Ruil

= uitwisseling van goederen (= ruilgoederen). Het ene ruilgoed wordt tegen een gelijkwaardig ander product omgewisseld (vb, 1 koe = 1 paard; 1 mand peren = 1 mand appels). Dit is de basis van de primitieve ruilhandel, nl. goed1 = goed2 waarbij de gelijkheid berust op de gelijke waarde van de goederen. Bij de ontwikkeling van de handel zoekt men naar een aangepaster middel om de waarde uit te drukken, nl. geld. (Het geld bepaalt niet de waarde! De sociaal nuttige arbeidsduur doet dit.)

Als wij de handel herleiden tot zijn eenvoudigste bewerkingen, dan stellen wij volgende ruilbewegingen vast:
- in de goederencirculatie: goed1 -> geld -> goed2 (= verkoop + aankoop);
- in de geldcirculatie: geld1 -> goed -> geld2 (= aankoop + verkoop; hierbij moet geld2 groter zijn dan geld1, of eenvoudiger uitgedrukt: de handelaar wil na zijn verhandeling méér hebben dan voordien. Hij wil winst realiseren door een goed duurder te verkopen dan hij dit aangekocht heeft).

(-> geld, markt, prijs).

MWBEL