinds 20 jaar de monetaire strategie van de leidende kapitalistische landen uitgestippeld (o.a. het systeem van de Speciale Trekkingsrechten, het ‘papieren goud’). De groep van Tien vormt in feite de informele leiding van het Internationaal Monetair Fonds.

Hier worden ook de besprekingen gevoerd en de (enkele voorzichtige) beslissingen genomen over het toezicht op het internationale bankbedrijf. Na het débacle van een aantal banken in Groot-Brittannië, de crash van de Herstattbank in Duitsland en het bankroet van de Franklin National in de Verenigde Staten, besloten de monetaire autoriteiten van de Groep van Tien in februari 1975, om te trachten enkele afspraken te maken die ongecontroleerde paniekreacties zouden kunnen beletten. Uit de contacten resulteerde het zogenaamde Concordaat van Bazel (april 1980, aangepast in 1983). Deze overeenkomst bepaalt dat de nationale toezichtsoverheid in eerste instantie verantwoordelijk is voor de internationale operaties van haar banken. Toen in 1982 de Banco Ambrosiano failliet ging, weigerden de Italiaanse zowel als de Luxemburgse monetaire autoriteiten om de verantwoordelijkheid te dragen voor de schulden van de Ambrosiano-Holding in Luxemburg, wat leidde tot een niet geringe onrust op de interbankenmarkt.

De naoorlogse Keynesiaanse politiek, gebaseerd op reusachtige kredietverstrekking aan de particulieren, het bedrijfsleven en de overheid, droeg op korte termijn bij tot het vermijden van ernstige economische inzinkingen maar leidde tot toenemende inflatie. Deze politiek werd toegepast in alle kapitalistische landen maar méér in de Verenigde Staten. En in alle landen steeg de inflatie maar minder dan in de Verenigde Staten. Het precaire evenwicht tussen de contradictorische functies van het internationaal algemeen equivalent (de dollar) kwam op losse schroeven te staan. De sterkere inflatie van de dollar leidde tot een koopkrachtvermindering van de reserves die door de bedrijven, de privébanken en, uiteindelijk, de centrale banken van de Westerse landen werden aangehouden, waardoor de vraag naar omwisseling in zijn ‘alter ego’, het goud, steeds sterker werd. De goudvoorraad van de Verenigde Staten slonk van 24,4 miljard dollar in 1948 tot 10,9 miljard dollar in 1968. Voor diezelfde periode viel het dekkingspercentage in goud van haar kortlopende buitenlandse verplichtingen terug van 413,6 % tot 35,2 %, met andere woorden, één van de uitgangspunten van Bretton Woods, de omwisselbaarheid van dollars in goud aan de vaste koers van 35 dollar per ounce op vraag van de buitenlandse centrale banken, beantwoordde niet langer aan de realiteit. In maart 1968 werd in Washington een overeenkomst gesloten tussen vertegenwoordigers van de belangrijkste kapitalistische landen, die er in feite op neer kwam dat de centrale banken niet langer goud zouden opvragen. Deze officiële bekrachtiging van de zwakke positie van de dollar ondermijnde het geschokte vertrouwen nog verder. De toenemende onzekerheid op de wisselmarkten gaf een enorme stimulans aan een verschijnsel dat niet nieuw was maar dat in de bloeiperiode van het Bretton Woods-systeem slechts optrad bij de nakende devaluatie van één of andere munt: de valutaspeculatie. Robert Aliber stelt het aldus: “Tussen 1967 en 1978 verdienden de speculanten in vreemde valuta - ondernemingen, banken en particulieren - bijna 12 miljard dollar. In 1967 verkochten ze sterling; in 1969 verkochten ze Franse franken en kochten ze Duitse marken. Vanaf 1970 verkochten ze massale hoeveelheden US-dollars om vooral Europese valuta en Japanse yen te kopen. Weinig banken of ondernemingen geven toe dat ze speculeren, het klinkt asociaal. Ze houden veeleer vol dat ze slechts hun risico’s indekken. Iedereen verwijst dan ook naar de ‘gnomen van Zürich’.

De broederschap der gnomen is wereldomvattend. Er bestaan afdelingen in Londen, Parijs, Tokio, New York, in elk financieel centrum dus waar banken en ondernemingen in vreemde valuta handelen. Het lidmaatschap van de broederschap staat open voor ieder die de risico’s wil aangaan; de enige vereiste is de bereidheid om te spelen volgens de regels van de markteconomie. De gnomen kan men aantreffen in Fortune’s lijsten van de grootste 500 US-ondernemingen en de grootste 300 buitenlandse ondernemingen.” (The Money Game, p. 48).

Tijdens de laatste 5 jaar van de Bretton Woodsperiode kende het volume van de valutaverhandelingen een ware explosie: volgens berekeningen van Ian Giddy, professor aan de Columbia University, steeg de dagelijkse handelsomvang van minder dan 25 miljard dollar in 1970 tot méér dan 50 miljard in het begin van 1973 en tot 100 miljard tegen het einde van dat jaar. Aliber raamt de winsten uit valutaspeculatie voor de periode 1967-1972 op ongeveer 5 miljard dollar.

In deze krachtmeting tussen de privébanken en de ondernemingen enerzijds en de centrale banken anderzijds, waren deze laatsten (en uiteindelijk dus de belastingbetalers) de verliezers op twee terreinen. In uitvoering van de IMF-verbintenissen kochten ze de dollars op die de markt overspoelden. Op het moment dat de dollardevaluaties van 1971 en 1973 een feit werden, leden de centrale banken ingevolge hun interventie, grote verliezen. Ten tweede werkte de dollarinvasie inflatoir. De tussenkomsten op de wisselmarkten voedde de inflatie omdat de centrale banken daardoor verplicht werden tot een snellere uitbreiding van hun nationale geldmassa dan ze onder normale omstandigheden zouden doorgevoerd hebben.

In oktober 1969 koppelde de Duitse centrale bank de mark los van haar officiële koers. De zwevende mark begon onmiddellijk te stijgen en toen drie maanden later opnieuw een vaste koers werd bepaald, bleek hij met meer dan 9 % opgewaardeerd te zijn. In het begin van 1971 werd de toestand onhoudbaar. In mei was het dollaraanbod zo groot dat de Deutsche Bundesbank en de Nederlandse Bank alle aankopen ter ondersteuning moesten stopzetten: de mark en de gulden begonnen opwaarts te zweven. Oostenrijk en Zwitserland revalueerden hun munt. In de eerste helft van augustus dreigde de “vlucht uit de dollar” een oncontroleerbaar sneeuwbaleffect te veroorzaken. Op 15 augustus hield president Nixon een toespraak waarin hij aankondigde dat de Verenigde Staten de verplichting tot omwisselbaarheid van de dollar tegen goud aan 35 dollar per ounce opzegden, waarin hij eiste dat de belangrijkste handels‘partners’ zouden revalueren en waarin hij een tijdelijke invoerbelasting van 10 % bekendmaakte.

Het Bretton Woods-akkoord ging in de grootste verwarring ten onder. Met het Smithsonian Agreement van december werd getracht om door een devaluatie van de dollar met 8 % en een verruiming van de schommelmarges ten opzichte van de officiële koers, nog een verwaterde versie van Bretton Woods ineen te timmeren. Die “belangrijkste overeenkomst uit de ganse monetaire geschiedenis”, zoals Nixon het met zijn legendarische zin voor perspectief noemde, hield nauwelijks enkele maanden stand. In juni 1972 begon het Britse pond te zweven, in januari 1973 de Zwitserse frank en in februari de Japanse yen en de Italiaanse lire. De dollar werd opnieuw gedevalueerd, ditmaal met 10 %, maar de bres kon niet meer gedicht worden. Op 1 maart moesten de centrale banken van West-Europa en Japan samen ongeveer 3,5 miljard dollar aankopen om de dollar te steunen, een bedrag dat nooit voordien op één dag was bereikt. Op 2 maart werden alle belangrijke wisselmarkten gesloten. Toen ze op 19 maart weer opengingen behoorde Bretton Woods definitief tot de geschiedenis. De periode van de zwevende wisselkoersen en de permanente monetaire onzekerheid was aangebroken.

De Speciale Trekkingsrechten
Gedurende de jaren ’60 werd gezocht naar de mogelijkheid om naast het goud en de dollar een nieuw internationaal reservemiddel in het leven te roepen. Een dergelijk voorstel was trouwens reeds in 1943 door Keynes gedaan: volgens hem moest het naoorlogs financieel systeem beschikken over een wereldgeld, de Bancor, maar het idee werd gekelderd op de conferentie van Bretton Woods.

De problematiek werd opnieuw onderzocht toen bleek dat de in het Bretton Woods ingebouwde contradictie, het zogenaamde Triffin-dilemma, tot onoplosbare moeilijkheden moest leiden: indiende Verenigde Staten een voortdurend betalingsbalansdeficit wegwerkten zou de rest van de wereld te kampen hebben met een voortdurend tekort aan internationale betalingsmiddelen en deze liquiditeitsschaarste zou de economische groei bedreigen; indien de Verenigde Staten een voortdurend betalingsbalanstekort aanhielden zou de daaruit voortvloeiende opstapeling van dollars in het buitenland het vertrouwen in de omwisselbaarheid van die valuta in goud ondermijnen.

De studies en de soms hardnekkige onderhandelingen over de wenselijkheid, de verdelingscriteria en de exacte rol van het nieuwe reservemiddel leidden tot een compromis: in 1969 werden de eerste Speciale Trekkingsrechten (STR) in het leven geroepen met een ‘waarde’ gelijk aan de toenmalige dollarverhouding tot één ons goud (35 $). Na de ineenstorting van het Bretton Woodssysteem werd het STR omgevormd tot een ‘ korfmunt’ (een gewogen verzameling van reëel bestaande valuta). Sinds 1981 wordt de ‘waarde’ van een STR bepaald door de som van de belangrijkste vijf wereldmunten (dollar, Duitse mark, yen, Franse frank en pond sterling).

De term ‘papieren goud’ die soms voor het STR wordt gebruikt, is misleidend omdat het hier niet om een objectieve waardestandaard gaat, in tegenstelling tot de zuivere gouden standaard, waarbij een munt uitgedrukt wordt in een bepaalde fysieke hoeveelheid (gewicht) goud. Zeker in het nu geldende systeem van vlottende wisselkoersen is het STR een volledig fictieve, subjectieve ‘Maat’: ze wordt bepaald door de op een bepaald ogenblik geldende, onderling vergeleken en gewogen wisselkoersen van vijf valuta, maar die valuta zijn zelf aan geen enkele objectieve maatstaf gebonden.

Het STR heeft trouwens nooit de rol van internationaal reservemiddel gespeeld: een volwaardig wereldgeld zonder één wereldregering en een mondiale centrale bank is even ondenkbaar als een Belgische frank zonder Belgische regering en zonder Nationale Bank. De verhouding van de STR tot de totale hoeveelheid reservemiddelen evolueerde van 5,2 % in 1972 tot 2,5 % in 1982 (indien men de goudreserves aan marktprijs rekent):

Samenstelling van de wereldreserves (in miljard STR)
1972 1977 1982
Goud 61 140 392
Valuta (incl. ECU) 96 204 295
Reserveposities bij het IMF 6 18 26
STR 9 8 18
Totaal 172 370 371

Bron: eigen berekeningen op basis van J. Williamson, A New SDR Allocation, pp. 47, 51.

Het is nauwelijks overdreven om te stellen dat de STR momenteel nog slechts gebruikt worden als administratieve rekeneenheid door enkele internationale instellingen (zo worden de quota van de IMF-leden uitgedrukt in STR).

De ene bank is de andere niet

William G. Patterson, ex-onderdirecteur van de in 1982 over de kop gegane Penn Square Bank, placht wel eens zaken te doen terwijl hij bier dronk uit een cowboylaars en Mickey Mouse-oren droeg. Zelfs naar Amerikaanse maatstaven kan dit vreemd genoemd worden, want één van de elementaire vereisten waaraan een degelijke financier moet voldoen is een onberispelijk voorkomen en het ontbreken van elke buitenissigheid in zijn publiek gedrag. Deze elementen schragen het belangrijkste kenmerk van de bankwereld: vertrouwen. Tenminste, zo leren ons de handboeken. De ideale bankier beheert het geld van zijn klanten als een ‘goede huisvader’: conservatief en toch dynamisch. Zijn integriteit staat boven alle verdenking. Woeker en dubieuze geldzaakjes zijn voorbehouden aan de Jood. En de echte bankier is nooit een Jood, zelfs als hij een jood is.

De laatste jaren hebben een reeks ophefmakende schandalen dit imago nochtans aangetast. In het midden van de zeventiger jaren verloor de Bank van Brussel honderden miljoenen frank door overdreven gesjoemel op de wisselmarkten. Het bankroet van de Duitse Herstatt Bank, eveneens het gevolg van dubieuze operaties op de wisselmarkt, sloeg een gat van 750 miljoen DM en verstoorde voor een hele tijd het vertrouwen op de internationale geldmarkt. In april 1976 belandde de heer Kuhrmeyer, directeur van het Chiasso-filiaal van de respectabele Crédit Suisse, in de gevangenis omdat de door hem opgezette organisatie die het vluchtkapitaal al uit Italië, via een reeks spooktrusts in Liechtenstein, herinvesteerde, over kop ging. In februari 1983 viel de Nederlandse politie binnen in het hoofdkantoor van de Slavenburgbank: fraude. De kwalijke reuk van vuil geld is zelfs doorgedrongen tot in de appartementen van de Paus: achter de crash van de Ambrosianobank schuilt de meest ingewikkelde en misdadige financiële operatie van de laatste decennia. Gaat het in al deze gevallen om misbruik van vertrouwen, de onvermijdelijke uiting van de eeuwige menselijke zwakheid, de fatale maar uitzonderlijke reisgezel van zijn tegenhanger, de integriteit, of vormen deze praktijken de logische voortzetting van de normale gang van zaken? De geschiedenis van het bankbedrijf toont aan dat zijn belangrijkste kenmerk niet moet gezocht worden in het algemene concept ‘vertrouwen’ maar dat het dezelfde fundamenten heeft als de geldeconomie waarin het tot ontwikkeling kwam: winstbejag, ongenadige concurrentie en economische en politieke krachtsverhoudingen. Het element vertrouwen krijgt slechts in dat kader zijn echte betekenis: het is geen absoluut vertrouwen in de eerlijkheid en onkreukbaarheid van de bankier maar in zijn vermogen om zijn positie ten opzichte van de concurrenten te handhaven of, beter nog, te versterken, zijn talent om zichzelf, de bank en haar aandeelhouders te verrijken. Professor Karsten, ex-voorzitter van de Raad van Bestuur van de Amrobank, deed in een redevoering voor de jaarlijkse bijeenkomst van het Nederlands Instituut voor het Bank- en Effectenbedrijf de volgende veelzeggende uitspraak: “Er bestaat een oude wijsheid die mij door één van mijn voorgangers werd doorgegeven: ‘Voor een bankier is het goed om iemand te vertrouwen, maar het is beter niemand te vertrouwen’”.

Het bankbedrijf is nooit een rustige bezigheid geweest. De grote geldhandelaars uit de Europese geschiedenis kenden bijna allemaal een bewogen bestaan. Hun zakelijk lot hing vaak nauw samen met de politieke wisselvalligheden van hun tijd.

De verbanning van de machtige Franse bankier Jacques Cœur door koning Karel VII, diende de materiële belangen van de vorst en had niets te maken met de vergiftiging van diens maîtresse.

Er bestaat geen mooiere illustratie van de vaak avontuurlijke wijze waarop Mayer Rothschild en zijn zonen de basis legden van hun fortuin, in de woelige periode van de Franse revolutionaire en Napoleontische oorlogen, dan de enorme beurscoup van zoon Nathan. Dank zij een aan het ‘huis’ verbonden koerier, wist hij 24 uur vóór de Engelse regering, bankiers en zakenlui dat de geallieerde troepen in Waterloo Napoleon hadden verslagen. Hij verkocht al zijn aandelen op de Londense beurs, lokte een paniek uit en kocht net vóór de sluiting zoveel mogelijk op aan een sterk gedaalde prijs. Toen de volgende dag het nieuws van de overwinning bekend raakte, vlogen de beursnoteringen de hoogte in. De meest ophefmakende financiële operatie uit de negentiende eeuw vormde een waardig sluitstuk van het tijdperk van persoonlijke primitieve accumulatie voor de Rothschilds.

Indien iemand het idee zou opvatten om de geschiedenis van het negentiende-eeuwse bankwezen in de Verenigde Staten te verfilmen, zou hij er best een gangsterfilm van maken: bedrog en vervalsing, geweld en obscure intriges waren gemeengoed.

De beurscrash van 1929 en de spectaculaire bankfaillissementen uit de dertiger jaren zijn nog niet helemaal uit het collectieve geheugen verdwenen. Gevoelige zielen wijden zich dus beter aan tuinieren dan aan bankieren.

De kredietspiraal

Eind 1983 bedroeg de totale binnenlandse uitstaande schuld van ondernemingen, particulieren en overheid in West-Duitsland 1.710 miljard mark of ongeveer 570 miljard dollar terwijl de bruto buitenlandse schuld 77 miljard dollar beliep, met andere woorden een totaal van 647 miljard dollar.

De totale buitenlandse schuld van alle Derde Wereldlanden, waarover de voorbije jaren zoveel werd geschreven en gezegd in de media, bereikte op dat ogenblik 606 miljard dollar.

Ik heb met de vergelijking van beide bedragen geen enkele demagogische bedoeling en ik weet ook wel dat men de economische situatie van één der meest ontwikkelde kapitalistische landen niet kan vergelijken met die van Brazilië of Mexico en dat anderzijds de Duitse buitenlandse nettoschuld aanmerkelijk lager ligt dan 77 miljard dollar (hoewel men over de beoordelingscriteria voor de reserves een leuke discussie zou kunnen opzetten).

Men moet alleen begrijpen dat de massale en ononderbroken stijging van de kredietverstrekking aan ondernemingen, particulieren en overheid één van de belangrijkste structurele kenmerken vormt van de evolutie van de globale kapitalistische economie gedurende de voorbije vier decennia.

Om dit duidelijk te maken volgen hierna enkele cijfers, die een minder impressionistisch karakter hebben dan het bovenstaande voorbeeld.

Sinds de tweede wereldoorlog heeft de totale uitstaande schuld in de Verenigde Staten zich aldus ontwikkeld (in miljard dollar):

1950 1960 1970 1980 1984
Overheid (alle niveaus) 241,4 308,3 450,0 1.063,3 1.573
Bedrijven en particulieren 164,8 416,1 975,3 2.841,9 4.421
Totaal 406,2 724,4 1.425,3 3.905,2 5.994

Bron: Monthly Review, november 1981, p. 19 / Le Monde Diplomatique, februari 1985, p. 30.

De (soms spectaculaire) aangroei van de overheidsschuld is een constante in alle ontwikkelde kapitalistische landen, met uitzondering van Groot-Brittannië:

Evolutie van de overheidsschuld in verhouding tot het Bruto Nationaal Product

Land                               Schuld in %
          van het BNP
               Betaalde interest
               in % van het BNP
1975 1980 1983 1975 1980 1983
____ ____ ____ ____ ____ ____
België 59,8 76,2 105,7 3,6 6,2 9,7
Denemarken 11,9 33,5 62,2 1,2 3,9 8,0
Frankrijk 26,8 25,1 32,2 1,3 1,7 2,8
DBR 25,0 31,6 39,9 1,4 1,9 3,0
Ierland 73,3 89,0 111,8 5,2 7,9 11,1
Italië 45,3 65,3 82,6 4,0 6,2 9,5
Nederland 41,4 46,0 63,4 3,0 3,7 6,1
Groot-Brittannië 71,8 66,0 55,2 4,4 5,2 4,9
Japan 22,5 52,9 66,5* 1,2 3,2 4,0*
Verenigde Staten 44,9 40,1 45,7 2,5 3,3 4,7

* 1982
Bron: Financial Times, 17.9.1984, World Economy Survey, p. 2.

Volgens de meest betrouwbare bron, de Bank voor Internationale Betalingen, ontwikkelde de internationale kredietverstrekking zich tijdens de voorbije vijf jaar als volgt:

Leningen op de internationale markten


1979

1980

1981

1982

1983
Stocks
eind ’83
A. Internationale bankkredieten
(nettobedragen)(1)

125,0

160,0

165,0

95,0

85,0

1.085,0
B. Intternationale obligatieleningen
(nettobedragen)(2)

28,0

28,0

36,5

58,5

59,0

345,0

Totaal (A+B)

153,0

188,0

201,5

153,5

144,0

1.430,0

Dubbeltelllingen(3)

8,0

8,0

6,5

8,5

14,0

70,0
Globale nettofinanciering
onder de vorm van
bankkredieten en obligaties

145,0

180,0

195,0

145,0

130,0

1.360,0

(1) Met aftrek van leningen op de interbankenmarkt.
(2) Met aftrek van amortisaties en terugkoop.
(3) Deel van B opgenomen in A.
Bron: Banque des Règlements Internationaux, 54e Rapport Annuel, Bâle, 18 juin 1984, p. 121.

Kredietverstrekking is de voornaamste bezigheid van de banken. Ze bevoorraden zich bij de particulieren, de bedrijven, de centrale bank of op de interbankenmarkt, en ze verlenen handels- of investeringskrediet aan de bedrijven, consumptiekrediet aan de particulieren en krediet aan de overheid. Geldhandel is de essentie van hun bedrijf. Maar in tegenstelling tot alle andere handelaren die niet méér producten kunnen verkopen dan ze ingeslagen hebben, heeft de bankier sinds lang het geheim van de vermenigvuldiging der broden ontdekt.

Geld verschijnt in eerste instantie onder de vorm van biljetten en munten, in omloop gebracht door de centrale bank die in elk land beschikt over een uitgifte monopolie. Alleen de Nationale Bank van België kan biljetten van honderd, vijfhonderd, duizend of vijfduizend frank drukken of stukken van één, vijf, tien of twintig frank slaan. “De namaker wordt met dwangarbeid gestraft” staat in duidelijk leesbare letters op elk Belgisch bankbriefje. Deze, door de Centrale Banken uitgegeven geldhoeveelheid, noemt men in het jargon chartaal geld.

Wie op een bepaald ogenblik over méér chartaal geld beschikt dan zij of hij nodig heeft voor onmiddellijke consumptie of investering, kan dat overschot deponeren bij een bank en krijgt daarvoor een vergoeding of interest, waarvan de hoogte (de interestvoet) afhangt van de depositotermijn: een zichtrekening, die een dadelijk opvraagbaar tegoed vertegenwoordigt, brengt bijna niets op. De totale hoeveelheid deposito’s vormt het werkkapitaal van de bank. Een hele tijd geleden al hebben de bankiers gemerkt dat slechts een beperkt deel van het chartale geld moet aangehouden worden voor terugbetaling aan de depositohouders. Deze reserve noemt men de liquiditeitscoëfficiënt. Indien we bv. aannemen dat een bedrag van 10 miljard frank bij de banken geplaatst is en de liquiditeitscoëfficiënt 25 % bedraagt, dan ‘ontstaat’ er een bijkomende geldhoeveelheid van 7,5 miljard frank, het giraal of bankgeld. Dit wordt in omloop gebracht onder de vorm van kredietverlening aan particulieren of bedrijven. Een deel van dat girale geld zal opnieuw in deposito’s worden omgezet en deze kunnen, mits inachtneming van de liquiditeitscoëfficiënt, weer door de banken worden uitgeleend, met als resultaat geldschepping van de tweede orde.

In theorie is deze geldschepping alleen begrensd door de aanvankelijke hoeveelheid chartaal geld en de hoogte van de liquiditeitscoëfficiënt, in ons voorbeeld 10 miljard frank en 25 %. De maximale hoeveelheid giraal geld bedraagt in dit geval (waarbij ik de lezer de algebraïsche redenering bespaar),

10 miljard x (1 ÷ 1 — 75/100) = 10 miljard x 4 = 40 miljard

Voor een hoeveelheid chartaal geld van 10 miljard, die ‘verdwijnt’ als deposito, ontstaat een hoeveelheid giraal geld van 40 miljard. Uiteraard gaat het hier om een maximale theoretische vermenigvuldiging van de aanvankelijke geldmassa omdat we ervan uitgaan dat de totaliteit van het verstrekte krediet na korte tijd weer opduikt als een nieuw deposito. In werkelijkheid vertoont dit gesloten circuit een aantal lekken (andere manieren van sparen, betalingen aan het buitenland, het geld blijft in omloop, enz...).

