Florentinus Marinus Wibaut

Over coöperatie


Geschreven: februari 1899
Bron: De Nieuwe Tijd, 2e jaargang, 1898 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
De coöperatie als grondslag van de arbeidersbeweging (1876-1885)
Het vraagstuk der co÷peratie op het Internationaal Socialistisch Congres van Kopenhagen
Co÷peratie en socialisme
De coöperatie en het socialisme

“Het coöperatieve beginsel is een
conserverend beginsel in de edelste zin des woord.
Het breekt de eigendom niet af, maar maakt hem algemener.”
Mr. N.G. Pierson,e openingsrede 3e Intern. Coöp. Congres, Delft.

“Het socialistische beginsel in als het coöperatieve beginsel; beide zijn conserverende beginselen in de edelste zin des woord.
Zij breken de eigendom niet af, maar maken hem algemener.”
Tentareo Makato, Minister van Staathuishoudkunde, B.D., in Japan.

Dit is van de coöperatie wel heel plezierig. Men kan er de meest tegenstrijdige dingen van zeggen en toch gelijk hebben. Het hangt er maar van af welke coöperatie men bedoelt.

En dan kan men er ook zo pakkend mee goochelen, door het woord om en om te gebruiken in zijn gewone betekenis én in de zin van algemene samenwerking in de productie, die het behalve in feestredes en gelijksoortige literatuur, wel voor niemand nog heeft.[1]

Wie over coöperatie enige geschriften bij de hand heeft en in tegenstrijdige citaten behagen schept kan zich veel genoegen geven. Daar is bijvoorbeeld de Heer van Marken: “De coöperatieve beweging moet aan haar leden vóór alles het beginsel der solidariteit inprenten; zij moet de mens van het grote en zelfzuchtige individualisme tot het ware, ideale socialisme van zelfverloochening en liefde voor de naaste, voor de gemeenschap verheffen.”[2] en de Heer Charles Robert, ook een coöperator van naam, algemeen secretaris van de Franse Coöperatieven Bond: “De socialistische en collectivistische theorieën wijzen wij beslist af, omdat wij met hart en ziel gehecht zijn aan de beginselen van vrijheid en van individuele eigendom, die men zo bewonderenswaardig verenigd vindt in onze coöperatieve verenigingen van elke aard.”[3] Zij hebben beiden gelijk want de coöperatie kán zijn de opleiding in solidariteit, de voorbereiding der gemeenschappelijke productie zoals de heer van Marken bedoelt, doch is meestal de tegenstelling van deze beweging, de dienst van het meest absolute individualisme, de eredienst van de bijzondere eigendom, zoals de heer Robert haar huldigt.

Zelfs is het niet altijd nodig verschillende schrijvers tegenover elkaar te stellen. Men vindt ook al heel aardige tegenstellingen bij dezelfde auteur. Zo bv. bij Prof. Mr. M.W.F. Treub. In zijn Nutsbrochure zegt hij:[4] “De economische betekenis van de naamloze vennootschappen aan de ene en de coöperatieve verenigingen aan de andere kant wordt veel beter uitgedrukt door deze tegenstelling: de naamloze vennootschappen zijn verenigingen van kapitalisten, de coöperatieve verenigingen zijn verenigingen van personen die kapitalisten wensen te worden.” Daar is dus de coöperatie de steunpilaar, de versterking van de kapitalistische productie, zoals bij Professor Pierson de versterking van het stelsel van bijzonder eigendom. In een ander geschrift echter, uit ongeveer dezelfde tijd zegt Mr. Treub[5] “De goed georganiseerde verbruikscoöperatie heeft ... deze grote economische betekenis, dat zij een praktische uitdrukking geeft aan de in theorie onbetwistbare maar ten gevolge van de anarchistische productiewijze van onze moderne maatschappij in het werkelijke leven maar al te dikwijls zoek rakende stelling, dat geproduceerd wordt (moet worden zal de bedoeling wezen) voor de consumptie en niet omgekeerd: geconsumeerd om de productie aan de gang te houden” en wat verder “Zo leidt zij (de verbruikscoöperatie) tot een gemoderniseerde hogere vorm van productie niet voor de markt maar voor de eigen behoeften.” Hier is de coöperatie de voorbereiding tot de vervanging der kapitalistische productie voor winst door de gemeenschappelijke productie voor product, voor voorziening in de algemene behoeften. En beide Mrs Treub hebben alweer gelijk. Die van het Nutsboekje ziet de coöperatie zoals ze op dit ogenblik algemeen is. Die van het preadvies ziet wat de coöperatie, als bewuste voorbereiding tot collectivisme, zou kunnen wezen.

Zo hebben ook gelijk beide collega’s ministers, wier uitspraken boven dit opstel als motto prijken. Minister Pierson heeft gelijk, omdat hij de individualistische coöperatie bedoelt welke het stelsel van bijzonder eigendom bestendigt, opkomend verzet er tegen kan temperen door een aantal vroeger uitgesloten, van de voordelen van dit stelsel een kruimpje mee te doen snoepen. En Minister Makato heeft ook gelijk, want zijn socialistisch beginsel wil de eigendom nog algemener maken dan het coöperatieve van zijn collega, juist het toppunt van algemeen, door hem te onttrekken aan de heerschappij van bijzondere personen. Tentareo Makato’s coöperatie, al bedoelt hij ze anders, is dus nog wel conserverender dan die van Mr. N.G. Pierson, omdat hij de vruchten van de eigendom voor allen behouden wil, absoluut niemand wil toelaten die van een ander weg te grissen.

Doch zo deze ministers en andere geleerden over de coöperatie zo verschillend spreken en dan toch gelijk hebben, dan moet coöperatie geen scherp omlijnd beeld zijn, dan moet hetzelfde woord worden gebruikt voor uiteenlopende begrippen, voor tegenovergestelde bewegingen.

De coöperatie is een moderne beweging. In haar oorsprong is zij een terugwerking van de omwenteling in de productie die het einde der 18e eeuw, het begin der 19e eeuw hadden gezien; een reactie van de sterk toegenomen afhankelijkheid van de grote massa, die van de eigendom der aldoor groter en krachtiger en meeromvattend wordende productiemiddelen, waren uitgesloten.

