Rudolf Boehm
Aan het einde van een tijdperk
Hoofdstuk 25


Over het principe van een nieuwe economie

Volgens mij maakt men het zich vaak te gemakkelijk bij het aanduiden van ‘alternatieven’ die een uitweg moeten bieden uit de tegenwoordige economische crisis, zeker aan de rechterzijde, maar ook aan de linkerzijde. Men legt zich helemaal geen rekenschap af van hetgeen louter logisch vereist is om tot het formuleren van zo’n alternatief te komen. Om een geldig en werkzaam alternatief te kunnen aanduiden, is eerst en vooral vereist dat men de werkelijke oorzaak van de crisis weet te achterhalen. Want die moet weggewerkt worden en een geldig en werkzaam alternatief kan slechts op een ander beginsel berusten dat in plaats van die oorzaak gesteld moet worden. Om de oorzaak van de crisis te weten te komen, is het ten tweede nodig zich vooraf ervan te vergewissen waarin de crisis zelf eigenlijk bestaat. En daarvoor is ten derde vereist dat men zich een overzicht verschaft van het verschijnsel van de crisis in zijn gehele omvang. Bij dit laatste moeten we beginnen, om vervolgens een poging te doen te begrijpen waarin de crisis eigenlijk bestaat, haar oorzaak te achterhalen en op basis daarvan een alternatief aan te duiden.

De omvang van de crisis

Het heeft weinig zin de crisis, haar evolutie en de factoren die ertoe hebben bijgedragen, slechts in één land te willen bestuderen. Wie niet slechts binnenlandse kranten leest, moet integendeel verbijsterd staan over het feit in welke mate in bijna alle landen van het Westen, op enkele afwijkende getallen na, de crisis in precies gelijkluidende bewoordingen wordt beschreven. Daarbij worden niettemin geregeld voorstellen geopperd om de crisis in eigen land te overwinnen die, indien ze zouden slagen, de crisis in de omringende landen zodanig zouden aanscherpen dat ze van daaruit onvermijdelijk op het eigen land zou terugslaan; men denkt er niet aan hoezeer het ook in de mode is om de verstrengeling van de wereldeconomie te beklemtonen – om meer radicale voorstellen als utopisch van de hand te wijzen. In feite is de tegenwoordige economische crisis, die tegen het einde van de jaren zestig of in het begin van de jaren zeventig een aanvang heeft genomen, in ieder geval een crisis van alle ontwikkelde industrielanden van het Westen, met uitzondering misschien van Japan. Maar die crisis doet zich eveneens gelden in de socialistische landen van het Oostblok, hoewel gedeeltelijk onder andere verschijningsvormen en, op het eerste gezicht ook minder scherp; maar dit laatste wellicht alleen omdat de economische crisis in die landen al sinds lang latent aanwezig is.

De crisis is echter ook sterk doorgedrongen tot de landen van de Derde Wereld, hoewel ze ook daar opgetreden is in een situatie die al van tevoren en al lang meer dan kritisch was; dit laatste zowel als de bijkomende recente crisis heeft daarbij vermoedelijk een oorzaak die eerder te zoeken is in de ontwikkeling van de economie in de ‘Eerste’ en ‘Tweede’ Wereld dan in die landen zelf. Een uitzondering maken, meer bepaald sinds 1973, enkele, lang niet alle, olielanden (de ‘Vierde’ Wereld).

Uit deze vaststelling namelijk dat we in feite te maken hebben met een economische wereldcrisis kan reeds een belangrijke, hoewel negatieve conclusie getrokken worden. Weinig kans maakt waarschijnlijk enig plan om uit de crisis te raken, dat lijkt op een van de plannen die in de voorbije jaren reeds toegepast werden in de verschillende landen en onder verschillende politieke bewinden: door Democraten (Carter) of Republikeinen (Reagan) in de Verenigde Staten, door Labour (Wilson-Callaghan) of Conservatieven (Thatcher) in Groot-Brittannië, door PvdA (Den Uyl) of CDA (Van Agt) in Nederland, door christendemocraten in Italië of door sociaaldemocraten in West-Duitsland; ook in Frankrijk heeft de economische politiek van Giscard en Barre weinig uitgehaald, terwijl we nog moeten afwachten wat het socialistische plan van Mitterrand en Mauroy zal opleveren, hoewel het gelijkenissen vertoont met het mislukte Labourprogramma en zelfs met het beleid van de Belgische regeringen onder Martens en Eyskens. Wat Japan betreft, dit land heeft zijn gunstige situatie slechts kunnen handhaven en verder uitbouwen ten koste van de overige westerse industrielanden; wat betekent dat het slechts door één of enkele andere landen uit zijn gunstige positie verdrongen zou kunnen worden, terwijl dit aan de situatie in de wereld weinig zou veranderen. Maar ook de Oostbloklanden kunnen bezwaarlijk dienen als voorbeeld voor een economische politiek om uit de crisis te raken, indien het tenminste waar is dat ze in wezen met dezelfde crisis hebben af te rekenen als wij, waarop ik in het volgende punt nader inga.

