Christiaan Cornelissen

Privaat bezit

Voordracht door C. Cornelissen



Geschreven: 1893
Bron: brochure J. Hoekstra, Amsterdam 1893. Overgenomen uit Morgenrood - Als pdf bezorgd door Bert Altena
Deze versie: spelling en omzetten naar hedendaags Nederlands
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive, januari 2008


Zie ook:
Paul Lafargue,
Het moederrecht, een studie over het ontstaan van de familie
Karl Marx,
Het kapitaal
Friedrich Engels,
De ontwikkeling van het socialisme van utopie tot wetenschap
De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat

Bij een bespreking van het privaat bezit is het nodig reeds vooraf te verzekeren dat wij over de zegeningen van de toekomstige maatschappij, waarin algemeen eigendom zal bestaan in verschillende vormen, waarin het ons thans onbekend is, maar weinig kunnen zeggen. We behoeven niet te ontkennen dat het voor ons nuttig kan zijn, ons te verdiepen in bespiegelingen over de toekomstmaatschappij, eens na te denken over de gevolgen die de afschaffing van verschillende maatschappelijke instellingen en de vervorming van andere op het mensengeslacht zal moeten hebben, maar dat blijven toch altijd maar bespiegelingen en het is duidelijk dat al datgene wat wij over de gevolgen van de afschaffing van privaat eigendom in enige vorm kunnen voorspellen, menen te voorzien dat dit niet gelijk staat met de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek naar de maatschappelijke verhoudingen die thans bestaan.

Evenals de grote denkers op maatschappelijk gebied uit het begin van onze eeuw, de mannen als Saint-Simon, Charles Fourier en Robert Owen, niet alle verschijnselen konden waarnemen die wij op het ogenblik onder ogen hebben en die het gevolg zijn van de ontwikkeling van de machinerie, en van de vooruitgang van de wetenschap, evenmin als deze denkers de invloed konden waarnemen van de uitbreiding van de wereldhandel, van de bonden van de grote ondernemers vandaag, die men in Amerika gewoon is met de naam van trusts of rings aan te duiden en daartegenover de organisatie van de arbeiders, in allerlei bedrijven en werkplaatsen en van de werkstakingen in alle hoeken der wereld en op reusachtige schaal — evenmin kunnen wij thans, in bijzonderheden de ontwikkeling beoordelen van de maatschappij die in de toekomst ligt.

Welke invloed de afschaffing van het persoonlijk eigendom in enige vorm zal hebben op de zedelijkheid van het volk, op de godsdienst, op wetenschap en kunst enz. enz. Ziet, wij mogen er nu eens onze gedachten over laten gaan, we mogen er zoveel over praten als wij willen, maar wetenschappelijke waarde hebben onze bespiegelingen niet.

Het is dan ook nodig dat wij ons beperken en trachten aan te tonen hoe het privaat eigendom in de maatschappelijke orde waaronder wij leven is ontstaan en ook hoe en in welke vormen het zal worden afgeschaft, beter gezegd zich zelf zal afschaffen, naarmate de maatschappij zich ontwikkelt.

Meer nog dan bij de bespreking van enig ander wetenschappelijk onderwerp moet men zich bij z’n beschouwingen over een verschijnsel op maatschappelijk gebied er voor wachten, om niet zich tevreden te stellen met een oppervlakkige verklaring van het verschijnsel, om niet een schijnbare oorzaak voor de ware oorzaak aan te zien.

Dringen wij dieper door, dan zullen wij bij de verklaring van elk sociaal verschijnsel moeten vragen: hoe leeft het volk? Hoe wint het zijn middelen van bestaan? Hoe verbouwt het zijn graan, hoe weeft het zijn klederen? Hoe bouwen de mensen hun huizen en hun schepen?

Het grondbeginsel waarvan wij telkens en telkens zullen moeten uitgaan, is dit: De wijze waarop een volk voorziet in z’n eerste levensbehoeften in verband met de trap van ontwikkeling waarop het staat, beslist over alle zeden en gewoonten, over de godsdienst, de rechtspraak, over geheel het geestelijke en zedelijke leven van een volk. Alle verschillende instellingen bij een volk zijn daarvan afhankelijk, ook de instellingen van het eigendom.

Drukken wij het eenvoudig uit, dan zouden wij moeten zeggen:

De broodvraag beheerst alles in de samenleving der mensen.

Voor de enkele mens zien wij dagelijks dat dit waar is. Zelfs dat verschil in onze eigen partij tussen revolutionaire socialisten en parlementaire berust daarop. De grote massa van de revolutionaire socialisten zijn zij, die gevoelen dat zij in deze maatschappij toch geen verbetering kunnen vinden, en dat de Tweede of Eerste Kamer er heel weinig doen kan of ze een broek aan hun lijf krijgen of een paar eieren en een glas bier meer zullen kunnen nuttigen. Op de werkzaamheden van het parlement daarentegen bouwen diegenen die kunnen zeggen: ja, voor ons kan de volksvertegenwoordiging wel wat doen. Als we maar wat belasting minder hebben, of wat hoofdelijke omslag minder, of wat traktement meer, dan zijn wij er al een heel eind bovenop.

Nu zullen wij echter bij de bespreking van het privaat eigendom moeten kunnen aantonen dat de broodvraag ook geldt voor een geheel volk, en dat met alle instellingen, alle zeden en gewoonten ook het eigendom daarvan afhankelijk is. Dan toch is voor de maatschappij waarin wij leven alleen deze vraag nog maar van gewicht: zal het privaat eigendom aan grond en arbeidsmiddelen nog kunnen voortbestaan, zoals tegenwoordig de maatschappij zich ontwikkelt, of zullen de moderne volken zich gedwongen zien de eigendomsrechten van de bezitters aan te tasten?

Zal de grond, zullen de fabrieken en werkplaatsen met haar machines en werktuigen, de stoomboten, de spoorwegen, de magazijnen en hun voorraad, zullen in één woord de arbeidsvereisten, de voortbrengingsmiddelen het eigendom kunnen blijven van afzonderlijke mensen, of zal daarin verandering moeten komen? We mogen er dan, zo wij het verkiezen, nog eens voor ons zelf bij overdenken of de overgang van privaat eigendom in gemeenschappelijk eigendom goed of slecht zal wezen voor het mensengeslacht, we kunnen ons verdiepen in de bespiegelingen, waarover zo-even gesproken werd, maar de hoofdzaak is dan opgelost — of die overgang namelijk een noodzakelijkheid is, of hij komen moet al dan niet.

Kunnen wij niet bewijzen uit de verschijnselen, die wij waarnemen op maatschappelijk gebied, dat dit het geval zal wezen, dan zijn wij dromers, die, hoe goed wij het ook menen mogen, ontnuchterd zullen worden — kunnen wij het wel, dan zijn onze tegenstanders reactionairen, die met de ontwikkeling der maatschappij geen rekening houden en die het rad van de geschiedenis willen terug draaien. Dit bewijs te leveren is alzo onze eerste taak tegenover tegenstanders.

I. Het gemeenschappelijk bezit voorafgaande aan het privaat bezit

Zolang een volk geen vaste woonplaats had, maar bestond uit rondzwervende stammen, die bv. met hun kudden van de ene streek naar de andere trokken of leefden van jacht of visvangst, was er geen spraak van een regeling in de maatschappij zoals wij die tegenwoordig kennen[1]. Men kan wel aannemen dat onder bepaalde omstandigheden de leden van een zelfde stam elkaar steunden en elkaar hielpen voorzien in de nodige levensmiddelen, zodat het ene lid van een stam, bv. als hij gelukkig was geweest op de jacht, aan een ander, die minder geluk had, een stuk van zijn buit afstond.

Dat was trouwens wederkerig noodzakelijk. Want wanneer de mens alleen staat in de natuur, is hij zwak en machteloos en heeft hij verschillende dieren tegenover zich, die sterker en groter zijn dan hij. De macht van de wilde tegenover de dieren in de wildernis bestaat — hoe laag ontwikkeld de wilde ook wezen mag — en ligt in zijn meerdere geestelijke ontwikkeling, die hem ook doet gevoelen, dat hij zich met zijn gelijken moet bijeenvoegen tot een groep, tot een geheel. Samen kunnen de mensen alle gevaren te boven komen, afzonderlijk levende niet.

Het ligt voor de hand dat in die tijden, als een volk ongeveer zó leeft, als ons in de bijbel de Israëlieten worden beschreven in de eerste tijden, toen ze rondzwierven tussen Mesopotamië en Kanaän, dat er toen bv. niet kon bestaan persoonlijk eigendom, ook niet persoonlijk bezit [er is nog een verschil tussen eigendom en bezit [2]], van de grond.

Wanneer men aan een lid van zulk een rondzwervende stam vragen mocht: Wie behoort dit of dat stuk grond, dan zou hij niet geantwoord hebben: dat is van mij, maar: dat is van ons. Er zou misschien kunnen geantwoord worden: Het behoort aan de aanvoerder, de aartsvader of hoe hij dan ook heten mag, maar dan was zo’n aartsvader bv. er toch alleen eigenaar van, voor zover hij de gehele stam vertegenwoordigde. Maar dit moest niet alleen het geval zijn met de grond, dat was ook het geval met de paarden, de koeien, de schapen, die zo’n rondzwervende stam mocht bezitten, met de tenten, waarin geslapen werd. Het ligt voor de hand, dat er niet kon gesproken worden van mijn tent, maar van onze tent. Ja, het was onder deze omstandigheden evenmin mogelijk, dat de leden van een dergelijke stam spraken van mijn vrouw, of mijn man. De vrouwen en mannen leefden door elkaar. Door een onweer, door het verdwalen in een bos konden voor een paar dagen andere mannen bij andere vrouwen worden gebracht. Het is dan ook eigenaardig dat bij alle volken, in de eeuwen dat zij dit zwervend leven leidden, er vrije geslachtsgemeenschap bestond en dat het moederrecht en niet het vaderrecht er gold. De bloedverwantschap werd gerekend naar de vrouwelijke lijn. En dat kon niet anders, want men kende wel de moeder, maar men kende nooit de vader van een kind. Die was eenvoudig niet uit te vissen. Heel belangrijke werken zijn hierover in de laatste tijd geschreven door Bachofen, MacLennan en vooral door Morgan.