De coöperatieve beweging is in haar aanvang een arbeidersbeweging, een verzet van de arbeider tegen zijn beheerser, de winstmaker, een anti-winstbeweging. De eerste coöperators waren grotendeels volgelingen van Robert Owen, die verwezenlijken wilden, al was het een dwaling te menen dat afzonderlijke groepen mensen dit verwezenlijken konden, het door Owen beschreven nieuwe maatschappelijke stelsel, dat berusten zou op de samenwerking in productie voor verbruik. De verdwijning van de winst, van de winstmaker was de grondslag van het nieuwe maatschappelijk stelsel zoals Owen dat zag. Het winst maken in de productie was de oorsprong van alle kwaad, van de ellende der armen en de hebzucht der rijken, de eeuwige aanleiding van strijd tussen personen, naties en klassen; de oorzaak van wat men toen reeds overproductie ging noemen, de opgehoopte voorraden, de stilstaande machines en de hongerende arbeiders. Er zou in zijn stelsel gemeenschappelijk bezit zijn van grond en arbeidsmiddelen voor de wedloop om winst zou in de plaats treden de ruil van verbruiksgoederen tussen de groepen van samenwerkende arbeiders, naar de maatstaf der kosten van productie, zoals hij die verstond.[6] Hij was de coöperator van de heer van Marken; “de algemene coöperatie voor het leven” die in de plaats treedt van “de algemene strijd om het leven.” Zo waren ook de door de tegenwoordige coöperators zo gaarne en zo vaak genoemde en geprezene pioniers van Rochdale, grotendeels volgelingen van Robert Owen. Als doel van hun vereniging wordt genoemd: het inrichten van een winkel voor de verkoop van levensmiddelen klederen enz.; het bouwen, inrichten enz. van woningen voor de leden; het maken van allerlei artikelen om werk te verschaffen aan werkloze leden, of aan zulke die onder telkens herhaalde loonsverlaging lijden; het kopen of huren van land dat in cultuur zal worden gegeven aan leden die zonder werk zijn of te slecht betaalde arbeid hebben; waarbij dus reeds niet ontbreekt het inzicht dat de verbruikscoöperatie moet dienen om de leden sterker te maken in de loonstrijd; maar dan volgt verder: dat de vereniging zo spoedig mogelijk over zal gaan om de productie, de verdeling (distributie) en de opvoeding en de regering onder haar beheer te nemen; of, met andere woorden zal inrichten eens zelfstandige kolonie van gemeenschappelijk leven, of andere verenigingen zal behulpzaam zijn in het stichten van zulke koloniën waaruit dus duidelijk spreekt dat deze zogenaamde voorlopers der coöperatie, bedoelden door coöperatie te komen tot een gehele omwenteling van de maatschappelijke inrichting.

Dat wij nu allen, althans bijna allen, deze koloniën-illusies te boven zijn, is nog wel recent genoeg geleden om in onze meerdere wijsheid niet op deze koloniën-dromers neer te zien; zo wij weten dat zulke groepen van gemeenschappelijk wonende, ook onder de gunstigste omstandigheden niet de stoot kunnen geven voor een omwenteling in de productie, weten wij ook dat de coöperators die wel deze illusie hadden, in deze koloniën niet anders dan het middel zagen, om aan de ondragelijk wordende druk van de winstproductie te ontkomen. De vakaaneensluiting was de ene zijde van de reactie tegen deze druk, doch de vakvereniging werd door de heersende klasse belemmert zolang zij het vermocht; naast de vakvereniging zou de coöperatie een ander strijdmiddel voor de arbeiders wezen; dat zou zij reeds aanstonds wezen, want de aanleiding voor de oprichting van deze coöperatieve vereniging, was een verloren werkstaking onder de fluweelwevers; maar in de hoop van de oprichters zou zij in de toekomst anders en veel meer wezen: de weg die zou leiden tot onafhankelijkheid der arbeiders in de productie, tot het ontkomen aan de winstmakers.

Het is duidelijk dat de ontwikkeling van de coöperatieve beweging niet de ruime toepassing heeft gebracht van de beginselen van deze voorlopers. Doch het zou kunnen zijn dat de verlopen tijd te kort is geweest om dit einddoel te bereiken. De vraag die wij hebben te bespreken is niet of de coöperatieve beweging al tot de gemeenschappelijke productie heeft geleid, maar de vraag is of zij er ooit toe leiden kan. De vraag is of de algemene coöperatie voor het leven waarvan de Heer van Marken in zijn feestrede sprak, kan worden verwacht, ooit de uitkomst te wezen van de tegenwoordige coöperatieve beweging. Of, om ons voorlopig met iets minder tevreden te stellen, of de coöperatieve beweging althans een voorbereiding kan wezen, een opleiding tot de geschiktheid om in de productie tot waarlijke samenwerking te komen, gesteld dat die overigens in onze maatschappij mogelijk is.

Er zijn twee soorten van coöperatie: verbruikscoöperatie en productieve coöperatie. Voor de woordvoerders in de coöperatieve beweging zijn deze beide soorten slechts in vorm verschillend, maar gaan zij uit van hetzelfde beginsel, bewegen zij zich in dezelfde richting, liggen hun uitkomsten in dezelfde lijn. Prof. Treub zegt in zijn bovengenoemd geschrift blz. 27, Over de economische invloed van de toepassing der coöperatie. “In beide vormen gaat de coöperatie tegen de kapitalistische productiewijze in en tracht zij een hogere productie en distributiewijze daarvoor in de plaats te stellen. Bij de productieve coöperatie is de strijd tegen het kapitalisme duidelijker, bij de verbruikscoöperatie is hij minder duidelijk zichtbaar, maar ligt hij dieper. Welke vorm in een gegeven geval de voorkeur verdient hangt van omstandigheden af.” Het is wel een genoegen deze auteur de term “kapitalistische productiewijze” zo vlotweg te zien gebruiken, zonder de bijvoeging, dat alleen socialisten de heersende productiewijze erkennen als kapitalistisch d.i, als gedreven enkel ten bate van de kapitalist. Het genoegen over deze vooruitgang is te groter omdat Prof. Treub enige regels hoger op dezelfde bladzijde nog heeft gesproken van “de brug die de coöperatie legt tussen kapitaal en arbeid”. Doch het genoegen kan geen instemming worden. Mijn mening is dat verbruikscoöperatie en productieve coöperatie in beginsel en in strekking lijnrecht tegenover elkaar staan, dat de verbruikscoöperatie kan ingaan tegen de kapitalistische productiewijze, de productieve coöperatie echter van zuiver kapitalistisch karakter is, wel hier of daar een gegeven kapitalist kan schaden, doch met de kapitalistische productiewijze evenwijdig loopt.