Het wezen van de crisis

Ik meen te mogen stellen dat de tegenwoordige economische crisis in wezen neerkomt op een (opnieuw) dalende opbrengst van het werk van de mensen; zowel voor de overgrote massa van de individuen (ondernemers die failliet gaan inbegrepen) als voor de gemeenschapsvoorzieningen (van de staat en daarmee gelijkgestelde instanties) en inmiddels zelfs de ondernemingen in hun geheel genomen. We hebben een reële inflatie, die voor de massa ook door de ‘indexering’ van de lonen (in de landen waar die bestaat) niet weggewerkt wordt, dat wil zeggen een verlies van koopkracht in verhouding tot het geleverde werk. De globale koopkracht wordt nog eens verminderd door de lage vervangingsinkomsten van de werklozen. Voor hen betreft het weliswaar niet een dalende opbrengst van hun werk, aangezien ze niet werken, maar ook zij worden juist niet tewerkgesteld omdat hun werk weinig of zelfs alleen maar kosten zou opleveren, voor de ondernemingen dan. En dit opnieuw omdat het werk van de mensen slechts producten oplevert die in toenemende mate te duur worden om nog kopers vinden onder hen die er behoefte aan hebben. Het werk van de mensen levert ook niet meer voldoende middelen voor de staat (belastingen) om die in de gelegenheid te stellen, zonder buitensporige schulden te maken, te blijven zorgen voor de noodzakelijke sociale voorzieningen. Het werk levert ook niet voldoende, geschikte en betaalbare producten op om door hun export de gevraagde importgoederen te kunnen betalen. Dat is, in reële termen uitgedrukt, de beschrijving van de crisis op het gebied van de staatsfinanciën en de handels- of betalingsbalans.

Dat dit, de dalende opbrengst van het werk van de mensen, de eenvoudige kern van de crisis is, moge blijken uit een tegenproef. Indien de crisis erin zou bestaan dat het de ondernemingen slecht zou gaan, terwijl de massa van de mensen goed zou kunnen leven, zou dat juist géén crisis zijn. Dat geldt zelfs voor de staat. Indien daarentegen de ondernemingen zouden bloeien en hoge winsten maken, terwijl de mensen er slecht voor zouden staan, zou dat nog steeds een economische crisis betekenen. Maar zelfs de werkloosheid is niet de kern van het probleem. Stel dat het probleem van de werklozen opgelost zou worden door de voor hun lonen vereiste som af te pakken van de tot nu toe nog werkenden, dan zouden we, hoewel in een op die manier gewijzigde vorm, nog steeds al de verschijnselen van de crisis hebben, en meer bepaald een verminderde opbrengst van het werk van allen.

