Karl Marx
Het Kapitaal
Hoofdstuk 8
We zijn uitgegaan van de veronderstelling dat de arbeidskracht tegen haar waarde wordt gekocht en verkocht. Haar waarde wordt, evenals die van iedere andere waar, bepaald door de voor haar productie noodzakelijke arbeidstijd. Is dus voor de productie van de gemiddelde dagelijkse bestaansmiddelen van de arbeider 6 uur nodig, dan moet hij gemiddeld 6 uur per dag werken om dagelijks zijn arbeidskracht te produceren of de bij haar verkoop verkregen waarde te reproduceren. Het noodzakelijke deel van zijn arbeidsdag bedraagt dan 6 uur en is dus, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, een gegeven grootheid. Maar daarmee is de grootte van de arbeidsdag zélf nog niet gegeven.
We nemen aan dat de lijn a————b de duur of de lengte van de noodzakelijke arbeidstijd voorstelt, zeg 6 uur. Al naar gelang de arbeid verder dan ab wordt verlengd met 1, 3 of 6 uur, krijgen we drie verschillende lijnen:
Arbeidsdag I a——————b—c
Arbeidsdag II a——————b————c
Arbeidsdag III a——————b—————c
Deze lijnen stellen verschillende arbeidsdagen van 7, 9 en 12 uur voor. Het verlengstuk bc stelt de lengte van de meerarbeid voor. Aangezien de arbeidsdag gelijk is aan ab + bc of aan ac, varieert de arbeidsdag met de variabele grootheid bc. Daar ab gegeven is, kunnen we altijd de verhouding van bc tot ab meten. Deze verhouding is in arbeidsdag I 1/6, in arbeidsdag II 3/6 en in arbeidsdag III 6/6 van ab. Aangezien verder de verhouding
de meerwaardevoet bepaalt, is de laatste door deze verhouding gegeven. In de drie verschillende arbeidsdagen bedraagt de meerwaardevoet respectievelijk 162/3 %, 50 % en 100 %. Omgekeerd kunnen we uit de meerwaardevoet alleen niet de grootte van de arbeidsdag halen. Wanneer bijvoorbeeld de meerwaardevoet 100 % is dan kan de arbeidsdag 8-, 10-, 12-urig enzovoort zijn. Deze meerwaardevoet zou aangeven dat de twee bestanddelen van de arbeidsdag (noodzakelijke arbeid en meerarbeid) even groot zijn, maar niet hoe groot elk van de delen is.
De arbeidsdag is dus geen constante, maar een variabele grootheid. Een van de delen ervan wordt weliswaar bepaald door de voor de reproductie van de arbeider zelf vereiste arbeidstijd, maar de totale grootte varieert met de lengte of de duur van de meerarbeid. De arbeidsdag is dus bepaalbaar, maar op zichzelf onbepaald.[35]
Ofschoon nu de arbeidsdag geen vaste, maar veranderlijke grootheid is, kan deze anderzijds slechts binnen bepaalde grenzen variëren. De minimumgrens is echter onbepaalbaar. Weliswaar krijgen we een minimumgrens wanneer we het verlengstuk bc, de meerarbeid, op 0 stellen — te weten dat deel van de dag, waarin de arbeider noodzakelijkerwijs moet werken voor zijn eigen voortbestaan — maar op basis van de kapitalistische productiewijze kan de noodzakelijke arbeid nooit anders dan slechts een deel vormen van zijn arbeidsdag en kan de arbeidsdag dus nooit tot dit minimum worden teruggebracht. Daarentegen bezit de arbeidsdag wel een maximumgrens. Boven een bepaalde grens is de arbeidsdag niet meer te verlengen. Deze maximumgrens wordt op tweeërlei wijze bepaald. In de eerste plaats door de fysieke begrensdheid van de arbeidskracht. Een mens kan gedurende de natuurlijke dag van 24 uur slechts een bepaalde hoeveelheid levenskracht verbruiken, zoals een paard dagelijks slechts 8 uur kan werken. Gedurende een deel van de dag moet de kracht rusten, slapen, terwijl gedurende een ander deel van de dag de mens andere fysieke behoeften moet bevredigen: zich voeden, wassen, kleden, enzovoort. Behalve op deze fysieke grenzen stuit de verlenging van de arbeidsdag op zedelijke grenzen. De arbeider heeft tijd nodig voor de bevrediging van geestelijke en maatschappelijke behoeften, waarvan omvang en aantal worden bepaald door het algemeen beschavingspeil. De variaties van de arbeidsdag bewegen zich dus binnen de fysieke en sociale grenzen. Beide soorten grenzen zijn echter elastisch van aard en staan een zeer grote speelruimte toe. Zo vinden we arbeidsdagen van 8, 10, 12, 14, 16 en 18 uur, dus van de meest uiteenlopende lengtes.