Nu dient vooraf opgemerkt, dat al werd in het algemeen van rondzwervende volksstammen gesproken, die van jacht en visvangst of veeteelt leven, dat tussen dezen toch ook weer groot verschil bestaat, dat er eeuwen liggen tussen de ene vorm van samenleven en de andere.

De meest alledaagse zaken in onze ogen, zoals bv. de kunst om vuur te maken, het vervaardigen van ijzeren wapens, waren een hele revolutie in het leven van de volken.

De ontdekking dat men runderen kan laten weiden en zich kan voeden met de melk, was indertijd weer een grote omkering in het leven van een volk, zoals Charles Letourneau het ons schildert in zijn werk: Wetenschap en Materialisme:

“Op zekere dag”, zo stelt Letourneau het voor, “beeldt zich bv. een lid van een jagerstam van Midden-Azië, voorgelicht door een geniale gedachte, in, dat het mogelijk is om zich sommige diersoorten anders ten nutte te maken dan door ze op de jacht te doden; hij weet enige jonge herkauwende dieren in zijn macht te krijgen, te omheinen en ze op te leiden in een kudde, waarvan hij in elk jaargetijde een tiende kan heffen in vlees en in melk. Dit was een ontdekking die dadelijk de gehele sociale verhouding wijzigde. Van jagers werd men herders.”

Dit maakt ons echter duidelijk dat bij al die rondzwervende volken, zelfs bij dezulke welke op de hoogste trap van ontwikkeling staan, in het algemeen gesproken geen privaat, geen persoonlijk eigendom kan bestaan, maar alleen gemeenschappelijk eigendom. Persoonlijk eigendom is alleen te denken voor zover het bv. betreft de wapens (doordat ieder graag het wapen behoudt waarmee hij het best kan omgaan) of stukken, die men aan het lijf draagt: een dierenhuid of een paar versierselen om de hals of in de oren.

Het is te begrijpen dat die rondzwervende volken zelf niet konden lezen en schrijven en dat er dus onder hen geen mensen gevonden werden, die hun geschiedenis optekenden. Hoe zullen wij dan de geschiedkundige bewijzen vinden, dat het waar is wat wij hier uit de omstandigheden zelf afleiden, en dat dus werkelijk rondzwervende volken geen persoonlijk eigendom kennen, in vormen, waarin het ons wèl bekend is?

We kunnen alleen dáár zekerheid verkrijgen, waar zulk een minder ontwikkeld volk in aanraking komt met een volk, dat op een hogere trap van beschaving staat en bij hetwelk geschiedenis en letterkunde niet onbekend zijn.

Van onze eigen voorouders, de Germanen, weten wij dat ze omstreeks 50 jaar voor Christus in aanraking zijn gekomen met de veel beschaafder Romeinen, en dat ze enkele eeuwen lang aan Rome onderworpen zijn geweest.

Alles wat wij dan ook omtrent de Germaanse volksstammen, omtrent onze eigen voorouders omstreeks Christus geboorte, weten, is ons bekend geworden uit de werken van twee geschiedschrijvers der Romeinen, door de veldheer en schrijver Julius Caesar, die zijn aantekeningen over de oorlog in Gallië te boek stelde[3] en door het geschriftje Over de toestand, de zeden en volken van Germanië van de geschiedschrijver Tacitus[4].

Ondanks de Germaanse volksstammen in deze streken tijdens die schrijvers hen leerden kennen, reeds een vaste woonplaats hadden, ondanks ze al enigszins veeteelt beoefenden en dus op een vrij wat hogere trap van ontwikkeling stonden dan thans de wilde volksstammen op de Zuidzee-eilanden, dan bv. op dit ogenblik de inboorlingen van Nieuw-Caledonië, bij wie het mensen eten voorkomt, toch vinden wij omtrent onze eigen voorouders, de Germanen, het volgende in de aantekeningen van Julius Caesar over zijn oorlogen in deze streken:

“Akkerbouw drijven ze niet; hun voeding bestaat hoofdzakelijk uit melk, kaas en vlees. Niemand heeft een afgepaald stuk land, of eigen erf, maar de overheden en aanvoerders wijzen jaarlijks de stammen en geslachten, die bij elkaar verblijf houden, zoveel land aan, als ze nodig hebben ter plaatse, waar de overheid dit goeddunkt. Zij moeten alzo jaarlijks verhuizen. Daarvoor geven ze vele gronden aan: door de voorliefde voor een blijvende woonplaats mocht niet de neiging tot de krijg in liefde voor de akkerbouw verkeren; men moest niet naar uitgebreide goederen verlangen, de sterken moesten niet de zwakken uit hun eigendom verdrijven, men moest zich geen gemakkelijke schuilplaatsen tegen hitte en koude bouwen; de hebzucht, de gewone bron van partijzuchten tweespalt, moest niet ontstaan — en de gemene man tenslotte moest tevreden worden gehouden, wanneer hij zag dat de machtigste niet meer had dan hij”.

Deze aanhaling komt voor in het zesde boek van Caesars werk.

Het is goed dat hierop eens de aandacht gevestigd wordt, omdat, wanneer men ons ooit mocht vertellen dat het privaat eigendom een natuurrecht is, wij onze tegenstanders aanstonds zouden kunnen toevoegen dat in onze eigen gewesten het privaat eigendom van de grond en van woningen nog niet eens tweeduizend jaar oud is, en dat dus dit zogenaamde natuurrecht door de mensen zelf tot een recht is gemaakt, en derhalve ook door de mensen vernietigd kan worden[5].

Het hier opgemerkte geldt niet alleen voor onze eigen voorvaderen, de Germanen, ten tijde van de geboorte van Christus, maar het geldt nog voor alle volkstammen die óf een zwervend leven leiden óf althans met veeteelt of landbouw maar ternauwernood bekend zijn.

Het geldt nog heden ten dage voor verschillende stammen in India, voor de bewoners van de Zuidzee-eilanden (bedoeld is de oorspronkelijke bevolking die echter op verschillende van die eilanden reeds geheel is uitgestorven, ten dele uitgemoord). Het geldt ook nog voor de roodhuiden, de zogenaamde indianen in Amerika. Laten we nog één feit aanhalen. Het kan gevoegd worden naast hetgeen ons uit het verleden bekend is omtrent onze eigen voorvaderen.

Het feit waarop ik hier nog wil wijzen, is ontleend aan de Russkjja Vjedomosti (Russische Courant) van Moskou 14 oktober 1892 oude stijl. Het betreft het eiland Sachalin, aan de oostkust van Azië en behorende tot Siberië. Wij behoeven niet het gehele bericht, maar alleen voor zover het voor ons onderwerp van belang is over te nemen. In dat courantenartikel wordt bericht:

“In de zitting van 10 oktober (oude stijl: 22 oktober nieuwe stijl) van de afdeling antropologie (menskunde, natuurlijke historie van de mens) van de vereniging der vrienden van de natuurwetenschap te Moskou las N. A. Jantschuk een interessante mededeling voor van Sternberg over de Giliaken, een weinig bekende volksstam op het eiland Sachalin, die nog op de beschavingstrap van barbaarsheid staat. De Giliaken kennen noch de akkerbouw, noch de kunst om potten en pannen te bakken; zij voeden zich hoofdzakelijk door jacht en visvangst, zij verwarmen het water in houten troggen door er gloeiende stenen in te werpen, enz.

De Giliaak noemt vader, niet alleen zijn eigen lichamelijke vader, maar ook alle broeders van zijn vader; de vrouwen van deze broeders evenals de zusters van zijn moeder noemt hij allen moeder; de kinderen van al die ‘vaders en moeders’ noemt hij zijn broeders en zusters[6].

Deze benaming bestaat zoals men weet ook bij de Irokezen en andere stammen van indianen in Noord-Amerika, evenals bij enkele stammen in India. Terwijl zij echter bij deze sedert lange tijd niet meer in overeenstemming is met de werkelijke verhoudingen, dient ze bij de Giliaken tot aanduiding van een thans nog geldige toestand. Heden nog heeft elke Giliaak recht als echtgenoot op de vrouwen van z’n broeders en op de zusters van zijn vrouw; ten minste wordt de uitoefening van zulke rechten niet als iets ongeoorloofds aangezien ...

De gens (stam) zorgt voor het onderhoud van al zijn leden die voor de arbeid ongeschikt zijn. ‘Bij ons zijn er geen armen,’ zei een Giliaak tot de berichtgever, ‘wie behoeftig is, die voedt de Chaal’ (gens of stam). De leden van de stam zijn verder verenigd door gemeenschappelijke offerplechtigheden en feesten, een gemeenschappelijke begrafenisplaats, enz.”

Dit is dus een soort communisme zoals wij het communisme thans nog kennen binnen het huisgezin.

“De stam waarborgt al zijn leden, leven en veiligheid tegen aanval van niet-leden van de stam ...