De grote jongens

Wanneer we een internationale rangschikking van de banken opstellen, moeten we één of ander criterium kiezen. We kunnen ze klasseren volgens activa, kapitaal, winst of deposito’s, enz... Die keuze heeft een invloed op de rangschikking van een bank: in 1983 komt de Royal Bank of Canada volgens het criterium van de brutowinst op de 5de plaats maar op basis van de activa slechts op de 20ste. In de rangschikking volgens activa neemt de Banque Nationale de Paris de 6de plaats in maar op basis van het eigen kapitaal plus reserves slechts de 35ste. De vier grote Britse banken scoren duidelijk hoger in een rangschikking, gebaseerd op eigen kapitaal plus reserves dan op activa. Het zou ons te ver leiden om in te gaan op oorzaken en implicaties van die verschillen.

Een vergelijkende tabel kan natuurlijk alleen worden opgesteld indien de cijfergegevens in een gemeenschappelijke valuta worden uitgedrukt. In een ‘systeem’ van zwevende wisselkoersen levert dit van jaar tot jaar nogal wat schommelingen op, die niets te maken hebben met de resultaten van de individuele banken maar veroorzaakt worden door de wisselkoersvariaties. Ter illustratie geven we voor enkele valuta de koerswijziging tov. de Amerikaanse dollar tussen eind ‘82 en eind ‘83: de Braziliaanse cruzeiro — 289,44 %, de Franse frank — 24,13 %, de Duitse mark -14,6 %, de Japanse yen + 12,39 % en het Britse pond -11,30 %. De hierna gepubliceerde tabel van de grootste 50 banken komt uit de lijst van de grootste 500, die elk jaar gepubliceerd wordt door The Banker. Op die lijst vinden we 119 banken uit de Verenigde Staten, 66 uit Japan, 43 uit West-Duitsland, 27 uit Italië, 19 uit Frankrijk en evenveel uit Groot-Brittannië, en 13 uit Zwitserland. Deze 7 landen zijn dus goed voor in totaal 316 banken op de 500. Als we de Hongkong and Shangai Banking Corp. buiten beschouwing laten, treffen we in de top50 slechts één bank uit de Derde Wereld aan (de OPEC-landen inbegrepen!): de Banco de Brasil. Deze enkele ruwe cijfers geven een beeld van de krachtsverhoudingen in het internationale financiële circuit.

De grootste banken
’83 ’82 Bank Activa Deposito’s Kapitaal en reserves Brutowinst
1 1 Citicorp,New York 125.974
4,4
79.794
4,3
5.771
19,9
1.606
28,5
2 2 Bank America Corp, San Francisco 115.442
0,0
95.751
1,4
5.136
11,7
505
-4,0
3 8 Dai-Ichi Kangyo Bank, Tokio 110.333
11,2
88.338
11,9
2.907
2,1
466
27,1
4 10 Fuji Bank, Tokio 103.532
8,3
80.962
7,9
3.084
7,5
644
18,3
5 13 Sumitomo Bank, Osaka
101.147
9,8
79.448
7,3
2.991
10,0
752
39,9
6 3 Banque Nationale de Paris, Paris
101.019
13,9
86.595
16,4
1.541
21,0
334
1,2
7 12 Mitsubishi Bank, Tokio
98.062
6,3
77.665
7,7
2.773
3,4
451
9,4
8 6 Barclays Group, Londen
94.146
9,9
82.723
9,9
4.292
7,1
808
12,5
9 16 Sanwa Bank, Osaka 91.257
6,9
74.155
6,7
2.533
6,2
462
28,0
10 4 Crédit Agricole, Parijs 90.211
13,7
73.435
14,2
3.823
1,5
514
14,5
11 5 Crédit Lyonnais, Parijs 88.123
13,1
77.486
13,1
-
-
-
-
12 7 National Westminster Bank, Londen 87.057
10,1
80.139
10,1
4.173
12,8
730
14,6
13 9 Société Générale, Parijs
86.346
25,0
75.800
26,0
1.138
5,1
209
11,0
14 11 Deutsche Bank, Frankfurt
76.793
5,5
70.854
5,1
2.486
4,3
695
43,3
15 14 Midland Bank, Londen
76.317
9,6
69.926
9,0
2.755
21,6
326
-10,4
16 15 Chase Manhattan Corp, New York 75.350
- 2,2
56.300
-1,0
3.576
8,8
703,3
117,6
17 25 Norinchukin Bank, Tokio 75.235
16,7
65.987
21,6
345
7,3
109
108,8
18 21 Industrial Bank of Japan, Tokio
71.270
4,3
65.918
7,0
1.660
8,7
435
4,1
19 23 Mitsui Bank, Tokio
67.162
6,7
56.710
7,3
1.618
3,8
318
63,9
20 17 Royal Bank of Canada, Montreal
65.654
-5,0
60.479
-5,1
2.682
14,4
729
35,7
21 18 Bank of Tokyo, Tokio
65.021
11,9
51.496
11,1
1.508
2,1
291
17,5
22 29 Tokai Bank, Nagoya
63.172
2,4
51.333
1,7
1.731
8,6
280
26,9
23 20 Manufacturers Hanover Corp, New York
60.918
1,3
42.284
-3,5
2.671
8,0
540
21,9
24 32 Banque Paribas, Parijs
60.524
45,6
32.607
36,8
2.056
16,2
299
7,9
25 35 Long-term Credit Bank of Japan, Tokio
60.327
14,0
52.570
20,4
1.343
6,2
266
7,9
26 22 Dresdner Bank, Frankfurt
59.048
3,6
38.136
-0,1
1.585
8,7
292
40,7
27 24 Hongkong and Shangai Banking Corp, Hongkong
57.998
22,4
52.728
22,6
2.511
25,5
-
-
28 38 Mitsubishi Trust and Banking Corp, Tokio
57.354
10,9
51.777
13,1
1.286
12,3
128
35,9
29 28 J.P. Morgan, New York (Morgan Guaranty Trust) 56.186
2,7
38.070
0,4
3.319
22,5
651
16,6
30 19 Banco do Brasil, Brasilia 56.106
253,9
24.849
303,5
3.334
180,3
1.058
249,2
31 27 Lloyds Bank, Londen 55.747
11,6
51.527
11,3
3.181
13,3
608
27,4
32 40 Taiyo Kobe Bank, Kobe 53.186
4,3
43.825
3,4
1.009
6,0
223
26,7
33 31 Union Bank of Switzerland, Zürich 52.830
8,3
45.071
8,7
2.626
7,5
363
14,1
34 30 Canadian Imperial Bank of Commerce, Toronto 52.811
- 0,6
48.900
- 0,0
1.994
3,2
391
34,6
35 47 Sumitomo Trust &Banking, Osaka 52.299
11,1
47.324
10,9
1.302
10,9
141
36,8
36 48 Mitsui Trust & Banking, Tokio 52.209
11,0
44.964
12,0
1.144
13,3
-
-
37 26 Westdeutsche Landesbank Girozentrale, Dusseldorf 51.054
4,9
49.087
5,3
1.451
-0,4
37
-45,8
38 34 Bank of Montreal, Montreal 48.885
2,0
44.976
2,7
1.941
3,1
311
60,3
39 33 Swiss Bank Corp, Bazel
48.248
8,6
38.892
9,1
2.338
3,6
298
14,0
40 37 Chemical New York Corp, New York 47.789
5,2
32.452
15,9
2.305
18,5
392
21,7
41 55 Daiwa Bank, Osaka 47.137
8,3
40.433
8,2
1.048
1,8
154
23,5
42 36 Algemene Bank Nederland, Amsterdam 43.269
7,0
37.337
6,1
1.192
16,6
222
27,6
43 46 Bank of Nova Scotia, Halifax 42.841
2,6
39.549
2,9
1.497
9,8
429
61,5
44 51 First Interstate Bancorp, Los Angeles 42.664
8,5
32.030
4,9
2.092
16,9
302
45,2
45 41 Banca Nazionale del Lavoro, Rome 42.506
9,0
36.877
8,8
1.226
51,9
102
39,7
46 52 Standard Chartered Bank, London 41.945
19,0
38.882
18,8
1.842
11,3
389
10,8
47 42 Bayerische Vereinsbank, München 41.636
7,6
39.089
8,9
903
2,5
172
23,2
48 44 Continental Illinois Corp, Chicago 41.238
-2,3
29.431
4,5
1.821
6,6
125
257,1
49 39 Commerzbank, Frankfurt 41.073
4,4
28.702
2,3
1.062
5,8
163
63,8
50 64 Yasuda Trust & Banking, Tokio 40.199
18,4
35.740
19,8
796
8,9
81
30,8

De cijfers op de tweede lijnen geven de procentuele wijziging t.o.v. het voorgaande jaar aan.
Bron: The Banker, July 1984


Door de aard van de selectiecriteria vind je in de bovenstaande lijst alleen de zogenaamde handelsbanken, die zich in de eerste plaats bezighouden met het opnemen van deposito’s en het verstrekken van kredieten. Hun voornaamste winstbron is het interestverschil dat tijdens dit proces van financiële bemiddeling ontstaat.

Minder bekend bij het publiek maar even belangrijk voor de functionering van de kapitalistische economie zijn de investeringsbanken die zich gespecialiseerd hebben in het afwikkelen van aandelen- en obligatie-uitgiften, het tot stand brengen van fusies en overnamen van ondernemingen en het verstrekken van financieel advies (o.a. vermogensbeheer) aan bedrijven, regeringen, institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen) en rijke particulieren. De investeringsbanken spelen de rol van supermakelaars en halen hun winst hoofdzakelijk uit commissielonen.

De scheiding tussen handels- en investeringsbanken, die ofwel wettelijk opgelegd is zoals in de Verenigde Staten, of gegroeid uit de traditie zoals in Groot-Brittannië, bestaat echter niet overal. In West-Duitsland, Zwitserland en Nederland bijvoorbeeld, kunnen de banken alle mogelijke functies vervullen. Zo hebben ze ook de toelating om onbeperkte participaties te nemen in privé-bedrijven.

Vooral de Duitse banken maken hier gebruik van: in 1978 controleerden ze de helft of meer van de stemgerechtigde aandelen in 30 van de grootste 100 ondernemingen van het land. De kampioen van deze klassieke vorm van het financiekapitaal, waarbij industrie- en bankkapitaal op de meest enge wijze vervlochten zijn is de Deutsche Bank. Deze gigant controleert een zeer groot deel van het Duitse economische leven. Enkele voorbeelden:
- de Deutsche Bank is met 77 % de grootste aandeelhouder in de belangrijkste verzekeringsmaatschappij van het Europese vasteland, de Groep Allianz/Müncher Rück;
- de DB is hoofdaandeelhouder van Philipp Holzmann, de grootste Duitse bouwfirma;
- de chemiereus Bayer wordt door de DB gecontroleerd; dit geldt ook voor Siemens, Europa’s grootste bedrijf voor elektrische apparaten en Daimler Benz.

De bank heeft verder nog aanzienlijke belangen in Bosch, Thyssen, Mannesmann, BASF, Henkel, Nixdorf, Volkswagen, Kaufhof, Arbed Saarstahl, AEG-Telefunken, enz. De rechtstreekse en onrechtstreekse politieke invloed van de Deutsche bank is door haar objectieve macht en door het rond haar gevlochten netwerk van persoonlijke relaties moeilijk te overschatten. De bekende uitspraak “Wat goed is voor General Motors is goed voor de USA” kan zonder overdrijving aangevuld worden met de uitspraak “Wat goed is voor de Deutsche Bank is goed voor de Duitse Bondsrepubliek”.

De ontwikkeling in de USA

Vanaf het einde van de negentiende eeuw tot de crisis van 1929 kende de Amerikaanse economie een sterke expansie, die gepaard ging met de opstapeling van enorme fortuinen en machtsposities. Een onderzoek dat in 1913 verricht werd door een comité van het Huis van Afgevaardigden onthulde gedeeltelijk de omvang van het door het financiekapitaal gevlochten netwerk: 18 beheerders van evenveel banken bezetten 746 beheersposten in 134 ondernemingen die een globaal kapitaal van 25 miljard dollar vertegenwoordigen, voor die tijd een enorm bedrag. In 1909 bekleedde de machtige financier J. Pierpont Morgan 72 beheersmandaten in grote maatschappijen.

Het aantal banken steeg in snel tempo. Op het einde van de Burgeroorlog waren er ongeveer 1.500 met totale activa van 1 miljard dollar, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren het er ongeveer 27.000 met totale activa van 12 miljard. Maar de bankwereld werd regelmatig getroffen door crisissen, waarbij die van 1907 (de ‘rich men’s Panic’) bijzonder veel indruk maakte omdat de grote New Yorkse financiële instellingen er in meegesleurd werden.

De meest lucide kapitalisten begrepen dat er enige orde moest geschapen worden in de wildgroei van hun systeem. Daartoe werd in 1913 het Federal Reserve System, het centrale banksysteem van de Verenigde Staten, opgericht. Tijdens de eerste periode van zijn bestaan en met name in de twintiger jaren speelde het FRS echter eerder een ontwrichtende dan een stabiliserende rol. Na de traumatische crisiservaring werd in 1933 door middel van de Banking Act en de Glass-Stegall Act, een hervorming van het FRS en een strengere reglementering van het bankwezen doorgevoerd: een grotere centralisatie door de vorming van de Federal Reserve Board, samengesteld uit 7 door de president benoemde leden; een verbod voor de banken om interest uit te betalen op onmiddellijke opvraagbare tegoeden; het toekennen van bevoegdheid aan de FRB om de interest op termijndeposito’s te beperken; een strikte scheiding tussen de handelsbanken en de investeringsbanken. Die laatste mogelijkheid verbood de handelsbanken om zich in te laten met het verhandelen van aandelen of obligaties terwijl de investeringsbanken geen deposito’s mochten opnemen of leningen verstrekken.

In de Verenigde Staten treft men nog steeds een bijzonder groot aantal onafhankelijke banken aan: eind 1983 waren het er 14.466. Het ‘normale’ proces van opslorping van de kleintjes door de groten werd in 1927 geblokkeerd door de McFadden Act, een wet die banken verbiedt om filialen te openen in een andere dan hun thuisstaat.

De Bank of America, die gevestigd is in Californië, mag dus alleen daar filialen hebben en hetzelfde geldt voor de grote banken uit New York zoals de Chase Manhattan en de Citibank. Maar de deelstaten kunnen nog verdere beperkingen opleggen en hebben dat ook vaak gedaan. Zo is de ongelukkige Continental Illinois, gevestigd in Chicago, onderhevig aan de meest strenge beperking: in de staat Illinois mag een bank geen enkel filiaal hebben. Elders is men iets soepeler en kan een bank bijhuizen openen in de stad waarin ze gevestigd is of in een bepaalde zone daar rond en een twintigtal staten, waaronder Californië en New York, staan de zgn. statewide branch banking toe.

Deze wetgeving heeft geleid tot een hiërarchische structuur in de Amerikaanse bankwereld met een groot aantal kleine plaatselijke banken en min of meer belangrijke regionale banken, en een klein aantal grote banken die actief zijn op de internationale financiële markt. Maar deze hiërarchie betekent geen onderling isolement. Voor wat betreft belangrijke binnenlandse en internationale transacties (vooral leningen) zijn de regionale banken mee betrokken in de initiatieven van hun grote collega’s, wat kan leiden tot niet onbelangrijke onderlinge belangentegenstellingen, zoals we verder zullen zien in het geval van de leningen aan de Derde Wereld.

Sinds 50 jaar is de geschiedenis van de Amerikaanse bankwereld een groot gevecht om deze strikte reglementering van hun activiteiten in de breedte en de diepte, te omzeilen of te doen afschaffen. Onder druk van de banklobby en onder invloed van de ultraliberale economische filosofie van de Reagan administratie, wordt sedert enkele jaren een voorzichtige ‘dereguleringspolitiek’ gevoerd, met als eerste stap de geleidelijke afschaffing van de interestbeperking. Het recente bankroet van de stap Continental Illinois heeft het debat tussen de voor- en tegenstanders van de deregulering opnieuw doen oplaaien, maar het liberaliseringsproces zal waarschijnlijk niet omgekeerd worden, mede omdat het niet volledig beheerst wordt door de overheid.

De banken trachten op alle mogelijke manieren langs de geografische inperking van hun activiteiten heen te komen, wat soms kan leiden tot ingenieuze constructies. Het meest merkwaardige resultaat hiervan is ongetwijfeld de ontwikkeling van niet-bank banken. De wet definieert een bank als een instelling die enerzijds onmiddellijk opvraagbare tegoeden opneemt en anderzijds commerciële kredieten verstrekt. Elke onderneming die slechts aan één van beide voorwaarden voldoet is wettelijk geen bank, valt dus ook niet onder de bankwet en is ipso facto niet onderworpen aan de geografische inperking. Een niet-bank bank neemt termijndeposito’s op en concentreert zich op het consumentenkrediet. Het verbod wordt op tal van andere manieren ontdoken, bvb. door het overnemen van in moeilijkheden verkerende spaarbanken (en daar ontbreekt het momenteel niet aan) die niet aan het interstatebanking verbod onderworpen zijn. Zo kocht Amerika’s grootste bank, de Citicorp, onlangs drie grote spaarbanken in Chicago, San Francisco en Miami.

Volgens een onderzoek van de Federal Reserve Bank of Atlanta controleerden de banken in 1982 méér dan 7.500 dochterondernemingen. De Citicorp alleen al beschikt over ongeveer 1.000 vestigingen in praktisch alle staten.

Het spreidingsverbod komt ook onder druk door de ontwikkeling van het bankautomaten systeem (de Automated Teller Machines): momenteel bestaan er in de Verenigde Staten 200 regionale en 7 nationale netwerken. De klant kan om het even waar geld afhalen, betalingen uitvoeren en inlichtingen bekomen over de toestand van zijn rekening, alleen kan hij buiten de vestigingsstraat van de bank geen stortingen verrichten via de ATM.

Aan de andere zijde van het spectrum, bij de investeringsbanken, is de evolutie eveneens volop aan de gang. De afschaffing van het minimumcommissieloon voor beursmakelaars in 1975 en de schaalvergroting van de aandelentransacties (contracten van 100.000 aandelen zijn thans eerder regel dan uitzondering), stimuleerden de concurrentie en maakten een sterkere kapitaalbasis noodzakelijk. Door de daling van de winstmarges op het afwikkelen van aandelen- en obligatie-uitgiften (underwriting) begonnen de makelaars steeds méér voor eigen rekening te handelen (trading), wat het risico aanzienlijk verhoogde.

In de tweede helft van de jaren ‘70 nam de concentratie in Wall Street dan ook sterk toe. Het aantal makelaars op de New Yorkse beurs daalde van 444 in 1973 tot 364 in 1977. Sindsdien is er opnieuw een stijging, ingevolge het opduiken van kleine, zeer gespecialiseerde firma’s (de zogenaamde ‘boutiques’). Maar binnen de top tien, waar de grote transacties tot stand komen, ging de concentratiebeweging verder, in combinatie met overnamen door ondernemingen buiten de branche. In 1979 slorpte het nummer één van de lijst, Merrill Lynch, de firma White Weid and Co op. Kort daarna kocht Sears Roebuck, de belangrijkste warenhuisketen van het land, die reeds over een grote verzekeringsmaatschappij beschikte, de makelaar Dean Witter. Deze samensmelting deed de term ‘financiële supermarkten’ ontstaan. In 1983 werd de Bache Group, de zesde op de lijst, overgenomen door de grootste verzekeringsmaatschappij van de VS, Prudential Insurance en in april 1984 fusioneerde Shearson Loeb Rhoades, die zich door een tiental fusies tot de tweede plaats had opgewerkt met American Express, dat enkele maanden later een andere belangrijke makelaarsfirma, Lehman Brothers Kuhn Loeb, opkocht. In november 1984 werd Donaldson Lufkin & Jenrette overgenomen door de Equitable Life Insurance Society. De investeringsbank Salomon Brothers had reeds in 1981 zijn toevlucht gezocht bij de grondstoffenhandelaar Phibro-Corporation.

Door deze reeks samensmeltingen zijn de grootste investeringsbanken uitgegroeid tot of opgenomen in gigantische financiële conglomeraten die alle terreinen van de binnen- en buitenlandse geld- en kapitaalmarkt bestrijken: alle vormen van kredietverstrekking en deposito-opname (zicht-, spaar- én termijnrekeningen), effectenhandel, verzekeringen, vermogensbeheer en financieel beheer.

De dereglementering en de grotere concurrentie houden echter grote risico’s in, die door Business Week als volgt werden samengevat: “Tijdens de jaren ‘70 raakten de bankiers in de ban van een aanstekelijke droom: geef ons lage inflatie en dereglementering, zegden ze, en de wereld zal ons toebehoren. In de jaren ‘80 krijgen de bankiers bijna alles wat ze gevraagd hebben, en tot nu toe heeft dat geleid tot een onvoorstelbare beroering. Lage inflatie had een geheel ander resultaat dan de bankiers of hun klanten verwachtten. Vele leners uit de bedrijfswereld kunnen niet langer de prijsverhogingen doordrukken die ze nodig hebben om hun schulden af te betalen, vooral in de energie-, onroerend goed- en landbouwsector. En in plaats van gewoon nieuwe winstmogelijkheden te scheppen, heeft de dereglementering de kosten voor de banken opgedreven om deposito’s aan te trekken en te behouden, en tegelijkertijd de concurrentie in de financiële industrie aanzienlijk verscherpt”. (29 oktober 1984, p. 56).

Rapper maar slapper

Een aantal factoren heeft vanaf de jaren ‘50 het uitzicht van de internationale financiële wereld grondig veranderd. Sommige waarnemers vergelijken deze ‘financiële revolutie’ zelfs met de industriële revolutie van het einde der achttiende en het begin der negentiende eeuw. Het is in elk geval niet overdreven om te stellen dat de internationale geldmarkt zich de afgelopen 20 jaar heeft omgevormd van een verlengstuk van de verschillende nationale markten in een globale markt. Enkele aspecten en consequenties van deze ontwikkeling worden in het volgende hoofdstuk behandeld. Deze globalisering betekent echter niet dat de rol van de afzonderlijke landen, althans niet van de belangrijkste en in de eerste plaats van de Verenigde Staten, onbelangrijk geworden is. Maar de controlemogelijkheden van de nationale regeringen en centrale banken over de gevolgen van hun economische, fiscale en monetaire politiek zijn wel sterk afgenomen. In een recent artikel beoordeelde het vakblad Euromoney de situatie aldus: “De kwantitatieve aangroei van de handel in allerlei financiële instrumenten, en de snelheid waarmee informatie waarop de handelsbeslissingen gebaseerd zijn, aan instellingen en particulieren alom verstrekt wordt, heeft de regeringen de macht ontnomen om hun nationale geld- en kapitaalmarkten te reglementeren van achter de barricades die werden opgeworpen om zich te beschermen tegen buitenlandse gebeurtenissen. Dit heeft tot gevolg dat ganse financiële systemen, die werden opgebouwd in de depressieperiode van de jaren ‘30 (zoals in de USA) en in de naoorlogse periode (zoals in Japan) worden weggevaagd.” (The Great Deregulation Explosion, oktober 1984, p. 55).

De dereglementering, die inderdaad het gevolg is van de druk die het financiekapitaal op de overheid uitoefent, zet zich de laatste jaren steeds meer door over de ganse wereld, van de Verenigde Staten tot Australië, en van Groot-Brittannië tot Japan.

Bovendien vervagen de grenzen tussen de kapitaal- en de geldmarkt steeds meer onder invloed van voortdurende innovaties in de financieringstechnieken. Deze evolutie voltrekt zich zo snel dat er voor een aantal onder hen zelfs geen Nederlandstalige termen bestaan. Maar achter deze technische ontwikkeling gaat een economische realiteit schuil: het kapitalisme beschikt sinds 15 jaar niet meer over een systeem waarbinnen de internationale geld- en kapitaalstransacties op een min of meer ordelijke en zekere wijze kunnen afgewikkeld worden, wat niet zonder invloed is op de modaliteiten van het mondiaal accumulatieproces. De wispelturige interestvoeten en wisselkoersen hebben van de bankiers snelle en handige jongens gemaakt. Zouden ze weten dat het touw waarop ze dansen steeds slapper wordt?