Dat brengt mij tot de situatie in de socialistische landen van het Oostblok. In die landen is het werkloosheidsprobleem inderdaad opgelost op de zojuist aangeduide manier: door de lonen van allen laag te houden. De koopkracht van die lonen is wel, wat de basisbehoeften betreft, hoger dan de officiële (zelfs de in de Oostbloklanden zelf voorgeschreven) wisselkoersen ten opzichte van westerse munten laten vermoeden, aangezien de prijzen voor die basisbehoeften massaal gesubsidieerd worden uit de winsten, gemaakt door de staatsbedrijven. De winst van die ondernemingen speelt dus, terloops gezegd, in die landen een cruciale rol. Er bestaat zelfs, bij een kleine meerderheid of bij een grote minderheid, een belangrijk overschot van ‘koopkracht’. Maar dit komt doordat goederen die ook maar enigszins op ‘luxe’ lijken, deels ontzettend duur en op die manier toch onbereikbaar zijn, deels echter ook gewoon niet te krijgen zijn, wat soms (onlangs in Polen) ook nog voor de eigenlijk goedkope basisgoederen geldt. Dit is de manier waarop de Oostbloklanden, naast het probleem van de werkloosheid, ook dat van de inflatie hebben ‘opgelost’: de prijzen zijn betrekkelijk stabiel, maar vele goederen zijn gewoon nauwelijks te vinden ofwel, zoals de meeste, nauwelijks te betalen. Natuurlijk hoort er een zwarte markt bij, en ook, zoals bij ons, een zwarte arbeidsmarkt. Sinds lang al brengt in de landen die zich socialistisch noemen, omdat ze de private eigendom van de productiemiddelen hebben afgeschaft, het werk van de mensen zelfs minder op dan in de meeste kapitalistische landen, en daar komt nu ook in het kader van de tegenwoordige crisis nog een dalende opbrengst bij.

Daardoor wordt de reeds boven uitgesproken conclusie bevestigd: er valt zeker niet zomaar een oplossing van de crisis te verwachten van een politiek van nationaliseringen, en evenmin van maatregelen die daar in feite of gedeeltelijk op neerkomen.

Wat de landen van de Derde en de ‘Vierde’ Wereld betreft, dient in dit verband voornamelijk het volgende aangestipt. Hun situatie zou er wel eens op kunnen wijzen dat reeds lang het werk van de mensen in onze ‘rijke’ landen heel wat minder heeft opgeleverd dan men geneigd is te vermoeden, dat namelijk die ‘rijkdom’ voor een groot deel berustte op de plundering van de derdewereldlanden in het koloniale en neokoloniale tijdperk. Gedurende tientallen jaren hebben de ‘ontwikkelde’ landen massaal hun grondstoffen, maar ook andere zaken, van katoen via koffie tot pelzen en diamanten, uit die ‘ontwikkelingslanden’ gehaald, en dit ten koste van minimale tegenprestaties.

De handel tussen de ‘ontwikkelde’ en de ‘ontwikkelingslanden’ bedraagt, afgezien van de olierekening, slechts een lachwekkend laag percentage van de wereldhandel – in centen uitgedrukt. Dat betekent vermoedelijk enkel maar dat hele bevolkingen in de ‘ontwikkelde’ landen bijvoorbeeld jarenlang koffie kunnen drinken tegen levering van een klein aantal televisietoestellen. Sinds 1973 laten enkele van die ‘ontwikkelingslanden’ zich niet langer de prijzen voor een van die grondstoffen, namelijk olie, door ons dicteren, maar vragen ze prijzen die in een meer redelijke verhouding staan tot onze enorme afhankelijkheid ervan ten behoeve van onze ‘ontwikkeling’. Dit is op zichzelf zeker niet de oorzaak van de tegenwoordige crisis. Maar de belangrijke rol die de tegenwoordige olieprijzen spelen voor onze economische situatie, wijst op het feit dat wellicht omgekeerd de voorafgaande bloeiperiode van de naoorlogse westerse economie voor een groot deel slechts te danken was aan de beschikbaarheid van vrijwel gratis energie en andere grondstoffen. Ook valt op te merken dat de derdewereldlanden, ook afgezien van de olielanden, door de recente crisis misschien minder hard werden getroffen dan men, gezien hun zwakke uitgangspositie, had kunnen verwachten. Ook op andere gebieden dan dat van de olie begint de ontvoogding van die landen heel geleidelijk gestalte te krijgen. Maar dát is niet de oorzaak van de crisis, zoals reeds gezegd. Het geeft alleen aanleiding tot een aanvulling van de gegeven omschrijving van de crisis door de volgende formulering: de crisis van de ‘ontwikkelde’ landen bestaat in het feit dat de opbrengst van het werk van de mensen in die landen daalt daar waar ze niet langer in feite verzekerd wordt door de beschikbaarheid van nagenoeg kosteloze energie en grondstoffen. Wat de Oostbloklanden betreft, moet vermeld worden dat de Sovjet-Unie aan de plundering van de Derde Wereld niet heeft deelgenomen, maar zelf over enorme en zeer gevarieerde grondstoffenreserves beschikt; zonder deze hadden de socialistische landen ook hun tegenwoordige economische niveau niet kunnen bereiken, tenzij door indirect ook betrokken te zijn bij de economie van het Westen, zoals de DDR door haar feitelijke associatie met de EG (via haar overeenkomsten over een soort binnenlandse handel met de BRD).