De kapitalist heeft de arbeidskracht gekocht tegen de waarde per dag. Aan hem behoort de gebruikswaarde gedurende een arbeidsdag. Hij heeft dus het recht verkregen de arbeider gedurende een dag voor zich te laten werken. Maar wat is een arbeidsdag?[36] In ieder geval minder dan een natuurlijke levensdag. Maar hoeveel minder? De kapitalist heeft zijn eigen mening over deze ultima Thule (uiterste grens), de noodzakelijke grens van de arbeidsdag. Als kapitalist is hij alleen maar gepersonifieerd kapitaal. Zijn ziel is de ziel van het kapitaal. Het kapitaal heeft echter slechts één enkele levensdrang, de drang om in waarde toe te nemen, om meerwaarde te scheppen, om met zijn constant deel — de productiemiddelen — de grootst mogelijke hoeveelheid meerarbeid te absorberen.[37] Kapitaal is gestorven arbeid, welke alleen tot nieuw leven kan komen door als een vampier levende arbeid op te zuigen en die des te langer leeft naarmate er meer van wordt opgezogen. De tijd waarin de arbeider werkt, is de tijd waarin de kapitalist de door hem gekochte arbeidskracht consumeert.[38] Verbruikt de arbeider zijn beschikbare tijd voor zichzelf, dan besteelt hij de kapitalist.[39]
De kapitalist beroept zich dus op de wet van de warenruil. Evenals iedere andere koper tracht hij uit de gebruikswaarde van zijn waar het grootst mogelijke nut te halen. Maar plotseling verheft zich de stem van de arbeider, die in de maalstroom van het productieproces was verstomd:
De waar, die ik je verkocht heb, onderscheidt zich van al het andere warengespuis doordat haar gebruik waarde schept en wel grotere waarde dan zij zelf kost. Dit was de reden waarom je die waar kocht. Wat aan jouw kant te voorschijn komt als waardetoeneming van het kapitaal is mijnerzijds een overmatige besteding van arbeidskracht. Op het marktplein kennen jij en ik maar één wet, de wet van de warenruil. Het gebruik van de waar komt niet toe aan de verkoper, die haar van de hand heeft gedaan, maar aan de koper, die haar verwerft. Aan jou komt dus het gebruik van mijn dagelijkse arbeidskracht toe. Maar ik moet haar dagelijks kunnen reproduceren door middel van haar verkoopprijs en ik moet haar dus steeds opnieuw kunnen verkopen. Afgezien van natuurlijke slijtage door ouderdom, enzovoort, moet ik in staat zijn morgen met dezelfde normale staat van kracht, gezondheid en frisheid te werken als ik vandaag deed. Jij predikt mij voortdurend het evangelie van ‘spaarzaamheid’ en ‘onthouding’. Best! Ik zal als een verstandige en zuinige huisvader mijn enige vermogen, de arbeidskracht, beheren en mij onthouden van iedere dwaze verspilling van dat vermogen. Ik zal er dagelijks slechts zoveel liquide van maken, in