Jurriaan Bendien

Marxisme en groene politiek


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, sept. 1989, nr. 32
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Duurzame landbouw is wereldwijd ecologisch en sociaal
De moeilijke dialectiek
Globalisering, rechtvaardigheid en milieu

De redactie en De Internationale stelt zich ten doel in haar blad de socialistische discussie over milieuvraagstukken te stimuleren. Zo publiceerden we in De Internationale 30 (voorjaar 1989) een artikel over marxisme en ecologie. Onderstaand artikel gaat in op de houding die Marx, marxisten en socialisten innemen ten opzichte van de ecologische problemen. De analyse wordt niet noodzakelijkerwijs gedeeld door de redactie, maar met de plaatsing van dit artikel hopen wij het ‘socialisme-ecologie’ debat een nieuwe prikkel te geven. Reacties zijn dan ook van harte welkom.

Volgens een hardnekkige mythe was Marx een onvoorwaardelijk bewonderaar van de kapitalistische technologie en juichte zonder voorbehoud alle vormen van economische groei toe. Ook wordt gezegd dat hij de technologische ontwikkeling zag als een ‘neutraal’ proces dat niet afhankelijk is van de sociale krachten. Volgens degenen die deze argumentatie hebben ontwikkeld - en die daarbij uitgaan van victoriaanse opvattingen als ‘de overwinning op de natuur’ – is het marxisme het slachtoffer van de ‘industriële ideologie’ van die tijd geworden.

Als gevolg daarvan zouden marxisten van nature niet in staat zijn om zich op een kritisch wetenschappelijke manier rekenschap te geven van ecologische problemen. Het streven naar ‘de productie om de productie’ en de ernstige ecologische problemen van de zogeheten socialistische landen worden dikwijls aangehaald als bewijs voor deze stelling.

In feite is het tegendeel waar. Door arbeid te benoemen als de centrale schakel tussen de maatschappij en de natuur, heeft de marxistische waardetheorie als eerste een evenwichtig beeld van hun verband mogelijk gemaakt.

Mensheid als doel

Voor Marx is het hoogste doel van het mensdom de mensheid zelf en een willekeurig bovenmenselijk principe als ‘economische groei’, ‘onvermijdelijke vooruitgang’, ‘de zin van de geschiedenis’ of ‘het kosmisch geweten’. Als onze soort een uiteindelijk doel heeft, dan is dat de maximale realisering van het potentieel; menselijke rijkdom is rijkdom aan menselijke relaties.

Daarom hecht het marxisme grote waarde aan economische groei en verwerpt zij ‘de maatschappij van de nulgroei’ als een reactionaire utopie. Zonder een solide materiële infrastructuur zullen ‘rijke sociale individualiteit’ en individuele vrijheid, die centraal staan in het marxistische beeld van het socialisme, zich niet kunnen ontwikkelen.

Het communisme van de armoede doet de mensen wegkwijnen, houdt ze gevangen in de val van de omgeving waarin ze geboren zijn en ontneemt hun de middelen om hun kennis en behoeften volledig te ontwikkelen. Het werkelijke robleem is niet te weten of de economische groei wenselijk is, maar welk soort groei dat moet zijn.

De verhoging van de productiviteit van de menselijke arbeid, waartoe economische groei leidt, schept de mogelijkheid van een tweeledige bevrijding: de bevrijding van het individu uit de dwang van de natuur en de bevrijding van de sociale dwang. Deze bevrijding heeft zich in de geschiedenis van de mensheid op een ongelijke en tegenstrijdige manier voltrokken. Voor zover bevrijding van natuurlijke belemmeringen is bereikt, heeft de sociale dwang de plaats daarvan ingenomen; een paradox die de filosofen van alle tijden heeft beziggehouden.

De essentie van de marxistische verklaring van deze paradox kan als volgt worden samengevat: wanneer de arbeidsproductiviteit gegroeid is tot het punt dat permanent een belangrijk overschot bestaat, kan een sociale sector bevrijd worden van de noodzaak tot het produceren van middelen van bestaan. Dat maakt de weg vrij voor een verdeling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid.