Het internationale geldbedrijf: spel zonder grenzen

In het Palazzo Publico van Siena heeft Ambogio Lorenzetti méér dan 600 jaar geleden zijn fresco’s over ‘De goede regering’ en ‘De slechte regering’ geschilderd. Het laatste is bijna geheel vernietigd, het eerste nagenoeg intact. Was het in de werkelijkheid maar net zo gegaan, moet menig aanschouwer reeds gedacht hebben. Onder de bescherming van de rechtvaardige vorst speelt het leven zich buiten en binnen de stadsmuren vredig af: de boeren bewerken het land, één van hen drijft een varken binnen de stadspoort terwijl een jager met zijn valk op de hand erop uit trekt, de winkeliers zitten temidden van hun uitgestalde waren en de ambachtslieden zijn druk bezig: op de achtergrond wordt een huis gebouwd. En in een logia, voor iedereen zichtbaar, zitten de financiers rond hun tafeltje te palaveren. Het zouden kaartspelers kunnen zijn.

Deze droom van een Siënees uit de veertiende eeuw moet wel erg irrelevant lijken in de ogen van de moderne prozaïsche geldmanager die nog slechts aan een kaartspeler doet denken in de mate dat zijn werk een wereldwijd pokerspel is met onwaarschijnlijk hoge inzetten.

De contacten met het bankbedrijf spelen zich voor de meeste mensen af op het niveau van de zichtrekening, de creditcard, het chequeboekje of de occasionele leningen die ze afsluiten om een nieuwe auto of een huis te kopen. Een kleiner aantal gelukkigen die in een wat hogere salariscategorie zitten, wat geërfd hebben of toevallig een som gewonnen hebben op de Lotto, proberen niet zelden hun geld op de meest renderende manier te plaatsen en van de opbrengst zo weinig mogelijk aan de fiscus te geven. De Fransen en Italianen gaan naar Zwitserland, de Belgen, Nederlanders en Duitsers trekken naar Luxemburg en de Zwitsers en Luxemburgers blijven thuis. Iedereen weet dat deze beleggingen in de sfeer zitten van het kleinschalige misdrijf en de fraude maar de betrokkene maakt zich daarover niet al te druk, zeker niet als hij merkt dat de banken dat ook niet doen. Gedeelde schuld is halve schuld. Bovendien komt hij in aanraking met een nieuwe, vreemde wereld, die zijn ordinaire fiscale fraude tot een avontuur maakt: de reis door de jungle van de schommelende wisselkoersen, de internationale obligatiebeleggingen, de vaste of vlottende interestvoeten, de respectievelijke voor- en nadelen van de Duitse mark, de Zwitserse frank, de dollar of de ECU (jamais vu). Kuifje is in geldland verzeild geraakt.

Maar net als Kuifje zal ook onze frauderende bengel nooit het échte leven leren kennen: de wereld van de Goldfingers, Alfred Brittain van de Bankers Trust (salaris in 1982: 848.500 dollar), John McGillicuddy van de Manufacturers Hanover (778.789 dollar), Bill Butcher van de Chase Manhattan (778.125), Sam Armacost van de Bank of America (559.624 dollar), Walter Wriston van de Citicorp (net met pensioen maar in 1982 goed voor 634.333 dollar), Barry Sullivan van de First Chicago Bank (742.199 dollar), Lew Preston van de Morgan Guaranty (563.409 dollar) en hun collega’s van de grote Britse, Japanse, Duitse en Zwitserse banken.

Indien men hen terug tot leven kon wekken zouden Cosimo Medici, Jacques Cœur en Jakob Fugger, die toch geen kleine jongens waren, hun ogen niet geloven bij het bekijken van de handel en wandel van deze geldmanagers. En zelfs Mayer Rothschild en zijn vijf zonen die nog geen honderdvijftig jaar geleden de Europese geldscène beheersten, zouden stil worden bij de prestaties van hun letterlijke en figuurlijke nazaten. Wat de wereld van de hedendaagse bankier zo verschillend maakt van die van Kuifje en die van hun illustere voorgangers, is de combinatie van de enorme omvang, de wereldomvattende dimensie en het razende tempo van hun bedrijf. En dat is een zeer recente ontwikkeling van het kapitalisme.

De Eurodollar: een krachtige maar gevaarlijke brandstof

De geweldige economische expansie vanaf het midden van de vijftiger jaren veroorzaakte een even massale uitbreiding van het bankwezen. Het ontstaan van de Eurodollarmarkt en de daarmee samenhangende interbankenmarkt en de noodzakelijke invoering van de meest geperfectioneerde communicatietechnieken, bracht een kwalitatieve verandering teweeg in de dimensie en de werkwijze van het financiële kapitalisme.

Vóór de Tweede Wereldoorlog waren de banken in essentie nationale ondernemingen: de meeste brachten hun fondsen bijeen op de binnenlandse markt en leenden daar ook het geld uit. Slechts een beperkt aantal grote banken hield zich bezig met internationale financiering, zoals kredietverstrekking voor de buitenlandse handel of investeringen. Londen was het financieel wereldcentrum: de banken van de City hadden gedurende de bloeitijd van het Britse imperialisme in de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw, een boel ervaring opgedaan en een mondiaal netwerk van kontakten opgebouwd en het Britse Imperium strekte zich nog steeds uit over de vier continenten. Op het einde van de oorlog waren ook de laatste resten van die macht verdwenen. Het Britse kapitalisme werd in een tweederangspositie teruggedrongen en het Imperium viel uit elkaar: eerst in Azië, later in Afrika. Maar de ondervinding, de knowhow en de contacten bleven bestaan, en toen in het begin der zestiger jaren de Eurodollarmarkt ontstond, werd Londen er het centrum van, dank zij de aanwezige infrastructuur, het hooggeschoolde personeel, de toegeeflijke houding van de Britse overheid, de gunstige ligging in de internationale tijdszones (de markt is er open als Tokio, Hong Kong en Singapore nóg en New York ál open zijn) en het taalvoordeel.

Op het hoogtepunt van de Stalinistische heerschappij bestond er in de Sovjetideologie een trend om steeds meer uitvindingen en ontdekkingen op naam te schrijven van Russische geleerden uit het verre of nabije verleden. In het Westen deed het grapje de ronde dat de Russen alles uitgevonden hadden behalve het ware communisme. Nu wil de ‘petite histoire’ dat de eerste Eurodollars in de vijftiger jaren het levenslicht zagen door toedoen van de Moskou Narodny Bank, de oudste en belangrijkste buitenlandse sovjetbank met hoofdzetel in Londen. De internationale handel van de USSR werd voor het grootste deel in dollars afgewikkeld maar tijdens de Koude Oorlogsperiode was het voor dat land verstandiger die niet te plaatsen bij banken in de Verenigde Staten omdat er voldoende aanleiding kon worden gevonden om die tegoeden te bevriezen. Er liepen nog altijd genoeg mensen rond die antieke obligaties uit de tsaristische periode bezaten en vonden dat de Russische revolutionairen die buitenlandse staatsschuld in 1917 maar hadden moeten overnemen. Bovendien had de Amerikaanse regering nog wat aanspraken in verband met oorlogsschulden. De dollars werden dus (pikant detail: met technische bijstand van de Chase Bank uit New York) in Europa gedeponeerd. Hiermee was, technisch gezien, de Eurodollar geboren en kunnen we hem ook definiëren: onder Eurodollars verstaat men alle dollars die bij een Europese bank geplaatst zijn.

De Eurodollarmarkt heeft zich niet alleen enorm uitgebreid in volume maar heeft ook navolging gekregen onder vorm van Duitse marken, Zwitserse en Franse franken, Japanse yen, Engelse ponden en Nederlandse gulden, die buiten hun respectievelijke thuislanden geplaatst en verhandeld worden: er is een Eurovalutamarkt ontstaan waarbinnen de dollar echter veruit (± 80 %) overheerst. Bovendien worden deze valuta niet alleen in Europa geplaatst maar hebben zich ook in Azië en Amerika ‘offshore’-centra ontwikkeld. Een tiental jaar geleden heeft een economist dan ook voorgesteld om de bankdeposito’s in een andere geldsoort dan die van het land waarin de bank gevestigd is xenovaluta te noemen. Bijgaande tabel geeft een indruk van de verdeling van de xenovalutakoek. De rangschikking is gebaseerd op de geraamde omvang van de passiva in vreemde valuta van de commerciële banken.

De Eurovalutamarkt beheerst sinds méér dan twee decennia het internationale financiële bedrijf. Hier ontlenen en deponeren de privé- en centrale banken en de multinationals hun geldkapitaal. Hier komen de regering van Brazilië, de Bank of America, IBM en de Deutsche Bundesbank bij mekaar. In deze smeltkroes worden de gouden kettingen van het wereldkapitalisme gesmeed.

Het is de grootste geldzee uit de geschiedenis. En de vergelijking met een zee is in vele opzichten gepast: het is een rusteloze massa, voortdurend in beweging, met onzichtbare en soms verraderlijke stromingen en met periodes van storm en kalmte. Het is het element dat de verschillende werelddelen met elkaar verbindt, het graf van menig bankier die zich sterker waande dan de natuurwetten van het wilde kapitalisme maar ook de rijkdom van menig ander.

Hoe heeft dit benepen plasje uit het Kremlin zich kunnen ontwikkelen tot die immense oceaan? Exit de bureaucraten uit de Sovjet-Unie, plaats voor de poenscheppers uit Londen, New York, Frankfurt, Tokio, Zürich en Parijs.

Omvang van de xenovalutamarkt (bruto cijfers)
Land1977 (miljard $)1982 (miljard $)Gemiddelde jaarlijkse aangroei 1977-1982 (in %)
Groot-Brittannië 232 636 34,8
Verenigde Staten * - 147 -
Frankrijk 64 140 23,8
Bahamas 90 132 9,3
Japan 36 124 48,8
Singapore 21 103 78,0
Luxemburg 46 83 16,0
België 22 72 45,4
Canada 25 65 32,0
Bahrein 16 59 53,6
Nederland 27 55 20,8
Hongkong 8 53 112,5
Kaaiman Eilanden 16 47 38,4
Italië 23 43 17,0
Panama 15 43 37,2
Zwitserland 20 34 14,0
Oostenrijk 10 25 30,0
West-Duitsland 16 24 10,0
Spanje 9 19 22,2
Zweden 4 13 45,0
Nederlandse Antillen 2 11 90,0
Denemarken 2 4 20,0
Ierland 2 4 20,0
Andere/onbekend 34 121 51,2
Totaal 740 2.057 35,6

* Dit betreft de sinds enkele jaren in New York opgezette International Banking Facilities, die het mogelijk maken de binnen deze regeling geplaatste valuta (inclusief de dollar!) als extraterritoriaal te beschouwen.
Bron: op basis van tabel 8 in International Financial Markets, Morgan Guaranty Trust of New York, January 1984, p. 9.

De ongebreidelde aangroei van de Eurodollarmarkt is het resultaat van een aantal factoren, die de concrete uitdrukking vormen van de toenemende internationalisering van het kapitalisme vanaf de vijftiger jaren:

- De ontwikkeling van de Amerikaanse investeringen in Europa: tussen 1960 en 1970 steeg de boekwaarde van de VS-investeringen op het oude continent van 6,7 miljard dollar tot 24,5 miljard. Om het tekort op de betalingsbalans in te dijken nam de Amerikaanse regering in het begin van de zestiger jaren een aantal maatregelen (o.a. de Interest Equalisation Tax) die het beperken van beleggingen in het buitenland tot doel hadden. In de praktijk leverden die als enig resultaat op dat de in het buitenland verworven winsten en dividenden in veel mindere mate gerepatrieerd werden en dat de financiering van de Amerikaanse multinationals naar de Eurodollarmarkt verschoof: van 1960 tot 1964 was de rechtstreekse buitenlandse financiering van de VS-investeringen nihil, het jaargemiddelde voor 1965-67 bedroeg 508 miljoen en het gemiddelde voor 1968-69 2,2 miljard dollar.

- De totstandkoming van een Europese economische ruimte, enerzijds via het herstellen van de externe omwisselbaarheid der Europese valuta (zoals we zagen één van de basisprincipes van het Bretton Woods-akkoord) in 1959, en anderzijds door de oprichting in 1958 van de Europese Economische Gemeenschap met haar credo van vrij personen-, goederen- en kapitaalverkeer.

- De internationale concurrentie die de Amerikaanse banken ertoe dreef zich, in navolging van de bedrijven, in het buitenland te installeren, niet alleen om de geografische afstand te verkleinen maar voornamelijk om te ontsnappen aan de destijds heersende bankreglementering in de Verenigde Staten, die niet toeliet rente uit te keren op onmiddellijk opvraagbare tegoeden en bovendien de rentevergoeding op termijndeposito’s aan bepaalde maxima bond. Het aantal agentschappen van VS-banken in Europa steeg van 19 in 1960 tot 103 in 1969.

Tussen 1963 en 1969 klom het aantal VS-vestigingen in landen die zich actief inlieten met de Euro-dollarmarkt, van 9 tot 29 en hun aandeel in die markt groeide van 25 tot 45 %. Deze invasie leidde dan weer tot een reactie van de Europese bankkringen die hun positie op de nieuwe, renderende markt wensten te verdedigen. Om het hoofd te kunnen bieden aan de slagkracht van de grote Amerikaanse concurrenten, sloten de belangrijkste Europese banken samenwerkingsovereenkomsten. Op die wijze ontstonden een aantal consortia zoals de ‘Associated Banks International Company’ of ABECOR (de österreichische Länderbank, de Bank Brussel Lambert, de Banque Nationale de Paris, de Italiaanse Banca Nazionale del Lavoro, de Algemene Bank Nederland, de Dresdner Bank, de Bayerische Hypotheken und Wechselbank en de Britse Barclays Bank), de ‘European Banks International Company’ of EBIC (de Nederlandse Amrobank, de Banca Commerciale Italiana, de Oostenrijkse Creditanstalt Bankverein, de Deutsche Bank, de Britse Midland Bank, de Franse Société Générale en de Generale Bankmaatschappij), de ‘Inter-Alpha Banks Group’ (de Berliner Handelsgesellschaft-Frankfurter Bank, de Italiaanse Banco Ambrosiano, de Crédit Commercial de France, de Kredietbank, de Nederlandse Middenstandsbank, de Deense Privatbanken en de Britse William and Glyn’s) en de Europartners (de Banco di Roma, de Crédit Lyonnais, de Duitse Commerzbank en de Spaanse Banco Hispano-Americanos).

Soort zoekt soort

Een belangrijk deel van de activiteiten op de Eurovalutamarkt speelt zich af op de interbankenmarkt. Hier lenen de banken op een snelle en informele manier geld aan elkaar. Het globale verhandelde volume is aangegroeid van 150 miljard dollar in 1973 tot 1.000 miljard in 1982. Elke transactie, die via de telefoon of de telex tot stand komt en slechts enkele minuten in beslag neemt, heeft een waarde van minstens 1 miljoen dollar maar meestal betreft het veel grotere bedragen, die op korte termijn geleend worden, van één dag (‘overnight’) tot één jaar. De banken contacteren elkaar rechtstreeks of doen een beroep op makelaars die niet alleen een beter overzicht hebben op vraag en aanbod maar er ook voor zorgen dat het anonimaat van de opdrachtgever bewaard blijft zodat de concurrenten de omvang van mekaars kredietlijnen niet kennen.

Volgens schattingen van insiders zijn bijna 70 % van alle deposito’s op de Eurodollarmarkt afkomstig van andere banken. In het begin van de jaren ‘80 bestond een aanzienlijk deel van de buitenlandse deposito’s bij de grootste US-banken uit interbankendeposito’s.

Interbankendeposito’s in % van alle buitenlandse deposito’s

Bank of America 42,4 %
Citibank 33,5
Chase Manhattan 30,1
Morgan Guaranty 41,4
Manufacturers Hanover 47,9
Chemical Bank 61,6
Continental Illinois 52,1
Bankers Trust 44,1
First Chicago 54,9
Security Pacific 41,3
Gemiddelde 44,9

Bron: Groep van 30, geciteerd bij Moffit, p. 70

Vanzelfsprekend kan zo’n intensief bedrijf slechts functioneren als de verbindingen tussen de deelnemers optimaal zijn. Daartoe werden een aantal zeer geperfectioneerde communicatiewerken opgezet, zoals Chips, Chaps en Swift (het gevoel voor humor van de bankiers kent geen grenzen).

Swift (Society for worldwide interbank financial telecommunications) is eigendom van ongeveer 1.100 banken en heeft zijn zetel in Brussel. Het netwerk bestrijkt 50 landen en handelt dagelijks gemiddeld een half miljoen transacties af. In 1981 bedroeg de toetredingsprijs 30.000 dollar, de aansluitingskosten op het net varieerden van 1.000 tot 3.500 dollar. Elke boodschap wordt in code doorgeseind, de 3 centrale computers (in Brussel, Amsterdam en Culpepper in Virginia) zijn ontdubbeld om het risico van onderbreking zoveel mogelijk uit te schakelen.

Chips (Clearing house interbank payments system) verwerkt 90 % van alle internationale dollarverrichtingen. Méér dan 100 banken zijn aangesloten op dit systeem dat vanuit New York opereert. In 1981 werden dagelijks ongeveer 70.000 transacties afgehandeld voor een bedrag van 120 miljard dollar.

Chaps is een gelijkaardig systeem dat zeer recent in Londen werd geïnstalleerd.

Chips, Chaps en Swift vormen het zenuwcentrum van het zenuwcentrum van het internationale financiële bedrijf.

Waarom komen transacties tussen banken tot stand? De volgende vereenvoudigde voorbeelden maken dat duidelijk:

- Bank A beschikt op een bepaald ogenblik over een deposito surplus dat ze niet onmiddellijk kan omzetten in kredieten. Bank B kan een lening ‘verkopen’ maar heeft op dat moment een gebrek aan fondsen. A en B kunnen dan rechtstreeks of via een makelaar in contact treden: de deposito tekorten en overschotten worden via interbancaire kredietlijnen weggewerkt.

- Bank A kan een lening met een looptijd van 6 maanden verkopen aan bedrijf B maar moet die financieren uit deposito’s met een termijn van 3 maanden. Gedurende de periode dat de lening uitstaat, kan de interestvoet op de kortere termijndeposito’s zodanig stijgen dat de winst van A vermindert of zelfs in rook opgaat. A zal dat risico opvangen door het deposito voor 3 maanden op de interbankenmarkt te plaatsen en de lening aan B te financieren met een krediet van 6 maanden dat ze op diezelfde markt opneemt: het interestrisico wordt ondervangen via een transactie op de interbancaire markt. Interestrisico’s bij leningen op langere termijn worden bestreden met de techniek van de ‘schommelkredieten’ (roll-over credits), waarover meer in hoofdstuk 6.

- Een bank meent dat ze, in verhouding tot de valutasamenstelling van de bij haar geplaatste fondsen, te veel kredieten heeft verstrekt in Italiaanse lire en Franse franken, waarvan ze een koersdaling verwacht tijdens de looptijd van drie leningen. Ze kan zich indekken tegen dit wisselrisico door op de interbankenmarkt lires en franken te ontlenen.

- Er kunnen winsten gemaakt worden die inherent zijn aan het mechanisme van de interbankenmarkt. De bank speelt dan op de interestverschillen tussen aan- en verkoop van fondsen of zal het interest en wisselrisico bewust aangaan in plaats van ze te vermijden. Hier komen we terecht in de schemerzone tussen de normale transactie en de speculatie. In feite vloeien beide in elkaar want zonder termijnspeculanten zou het niet mogelijk zijn voor andere partijen om zich tegen risico’s in te dekken. In de aanvangsperiode van de zwevende wisselkoersen zijn nogal wat ‘ongevallen’ gebeurd die voor de nodige opschudding zorgden op de interbankenmarkt, die juist door haar informeel karakter eerder gekenmerkt wordt door een veralgemeend wantrouwen dan door een groot onderling vertrouwen. Soort kent soort!

De interesttarieven op de interbankenmarkt komen tot stand op basis van vraag en aanbod. Uiteraard schommelen ze niet willekeurig: ze worden beïnvloed door de binnenlandse interesttarieven van de belangrijkste kapitalistische landen, in de eerste plaats van de Verenigde Staten. Er bestaat dan ook een onverbrekelijke haat-liefdeband tussen de interbankeninterest en de Amerikaanse prime rate (de interest die de banken in de Verenigde Staten aanrekenen aan hun beste klanten). Elke bank werkt met twee noteringen: de interest die ze wil betalen om een deposito van een collega te aanvaarden (de bid rate) en degene die ze voorstelt als ze zelf een deposito wil plaatsen bij een andere bank (de offered rate). Elke dag wordt in Londen een soort referentietarief bepaald, de zogenaamde London Interbank Fixing. Deze fixing is het rekenkundig gemiddelde van de bid en offered rates voor een deposito van 10 miljoen dollar van 5 banken die zeer actief zijn op de interbankenmarkt (de National Westminster Bank, de Bank van Tokyo, de Deutsche Bank, de Banque Nationale de Paris en de Morgan Guaranty Trust). Elke dag worden dus twee tarieven vastgelegd: de London Interbank Bid Rate en de London Interbank Offered Rate. Het tweede tarief, in het jargon Libor geheten, is bepalend voor de interest die de banken aanrekenen voor internationale leningen buiten de interbankenmarkt. De Libor is de terreur van de Derde Wereldlanden.

Steeds sneller, steeds hoger

Het grote pluspunt van het bestaan der xenovalutamarkt voor de banken is dat er geen enkele vorm van overheidscontrole wordt uitgeoefend. De totale afwezigheid van regulerende voorschriften ontslaat hen van de verplichting om in de transacties die op deze markt tot stand komen enige reserve aan de dag te leggen: elke gedeponeerde dollar, yen of mark wordt uitgeleend. De potentiële winstmarge op de xenovalutamarkt is dus groter dan op de binnenlandse geldmarkt, waar de verschillende centrale banken waken over het aanhouden van de vastgelegde verhoudingen tussen kapitaal, reserves en activa.

Dit verklaart ook de explosieve groei van de zogenaamde ‘off shore’-centra, zoals de Caymaneilanden, Nassau, Singapore, Luxemburg, de Bahamas, Panama en de Nederlandse Antillen, waarvan de financiële betekenis in geen enkele verhouding staat tot hun economisch gewicht. Het zijn overwegend kunstmatige en zelfs fictieve steunpunten voor de internationaal opererende banken, die gebruik maken van de uiterst liberale plaatselijke wetgeving op het vlak van monetaire controle en bankgeheim.

Maar deze aantrekkelijke situatie vormt ook de bron van het enorme risico dat de xenovalutamarkt uitmaakt voor het internationale financiële systeem en in tweede instantie voor de globale kapitalistische economie. Door de snelheid waarmee de enorme geldstromen zich verplaatsen heeft niemand een precies beeld van de ontwikkelingen die zich voordoen. De ‘dealers’ die op de interbankenmarkt en in de valutahandel actief zijn hebben geen tijd om de hen toegespeelde informatie te controleren of nauwkeurig te interpreteren: ze reageren automatisch volgens een aangeleerd reflexenpatroon op de stimuli (in bankkringen spreekt men trouwens van het ‘kudde-instinct’).

De beschrijving die Steven Bell en Brian Kettell in hun Foreign Exchange Handbook geven van de infrastructuur en de werkomstandigheden, zegt voldoende over de zenuwslopende intensiteit van het bedrijf: “Het communicatiesysteem in een valutahandelscentrum zoals Londen is zeer gesofistikeerd. Op het bureau van een handelaar kan men een Reuterbeeldscherm, een Quotronbeeldscherm, een telex en een gecomputeriseerd telefoonsysteem aantreffen. De hoofddealer kan ook een Teleratescherm hebben terwijl nog eens zo’n scherm aan het plafond hangt zodat iedereen in de kamer het kan zien. Het Reuter videoscherm heeft pagina’s die geleverd worden door de banken en handelshuizen, waarop 24 uur op 24 actuele marktinformatie wordt doorgegeven. In New York heeft het systeem twee subsystemen: Monitor I en Monitor II. Monitor I wordt doorgeseind langs de telefoonlijn en toont één marktpagina op 12 lijnen. Wanneer bv. Europa ‘open’ is, kan één handelaar Zwitserse Bank, Bazel in het oog houden (4 contante valutanoteringen). Wanneer het moment is aangebroken om te verhandelen, komt het Monitor II-systeem in werking, dat via de kabel functioneert. Dit heeft een gesplitst scherm dat toegang geeft tot 3 pagina’s tegelijkertijd, één met 3 en twee met 6 lijnen. Indien een klant een transactie wenst te verrichten in sterling, kan een handelaar Barclays, Londen (dat op zijn bovenste lijn sterling toont) oproepen en daaronder Zwitserse Bank, Bazel (contante sterlingnotering en contante Duitse mark, Zwitserse frank en yen). Een handelskamer met 5 Reuterschermen kan aldus 15 stellen noteringen tegelijk tonen. De beslissingen worden genomen naarmate de markten zichtbaar schommelen.