De verbruikscoöperatie, is de vorm van samenwerking die door gezamenlijke inkoop in het groot. of door gezamenlijke verschaffing in het groot van allerlei artikelen, in de behoefte der leden aan deze artikelen voorziet, met vermijding van de winstmaker: de winkelier, koopman of fabrikant. De verbruikscoöperatie is een anti-winstbeweging. Zij erkent het karakter van winst als te zijn de schatting geheven uit de behoefte der verbruikers. De verbruikscoöperatie behoeft geen winst te maken, eigenlijk doet zij het ook niet. Wat bij haar winst wordt genoemd is in economische zin niet anders dan besparing. Zo duizend mensen zich verenigen om een bakkerij op te richten en zij besluiten, zoals dit bij de coöperatie van het Rochdale type steeds het geval is, hun brood te betalen aan de prijs die de particuliere bakkers vragen, dan weten zij te voren, dat zij voor het brood meer betalen dan het hun vereniging kost.

Zij weten niet precies hoeveel meer, of het een cent is per brood of maar drie kwart, doch willens en wetens betalen zij meer. Zij hebben er geen bezwaar tegen omdat wat zij meer betalen toch weer in een of andere vorm tot hen terug komt, en wel in de verhouding van hun broodverbruik, dat is in de verhouding waarin ze in dit meerdere hebben bijgedragen. Doch dit alles geeft aan dit meerdere het duidelijke karakter van besparing. Het karakter van winst is er niet in. Winst maakt men uit anderen, uit de behoeften van anderen, doch niet uit zichzelf. Er zijn ook coöperatieve verenigingen, die van het Londense type, die aan haar leden de waren leveren aan kostprijs, met inbegrip van een percentage voor algemene kosten en die dus naar het kweken van overschotten niet streven. Om allerlei reden, gedeeltelijk administratieve, gedeeltelijk om de verhouding tussen de coöperatieve verenigingen en de particuliere ondernemers in hetzelfde bedrijf minder scherp te maken, zijn de coöperators van het Rochdale type er toe gekomen, in de regel voor de leden de gewone winkelprijzen te berekenen. Spoedig is ook gebleken dat de aldus gekweekte overschotten, op zekere tijdstippen verdeeld, in de vorm van winkelwaren of geld, de leden zo welkom waren dat niemand het stelsel wilde veranderen, niemand de prijs in de verenigingswinkel dichter bij de kostprijs wilde gesteld zien. Wanneer men zijn deel in die overschotten dan winst noemde, bedoelde men eigenlijk, het bedrag dat voor de winkelier, de ondernemer, winst zou geweest zijn, zo men niet door zich tot een verbruikscoöperatie te verenigen, de ondernemer ware ontgaan. Zo is de Rochdale verbruikscoöperatie, al wordt daarbij nóg zoveel over winstverdeling onder de leden gesproken, toch lijnrecht gericht tegen wat in de economie heet ondernemerswinst; lijnrecht gericht tegen de ondernemer, beoogt zij zeer bewust de verdwijning van de ondernemer, de verdwijning van het element winst. Zo heeft deze beweging in zich de gegevens om de kapitalistische productiewijze, de winstproductie te verstoren, te vervangen.

Een andere eigenschap der verbruikscoöperatie is haar zuiver democratisch karakter. Ieder die verbruiker wil wezen en een aandeel van enige guldens als inleg wil storten, al doet hij deze storting ook maar geleidelijk uit zijn te kweken overschotten, is welkom als lid van de verbruiksvereniging.[7] Waarom zou hij het niet zijn? Hoe meer verbruikers, hoe beter in het groot kan worden gekocht, in het groot kan worden gemaakt. Maar dan is er een meer die in de winst komt delen? Neen hij zal slechts ontvangen in verhouding tot zijn verbruik, slechts ontvangen het overschot dat hij zelf heeft gekweekt. De vroegere leden hebben dus van de toetreding van meerderen enkel de voordelen; de voordelen dat het verschaffen der waren er voor allen voordeliger door wordt, de overschotten voor allen dus groter. Ook in het beheer is de verbruikscoöperatie democratisch; elk aandeel heeft een stem, en in de regel kan geen lid meer dan een aandeel bezitten, althans meer dan één stem uitbrengen.

Beschouwen wij nu de productieve coöperatie. Zij ziet er op het oog zeer gevaarlijk uit. Zij heeft de schijn de ondernemer uit de werkplaats, uit de fabriek te willen verdringen. In de plaats van de ondernemer die de arbeidskracht koopt waar die het goedkoopst is, zoals hij ook machines zou kopen, en die de gehele netto-opbrengst van de arbeid (bruto-opbrengst minus loon) voor zichzelf in beslag neemt, zal komen in elke fabriek of werkplaats een broederschap van arbeiders, die de arbeid onderling verdelen en regelen en de gehele opbrengst van hun eigen arbeid behouden. Dit is de “drukkerij voor de drukkers”, “de timmerfabriek voor de timmerlieden” en de “mijn voor de mijnwerkers”. Er wordt niet betwist dat voor de groepen arbeiders, die nu behalve het loon van vroeger ook de ondernemerswinst met elkaar zullen delen, de omstandigheden materieel beter zijn geworden. Maar zullen deze productief samenwerkende groepen hun broederschap nog verder kunnen uitbreiden dan tot hun eigen enge kring? Zullen zij, als de verbruikscoöperators, de toegang tot hun vereniging open kunnen stellen voor elk, binnen de grenzen van hun statuten, aldus steeds wijder makend de kring waarbinnen de voordelen der samenwerking worden genoten? Zij zullen het niet kunnen. Zij zullen exclusief moeten zijn, beschouwend elk die zou toetreden als een indringer, die verkleinen zou het voordeel dat hun deelachtig is geworden.