Bevrijdend potentieel

De toegenomen arbeidsdeling maakt het mogelijk dat ambachtslieden, ingenieurs, wetenschappers en technici zich geheel kunnen wijden aan het onderzoek naar methoden om het werk efficiënter te verrichten en de productiviteit te vergroten. Maar zolang het meerproduct kwantitatief en kwalitatief onvoldoende blijft, zal het niet mogelijk zijn een gelijke verdeling te realiseren. Verdeling in klassen en sociale ongelijkheid zijn dan onvermijdelijk.

Met de groeiende verdeling van productieve arbeid zijn wij getuige van de opkomst van slavenhandelaars, beroepsmilitairen, belastinginkasseerders, van de heersende klassen die zich dat meerproduct toe-eigenen; van ideologen die deze uitbuiting rechtvaardigen; en van al die andere verschijnselen van sociale vervreemding die verband houden met de klassenmaatschappij.

Het marxisme formuleert het bevrijdend potentieel van de economische groei als volgt: wanneer een voldoende niveau van materiële rijkdom zal zijn bereikt, zullen de scheidslijnen tussen producenten en beheerders, tussen geestelijke en lichamelijke arbeid, tussen de overheersende en de werkende klasse, tussen de stad en het platteland, niet langer onvermijdelijk en zelfs niet meer nodig zijn. Wanneer dat moment bereikt is, zullen alle individuen geleidelijk bevrijd kunnen worden van de verplichting tot het verrichten van uitputtend, onbetekenend en saai werk.

Revolutie

De overheersing van de meerderheid door de minderheid zal dan kunnen worden vervangen door een systeem waarin alle mensen de tijd en de mogelijkheid hebben tot deelname aan het beheer van de maatschappij.

De voornaamste stelling van Marx was, dat het kapitalisme door het geven van een enorme impuls aan de menselijke productiviteit, dit perspectief voor de eerste maal realistisch zou maken. Marx heeft nooit iets anders in de economische groei gezien dan een middel tot het bereiken van een zeker doel. Evenmin heeft hij het communisme van de overvloed, dat wordt mogelijk gemaakt door de moderne technologie, gezien als een automatisch gevolg van die technologie.

Marx heeft juist zijn analyse van de machinerie besloten met de woorden: “De kapitalistische productie is dus alleen maar in staat de techniek en de combinatie van de maatschappelijke productieprocessen tot ontwikkeling te brengen, doordat zij gelijktijdig de bronnen van alle rijkdom ondergraaft: de grond en de arbeider.” (Het Kapitaal, deel 1, pagina 387.)

Vanaf het ogenblik waarop een hoog niveau van arbeidsproductiviteit is bereikt, wordt het grootste obstakel voor de menselijke vooruitgang in de eerste plaats sociaal en niet meer technologisch: de radicale structuur- en bewustzijnsverandering, de socialistische revolutie. Want, zoals Marx elders aanduidt: “in de ontwikkeling van de productieve krachten komt een stadium waar deze krachten en de productiemiddelen in de bestaande verhoudingen slechts oorzaak van schade worden en geen productieve, maar destructieve krachten zijn (machines en geld...).” (Marx en Engels, De Duitse Ideologie).

Dat de kapitalistische productiewijze niet in staat is tot een maximale ontwikkeling van de productieve krachten, laat staan tot een optimale ontwikkeling, was een integraal onderdeel van de kritiek van Marx op het kapitalisme. Dat systeem, dat gebaseerd is op privébezit en op het streven naar zo groot mogelijke winst, betekent ook een geweldige verspilling van menselijke en materiële hulpbronnen.

Een groeiende hoeveelheid niet-productieve arbeid, hongersnood en grote werkloosheid, crises en overproductie, imperialistische oorlogen en de ‘ontwikkeling van de onderontwikkeling’; de weloverwogen vernietiging van het agrarisch ‘overschot’, dat alles toont duidelijk aan dat de kapitalistische groei lichtjaren ver verwijderd is van hetgeen wetenschap en technologie mogelijk zouden kunnen maken in het kader van een rationeel geplande economie.

Macht van de markt

Voor het kapitalisme is winstgevendheid het voornaamste criterium voor beslissingen op investeringsgebied. Maar de winst neemt slechts in de boekhouding op wat een prijs heeft en laat alles zonder prijs buiten beschouwing. Het kapitalisme heft slechts één doel: realiseren van het grootst mogelijke verschil tussen de kosten van productie en de winsten van de particuliere bedrijven, zonder rekening te houden met het effect op de gemeenschap als geheel.

