Karl Marx

Het Kapitaal

Een kritische beschouwing van de economische politiek [1]

Deel I
Het productieproces van het kapitaal


  Als PDF-bestand        Als EPUB-bestand  


Geschreven: 1867
Bron: C. de Boer jr., Paul Brand, Hilversum - Antwerpen, eerste druk.
Vertaling: Met dank aan Dr. I. Lipschits — De vertaling van Lipschits is gebaseerd op de 4de druk, door Engels verzorgd.
Deze versie: Spelling aangepast. Voetnoten van de verantwoording en voorwoorden zijn hernummerd. Voetnoten van de vertaler zijn opgenomen in de tekst met deze [] haken.
Proeflezer: Frank van der Velden
Transcriptie/HTML: Adrien Verlee voor het Marxists Internet Archive, maart 2007

Laatste bewerking: 08 oktober 2008


Zie ook:
Het Kapitaal, boek 2

Het Kapitaal, boek 3 [In proces]

Een cursus marxistische economie

Lees Het Kapitaal met David Harvey
Het Kapitaal met David Harvey
Nederlands ondertiteld:
Video 1
Video 2
Video 3
Video 4
Video 5
Video 6
Video 7
Video 8

Inhoudsopgave

Verantwoording van de vertaler Dr. I. Lipschits

Voorwoorden van K. Marx en F. Engels

Afdeling I. Waar en geld

Hoofdstuk 1. De waar

1. De twee factoren van de waar: gebruiksgrootte en waarde (waardesubstantie en waardegrootte)
2. Het tweevoudige karakter van de in de waren belichaamde arbeid
3. De waardevorm of ruilwaarde

A. Eenvoudige, enkele of toevallige waardevorm

1. De twee polen van de waarde-uitdrukking: relatieve waardevorm en equivalentvorm

2. De relatieve waardevorm

a. De inhoud van de relatieve waardevorm
b. De kwantitatieve bepaaldheid van de relatieve waardevorm

3. De equivalentvorm

4. De eenvoudige waardevorm als geheel

B. Totale of ontplooide waardevorm

1. De ontplooide relatieve waardevorm

2. De bijzondere equivalentvorm

3. De gebreken van de totale of ontplooide waardevorm

C. De algemene waardevorm

1. Het gewijzigde karakter van de waardevorm

2. De verhouding tussen de ontwikkeling van de relatieve waardevorm en van de equivalentvorm

3. De overgang van de algemene waardevorm naar de geldvorm

D. De geldvorm

4. Het fetisjkarakter van de waar en zijn geheim

Hoofdstuk 2. Het ruilproces
Hoofdstuk 3. Het geld of de warencirculatie

1. Waardemeter (prijs — prijsstandaard — algemene prijsstijging of prijsdaling — rekennamen van het geld of rekengeld — kwantitatieve tegenstrijdigheid tussen waardegrootte en prijs — kwalitatieve tegenstrijdigheid tussen waardegrootte en prijs — prijs slechts ideële waardevorm van de waar)

2. Circulatiemiddel

a. De metamorfose van de waren
(kringloop W — G — W — verkoop: W — G — koop: G — W — de volledige metamorfose van een waar — verschil tussen warencirculatie en directe ruil van producten)

b. De omloop van het geld (metamorfose van de waar en omloop van het geld — dubbele verwisseling van plaats van het geld — de hoeveelheid geld in omloop — omloopsnelheid — stroom en stagnatie van de omloop — factoren die de hoeveelheid geld in omloop bepalen)

c. De munt. Het waardeteken (gemunt goud en baar goud, slijtage van de munten — waardeteken — zilver — en kopergeld — wet van de papiercirculatie met voorgeschreven koers)

3. Geld

a. Schatvorming
b. Betaalmiddel
c. Wereldgeld

Afdeling II. De omzetting van geld in kapitaal

Hoofdstuk 4. Omzetting van geld in kapitaal

1. De algemene formule van het kapitaal
2. Tegenstrijdigheden in de algemene formule
3. Koop en verkoop van arbeidskracht (de ‘vrije arbeider’ — waarde van de arbeidskracht — eigendommelijk karakter van de waar ‘arbeidskracht’)