Wat zal hun verhouding zijn tot allen die buiten hun kring staan, ook tot hen die vroeger hun mede arbeiders waren? Juist dezelfde als die van alle ondernemers tot verbruikers. Als voor alle ondernemers zullen voor hen de verbruikers zijn, de mensen uit wie winst moet geperst worden. Er zal in de aard der productie niets zijn veranderd, ze zal zijn gebleven kapitalistische productie, zijn gebleven winstproductie. Niet als bij de verbruikscoöperatie, zal voorziening in behoefte op de rationeelste wijze zijn het ver liggende doel. Het enige en het eeuwige doel zal zijn de grootst mogelijke winst, dat is de grootst mogelijke schatting, geheven uit de behoeften van anderen. Want zo winst niet het streven is, hoe zou dan het aandeel dat deze samenwerkende in het product hebben, groter zijn dan vroeger het loon. Het enige dat veranderd is, is dat in plaats van één ondernemer, één grote winstmaker, twintig of honderd kleine ondernemers, twintig of honderd kleine winstmakertjes zijn gekomen. Doch de functie, het stelsel van winst maken is onaangetast gebleven. Zo min men de grondeigendom opheft door het kleingrondbezit in de hand te werken, zo min bestrijdt men de kapitalistische productiewijze door enkele grote kapitalistische ondernemers te vervangen door veel kleine kapitalistjes, allen tezamen ondernemers.

Zo is er dus in de productieve coöperatie niets wat tegen de heersende productiewijze ingaat. Het is de coöperatie van minister Pierson, omdat zij “conserverend is in de edelste zin des woords”, omdat zij een aantal vroeger strijdbare arbeiders onttrekt aan hun strijdende klasse; zij bestendigt de kapitalistische productiewijze, omdat zij haar nieuwe steunpilaren geeft in de nieuwe mede-kapitalisten, medewinstmakers. Doch zij is niet de coöperatie van minister Makato, omdat zij de eigendom niet algemeen genoeg maakt, niet zó algemeen als deze zou worden bij zijn verdwijning, die het toppunt van het algemeen maken is.

“Als”, zegt Prof. Treub,[8] “de verbruikscoöperators slechts niet vergeten dat zij de aanspraken van hun productieve krachten, de productieve coöperators dat zij de aanspraken van hun afnemers niet hebben te negeren, dan voeren beide vormen van coöperatie tot hetzelfde doel, wederzijdse concurrentie en exploitatie te vervangen door onderlinge samenwerking.” Dit zijn zeer gulden woorden, overwaard te worden betracht niet enkel door productief-coöperatieve ondernemers doch door alle ondernemers. Ja, als de ondernemers de aanspraken van hun afnemers niet negeerden, de Rockefellers de petroleum niet duur maakten, de steenkolensyndicaten de kolenprijzen niet verhoogden, alle ondernemers groot en klein, coöperatieve en alleen werkende, in trusts georganiseerde en nog achterlijke ongeorganiseerde, als al deze ondernemers niet streefden uit de afnemers de meest mogelijke winst te persen, juist tot de grens bij welker overschrijding de afnemers zouden ophouden afnemers te wezen. Ja als dat eens niet meer gebeurde, dan zouden wij komen in het land van melk en honing en van onderlinge samenwerking. Doch Professor Treub kan evengoed wensen dat de gebraden appels aan de bomen zouden groeien. Ondernemers zijn nu eenmaal winstpompen. Dat is juist het eigenaardige van die welbekende kapitalistische productiewijze voor winst, die ook Professor Treub wil vervangen zien door de hogere vorm van de samenwerkende productie voor behoeften. Doch voor deze vervanging is de verdwijning van de winstmaker, van de ondernemer, onontbeerlijk. Het baat niet tot hem te zeggen: maak nu niet zoveel winst dat het uw afnemers hinderlijk wordt: hij zal u zeggen, als ik mijn afnemers over mijn winst moet laten beslissen, dan houdt ik op ondernemer te wezen, want mijn afnemers zullen enkel zoveel schatting opbrengen als waartoe de productiewijze hen verplicht, alle schatting is hen hinderlijk, zij willen ze geheel zien verdwijnen.

Daarom kan productieve coöperatie, ook al zou men haar beoefenaars dierbaar toespreken, de kapitalistische productiewijze niet bestrijden, niet vervangen, omdat deze productie zelve kapitalistisch is, kapitalistisch moet wezen omdat zij gedreven moet werden met winst als doel. Daarom is de productieve coöperatie de tegenstelling van de verbruikscoöperatie, omdat de ene winstproductie moet wezen, het element winst moet vereren en in stand houden, met het diepe ontzag dat kleine grondbezitters voor de grondeigendom hebben: omdat de andere recht tegen het winstmaken ingaat, de winstproductie, het uit elkaar winst persen, vervangt door de voorziening in elkaars behoeften. Omdat de ene de winstproductie wil behouden, enkel de voor een zekere groep meest hinderlijke winstmaker, de ondernemer die hun patroon was wil wegjagen om zelf in zijn plaats te gaan staan; verandering van personeel aan de winstpomp, maar voortgaan met pompen. Omdat de andere allen tezamen de druk der kapitalistische winstproductie wil doen ontkomen.

Zo kan ook de productieve coöperatie niet de coöperatie van de heer Van Marken wezen, want zij kán niet “aan haar leden voor alles het beginsel der solidariteit inprenten.” Want aan het woord solidariteit zal de heer Van Marken toch wel zijn mooie betekenis willen laten, van voor elkaar opkomen in zéér ruime kring. Solidariteit is het opkomen allen voor elkaar van mensen omdat ze zich mensen voelen; solidariteit van arbeiders is het opkomen allen voor elkaar van arbeiders, omdat ze zich arbeiders voelen, het opkomen voor de klasse; de algemene mensensolidariteit zou mooier en ruimer wezen dan de arbeiderssolidariteit zo ze reeds mogelijk ware; doch de solidariteit der arbeidersklasse moet er eerst wezen, moet eerst krachtig wezen en lang krachtig, voor we tot de nog mooiere mensensolidariteit kunnen komen. Zo kunnen we over het mooiere nog niet spreken, doch we kunnen al spreken over het mooie. De solidariteit der arbeiders, der arbeidersklasse kan door de productieve coöperatie niet worden bevorderd.