beweging brengen, in arbeid omzetten als in overeenstemming is met haar normale duur en met haar gezonde ontwikkeling. Door mateloze verlenging van de arbeidsdag kun jij in één dag een grotere hoeveelheid van mijn arbeidskracht verbruiken dan ik in drie dagen kan vervangen. Wat jij op deze wijze aan arbeid wint, verlies ik aan arbeidssubstantie. Gebruik van mijn arbeidskracht en plundering van mijn arbeidskracht zijn totaal verschillende dingen. Indien de gemiddelde tijd, welke een doorsnee arbeider bij een verstandig gebruik van arbeid kan leven, 30 jaar bedraagt, dan is de waarde van mijn arbeidskracht die je me van dag tot dag betaalt 1/365 x 30 of 1/10950 van haar totale waarde. Verbruik je die arbeidskracht echter in 10 jaar, dan betaal je me dagelijks 1/10950 in plaats van 1/3650 van haar totale waarde, dus slechts 1/3 van haar dagwaarde en besteel je me dus dagelijks voor 2/3 van de waarde van mijn waar. Je betaalt me de arbeidskracht van één dag, terwijl je de arbeidskracht van drie dagen verbruikt. Dat gaat tegen onze overeenkomst en tegen de wet van de warenruil in. Ik eis dus een arbeidsdag van normale lengte en ik stel deze eis zonder een beroep te doen op je gemoed, want in geldzaken spreekt het gemoed niet meer. Je kan best een voorbeeldige burger zijn, misschien wel lid van de Vereniging tot Bestrijding van de Wreedheid jegens Dieren en bovendien nog in een geur van heiligheid staan, maar het ding dat jij tegenover mij vertegenwoordigt heeft geen kloppend hart in de borst. Wat daarin schijnt te kloppen, is mijn eigen hartslag. Ik eis de normale arbeidsdag, omdat ik — evenals iedere andere verkoper — de waarde van mijn waar opeis.[40]
Men ziet: afgezien van zeer elastische grenzen stelt de aard van de warenruil zelf geen grenzen aan de arbeidsdag, dus ook niet aan de meerarbeid. De kapitalist staat in zijn recht als koper wanneer hij de arbeidsdag zo lang mogelijk tracht te maken en — indien mogelijk — van één arbeidsdag er twee tracht te maken. Aan de andere kant stelt de specifieke aard van de verkochte waar een grens aan haar verbruik door de koper en staat de arbeider in zijn recht als verkoper wanneer hij de arbeidsdag wil beperken tot een bepaalde, normale grootte. Hier zien we dus een antinomie, recht tegen recht, beide bezegeld door de wet van de warenruil. Tussen gelijke rechten beslist de macht. En op deze wijze toont in de geschiedenis van de kapitalistische productie de normalisatie van de arbeidsdag zich als de strijd om de grenzen van de arbeidsdag — een strijd tussen de gezamenlijke kapitalisten, dat wil zeggen de klasse van de kapitalisten, en de gezamenlijke arbeiders, dat wil zeggen de arbeidersklasse.