De oorzaak van de crisis

Indien de tegenwoordige crisis van de wereldeconomie in wezen bestaat in het feit dat het werk van de mensen een dalende opbrengst oplevert, voor de mensen zelf en zelfs voor de ondernemingen, dan kan dit ook zó uitgedrukt worden, dat het economische systeem dat, vanuit de ontwikkelde industrielanden van het Westen zowel als het Oosten, onze historische wereld overheerst, niet (meer) ‘efficiënt’, of liever gezegd niet (meer) doelmatig is, indien namelijk het doel van een economisch systeem erin bestaat door middel van menselijk werk met behulp van de rijkdommen van de aarde in de materiële behoeften van de mensen te voorzien. Dat dit slechts het gevolg van een of ander ‘accident’ (toeval) zou hunnen zijn, terwijl bedoeld systeem op zichzelf wél doelmatig kan zijn, daarvoor spreekt op het eerste gezicht het feit dat de werking van dit systeem tot nog niet zo lang geleden, namelijk in de jaren van de affluent society na de laatste wereldoorlog, tamelijk bevredigend leek, althans voor de mensen binnen de ontwikkelde industrielanden zelf, voornamelijk die van het Westen. Maar zeker niet voor de miljarden mensen in de Derde Wereld. De ‘ontwikkelde’ landen zijn er nooit in geslaagd om de derdewereldlanden op doeltreffende wijze te helpen zich eveneens te ‘ontwikkelen’. Integendeel, zelfs de formulering ‘geslaagd’ is nog misleidend, zoals boven reeds werd aangetoond. Over de hele wereld gezien, levert het systeem al lang niets meer op. De vraag rijst bijgevolg of de crisis niet haar oorsprong heeft in het wezen van het systeem zelf.

Daarvoor spreekt ook het volgende feit: al wat ik in onderhavig artikel zal te zeggen hebben over de oorzaak van de crisis, is in feite reeds gezegd en gefundeerd in mijn boek Kritiek der grondslagen van onze tijd, in Nederlandse vertaling verschenen in 1977 (bij Het Wereldvenster, toen in Baarn), in het Duits reeds in 1974, nadat het manuscript reeds afgesloten was in 1973, vóór de eerste oliecrisis. Het is een filosofisch boek. De moderne wetenschap wil haar aanspraak op waarheid funderen op haar uitgekomen voorspellingen; dat kan hier ook eens aangevoerd worden in het voor deel van de filosofie. En het feit dat onze tegenwoordige crisis op grond van een bepaling van het wezen van ons economisch systeem voorspelbaar was, bevestigt het vermoeden dat die crisis inderdaad haar wortels heeft in het wezen van dit systeem zelf.

In dit geval zouden we moeten concluderen dat ons economisch systeem zelf in wezen ondoelmatig is. Welnu, deze – voorlopig nog hypothetische – conclusie beantwoordt precies aan een van de bepalingen die Marx in Das Kapital gegeven heeft van het wezen van het kapitalisme, een bepaling die tot nog toe nauwelijks de aandacht van conservatieve of zelfs progressieve economen getrokken heeft, namelijk dat het kapitalisme een economisch systeem is dat berust op het principe van een ‘onvoorwaardelijke ontwikkeling van de productie om de productie, ten koste van stelselmatige verwaarlozing van de behoeften van de mensen voor zover die niet bevredigd moeten worden ter wille van dat principe’. Dat maakt dit economische systeem principieel ondoelmatig. Want het doel van een economie kan slechts zijn in de behoeften van de mensen te voorzien, aan welk doel de ‘ontwikkeling’ van de productieve krachten aangepast moet zijn. Maar in het kapitalisme vormt de ontwikkeling van die productieve krachten zelf het enige doel, het middel is tot doel geworden, en het eigenlijke doel van een reële economie, de bevrediging van de behoeften van de mensen, dient ten hoogste nog als voorwendsel ter rechtvaardiging van de ontwikkeling van de middelen.