De Giliaak is buitengewoon gastvrij, hij houdt ervan gasten te bedienen en zelf weer als gast te komen. De schone zede van de gastvrijheid toont zich vooral in boze tijden. In een ongeluksjaar, indien er bij de Giliaak niets te bikken valt, zomin voor hem als voor zijn honden, dan strekt hij niet de hand uit naar aalmoezen, hij gaat onbeschroomd zichzelf als gast uitnodigen en wordt gevoed door zijn buren, dikwijls voor tamelijk lange tijd.

Bij de Giliaken van het eiland Sachalin komen misdaden, uit eigenbaat, zo goed als niet voor. Zijn kostbaarheden bewaart de Giliaak in een voorraadhuis dat nooit gesloten is ... Doodslag komt zeer zelden voor en bijna alleen in toorn; in geen geval echter uit zucht naar gewin. In het verkeer met anderen toont de Giliaak rechtschapenheid, betrouwbaarheid en nauwgezetheid van geweten...”

Het bericht voegt er nog aan toe dat het er met die oorspronkelijke gelijkheid niet beter op wordt bij de Giliaken door hun kennismaking met de Russen. Hier werd tot nu toe besproken hoe de toestand is en moest zijn bij volken, zolang ze rondzwervende stammen vormden, eigenlijk dus nog vóór de toestand waarin onze voorouders omstreeks Christus geboorte verkeerden.

Het is noodzakelijk, zoals reeds gezegd is, wanneer men ons spreekt over het privaat eigendom als een natuurrecht, dat wij kunnen aantonen hoe het algemene eigendom het oudste is en overal is voorafgegaan aan het privaat eigendom.

II. Ontstaan en ontwikkeling van het privaat eigendom in verschillende vormen

Zodra nu deze weinig ontwikkelde mensen zich een vaste woonplaats hadden gekozen, dan namen ze bezit van alles wat de streek, het land waarop ze beslag hadden gelegd, hun aanbood.

Toen zij de landbouw leerden kennen (nog eens zij er aan toegevoegd dat wat hier in weinige woorden gezegd wordt, jaren en eeuwen van langzame ontwikkeling kostte) toen was het nog wel aanvankelijk mogelijk zoals bij de Germaanse volkstammen, naar de schildering van Caesar, dat men bv. om het jaar wisselde van huis en akker, maar het verkiezen van een vaste woonplaats werd toch steeds meer een noodzakelijkheid. Men koos zich een plekje (of de woonplaats ook al werd aangewezen aan de leden van de stam, doet niets ter zake) in de nabijheid van een bron en met inspanning van krachten bouwde men er een woonhuis, hakte men de bomen en bemestte men de akker.

Het ligt voor de hand dat zo’n plekje na verloop van tijd de bewoner dierbaar begon te worden; het jaarlijks, het op bepaalde tijden verhuizen, moest onder die omstandigheden op de duur algemenen tegenstand vinden.

Wie nu met eigen kracht zijn hut, zijn woning had gebouwd, wie het land in de omtrek van zijn woning had geploegd en bezaaid, van hem ligt het voor de hand dat hij in de dagen van de oogst niet gaarne gezien zou hebben, dat lieden van een vreemde volksstam of zelfs van z’n eigen stam beslag legden op datgene, wat hij door zijn arbeid had verkregen. Hij verdedigde wat hij had, en als van zelf ging hij spreken van mijn land, van mijn vruchten, door mijn arbeid voortgebracht. Hij ging ook spreken van mijn paard en mijn os wat betreft de dieren die hem behulpzaam waren in de arbeid, van mijn ploeg en mijn schop met betrekking tot de gereedschappen, voor een deel door hem zelf vervaardigd, en die hij bij de akkerbouw nodig had.

Ja, wij moeten ons een landstreek uit die dagen niet voorstellen zoals zij tegenwoordig is. Men had niet die middelen van verkeer, geen spoorwegen, boten en schepen, noch ook de goedgebaande wegen die wij vandaag kennen. Hoogstens kende men ternauwernood begaanbare buurtwegen en het ligt alzo voor de hand dat in het najaar, wanneer de regen dagenlang neerviel in stromen, er soms weken moesten voorbijgaan zonder dat de mensen van de verschillende hoeven er toe kwamen elkaar te bezoeken. Zó is het begrijpelijk dat de bewoners van een zelfde hut van een zelfde hoeve elkaar gingen beschouwen als een natuurlijk geheel en dat de bewoners als van zelf moesten gaan spreken, de man van mijn vrouw, de vrouw van mijn man.

Het is dus de natuurlijkste zaak der wereld dat met het privaat eigendom van grond en arbeidsmiddelen ook het familieleven ontstond, zodra de akkerbouw de plaats van de veeteelt vervangen had, of er beter gezegd naast begon op te komen. Het ontstaan van het familieleven onder deze omstandigheden is even natuurlijk als het verschijnsel, dat thans, nu de middelen van verkeer zoveel verbeterd zijn, die banden van het familieleven steeds losser beginnen te worden.

Wij zien dus, dat zodra de landbouw de hoofdbron werd van het bestaan van het volk en wel landbouw gedreven door handenarbeid met schop en spa en ploeg, waarmee ieder voor zich een stukje grond moest bearbeiden; dat toen het algemeen eigendom van de grond en de arbeidsmiddelen vanzelf moesten overgaan in bijzonder, in privaat, in persoonlijk eigendom.

Voegen wij er nog iets aan toe: bij het zich vestigen in een streek, bij het kiezen van een vaste woonplaats hebben alle volksstammen niet alleen beslag gelegd op de grond en de dieren, de paarden en runderen, maar — wanneer zulk een streek reeds bewoond was — hebben zij ook de hand gelegd op de oorspronkelijke bewoners van het land. Dezen werden hun slaven, hun persoonlijk eigendom.

Ook hierin hebben deze volksstammen alleen gehandeld overeenkomstig hun eigenbelang, gelijk in de gehele natuur het eigenbelang heerst.

Het is toch weer zo duidelijk mogelijk, dat bij een rondzwervende jagers- of herderstam de slavernij niet die vorm kan aannemen, die het kenmerk is van een latere ontwikkeling van de samenleving. De strijd tegen de omringende natuur, die de wilde heeft te voeren is een strijd van man tegen man. De overwinnaar kon zijn tegenstander, wanneer die een mens was, misschien braden en opeten, maar hem in zijn dienst gebruiken met een verschil in levensomstandigheden tussen overwinnaar en overwonnene, dat kon hij niet.

Zodra echter een volkstam zich ergens vast had gevestigd en landbouw begon te drijven, konden de leden van zo’n stam op hun hoeven wèl nut trekken uit de werkkracht van een onderworpen bewoner van de streek.

De slaaf was voor de landbouw een even nuttig schepsel als een os of een paard.

Zelfs het eigendom van de ene mens over de andere, in onze ogen thans een grote ongerechtigheid, is alzo voortgevloeid uit de levensomstandigheden. En evenals voor onze professoren, uit de bourgeoisklasse voortgekomen, evenals voor Paus Leo XIII in zijn encycliek over het arbeidersvraagstuk, het privaateigendom heilig is en onaantastbaar, evenals deze zonen der negentiende eeuw menen, dat een maatschappij zonder privaat eigendom aan grond- en arbeidsmiddelen ten onder zou gaan, zo oordeelde Aristoteles[7] de grootste denker van de oudheid, dat de maatschappij niet bestaanbaar is zonder slavenarbeid, zonder dat de grote massa van de mensen in eigendom toebehoort aan de minderheid.

“Wanneer”, zo droomde de Griekse wijsgeer, “elk werktuig op bevel, of ook slechts bij voorgevoel de arbeid kon verrichtten, die er passend voor is, zoals de kunstwerken van Dadalos zich vanzelf bewogen of de drievoeten van Hephestos uit eigen aandrang aan de heilige arbeid gingen, als zo ook de weefspoelen vanzelf weefden, dan alleen zouden er noch voor de werkbaas helpers, noch voor de heren slaven nodig zijn”.

Men ziet het, de mensen moeten beoordeeld worden naar de tijd, waarin ze leven. Zo moet beoordeeld worden Aristoteles, als hij spreekt over de slavenarbeid en onze tegenwoordige geleerden en de paus van Rome, wanneer ze spreken over het eigendom aan grond- en arbeidsmiddelen.

Nemen wij in acht de dwang der omstandigheden, de manier waarop de mensen voorzien in hun levensonderhoud in verband met de trap van ontwikkeling waarop ze staan, dan is het dus duidelijk waarom bij alle bekende volken van de tijd af, dat hun geschiedenis begon, d.w.z. van de tijd af dat ze zich ergens vast nederzetten, de gehele maatschappij berustte op slavenarbeid. Dat duurde in de West-Europese landen tot op de tijd toen het christendom invloed begon te krijgen d.i. ongeveer tot de derde en vierde eeuw (in ons land nog een paar eeuwen later) na Christus.

Gedurende al die eeuwen kende men dus geen arbeiders, die werken voor een bepaald loon, zoals de tegenwoordige loonarbeiders. Want niet alleen strekte het privaateigendom zich uit tot de grond en de middelen om te arbeiden, tot de werktuigen evenals tot de woonhuizen, maar het privaateigendom omvatte ook de arbeider zelf. De arbeiders waren met hun lichaam en met al wat ze voortbrachten het eigendom van hun heer.

Men kende in die eeuwen geen kapitalisten, zoals tegenwoordig, geen mensen die met hun werktuigen in fabrieken of werkplaatsen anderen laten werken en dan leven van de winst die ze maken.