De meerarbeid is geen uitvinding van het kapitaal. Overal waar een deel van de gemeenschap het monopolie van de productiemiddelen bezit moet de arbeider — vrij of niet — aan de arbeidstijd, welke noodzakelijk is voor zijn eigen voortbestaan, arbeidstijd toevoegen ten einde bestaansmiddelen te produceren voor de eigenaar van de productiemiddelen,[41] ongeacht of deze eigenaar nu een Atheense aristocraat is, een Etruskische theocraat, civis romanus (Romeins burger), Normandisch baron, Amerikaanse slavenhouder, Walachijse bojaar, moderne Landlord (grondbezitter) of een kapitalist.[42] Het is wel duidelijk dat, wanneer in een economische maatschappijvorm niet de ruilwaarde, maar de gebruikswaarde van het product prevaleert, de meerarbeid in min of meer sterke mate wordt beperkt door de behoeften, doch dat uit de aard van de productie zelf geen onbeperkte behoefte aan meerarbeid voortvloeit. In de Oudheid, waar het er om ging ruilwaarde te verkrijgen in de zelfstandige geldgedaante, de productie van goud en zilver, nam de overmatige arbeid afgrijselijke vormen aan. Het onder geweld laten werken tot de dood er op volgde was hier de officiële vorm van overmatige arbeid. Men leze slechts Diodorus Siculus.[43] Toch zijn dit uitzonderingen in de oude wereld. Zodra echter volkeren, waarbij de productie zich nog op het lage niveau van de slavenarbeid, herendiensten, enzovoort, beweegt, worden aangetrokken door een wereldmarkt welke door de kapitalistische productiewijze wordt beheerst en waarop de verkoop van de producten in het buitenland zich ontwikkelt tot het overheersende belang, wordt de geciviliseerde gruwel van de overmatige arbeid geënt op de barbaarse gruwelen van slavernij, lijfeigenschap, enzovoort. Daarom behield de negerarbeid in de zuidelijke staten van de Amerikaanse Unie een gematigd patriarchaal karakter zolang de productie hoofdzakelijk was gericht op de directe, eigen behoeften. Naarmate echter de katoenexport een levensbelang werd van deze staten, werd de overmatige arbeid van de negers (hier en daar het verbruik van zijn levensduur in zeven arbeidsjaren) een onderdeel van het berekende en rekenende systeem. Het ging er niet meer om een zekere hoeveelheid producten er uit te halen, maar het ging slechts om de productie van de meerarbeid zélf. Zo was het ook met de herendiensten, bijvoorbeeld in de Donau-monarchieën.
De vergelijking van de geeuwhonger naar meerarbeid in de Donau-monarchieën met dezelfde geeuwhonger in de Engelse fabrieken heeft een bijzondere betekenis, omdat de meerarbeid bij de herendiensten een zelfstandige, met de zintuigen waarneembare vorm bezit.
We nemen aan dat de arbeidsdag 6 uur noodzakelijke arbeid en 6 uur meerarbeid omvat. Dan levert de vrije arbeider wekelijks aan de kapitalist 6 x 6 = 36 uur meerarbeid. Het is net alsof hij drie dagen van de week voor zichzelf werkt en drie dagen van de week gratis voor de kapitalist. Maar dit is niet waarneembaar. Meerarbeid en noodzakelijke arbeid lopen in elkaar over. Ik kan daarom dezelfde verhouding bijvoorbeeld ook tot uitdrukking brengen door te zeggen dat de arbeider van elke minuut 30 seconden voor zichzelf en 30 seconden voor de kapitalist werkt, enzovoort. Bij de herendiensten ligt dit anders. De noodzakelijke arbeid, die bijvoorbeeld de Walachijse boer verricht voor zijn eigen onderhoud, is ruimtelijk gescheiden van zijn meerarbeid voor de bojaar. De ene verricht hij op zijn eigen akker, de andere op het heerlijk goed. Beide delen van de arbeidstijd bestaan dus zelfstandig naast elkaar. In de vorm van herendiensten wordt de meerarbeid