Afdeling III. De productie van absolute meerwaarde

Hoofdstuk 5. Het arbeidsproces en het proces van meerwaardevorming

1. Het arbeidsproces (arbeidsvoorwerp, grondstof, arbeidsmiddel — productiemiddel — productieve consumptie — het arbeidsproces als consumptieproces van arbeidskracht door de kapitalist)
2. De vorming van meerwaarde (waarde van de arbeidskracht en meerwaardevorming in het arbeidsproces — het proces van meerwaardevorming, genesis van het kapitaal)

Hoofdstuk 6. Constant kapitaal en variabel kapitaal
Hoofdstuk 7. De meerwaardevoet

1. De uitbuitingsgraad van de arbeidskracht
2. De productenwaarde uitgedrukt in evenredige delen van het product
3. Seniors ‘laatste uur’
4. Het meerproduct

Hoofdstuk 8. De arbeidsdag

1. De grenzen van de arbeidsdag
2. De geeuwhonger naar meerarbeid. Fabrikant en bojaar
3. Engelse industrietakken zonder wettelijke beperkingen op de uitbuiting (kantindustrie — aardewerkindustrie — lucifers — behangselpapier — bakkerij — spoorwegen — modistes — smederij)
4. Dag- en nachtarbeid. Het aflossingssysteem (metaalindustrie)
5. De strijd om de normale arbeidsdag. Dwangmaatregelen ter verlenging van de arbeidsdag, van het midden van de veertiende tot het einde van de zeventiende eeuw (onbarmhartigheid van het kapitaal inzake gezondheid en levensduur van de arbeiders — Engelse arbeidsverordeningen — de grenzen van de arbeidsdag vanaf de zeventiende eeuw tot het tijdperk van de grootindustrie)
6. De strijd om de normale arbeidsdag. Legale beperking van de arbeidstijd. De Engelse fabriekswetgeving van 1823 tot 1864 (de wet van 1833 — van 1844 — van 1847 — van 1850 — zijdespinnerijen — katoendrukkerijen — ververijen en blekerijen)
7. De strijd om de normale arbeidsdag. Terugslag van de Engelse fabriekswetgeving op andere landen

Hoofdstuk 9. Meerwaardevoet en hoeveelheid meerwaarde

Afdeling IV. De productie van relatieve meerwaarde

Hoofdstuk 10. Het begrip relatieve meerwaarde
Hoofdstuk 11. Coöperatie (uitgangspunt der kapitalistische productie: haar kwantitatieve verschil met de industrie van het gildewezen — maatschappelijk gemiddelde arbeid — besparing op productiemiddelen — maatschappelijke productiviteit van coöperatieve arbeid — vroegere vormen van coöperatie — de kapitalistische vorm)
Hoofdstuk 12. Arbeidsverdeling en manufactuur

1. De dubbele oorsprong van de manufactuur
2. De deelarbeider en zijn werktuig
3. De twee grondvormen van de manufactuur: heterogene manufactuur en organische manufactuur
4. Arbeidsverdeling binnen de manufactuur en arbeidsverdeling binnen de maatschappij
5. Het kapitalistische karakter van de manufactuur

Hoofdstuk 13. Machinerie en grootindustrie

1. Ontwikkeling van de machinerie
2. Afgifte van waarde door de machine aan het product
3. Directe invloeden van het machinale bedrijf op de arbeider

a. Toe-eigening van bijkomende arbeidskrachten door het kapitaal. Vrouwen- en kinderarbeid
b. Verlenging van de arbeidsdag
c. Intensivering van de arbeid

4. De fabriek
5. Strijd tussen arbeider en machine
6. De compensatietheorie met betrekking tot de door machinerie verdrongen arbeiders
7. Afstoting en aantrekking van arbeiders bij de ontwikkeling van het machinale bedrijf. Crises in de katoenindustrie
8. Omwenteling in manufactuur, ambacht en huisarbeid door de grootindustrie

a. Opheffing van de op het ambacht en op de arbeidsverdeling gebaseerde coöperatie
b. Terugwerking van het fabrieksstelsel op manufactuur en huisarbeid
c. De moderne manufactuur
d. De moderne huisindustrie (kantindustrie, strovlechterij)
e. Overgang van de moderne manufactuur en huisindustrie naar de grootindustrie. Versnelling van deze omwenteling door toepassing der fabriekswetten op deze bedrijfsvormen (de naaimachine)