De Telerate, aanvankelijk ontworpen om informatie te verschaffen over de US-interestvoetmarkten, geeft thans ook valuta- en grondstoffenprijzennoteringen. Het volgt de acties van de Fed op de voet en is doorgaans de eerste om Fed-activiteiten op de markt te signaleren. De Quotron, een grondstoffen- en beursnoteringsysteem, bestaat uit twee delen. Het eerste toont grondstoffennoteringen (vorige sluitingskoers, openingskoers, hoge, lage en laatste koersen) voor 16 grondstoffen op elke pagina. Er zijn 4 pagina’s: 64 grondstoffencontracten kunnen tegelijk in het oog worden gehouden. Het tweede deel geeft de laatste verhandeling voor 15 grondstoffen en de Dow Jones-nieuwsdienst. Dit gedeelte wordt gebruikt wanneer men belangrijk financieel nieuws verwacht.

Het simultaan spreken over verschillende telefoons is nu uitgegroeid tot een echte kunst. Elke handelaar kan een vertikaal schakelbord met 60 lijnen hebben, waarvan de meeste verbonden zijn met marktmakers en beurzen. Door de hoorn op te nemen en op een knopje te drukken, activeert de handelaar een signaal dat de klant onmiddellijk vertelt wie opbelt. Elke banktelefoon heeft een gesplitst systeem zodat twee hoorns tegelijk kunnen gebruikt worden zonder dat de tegenpartijen weten dat er twee gesprekken worden gevoerd. Een handelaar kan tegelijk 3 banken in het oog houden op zijn gesplitst scherm, met twee ervan een gesprek voeren en naar de derde telexen. Men kan conferenties houden, waarbij verschillende personen met elkaar spreken.” (pp. 10-11)

Door de techniek van geografische spreiding functioneert de internationale geldmarkt 24 uur op 24. De openingstijden van de belangrijkste 7 centra op de Europese, Amerikaanse en Aziatische continenten overlappen mekaar keurig, zodat er op elk tijdstip van een etmaal telkens een doorschuifmogelijkheid bestaat. Deze overlapping wordt duidelijk wanneer we de openingsuren uitdrukken in de Greenwich Mean Time:

Opening Sluiting
Londen   8.30 uur 16.30 uur
New York 13.00 21.30
Los Angeles 16.00 24.00
Hong Kong 00.00   9.30
Singapore 00.30 10.30
Bahrein   4.30 10.00
Frankfurt   7.30 16.00

Met de Los Angeles-Hongkong-connectie zit men wel een beetje krap maar om Humphrey Bogart te parafraseren: “We’ll always have Sydney”.

Op een dergelijke markt, die letterlijk met de snelheid van het licht evolueert, neemt de rol van geruchten uiteraard buitensporig toe. Bovendien blijft er geen tijd over om de voortdurende informatiestroom op een enigszins afstandelijke manier te interpreteren. In de internationale geldzee gedragen de handelaars zich als een kudde walvissen. De kans op irrationele reacties neemt toe naarmate het systeem zich ontwikkelt. En wanneer één of andere kudde aanspoelt op het strand kunnen de nationale monetaire en politieke autoriteiten proberen om de slachtoffers terug in zee te drijven. Zoals het voorbeeld van Continental Illinois aantoonde kan dat soms veel geld kosten.

Een bank gaat over kop

Ik heb het tv-feuilleton De Bankiers viermaal gezien. Het is een boeiend fresco rond de strijd tussen Kirk Douglas en Christopher Plummer om de directeurszetel van een grote Californische bank. Nadat de oogverblindende Joan Collins (de boze Alexis uit Dynasty) erin slaagt om op de haar gans eigen wijze het overontwikkelde superego van Plummer aan diggelen te neuken, wordt deze door de diabolische Lorne Greene (‘Pa’ Cartwright uit Bonanza) meegesleurd in een gigantische zwendelzaak, die aanvankelijk veel geld belooft op te brengen en dus door de beheerraad van de bank (minus Douglas) enthousiast wordt gesteund. 1-0 voor Plummer. Wanneer de zwendel aan het licht komt, stort Plummer zich, in een dramatische opflakkering van schuldbesef over de schade die hij de bank berokkend heeft, van het dak van de geldbuilding en komt aldus ook letterlijk ten val. Wat niet betekent dat Douglas het makkelijk heeft: een waanzinnige vrouw, een semi-clandestiene relatie met een linksachtige advocate, voortdurende conflicten met de door zijn vriendin gesteunde minder bedeelde zwarte en Mexicaanse bevolkingsgroepen en als klap op de vuurpijl een heroïsche interventie, wanneer een toeloop ontstaat op één van de filialen na het bekend raken van de moeilijkheden die Plummer veroorzaakt heeft. Douglas snelt met massa’s poen naar de brandhaard, springt op een bank (!) die zich vóór het filiaal bevindt en overtuigt de samengetroepte kleine spaarders hun geld niet af te halen. De bank is gered.

In 1982 beginnen de zaken mis te lopen voor de Continental Illinois Bank uit Chicago. Gedurende de zeventiger jaren had ze zich sterk ontwikkeld en was ze haar rivale, de First Chicago, voorbijgestreefd. Ze werd de grootste kredietverstrekker aan handel en industrie in de Verenigde Staten en kwam terecht op de achtste plaats van de binnenlandse bank-toptien. De dubbele olieschok (1973 en 1978) had twee gevolgen: enerzijds een enorm aanbod aan petrodollars vanwege de olieproducerende landen en anderzijds de mogelijkheid om door de aanzienlijke prijsstijging van de aardolie, minder rendabele bronnen winstgevend te maken. Continental Illinois deed geestdriftig mee. De deposito’s van de oliemagnaten werden gedraineerd naar de binnenlandse energiemarkt. Maar op het moment dat de prijzen begonnen te dalen door een wijziging in de vraag-aanbodstructuur, liep het fout. Begin 1982 ging het Californische boorbedrijf Nucorp Energy, dat 270 miljoen dollar geleend had van Continental Illinois, bankroet en ook de 200 miljoen dollar die geleend waren aan de Amerikaanse vestigingen van de Canadese oliemaatschappij Dome Petroleum moesten afgeschreven worden. Het bankroet van de Penn Square Bank uit Oklahoma City, in juli, was de zwaarste slag: Continental Illinois had voor meer dan 1 miljard dollar aan onderparticipaties in olieleningen van de Penn Square in haar portefeuille. De combinatie van deze blunders met de klassieke reeks twijfelachtige leningen in Latijns-Amerika ondermijnden het vertrouwen van de klanten. Zelfs het acteurstalent van Kirk Douglas zou hier tekort geschoten hebben want het overgrote deel van de deposito’s in de bank is afkomstig van grote beleggers (andere banken, pensioenfondsen, de grondstoffenbeurs van Chicago...).

Op donderdag 10 mei 1984 geven C.T. Connover, de Comptroller of the Currency, één der hoogste Amerikaanse monetaire autoriteiten en David Taylor, directeur van de Continental Illinois, elk afzonderlijk een verklaring uit, waarin de geruchten over ernstige moeilijkheden bij de bank worden tegengesproken. Daarmee wordt de grootste bankcrisis sinds de depressie van de dertiger jaren openlijk aangekondigd. Iedereen weet immers dat dergelijke verklaringen in feite het tegendeel betekenen van wat er in gezegd wordt. Nog dezelfde dag zakt de beursnotering van Continental Illinois, die in de voorafgaande 12 maanden reeds 50 % had moeten prijsgeven, naar een nieuw dieptepunt van ongeveer 12 dollar (een maand later zal de koers rond 4 dollar schommelen).

De volgende dag moet de Federal Reserve Board of Chicago (de Centrale Bank van de staat Illinois) 4 miljard dollar aan gereed geld verstrekken om haar deuren open te kunnen houden, maar dit blijkt onvoldoende om de bloeding te stelpen. Tijdens het weekeinde worden op verschillende plaatsen crisisvergaderingen gehouden met het doel de volledige ineenstorting van Continental Illinois te voorkomen. Een regelrechte crash zou niet alleen het Amerikaanse maar het ganse internationale financiële systeem in gevaar brengen.

Op maandag 14 mei kondigt de Morganbank, de meest prestigieuze van alle Amerikaanse financiële instellingen, aan dat een groep van 16 banken een krediet van 4,5 miljard ter beschikking stelt van de noodlijdende collega.

Ook deze opmerkelijke uiting van solidariteit kan het tij niet keren en juist één week na de verklaringen van Connover en Taylor over de ‘ongegronde geruchten’, heeft Continental Illinois reeds 9 miljard dollar op een depositototaal van 28,3 miljard moeten terugbetalen.

Het is duidelijk dat zonder overheidsingrijpen de bank niet kan standhouden. De Federal Deposit Insurance Corporation (FDIC), de officiële depositoverzekeringsinstantie, zorgt, samen met enkele banken, voor een kapitaalinjectie en garandeert, in uitdrukkelijke tegenstelling met haar tot dan toe gevoerde politiek om slechts deposito’s tot 100.000 dollar te dekken, “dat alle maatregelen zullen getroffen worden die noodzakelijk blijken voor een blijvende oplossing, dat alle depositohouders en andere algemene schuldeisers van de bank volledig zullen beschermd worden en dat de dienstverlening van de bank aan de klanten niet onderbroken zal worden”. Bovendien stelt de Federal Reserve Board zich de facto garant voor de bank. De groep van 16 wordt uitgebreid en trekt zijn krediet op tot 5,5 miljard. Door dit drastisch ingrijpen wordt een acuut bankroet vermeden en elk mogelijk sneeuwbaleffect wordt door een massale stroom dollars weggesmolten.

Maar het vertrouwen in de bank is definitief ondermijnd, en blijkbaar méér dan het ‘vertrouwen’ alleen. De opeenvolgende kandidaat-ondernemers trekken zich, na een onderzoek van de boeken, één na één terug.

De knoop moet dringend doorgehakt worden. Op donderdag 26 juli kondigt William Isaacs, voorzitter van de FDIC, op een druk bijgewoonde persconferentie in Washington aan dat zijn organisatie de facto de bank overneemt via een gecompliceerde operatie: méér dan 4,5 miljard dollar aan problematische leningen worden overgekocht voor een bedrag van 3,5 miljard; om de minderopbrengst voor Continental Illinois van 1 miljard te compenseren, brengt de FDIC een gelijk bedrag in, in ruil voor niet-stemgerechtigde aandelen. Daarenboven garandeert de FDIC dat “indien om welke reden dan ook, het permanente financiële bijstandspakket ontoereikend mocht blijken, ze bijkomend kapitaal of andere vereiste vormen van bijstand zal verschaffen”.

Het is een interessant detail dat de FDIC de problematische leningen van Continental aan een aantal Latijns-Amerikaanse landen niet overneemt: officieel om de overheid niet als schuldeiser van buitenlandse regeringen te laten optreden, maar in werkelijkheid om te vermijden dat de werkelijke ‘prijs’ van deze kredieten de andere Amerikaanse banken in problemen zou brengen. Ze beschikken immers allemaal over zo’n sterk overgewaardeerde portefeuille. Iedereen weet dat de keizer naakt rondloopt, maar niemand mag het zeggen.

Op de persconferentie houdt Isaacs hardnekkig vol dat Continental niet genationaliseerd wordt. Hij verklaart: “Continental Illinois is een bank die behoort tot de privé-sector, met een belangrijke investering van de FDIC, die volledig gefinancierd wordt door de bankgemeenschap. Mijn definitie van nationalisatie is, dat een regering met het geld van de belastingbetaler een instelling overneemt, beheert en controleert.” Dit slaat nergens op: de onbeperkte overheidsgarantie engageert wel degelijk de belastingbetaler. De preferente-aandelen kunnen te allen tijde omgezet worden in gewone aandelen en vormden dan een meerderheid van 80 %.

De vakpers weet wel beter. De Financial Times van 30 juli schrijft: “De massale redding, ondernomen om de veiligheid en de gezondheid van het banksysteem te beschermen, is een betekenisvolle wijziging van de op het ‘zwemmen of verdrinken’-principe gebaseerde economische filosofie van de Reagan-administratie, die duidelijk verlegen zit met de hele zaak. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het Witte Huis zich zoveel mogelijk van de Continental-affaire tracht te distantiëren, een strategie die vorige week uitgroeide tot een farce, toen de heer Donald Regan, Minister van Financiën, het reddingsplan dat sommige medewerkers en collega’s van hem hadden opgezet, openlijk bekritiseerde.”

De lotgevallen van Continental Illinois tonen aan dat onder het bewind van de Reagan-administratie, die geleid wordt door fervente verdedigers van de vrije markteconomie, de ‘ontvetting’ van de staatsbureaucratie en het terugschroeven van de overheidsinterventie, alle ideologische principes in één klap verdwijnen wanneer de pijlers van het kapitalistische systeem beginnen te wankelen. Terwijl voor de kleinere banken geen genade geldt en de depositohouders verzekerd zijn tot een bedrag van ‘slechts’ 100.000 dollar, gelden deze regels niet voor de financiële giganten. In werkelijkheid zijn ze stuk voor stuk potentieel genationaliseerd. De Citibank, de Bank of America zullen evenmin als de Deutsche Bank of de Midland Bank ooit bankroet gaan. Ze beschikken over een gigantische verzekeringspolis waarop ze geen premie betalen: zolang de zaken goed gaan blijven de winsten geprivatiseerd, als het misloopt worden de verliezen gesocialiseerd. En u mag eens raden wie dat uiteindelijk betaalt.

- Op 28 april 1980 maakte de FDIC een financieel bijstandplan ten belope van 1,5 miljard dollar bekend voor de First Pensylvania Corporation, de oudste handelsbank van het land en de 23ste op de ranglijst. De bank kwam in moeilijkheden na zware verliezen op haar obligatieportefeuille. De FDIC stelde 325 miljoen en 26 commerciële banken 175 miljoen dollar ter beschikking.

- Sinds het midden van de zeventiger jaren had de Penn Square Bank uit Oklahoma haar activa met 15 vermenigvuldigd, voornamelijk door kredietverlening aan plaatselijke olie- en gasmaatschappijen. Bovendien had ze nog eens voor 2 miljard dollar riskante energieleningen verkocht aan andere banken, waaronder Continental I1linois en Seafirst. De bank ging op 5 juli 1982 bankroet.

- Het faillissement van de United American Bank uit Tennessee op 15 februari 1983 was te wijten aan een foutieve kredietpolitiek en opzettelijke vervalsing van de boekhouding. De eigenaar, Jake Butcher, die twee maal kandidaat was voor het gouverneurschap van de staat Tennessee, bezat een imperium van 40 banken en spaarkassen, waarvan er in de loop van 1983 zeven bankroet gingen.

- Op 23 april 1983 nam de Bank of America de Seafirst Bank, de 29ste bank van de Verenigde Staten met activa van 9,6 miljard dollar, over voor een bedrag van 400 miljoen dollar. Seafirst was in zware financiële problemen geraakt wegens dubieuze energieleningen, deels te wijten aan haar betrekkingen met de Penn Square Bank. De bank leed een verlies van 91,2 miljoen dollar in 1982 en van 456,2 miljoen in 1983.

- Het tweede grootste bankfaillissement uit de geschiedenis van de Verenigde Staten deed zich voor op 14 oktober 1983, toen de First National Midland Bank met activa van 1,4 miljard dollar ten onder ging ingevolge belangrijke verliezen op energieleningen.

Het aantal faillissementen in de Amerikaanse bankwereld is in de afgelopen 5 jaar gestadig gestegen: 7 in 1978; in 1979, ‘80 en ‘81 telkens 10; in 1982 42; in 1983 48 en in 1984 79. Eind 1984 stonden 817 banken op de probleemlijst van de FDIC, meer dan tweemaal zoveel als eind 1982. De voornaamste redenen voor de faillissementen waren de problemen in de energie- en de landbouwsector en de ineenstorting van de onroerend goedsector in het begin van de jaren ’80.

Een reisje naar Zwitserland: “The sound of money”

Op 20 mei 1984 stemden 1,7 miljoen Zwitsers over een voorstel om de 50 jaar oude wet op het bankgeheim een weinig af te zwakken. Het initiatief voor deze volksraadpleging ging uit van de sociaaldemocratische partij en het werd gesteund door de vakbeweging, een aantal kerkelijke organisaties en een tiental, in de ‘Aktion Finanzplatz Schweiz — Dritte Welt’ samengebundelde groepen die actief zijn op het vlak van de ontwikkelingshulp. De voornaamste voorgestelde hervorming was de verplichting voor de bankiers om informatie te verstrekken in geval een onderzoek zou worden ingesteld naar belastingontduiking of naar inbreuken op de wisselcontrole van een ander land. Het voorstel werd verworpen met een meerderheid van 73 %, de financiers uit Zürich en Genève haalden opgelucht adem en konden zich opnieuw aan ernstige zaken wijden.

Waaruit bestaat het beruchte Zwitserse bankgeheim, dat van het land van Willem Tell, Henri Dunant en Suchard één van de belangrijkste draaischijven maakt van het internationale geldcircuit? In de meest strikte betekenis gaat het terug tot de ‘Federale wet op de banken en de spaarkassen’ van 8 november 1934, en meer in het bijzonder het belangrijke artikel 47 in die wet, dat een maximumstraf van 6 maanden of een geldboete van 50.000 Zwitserse frank voorziet voor degene die “een hem toevertrouwd geheim” onthult. Deze bepaling geldt niet alleen voor de bankdirectie en het personeel maar ook voor de bankrevisoren, de leden van de controle-instanties en zelfs voor “hem die een ander ertoe aanzet het beroepsgeheim te schenden”. Ze is ook van toepassing indien de betrokkene zijn functie niet langer uitoefent en aangezien de bescherming van het bankgeheim onder het strafrecht valt, is de openbare aanklager verplicht om een onderzoek in te stellen en eventueel te vervolgen op basis van hem bekende inlichtingen, zelfs wanneer geen klacht wordt neergelegd.

In zijn boek Une Suisse au-dessus de tout soupçon schrijft Jean Ziegler: “Het omgaan met geld heeft in Zwitserland een bijna sacramenteel karakter. Het geld bewaren, ontvangen, tellen, oppotten, speculeren, helen, zijn activiteiten die sinds het moment van de eerste vlucht (van de gegoede, protestantse Franse en Italiaanse burgerij naar Genève, na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685), bekleed zijn met een quasi ontologische verhevenheid. Geen enkel woord mag een zo edele activiteit bezoedelen. Ze voltrekt zich in bezinning, in stilte. Wie de zonde begaat om te veel te spreken, ontheiligt haar. Een dergelijk heiligschennis wordt door de wet gestraft” (p. 54).

De wet van 1934 werd door het parlement aangenomen om de Duitse joden te beschermen die hun bezit probeerden te redden van de plundering door het Hitler-regime. Nazi-agenten in Zwitserland trachtten op alle mogelijke manieren de namen van de rekeninghouders te bemachtigen. Daarom werd een zo goed als waterdicht systeem uitgewerkt onder de vorm van de nummerrekening, waarbij de identiteit van de eigenaar slechts aan een selecte groep van bankkaders bekend is, en een absolute zwijgplicht tegenover derden. In 1945 was het grootste deel van de Duitse joden uitgemoord, maar hun geld stond nog op de bank en wierp jaar najaar vruchten af. Vanaf 1952 ondernam het Jewish Agency vergeefse pogingen om 1 miljard Zwitserse frank te recupereren en een aantal overlevende familieleden vingen eveneens bot. In september 1974 werd het dossier van de buitenlandse deposito’s, die dateerden van vóór 1945, definitief afgesloten: de oproep van de regering om de tegoeden vrijwillig aan te geven bij de ‘Meldingsdienst voor het vermogen van verdwenen buitenlanders’ leverde een schamele 2 miljoen frank op.

Maar ondertussen hadden reeds vele anderen de discrete charmes van het Zwitserse bankgeheim ontdekt.

In augustus 1944 werd in het Straatburgse hotel ‘Maison Rouge’ een geheime conferentie gehouden, waaraan vertegenwoordigers van de Duitse industrie, van het Ministerie voor Bewapening en van de Veiligheidsdienst (SD) deelnamen. Deze verlichte geesten hadden begrepen dat het Duizendjarige Rijk niet lang meer zou standhouden en ze namen de beslissing om een deel van het Duitse kapitaal naar veiliger oorden over te hevelen. Niet weinig hoge functionarissen van het nazi-apparaat kwamen gedurende de laatste oorlogsmaanden op hetzelfde idee. De exacte omvang van de bedragen die aldus in de Zwitserse bankkluizen belandden, is steeds een mysterie gebleven. Na de oorlog raamde de Pravda het nazi-kapitaal in Zwitserland op 2 miljard dollar. De Amerikanen, die het geld opeisten in het kader van de herstelbetalingen, maakten aanspraak op 750 miljoen dollar. Ook hier werd slechts een minieme fractie gerecupereerd.

Een aanzienlijk deel van die fondsen werd door honderden nazi’s gebruikt om, vooral in Latijns-Amerika, een nieuw leven te beginnen. De Argentijnse dictator Juan Peron verrijkte zich op schandelijke wijze door hen in de periode 1945-48 naturalisaties te verkopen. Deze dienstverlening leverde hem 100 miljoen dollar op. Toen hij in 1955 door de militairen werd afgezet, kon hij in Europa een uiterst comfortabel leven leiden dank zij dit fortuin dat hij... bij de Zwitserse banken had geplaatst.

In 1975 maakte een groep linkse militairen een einde aan de heerschappij van Haile Sellassie. Gedurende zijn 44-jarig bewind hadden de Ethiopische keizer en de heersende kaste rond hem, 15 miljard dollar naar het buitenland gesluisd. De correspondentie van de ‘Leeuw van Abbessinië’, die in zijn paleis werd gevonden, bevatte een brief van een Zwitserse bank, waarin hem beleefd gevraagd werd voorlopig geen nieuwe goudzendingen te verrichten omdat de beschikbare stapelruimte geheel vol zat.

In januari 1981 publiceerde de Braziliaanse krant Hora de Povo, een geheime, door de CIA opgestelde lijst van 152 vooraanstaande personen die een bankrekening in Zwitserland hadden: het globale bedrag van hun deposito’s beliep ongeveer 14 miljard dollar.

De grote Zwitserse banken zijn niet alleen ‘passieve’ ontvangers van vluchtkapitaal, ze voeren ook een actieve politiek om het binnen te halen. In het geval van Latijns-Amerika vormt Panama de tussenschakel in de overwegend illegale gelduitvoer naar de rijke landen. De ‘Société de Banque Suisse’ beschikt in dat land over de ‘Union Bank of Switzerland, Panama, Inc.’ en de ‘Union des Banques Suisses’ doet er andermans duiten in haar zakje via de ‘Sociedad de Banca Suissa’.

De Zwitserse wetgeving beschouwt de belastingontwijking niet als een misdrijf en de banken zijn niet verplicht om inlichtingen te verstrekken wanneer hierover door buitenlandse diensten een onderzoek wordt gevoerd. Belastingontduiking is wél strafbaar en kan dus aanleiding geven tot het opheffen van het bankgeheim, maar het concept ‘ontduiking’ wordt op een zeer beperkte manier geïnterpreteerd: er moet vervalsing van documenten mee gemoeid zijn en voor de Zwitserse wet is een belastingaangifte géén document. In de praktijk gebeurt er dan ook bijna nooit iets.