nauwkeurig gescheiden van de noodzakelijke arbeid. Deze andere verschijningsvorm verandert kennelijk niets aan de kwantitatieve verhouding tussen meerarbeid en noodzakelijke arbeid. Drie dagen meerarbeid per week blijven drie dagen arbeid, welke — of men nu spreekt over herendienst of loonarbeid — voor de arbeider zelf geen equivalent vormt. Bij de kapitalist echter uit zich de geeuwhonger naar meerarbeid in de drang tot een mateloze verlenging van de arbeidsdag, bij de bojaar in de meer eenvoudige vorm van een directe jacht op het aantal herendienstdagen.[44]
In de Donau-monarchieën waren de herendiensten verbonden met rentes in natura en met andere toebehoorselen van de lijfeigenschap; de herendiensten vormden echter het belangrijkste tribuut van de heersende klasse. In dergelijke gevallen komen de herendiensten zelden uit de lijfeigenschap voort, maar omgekeerd meestal de lijfeigenschap eerder uit de herendiensten.[44a] Zo geschiedde het in de Roemeense provincies. De oorspronkelijke productiewijze was daar gebaseerd op gemeenschappelijk bezit, maar geen gemeenschappelijk bezit in de Slavische of zelfs maar in de Indische vorm. Een deel van de landerijen werd als vrij, particulier bezit door de leden van de gemeente zelfstandig bewerkt, een ander deel — de ager publicus — werd door hen gemeenschappelijk verzorgd. De producten van deze gemeenschappelijke arbeid dienden gedeeltelijk als een reservefonds voor misoogsten en andere onvoorziene gebeurtenissen, gedeeltelijk als staatsschat of ter dekking van de kosten van oorlog, religie en andere uitgaven van de gemeenschap. In de loop der tijden usurpeerden militaire en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders mét het gemeenschappelijke eigendom de arbeid, die daarmee werd verricht. De arbeid van de vrije boeren op hun gemeenschappelijke grond veranderde in herendiensten voor de dieven van de gemeenschappelijke grond. Daardoor kwamen tegelijkertijd de verhoudingen van de lijfeigenschap tot ontwikkeling. Aanvankelijk was dit slechts zo in feite en was het niet wettelijk bepaald, totdat het wereldbevrijdende Rusland onder het voorwendsel de lijfeigenschap te willen afschaffen deze tot wet verhief. De wet op de herendiensten, in 1831 door de Russische generaal Kisselef afgekondigd, was natuurlijk door de Bojaren zelf gedicteerd. Op deze wijze won Rusland in één klap de edellieden van de Donau-monarchieën en het goedkeurend applaus van de liberale crétins (idioten) van geheel Europa.
Volgens het Règlement organique (organieke reglement), zoals deze wet op de herendiensten heette, is iedere Walachijse boer behalve een nauwkeurig omschreven belasting in natura aan de zogenaamde grondbezitter verschuldigd: 1. twaalf arbeidsdagen zonder meer; 2. een dag landarbeid; 3. een dag voor het vervoeren van hout. Alles bij elkaar 14 dagen per jaar. Met een diep inzicht in de economie wordt de arbeidsdag echter niet in zijn gebruikelijke betekenis genomen, maar als arbeidsdag, die noodzakelijk is voor de vervaardiging van een gemiddeld dagelijks product; hierbij wordt echter het gemiddeld dagelijks product op een zo sluwe wijze bepaald, dat een Cycloop er in 24 uur niet mee klaar zou komen. In de droge woorden, met echte Russische ironie, wordt in het Règlement zelf verklaard dat onder 12 arbeidsdagen moet worden verstaan het product van 36 dagen handenarbeid, onder een dag landarbeid 3 dagen en onder een dag voor het vervoeren van hout eveneens het drievoudige. Totaal: 42 dagen herendiensten. Hierbij komt echter nog de zogenaamde jobagie, het verrichten van diensten, die