9. De fabriekswetgeving (bepalingen ten aanzien van de gezondheid en het onderwijs). Verbreiding van de fabriekswetgeving over geheel Engeland
10. Grootindustrie en landbouw

Afdeling V. De productie van absolute en relatieve meerwaarde

Hoofdstuk 14. Absolute en relatieve meerwaarde
Hoofdstuk 15. Kwantitatieve veranderingen in de prijs van arbeidskracht en in de meerwaarde

I. Lengte van de arbeidsdag en intensiviteit van de arbeid constant (gegeven), productiviteit van de arbeid variabel
II. Arbeidsdag en arbeidsproductiviteit constant, intensiteit van de arbeid variabel
III. Productiviteit en intensiviteit van de arbeid constant, arbeidsdag variabel
IV. Gelijktijdige veranderingen in duur, productiviteit en intensiviteit van de arbeid

Hoofdstuk 16. Verschillende formules voor de meerwaardevoet

Afdeling VI. Het arbeidsloon

Hoofdstuk 17. Omzetting van waarde, respectievelijk prijs der arbeidskracht, in arbeidsloon
Hoofdstuk 18. Het tijdloon
Hoofdstuk 19. Het stukloon
Hoofdstuk 20. Nationale verschillen in arbeidslonen

Afdeling VII. De accumulatie van kapitaal

Hoofdstuk 21. Enkelvoudige reproductie (de arbeidersklasse als onderdeel van het kapitaal — de verhouding tussen kapitalist en arbeider gereproduceerd door het kapitalistische productieproces)
Hoofdstuk 22. Omzetting van meerwaarde in kapitaal

1. Het kapitalistische productieproces op grotere schaal. Overgang van de eigendomswetten van de warenproductie in wetten van kapitalistische toe-eigening
2. Onjuiste opvatting der economen over de reproductie op grotere schaal
3. Verdeling van de meerwaarde in kapitaal en inkomen. De onthoudingstheorie
4. Omstandigheden die, onafhankelijk van de proportionele verdeling van de meerwaarde in kapitaal en inkomen, de omvang van de accumulatie bepalen: uitbuitingsgraad van de arbeidskracht, arbeidsproductiviteit, toenemend verschil tussen geïnvesteerd en geconsumeerd kapitaal, grootte van het voorgeschoten kapitaal
5. Het zogenaamde arbeidsfonds

Hoofdstuk 23. De algemene wet van de kapitalistische accumulatie

1. De met accumulatie gepaard gaande groei van de vraag naar arbeid bij een ongewijzigde samenstelling van het kapitaal
2. Relatieve afneming van het variabele deel van het kapitaal bij voortgang van de accumulatie en van de daarmee gepaard gaande concentratie
3. Groeiende productie van een relatieve overbevolking of van een industrieel reserveleger
4. Verschillende bestaansvormen van de relatieve overbevolking. De algemene wet van de kapitalistische accumulatie
5. Illustratie van de algemene wet der kapitalistische accumulatie

a. Engeland in de periode 1846-66
b. De slechtst betaalde lagen van de Engelse industriële arbeidersklasse (voeding — behuizing — Londen — Newcastle-upon-Tyne — Bradford — Bristol)
c. Rondtrekkende arbeiders (behuizing — spoorwegarbeiders — mijnwerkers)
d. Uitwerking van de crises op het best betaalde deel van de arbeidersklasse (arbeiders op de scheepswerven in het oosten van Londen)
e. Het Britse landbouwproletariaat (de rondtrekkende ploegen)
f. Ierland