Onze hypothese wordt bevestigd door de volgende twee belangrijke feiten. Ten eerste werd de aangehaalde, door Marx gegeven bepaling van het wezen van het kapitalisme van de kant van de apologeten van het kapitalisme nooit tegengesproken. Ze zouden alleen maar het volgende toevoegen: het kapitalisme berust inderdaad op een onvoorwaardelijke ontwikkeling van de productie om de productie, en bijgevolg voornamelijk van de productieve krachten zelf, onder minachting van de doelstelling in de behoeften van de mensen te voorzien; maar juist en enkel op die manier, stellen de apologeten van het kapitalisme, kunnen dan óók de behoeften van de mensen het best bevredigd worden. Met andere woorden: ze verdedigen een superieure doelmatigheid van het ondoelmatig (economisch) handelen. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de redeneringen van hen die tegenwoordig opkomen voor een politiek van ‘loonmatiging’ als uitweg uit de economische crisis: verminderde koopkracht zou de middelen moeten opleveren om de ondernemingen in staat te stellen hun productieve krachten opnieuw verder te ontwikkelen, wat dan uiteindelijk erop zou neerkomen de bevrediging van de behoeften van de mensen opnieuw beter te verzekeren. Marx’ stelling betreffende de principiële ondoelmatigheid – de ondoelmatigheid als principe – van het kapitalisme wordt dus door de voorstanders van dit systeem geenszins ontkend, maar integendeel bevestigd.

Ten tweede moet echter beklemtoond worden dat ook de voorstanders van een ‘socialistische’ economie zoals die in de Oostbloklanden bestaat, hetzelfde principe huldigen. Ook zij zijn ervan overtuigd dat een onvoorwaardelijke ontwikkeling van de productie om de productie of voornamelijk van de productieve krachten een absolute prioriteit toekomt, om juist op die manier uiteindelijk beter in de behoeften van de mensen te kunnen voorzien. Als dit een bepaling van het wezen van het kapitalisme inhoudt, dan verdedigen dus ook de Oostbloklanden in principe een kapitalistische economie. Het meest verbazende is wel dat ze bij het opkomen voor zo’n economisch systeem ook op Marx zelf een beroep kunnen doen. Marx’ formuleringen in Das Kapital kunnen namelijk de indruk wekken dat hij eigenlijk in het naleven van het principe van de onvoorwaardelijke ontwikkeling van de productie om de productie de positieve kant van het kapitalisme heeft gezien, en de negatieve kant ervan eerder in het feit dat de onvoorwaardelijke doorvoering van dit principe nog door privébelangen tegengehouden wordt; en van het ‘socialisme’ zou hij dan juist een werkelijk onbeperkte toepassing en uitwerking van dit principe verwacht hebben. In ieder geval heeft Lenin, in Staat en revolutie, hem zó begrepen.

We komen tot de volgende conclusie. Het economische systeem dat onze historische wereld overheerst, steunt in wezen op de veronderstelling van een superieure doelmatigheid van het ondoelmatig (economisch) handelen. We hebben reeds tevoren kunnen vaststellen dat de tegenwoordige economische wereldcrisis bewijst dat dit systeem in werkelijkheid niets anders dan gewoon ondoelmatig is. Met andere woorden: de tegenwoordige crisis heeft haar eigenlijke oorzaak in een economisch systeem dat een onvoorwaardelijke ontwikkeling van de productie om de productie, of van de productieve krachten, tot het hoogste principe heeft verheven. Het gevolg ervan is geweest dat steeds meer menselijke arbeidskracht en rijkdommen van de aarde werden en worden verslonden door de opbouw van een reusachtig productieapparaat, waarvan de omvang en de kosten, om nog maar te zwijgen van de schadelijke gevolgen voor het leefmilieu, in een absolute wanverhouding staan ten opzichte van wat het opbrengt in de vorm van goederen en diensten die kunnen dienen voor de bevrediging van menselijke behoeften. Dat het op basis van dit systeem daartoe móest komen, is ook gemakkelijk te begrijpen. Het is juist dat bij het op zich nemen van ongeacht welke taak het vooraf aanschaffen van de geschikte middelen om die taak tot een goed einde te brengen, een zekere prioriteit toekomt, maar dan in verhouding, en in een redelijke verhouding, tot het gestelde doel. Naarmate men dit doel daarbij meent te mogen of zelfs te moeten vergeten, zal de ontplooiing van de middelen bij steeds toenemende inspanning in feite het eigenlijke doel steeds verder verwijderen. De menselijke arbeid, zo zei ik, heeft een dalende opbrengst. De oorzaak ervan is nu duidelijk: we werken veel te veel voor de productie van productiemiddelen waarvan de ontwikkeling de meeste inspanningen vraagt en die bovendien zelf voor een groot deel voor niets anders dienen dan om andere productiemiddelen te produceren; de noodzakelijke bekostiging van die ‘ontwikkeling’ maakt de eindproducten, voor zover die nog beantwoorden aan de menselijke behoeften, steeds duurder en moeilijker bereikbaar. Talrijke goederen en diensten waaraan een behoefte bestaat, worden zelfs helemaal niet aangeboden.