Samenwerkenden in een productieve coöperatie zullen zeker het gevoel hebben van met elkaar voor hetzelfde doel op te komen, doch dit zelfde doel zal wezen de eigen winst; zij zullen het gevoel hebben tegenover elkaar verantwoordelijk te wezen, zij zullen dat gevoel evengoed hebben maar niet anders als compagnons in een gewone industriële of handelszaak en het zal eveneens in het belang zijn van de eigen winst; zij zullen wel de solidariteit voelen, bedoeld in het handelswetboek, maar niet de solidariteit van het ongeschreven wetboek der humaniteit, die de heer Van Marken bedoelt. Ook niet de al bereikbare solidariteit voor hun klasse, omdat de buiten de samenwerkende vereniging staande massa der arbeiders, hun afnemers, hun verbruikers moeten zijn, dat is hun winstobjecten, de voorwerpen waaruit zij hun winst moeten persen. Zelfs zullen deze productief samenwerkende arbeiders nauwelijks meer de gewone vakverenigings-solidariteit betrachten, het met hun vakgenoten opkomen voor werktijden en lonen, voor de voorwaarden waaronder arbeid zal worden verricht. Want zij zullen hun vrijheid begeren, de vrijheid die alle ondernemers behoeven in het bedrijf, opdat het zo winstgevend mogelijk kan wezen. Zo het aandeel dat zij verkrijgen in het product maar groot genoeg is, zal het hun niet deren welk gedeelte ervan loon heet en welk winst. De waarheid is dat geen gedeelte ervan meer loon zal wezen, want deze samenwerkenden hebben opgehouden loonarbeiders te zijn, ze zijn kleine patroons geworden. Dus kunnen zij de loonstrijd niet meer voeren, de loonstrijd niet en de strijd niet tegen de kapitalistische productiewijze. Hoe zullen zij zich dan solidair voelen met de arbeidersklasse, wier leven is deze dubbele strijd. De productief samenwerkenden zullen wel hebben opgehouden loonarbeiders te wezen, maar het loonstelsel zal er niet door zijn verzwakt, het loonstelsel zal er door worden versterkt en bestendigd, omdat aan zijn bestrijders goede krachten ontvallen.

Anders in elk opzicht is het met de verbruikscoöperatie. Niet enkel gaat zij in beginsel tegen de kapitalistische winstproductie in, maar zij kan voor de arbeiders de opleiding zijn in solidariteit voor hun klasse, de opvoeding tot en de betrachting van deze opperste arbeidersdeugd. Hier geen kringetjes die men in het belang van het persoonlijk winstaandeel moet afgesloten houden, hier kan elk gelijkgezinde toetreden en welkom wezen. Dit samenwerken, opdat elk er de voordelen van zou genieten, in de vorm van betere waren en lagere prijzen, of wat hetzelfde is, teruggave van een deel van de prijs, is om zijn algemeenheid reeds solidariteit. Het wordt solidariteit van hogere orde, zo de leden besluiten een deel der overschotten, een deel der voordelen door de samenwerking verkregen te beschouwen als een collectief fonds, tot ondersteuning van de vakbeweging, tot ondersteuning van de politieke arbeidersbeweging, tot ondersteuning van de strijd der arbeidersklasse. Hier dus niet het onttrekken aan de loonstrijd, doch het blijven midden er in, zich met de coöperatie versterkend om hem beter te voeren. Intussen met de coöperatie ook de productiewijze, de winstproductie als stelsel bestrijdend en vervangend.

Hier staat ook niets in de weg aan de vervulling van de andere helft van de wens van Professor Treub, dat “de verbruikscoöperators niet vergeten de aanspraken van hun productieve krachten”. Dit ligt niet enkel in de macht der verbruikscoöperatie, doch waar zij samen zal werken met de vakverenigingen is het haar eerste plicht. Aan haar “productieve krachten” zal zij als minimum betalen de lonen die de vakvereniging eist van het kapitalistische bedrijf; voor deze “productieve krachten” zal zij voorzieningen treffen voor de gevallen van ziekte, invaliditeit en ouderdom, zoals de leden voor zichzelf begeren, voor zichzelf in hun strijdprogram hebben geschreven; met de regeling der arbeidsuren zal zij de voorloopster wezen van de kapitalistische industrie, die langzaam en gedwongen zal ná komen lopen. Wat deze voorzieningen en regelingen zullen kosten, zal de productieve coöperatie niet bestrijden uit winst, niet afhankelijk stellen van winst, doch zij zal er de voorrang van erkennen boven wat winst of overschot kan heten, tot haar makend de omschrijving die Robert Owen, van deze waarlijke arbeiderscoöperatie de vader, van de kostprijs van de arbeid heeft gegeven. Overschot zal er eerst wezen als aldus aan de arbeid het volledige loon is gegeven. Want arbeiders die in de coöperatie de versterking in de loonstrijd willen vinden, zullen niet kunnen dulden dat zulk een strijd ook in hun eigen vereniging met recht kon worden gevoerd.

Zo zullen de arbeiders in loondienst der verbruikscoöperatie ook bevoorrechte arbeiders zijn. Doch deze bevoorrechting zal hun strijdlust niet smoren, deze bevoorrechting zal hen maken tot betere strijders, beter ook omdat zij in hun strijd niet de vervolging van hun werkgevers, hier hun medestrijders, hebben te duchten.

Want, anders dan de productieve coöperators, zullen deze bevoorrechten toch arbeiders blijven, zullen blijven in hun klasse. Ook op deze wijze zal de verbruikscoöperatie in tegenstelling met de productieve coöperatie de solidariteit bevorderen en kweken.