In die tijd — want het is nodig dat wij de toestand van de grote massa der mensen ook binnen de maatschappij der oudheid eens nagaan — werden alle goederen voortgebracht in het huishouden van de heer of meester zelf. Wel kon een slavenbezitter 100 of meer slaven in eigendom hebben, evenals een fabrikant in onze dagen 100 en meer loonarbeiders aan de arbeid kan houden. Aan de toestand veranderde dit niets. Zijn slaven bleven een deel van zijn huishouding. Hij liet hen de grond ploegen, maar hij liet hen ook, wanneer hij rijk en machtig was en vele slaven bezat, tapijten weven en zijn kinderen opvoeden. En het is bekend, dat toen Griekenland ten onder gebracht was door de Romeinen, dikwijls een Griekse slaaf in het huisgezin van de Romeinse burger belast werd met de opvoeding van de jeugd.

De goederen die de meester teveel had, verkocht hij, of liever hij ruilde ze (wat op hetzelfde neerkomt) vooral tegen goederen van weelde — bv. tegen purper of barnsteen.

Maar het was in Griekenland en in het oude Rome uitzondering dat men zijn slaven liet fabriceren met het doel om de goederen te verkopen. Dat geschiedde wel reeds in Griekenland maar alleen bij lieden van geringe stand, die minder in aanzien waren evenals in onze dagen een kroeghouder of een bordeelhouder.

Zo werd bv. in het oude Griekenland de redenaar Isokrates bespot door de blijspeldichters, door Aristophanes o.a. omdat zijn vader Theodorus zijn knechten fluiten liet fabriceren om ze te verkopen.

Dat was omstreeks 400 jaar v. Christus. Als wij daarbij weten dat reeds in 1000 voor Christus de Grieken een tamelijk hoog ontwikkeld volk waren en dat toen reeds de dichtwerken van Homeros zijn geschreven, dan ziet men dat er eeuwen zijn heengegaan over Griekenland gedurende welke de samenleving van de mensen steunde op slavenarbeid.

De slaven ontvingen van hun meester kleding en voedsel.

Deze vorm van privaateigendom van de ene mens over de andere kon voor de grote massa van de mensen, voor de slaven, niet anders dan hard zijn. Om het lot van de slaven te kunnen beoordelen dienen wij weer, zoals vanzelf spreekt, bij de klassieke schrijvers te land te komen. Horen wij, hoe Cato de Oude, de bekende Romeinse redenaar over de slaven dacht.

Deze man meende dat men zijn slaven goed moest behandelen, omdat ze vormden een bedrijfskapitaal dat niet verwaarloosd mocht worden. Wat had dan een veldarbeider bv. nodig? Cato meende:

“Een rantsoen brood met wat (vooral niet te veel) afgevallen olijven; is hij uitgeput, voer hem dan pekel met azijn; en wilt gij hem trakteren, kook water en wijn met een goede portie oud zeewater en flink wat scherpe azijn er door. In de kleren wordt hij gehouden door hem om de twee jaren een soort van kiel en een paar klompen te geven.”

Het privaateigendom van de ene mens over de ander, de slavernij, zag er niet juist zo heel genoeglijk uit voor de slaven zelf.

Die toestand — zoals gezegd werd — bleef voortduren tot op de tijd van het christendom. Maar ook onder het christendom werd die toestand maar weinig verbeterd. Wel was het christendom aanvankelijk een godsdienst van slaven en vrouwen, zoals het eens genoemd werd, een godsdienst van de verdrukten, tegen wie de apostelen, de predikers van het Evangelie zeiden: komt bidden met ons! In de eerste eeuwen van het christendom zijn de kerkvaders nog wel verder gegaan, dan de veroordeling van de slavernij en hebben zij niet alleen het privaateigendom van de ene mens over de ander aangevallen, maar ook het privaateigendom in het algemeen, ze hebben het zuiver communisme gepredikt.

De kerk heeft echter de afschaffing van het privaateigendom slechts kunnen handhaven binnen de muren van het klooster. In de maatschappij zelf bleek het communisme onbestaanbaar, niet zoals Thomas van Aquino zegt, “door de zonde van de mensen”, maar door de trap van ontwikkeling waarop de mensen stonden, door de wijze waarop ze in verband daarmee hun levensonderhoud vonden.

Al was ook het christendom in het begin een godsdienst van slaven, de slavernij heeft het christendom niet kunnen afschaffen. Het is er slechts in geslaagd de slavernij te verzachten tot lijfeigenschap en horigheid.

Wat lijfeigenschap en horigheid is, weten wij uit onze eigen geschiedenis. Veel daarover te zeggen is onnodig: lijfeigene kon men worden of als krijgsgevangene, of door geboorte uit een moeder die lijfeigene was, óf door huwelijk, óf vrijwillig.

Een lijfeigene was afhankelijk van zijn heer in de keuze van zijn beroep en de plaats waar hij wonen zou, hij moest trouwen ... wanneer zijn heer het gebood. Hij mocht, als hij stierf, alleen iets nalaten aan zijn kinderen als zijn heer het goed vond, hij kon lichamelijk getuchtigd worden. Overigens echter werd hij door de wet beschermd, en wanneer hij niet meer in staat was te werken, moest hij onderhouden worden door zijn heer.

De horigen waren nog enigszins vrijer. Een horige op een boerderij kon wèl met het land, waarop hij leefde, door zijn heer worden verkocht, maar overigens werkte hij voor zichzelf en moest alleen een bepaald deel van wat zijn arbeid opbracht jaarlijks afstaan aan zijn heer. Die opbrengst geschiedde in de regel in vruchten van de akker, een opbrengst die, in de vorm van tienden, hier en daar nog is blijven voortbestaan.

In elk geval echter waren nog eeuwenlang, ook onder het christendom, degenen op wier arbeid de maatschappij steunde, in mindere of meerdere mate het eigendom van hun heer en bezat deze niet alleen de grond en de arbeidsmiddelen in zijn persoonlijk eigendom, zoals dit tegenwoordig het geval is met de kapitalisten, maar bezat hij tevens de gehele werkman.

Dit alles nu gold niet enkel voor de landarbeid. Eeuwen achtereen toch werd ook de industrie in de steden gedreven door lijfeigenen of horigen, in dienst van de stad, of van adellijke geslachten.

Toen dit in de steden langzamerhand ophield, bleef de toestand nog in West-Europa bestaan op het platteland, zelfs tot de Franse Revolutie van 1789.

In Rusland bleef de horigheid ook in onze eeuw nog van kracht en eerst na de Krimoorlog werden bij keizerlijk manifest van Alexander II (van 3 maart 1861), miljoenen Russische lijfeigenen vrij verklaard.

In West-Europa waren in de steden na het vrij worden van de poorters allengs de gilden opgekomen, die gedurende de middeleeuwen, van de 11e tot de 15e eeuw, en zelfs later nog, zulk een geduchte invloed hebben uitgeoefend. Dit waren dan toch, zou men zo zeggen, verenigingen van vrije personen, die een bepaald vak uitoefenden; van bakkers, wevers, smeden, die elkaar steunden uit vrije overtuiging en welbegrepen eigenbelang.

In werkelijkheid waren het inrichtingen van de staat, waarbij de grote massa van de arbeiders in honderd verschillende vormen door de wet werden gedwongen om te arbeiden voor de stedelijke meesters van het gild. In plaats van de adellijke boeren traden op de meesterbakkers, wevers, smeden, enz.

Dit alles veranderde door de Franse Revolutie van 1789. De voorrechten van adel en geestelijkheid werden toen, althans in naam, afgeschaft, lijfeigenschap, horigheid en gilden verdwenen: Het tijdvak van de vrije concurrentie was aangebroken.

Was nu alles in orde? Zouden nu eindelijk de oude toestanden van roof en uitzuiging ophouden? Zouden nu de arbeiders niet langer behoeven te arbeiden in dienst van een kleine klasse van bevoorrechten, van bezitters, aan wie zij een gedeelte, soms het grootste deel, moesten afstaan van wat hun arbeid opbracht?

Neen! Want het privaateigendom aan grond en arbeidsmiddelen bleef bestaan en daarmee de slavernij van de arbeiders, die alleen een andere, een nieuwe negentiende-eeuwse vorm aannam, de vorm van de loonslavernij

Terwijl het lot geschetst werd van de grote massa der mensen, vanaf het ogenblik, dat ieder zijn woonplaats kreeg, werd reeds meteen omschreven, hoe het eigendom aan grond en arbeidsmiddelen verdeeld was.

De oorspronkelijke bewoners van ons land, die door de inval van vreemde volksstammen tot slaven werden gemaakt en zelf in het eigendom van hun heersers overgingen, bezaten — het ligt voor de hand — geen grond en geen arbeidsmiddelen. De lijfeigenen, de horigen van de middeleeuwen, evenmin, of althans slechts bij hoge uitzondering en de horige die een hutje of een koe mocht nalaten aan zijn zoon met toestemming van de landheer, verkeerde in een gunstig geval. De gildengezel van de middeleeuwen mocht, het is waar, zijn eigen handwerktuigen in eigendom hebben, maar hij werd door allerlei bepalingen verhinderd, er gebruik van te maken.

Maar ook de kleine, vrije boer van de middeleeuwen, die op eigen land werkte, hij werd onder allerlei verschillende vormen van de vruchten van zijn eigendom weer beroofd. Tienden, belastingen, afpersingen door adel en geestelijkheid, ziedaar even zovele verschillende vormen van gewettigde roof en diefstal op de vruchten van de arbeid van hem, die zelfstandig kon arbeiden. De roof op de grond van boeren en boerenarbeiders door de edellieden en vooral door de kerk, die steeds meer landerijen aan zich trok was wel in staat, om de macht van de heersers te versterken, maar niet om de zelfstandig werkende landman het leven draaglijk te maken.