De burgerlijke beschouwingen over de verhouding tussen kosten en baten, die een denkbeeldige prijskaart hangen aan sociale en milieukosten (wat ‘externe factoren’ worden genoemd), berusten op de veronderstelling dat het menselijk bestaan niet meer is dan een doel om maximale winst te behalen.

Aan de andere kant wegen de marktwetten niet de ‘opbrengsten’ en de lichamelijke en geestelijke behoeften van de mensen tegen elkaar af: zij brengen slechts de ‘goederen’ en de koopkrachtige vraag in evenwicht. De consumptieve vraag, die zelf zeer ongelijk verdeeld is in het kapitalistisch systeem, is helemaal niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming met de menselijke en sociale behoeften.

De bouwindustrie bijvoorbeeld kan in crisis raken als de markt voor luxe appartementen is ingestort, terwijl tienduizenden gezinnen met lage inkomens in huurhuizen wonen die in vervallen toestand verkeren. De koopkrachtige vraag ook onderhevig aan niet-rationele invloeden van publiciteit en mode, die overigens veel machtiger zijn dan de hele ‘ecologische ethiek’ die door natuurliefhebbers gepropageerd wordt.

De marktmaatschappij blijft noodzakelijkerwijs gevangen binnen ideologische vooroordelen, want het is haar eigen structuur die de voorkeur geeft aan individuele uitgaven en niet aan collectieve.

Er is een duidelijk verband tussen deze algemene marxistische kritiek op de markteconomie en de milieuvervuiling.

De markteconomie (waarvan het kapitalisme slechts de meest ontwikkelde vorm is) heeft de neiging de natuurlijke hulpbronnen te plunderen naarmate ze niets of zeer weinig lijken te kosten.

Daar waar de grond duur is, omdat ze door miljoenen arbeidsuren vruchtbaar is gemaakt, wordt ze door de gecommercialiseerde landbouw met groot respect behandeld. Maar daar waar de prijs laag of slechts nominaal is, brengt ze een monsterlijke plundering en onherstelbare schade teweeg. De rivieren, die publiek eigendom zijn gebleven en ‘niets kosten’, worden veranderd in fabrieksriolen. De schone lucht, waar geen prijs op zit, wordt vergiftigd door de rook uit schoorstenen en uitlaatgassen. Een ander gevolg van de logica van de markteconomie is het strikt beperkte tijdskader waarbinnen investeringsbeslissingen worden genomen. Een particuliere onderneming wil maximumwinsten halen in beperkte tijd.

Dat doet een logica van ‘na ons de zondvloed’ ontstaan.

Technologie

Wanneer het geïnvesteerde kapitaal afgeschreven is en de winsten gerealiseerd en al dan niet productief verbruikt zijn, is de cyclus van de reproductie van het kapitaal afgesloten. Maar de natuur heeft behoeften die niet afhankelijk zijn van de wetten van winst of koopkrachtige vraag, zoals recycling van afval en herstel van het ecologisch evenwicht. Vaak is het zo dat pas decennia na het invoeren van een bepaald productieproces de sociale kosten de particulier opgeleverde rijkdom ver overtreffen.

De verdedigers van het kapitalisme van ‘de krachten van de markt’ zullen het er vaak over eens zijn dat het systeem ingebouwde tendensen heeft die leiden tot de vernietiging van het milieu.

Maar, zo betogen zij, die kunnen tot een minimum worden teruggebracht door interventie van de staat. Dat is maar een zeer armzalig argument. Juist in de periode vanaf de jaren dertig, het ogenblik waarop de staatsinterventie in de westerse landen zich op grote schaal heeft uitgebreid, is de grootste vervuiling van het milieu begonnen. De kapitalistische politiek volgt de kapitalistische economie.

Vervuiling in de postkapitalistische wereld

De opvatting waarin de staat als ‘neutraal instrument’ wordt beschouwd, is een technocratisch waanidee. In een kapitalistische maatschappij is de staat een middel tot organisatie van de algemene belangen van de kapitalisten.

Het is veelbetekenend dat wettelijke sancties en verboden die verenigbaar zijn met die algemene belangen pas toegepast worden nadat is gebleken dat de productieprocessen en de producten die daaruit voortkomen schadelijk zijn. Dat wil zeggen: nadat de schade is veroorzaakt. En zolang het gaat tussen een ecologisch of sociaal schadelijke productie enerzijds en werkgelegenheid anderzijds, zal het merendeel van de arbeiders kiezen voor werk.