aan de grondbezitters toekomen voor buitengewone productiebehoeften. Al naar gelang de grootte van de bevolking moet ieder dorp jaarlijks een bepaald contingent voor de jobagie beschikbaar stellen. Deze supplementaire herendiensten worden voor iedere Walachijse boer op 14 dagen geschat. Zodoende omvatten de verplichte herendiensten 56 arbeidsdagen per jaar. Wegens het slechte klimaat telt het landbouwjaar in Walachije echter slechts 210 dagen, waarvan 40 zon- en feestdagen en gemiddeld 30 dagen wegens slecht weer afvallen, samen dus 70 dagen. Er blijven dan 140 arbeidsdagen over. De verhouding van de herendiensten tot de noodzakelijke arbeid, 56/84 of 662/3 %, levert een veel geringere meerwaardevoet op dan die, waardoor de arbeid van de Engelse land- en fabrieksarbeiders wordt geregeld. Dit zijn echter slechts de bij wet voorgeschreven herendiensten. In een nog meer ‘liberale’ geest dan de Engelse fabriekswetgeving is men er bij het Règlement organique in geslaagd middelen te creëren om de eigen bepalingen te ontduiken. Nadat men van 12 dagen 54 heeft gemaakt, wordt het nominale dagwerk van elk van deze 54 dagen met herendiensten weer zodanig bepaald, dat een deel van de daarop volgende dag er wel onder moet vallen. In één dag moet bijvoorbeeld een stuk grond worden gewied, voor welk werk — vooral bij marsbebouwing — twee keer zo veel tijd nodig is. Het bij wet voorgeschreven dagwerk voor een bepaald soort landarbeid is zo te interpreteren, dat de dag in mei begint en in oktober eindigt. Voor Moldavië was de bepaling nog harder: ‘De twaalf dagen met herendiensten uit het Règlement organique,’ riep een Bojaar in zijn overwinningsroes uit, ‘beslaan 365 dagen per jaar!’[45]
Zoals het Règlement organique van de Donau-monarchieën een positieve uitdrukking was van de geeuwhonger naar meerarbeid, die door iedere paragraaf werd gelegaliseerd, zo zijn de Engelse Factory Acts (fabriekswetten) een negatieve uitdrukking van dezelfde geeuwhonger. Deze wetten beteugelen de drift van het kapitaal naar een mateloze uitzuiging van de arbeidskracht; deze beteugeling was een door de staat opgelegde beperking van de arbeidsdag en nog wel door een staat, die door kapitalist en grondbezitter werd beheerst. Afgezien van een in omvang groeiende arbeidersbeweging, die dagelijks steeds dreigender vormen aannam, werd de beperking van de fabrieksarbeid door dezelfde noodzaak voorgeschreven als waarmee de guano zich op de Engelse akkers ophoopte. Dezelfde roofzucht, die in het ene geval de grond heeft uitgemergeld, had in het andere geval de levenskracht van het volk in de wortel aangetast. Periodiek terugkerende epidemieën spraken hier een even duidelijke taal als de afnemende lengte van de soldaten in Duitsland en Frankrijk.[46]
De thans (1867) van kracht zijnde fabriekswet van 1850 staat een gemiddelde werkdag van 10 uur toe, namelijk: voor de eerste 5 werkdagen 12 uur, van 6 uur ochtends tot 6 uur ‘s avonds, waarvan volgens de wet een 1/2 uur voor ontbijt en 1 uur voor middageten afgaan; voor de zaterdag 8 uur: van 6 uur ‘s ochtends tot 2 uur in de middag, waarvan een half uur voor ontbijt afgaat. Dan blijven dus 60 arbeidsuren over, 101/2 voor de eerste vijf werkdagen en 71/2 voor de laatste werkdag.[47] Er zijn speciale bewakers voor deze wet aangesteld: de fabrieksinspecteurs, die direct ondergeschikt zijn aan de Minister van Binnenlandse Zaken; hun rapporten worden ieder half jaar door het parlement gepubliceerd. Op deze wijze leveren zij een permanente en officiële statistiek van de geeuwhonger der kapitalisten naar meerarbeid.