Wijzen wij verder op verbeurdverklaring van goederen. Op de inval van benden soldaten in de talloze oorlogen, op woeker, op handel en speculatie van allerlei aard, dan hebben wij zo enigszins een overzicht van de vele vormen van onderdrukking en beroving van de grote massa der mensen door de geestelijke en wereldlijke machthebbers.

Daartegenover hebben de gelukkigste rovers der middeleeuwen ons de spruiten geleverd voor de latere vorstenfamilies.

Dit alles samen maakt het ons verklaarbaar dat ook diegenen, die hun eigen akkers bebouwden, of als zelfstandige handwerkslieden door eigen arbeidsmiddelen zich onderhielden, toch op honderd wijzen van hun eigendom onteigend konden worden.

Voor de grote massa der mensen echter was de toestand niet eens zo gunstig.

Maar hoe werd die toestand in onze eeuw na de Franse Revolutie van 1789?

Rechtens werd toen in geheel West-Europa de arbeid vrij verklaard.

In de werkelijkheid echter was die vrijverklaring van de arbeid noodzakelijk geweest, niet in het belang van de werklieden zelf, maar in het belang van de heersers, in het belang meer bepaald van de opkomende burgerklasse, van de fabrikanten en handelaars. In andere landen blijkt dit nog duidelijker, dan bij ons, want na de bevrijdingsoorlog tegen Spanje heeft Holland een tijdperk doorleefd, waarin reeds de burgerklasse zich bij ons meer heeft kunnen omhoog werken dan dit elders het geval was. Vele jaren lang hebben de Hollanders, wel te verstaan de Hollandse reders, de gehele vrachthandel van Europa in handen gehad.

In het algemeen gesproken kunnen wij zeggen, dat in geheel West-Europa de opkomende burgerklasse zich door de middeleeuwse banden bekneld moest gevoelen bij de ontwikkeling der industrie. Toen in de laatste helft van de 17de eeuw de stoommachines werden uitgevonden die langzamerhand alle oude instellingen omver gingen werpen, toen er dus in de werkelijke maatschappij inderdaad een revolutie had plaats gegrepen, een grondige omkering in de manier waarop de mensen hun middelen om te bestaan voortbrachten, toen was de revolutie op staatkundig gebied eenvoudig een zaak die onvermijdelijk moest volgen. De grote Franse Revolutie was niet anders dan een noodzakelijk aanhangsel, een gevolg op staatkundig terrein van de revolutie die op economisch gebied zich in de laatste helft van de 18de eeuw begon te voltrekken. Ze was, niets meer en niets minder dan het bewijs, dat de nieuwe verhoudingen waaronder de mensen gedwongen waren te leven, onverenigbaar waren geworden met de staatsinstellingen uit de middeleeuwen afkomstig.

De eigenaars van de fabrieken welke na de invoering van de stoommachines alom begonnen te verrijzen, konden geen rekening houden met de bepalingen die uit de gildentijd waren overgebleven en die langzamerhand in de zeden en gewoonten van het volk waren geworteld. Wanneer men een gildenbrief van de middeleeuwen in handen neemt, dan bemerkt men dat daarin de arbeid van de werklieden tot in de kleinste bijzonderheden was geregeld, de arbeidsdag, het loon, de feestdagen per jaar, het was alles tot in kleinigheden omschreven. Schier alle gildenbrieven bevatten de bepaling dat er niet gewerkt mocht worden bij kunstlicht. Aan schoenmakers en andere arbeiders in zittende vakken was bij strenge vorst de arbeid verboden. Met al dergelijke bepalingen konden de fabrikanten geen rekening houden. Zij konden niet dulden dat de stadsregeringen zoveel invloed uitoefenden op de verhoudingen van de arbeid. Zie, daarom moest de arbeid vrij worden verklaard. Evenals in onze dagen de bankiers, de fabrikanten en handelaars in hun Handelsblad en Nieuwe Rott. Crt. schreeuwen dat heel Nederland ten gronde gaat wanneer hun eigen zaken niet vlotten willen, zo is het ook gegaan op het laatst van de vorige eeuw. De oude staatsinstellingen veroorloofden de fabrikanten niet om gauw genoeg rijk te worden. In die oude en vermolmde maatschappij, die haar tijd uit de middeleeuwen overleefd had, moest de economische revolutie gevolgd worden door een staatkundige revolutie.

De vrije concurrentie van de 19de eeuw, ze heeft ellende, aftobben, geestelijk en lichamelijk verval van de arbeidersklasse gebracht in elke industriële streek.

Aan de vrijheid van de werkman door de Franse Revolutie geproclameerd ontbrak één zaak, die ons duidelijk aantoont dat ze is geweest een burgerlijke omwenteling en geen arbeiders-, geen proletariërrevolutie.

De Franse Revolutie heeft het persoonlijk eigendom onaangetast gelaten, voor zover het betrof de middelen om voort te brengen.

De arbeider was vrij verklaard, maar hij had geen grond, geen grondstoffen, geen magazijnen met hun voorraad van goederen, geen werktuigen; hij had niet eens de nodige levensmiddelen om enige tijd te kunnen leven; gedurende welke hij de producten van zijn arbeid van de hand zou kunnen zetten. De vrije concurrentie was aangebroken, maar hoe zou de werkman, eeuwenlang van vader op zoon uitgebuit, en door anderen gebruikt, hoe zou hij kunnen concurreren met de fabrikanten? De arbeid was vrij verklaard, maar een boerenarbeider vond de grond nu eenmaal verdeeld en in de handen van de adellijke landeigenaars en de kleine boeren zelfs moesten nog allerlei hoge lasten opbrengen, tienden en hoge belastingen, waarbij, als een zegening van onze eeuw, later kwamen de hypotheekrechten, zodat de boer in onze dagen niet alleen werkt voor meneer de grondbezitter, de adellijke dorpsjonker, maar ook voor de meneer uit de stad, voor de man met het wit piqué vest, voor meneer de bankier.

De werkman, die niet anders bezat dan zijn arbeidskracht, was na de revolutie gedwongen om terug te keren tot dezelfde personen die hij vroeger rijk had helpen maken: zij waren de enigen die grondstoffen, werktuigen en levensmiddelen hadden opgehoopt, die de grond zelf in bezit hadden genomen, en die bovendien, doordat zij zich zelf en hun kinderen goed hadden kunnen ontwikkelen, in staat waren om de arbeidersklasse ook in staatkundige zin onder de duim te houden.

De werkman van onze eeuw zag dus, toen de revolutie voltrokken was, zich weer opnieuw genoodzaakt om zijn arbeidskracht te gaan verkopen in dienst van anderen. Hij werd even afhankelijk van de kapitaalbezitter, van de fabrikant of de grondeigenaar, als vroeger de slaaf van zijn meester, al was dan ook de vorm van de slavernij minder ruw.

Dat er trouwens een tijdvak kan aanbreken, waarop het voor de ondernemers zelf, meer winstgevend wordt “vrije loonarbeiders” in dienst te nemen dan slaven te houden, dat leert ons nog in onze dagen de afschaffing van de slavernij in Brazilië. Toen voor enige jaren in deze Zuid-Amerikaanse staat het voorbeeld van Noord-Amerika gevolgd werd, schreven de Amerikaanse arbeidersbladen dat deze afschaffing van de slavernij werd gesteund door de planters, de slavenhouders zelf, die goedkoper “loonarbeiders” konden afjakkeren bij de overlading van de markt met arbeidskrachten, dan “slaven” te houden; voor wier levensonderhoud zij hadden te zorgen en die ze nog bovendien moesten kopen.

Het leven is zo ontzettend nuchter en voor het leven der volken geldt dit nog meer dan voor het leven der individuen.

Veel zou er ongetwijfeld te zeggen zijn, over de ontwikkeling van het persoonlijk eigendom in onze eeuw. Daarover echter wordt in socialistische vergaderingen en brochures genoeg gesproken. De geschiedenis van het privaateigendom in onze eeuw met haar heerschappij van stoom en elektriciteit, het is tegelijkertijd de geschiedenis van het socialisme, als kritiek op de bestaande kapitalistische maatschappij, de motivering waarom de bestaande toestanden onhoudbaar worden. Op deze verschijnselen, die meer bepaald het kenmerk zijn van onze negentiende eeuw, gedeeltelijk zelfs van de laatste helft van deze eeuw, behoeven wij slechts even heen te wijzen. De kritiek op de bestaande maatschappelijke verhoudingen is ook volgens onze tegenstanders de sterkste zijde der socialisten, met aanstippen van een en ander kunnen wij dus volstaan.

Wij verwijzen dan naar de reusachtige vlucht die de grootindustrie heeft genomen (door de invoering van steeds nieuwe en betere machines) en eveneens de groothandel. Een nooit gekende uitgebreidheid verkreeg de wereldmarkt in onze dagen, nu niet alleen Engeland voor de wereldmarkt werkt, maar ook de Verenigde Staten, Frankrijk, Duitsland, Rusland, ja nu zelfs achter-Indië en Australië het moederland (Engeland) concurrentie gaan aandoen.

Wij wijzen verder op de invoering van machines ook in landbouw en veeteelt, op de machinale bereiding van boter en kaas in de zuivelfabrieken, waardoor de boter bereiding in het huisgezin van de boer zelf wordt verdrongen.

Verder op de grote bondgenootschappen tussen de ondernemers in een zelfde bedrijfstak, die men in Amerika trust of rings noemt, een verschijnsel uit de laatste tientallen jaren; en daar tegenover op de ontwikkeling van het verenigingsleven onder de arbeiders, de oprichting van vakverenigingen en andere arbeidersorganisaties.