Het alternatief

Uit het voorgaande moet op de eerste plaats nog eens duidelijker geworden zijn waarin een alternatief dat het ons mogelijk zou maken de economische crisis te overwinnen, niet kan bestaan, namelijk niet in welke maatregel dan ook van herverdeling van voordelen en lasten die het bestaande systeem als dusdanig niet aantast. Want dat systeem zelf is niet langer rendabel. Een verhoging van de koopkracht bij de massa, om op die manier de afzet van de ondernemingen op de binnenlandse markt en de kansen van tewerkstelling te verbeteren, zit er gewoonweg niet in. In feite zou het erop neerkomen dat de ondernemingen zelf de centen bijpassen die de mensen nodig hebben om de stijgende prijzen van goederen en diensten te betalen. Maar nog erger zouden de gevolgen van onverschillig welke vorm van ‘loonmatiging’ zijn. Indien de daardoor opgebrachte middelen gebruikt worden om de winsten van de ondernemingen te verhogen en ze op die manier in staat te stellen nieuwe investeringen te bekostigen, zouden deze zeker dienen om te ‘rationaliseren’. Dit leidt tot nog meer verlies van werkgelegenheid, bijgevolg tot nog meer vermindering van de globale koopkracht – ondanks hogere kosten voor de staat in de vorm van werkloosheidsuitkeringen – en daarmee tot toenemende moeilijkheden, ook voor de ondernemingen zelf. Om onze economische crisis te overwinnen is er geen ander alternatief dan een echte omwenteling van ons hele economisch systeem. Die revolutie komt niet tot stand door straatgeweld, en haar doelstelling kan zich niet beperken tot het vervangen van de borden aan de ingang van de bedrijven of het vervangen van de leden van de raden van bestuur. De omwenteling moet bestaan in een geleidelijke, maar doorgedreven herschikking van onze productiewijze op basis van een nieuw principe. Het bestaande economische systeem snoet vervangen worden door een ander dat zich werkelijk tot enig doel stelt de behoeften van de mensen te bevredigen, en geen andere belangen te behartigen dan die welke uit deze behoeften van de mensen voortvloeien.

Dat dit inderdaad iets principieel anders inhoudt dan de tot nu toe in onze economie dominerende productiewijze moge blijken uit het feit dat deze laatste zou ineenstorten indien ze ertoe zou leiden de behoeften van de mensen op lange termijn daadwerkelijk te bevredigen; ons economisch systeem leeft ervan de behoeften van de mensen zoveel mogelijk niet te bevredigen, maar integendeel alle behoeften steeds te hernieuwen en steeds nieuwe behoeften te scheppen. Dáárvoor zijn steeds nieuwe investeringen vereist, steeds meer kapitaal, steeds nieuwe winsten en steeds meer verbruik van energie, grondstoffen, om nog maar te zwijgen van menselijke arbeidskracht. Dat systeem profiteert zelfs nog van de schaarste aan energie en grondstoffen die het zelf heeft teweeggebracht, omdat die schaarste aanleiding geeft tot nieuwe investeringen voor de bouw van bijvoorbeeld kerncentrales en voor het testen van nieuwe technologieën. Het zou liefst ook nog willen profiteren van de milieuvervuiling die het eveneens zelf heeft veroorzaakt. Het is een systeem dat gebaseerd is op stelselmatige, mateloze verspilling van menselijke arbeidskracht en gezondheid en van de rijkdommen van de aarde.