Aldus gezien zijn verbruikscoöperatie en productieve coöperatie twee bewegingen, die slechts bij vergissing met dezelfde naam kunnen worden genoemd. De verbruikscoöperatie, in de handen der arbeidersklasse, kan wezen de poging, en tot zekere hoogte het slagen, om aan de druk van de winstproductie te ontkomen. Althans haar streven gaat tegen de kapitalistische productiewijze in. Haar beweging is modern, is geboren uit de ontwikkeling der moderne productie. De productieve coöperatie echter is reactionair. Zij is de opleving van de arbeider, die zijn eigen werktuigen had, de eigenaar was van zijn eigen product; van de arbeider, die zijn eigen grondstof kocht en bewerkte. Zij is de herhaling van de Russische “artel”, de arbeidersgroep die onder aanvoering van een gekozen hoofd, zelfstandig de uitvoering van werkzaamheden op zich neemt, aldus de winst van de ondernemer ontgaande. Zij moet noodzakelijk zijn de bestendiging van het kleine bedrijf, de ontkenning van de suprematie van het zeer grote bedrijf, vereisend veel groter kapitaal dan groepen in één vak samenwerkende arbeiders ooit vermogen te verzamelen.[9] Zij is de opleving van een type uit een vroeger stadium van de productie, toen de productie nog persoonlijk was, persoonlijk, individueel kon wezen. Zo zij, zoals Professor Treub zegt, de poging is om het stelsel der winstproductie te verstoren, dan doet zij het door de dragers van het stelsel, zij die bij de bestendiging belang hebben, veel talrijker te maken. Zij spant het paard achter de wagen, de verbruikscoöperatie die de winstproductie wil bekampen door haar een groot gebied te onttrekken gaat tenminste recht op het doel.

Het is deze vereenzelviging van twee zo uiteenlopende bewegingen, die het mogelijk maakt dat de woordvoerders der coöperatie over haar strekking zo verschillend kunnen spreken. De productieve coöperatie is individualistisch in beginsel en strekking en kan niet anders wezen. De verbruikscoöperatie is in beginsel collectivistisch, kan in strekking collectivistisch wezen. Maar zij kan ook individualistisch zijn en is het overal waar zij zo wordt toegepast, dat de overschotten voor niets anders bestemd zijn dan om elke verbruiker zijn portie te geven, welk portie over veel jaren bijeen gevoegd, wel op een kapitaaltje zou kunnen gaan gelijken. De individualistische coöperatie, in productie of verbruik is de coöperatie van Professor Treub uit het Nutsboekje, de coöperatie van personen “die kapitalisten hopen te werden.” Zij is ook het “conserverend element” waarover Minister Pierson zich verheugt. De collectivistische coöperatie is die van Professor Treub uit de andere brochure, die de kapitalistische productiewijze “de concurrentie en de exploitatie” althans hier en daar wil doen verdwijnen en “onderlinge samenwerking” in de plaats wil doen komen. De coöperatie van de Heer van Marken “de algemene coöperatie voor het leven” en die van Minister Makato, die beiden het socialisme zouden wezen, is er nog niet. Die moet er nog komen.

Wat kunnen sociaaldemocraten met de coöperatie doen? Kunnen zij de coöperatie beschouwen als een voorbereiding tot de organisatie der productie naar welke zij streven? Kunnen zij van de coöperatie zulk een uitbreiding verwachten dat deze geleidelijk de kapitalistische productiewijze zal vervangen door een gemeenschappelijke productie tot voorziening in de behoeften?

Het is uit de bovenstaande ontleding duidelijk dat sociaaldemocraten van de productieve coöperatie niets kunnen verwachten; zo zij ooit aan productieve coöperatie deel nemen dan zullen zij het nooit kunnen doen om aldus in de richting van hun beweging actief te zijn; zij zullen het doen zoals zij een gewone kapitalistische broodwinning volhouden of aanvaarden, uit noodzakelijkheid, om de broodwinning, doch niet om de coöperatie. Zo het voorkomt dat een kleine groep uitgesloten arbeiders, in de arbeidersbeweging, op de doelmatigste wijze is te steunen door hen in staat te stellen voor eigen rekening het bedrijf voort te zetten, door productieve coöperatie dus, sociaaldemocraten zullen er zich niet aan onttrekken, doch zij zullen steunen zoals zij deze uitgeslotenen ook zouden steunen in een gewoon winstbedrijf zonder coöperatie, om de steun, maar niet om de coöperatie.

Maar ten opzichte van de verbruikscoöperatie kan hun houding geheel anders wezen, omdat haar beweging niet tegen de hunne inloopt, tot op zekere hoogte in dezelfde lijn gaat. Het is bekend dat een verbruikscoöperatie die een grote uitbreiding heeft gekregen, de productie, ook de grootproductie, van een aantal artikelen kan ter hand nemen en toch stipt verbruikscoöperatie kan blijven, absoluut kan vermijden, de ondernemerswinst te erkennen als noodzakelijk element in de productie. De uitbreiding die de verbruikscoöperatie in Engeland heeft genomen is ontzaglijk; de in 1896 anderhalf miljoen talrijke coöperators hebben over het hele land hun bakkerijen, hun winkels en hun apotheken; en deze coöperatieve verenigingen hebben zich gefedereerd in twee grote bonden de Engelse en de Schotse Wholesale Societies (groothandelverenigingen); deze bonden zijn grote fabrikanten, grote kooplieden, grote reders, grootondernemers op elk gebied van handel of industrie, elk gebied dat betreden moet worden om in de levensbehoeften van haar leden te voorzien. Behalve ontzaglijke magazijnen in vele steden heeft de Engelse Wholesale Society inkoopkantoren in Canada, in Frankrijk, Denemarken, Duitsland, Zweden en Spanje; zij bezit 27 boterfabrieken in Ierland; een biscuitfabriek, een schoenenfabriek, fabrieken van zeep, wollen klederen, cacao en chocolade, grootte meelfabrieken, een meubelfabriek, grootte drukkerijen, fabrieken van geconserveerde levensmiddelen, van sigaren en tabak, van hemden en onderkleren enz. Zij onderhoudt een geregelde stoomvaartdienst tussen Rouen met Garston en Manchester, Calais en Hamburg met Goole en bezit zeven stoomschepen. Zij heeft het geld en de organisatie om alles wat de wereld oplevert voor voeding en kleding, levensbehoeften in de ruimste zin, in het groot, op de rationeelste wijze voor haar leden te verschaffen. Doch al is zulke uitbreiding op zich zelf ontzagwekkend, zij is betrekkelijk klein in verhouding tot het kapitalistisch bedrijf. Van het nationaal kapitaal van Engeland is niet veel meer dan een duizendste deel in coöperatieve ondernemingen belegd en in andere landen is deze verhouding zeker nog veel kleiner. Men kan hier tegenover stellen dat de beweging in haar groei is en elk jaar uitbreiding aanwijst. Doch zo het waar is dat de grenzen voor de in onze maatschappij mogelijke uitbreiding der verbruikscoöperatie nog op verre na niet zijn bereikt, dan is het ook waar dat die grenzen te zien zijn en dat de uitbreiding niet anders dan betrekkelijk langzaam kan wezen. De grenzen worden getrokken door de maatschappelijke inrichting zelve, door het stelsel van eigendom, grondeigendom, monopolistisch beheer van noodzakelijke grondstoffen, van mijnen, petroleumbronnen; de grenzen worden verengt door de grote ondernemerscombinaties die zich de beschikking over de grondstoffen kunnen toe-eigenen welke de verbruikscoöperaties behoeven.[10] De uitbreiding kan niet anders dan langzaam wezen, omdat de klasse, die belang heeft bij verbruikscoöperatie met het bewuste doel de kapitalistische productiewijze te vervangen, het coöperatieve kapitaal niet anders dan langzaam kan vormen. De klasse die onder de druk blijft van de winstproductie, ziet zich voortdurend door al wat leeft uit eigendom of beheersing der productiemiddelen, de guldens afgenomen, houdt enkel de centen over om tegenover die winstproductie een andere productie te organiseren. De guldens die zij af moet geven, maken de winstproductie weer sterker in haar monopolistisch beheer: de vechtcenten die er voor haar overblijven zullen er dus maar weinige wezen. Het blijft het gooien met kleine steentjes tegen de reuzen kolos. Er is ook de grote klasse der armsten, van de door de winstproductie arm gehoudenen, vandaag loon en morgen geen, voor wie de coöperatie onbereikbaar is.