In tegenstelling tot vele andere landen is in Zwitserland ‘insider trading’ toegelaten. ‘Insider trading’ houdt in dat personen, die door hun positie in banken of bedrijven op de hoogte zijn van feiten (fusies, overnamebod...) die aanleiding geven tot een plotse stijging van de aandelenwaarde, gebruik maken van deze insiderinformatie om vóór de bekendmaking te kopen. Vooral met de Verenigde Staten ontstaan voortdurend conflicten omdat de Securities & Exchange Commission, die de beursactiviteiten controleert, hiertegen streng optreedt. Sinds 1981 probeert de SEC de namen los te krijgen van de personen die gebruik maakten van Zwitserse banken om méér dan 6 miljoen dollar te verdienen met het opkopen van Santa Fe International Corporation-aandelen, net vóór de fusie van deze onderneming met de Kuwait Petroleum Corporation. Ondanks het sluiten van een ‘inside-trading’-conventie met de VS in 1982, hebben de banken, gedekt door het Zwitserse Federale Gerechtshof, tot nu toe geweigerd om de identiteit van de wetsovertreders bekend te maken...

De clandestiene oorlog tussen de Franse douanediensten en de Zwitserse overheid rond het identificeren van belastingontduikers, haalt geregeld het nieuws. In 1980 werden twee Franse ambtenaren in Bazel het slachtoffer van een door de Zwitserse politie opgezette provocatie: ze werden beschuldigd van ‘economische spionage’ en zaten wekenlang in voorarrest. In de herfst van 1983 onthulde een Franse douanebeambte, Patrice Cahart, dat zijn diensten in het bezit waren geraakt van een lijst met de namen van duizenden Franse burgers die illegale rekeningen in Zwitserland hadden. Cahart zei dat de lijst was verkregen door het samenvoegen van computergegevens, tips van (omgekocht) bankpersoneel en een ‘algemeen netwerk’ dat in Zwitserland opereert. Een commissie van het Franse parlement schatte dat de Fransen in totaal 4 miljard dollar hadden geplaatst op 50.000 rekeningen.

Voor de rest is alles in orde...

Het bankgeheim, in een ruimere betekenis, houdt in dat de Zwitserse wetgeving de banken toelaat om ook bijzonder weinig gegevens over zichzelf aan de openbaarheid prijs te geven. Geconsolideerde balansen zijn nagenoeg onbestaande, zodat het onmogelijk is om inzicht te krijgen in de verrichtingen van buitenlandse vestigingen. Het aanleggen van geheime reserves is toegelaten en wordt op grote schaal toegepast. De zogenaamde privé-bankiers hoeven helemaal geen informatie bekend te maken. De fiduciaire fondsen (d.w.z. deposito’s waarmee de bank in eigen naam verrichtingen onderneemt terwijl de klant eigenaar blijft van het aan de bank toevertrouwde geld en het volledige risico draagt) moeten niet in de balans worden opgenomen. De omvang van deze fiduciaire rekeningen is in de afgelopen tien jaar op spectaculaire wijze toegenomen van 8,2 miljard $ in 1972 tot 82 miljard $ in 1983. Een aanzienlijk deel van dit geld komt uit de Derde Wereld en we moeten er niet aan twijfelen dat hier een grote brok van het vluchtkapitaal te vinden is.

Karl Otto Pöhl, directeur van de West-Duitse Bundesbank heeft ooit gezegd: “Zwitserland is geen land, het is een bank”. De macht van de banken kan nauwelijks overschat worden. Eind 1983 bedroegen de globale activa van de grootste 3 banken 298 miljard Zwitserse frank (± 136,7 miljard $) en het Bruto Nationaal Product van Zwitserland 212 miljard (± 97,2 miljard $).

De Zwitserse banken zijn traditioneel sterk internationaal gericht. In 1982 bedroegen de activa in het buitenland 230 miljard Zw. frank of 38 % van het totaal. Maar ze gaan uiterst voorzichtig te werk bij de spreiding van hun risico: slechts 8,5 % van alle aan het buitenland verstrekte leningen situeren zich in de Derde Wereld.

Hetzelfde geldt voor de kapitaalmarkt. Jaarlijks wordt een enorm bedrag aan buitenlandse obligaties op de Zwitserse markt geplaatst: het volume steeg van 4,7 miljard Zw. frank in 1979 naar 10,3 miljard in 1983, een toename van maar eventjes 120 % op vier jaar. Vooral de Japanse bedrijven en institutionele beleggers maken gebruik van de Zwitserse draaischijf.

In 1982 was 22 % van de 53 miljard dollar buitenlandse aankopen van effecten in de Verenigde Staten afkomstig uit Zwitserland, dat daarmee op de eerste plaats kwam, vóór Groot-Brittannië (20 %) en het Midden Oosten (14 %).

Maar ook de nationale kapitaalmarkt slorpt veel geld op. De jaarlijkse nettofinanciering via obligaties steeg van 1979 tot 1983 met 98 % tot 9,1 miljard Zw. frank. De beurs van Zürich is met een omzet van 266 miljard Zw. frank (+ 40 % tegenover 1982) dan ook de belangrijkste van het Europese vasteland, vóór die van Frankfurt en Parijs. Bovendien bestaan er nog twee andere zeer actieve beurzen (in Genève en Bazel), een unicum in heel Europa.

Sinds 1960 heeft zich een snelle concentratie voltrokken in het bankwezen en greep er een relatief belangrijke doordringing van buitenlands kapitaal plaats, zoals de volgende tabel aantoont:

Aandeel van de activa per sector* (%)

 1950196019701981
Kantonale banken36,533,622,719,8
Grote banken27,629,245,0 50,4
Regionale en spaarbanken25,122,63,08,8
Coöperatieve banken3,43,42,32,6
Andere (incl. in buitenlands bezit)2,25,410,9 13,7

Zonder privé-banken, financieringsmaatschappijen, filialen en buitenlandse banken.
Bron: Financial Times, Switzerland banking, finance and investment survey, 26.11.1982, p. 11.

Hoewel men steeds over de ‘Grote 5’ spreekt, onderscheiden 3 banken zich qua omvang duidelijk van alle andere concurrenten. De belangrijkste kantonale bank (elk Zwitsers kanton beschikt over haar eigen ‘overheidsbank’, die hoofdzakelijk de ‘lokale’ markt bestrijkt — hypotheekleningen, financiering van kantonale infrastructuurwerken, enz.) is trouwens groter dan de twee ‘kleine groten’.

Rangschikking van de grootste 10 banken (1983)

BankActiva
(miljard
Zw. fr.)
Stijging
t.o.v. 1982
(%)
Nettowinst
(miljoen
Zw. fr.)
Stijging
t.o.v. 1982
(%)
     
Union de Banques Suisses115,142 8,3 506 15,5
Société de Banque Suisse 105,156 8,6 429 16,3
Crédit Suisse 77,268 5,4 352 16,2
Zürcher Kantonalbank 24,174 9,4 53 12,3
Schweizerische Volksbank 20,646 4,6 62 21,6
Banque Leu 10,445 11,8 35 10,4
Kantonalbank von Bern 8,578 7,2 23 12,7
Luzerner Kantonalbank 8,138 5,1 25 9,3
Banque Cantonale Vaudoise 8,010 7,9 37 9,0
Banca della Svizerra Italiana 7,690 17,7 47 5,4

Bron: The Banker, Juli 1984, p. 43.

De Zwitserse banken behoren tot het ‘universele’ type, ze ontplooien een brede waaier van activiteiten, zowel in eigen land als in het buitenland. Onderstaand schema geeft een indruk van het gamma aan financiële dienstverlening dat door één bank wordt aangeboden:

Diensten van een bank

Bron: Neue Zürcher Zeitung, 18.2.1984, p. 17, Euromoney, maart 1984, p. 48

De belangrijkste tak van de Financière CSFB-holding is de CSFB, sedert jaren de grootste firma op de internationale obligatiemarkt. In een interview met Euromoney zei de directeur John Hennesy: “Het enige wat we zijn is een internationale firma en wanneer de US-markt slecht is blijven we sterk. Wanneer het Verre Oosten slecht is blijven we nog altijd sterk. We hebben een globale horizon. We zitten vol met globale mensen.” (Euromoney, maart 1984, p. 50).

Van 1981 tot 1983 steeg de winst van de Financière CSFB van 52,7 naar 116,2 miljoen Zw. frank, een globaal inkomen als het ware...

De privé-bankiers vormen ongetwijfeld het meest mysterieuze element in de Zwitserse financiële wereld. Hoewel hun aantal sinds het begin van de eeuw sterk afnam (in 1903 waren er 266, in 1983 nog slechts 21), spelen ze een belangrijke rol. Dit besloten, aristocratische gezelschap leidt een eerder teruggetrokken bestaan. Hun zeldzame en sobere advertenties in de pers contrasteren fel met de expansieve, exuberante aankondigingen van de grote geldhandelaars. Zij zoeken de klanten niet op, de klant komt bij hen op bezoek. Zij werken niet vanuit een bankgebouw maar vanuit een bankhuis: een eenvoudige koperen naamplaat, die soms niet meer vermeldt dan de initialen van de bankiers, is de enige concrete aanwijzing dat men voor een financiële tempel staat, in plaats van voor een sjiek burgershuis. De voornaamste twee privé-bankiers ‘Pictet & Cie’ en ‘Lombard, Odier & Cie’ vindt men in Genève, waar ze samen met ‘Hentsch & Cie’, ‘Durier & Cie’, ‘Bordier & Cie’ en ‘Mirabaud & Cie’ verenigd zijn in de ‘Groupement des Banquiers Privés Genèvois’, één van de meest selecte clubs ter wereld.

Op één uitzondering na hebben alle privé-bankiers het statuut van commanditaire vennootschap aangenomen, wat betekent dat de algemene partners (die met hun ganse persoonlijke vermogen verantwoordelijk zijn tegenover hun klanten) gesteund worden door een aantal stille vennoten, die slechts voor het bedrag van hun inbreng aansprakelijk kunnen gesteld worden. Deze stille vennoten zijn vaak door de algemene partners gecontroleerde naamloze vennootschappen: de ‘Holding privé de MM. Lombard, Odier & Cie’ bij ‘Lombard, Odier & Cie’ en de ‘Pictet Capital S.A.’ bij ‘Pictet & Cie’.

Hun grote reputatie en traditie ligt in het beheren van individuele fortuinen en het verstrekken van financieel advies, in een zeer persoonlijke relatie met hun klanten. Aangezien ze balansen noch winst- en verliesrekeningen publiceren, kan men slechts gissen naar de omvang van de hen toevertrouwde kapitalen. In de zeventiger jaren raamden deskundigen het globale bedrag op ongeveer 40 miljard Zw. frank. Waarschijnlijk is dit volume de laatste jaren sterk gestegen omdat de meeste privé-bankiers steeds meer grote institutionele beleggers onder hun klanten tellen. De tendens tot schaalvergroting heeft er trouwens de afgelopen tien jaar toe geleid dat een aantal belangrijke privé-bankiers zich hebben omgevormd tot naamloze vennootschappen. De keizerlijke garde van de grote burgerij wordt steeds kleiner maar ze houdt stand, want ze behoort tot de culturele verworvenheden van de échte rijken. Ze vormt de extreme uitdrukking van datgene wat Zwitserland tot het paradijs, dus het niet te verwezenlijken fantasma, van de grote kapitalisten maakt: een veilige, neutrale moederschoot waar men in volledige rust en intimiteit kan beleggen, investeren en accumuleren.

Lenen aan de Derde Wereld: hoe een dubbeltje rollen kan

Op 2 juli 1982, 14 dagen nadat men het lichaam van Ambrosiano directeur Roberto Calvi heeft gevonden, bengelend aan een staketsel onder de Londense Blackfriars Bridge, acht de Bank of Nova Scotia, de 50ste bank in de wereld, het nodig een verklaring uit te geven waarin gezegd wordt dat “elke bekommernis om de stabiliteit en de financiële sterkte van de bank ongegrond is”. Nog geen week later doet de Bank für Gemeinwirtschaft uit West-Duitsland, 73ste op de wereldranglijst, de geruchten over moeilijkheden af als “dom en geheel ongegrond”. Rond diezelfde tijd gaat de Penn Square Bank uit Oklahoma over kop, met als onmiddellijk gevolg dat de Continental Illinois Bank uit Chicago, die zich iets te ver had ingelaten met de roekeloze kredietpolitiek van de Penn Square, voor het tweede kwartaal van 1982 een verlies van 61 miljoen dollar lijdt, tot dan toe het grootste uit de Amerikaanse bankgeschiedenis (maar deze bank zal het twee jaar later ‘nog beter’ doen). Ook de Chase Manhattan Bank boekt in dat kwartaal een verlies van 16 miljoen dollar, het eerste uit haar bestaan.

De internationale economische recessie brengt ettelijke multinationals aan de rand van het bankroet. Massey-Ferguson en International Harvester, twee van de grootste producenten van landbouwmachines, kijken tegen een schuld aan van respectievelijk 1,3 miljard Canadese dollar en 4,2 miljard US-dollar. De holding Alfa, het wonderkind van de Mexicaanse economie, kraakt in april, op het ogenblik dat hij 2,3 miljard schuld heeft tegenover 130 buitenlandse banken. In juli staat de Duitse reus AEG-Telefunken, met 120.000 werknemers en een schuld van méér dan 3 miljard DM, aan de rand van de afgrond. Polen en Turkije bezorgen de bankiers slapeloze nachten. Sommige financiers beginnen de woorden Libor en Librium door mekaar te halen.

En dan slaat de echte paniek toe. Op vrijdag 13 augustus krijgt Paul Volcker een telefoontje van zijn Mexicaanse collega Miguel Mancero Aguayo. Aguayo is ten einde raad: hij heeft zojuist de wisselmarkt laten sluiten omdat Mexico feitelijk bankroet is. Dit betekent dat er geen enkele legale betaling in vreemde valuta meer kan verricht worden. Op dat ogenblik bedraagt de buitenlandse schuld 82 miljard dollar, waarvan méér dan een kwart kortlopend is, en niemand kent het exacte bedrag van de ultrakorte schuld die de Mexicaanse banken op de interbankenmarkt zijn aangegaan.

Indien niet dadelijk wordt ingegrepen dreigt een wereldwijde financiële chaos met onoverzienbare gevolgen voor de globale kapitalistische economische structuur. Enkele uren na het telefoongesprek tussen Volcker en Aguayo arriveert de Mexicaanse minister van financiën, Silva Herzog, in het geheim in Washington voor een noodberaad met Volcker, Donald Regan, de Amerikaanse minister van financiën, en Jacques de Larosière, het hoofd van het Internationaal Monetair Fonds.

De inzet van de besprekingen, die het hele weekeinde duren, is bijzonder hoog: ofwel wordt op zeer korte termijn voldoende geld aan Mexico verstrekt om de meest dringende betalingen te doen ofwel leidt de acute liquiditeitscrisis tot een ineenstorting van de internationale financiële wereld.

Volcker reageert prompt. Enerzijds besluit hij tot een tijdelijke versoepeling van zijn strak monetair beleid door een injectie van liquide middelen op de Amerikaanse geldmarkt, anderzijds zegt hij een onmiddellijk krediet toe van 700 miljoen dollar aan de Mexicaanse centrale bank, onder de vorm van een valutaruil. Jacques de Larosière belooft een IMF-krediet ten belope van 4,5 miljard dollar gespreid over de volgende drie jaar. Tegelijk zoekt men koortsachtig naar de derde coryfee van de internationale geldscène, Fritz Leutwiler, de baas van de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel. Hij is de enige die de gouverneurs van de centrale banken uit de rijke landen kan samenbrengen... maar hij is met vakantie. Uiteindelijk slaagt men er in hem te contacteren in zijn afgelegen bergchalet. Hij regelt op korte tijd een noodkrediet van 1,85 miljard dollar.

Maar terwijl deze heren hun rol van beschermheiligen van het internationale kapitalisme met bekwame spoed en grote doeltreffendheid vervullen, blijkt de houding van de Amerikaanse regering geheel anders te zijn. De Reagan-administratie is reeds geruime tijd op de hoogte van de dreigende crisis, meer zelfs, ze heeft bewust nagelaten om de alarmbel te luiden of tijdig maatregelen te nemen. Ze heeft de situatie bewust laten verrotten om politieke en economische munt te kunnen slaan uit de ineenstorting van haar buurland.

In een geheim document, gedateerd op 26 juni 1982 en goedgekeurd door de vice-minister van buitenlandse zaken belast met Inter-Amerikaanse betrekkingen, Thomas Enders, worden de voordelen van de uitzichtloze toestand op een rijtje gezet: “Mexico kan in dat geval bereid zijn om ons meer olie en gas te verkopen aan betere prijzen; om zijn beperkingen op buitenlandse investeringen te versoepelen; om een wederzijdse reductie van tarieven en andere handelsbelemmeringen te bespreken; en zelfs om met ons samen te werken aan een regeling voor het probleem van de illegale inwijking.” (Financial Times, 18 augustus 1982, p. 4).

Tijdens de dramatische onderhandelingen tussen Herzog en Regan, stelt deze laatste harde eisen. De Amerikaanse regering is bereid om een krediet van 2 miljard dollar ter beschikking te stellen. Eén miljard komt uit het fonds van de ‘Commodity Credit Corporation’ van het ministerie van landbouw en geldt als voorafbetaling voor de levering van levensmiddelen aan de VS. Daarover raakt men het snel eens. Het andere miljard zal door Mexico worden ‘terugbetaald’ onder de vorm van olieleveranties. Maar de aap komt uit de mouw wanneer men over de verrekeningsprijs praat. De Amerikanen stellen 29 dollar per vat voor, 4 dollar onder de marktprijs! Voor Herzog, die begrijpt dat men hiermee een precedent wil scheppen, is dit onaanvaardbaar. De US-onderhandelaars doen dan een nieuw aanbod: het krediet kan afgelost worden door olieleveringen gespreid over een periode van 15 maanden en voor een globaal bedrag van 1,3 miljard dollar. Omgerekend betekent deze offerte een interestvoet van 35 %, met andere woorden zuivere woeker, en weer weigeren de Mexicanen op deze chantage in te gaan.

Ondertussen is het reeds zondag, de pokerpartij gaat verder: de Amerikanen zijn bereid om de interest te verlagen mits betalingen van een commissieloon van 100 miljoen dollar. Herzog telefoneert met president Lopez Portillo, die moet beslissen over de voortzetting van de onderhandelingen. Lopez is verontwaardigd en antwoordt: “Laat Rome branden”. De Amerikanen binden enigszins in en ten slotte wordt men het eens over een commissieloon van 50 miljoen. De afdreiging van Regan heeft er toe geleid dat de Mexicanen uiteindelijk hun olie aan 27,4 dollar per vat hebben geleverd...

Twee weken na de onderhandelingen beslist de Mexicaanse regering om de wet van 1973, die het buitenlandse aandeel in nieuwe investeringen tot 49 % beperkt, op te heffen.

De Westerse banken stemmen in met een moratorium van drie maanden op de terugbetaling van de leningen en onder druk van de Larosière beslissen ze in november om het IMF-reddingspakket aan te vullen met nieuwe kredieten, mits een substantiële verhoging van de interestvoeten.

The Economist schrijft in september: “Door hun bereidheid om meerdere miljarden dollar aan noodhulp over te pompen naar het zich slecht gedragende Mexico, leggen de belastingbetalers van de rijke landen en het Internationaal Monetair Fonds een dik kussen onder de grote internationale handelsbanken die te veel geleend hebben aan dat land.” Vanaf dat moment wordt het nooit meer als tevoren: de privé-banken lenen nog alleen noodgedwongen aan de Derde Wereld, de ene schuldherschikking volgt op de andere, de spanningen volgen elkaar in snel tempo op. Raakt Mexico uit de put? En wat met Brazilië dat een nog grotere schuld heeft? Nigeria, de Filippijnen, Bolivië, Argentinië halen beurtelings het nieuws.

Hoe is het zover kunnen komen?

Om dat te begrijpen gaan we best 10 jaar terug om een blik te werpen op de toestand van de betalingsbalans in de kapitalistische wereld. In 1973 hebben de geïndustrialiseerde landen een overschot op hun balans op lopende rekening van iets meer dan 20 miljard dollar. De olie-exporterende ontwikkelingslanden hebben een batig saldo van 6,7 miljard en de overige Derde Wereldlanden een tekort van iets meer dan 11 miljard dollar. Dan komt de eerste olieschok op het eind van 1973: de petroleumprijs wordt voor het eerst drastisch verhoogd. In 1974 bedraagt het tekort voor de geïndustrialiseerde landen bijna 11 miljard dollar en dat van de niet olie-uitvoerende ontwikkelingslanden 37 miljard. Het overschot van de olie-uitvoerders vertienvoudigt tot méér dan 68 miljard dollar. De geïndustrialiseerde landen herstellen hun positie vlug en bereiken voor het jaar 1978 een globaal overschot van 32,7 miljard, terwijl de olielanden hun saldo zien terugvallen tot 2,2 miljard. Maar de andere ontwikkelingslanden zinken steeds verder weg met een tekort van 41,3 miljard voor 1978. Het scenario herhaalt zich op een grotere schaal met de nieuwe prijsverhogingen van 1979-80. De olielanden boeken in 1979 een surplus van 68,8 en in 1980 zelfs van 114,3 miljard dollar, terwijl het tekort van de rijke landen in 1980 40,2 miljard bedraagt (maar het jaar nadien vertoont hun balans reeds opnieuw een aanzienlijk overschot). Met de overige ontwikkelingslanden gaat het tot 1981 verder bergaf: in dat jaar wordt een recorddeficit van meer dan 107 miljard dollar bereikt.

Voor een goed begrip moeten we hier een kleine parenthese inlassen. In de hierboven vermelde categorieën zijn de termen ‘olielanden’ en ‘overige ontwikkelingslanden’ gebruikt, een indeling die ingevoerd is door het IMF en die door bijna alle publicaties wordt overgenomen. Zonder verdere toelichting zijn deze termen nochtans misleidend. Om in de ‘oliegroep’ gerangschikt te worden moet een land aan de combinatie van twee criteria voldoen: de netto olie-uitvoer moet minstens twee derde van de totale uitvoer uitmaken én die export moet minstens 100 miljoen vaten per jaar bedragen, met als huidige referte het gemiddelde over de jaren 1977-79. Dit betekent dat een aantal landen, die soms grote olie-exporteurs zijn, in de statistieken van het IMF als ‘non-oil developing countries’ geboekt staan. Met name Mexico, Bolivië, Peru, Bahrein, Gabon, Egypte, enz... horen daarbij. Landen die nagenoeg zelfbedruipend zijn, zoals Argentinië, zitten a fortiori in deze categorie. Een dergelijke statistische benadering maakt het niet gemakkelijk om het verband tussen de olieafhankelijkheid en de positie van de betalingsbalans bloot te leggen.

Een eenvoudige rekensom leert ons dat het gecumuleerde overschot van de olielanden voor de periode 1974-1981 424,3 miljard dollar bedraagt. Wat hebben die landen met zo’n enorme geldmassa gedaan? Een deel werd belegd in aandelen en obligaties van ondernemingen in West-Europa en Noord-Amerika, een deel werd gebruikt om de openbare schuld van de Westerse regeringen te financieren via de aankoop van schatkistcertificaten, een deel werd geïnvesteerd in onroerend goed (gronden, hotels, kantoorgebouwen...) maar het grootste deel werd onder de vorm van kortlopende deposito’s bij de grote internationale banken geplaatst. Het is deze vloed van petrodollars die de aanleiding vormde voor de ongeziene golf van leningen aan de Derde Wereld, die zich tegen het midden van de zeventiger jaren ontwikkelde. De vertegenwoordigers van de grote banken liepen letterlijk de deur plat van alle instanties uit de Derde Wereld om leningen te verkopen.

Alle mogelijke landen, grote olie-uitvoerders zoals Nigeria, Indonesië of Venezuela, netto olie-exporteurs zoals Mexico, Peru, Gabon of Ecuador en zelfbedruipers of invoerders zoals Argentinië, Brazilië, Zuid-Korea of de Filippijnen, werden meegesleurd in de geldwals, in functie van hun absorptiecapaciteit en de prestigezucht van hun megalomane militairen en bureaucraten en de ambities van hun nationale burgerijen.