Hoofdstuk 24. De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie

1. Het geheim van de oorspronkelijke accumulatie
2. Onteigening van de grond van de plattelandsbevolking (omzetting van akkerland in weiden tegen het einde van de vijftiende en in het begin van de zestiende eeuw — de Reformatie en de diefstal der kerkgoederen — omzetting van feodaal eigendom in burgerlijk eigendom — de Restauratie en de Glorious Revolution — diefstal van staatsdomeinen — het gemeenschappelijk bezit en zijn beroving — clearing of estates, omzetting in de Schotse Hooglanden van akkers en van schapen weiden in jachtgebied)
3. Wrede wetgeving tegen de onteigenden sedert het einde van de vijftiende eeuw. Wetten ter verlaging van het arbeidsloon
4. Genesis van de kapitalistische pachters
5. Terugslag van de omwenteling in de landbouw op de industrie. Schepping van een binnenlandse markt voor het industriële kapitaal
6. Wordingsgeschiedenis van de industriële kapitalist (koloniale stelsel — systeem van staatsschulden — modern belastingsysteem — stelsel van protectie — kinderroof bij het begin van de grootindustrie)
7. Historische strekking van de kapitalistische accumulatie

Hoofdstuk 25. De moderne theorie van de kolonisatie


_______________
[1]In de 2de druk schrijft Lipschits:
Bij de tweede druk van de Nederlandse vertaling
Reeds drie jaar na het verschijnen van deze vertaling bleek een nieuwe druk nodig te zijn. Dit zegt wel iets over de belangstelling, die op het ogenblik in Nederland en in België voor Marx bestaat. Het is een gunstig verschijnsel dat men zich hierbij niet beperkt tot het lezen óver Marx, maar dat naar zijn eigen werken wordt teruggegrepen. We zitten al met zoveel verschillende Marx-interpretaties opgescheept, dat het lezen van Marx zélf verhelderend is. En dat geldt zeer zeker voor het eerste deel van Het Kapitaal, dat in een redactioneel artikel in de Economisch-Statistische Berichten naar aanleiding van het verschijnen van deze vertaling werd getypeerd als een ‘inleiding voor de beginnende en handboek voor de gevorderde Marx-kenner tegelijk’ (ESB, 22 november 1967, blz. 1175).
De eerste druk van deze vertaling is aanzienlijk duurder geworden dan oorspronkelijk de bedoeling was. Deze uitgave is gelukkig een stuk goedkoper, zodat ze voor meer mensen toegankelijk is geworden.
Ik heb in mijn vertaling geen enkele wijziging aangebracht. Van de vele recensies, die ik heb ontvangen, was er geen enkele met bezwaren tegen de vertaling. Hieruit mag ik concluderen dat de recensenten het boek óf niet hebben gelezen óf dat zij geen grote fouten in de tekst hebben gevonden. Professor Kleerekoper heeft in een bespreking in Acta Politica (jaargang III, afl. 2, januari 1968, blz. 178-180) bezwaar gemaakt tegen mijn vertaling van de ondertitel : ‘Een kritische beschouwing van de economische politiek’. Kleerekoper stelde dat de term ‘economische politiek’ doet denken aan zaken als bv. discontopolitiek, hetgeen Marx zeer zeker niet bedoelde. Deze kritiek is juist, maar ik geloof niet dat Kleerekopers voorstel om ‘economische politiek’ te vervangen door ‘theoretische economie’ aanvaardbaar is. Ik heb als tussenoplossing gekozen de ondertitel die in deze tweede druk staat: ‘Een kritische beschouwing over de economie’.
Het is een tussenoplossing, waarmee ik niet geheel vrede heb. Eigenlijk zou er moeten staan: ‘Een kritische beschouwing van de hedendaagse samenleving’. Die vertaling zou echter, zeker voor de titel van het boek, te vrij zijn. Maar ik ben ervan overtuigd dat dit de kern van dit boek is en waarschijnlijk ook de oorzaak van de grote belangstelling voor dit werk in onze tijd. Wie daaraan mocht twijfelen kan ik aanraden te beginnen met het lezen van het achtste hoofdstuk. De bewogenheid, waarmee dat hoofdstuk is geschreven, vormt een goede achtergrond voor de meer theoretische aspecten van Het Kapitaal.

Leidschendam, augustus 1970
I. Lipschits