De verbruikscoöperatie zal beperkt moeten blijven tot dat deel der loontrekkende klasse dat enigszins regelmatig loon heeft en tot de lieden met kleine inkomens die zich niet afhankelijk voelen van de grote en kleine ondernemers. Zij zal ook beperkt moeten blijven tot die artikelen van persoonlijk gebruik, waarvan de productie geen monopolie is en voor welke de vraag groot en regelmatig is.

Maar zo de verbruikscoöperatie op zich zelf niet de vervanging van de kapitalistische productiewijze kan brengen, zij kan de machtige hulp, de sterke steun zijn in dit streven. Zij kan de derde zijn in de bond van vakbeweging en politieke arbeidersbeweging. Zo de vakbeweging strijdt voor betere arbeidsvoorwaarden, dan kan de verbruikscoöperatie het voorbeeld geven dat deze betere arbeidsvoorwaarden in de productie mogelijk zijn, ook in de kapitalistische productie al mogelijk zouden wezen. De coöperatie kan ook de vakbeweging steunen met geld. In ons land waar aan hoge contributies voor vakverenigingen vooreerst nog niet valt te denken, zal zij het moeten doen. Een deel der overschotten van de verbruikscoöperatie zouden de weerstandskassen der vakverenigingen belangrijk versterken.

De politieke arbeidersbeweging zal de samenwerking in de productie voortzetten waar de uitsluitend coöperatieve beweging er de kracht niet toe had. Coöperaties kunnen niet streven naar het beheer der grote monopolies, monopolies van vervoer, monopolies in productie van en beschikking over onontbeerlijke grondstoffen, van voor alle mensen onontbeerlijke artikelen van verbruik. Maar de politieke arbeidersbeweging kan de samenwerking tot deze takken van voorziening uitbreiden. Zij zal er de middelen toe hebben veel machtiger dan de coöperatieve beweging, want zij zal er toe aanwenden de macht van staat en gemeente, de macht om belasting te heffen naar draagkracht. Zo zal de politieke arbeidersbeweging de samenwerking in de productie, telkens verder brengen, voor alle artikelen waarvan het gerijpte democratische inzicht de noodzakelijkheid heeft erkend van algemene voorziening, onttrokken aan het particulier winstbedrijf. Er is geen reden waarom deze artikelen enkel gas en water zouden wezen, en niet brood, of brandstoffen, of schoenen, of spoorwegvervoer.

Maar enkel een sterke politieke arbeidersbeweging zal zo kunnen doen. Zo zal weer de overschotten kwekende verbruikscoöperatie de politieke arbeidersbeweging met geld moeten steunen. Doch zij zal nog anders kunnen steunen door de grote vakschool te zijn, de moeilijke opleiding te geven die nodig is voor het democratisch beheer der productie. Zo telkens meer winstmakers uit de productie zullen worden ontzet, dan zullen er in hun plaats moeten komen dienaren der gemeenschap, bekwaam als zij in de regeling der productie. De bestuurders van de grote coöperatieve verenigingen weten het wel dat het beheer van bedrijven een werk is dat geschiktheid vereist, een werk dat wel in de winstproductie ontzaglijk wordt verzwaard door de wedstrijd om winst, maar dat ook bij samenwerkende productie een werk van bekwaamheid zal wezen. De coöperatieve verenigingen kunnen voor deze beheerders de scholen zijn. Zij leveren nu al het bewijs dat de voorziening in behoeften niet behoeft te zijn winstbedrijf, dat zij zeer wel door loontrekkende dienaren kan werden bezorgd; dat, bij redelijke bezoldiging, plichtbesef en het gevoel van samenwerking voor een hoog liggend doel, zeer wel de gelijke inspanning, de gelijke uitkomst kunnen geven als door particuliere ondernemers worden bereikt.

Wat in het bijzonder Nederlandse sociaaldemocraten met de coöperatie kunnen doen, wordt door de bijzondere Nederlandse omstandigheden bepaald.

Er is herhaaldelijk gewezen op België waar de verbruikscoöperatie grote bijdragen levert voor de “parti ouvrier”, voor de politieke propaganda vooral, ook voor ondersteuning van de vakbeweging, ondersteuning van werkstakingen. Het Belgische voorbeeld is een goed voorbeeld om te volgen, doch met aanpassing aan de Nederlandse omstandigheden. De Belgische “parti ouvrier”, als organisatie van de gehele arbeidersbeweging voor zover die niet onder de heerschappij der geestelijkheid is, is er in Nederland nog niet, moet er in Nederland nog komen.

Zo Nederlandse sociaaldemocraten wilden wachten met de coöperatie te gebruiken als wapen in de klassenstrijd, zolang tot hun aantal groot genoeg was om op veel plaatsen coöperatieve verbruiksverenigingen op te richten in welke zij de grote meerderheid zouden vormen, dan zouden zij nog wel heel veel jaren kunnen wachten.