De verspillingen kunnen aan de hand van talrijke voorbeelden geïllustreerd worden. Het volgende citaat uit het respectabele tijdschrift The Banker (April 1984, p. 26) geeft enig inzicht in de internationale vertakkingen die vaak samengaan met de misbruiken: “Hoeft het gezegd dat sommige wapencontracten (afgesloten door het Argentijnse militaire regime) geen onderzoek kunnen doorstaan, en op dit vlak kunnen we de duistere hand zien van P2, de Italiaanse vrijmetselaarsloge die zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de val van de Banco Ambrosiano. Het leidende licht van deze loge in Argentinië was admiraal Emilio Eduardo Massero, opperbevelhebber van de marine van 1973 tot 1978: zijn verrassende benoeming door de toen al seniele generaal Peron was te danken aan zijn lidmaatschap van P2. Masserawas verantwoordelijk voor het kwistige heruitrustingsprogramma van de Argentijnse marine, en talrijke aankopen werden verricht via intermediaire firma’s in Peru en Panama die gecontroleerd werden door P2. Dit had voor gevolg dat de Exocetraketten Argentinië veel méér gekost hebben dan de aankoop van dezelfde wapens door de Royal Navy. De meest vooraanstaande generaal in P2 was Carlos Suarez Mason, die gedurende één jaar directeur was van de staatsoliemaatschappij YPF: in de loop van zijn directeurschap ging de YPF het grootste deel van zijn 4,4 miljard dollarschuld aan. Inspecteurs vragen zich nog steeds af op welke wijze deze schuld geïnvesteerd werd en jammer genoeg worden ze niet geholpen door generaal Suarez Mason aangezien hij de enige hogere generaal is die onderdook na de machtsovername door de nieuwe regering (november 1983).”

Hoe komen deze internationale leningen technisch tot stand? De typeprocedure is als volgt: een internationaal krediet wordt aanvankelijk onderhandeld tussen de ontlener en een beperkte groep van banken die een woordvoerder aanduiden. Belangrijke elementen voor de onderhandelingen vormen de looptijd van de lening, eventueel een vrijstellingsperiode, d.w.z. een aanvankelijke periode waarin geen betalingen moeten verricht worden (bv. de eerste twee jaar), en vooral de interestvoet. Het overgrote deel van de leningen gebeurt op basis van een vlottende interest, die gebaseerd is op de schommelingen van de Libor. De eigenlijke onderhandelingen gaan dus over de marge boven de Libor, die de banken zullen vragen. Deze marge wordt in het jargon ‘spread’ genoemd. De hoogte van de spread is afhankelijk van de kredietwaardigheid van de ontlener: een lening van bv. de Duitse Spoorwegen zal een aanzienlijk lagere spread hebben dan één van de Boliviaanse regering. De banken uit de beheersgroep bepalen dan een commissieloon dat uitgedrukt wordt in een percentage van het ontleende totaal (bv. 0,375 %). Van zodra men het eens is geworden over alle leningsvoorwaarden, contacteert de leidende groep een aantal banken (variërend van 10 tot enkele honderden) die tot het syndicaat kunnen toetreden. Slechts wanneer de lening volledig onderschreven is, wordt de overeenkomst getekend.

Het hierboven beschreven mechanisme van de vlottende interestvoet heeft een belangrijke weerslag gehad op de ontwikkeling van de schuldenlast. Voor de periode van 1975 tot en met 1978 bedroegen de gemiddelde Libor 6,86 % en de gemiddelde inflatievoet 6,91 %, m.a.w. er bestond op deze markt een negatieve interestvoet van 0,05 %. Onder die objectieve voorwaarde leek het dus bijzonder aantrekkelijk om geld te lenen. Maar de recessie die vanaf het begin van 1980 in de geïndustrialiseerde landen uitbrak en de strakke geldpolitiek die door de Federal Reserve Board werd gevoerd om de inflatie te breken, bracht een dramatische ommekeer teweeg. Het volume van de wereldhandel, dus ook van Derde Werelduitvoer stagneerde en verminderde in 1982 zelfs met 2,5 %. Op korte termijn daalden de grondstoffenprijzen spectaculair: de UNCTAD-index die in oktober 1980 zijn hoogste punt bereikte, lag in augustus 1982 35 % lager. De reële interestvoeten stegen enorm: het negatieve percentage van de tweede helft der zeventiger jaren veranderde in een zeer hoog positief percentage (4,69 % in 1980, 7,35 % in 1981 en 7,13 % in 1982). Deze snelle evolutie was de oorzaak van de acute schuldencrisis.

Ter illustratie kunnen we hier het voorbeeld van Mexico weer opnemen. De ontdekking van enorme aardolievoorraden in 1976 maakt van het land op 5 jaar tijd de vierde wereldproducent (na de USSR, de USA en Saoedi-Arabië). In 1981 worden de reserves aan petroleum en aardgas op 106 miljard vaten geraamd. De koortsachtige exploitatie van deze rijkdom wordt toevertrouwd aan een staatsmaatschappij, de Petroleos Mexicanos of Pemex, die enorme investeringen doet, gefinancierd uit het staatsbudget. De hieruit voortvloeiende begrotingstekorten worden grotendeels door geldschepping gedekt, wat leidt tot een verhoging van de inflatie en de binnenlandse vraag. Maar de industriële structuur van Mexico (zoals die van alle Derde Wereldlanden) is zo onevenwichtig opgebouwd dat het eigen productieapparaat die stijging van de vraag slechts zeer gedeeltelijk kan opvangen. De economische politiek is sinds jaren gericht op een concentratie van de productieve investeringen in de sectoren die voor de uitvoer werken. De semi-feodale verhoudingen die grotendeels het platteland blijven beheersen, houden de productiviteit van de landbouwproductie laag. Het gevolg is dan ook dat de invoer snel toeneemt en dat ondanks de export van de aardolie, de handelsbalans een negatief saldo vertoont. De combinatie van de schuldenlast, de negatieve handelsbalans en de sterke afhankelijkheid van de uitvoer van aardolie hebben geleid tot een wankele situatie die bij de minste schok kan ontsporen. Dit gebeurt dan ook op het ogenblik dat de internationale petroleummarkt instort onder invloed van de recessie in de geïndustrialiseerde landen. Deze ontwikkeling is geenszins toevallig, ze vormt de uitdrukking van een snelle inschakeling in de industriële en financiële kapitalistische wereldmarkt.

Smaken verschillen

Drie voorname personages die tijdens het crisisjaar 1982 nog in functie waren, hadden uiteenlopende opvattingen over architectuur.

De toenmalige president Jose Lopez Portillo hield van de oud-Spaanse stijl. Om daarvan na het einde van zijn ambtstermijn te kunnen genieten, liet hij in de heuvels van Vista Hermosa, een chique buurt op veilige afstand van de krottenwijken rond Mexicostad, een soort Alcazar uit rode steen optrekken met binnen de muren vier paleizen voor zijn familieleden.

De toenmalige politiechef Arturo Durazo zag meer in de Griekse stijl. Om zijn gevoel voor klassieke cultuur te concretiseren liet deze man, die officieel een maandwedde van 600 dollar verdiende, in Zihuatanejo nabij Acapulco, een soort Parthenon bouwen, met 42 Korinthische zuilen, vergulde friezen, marmeren muren en luchtkoeling (een noodzakelijk anachronisme). De kostprijs werd geraamd op 10 miljoen dollar.

De toenmalige burgemeester van Mexicostad, Hank Gonzalez ging iets minder ver terug in de geschiedenis maar zocht het wel wat verder van huis. Hij kocht een verblijf in Tudorstijl in de Amerikaanse staat Connecticut: twintig kamers (gouden kranen in de badkamers), enkele zwembaden, stallingen, een park van 3 ha omgeven door een 3 meter hoge muur. Kostprijs, omheining incluis, 1,3 miljoen dollar.

Dit geinige trio vormt slechts het topje van de ijsberg van corruptie en zwart geld, die overal bestaat, maar nog algemener en schrijnender in de Derde Wereld en, naar men zegt, in zijn meest ontwikkelde en geïnstitutionaliseerde vorm in Mexico. Indien het waar is dat elk land zo’n ijsberg bezit, dan heeft Mexico een luxe-uitvoering.

Lopez Portillo, die tijdens de laatste toespraak van zijn mandaat om vergiffenis vroeg voor het feit dat hij niet méér had gedaan voor de armen, heeft in elk geval gedurende zijn zesjarig presidentschap méér dan genoeg gedaan voor zijn familie: zijn vrouw benoemde hij tot hoofd van de DIF (Dienst voor het kind en de familie), zijn zoon werd vice-minister van financiën, zijn zuster kreeg de leiding over de RTC (Dienst voor radio, televisie en film), zijn neef werd directeur van het INDE (Nationaal Sportinstituut) en zijn maîtresse minister van toerisme.

De ingenieur Herberto Castillo, leider van de PMT, een linkse partij, had in 1982 enkele lastige vragen aan het adres van de Pemex-directie. Uit de in 1979 gepubliceerde maandbulletins van de staatsoliemaatschappij bleek dat de productie voor dat jaar een waarde had van 365 miljard peso’s. In het bulletin van februari 1981 was de waarde van de productie voor 1979 plots gedaald tot 271 miljard: een gat van 94 miljard peso’s (4 miljard dollar aan de toen gangbare wisselkoers) of 317 miljoen vaten. Op de vraag waar die massa petroleum gebleven was, antwoordde Pemex-baas Jorge Dion Serrano niet zonder gevoel voor humor: “Verdampt”. Op twee jaar tijd bleken ook 97 miljoen m3 aardgas verdwenen te zijn. De officiële verklaring luidde dat het gas gebruikt was om nieuwe leidingen te vullen. Castillo berekende dat men met een dergelijke hoeveelheid gas een buis kan vullen van 50 cm diameter die 248 maal rond de evenaar loopt.

In februari 1977 onthulde de New York Times dat de multinational ITT in een tijdspanne van 15 jaar ettelijke miljoenen dollar had betaald aan Mexicaanse functionarissen en industriëlen in ruil voor inplantingsfaciliteiten voor Amerikaanse ondernemingen. De aanwending van smeergeld (mordida) doordringt alle geledingen van de Mexicaanse maatschappij. Een vrachtwagen die uit Veracruz vertrekt met groenten en fruit voor één van de markten van Mexicostad, betaalt achtereenvolgens een ‘fooi’ aan de federale politie, aan de politie van Veracruz, aan die van Puebla en aan die van Mexicostad. Men zou zich in het Europese Ancien Régime, met zijn ontelbare tolbarrières wanen.

De grote verdwijntruc

Nepotisme, verduistering en corruptie kunnen misschien nog als lastige randverschijnselen beschouwd worden maar de kapitaalvlucht is dat door haar enorme omvang zeker niet. De Bank voor Internationale betalingen in Bazel, raamt de kapitaalvlucht uit Latijns-Amerika tussen 1978 en 1982 op ongeveer 50 miljard dollar. Onderzoekers van de Amerikaanse Federal Reserve Board denken dat méér dan een derde van de schuldenaangroei van Argentinië, Brazilië, Mexico en Venezuela tussen 1974 en 1982 opnieuw het land verliet onder de vorm van allerhande beleggingen (onroerend goed, obligaties, Amerikaanse schatkistcertificaten en bankdeposito’s) in de rijke landen. Voor die vier landen bedroeg de kapitaalvlucht, uitgedrukt in percent van de stijging van de buitenlandse schuld in de periode 1974-82: Brazilië 12 %, Mexico 43 %, Argentinië 61 % en Venezuela 96 %!

Alleen al voor de jaren 1980-82 zou 71 miljard dollar weggevloeid zijn uit Mexico, Argentinië, Venezuela, Indonesië, Egypte, Nigeria en de Filippijnen. In diezelfde tijdsspanne steeg de buitenlandse schuld van die zeven landen met 102 miljard dollar, d.w.z. dat 70 % van de leningen verstrekt door de grote banken, het IMF en de Wereldbank niet terecht kwam in de economie van die Derde Wereldlanden maar onmiddellijk terug vluchtte naar het gebied van herkomst.

Deze ontstellende realiteit komt trouwens op een onrechtstreekse en verwrongen wijze tot uiting in de officiële statistieken over de betalingsbalansen. In theorie moet de mondiale betalingsbalans in evenwicht zijn omdat elke betaling verricht door een land, een ontvangst in een ander land tot gevolg heeft. Elk tekort geeft op een andere plaats aanleiding tot een tegoed, de som van alle transacties over één jaar moet nul zijn. In de praktijk klopt die rekening nooit helemaal en daarom heeft men bij elke betalingsbalans een kolom ‘vergissingen en weglatingen’ ingevoerd.

In de loop van de laatste 15 jaar zijn de bedragen in die mysterieuze kolom echter steeds meer aangegroeid, en de voorbije jaren heeft zich een echte explosie voorgedaan. De wereldbetalingsbalans vertoonde in 1980 een deficit van 37,3 miljard dollar, in 1981 groeide dat aan tot 78 miljard en in 1982 bedroeg het onverklaarde tekort 127,7 miljard. Het gecumuleerde deficit over de periode 1967-82 loopt op tot 332 miljard dollar m.a.w. tijdens de laatste 15 jaar werden op wereldschaal voor méér dan 330 miljard dollar daar betalingen geboekt zonder dat daar ergens ontvangsten tegenover stonden.

Een recente studie van het Centre d’Etudes Prospectives et d’Informations Internationales, dat verbonden is met het Franse commissariaatgeneraal voor het Plan, geeft als meest waarschijnlijke hypothese voor deze situatie ‘niet-geïdentificeerde kapitaalstromen’ of, duidelijker gezegd, kapitaalvlucht. Uit beschouwingen van diezelfde studie blijkt dat de Verenigde Staten en Zwitserland de twee belangrijkste vluchtheuvels zijn. Deze vaststelling klopt overigens met wat men weet over de bestemming van kapitaalvlucht uit Latijns-Amerika. Het totale bedrag aan vluchtgeld in de banken van Miami wordt geraamd op 8 tot 10 miljard dollar. Het Amerikaanse zakenweekblad Business Week schreef hierover op 3 oktober 1983: “Sterke concurrentie voor het bekomen van vluchtkapitaal heeft banken in Miami ertoe gebracht om ‘persoonlijke bankdiensten’ te verlenen aan de meeste buitenlanders evenals ‘private bank’-diensten van het Zwitserse type, met uitvoerige persoonlijke aandacht voor de klanten die 500.000 dollar of meer waard zijn. Enkele banken stellen, met toestemming van de US Comptroller of the Currency, genummerde rekeningen ter beschikking van hen die zouden kunnen blootstaan aan politieke strafmaatregelen in het buitenland.”

Hieruit blijkt niet alleen dat de hoogste monetaire autoriteiten actief meewerken aan het bevorderen van de kapitaalvlucht naar de Verenigde Staten maar ook dat de banken sinds lang uitstekend op de hoogte zijn van de uitzichtloze financiële toestand waarin de debiteurlanden wegzinken indien het grootste deel van het door hen geleende geld niet onder de vorm van productieve investeringen in hun economie terechtkomt.

De Mexicaanse crisis betekende het definitieve einde van de geldmanna die de commerciële banken gedurende de voorafgaande 8 jaar over de Derde Wereld en vooral over Latijns-Amerika hadden uitgestrooid. In 1980 en 1981 stelden de banken recordbedragen ter beschikking van de Derde Wereld, respectievelijk 53,3 en 52,6 miljard dollar. Maar in 1982 trad er een spectaculaire terugval op tot 25 miljard en het totaal voor 1983 ligt waarschijnlijk tussen 15 en 20 miljard. Nieuwe leningen werden nog slechts bij mondjesmaat en onder voogdij van het Internationaal Monetair Fonds toegekend. Alle aandacht werd geconcentreerd op de ‘herschikking’ van de bestaande schulden, die steeds meer debiteurs niet langer binnen de gestelde termijn konden aflossen. De herschikkingshandel werd op zijn beurt een winstgevende zaak voor de banken: elke onderhandeling over nieuwe terugbetalingsvoorwaarden leidde tot grote commissievergoedingen en een zwaardere interestlast in ruil voor het verlengen van de terugbetalingstermijn. De uiteindelijke afrekening werd uitgesteld.

De zware druk op de betalingsbalans, die niet langer kon verlicht worden door nieuwe massale buitenlandse kredieten, kon slechts op twee manieren bestreden worden. Ofwel kondigden de debiteurlanden een eenzijdig moratorium af, d.w.z. een tijdelijke stopzetting van alle betalingen in het kader van hun schuld, ofwel trachtten ze het deficit op hun betalingsbalans te beperken door een drastische verbetering in hun handelsbalans. Deze laatste politiek werd, vooral ook onder druk van het IMF, gevolgd. Alle middelen werden gemobiliseerd om de invoer te beperken en de export op te drijven. Het tekort op de betalingsbalans van de ‘non-oil’ Derde Wereldlanden daalde dan ook van een recordhoogte van bijna 108 miljard dollar in 1981 tot ongeveer 68 miljard in 1983. In Latijns-Amerika steeg het overschot op de handelsbalans van 600 miljoen dollar in 1981 tot 9,7 miljard in 1982 en zelfs 31,2 miljard in 1983. Maar deze spectaculaire stijging is geheel te wijten aan een drastische inkrimping van de invoer, in 1982 met 20 % en in 1983 met 29 %. Dit betekent dat de totale invoer van Latijns-Amerika op twee jaar tijd tot bijna de helft is teruggezakt.

De volgende tabel illustreert de gevolgen van de crisis voor Brazilië:

1980 1981 1982 1983
(raming)
BBP +7,9 % -1,9 % +1,4 % -3,9 %
Inflatie 110,2 % 95,1 % 9,7 % 211,0 %
Industriëleprod. +7,9 % -5,4 % +1,2 % -9,5 %
Landbouwprod. +6,3 % +6,8 % -2,5 % +3,0 %
Uitvoer (miljarddollar) 20,1 23,3 20,2 21,8
Invoer (miljarddollar) 22,9 23,1 19,4 15,3
Handelsbalans (miljoen dollar) - 2,8 + 1,2 + 0,8 + 6,5
Betalingsbalans (miljoen dollar) -12,8 -11,7 - 14,7 -7,5
Buitenlandse schuld(1) (miljoen dollar) 53,8 61,4 70,2 83,5

1. Schuld op korte en halflange termijn
Bron: Neue Zürcher Zeitung, 5.1.1984, p. 12.

Het bruto binnenlands product van Mexico daalde in 1983 met 4,7 % nadat het in 1982 reeds met 0,5 % was afgenomen. De handelsbalans van dat land vertoonde in 1983 een overschot van 4 miljard dollar maar ook hier werd dit resultaat bereikt door een enorme inkrimping van de invoer. In 1981 bedroeg die 24,2 miljard, in 1982 14,5 miljard en in 1983 nog slechts 7,7 miljard dollar, dus een vermindering van méér dan 68 % op amper 2 jaar! De ineenstorting stelt uiteraard problemen voor de handhaving van de industriële infrastructuur en de tewerkstelling.

Het meest recente jaarverslag van de Interamerican Development Bank bevat ontstellend cijfermateriaal over de terugval van de investeringen: Argentinië (1981 -19 %, 1982 -16 %), Brazilië (1981 -17 %, 1982 -44 %), Costa Rica (1981 -34 %,1982 -48 %), Chili (1982 -65 %). Voor heel Latijns-Amerika zijn in 1982 de bruto binnenlandse investeringen in reële termen met 13 % gedaald. Het ganse subcontinent worstelt op dit ogenblik waarschijnlijk met de zwaarste economische crisis uit zijn geschiedenis.

De sociale gevolgen van deze crisis zijn hemeltergend. Terwijl de rijken van Mexico tot Argentinië hun welstand nog zien toenemen dank zij de hoge interesten op hun vluchtkapitaal, stijgt de werkloosheid en worden de levensomstandigheden van tientallen miljoenen armen steeds onmenselijker. De prijs die de Latijns-Amerikaanse volksmassa moet betalen voor enkele jaren van ongebreideld lenen door hun dictatoriale en corrupte regimes is buitensporig hoog.

Maar ook op een geheel ander niveau groeien de tegenstellingen als gevolg van de kortzichtige winstpolitiek van de grote banken. In 1981 slorpte de Derde Wereld 26 % op van de goederenuitvoer uit de OESO-landen. De Verenigde Staten exporteert nog meer naar de Derde Wereld: van de totale US-uitvoer ging in 1981 38 % naar de arme landen (17 % naar Latijns-Amerika). De totale waarde van de uitvoer naar Latijns-Amerika bedroeg 41 miljard dollar. In 1982 daalde dit bedrag tot 32 miljard en in 1983 tot 25 miljard.

De Amerikaanse uitvoerders naar Latijns-Amerika eisen dan ook dat de banken lagere interestvoeten en commissielonen zouden aanrekenen en langere terugbetalingstermijnen zouden toestaan. Sommige leden van de Council of the Americas, een machtige lobby die ongeveer 200 van de belangrijkste US-investeerders in Latijns-Amerika vertegenwoordigt, gaan verder en dringen aan op een initiatief van het Witte Huis om een compromis te vinden tussen de tegenstrijdige belangen van bankiers en investeerders bij de herschikking van de schulden.

Bovendien zijn spanningen ontstaan tussen de grote banken en de kleinere, regionale banken die via het syndicaatsysteem bij de gevaarlijke schuldendans betrokken raakten. In februari 1984 vergaderden vertegenwoordigers van méér dan 15 regionale banken, waaronder Southeast Banking, Sun Banks en Trust Co of Georgia in Florida om van gedachten te wisselen over mogelijkheden om de interestkost minder zwaar te maken. En een maand later werd na afloop van een bijeenkomst van de ‘Bankers Association for Foreign Trade’ door tientallen regionale bankiers over hetzelfde probleem overleg gepleegd. De voorzitter van de BAFT, die de vergadering bijwoonde, verklaarde achteraf: “Bij de kleine regionale bankiers overheerst de mening dat er iets moet gedaan worden”. De bestaande krachtsverhoudingen bieden hen nochtans niet veel uitzicht op een snel of ingrijpend initiatief.

Schuld minder ontwikkelde landen

Lenen aan de Derde Wereld: als het kalf verdronken is...

Lief en leed van statistieken

Bijgaande tabel levert ons een globaal beeld op van de ontwikkeling van de Derde Wereldschuld. Iedereen weet dat het niet eenvoudig is om statistieken te interpreteren: “het zijn wetenschappelijk verpakte leugens”, zegt men wel eens. Ja en neen. Elke rangschikking van cijfergegevens gebeurt volgens bepaalde criteria en de keuze van die criteria kan soms meer verdoezelen dan onthullen. We zullen trachten om aan de hand van een analyse van het hiernaast gepubliceerde cijfermateriaal iets verder door te dringen in de ingewikkelde wereld van de statistische interpretatie. De lezer zal spoedig merken dat het hier niet gaat om een abstracte intellectuele oefening. “Attention! Un train peut en cacher un autre!” leest men op de borden van de Franse spoorwegovergangén. Hetzelfde kan gezegd worden over statistieken, maar bovendien schuilt er achter de verborgen cijfers ook een realiteit.

Eerste stap: een verklaring van enkele termen uit de tabel. Wat bedoelt de OESO met “minder ontwikkelde landen"? Tot die groep worden 157 landen en gebieden gerekend, waarvan een aantal niet onafhankelijk zijn (bv. Frans Polynesië, de Nederlandse Antillen, Nieuw Caledonië, de Falkland Eilanden, de West-Indies, enz.). De totale schuldenlast van deze overzeese gebiedsdelen en departementen is echter zo gering dat hun in- of uitsluiting weinig invloed heeft op de globale gegevens. Er werden ook een beperkt aantal landen meegerekend waarvan men niet onmiddellijk verwacht ze in dezelfde categorie als Bangladesh of Somalië te vinden: Portugal, Griekenland, Turkije, Malta, Israël en Joegoslavië.

De DAC-landen zijn 17 geïndustrialiseerde kapitalistische landen, die samen met de Commissie van de EEG het Development Assistance Committee gevormd hebben. De overige ontwikkelde kapitalistische landen horen thuis op lijn 6 bij ‘andere’ (het betreft Ierland, Luxemburg en Spanje).

Officiële ontwikkelingshulp bestaat uit leningen van officiële diensten, regeringen, of plaatselijke overheden, die aan gunstiger voorwaarden worden verstrekt dan de gewone commerciële leningen. Onder de hoofding ‘multilateraal’ horen alle kredieten thuis verstrekt door internationale organisaties, behalve het Internationaal Monetair Fonds.