Op de werkstakingen ten slotte, die in omvang en aantal en vooral in goede organisatie toenemen.

Op één van die verschijnselen welke onze eeuw kenmerken, dient wat meer in het bijzonder te worden gewezen ; omdat het alle andere verschijnselen beheerst en voor een groot deel mogelijk maakt. Het is de invloed, die in onze eeuw het ruilmiddel, het geld uitoefent.

Geld als ruilmiddel kennen wij reeds sedert eeuwen ook in deze gewesten. Verschillende waren zijn in de loop der tijden als ruilwaar gebruikt. In de ruwere tijdperken der maatschappij was vee zeer dikwijls de prijs waarin de waarde van andere voorwerpen werd uitgedrukt. De wapenrusting van Diomedes, zo heet het bij de Griekse dichter Homeros kostte niet meer dan negen ossen, maar die van Glaucos kostte honderd ossen. Zout wordt genoemd als een ruilmiddel in Abyssinië, tabak was het lang in Virginia, suiker in enkele West-Indische koloniën.

In de Germaanse landen kwamen echter reeds door de kennismaking met de Romeinen de stammen in die streken in kennis met metaal, met goud en zilver als ruilmiddel. In onze eeuw echter heeft dit ruilmiddel een heel bijzondere en belangrijke invloed gekregen en is het thans de grondslag van een geheel stelsel van speculatie.

Ook in vroegere eeuwen werden waren, werd ook geld geborgd, door hem die er behoefte aan had van degene die overvloed bezat of althans die meer had dan hij zelf gebruikte. Ook in vroegere eeuwen kende men de interest. Maar in de oudheid ontbrak de gelegenheid geheel, om te lenen, met het doel het geleende in een industriële onderneming te steken (aangezien alle goederen in de huishouding werden vervaardigd) en het zo productief te gebruiken. En al moge gedurende de middeleeuwen en tot op onze eeuw toe, de gelegenheid daartoe niet geheel ontbroken hebben, al was het reeds in de 18e eeuw en later, vooral ook in Nederland, mogelijk dat men gelden van anderen gebruikte, in het bijzonder in de handel, toch is het lenen van geld met het doel als ondernemer op te treden, in onze eeuw eerst in volle kracht gekomen. In vroegere eeuwen leende men uit persoonlijke nood, uit ogenblikkelijke verlegenheid. Dit had zijn invloed en als één der middelen om de boer of de stedelijke burger te verarmen, werd dan ook hier reeds gewezen op woeker en afzetterij, soms in de ruwste vorm en tegen een buitensporig hoge interest.

Sedert echter de fabrieken opkwamen, sedert onder het dolle concurrentiestelsel op elk gebied van industrie, handel en verkeer, men slechts door aanwending van de nieuwste machines en een inrichting op de grootst mogelijke schaal, zijn mededinger kan vernietigen, sedert die tijd is het vraagstuk van de interest van een bijzonder gewicht geworden. Zonder geldspeculatie is in onze tijd een industriële onderneming op velerlei gebied een onmogelijkheid geworden. Ook heeft de interest, die alle moderne staten drukt, de beurszwendel gemaakt tot een hoogst fatsoenlijk iets.

De verachte woekeraar van de middeleeuwen is geworden de hooggeprezen bankier van onze tijd, een zeer net mens, de echtste steunpilaar van de kapitalistische maatschappij.

De beurszwendelarijen zijn het zekerste middel geworden voor de opéénhoping van het eigendom in de handen van weinigen en voor de onteigening der grote massa. De beurszwendelarijen zijn thans voor de maatschappij het beeld geworden waarvan men kan zeggen: “in dat teken zult gij ten gronde gaan.”

De geschiedenis van de ontwikkeling van het particulier eigendom in onze eeuw kan ons echter hier niet lang bezig houden. Het is de geschiedenis van de snelle opéénhoping van het eigendom in de handen van een betrekkelijk gering aantal personen (een aantal dat steeds geringer wordt) terwijl daarentegen de grote massa van mensen, voor zover ze nog eigendom hebben, van dat eigendom worden onteigend.

Meer dan op dit punt hebben wij met tegenstanders strijd te voeren, waar het betreft de consequenties, die uit de geschiedenis van de ontwikkeling der kapitalistische maatschappij getrokken behoren te worden. Wij komen zó tot het slot deel van ons onderwerp: de afschaffing van het privaat eigendom.

III. Afschaffing van privaateigendom

Wat zal er nodig wezen om er einde aan te maken dat de werklieden afhankelijk blijven van enkele niet-arbeiders, onverschillig hoe ze ook heten mogen, slavenbezitters, edelen, gildenmeesters ofwel, zoals tegenwoordig, fabrikanten, bankiers, grondeigenaars en de handlangers van deze: regeringspersonen, rechters, advocaten.

Vragen wij ons daartoe af wat er tot hiertoe in de geschiedenis der volken heeft plaats gegrepen. Al die verschillende vormen: slavernij, lijfeigenschap, horigheid, de arbeid onder een gild, en in onze eeuw de loonarbeid, ze komen hier op neer:

De eigenlijke arbeider werd van wat zijn arbeid opbracht, meer dan hij zelf strikt nodig had, beroofd. De massa van het volk werd onteigend door enkele bezitters.

In de toekomst zal het nodig wezen dat de rollen worden omgekeerd en dat de grote massa van de arbeiders de bezitters gaan onteigenen.

Maar wij hebben hier niet zo zeer te maken met hetgeen gewenst of nodig zal wezen. Wij moeten er hier op wijzen dat die onteigening van bezitters onvermijdelijk wordt in een bepaalde fase, in een bepaald tijdvak van de ontwikkeling der maatschappij.

De onteigening der klein-bezitters toch wordt door de maatschappij zelf voorbereid. De kleine kapitalisten zien in onze dagen reeds even zeker hun ondergang tegemoet als de afzonderlijke handwerkslieden en kleine bazen er reeds onder gewerkt zijn.

Het is reeds zover gevorderd dat niet alleen alle werklieden, willen ze kunnen arbeiden, in dienst van de kapitaalbezitters moeten treden, zodat steeds meer de weinige nog overgebleven zelfstandige arbeiders en handwerkslieden er onder moeten; dat niet alleen schoenmakers, kleermakers, meubelmakers enz. de concurrentie met de fabrikanten en magazijnhouders niet kunnen doorstaan, maar de kleine kapitalisten, de kleine grondeigenaars, de kleine fabrikanten ze worden op hun beurt ook langzaam maar zeker ten onder gebracht door de grote. Het is de noodzakelijke consequentie van de ophoping van rijkdommen in de handen van weinigen.

Ik wil de verdere ontwikkeling van dit proces met de woorden van Karl Marx in een van de slothoofdstukken van zijn Kapital [8] karakteriseren.

Met voorliefde haal ik de woorden van deze schrijver aan. Marx’ werken toch, bij uitnemendheid wetenschappelijk, zijn zo bijzonder geschikt om diegenen onder onze partijgenoten tot rede te brengen, die hun opmerkzaamheid in de laatste jaren bijna uitsluitend hebben gevestigd op het parlement, op de steun van de regering, op hervormingen binnen deze maatschappij.

Niet alleen toch heeft Marx telkens en telkens doen uitkomen, dat de vorm van de regering niet anders is dan een gevolg van de economische toestanden — niet alleen heeft hij overal betoogd dat de regerings machine slechts een instrument is in de handen van de regerende klasse, zó gevormd als voor de regerende klasse het meest geschikt is, en daarmee tevens voor de heerschappij van de arbeidersklasse ongeschikt — Marx heeft ook door al zijn werken heen, duidelijker dan anderen, geschetst hoe de gehele economische grondslag der maatschappij moet omvergeworpen worden en zich zelf omverwerpt, hoe de ontwikkeling der maatschappij zich zó voltrekt, dat beschermende maatregelen door de regeringen toch niet helpen kunnen.

Marx bespreekt dan de opéénhoping van het kapitaal als volgt:

“Zodra dit omkeringsproces naar diepte en omvang de oude maatschappij voldoende heeft vervormd, zodra de arbeiders in proletariërs, hun arbeidsvoorwaarden in kapitaal veranderd veranderd zijn, zodra de kapitalistische productiewijze op eigen voeten staat, neemt deze vermaatschappelijking van de arbeid, en de verdere omkering der aarde en van de andere voortbrengingsmiddelen, dus de verdere onteigening der privaateigenaars een nieuwe vorm aan.

Wat thans te onteigenen valt, dat is niet langer de zelfstandig werkende arbeider, maar de vele arbeiders exploiterende kapitalist. Deze onteigening voltrekt zich door het spel der wetten van de kapitalistische productie zelf, door de centralisatie (samentrekking) van kapitalen. Eén kapitalist slaat vele anderen dood. Hand in hand met deze centralisatie (samentrekking) of met de onteigening van vele kapitalisten door enkelen, ontwikkelt zich de coöperatieve (samenwerkende) vorm van het arbeidsproces in steeds wassende graad, de bewuste technische (vakmatige) toepassing der wetenschap, de planmatige exploitatie (uitbreiding) van de aarde, de verandering van de arbeidsmiddelen in arbeidsmiddelen, die alleen gemeenschappelijk aan te wenden zijn; de besparing van alle productiemiddelen door hun gebruik als voortbrengingsmiddelen van samengestelde, maatschappelijke arbeid; het werpen van alle volken in het net van de wereldmarkt, en daarmee het internationale karakter van het kapitalistische stelsel. Met het gestaag afnemend aantal kapitaalvorsten, die alle voordelen van dit veranderingsproces usurperen (bemachtigen) en monopoliseren (in hun alleen-bezit brengen), vermeerdert de ellende, de verdrukking, de knechtschap, de ontaarding, de uitbuiting, maar vermeerdert ook het verzet van de steeds aangroeiende en door de werking van het kapitalistische voortbrengingsproces zelf geschoolde, verenigde en georganiseerde arbeidersklasse. Het kapitaalmonopolie wordt tot een knellende band voor de productiewijze, die met en onder dit stelsel is tot bloei gekomen.