Nederlandse sociaaldemocraten moeten dus niet op de voorgrond stellen, dat de coöperatieve verbruiksverenigingen aan welke zij zullen deelnemen, een gedeelte van haar overschotten zullen bestemmen voor de partijkas van de SDAP. Zij zullen het voorbeeld van de Belgische coöperatie, die rechtstreeks de “parti ouvrier” steunt, als zodanig niet kunnen volgen, omdat in Nederland het inzicht dat in de SDAP alle arbeidersbeweging behoort te worden geconcentreerd, onder de arbeiders nog zwak is, omdat zelfs het inzicht dat er arbeidersbeweging kan en moet wezen bij zeer velen nog moet worden geboren.

Maar wel kunnen de Nederlandse sociaaldemocraten in zover het Belgische voorbeeld volgen, dat zij er met alle kracht naar streven, de verbruikscoöperatie van arbeiders te maken tot een steun van de arbeidersbeweging, want zij zien nu wel in dat de vakbeweging, de economische strijd, hun partij even na aan het hart moet liggen als de politieke strijd.

Er is voor de levensvatbaarheid van coöperatieve verbruiksverenigingen een vrij groot aantal verbruikers nodig. Deze verbruikers moeten in veel gevallen, vooral waar het geldt verbruik van brood of andere levensmiddelen, niet te ver uit elkaar wonen. Het zal dus in ons land wel uitzondering wezen, zo één enkele vakvereniging in een stad een goede verbruikscoöperatie kan inrichten voor eigen leden, met bestemming van een deel der overschotten voor de eigen weerstandskas. Maar waarom zouden in elke grootte arbeidersbuurt van een grootte stad, in de kleine steden waar de vakbeweging niet meer helemaal slaapt, gefedereerde vakverenigingen het niet kunnen doen, het bepaalde deel der overschotten bestemmend voor een gezamenlijk fonds onder het beheer der gefedereerde besturen; een gezamenlijke weerstandskas om steun uit te geven in elk geval, bij elke beweging waarmee de strijd van de arbeidersklasse in een van haar onderdelen is betrokken.

Verbruikscoöperatie die de vakbeweging steunt, bestrijdt de winstproductie op twee wijzen; uit haar aard beperkt zij van de winstproductie het gebied: door deze steun maakt zij haar minder voordelig.

Zo zou de verbruikscoöperatie weer komen tot wat voor Robert Owen, voor de pioniers van Rochdale was haar ver liggend doel: de vervanging van de kapitalistische productiewijze door de productie tot voorziening in de behoeften.

Niet langs de weg van haar uitbreiding, zoals Professor Treub het verwacht, omdat op die weg de muren staan van bijzonder eigendom en monopolistisch beheer, die door enkel verbruikscoöperatie niet kunnen worden omver gelopen.

Maar langs de weg waarop de coöperatieve beweging met de vakbeweging en de politieke beweging tezamen, de grote eenparige arbeidersbeweging zouden worden.

Wat door de vestiging van bijzonder eigendom, door de ontwikkeling der productie, aan de arbeidersklasse is ontnomen: het medebeheer over de productiemiddelen, kan niet door afzonderlijke groepen arbeiders, in beetjes en brokjes worden heroverd; zo enkelen er al voor zich in zouden slagen, zou het geen winst zijn voor de klasse. Wat aan de arbeiders als klasse is ontnomen, moeten zij als klasse herwinnen. Coöperatie én vakbeweging én politieke strijd tezamen verenigd, wederkerig elkaar steunend, kunnen de klasse maken tot waarlijk solidair, kunnen haar maken tot het grote leger met machtige strijdmiddelen, dat moet voeren de mooie klassenstrijd, dat moet veroveren de opheffing van het klasseverschil, de verdwijning der klasseonderdrukking.

Februari 1899,
F. M. Wibaut.

_______________
[1] Zo de heer J.C. van Marken in zijn rede op het 3e Intern. Coöp. Congres te Delft “De algemene strijd om het leven moet zich omzetten in de algemene coöperatie voor het leven.”
[2] Jaarboek Ned. Coöp. Bond 1898, blz. 356, geciteerd uit de bovengenoemde congresrede.
[3] In hetzelfde jaarboek, blz. 318.
[4] Over coöperatie, blz. 23, S.L. van Looy, Amsterdam.
[5] Over de economische invloed van de toepassing der coöperatie, uitgegeven door de Nederlandse Coöperatieven Bond, blz. 22 en 23.
[6] De omschrijving die Owen geeft van de term “kosten van productie” omvat voor de arbeider een voldoend loon om te voorzien in al zijn behoeften, d.i. zo dat het arbeidsvermogen volledig wordt in stand gehouden en met voorziening bij ziekte, ongeschiktheid, ouderdom, voorziening ook in de ruimste zin van lichamelijke en geestelijke opvoeding der kinderen, voldoende aan de hoogste eisen. De beloning van het kapitaal, de vrucht van vroegere inspanning, zou zijn als voor de levende arbeid: alles wat nodig was tot instandhouding, vernieuwing en voortdurende verbetering.
[7] Dit beginsel wordt niet verzaakt door de bepalingen soms in de statuten van verbruiksverenigingen opgenomen dat enkel personen uit een bepaalde klasse, uit de arbeidersklasse bv., als leden kunnen toetreden. Wie men aldus wil weren zijn niet verbruikers omdat zij in de overschotten zouden delen, maar personen met zo tegenovergestelde belangen aan die der zich verenigende, dat men vreest dat hun lidmaatschap de vereniging schade zou doen.
[8] Blz. 27 van Over de economische invloed van de toepassing der coöperatie. De cursivering der woorden is door mij aangebracht.
[9] In een moderne spinnerij bijvoorbeeld die 200 arbeiders gebruikt, is ongeveer achthonderdduizend gulden kapitaal nodig.
[10] Dr. G.W. Bruinsma geeft in het Sociaal weekblad van 25 februari een merkwaardig verhaal hoe in ons land de verenigde kunstmesthandelaren (vermoedelijk in combinatie met het Duitse kali-syndicaat) een verkoopbureau hebben opgericht dat zich voorstelt de talrijke landbouwcorporaties tot aankoop van kunstmeststoffen machteloos en nutteloos te maken.



een rode leeszetel





QRcode MIA-Nederlandstalig
Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS

Volg ons op twitter