Tweede stap: nu we weten wie wie en wat wat is, kunnen we een eerste blik werpen op de tabel. In grote lijnen is het aandeel van de verschillende categorieën (1 tot 6) niet erg gewijzigd in de periode 1971-1983: alleen de leningen uit de Comeconlanden zijn verhoudingsgewijs tot minder dan de helft teruggevallen en de overheidsleningen van de OPEC-landen, onbestaande in 1971, maken nu bijna 4 % uit.

12345 6
1971 79 10,5 7 - 2,3 1,2 =100 %
1983 75 13,9 3 3,8 1,3 3 =100 %

Maar in de interne structuur van de eerste categorie merken we wél een betekenisvolle kwalitatieve verandering: het relatieve aandeel van de officiële ontwikkelingshulp is aanzienlijk gedaald en dat van de bankkredieten is enorm gestegen. In 1971 bedroeg de totale bankschuld van de minder ontwikkelde landen 11,7 % van hun globale schuld, in 1983 was dat opgelopen tot niet minder dan 38,7 %. Eén van de nadelige gevolgen voor de Derde Wereldlanden is dat daardoor ook het aandeel van de schulden met vlottende interestvoet toegenomen is, hetgeen elke planning in verband met interestbetaling onmogelijk maakt. In 1978 had 29 % van de schuld der ontwikkelingslanden buiten de OPEC en de OESO een vlottende interest, in 1983 45 %. Elke stijging met 1 % van de LIBOR betekent een stijging van de interestlast met 1,86 dollar.

Derde stap. Wat kunnen we niet uit deze tabel leren? Verschillende belangrijke aspecten van de schuldenproblematiek komen niet uit de verf als we ons beperken tot de globale gegevens.

1) De 157 landen en gebieden waarop de cijfers betrekking hebben, vertonen onderlinge verschillen in natuurlijke rijkdommen, industriële ontwikkeling en nationaal inkomen per inwoner. De kloof tussen bv. Argentinië en Niger is groter dan bv. die tussen Italië en Argentinië. Deze heterogeniteit komt ook tot uiting in de schuldenstructuur. De bankkredieten aan de armste landen (door de OESO gedefinieerd als de landen met een bruto nationaal product per inwoner van minder dan 600 dollar in 1980) vormen een veel kleiner percentage (8 %) van hun totale schuldenlast dan het gemiddelde. Voor de ‘rijkste’ Derde Wereldlanden bedraagt dat aandeel 52 %. Hoe juist de bewering is, dat de bankiers slechts aan de rijken lenen, wordt hier op cynische wijze eens te meer bewezen.

2) De leningen leiden tot een schuldenlast die steeds groter wordt. De perversiteit van deze ontwikkeling komt het best tot uiting wanneer we een vergelijking maken tussen de nieuwe jaarlijkse toegekende kredieten en de omvang van de jaarlijkse schuldenderving (afbetaling plus interest).

JaarNieuwe kredieten
(miljard dollar)
Schuldenderving
(miljard dollar)
Schuldenderving in %
van nieuwe kredieten
197556,6025,144,3
197656,5930,954,6
197767,0340,159,7
197887,6655,363,1
197991,6071,277,7
198096,0582,385,7
1981107,9299,792,4
198295,18107,6113,0

Bron: eigen berekening op basis van gegevens in OECD § Survey 1983, blz. 27,55.

Deze nuchtere tabel toont beter dan welk verhaal dan ook de absurde logica van de schuldenspiraal aan. Voor elke honderd dollar die in 1975 door de Derde Wereld geleend werd, moest meer dan 44 dollar onmiddellijk weer aan de donors teruggegeven worden en die verhouding is voortdurend gestegen tot in 1982 de fatale drempel overschreden werd: voor elke honderd dollar die in dat jaar geleend werd, moest 113 dollar teruggegeven worden!

3) De schuldenmassa is geconcentreerd in een beperkt aantal landen. De grootste vier schuldenaren (Brazilië, Mexico, Zuid-Korea en Argentinië) namen eind 1983 35 % van de totale schuld op lange termijn voor hun rekening. De sterke concentratie van de problematiek wordt nog duidelijker wanneer we kijken naar de interestbetalingen in plaats van naar de totale schuld. Want daar gaat het in feite om. Iedereen weet dat een groot deel van de uitstaande schuld nooit zal terugbetaald worden. Hoewel daarover in de pers nogal wat drukte gemaakt wordt, is dit niet erg relevant: in alle kapitalistische landen groeit de schuldenberg, zowel van de privé-sector als van de overheid, voortdurend aan. Het laatkapitalisme is, bijna per definitie, één gigantisch kredietsysteem. Maar van zodra de interestbetalingen achterwege blijven, beginnen de echte moeilijkheden voor de schuldeisers en in de eerste plaats voor de privé-banken. In 1983 betaalden Brazilië en Mexico maar liefst 35 % van de totale interestlast van de minder ontwikkelde landen. Zes Latijns-Amerikaanse landen (Brazilië, Mexico, Argentinië, Chili, Peru en Venezuela) betaalden 51 % van de totale last. Voor deze landen betekent dit uiteraard een enorme druk op de nationale economie die steeds export-gerichter moet produceren om aan de nodige deviezen te geraken.

4) Alle statistieken, die van de OESO zowel als die van het IMF of de Wereldbank, drukken de buitenlandse schuld van de ontwikkelingslanden uit in dollars, maar in werkelijkheid bestaat het schuldenpakket uit verschillende valuta. Er bestaat geen volledige informatie over die valutasamenstelling. Deskundigen ramen het aandeel van de dollarschuld in de totale lange termijnschuld op ongeveer 55 %. Nu leidt het feit dat men 100 % van de schuld uitdrukt in dollar tot de paradoxale toestand dat een stijging van de Amerikaanse munt ten opzichte van de mark, de yen, de gulden, enz. in de statistieken een daling van de schuld te zien geeft!

Het volgende eenvoudige en denkbeeldige voorbeeld maakt deze paradox duidelijk. Laten we aannemen dat het land Bankroetië op 31 december 1983 een buitenlandse schuld heeft die zó samengesteld is: 6.000 dollar, 10.000 Duitse mark en 50.000 Belgische frank. Laten we verder aannemen dat op datzelfde ogenblik de dollar 2 DM en 50 BF ‘waard’ is. In de statistieken wordt de schuld van Bankroetië dan:

6.000 + 10.000 : 2 + 50.000 : 50 = 12.000 dollar.

In de veronderstelling dat in de loop van 1984 de koers van de dollar ten opzichte van alle andere munten met 10 % stijgt en er niets verandert aan de schuld van Bankroetië, zal de statistiek op 31.12.1984 ons vertellen dat de schuld gedaald is van 12.000 dollar tot 6.000 + 10.000 :2,2 + 50.000 : 55 = 11.454 dollar.

Nu is de koers van de dollar de afgelopen 4 jaar inderdaad voortdurend gestegen, waardoor de globale cijfers erg vertekend zijn. Indien de in 1980 geldende wisselkoersen onveranderd gebleven waren, zou de evolutie van de schuldenberg (zoals hij in de statistieken tot uiting komt, er als volgt uitzien: (in miljard)

198019811982 1983
‘Reële’ evolutie445501552606
Met vaste wisselkoersen445536611690

De statistiek is dus met maar liefst 86 miljard dollar vertekend. Maar vertekend ten opzichte van wat? Dat is de 100.000-dollarvraag zou ik durven zeggen als ik dan nog wist waarover ik het had. Uit dit cijfergegoochel kunnen we eigenlijk maar één conclusie trekken: de exacte beoordeling van de schuldenproblematiek is een ingewikkelde aangelegenheid, die per land moet geanalyseerd worden. Om de impact van de zwevende wisselkoersen te kunnen meten, moeten we immers verschillende factoren in rekening brengen: de valutasamenstelling van de schuld en van de inkomsten uit transacties met het buitenland (in de eerste plaats de handelsbalans), wijzigingen in de ‘terms of trade’, de evolutie van de reële interestvoet, enz. Algemeen kunnen we wel stellen dat, wanneer alle overige omstandigheden ongewijzigd blijven, de landen met een positieve handelsbalans, waarvan het dollaraandeel in hun buitenlandse schuld hoger ligt dan het dollaraandeel in hun buitenlandse schuld, baat hebben bij een sterke dollar. Indien de dollar afzwakt zal hun schuldenlast stijgen.

Vooral de grote US-banken hebben zwaar geleend aan Latijns-Amerika. Eind 1983 was het engagement van de grootste 9 banken (de zgn. ‘moneycenters’ als volgt verdeeld (miljoen dollar):

MexicoBraziliëVenezuelaArgentiniëTot. 4land.
Manufacturers Hanover1.9252.1251.0751.3256.450
Chase Manhattan1.5502.5501.2258006.125
Citicorp3.0004.6001.5001.20010.300
Chemical Bank1.4251.2757754003.875
Bankers Trust1.275750425250*2.700
Bank of America2.7502.4751.625500 7.350
J.P. Morgan1.1751.7754757504.175
First Chicago Bank 8757002252502.050
Continental Illinois7004754254002.000
Totaal 9 banken14.67516.7257.7505.875

* raming
Bron: The Economist, 2.6.1984, blz. 75

Het algemeen totaal van 45,025 miljard dollar vormt 21,5 van alle uitstaande leningen en 69 % van de kredieten aan de niet tot de OPEC behorende Derde Wereldlanden.

Volgens schattingen van de bank van Engeland hebben de Britse banken 21 miljard dollar geleend aan 8 ‘probleemlanden’: Argentinië, Brazilië, Chili, Mexico, de Filippijnen, Joegoslavië en Polen. Ongeveer 75 % van de kapitaalbasis van de Britse banken zit vast in kredieten aan die landen. De Lloyds Bank en de Midland Bank zijn nauwelijks minder geëngageerd in Argentinië, Brazilië, Mexico en Venezuela dan de Manufacturers Hanover.

Voor de US-banken is een regelmatige interestbetaling belangrijk omdat ze onderworpen zijn aan een reglementering die hen verplicht de leningen waarop méér dan 90 dagen interestachterstand opgestapeld werd als niet-renderend (non-performing) aan te geven. In feite betekent dit niet meer dan een boekhoud operatie die echter een aanzienlijke weerslag kan hebben op de beursnoteringen en bijgevolg op hun capaciteit om hun kapitaalbasis te verbreden. Aangezien de monetaire overheid in de Verenigde Staten een minimale verhouding. Aangezien de monetaire overheid in de Verenigde Staten een minimale verhouding van 5 % tussen het kapitaal en de activa eist, speelt dit uiteindelijk door in de groeimogelijkheden en het concurrentievermogen. Nu waren de beursnoteringen van de Amerikaanse banken ver van schitterend, zoals blijkt uit het overzicht op 31 mei 1984:

Prijs aandeel
(dollar)
Procentuele wijziging tegenover:
een week
voordien
een maand
voordien
hoogste notering
voorafgaande
52 weken
Bank of America16,25-8-18-35
Bankers Trust38,50-3-9-24
Chase Manhattan39,75-3-17-35
Chemical Bank24,13-12-24-33
Citicorp28,87-4-15-33
Continental Illinois5,50-24-60-78
Manufacturers Hanover26,37-7-22-45
J.P. Morgan64,00-2-8-19
First Chicago Bank21,00-5-12-25

Bron: The Economist, 9.6.1984, blz. 84.

Improviseren is troef

In de late lente van 1984 waren de banknoteringen niet alleen sterk 102 gedaald, er heerste bovendien een erg zenuwachtige sfeer naar aanleiding van het debacle van de Continental Illinois. Op donderdag 24 mei ging er een kleine paniekgolf door de New Yorkse beurs, toen het gerucht verspreid werd dat “een grote bank van de Oostkust” (lees: de Manufacturers Hanover) in moeilijkheden verkeerde. In een minimum van tijd daalde de dollarnotering van 2,77 naar 2,71 DM en van 8,52 FF naar 8,36 FF. De notering van Manufacturers Hanover viel van 31 naar 27,5 dollar (- 11 %). De andere VS-banken en zelfs de grote Britse banken werden onmiddellijk meegetrokken. Experten vermoeden dat het ging om een speculatieve operatie en dat het gerucht de wereld werd ingestuurd met de bedoeling een bruuske, kortstondige daling van de dollar te veroorzaken. Het incident maakt in elk geval duidelijk dat de bankwereld langs de rand van de afgrond en dat elke steen in de Amerikaanse kikkerpoel rimpels verwekt die tot over de Atlantische oceaan uitdeinen.

Manufacturers werd trouwens niet toevallig als mikpunt gekozen. Er bestaat ongetwijfeld een verband met het sterke engagement van deze bank in Argentinië. Dat land is sinds de verkiezingen van november 1983 de stoute jongen in de onderhandelingen die vanaf 1982 onophoudelijk worden gevoerd tussen de banken, de Club van Parijs, de regeringen van een aantal Derde Wereldlanden en het IMF, om de schulden te herschikken. De regerende Radicale Partij (die moeilijk van revolutionaire sympathieën kan verdacht worden, aangezien ze haar aansluiting bij de ‘Liberale Internationale’ heeft gevraagd) weigert zich neer te leggen bij het soberheidsprogramma dat het IMF wil opleggen en ligt in de clinch met de banken, die geen nieuwe kredieten willen toestaan en niet over een herschikking van de schuld willen praten zolang Argentinië niet tot een akkoord komt met het IMF. De regering van president Alfonsin heeft op haar beurt het drukkingsmiddel van de 90-dagen interestachterstand in handen. Dit pokerspel heeft in maart 1984 tot een verbazingwekkend arrangement geleid, dat door Paul Fabra in Le Monde vergeleken werd met de parabel van de blinde die de lamme helpt. Opdat de banken zonder al te veel kleerscheuren de vervaldatum van 31 maart zouden kunnen halen moest Argentinië zijn interestschuld aanzuiveren tot 31 december 1983 maar de regering weigerde een beroep te doen op de schaarse deviezenreserves. In allerijl werd dan een regeling uitgewerkt om de vereiste 500 miljoen dollar samen te rapen. Op initiatief van de Amerikaanse regering werden de centrale banken van Brazilië, Mexico, Columbië en Venezuela bereid gevonden 300 miljoen dollar aan Argentinië te lenen! De banken en Argentinië zelf brachten elk 100 miljoen in, waardoor men enkele uren vóór het verstrijken van de limiet kon aankondigen dat Buenos Aires zijn verplichtingen was nagekomen.

Voor Manufacturers Hanover zou een overschrijding van de termijn betekend hebben dat ze het netto-inkomen van 84 miljoen dollar voor het eerste kwartaal van 1984, met 19,3 miljoen had moeten verminderen. De Financial Times van 4 juni formuleerde het zó: “De bank, samen met de andere grote VS-banken, stelt met klem dat ze geen druk heeft uitgeoefend op de VS-regering om een voorlopige oplossing te vinden voor de Argentijnse interestbetaling maar in privé-gesprekken geven bankiers toe dat ze zeer opgelucht waren over de betaling”.

Op 4 juni 1984 hield Jacques de Larosière, directeur van het Internationaal Monetair Fonds, een toespraak voor de internationale Monetaire Conferentie in Philadelphia, waarin hij stelde dat het schuldenprobleem van de Derde Wereld thans minder erg is dan een jaar geleden. De financiële toestand van die landen is thans verbeterd: de schuldderving (debt service) van de niet-olie-uitvoerende landen is verminderd van 24,5 % van hun exportinkomsten in 1982 tot 21,5 % in 1983 en het aandeel van hun schuld op korte termijn is gedaald van 20 % eind 1982 tot 15 % eind 1983 (Le Monde, 6.6.1984).

Op 6 juni 1984 hield Rudiger Dornbusch, economieprofessor aan het Massachusetts Institute of Technology een lezing op een bijeenkomst van het Britse Royal Institute of International Affairs. Volgens hem waren de problemen van de schuldenlanden in de afgelopen maanden dramatisch verslechterd. Na de Mexicaanse crisis van 1982 was een consensus gegroeid dat de problemen van de Derde Wereld geleidelijk zouden verdwijnen onder invloed van vier factoren: een gestadige economische groei in de ontwikkelde landen, een daaruit voortvloeiende stijging van de grondstoffenprijzen, een algemene daling van de interestvoeten en een depreciatie van de dollar. De eerste factor was werkelijkheid geworden, de tweede minder dan verwacht en de laatste twee helemaal niet (Financial Times, 8.6.1984).

Twee diametraal tegengestelde analyses van twee burgerlijke experten op twee dagen tijd. Wie heeft het bij het rechte eind? Bekeken vanuit het standpunt van de supertechnocraat, die met alle mogelijke middelen moet proberen om de problemen op korte termijn niet uit de hand te laten lopen, is de situatie op twee jaar tijd inderdaad verbeterd: er werden een aantal ingewikkelde technische maatregelen toegepast en afspraken gemaakt die een acute crisis van het internationaal financieel systeem hebben vermeden. Maar het is een zeer kortzichtige visie. Hoewel zijn interpretatie niet op alle punten correct is, dringt Dornbusch iets verder door tot de kern van de zaak: zolang de Derde Wereldlanden ingeschakeld blijven in de internationale markteconomie, zal hun schuldenproblematiek in functie blijven staan van de ontwikkelingen in de hoogontwikkelde kapitalistische landen. Een stijging of een daling met 1 % van de interesttarieven in de Verenigde Staten en op de Eurodollarmarkt, verhoogt of vermindert hun schuldenlast in één klap met enkele miljarden dollar. De evolutie van hun handelsbalans is in hoge mate afhankelijk van hun exportmogelijkheden naar de Westerse landen en dus van de daar heersende economische conjunctuur. De kapitaalvlucht uit de Derde Wereld naar de rijke landen heeft gigantische afmetingen aangenomen. En ga zo maar door.

Het Fonds grijpt in

Op donderdag 19 januari 1984 waren de Marokkaanse steden Nadar en Al Hoceima het toneel van zware incidenten naar aanleiding van de afkondiging van de tweede reeks prijsverhogingen van levensnoodzakelijke producten in minder dan 6 maanden. In augustus 1983 had de regering reeds de prijs van het meel met 35 %, van de suiker met 18 %, van de olie met 30 % en van de boter met 67 % verhoogd. Het leger trad zeer hardhandig op: ooggetuigen vertelden dat de militairen de betogers vanuit helikopters met mitrailleurvuur bestookten. Volgens officiële cijfers waren er 29 doden maar andere bronnen spraken van 60 en zelfs 200 doden.

Op maandag 23 april 1984 kwamen in de volkswijken van San Domingo, de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek, de mensen op straat om te protesteren tegen de prijsverhoging met 50 en 80 % van een aantal basisproducten zoals brood, olie, suiker en melk. De volgende dag riepen de vakbonden een algemene staking uit en de beweging verspreidde zich naar een aantal andere steden. Het protest werd in het bloed gesmoord: volgens gegevens van de overheid vielen er 52 doden en 175 gewonden bij de manifestanten. Méér dan 4000 mensen werden door het leger aangehouden.

De Dominicaanse regering sprak van een ‘marxistisch-leninistisch complot’ en de Marokkaanse koning beschuldigde de Islamitische integristen van opruiing. Er zat inderdaad een aanstoker achter deze gebeurtenissen, die merkwaardige punten van overeenkomst vertoonden, ondanks het feit dat beide landen gescheiden worden door een oceaan. De incidenten in Marokko zowel als in de Dominicaanse Republiek, waren het rechtstreekse gevolg van het bezuinigingsprogramma dat de regeringen van die landen hadden opgesteld om tegemoet te komen aan de richtlijnen van het Internationaal Monetair Fonds.

Ingevolge het Akkoord van Bretton Woods werden twee instellingen opgericht: het Internationaal Monetair Fonds en de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (beter bekent onder de naam Wereldbank).

Het IMF was de instantie die de fundamentele beginselen van Bretton Woods omkaderde: elk land dat wenste toe te treden moest zich uiteraard akkoord verklaren met het principe van de vaste wisselkoersen, de vrije omwisselbaarheid der valuta en de afbouw van handelsbelemmeringen. Bovendien moest het een bijdrage (quotum) storten waarvan de omvang werd bepaald in functie van zijn economisch gewicht. Het bedrag van het quotum bepaalde niet alleen hoeveel het land kon lenen om tijdelijke betalingsbalanstekorten weg te werken (leningen van het IMF worden in het jargon ‘trekkingsrechten’ genoemd) maar ook het aantal stemmen waarover het beschikte binnen de organisatie. Het IMF functioneert inderdaad niet volgens de regels ‘één land, één stem’ maar hanteert een gewogen stemrecht, een soort cijnsstelsel. Zo hadden de Verenigde Staten een blokkeringsminderheid aangezien de belangrijkste beslissingen met een meerderheid van 80 % moesten genomen worden en de VS over méér dan 20 % van de stemmen beschikten. Dat dit vetorecht geen toeval maar een bewuste keuze was, werd duidelijk aangetoond toen in 1978, ingevolge de verschillende quota-aanpassingen, het Amerikaanse stemmenpercentage beneden de 20 daalde: de vereiste meerderheid voor alle sleutelbeslissingen werd op 85 % gebracht.

De ineenstorting van het systeem der vaste wisselkoersen in 1973 betekende uiteraard het einde van de rol die het IMF op dat vlak speelde. Maar in hetzelfde jaar kende de wereld de eerste ‘olieschok’ met de daaruit voortvloeiende verstoringen van de betalingsbalansen.

We hebben aangetoond dat in de jaren ‘70 de kredietverstrekking aan de Derde Wereld beheerst werd door de privé-banken. Uiteraard gebeurde dat niet om die landen in staat te stellen hun gestegen oliefactuur te betalen (er werd zowel geleend aan petroleumuitvoerders als invoerders). Enerzijds zochten de banken naar een ‘vervangingsmarkt’ voor hun geld nadat de vraag naar kredieten vanuit de hoogontwikkelde kapitalistische landen daalde ingevolge de recessie van 1974-75. Anderzijds brachten die leningen een hoge interest op. In zijn boek The Moneylenders beschrijft Antony Sampson op kleurrijke wijze hoe de privé-bankiers mekaar de loef probeerden af te steken in het lospeuteren van nieuwe leningen aan de Derde Wereld.

Maar toen het verzadigingspunt bereikt werd beschikten de banken over geen enkel politiek drukkingsmiddel om hun beleggingen, of tenminste toch de interest daarop, te recupereren. De Mexicaanse crisis van augustus 1982 vormde het hoogtepunt van de impasse.

“Het IMF werd plotseling gezien als de redder in Latijns-Amerika, tenminste in de ogen van de US-regering. Reagan keerde van zijn reis terug als een verbijsterd man en daarna legde zijn administratie al haar gewicht in de weegschaal om een recordverhoging van 47,5 % van de IMF-quota door te drukken, een beslissing die formeel genomen werd op de vergadering van het Interim-comité in januari van dit jaar (1983). Dat geld was bestemd om de Latijns-Amerikaanse superschuldenaars vrij te kopen en de banken uit het slop te helpen. Deze relatief plotse ommezwaai naar een ondersteuning van het IMF vanwege de Reagan-administratie, op het ogenblik dat een crisis duidelijk werd, is typisch voor haar ad hoc benadering van de economische politiek. Naarmate de onvermijdelijke gevolgen van de monetaire en fiscale regeringspolitiek zich openbaren in de internationale arena, worden noodmaatregelen genomen en nadien voorgesteld als onderdeel van een bewuste strategie.” (Far Eastern Economic Review, 29 september 1983, p. 65).

De ‘Club van Parijs’ is een groepering van leden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die in het leven werd geroepen om op gemeenschappelijke basis te onderhandelen over de herschikking van de overheidsleningen en de door de overheid gewaarborgde uitvoerkredieten van een land dat zijn verplichtingen niet langer kan nakomen. Ogenschijnlijk is het een informele bedoening: de Club heeft geen statuten en geen infrastructuur. De bijeenkomsten worden voorgezeten door een hoge ambtenaar bij het Franse ministerie van financiën, dat ook een beperkte staf voor secretariaatswerk ter beschikking stelt, en meestal wordt er vergaderd in het vroegere Hotel Majestic aan de Avenue Kléber in Parijs. De schuldeisers worden vertegenwoordigd door ambtenaren bij de ministeries van financiën of buitenlandse zaken.