Het alternatief is dus simpel en dwingend: in plaats van een ‘economie’ die zelf wil ‘leven’ van onze menselijke behoeften en de daarmee verbonden belangen, hebben we behoefte aan een economie waarvan wij kunnen leven doordat ze uitsluitend in dienst staat van de bevrediging van onze behoeften. Dit houdt in dat de economische politiek er niet langer op gericht mag zijn de omvang en de werking van het productieapparaat steeds verder uit te breiden, maar dit integendeel in de volle mate van het mogelijke geleidelijk aan moet inkrimpen. Overal waar menselijke behoeften in feite op korte of lange termijn definitief bevredigd kunnen worden, moet dit nagestreefd worden, en bijgevolg ook, op termijn, een stillegging van de desbetreffende productietakken. Wat de menselijke behoeften betreft die van nature steeds terugkeren, moet er zoveel mogelijk voor gezorgd worden dat productiecapaciteiten ontstaan die op lange termijn definitief kunnen garanderen deze behoeften voortdurend te bevredigen.

Het inkrimpen van de economische bedrijvigheid overal daar waar de behoeften van de mensen waaraan ze beantwoordt op lange termijn definitief bevredigd zijn, veroorzaakt op het eerste gezicht een nieuw werkgelegenheidsprobleem. Maar de behoefte-economie waarvan ik het principe heb aangeduid, zou zulke reusachtige besparingen op het gebied van kapitaal, energie en grondstoffen inhouden dat ze het mogelijk zou maken uiteindelijk ook werk en diensten te bekostigen die geen ‘winst’ opleveren, maar waaraan niettemin een werkelijke behoefte bestaat.

Wel moet ik toegeven, of beter beklemtonen, dat het voorgestelde principe van een andere economie ook een andere zienswijze op het probleem van de arbeid en de problemen van de tewerkstelling inhoudt. We hebben geen belang bij het werken om te werken, indien de arbeid niet doelgericht beantwoordt aan werkelijke menselijke behoeften en belangen. Het dramatische van het huidige probleem van de werkloosheid ligt juist in het feit dat het binnen het bestaande economische systeem niet mogelijk lijkt de mensen de middelen te verschaffen om in hun behoeften te voorzien, tenzij ze ingeschakeld worden in een productieproces dat op de eerste plaats geen ander doel heeft dan zichzelf te handhaven en steeds verder te ‘ontwikkelen’. Zij die zich thans blindstaren op het probleem van de tewerkstelling, moeten de moed opbrengen om de drie volgende feiten onder ogen te zien:
1. Het doel van een reële economie kan niet erin bestaan zoveel mogelijk mensen tewerk te stellen (waarvoor?, en met welk loon?), maar enkel in het bevredigen van de behoeften van de mensen.
2. Ook de werkzoekenden zoeken niet op de eerste plaats werk, maar de nodige middelen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.
3. Werk is er ook tegenwoordig genoeg, het kan binnen ons economisch systeem alleen maar niet bekostigd worden voor zover het geen ‘winst’ oplevert, en ten gevolge van de steeds dalende opbrengst van dit systeem zelf.

Ik heb in het voorgaande weinig meer kunnen aanduiden dan het principe van een economisch alternatief. Met andere woorden: ik ben filosofisch gebleven, voor zover namelijk filosofie te maken heeft met principevragen. Maar ik meen dat we in de tegenwoordige crisis, en overigens niet alleen op het gebied van de economie, inderdaad moeten begrijpen dat we het stellen van heel algemene principevragen niet langer uit de weg kunnen gaan. Van welk nieuw principe we in ieder geval móeten uitgaan, willen we onze crisis nog overwinnen, meen ik hier aangetoond te hebben. Met het oog op de doelstelling die in dit principe vervat is, moeten we pogen een weg uit te stippelen die naar dat doel kan leiden. Dáárvan zouden onze politici en economen werk moeten maken.