De centralisatie der voortbrengingsmiddelen en de vermaatschappelijking van de arbeid bereiken een punt, waarop ze onverenigbaar worden met haar kapitalistisch omhulsel. Dit wordt verbroken. Het uur van het kapitalistisch privaat eigendom slaat. De onteigenaren worden onteigend ...”

Het zwaartepunt van deze redenering is daarin gelegen, dat volgens Marx de tegenwoordige maatschappij ten gronde zal moeten gaan, niet alleen omdat zij de grote massa der mensen doet verarmen, en in proletariërs, in niets-bezitters verandert, niet alleen omdat ze de verbittering, de geest van verzet tegen de bestaande toestanden met de dag doet vermeerderen, maar ook omdat bij de dolle strijd van de groten tegen de kleinen in onze dagen, het gehele voortbrengingsproces zó ingewikkeld wordt, dat het kapitalisme knellend is voor de gehele samenleving, een boei, een belemmerend iets voor de voortbrenging, drukkend ook zelfs voor diegenen die behoren tot de hoogst begunstigden, tot de kapitaalvorsten van onze eeuw.

En het is waar, dat zelfs voor hen de samenleving pijnlijk en knellend wordt.

Een industriële onderneming, die in onze dagen haar mededingsters wil ten onder brengen, moet zó uitgebreid zijn, ze wordt zó ingewikkeld en samengesteld in geheel haar inrichting, dat voor hen die aan het hoofd staan van zulk een onderneming de verantwoordelijkheid met de dag toeneemt. Ook voor hen is het levensgenot vervlogen, ook hen zelfs begint te midden van de onzekerheid en de wisselvalligheid die onze dagen kenmerken, het leven zwaar te worden.

Marx heeft er ten slotte nog op gewezen dat de onteigening der bezitters, die aanstaande is, veel sneller haar beslag vindt (al gaat het dan ook te langzaam in de ogen van de hongerige proletariërs) dan de onteigening van de kleine bezitters met hun versnipperde eigendommen door de grote.

“Ginds (in het laatste geval) zo besluit Marx “gold het de onteigening van de volksmassa door enkele uitbuiters, hier geldt het de onteigening van enkele uitbuiters door de volksmassa.”

Men zal erkennen dat in al hetgeen hier is aangehaald, geen woord gesproken wordt over het parlement. Had men Marx op het ogenblik dat hij zo schreef, naar de invloed van de regering, van het parlement gevraagd, hij zou geantwoord hebben: de regering heeft te gehoorzamen aan de ontwikkeling der maatschappij en neemt telkens een andere vorm aan, al naar gelang de wijze van productie en verdeling van de goederen een andere vorm aanneemt.

Wat wij hier vinden, dat is de economische ontwikkeling van de maatschappij, dat is de verandering in de wijze waarop de mensen hun eerste levensonderhoud vinden.

Wat Marx hier aantoont, dat is het feit dat de arbeid zo samengesteld wordt, dit ten slotte de kapitalisten zelf het als een verademing moeten beschouwen zo er aan hun monopolie (alleen-bezit) een einde wordt gemaakt.

Het is tevens opvallend dat hier door Marx alleen de richting is aangegeven waarin de maatschappij zich ontwikkelt. Er is alleen uitééngezet, waarom het privaat eigendom een boei wordt, een knellende band, die de samenleving in haar verdere ontwikkeling hindert.

Er is hier niet over gesproken welke vormen van het privaateigendom het eerst zullen opgeheven worden, of bv. het privaateigendom der middelen van verkeer, der fabrieken met haar machines, en het privaateigendom van land tegelijk zullen opgeheven worden, of welke vorm van privaateigendom dan het eerst.

Dat kon ook niet geschieden. Wij, socialisten, die de ontwikkeling van de maatschappij in socialistische richting bestuderen, behoren vóór alles wetenschappelijk te blijven. Wij moeten niet meer zeggen dan wij kunnen verantwoorden. Wij zijn geen kaartleggers die ons ophouden met voorspellingen, verder dan wij voorspellen mogen en kunnen. Dat geven wij dan ook telkens ten antwoord wanneer men ons vraagt om eens een schildering te geven van onze toekomststaat.

Wij weten immers dat dezelfde personen uit de regerende klasse, die ons vragen hoe in de toekomst de maatschappij er uit zal zien, volgens het oordeel van ons, socialisten, dat zij ons geen antwoord kunnen geven, wanneer wij hun vragen wat zij zelf, wat de gemeenteraadsleden, de kamerleden en ministers in hun midden, wel willen uitvoeren in de eerste tien of zelfs in de eerste drie jaar. Zij moeten ons dan wel ten antwoord geven dat dit zal afhangen van verschillende omstandigheden, die ze thans nog niet kunnen beoordelen. En toch heeft de bezittende klasse de macht in handen en de arbeidersklasse niet. Geen wonder dat ook wij moeten ten antwoord geven, dat de vorm waarin die onteigening zal plaats hebben afhangt van verschillende invloeden, waarop wij op dit ogenblik geen macht hebben, van invloeden die misschien nog moeten ontstaan. Het hangt af van de loop der omstandigheden.

De ontwikkeling van de maatschappij doet ons denken aan een stad die zich uitbreidt in bepaalde richting. Met het feit van de uitbreiding voor ogen zal het ons mogelijk zijn, nu reeds te zeggen dat op de ene of andere plek waar thans nog koe of geit grazen — na tien jaar huizen zullen staan. Maar wanneer men ons vraagt welke huizen er gebouwd zullen worden, een krankzinnigengesticht, een fabriek, een speeltuin, een school, dan moeten wij daarop het antwoord schuldig blijven, omdat deze bijzonderheden afhangen van omstandigheden, die wij thans niet kunnen voorzien.

Zo kunnen ook wij wel de richting aangeven waarin de maatschappij zich ontwikkelt, maar wij kunnen niet voor onderdelen optreden als bouwmeesters van een nieuwe maatschappelijke orde.

Wanneer ons door voorstanders van de landnationalisatie wordt vóórgehouden, dat het genoeg zou wezen wanneer slechts de grond gemeenschappelijk eigendom wordt gemaakt, dat het grondeigendom alle verdere eigendomsverhoudingen beheerst, dan wijzen wij ook hier weer op hetzelfde, wat wij reeds opmerkten, dat wij er niet mee te rekenen hebben of iets genoeg is al dan niet. De maatschappij is nu eenmaal geen terrein waar men proeven neemt.

De concentratie van het eigendom openbaart zich immers evengoed bv. op gebied van handel en industrie, bij het eigendom in andere vorm dan grond, als bij het grondeigendom.

Zelfs openbaart zich de concentratie in de eerst genoemde vorm, de samentrekking van de kapitalen die niet in de grond gestoken zijn, al sneller dan de concentratie van het grondeigendom in de landen van enkelen en beheerst ze zelfs de laatste vorm van concentratie. De grote fabrikanten, de grote bankiers, zij worden steeds meer tegelijkertijd ook de grootste grondeigenaars.

De Rothschilds, om slechts iets te noemen, bezitten een gedeelte van Parijs, de modelfabrikant Scholten, te Groningen, trok in onze dagen hoeve aan hoeve aan zich, tot men hem verzocht, niet de gehele provincie Groningen te ruïneren.

Zó wordt het steeds minder mogelijk om de verschillende vormen van eigendom van elkaar te scheiden, bij de tegenwoordige ontwikkeling van de maatschappij.

Met dit laatste, met de ontwikkeling van de maatschappij, hebben wij steeds rekening te houden.

En dan treedt niet alleen, zoals bij de werkloosheid, bij het verstrekken van voedsel en schoeisel voor de kinderen van onbemiddelde ouders, de gemeenschap steeds meer in de plaats van het individu, maar zelfs de manier der regeling van de huishouding van de maatschappij wordt in menig opzicht communistisch. Zij gaat gelijken op de regeling die wij thans zien tussen de leden van een zelfde familie. Op de tramlijnen, hier en daar reeds op de spoorlijnen, gaat men steeds meer invoeren een meer vereenvoudigd tarief, waarbij niet gevraagd wordt of men per tram twintig dan wel honderd huizen aflegt, en of men binnen een bepaalde cirkel (zone) één dan wel twee kilometer spoort.

En evenals wij thans reeds hebben onze gemeenschappelijke museums, wandelparken, bibliotheken, waarvoor de belastingbetalers, ieder naar hun krachten moeten opbrengen, zo zullen wij ook krijgen onze gemeenschappelijke weiden en bossen, waarvan ieder gebruik kan maken, zonder dat er nagemeten wordt of zelfs maar nagemeten kan worden, wie er veel en wie er weinig gebruik van maakt. Wij zullen eveneens krijgen onze gemeenschappelijke fabrieken en werkplaatsen.

Maar nog eens, men moet ons niet vragen thans reeds uit te maken hoe de vervorming van de maatschappij in bijzonderheden haar gang zal gaan. Dit valt voor ons thans niet te beslissen.