Maar de opstelling van de Club is keihard: de confrontatie wordt zolang uitgesteld tot de schuldenaar aan de rand van de afgrond staat en er wordt slechts onderhandeld over de schuld van één jaar (soms iets langer) zodat een aantal Derde Wereldlanden voortdurend het mes op de keel hebben en gedwongen zijn om met zeer korte tussenpozen de vernederende weg naar Canossa te gaan. De aanvaarding van een door het IMF goedgekeurd stabiliseringsprogramma vormt een noodzakelijke voorwaarde tot praten.

De eigenlijke onderhandelingsronde wordt voorbereid op enkele vergaderingen waarop een afgevaardigde van de schuldenaar rapport uitbrengt over de situatie in zijn land, iemand van het IMF de betalingsbalansproblemen toelicht en iemand van de Wereldbank de ontwikkelingsperspectieven evalueert. Daarna wordt gepraat over de precieze herstructureringsvoorwaarden: de herschikkingsperiode loopt meestal over 8 jaar met een vrijstellingstermijn van 3 of 4 jaar (maar ook hier gelden geen vaste regels) en het herschikte bedrag vormt over het algemeen 80 tot 90 % van de afbetalingen en interesten. De bereikte resultaten zijn niet meer dan aanbevelingen aan de schuldeisers, die door hen kunnen vertaald worden in bilaterale verdragen met de schuldenaar.

Naarmate de financiële situatie van de Derde Wereld verslechterde kreeg ook de Club van Parijs meer bezoekers:

1956-1975: 31 herschikkingen voor 10 landen voor een totaal bedrag van 8,5 miljard dollar.

1976-1980: 17 herschikkingen voor 9 landen voor een totaal bedrag van 8,5 miljard dollar.

1981-15/11/’83: 28 herschikkingen voor 21 landen voor een totaal bedrag van 10 miljard dollar.

Het IMF coördineerde de hele procedure van schuldherschikking tussen de schuldenaren aan de ene kant en de privé-banken en de officiële schuldeisers (gegroepeerd in de Club van Parijs) aan de andere kant, en versterkte zijn eigen interventie.

De financiële toezeggingen van het IMF aan zijn leden bereikten in september 1983 een recordbedrag van 25,6 miljard STR. Bijna alle toegezegde kredieten gingen naar Derde Wereldlanden. In 1983 financierden de leningen van het IMF ongeveer 20 % van de lopende betalingsbalanstekorten van de Derde Wereld, tegenover een gemiddelde van minder dan 5 % gedurende de vorige jaren. Daarmee zat het Fonds aan het plafond van zijn mogelijkheden, aangezien het quotatotaal 61 miljard STR (of ongeveer 66 miljard dollar) bedroeg, waarvan slechts de helft onder de vorm van bruikbare deviezen. Aangezien elk land zijn quotum voor 75 % in eigen munt betaalt, is per definitie ook 3/4 van de quota der onderontwikkelde laden onbruikbaar: niemand heeft momenteel behoefte aan Braziliaanse cruzeiro’s of Mexicaanse peso’s.

De schaarste aan IMF-fondsen deed zich voor op het ogenblik dat de kredietverstrekking van de privé-banken aan de Derde Wereld ineenschrompelde:

‘Spontane’ bankleningen aan de Derde Wereld (miljoen dollar)

1982Eerste kwartaal10,91983Eerste kwartaal3,3
Tweede kwartaal 12,5 Tweede kwartaal1,8
Derde kwartaal5,1Derde kwartaal2,6
Vierde kwartaal3,7 Vierde kwartaal0,9
Totaal32,2Totaal8,6

Bron: Bank of England, Quarterly Bulletin, geciteerd in: Midland Bank Review, Winter 1984, p. 22.

Daarom werden een reeks maatregelen getroffen om bijkomende middelen te verschaffen aan het IMF:
- de reeds vermelde quotaverhoging met 47,5 %, van 61 naar 90 miljard STR vanaf 1 januari 1984. Dit komt overeen met een inbreng van ongeveer 16 miljard dollar aan bruikbare deviezen;
- een aanzienlijke verhoging van de Algemene Leningsregelingen (General Agreements to Borrow, die reeds in 1962 werden ingevoerd binnen de ‘Groep van Tien’). Het bedrag werd in december 1983 verhoogd van 6,4 miljard STR (ongeveer 7 miljard dollar) tot 17 miljard STR (ongeveer 19 miljard dollar). Deze bijkomende middelen kunnen “in geval van een bedreiging van de stabiliteit van het internationale monetaire systeem” door het IMF worden aangewend voor leningen aan landen die niet tot de ‘Groep van Tien’ behoren. Dit betekent een inbreng van ongeveer 12 miljard dollar;
- de belofte van een aantal West-Europese centrale banken, de centrale bank van Japan en de SAMA (de Saudi Arabian Monetary Authority) om in totaal 6 miljard dollar te lenen op een meer soepele wijze dan gebruikelijk onder de Algemene Leningsregelingen.

Alles bij mekaar werden dus voor ongeveer 34 miljard dollar aan verse bruikbare werkingsmiddelen ter beschikking gesteld van het IMF.

Het Fonds leent dit geld aan de Derde Wereldlanden op voorwaarde dat ze zich ertoe verbinden (in een zogenaamde ‘letter of intent’, een intentieverklaring van de desbetreffende regering die moet goedgekeurd worden door de leiding van het IMF) om een door de technocraten van het Fonds uitgestippeld herstelprogramma uit te voeren. De toegezegde kredieten worden schijf per schijf vrijgemaakt naarmate het beloofde herstelprogramma verwezenlijkt wordt. Bovendien vormt het de voorafgaandelijke voorwaarde om een schuldherschikking met de privé-banken te bekomen (een moratorium voor de terugbetaling van de oude schuld en eventueel nieuwe ‘niet spontane’ leningen om een bankroet te vermijden).

De door het IMF opgelegde condities, de zogenaamde ‘stabiliseringsprogramma’s’, zijn gericht op een snel herstel van het betalingsbalansonevenwicht en bekommeren zich geenszins om structurele maatregelen op middellange of lange termijn. In The Debt Trap somt Cheryl Payer de ingrediënten op van een type-stabiliseringsprogramma:


“1) afschaffing of liberalisering van wissel- en invoercontroles;
2) devaluatie van de munt;
3) binnenlandse anti-inflatoire programma’s, ondermeer:
   a) controle op de bankkredieten, hogere interestvoeten en soms hogere reservevereisten;
   b) controle van het begrotingstekort: beperking van de overheidsuitgaven, verhoging van de belastingen en van de prijzen aangerekend door de overheidsbedrijven, afschaffing van subsidies op verbruiksgoederen;
   c) controle van loonsverhogingen, in de mate dat de regering er vat op heeft;
   d) ontmanteling van de prijzencontroles.
4) grotere gastvrijheid tegenover buitenlandse investeringen”. (p. 33)

De strategie van het IMF komt neer op een drastische inkrimping van de binnenlandse consumptie om de nodige middelen vrij te maken voor het afbetalen van de buitenlandse schuld. Tegelijk drijven de muntdevaluatie en het afschaffen van de prijzencontroles de prijzen van vele, inclusief levensnoodzakelijke, producten de hoogte in. De invoer vermindert en het productieapparaat wordt steeds meer op de uitvoer afgestemd teneinde meer buitenlandse deviezen te verwerven. Uiteindelijk stimuleert de politiek van het IMF een grotere inschakeling van de ‘geholpen’ landen in de kapitalistische wereldmarkt, de meest aangewezen manier om hun economische ontwikkeling op lange termijn te breken.

Een aantal studies van de IMF stafmedewerkers Reichman en Stillson hebben aangetoond dat de aan de bevolking opgelegde offers povere resultaten opleverden. Voor de 75 stabiliseringsprogramma’s gedurende de periode 1963-72, waren er slechts 18 die leidden tot een verhoging van de netto deviezenreserves. Voor de 29 programma’s waarvoor men over concrete informatie beschikte, bleken er slechts 7 een verlaging van het inflatieritme te hebben bereikt. In méér dan de helft van de bestudeerde gevallen verslechterde de toestand. Slechts één derde van de 21 stabiliseringsprogramma’s die na de eerste olieschok werden opgezet, bereikten min of meer hun doel.

Arthur Schlesinger, de vroegere raadgever van president Kennedy, beoordeelde de strategie van het IMF als volgt: “Indien de criteria van het IMF een leidraad waren geweest voor de Verenigde Staten in de negentiende eeuw, zou onze economische ontwikkeling heel wat langer hebben geduurd. Door fiscale orthodoxie aan te prijzen voor de ontwikkelingslanden, bevinden we ons in de situatie van de prostituee, die op het ogenblik dat ze van haar renten gaat leven, gelooft dat de openbare deugdzaamheid de sluiting van de rosse buurt vereist.” (A Thousand Days, p. 158).

Er zijn twee maten en twee gewichten, de wereld heeft twee aangezichten.

Besluit

Bij het naderen van het jaar 1000 bekroop het volk van Europa een grote angst. Men vreesde dat de toorn Gods de wereld zou vernietigen door middel van gruwelijke plagen en kwalen: besmettelijke ziekten, misoogsten, alles vernielende natuurrampen, het kon niet op. De onheilsprofeten konden zich naar hartenlust uitleven. De vrees voor de Apocalyps zat diep geworteld in het judeo-christelijke geloof.

Bij het naderen van het jaar 2000 heeft de mens niet langer behoefte aan de hypothese van een goddelijk ingrijpen om zich onbehaaglijk te voelen, hij heeft zelf de instrumenten geschapen om de aarde onleefbaar te maken. De ontwikkeling van de nucleaire wapens en de permanente ecologische verkrachting hebben niets bovennatuurlijks, het zijn tastbare realiteiten. De angst voor de Grote Catastrofe was waarschijnlijk nog nooit tevoren bij zoveel mensen aanwezig. Voor enkele honderden miljoenen gaat die vaststelling uiteraard niet op: zij leven al in de hel. Maar in het Westen beleven de onheilvoorspellers weer gouden tijden.

De meest verscheiden scenario’s werden reeds uitgewerkt, van de nucleaire holocaust die door één of andere gekke kolonel of door een computerfout wordt veroorzaakt, tot de grote ecologische ramp, die onvermijdelijk toeslaat zodra de tolerantiedrempel van Moeder Natuur overschreden wordt. In 1972 joeg Dennis Meadows ons de stuipen op het lijf met de mededeling dat vóór het einde van de eeuw de economisch exploiteerbare voorraden aan koper, lood, tin, zink, kwik en wolfraam uitgeput zouden zijn en dat we in 2003 ook alle bauxiet zouden opgesoupeerd hebben. In 1981 raamde men de bruikbare bauxietreserves op 253 jaar wereldconsumptie en met die andere metalen blijkt het ondertussen ook best mee te vallen. Wat dat betreft halen we dus al zeker de 21ste eeuw. Maar dit zijn ouwe koeien want de media trekken momenteel krom van de zure regen. Zo kan men eens over wat anders leuteren dan de zwarte sneeuw in de Derde Wereld.

De meest recente variante op de ineenstortingstheorie is de afgrijselijke bankcrash. Het verhaal kan bijvoorbeeld zó gaan: ergens gaat iets bankroet (een bouwonderneming in Hongkong of een kleine petroleummaatschappij in Texas) en een tweetal kleinere banken (ééntje in Duitsland en ééntje in Maleisië) die zwaar geleend hebben aan het slachtoffer, raken in moeilijkheden want ze kunnen hun verplichtingen aan een aantal grote banken, bij wie ze op hun beurt in de schuld staan, niet nakomen. De centrale banken van Duitsland en Maleisië reageren te laat en Fritz Leutwiller van de Bank voor Internationale Betalingen is weer eens met vakantie in een onbereikbare berghut. In een reflex van ‘redde wie zich redden kan’, verdampt de interbankenmarkt met de snelheid van een druppel op een hete plaat, de kleine spaarders bestormen de bankfilialen, in België stijgt de aspirineverkoop spectaculair omdat alle tandartsen tegelijk hun deuren sluiten en naar Luxemburg snellen met de hoop hun frauduleuze beleggingen te recupereren. De lonen van de arbeiders, bedienden en ambtenaren kunnen niet uitbetaald worden, de internationale handel schrompelt ineen want er worden niet langer exportkredieten verstrekt. Paul Volcker, voorzitter van de Federal Reserve Board springt uit het raam van zijn kantoor in Washington. President Reagan roept de noodtoestand uit en patrouilleert zelf in cowboypak door de straten om plunderaars neer te schieten ...

Vergeet het maar. De grote bankcrash zal er niet komen. Tenminste toch niet met het daarnet beschreven sneeuwbaleffect.

Want indien iets dergelijks zou kunnen gebeuren dan was het al gebeurd. In de voorbije twee jaar is het internationale financiële en politieke establishment erin geslaagd om een virtueel bankroet van de tweede grootste schuldenaar uit de Derde Wereld, een zware crisis op de interbankenmarkt ingevolge de Ambrosiano-affaire en de ondergang van de achtste bank van de Verenigde Staten, op te vangen.

Het zou echter verkeerd zijn om het onderscheid te negeren tussen de aanzienlijke veerkracht van de globale kapitalistische structuur en de chaotische functionering van zijn deelmechanismen.

Ondanks de geleidelijke afbrokkeling van de economische hegemonie van de Verenigde Staten, blijft de economische en monetaire politiek van dat land bepalend voor wat zich in de rest van de wereld afspeelt, wat niet betekent dat de VS-regering een rechtstreekse controle heeft over de gevolgen van de door haar gestuurde koers. Zolang de dollar de functie van internationaal geld waarneemt, met andere woorden zolang geen ander land (of landengroep met een gemeenschappelijke munt) de Verenigde Staten kan verdringen als voornaamste kapitalistische grootmacht, zal die toestand blijven bestaan.

De invloed van de sinds vijf jaar door de Reagan-administratie en de Federal Reserve Board gevoerde politiek op de internationale geld- en kapitaalstromen, vormt hiervan een duidelijke illustratie. De enorme begrotingstekorten en de hoge reële interestvoeten zuigen als een reusachtige spons de financiële beleggingen op en drijven de dollarkoers steeds verder omhoog. “De groeiende strijd voor de gunst van ‘s werelds spaarders is het rechtstreekse gevolg van een verschuiving in de financiële stromen: de Verenigde Staten veranderden van een kredietversterker aan de rest van de wereld in één van haar grootste leners. Tussen 1970 en 1978 exporteerden de VS kapitaal ten belope van 76 miljard dollar maar in 1979 sloeg de tendens om. Gedurende de volgende vier jaar leenden de VS een nettobedrag van 150 miljard dollar. Voor de VS is het van levensbelang om dat buitenlands geld te behouden — en nog eens een bijkomende 85 miljard dollar aan te trekken — om een recorddeficit op de lopende betalingsbalans te financieren.” (Business Week, 22 oktober 1984, pp. 22-23).

Een dergelijke enorme en bruuske verschuiving van de geldstromen kon slechts optreden in de mate dat de financiële structuur sinds het einde van de jaren ‘60 steeds internationaler werd. De sterke groei van de Eurodollarmarkt is daarvan het meest duidelijke symptoom. Een beperkt aantal mondiaal georiënteerde banken controleert de grootschalige ‘financiële intermediatie’, zij bepalen waarheen de door hen gecentraliseerde fondsen gedraineerd worden. Maar zij handelen niet op basis van een zelfstandig uitgewerkte planning (om nog maar te zwijgen van de reëel bestaande behoeften): hun motief is winst op korte termijn. En ondanks hun sterke onderlinge afhankelijkheid doorheen het interbankencircuit, bestaat er geen enkele voorafgaandelijke consultatie: de concurrentieslag woedt ongenadig.

De combinatie van deze twee basiselementen (winstmaximalisatie en concurrentie) van het kapitalistische systeem, met de reusachtige concentratie van financiële middelen in een niet of nauwelijks gereglementeerde internationale markt die 24 uur per etmaal functioneert, vormt een permanent risico. Het aantal banken dat de voorbije twee jaar op één of andere manier in moeilijkheden raakte is indrukwekkend: zowel door de geografische spreiding (USA, Groot-Brittannië, Spanje, Denemarken, de Filippijnen, Maleisië, Israël, West-Duitsland, Thailand), door de ernst van sommige problemen - waarbij het ganse financiële systeem van een land op de helling kwam te staan (zoals in Israël, Maleisië en Thailand) — als door de reputatie van een aantal onder hen (de Bank of America en de Continental Illinois in de Verenigde Staten, de Midland Bank in Groot-Brittannië, de Banco Hispano-Americano in Spanje). De toename van het aantal ‘ongevallen’ en de ernst ervan toont aan dat de bankiers stilaan zichzelf aan het voorbij hollen zijn.

Drie probleemgebieden tekenen zich af:

- De explosie van de valutaspeculatie: het gaat hier niet om marginale activiteiten van enkele duistere particulieren (de ‘gnomen van Zürich’) maar om een veralgemeend systeem. Op dit ogenblik maken de valutatransacties, die rechtstreeks verbonden zijn met de economische activiteit (internationale handel in goederen en diensten, buitenlandse investeringen), nog slechts 5 % (vijf procent!) uit van de valutahandel. De overige 95 % bestaan uit speculatieve transacties in de ruime betekenis van het woord. De megabanken, de grote verzekeringsmaatschappijen en de multinationale bedrijven, die over reusachtige hoeveelheden liquide middelen beschikken, zijn dagelijks in het getouw om maximaal te profiteren van de wispelturige interestvoeten en wisselkoersen. De Financial Times journalist Philip Stephens publiceerde begin januari 1985 een artikel met de veelzeggende titel Hoe de speculanten de toon aangeven en hij besluit zo: “Zelfs Beryl Sprinkler, de VS-onderstaatssecretaris van financiën, de kampioen van de vrije markt, heeft in besloten kring zijn twijfels geuit over de weldaden van een volledig onbelemmerde markt in buitenlandse valuta. Alle tekenen wijzen er nochtans op dat de tendens die de afgelopen jaren werd vastgelegd nog zal toenemen eerder dan te verzwakken”. De ervaringen van de jaren ‘70 hebben geleerd dat de speculatieve valutahandel een zeer winstgevend maar tegelijk een uiterst riskante zaak is.

- De schuldenlast van de Derde Wereld: de grootste problemen blijven zich situeren in enkele Latijns-Amerikaanse landen, meer bepaald in Brazilië, Mexico en Argentinië. Zolang de politieke macht er in handen blijft van de burgerlijke klasse, zal men blijven proberen de gaten op te vullen met de stoplap van de schuldherschikking, gekoppeld aan een drastische soberheidspolitiek. Maar zelfs in dat geval schuift men de problemen voor zich uit: herschikking betekent dat de afrekening 5 of 10 jaar wordt vertraagd en men kan niet eeuwig doorgaan met een bezuinigingspolitiek op de rug van het volk. Vroeg of laat moet dit leiden tot een uitbarsting van massaal protest.

De mogelijkheid om de schuldenlast te financieren hangt bovendien in belangrijke mate af van de Verenigde Staten. Zo is bijvoorbeeld de handelsbalans van Mexico met de VS, van een tekort van 4 miljard dollar in 1981, omgebogen in een overschot van 6 miljard. Dit overschot is niet alleen het resultaat van een sterke daling van de invoer maar ook van een aanzienlijke exportstijging (30 % over de periode 1981-84). Hetzelfde geldt voor landen als Brazilië, Argentinië en Zuid-Korea. Maar dit mechanisme kan slechts zolang functioneren als de Amerikaanse economie een hoogconjunctuur beleeft.

- De evolutie van de Amerikaanse economie: drie onderling verbonden factoren zijn hier van belang: de diepte van de volgende economische recessie, de verdere ontwikkeling van de interestvoeten en de koers van de dollar. De economische heropleving in de Verenigde Staten is het resultaat van een relancepolitiek via een verhoging van de overheidsuitgaven (23,5 % van het BNP in 1984 tegenover 22,5 % in 1980), gekoppeld aan een relatieve vermindering van de inkomsten (18,7 % van het BNP in 1984 tegenover 20,1 % in 1980). Het daaruit voortvloeiende begrotingstekort (van 50,7 miljard dollar in 1980 tot 175 miljard in 1984) wordt niet gefinancierd door inflatoire geldschepping maar door een sterke stijging van de overheidsleningen. Om de financiële markten in binnen- en buitenland te kunnen afschuimen, moeten de reële interestvoeten (het inkomen van de beleggers in staatsobligaties) hoog gehouden worden. De kapitaalinvoer versterkt de vraag naar dollars in het buitenland en verklaart de sterke positie van die munt op de wisselmarkten. Maar deze spiraal kan uiteraard niet eindeloos volgehouden worden. De hoge interestvoeten en de hoge dollarkoers leggen een zware hypotheek op het Amerikaanse bedrijfsleven. Een nieuwe economische recessie en een heropleving van de inflatoire tendensen lijken dan ook onvermijdelijk: de enige vragen die openblijven zijn het tijdstip waarop Reagans triomfalistisch kaartenhuis zal ineenstorten en of men er zal in slagen om op dat ogenblik een financiële paniekreactie in te dijken... en tegen welke prijs. Wie de prijs zal betalen hoef ik je niet uit te leggen.

Geraadpleegde literatuur


Robert, Z. Aliber, The International Money Game, Third and expanded edition, New York, Basic Books, 1979.
Steven Bell & Brian Kettell, Foreign Exchange Handbook, London, Graham & Trotman, 1983.
E.A. Brett, International Money and Capitalist Crisis, The Anatomy of Global Disintegration, London, Heinemann, 1983.
Brendan Brown, The Forward Market in Foreign Exchange. A Study in Market making, Arbitrage and Speculation, New York, St. Martin’s Press, 1983.
Gunter Dufey & Ian H. Giddy, The International Money Market, Englewood Cliffs, Prentice Hall Inc., 1978.
External Debt of Developing Countries, 1983 survey, OECD, Paris, 1984.
Stephen F. Frowen (ed.), A Framework of International Banking, Guilford, Guilford Educational Press, 1979.
Derk Gorman, The IMF: Its Financial Role, Barclays Review, February 1984, pp. 8-13.
Xabier Gorostiaga, The Role of the International Financial Centres in Underdeveloped Countries, New York — London, St. Martin’s Press — Croom Helm, 1984 (With new material added for the English edition by Ludovico Alcorta and Vivianne Prochazka).
Korteweg en Keesing, Het Moderne Geldwezen, Deel IIB. De techniek van het internationale betalingsverkeer, l4de herziene druk, Amsterdam, Noord-Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1979.
Managing Global Debt, A Staff Paper by Richard S. Dale and Richard P. Mattione, Washington DC., The Brookings Institution, 1983.
Le Marché Interbancaire International. Etude descriptive, Banque des Règlements Internationaux, Département monétaire et économique, Bále, 1983.
Michael Moffit, The World’s Money. International Money from Bretton Woods to the Brink of Insolvency, New York, Simon & Schuster inc., 1983.
Cheryl Payer, The Debt Trap. The IMF and the Third World, New York and London, Monthly Review Press, 1974.
Ron Philips, The Role of the International Monetary Fund in the Post-Bretton Woods Era, Review of Radical Political Economics, Vol. 15, N° 2, Summer 1983, pp. 59-81.
Jean Rivoire, Les Banques dans le monde, Que Sais-Je?, nr. 1769, Paris, Presses Universitaires de France, 1980.
Anthony Sampson, The Money Lenders, London, Hodder and Stoughton, 1981.
Gary Smith, Money and Banking: Financial Institutions, Reading, Addison-Wesley Publishing Company, 1982.
L.A. Soenen, Valutabeheer, Aula Paperback 59, Utrecht/Antwerpen,Het Spectrum, 1981.
Brian Tew, The Evolution of the International Monetary System 1945-1977, London, Hutchinson, 1977.
R. Triffin, Europe and the Money Muddle, New Haven, Yale University Press, 1957.
R. Triffin, Gold and the Dollar Crisis, New Haven, Yale University Press, 1960.
John Williamson, A New SDR Allocation?, Washington D.C., Institute for International Economics, March 1984.
Verschillende jaargangen van: Financial Times, Neue Zürcher Zeitung, Le Monde, The Wall Street Journal, The Economist, Business Week, Wirtschaftswoche, Der Spiegel, Die Zeit, The Banker, Euromoney, International Currency Review, The Amex Bank Review, World Financial Markets, Monthly Review, Le Monde Diplomatique.