Deze elementen geven duidelijk aan waarom een geplande economie uit ecologisch oogpunt principieel beter is dan een markteconomie. De geplande economie garandeert volledige werkgelegenheid en kan over de toewijzing van hulpbronnen beslissen volgens ‘niet-economische’ criteria.

Op basis van een democratisch gecentraliseerde planeconomie kunnen de sociale kosten en baten die voortvloeien uit alternatieve investeringsplannen van te voren worden berekend. Met langetermijneffecten op de maatschappij en op de leefsfeer kan rekening worden gehouden.

Dit is alleen maar mogelijk als men niet meer rekening hoeft te houden met de budgetten van duizenden particuliere en concurrerende bedrijven, die ‘zakengeheim’ blijven. Het gaat uiteindelijk om één sociaal budget dat gebruik van hulpbronnen toewijst op basis van een openbare en democratische discussie.

Het befaamde rapport van de Club van Rome (1972) heeft de drie voornaamste ecologische dreigingen, welke te wijten zijn aan de ongecontroleerde groei, onderstreept: vervuiling, uitputting van natuurlijke hulpbronnen en overbevolking. De fout in deze alarmerende documenten is de bekrompenheid van hun burgerlijke standpunt.

Al deze extrapolaties zijn gebaseerd op de huidige maatschappelijke verhoudingen. Zij gaan uit van de veronderstelling dat de huidige maatschappij en technologie de enig mogelijke zijn. Schrijvers als Barry Commoner hebben het mythische karakter van deze bewering aangetoond.[1]

De technologie zoals die ontwikkeld is door de kapitalistische beschaving, is niet vanzelf voorbestemd om het milieu onvermijdelijk te vernietigen. De belangrijkste technologische uitvindingen verminderen soms zelfs de totale vervuiling (aanwending van andere dan fossiele brandstoffen bijvoorbeeld).

Alternatieven

De vooruitgang van de exacte weenschappen heeft een groot scala aan ecologische alternatieven gecreëerd. Bepaalde opties zijn verkozen boven andere zonder werkelijk hun ecologische consequenties in aanmerking te nemen, omdat het beslissend criterium de winstgevendheid van de particuliere bedrijven is.

Wie concreet de oorzaken van de snelle toename van de industriële vervuiling sinds de Tweede Wereldoorlog bestudeert, zal niet ‘de technologie’ op zich de schuld geven, maar de keuze voor bepaalde technologieën die, achteraf bezien, volkomen onverantwoordelijk blijken te zijn. Is de auto zoals wij die tegenwoordig kennen bijvoorbeeld het enig mogelijke of het meest doelmatige transportmiddel? Wanneer we kijken naar de ontwikkeling van het openbaar vervoer en naar de uitvinding van voertuigen die rijden op elektriciteit, gas en stoom, is het duidelijk dat het antwoord ‘nee’ is. Als Henry Ford en Co. niet hadden samengespannen met de oliemaatschappijen, als de staat geen wegen had aangelegd, zouden wij uiteindelijk waarschijnlijk een heel ander vervoersysteem hebben gehad.

Socialisme

De ramp van Tsjernobyl heeft eens te meer laten zien dat milieuverontreiniging wel degelijk bestaat in de zogenaamde socialistische landen. De ecologische schade waarmee de arbeiders te maken hebben, zijn gedetailleerd door talrijke auteurs beschreven. Ondermijnen deze inzichten de levensvatbaarheid van het socialisme in de klassieke marxistische zin van het woord? Dat hangt ervan af. Veel ‘marxisten-leninisten’ houden hardnekkig vast aan de verdediging van de postkapitalistische landen en de bureaucratieën door wie zij bestuurd worden. Zij beoordelen hen als ‘bakens van het socialisme’. Zo zien zij zich geconfronteerd met een enorm ideologisch probleem.

Als het socialisme werkelijk is opgebouwd in de Sovjet-Unie, China, Oost-Duitsland of elders, hoe moet dan een uitleg voor de ‘socialistische vervuiling’ en de ‘socialistische vernietiging van het milieu’ worden gegeven?