Evenmin kan men thans zijn bezwaren gaan inbrengen tegen de mogelijkheid van een communistische maatschappij met het oog op het menselijk karakter, omdat met dit tegenwoordig geslacht van mensen een communistische maatschappij zelfs niet begonnen zou kunnen worden, omdat een maatschappij waarin alle mensen in elk opzicht leven zoals thans de leden van één huigezin (werkend ieder naar zijn krachten en genietend ieder naar zijn behoeften) een hoogte van zedelijke ontwikkeling vereist die in onze eeuw van concurrentie en broodnijd onmogelijk die van de grote massa der mensen kan zijn.

Zoveel kunnen wij zonder ons met gewaagde voorspellingen af te geven wèl zeggen, dat wanneer de kapitalistische regeling der maatschappij tot zware botsingen, tot revolutie heeft geleid, dat dan de communistische maatschappij, nog slechts staat in het eerste tijdperk van haar ontwikkeling.

“Waarmee wij hier te doen hebben, dat is,” zoals Marx eens opmerkte in zijn beschouwingen over het vroegere socialistische program, “dat is een communistische maatschappij, niet zoals ze zich op haar eigen grondslagen ontwikkeld heeft, maar omgekeerd zoals zij juist uit de kapitalistische maatschappij te voorschijn komt, een maatschappij die dus in elk opzicht, economisch, zedelijk, geestelijk nog bedekt is met de moedervlekken van de oude maatschappij, uit wier schoot zij voortkomt.”

Elke arbeider zal van de maatschappij aanvankelijk, naar wij kunnen aannemen, slechts zoveel terug ontvangen in de vorm van levensmiddelen, van genotartikelen, als hij aan de maatschappij geeft in de vorm van arbeid. “Wat hij in de ene vorm als arbeid gegeven heeft, zal hij in de andere vorm terug ontvangen.” In dat opzicht zal de nieuwe maatschappij zich wel moeten aansluiten aan de oude.

Daarin mag nog een onbillijkheid zijn: de ene persoon mag sterker, krachtiger zijn dan de andere, de ene kan gehuwd zijn, de andere niet, de ene kan veel kinderen hebben, de andere niet, een zieke moge ook weinig kunnen leveren en vele behoeften hebben, maar — er zullen zeker jaren en jaren over heen gaan, voor een andere maatstaf dan die in de tegenwoordige maatschappij wordt toegepast, bruikbaar is.

Zeer terecht, om nog eens Marx’ woorden aan te halen, die dikwijls zo treffend weergeven in enkele woorden waar andere gehele bladzijden voor nodig hebben, kan men opmerken:

"Het recht kan nooit hoger staan dan de economische gedaante en de daardoor beheerste beschaving van de maatschappij."

In een hogere fase (tijdvak) van de communistische maatschappij, nadat de slaafse oudergeschiktheid der individuen onder de deling van de arbeid, en daarmee ook de tegenstelling van geestes- en lichaamsarbeid verdwenen is, nadat de arbeid niet meer een middel om te leven, maar zelf een eerste levensbehoefte geworden is; nadat met de alzijdige ontwikkeling van de individuen ook de voortbrengingskrachten gestegen zijn, en alle bronnen van de gemeenschappelijke rijkdom voller vloeien — eerst dan kan deze enge rechtshorizon geheel worden overschreden en kan de maatschappij op haar banier schrijven: “Door ieder naar zijn bekwaamheid, aan ieder naar zijn behoeften!”

Zo is het. De betere levensvoorwaarden zullen de mensen in de gelegenheid stellen zich zedelijk en geestelijk hoger te ontwikkelen. En de hogere geestelijke ontwikkeling zal weer betere maatschappelijke omstandigheden scheppen.

Dit is een gelukkig vooruitzicht.

Laten wij echter ook op de gevaren wijzen. Mogen de werklieden zorgen, dat ze — wat er ook gebeuren moge — zelf de samenleving blijven beheersen en dat ze hen, die ze nodig hebben als vertegenwoordigers, als schrijvers en sprekers en later als regelaars van hun zaken, in hun macht houden. Want het is duidelijk dat de eigendomsrechten van de particuliere personen aangetast zullen moeten worden. De ontwikkeling van de maatschappelijke verhoudingen zelf maakt het tot een noodzakelijkheid. De maatschappij, zoals ze zich tegenwoordig ontwikkeld, is zó dat ze zal moeten springen, zelfs al steken de arbeiders geen vinger uit.

Maar wel zal het van de ontwikkeling der werklieden zelf, van hun geschiktheid of ongeschiktheid om hun eigen zaken zelf te regelen, grotendeels afhangen wie de vruchten plukt van de veranderingen die aanstaande zijn.

Het zou zeker jammer zijn, wanneer de werklieden in onze tijd nog niet in staat bleken te zijn hun eigen zaken zelf te behartigen dat ze zich zouden moeten verlaten op anderen, zij het dan ook op de goedwilligheid van hun eigen vertegenwoordigers.

Het zou jammer zijn, wanneer na zoveel eeuwen van onderdrukking en slavernij in elke vorm, toch weer ten slotte een minderheid van de bevolking de vruchten zou oogsten van de arbeid der werklieden.


_______________
[1] Bij het debat is de opmerking gemaakt dat ik verder had behoren terug te gaan, dan tot de tijd dat de volken een zwervend leven leidden en wel tot de toestand van de mens, ook toen hij nog geen begrip had van algemene of persoonlijke eigendom, maar leefde in een toestand die gelijk is aan de natuurstaat der dieren. In de tijd toch dat de mens leefde als holbewoner had hij evenals het dier zijn eigen hol, zijn eigen spelonk. Door tot die tijden terug te gaan zou echter voor de zaak in kwestie niets veranderd zijn. Men zou zich toch, dit doende, vanzelf voor de vraag gesteld zien of de mensen toen evenals bv. de leeuw of de arend paarsgewijze leefden, dan wel of zij zoals de olifanten, de herten, of zoals bijen en mieren groepsgewijze hun voedsel zochten en zich vermaakten. Dat toch beheerst de vraag, in welke vorm zij bezit konden nemen van de natuur rondom hen. Bovendien echter behoefde ik naar ik meende niet tot de toestand van de mens als holbewoner terug te gaan, omdat het hier niet geldt de ontwikkelingsgeschiedenis van het menselijk geslacht, maar de ontwikkelingsgeschiedenis van het eigendom. Het is om die reden onnodig terug te zien naar een tijdvak toen de mensen — levende als een diersoort, maar weinig meer ontwikkeld dan sommige tegenwoordige apensoorten — van privaat, noch algemeen eigendom enig begrip hadden.
[2] Onder “eigendom” verstaat men de volkomen wettelijke, door de wet gewaarborgde en geregelde heerschappij over een of andere zaak, in tegenstelling tot bezit, als zijnde de fysieke, stoffelijke heerschappij over die zaak. Men kan alzo een zaak wederrechtelijk bezitten, — in zijn bezit, in zijn macht houden, zonder ze in eigendom te hebben, zonder er eigenaar van te zijn. Omgekeerd kan men met een zaak, die men in eigendom heeft, in onze dagen (wij spreken dus over het tegenwoordige eigendom, het burgerlijk eigendom) doen wat men wil en behalve verbruiken en misbruiken, verkopen en weggeven, is het ook mogelijk ze voor korte of lange tijd in bezit te geven aan anderen, zonder dat men ophoudt haar zelf in eigendom te hebben.
[3] Julius Caesar, Romeins veldheer kwam in 53 vóór Christus aan bij onze voorouders die woonden in het midden van ons land, bij de Batavieren en andere stammen. Van zijn Oorlog in Gallië is thans ook een Nederlandse vertaling verschenen van de hand van Dr. Doesburg.
[4] Geboren omstreeks 54, gestorven omstreeks 117 na Christus, zijn geschrift: De situ, moribus et populis Germaniae is alzo meer dan een eeuw later geschreven dan Caesars bovenaangehaald werkje.
[5] Een dergelijke stellige verklaring als die bij Caesar omtrent het gemeenschappelijk eigendom aan grond, het niet kennen van akkerbouw en het jaarlijks verwisselen van woonplaats zoekt men bij Tacitus reeds te vergeefs, Wel weet deze nog mede te delen, dat in zijn tijd het goud en zilver de Germanen ternauwernood bekend was, en dat vooral de stammen in het binnenland levende naar eenvoudiger en ouder zeden slechts kenden ruilhandel met de waren zelf. Men lette dan ook op het verschil in ouderdom tussen deze beide geschriften. Juist het feit toch, waarop wij wezen is voor ons het duidelijkste bewijs, dat al mocht men in Caesars tijd uit vrees dat de liefde tot de oorlog in liefde voor de akkerbouw zou verkeren, bij onze voorouders jaarlijks van woonplaats verwisselen, dit op de duur toch niet hielp. De ontwikkeling van de maatschappij gaat haar gang en maakt andere zeden en gewoonten. Het kiezen van een vaste woonplaats gepaard aan het akkerbouwbedrijf moest leiden tot privaat grondbezit.
[6] Hier dient aan toegevoegd te worden hoe de jongste onderzoekingen op dit gebied geleerd hebben dat in de eerste tijden bij elk volk bestaan heeft (het werd reeds enigszins aangestipt) onbeperkte geslachtsgemeenschap. Eerst na vele honderden jaren is met het privaat bezit, ook het huwelijk ontstaan en tussen die eeuwen afstand liggen tijdperken van huwelijk tussen groepen (waarvan deze Giliaken een voorbeeld opleveren) van veelwijverij en van veelmannerij.
[7] Aristoteles, geb. 384 v. Chr. te Stageira, gest. 322, Chalkis.
[8] Bedoeld is hier het bekende hoofdstuk, dat tot opschrift draagt: Geschichtliche Tendenz der kapitalistischen Akkumulation. (Geschiedkundige strekking der kapitalistische ophoping.) Das Kapital, Band I.