Maar de marxisten die vasthouden aan de internationalistische opvatting van het socialisme, gebaseerd op het arbeiderszelfbeheer en een vorm van politieke democratie die superieur is aan parlementaire burgerlijke democratie, die hebben een andere opvatting over dit probleem. Zij nemen de zogenaamde socialistische maatschappijen voor wat zij zijn, dat wil zeggen maatschappijvormen van voorbijgaande aard, gebureaucratiseerde arbeidersstaten. Zij kunnen hun successen en mislukkingen analyseren door gebruik te maken van precies dezelfde criteria en methodes die Marx gebruikt heeft om de kapitalistische maatschappij te analyseren.

De ecologische problemen in de postkapitalistische wereld vloeien wezenlijk voort uit het samenspel van drie factoren.

De eerste en meest voor de hand liggende factor is het achterblijven in ontwikkeling. Om redenen die Marx en Engels niet hadden voorzien, heeft de socialistische revolutie haar eerste overwinningen geboekt in ‘achtergebleven’ landen. Dat heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de pogingen tot socialistische opbouw in die landen, waarbij één van de grootste problemen de grote afhankelijkheid van technologieën van de kapitalistische industrie is.

‘Socialistische vervuiling’

De tweede factor is de nog steeds aanwezige invloed van ‘de markt’ op het economisch leven, hoewel ze de herverdeling van de hulpbronnen niet meer overheerst. De prijsmechanismen van de markt, de criteria van winst en de productie van waren zijn slechts gedeeltelijk afgeschaft, vanwege de druk en dwang die uitgeoefend wordt door de kapitalistische wereldmarkt (en door het imperialisme in het algemeen).

De derde factor de bureaucratisch gecentraliseerde planning. Deze planning is verantwoordelijk voor een serie onzinnige besluiten op ecologisch gebied en handelt alleen in het belang van de heersende bureaucratische kaste in die landen. Wanneer geen aandacht geschonken wordt aan de ecologische effecten van de verschillende keuzes in de planning, wanneer er geen openbaar debat is en de planningsbesluiten zelfs staatsgeheim blijven, lijden moeder natuur en de gewone arbeiders daar noodzakelijkerwijs onder.

Enkele conclusies

De ‘Groenen’ hebben dikwijls de marxisten en de socialisten gekritiseerd omdat zij de ecologische problemen genegeerd zouden hebben. Veel van deze kritiek is gerechtvaardigd. Maar de schuld van deze nalatigheid op Marx of het marxisme schuiven is vals en schiet haar doel voorbij. De marxistische analyse van het kapitalisme en van de klassenmaatschappij geeft een globale en systematische verklaring van de algemene ecologische crisis, een verklaring die vrij is van ieder moralisme en mystiek. De belangrijkste conclusies zijn dat het socialisme niet opgebouwd kan worden op bergen afval en dat de ecologische vraagstukken niet kunnen wachten tot de revolutie. Dit betekent dat socialisten zich niet kunnen veroorloven om de groene politiek over te laten aan de ‘Groenen’. De guerrilla van de ecologen tegen kapitalistische vervuilers en milieuvandalen is bewonderenswaardig en vaak heldhaftig. Maar deze strijd blijft beperkt tot verzet, als zij niet geïntegreerd is in een socialistisch programma. De strijd om de levens- en arbeidsomstandigheden zal ook belemmerd blijven door liberaal-technocratische experts en parlementaire stompzinnigheid, tenzij deze verbonden is met een antikapitalistische strijd en strategie in groter verband.

De grootste politieke zwakte van de groene partijen is hun gebrek aan duidelijkheid over welke sociale groepen de sociaalstructurele veranderingen kunnen doorvoeren, die de ecologische crisis nodig maakt. Deze zwakte vloeit voort uit een gebrekkige analyse van het maatschappelijk systeem dat nog steeds de wereld overheerst: het kapitalistisch systeem.

Hoe meer misdrijven tegenover het milieu, bedreven door deze maatschappij van ‘uitbreiding van de markt’, worden onthuld en hoe meer een ecologisch bewustzijn begint te groeien onder de arbeiders aan de basis, des te meer zal de noodzaak van revolutionaire sociale verandering duidelijk worden.

(Vertaald uit New Zealand Monthly Review, oktober 1988; vertaling Toek Morée.)

_______________
[1] Zie Barry Commoner, “Nucléaire et Tiers-Monde”, in Inprecor 254, november 1987