Laten we even naar de fabrieksinspecteurs luisteren.[48]
‘De bedrieglijke fabrikant laat de arbeid een kwartier (soms minder, soms meer) vóór 6 uur ‘s ochtends aanvangen en een kwartier (soms minder, soms meer) na 6 uur ‘s avonds beëindigen. Hij neemt 5 minuten van het begin en van het einde van het half uur, dat voor het ontbijt is toegestaan, en hij neemt 10 minuten van het begin en van het einde, dat voor het middageten is uitgetrokken. Op zaterdag laat hij een kwartier, (soms meer, soms minder,) na 2 uur ‘s middags doorwerken. Zijn winst bedraagt dus:
| Voor 6 uur ’s ochtends | 15 min. | |
| Na 6 uur ’s avonds | 15 min. | |
| Bij het ontbijt | 10 min. | |
| Bij het middageten | 20 min. | |
| _______ | ||
| In 5 arbeidsdagen | 300 min. | |
| Op zaterdag: | ||
| Voor 6 uur ’s ochtends | 15 min. | |
| Bij het ontbijt | 10 min. | |
| Na 2 uur ’s middags | 15 min. | 40 min. |
| _______ | _______ | |
| Totale winst per week | 340 min. | |
Of 5 uur en 40 minuten, hetgeen vermenigvuldigd met 50 arbeidsweken (na aftrek van twee weken voor feestdagen of toevallige onderbrekingen) 27 arbeidsdagen oplevert.’[49]
‘Wanneer de arbeidsdag dagelijks met 5 minuten boven de normale duur wordt verlengd, levert dit per jaar 22 productiedagen op.’[50] ‘Een extra uur per dag, verkregen door nu eens hier, dan weer daar een beetje tijd in te pikken, maakt van de 12 maanden per jaar 13 maanden.’[51]
Crises, waarin de productie wordt onderbroken en gedurende welke slechts ‘korte tijd’, slechts enkele dagen per week wordt gewerkt, veranderen natuurlijk niets aan de drift naar verlenging van de arbeidsdag. Hoe minder zaken er worden gedaan, des te groter moet de winst op de afgesloten zaken zijn. Hoe korter er gewerkt kan worden, des te langer moet de surplus-arbeidstijd zijn. Zo rapporteren de fabrieksinspecteurs over de crisisperiode 1857-58:
‘Het lijkt wellicht onlogisch dat er nog overmatige arbeid plaatsvindt in een periode, waarin de zaken slecht gaan. Maar juist deze situatie spoort gewetenloze lieden aan tot overtredingen, waardoor zij een extrawinst behalen. . .” In dezelfde periode’, zo schrijft Leonhard Horner, ‘waarin 122 fabrieken in mijn district volledig werden opgegeven, 142 werden stilgelegd en alle andere slechts gedeeltelijk in bedrijf waren, duurde de overmatige arbeid boven de wettelijk vastgestelde tijden voort.’[52] ‘Ofschoon,’ zo zegt de heer Howell, ‘door slapte in de zakenwereld in de meeste fabrieken slechts de helft van de tijd wordt gewerkt, ontvang ik evenals voorheen hetzelfde aantal klachten over het feit, dat dagelijks een half uur of drie kwartier van de arbeiders wordt weggegrist (snatched) door inbreuken op de wettelijk vastgestelde perioden voor de maaltijden en voor de rust.’[53]
Hetzelfde verschijnsel herhaalde zich in kleinere omvang gedurende de vreselijke katoencrisis van 1861-65.[54]
‘Wanneer we gedurende de schafttijden of gedurende andere tijden, waarop niet mag worden gewerkt, arbeiders aan het werk treffen, wordt soms voorgewend dat zij de fabriek beslist niet willen verlaten en dat zij gedwongen moeten worden hun werkzaamheden (het schoonmaken van de machines, en dergelijke) te onderbreken, vooral op de zaterdagmiddag. Maar wanneer de arbeiders na het stilzetten van de machines in de fabrieken blijven, geschiedt dit slechts omdat hen tussen 6 uur ‘s ochtends en 6 uur ‘s avonds, gedurende de bij wet vastgestelde arbeidsuren, geen tijd werd gegund dergelijke werkzaamheden te verrichten.’[55]
‘De extrawinsten, die door overmatige arbeid boven de wettelijk toegestane tijd gemaakt worden, schijnen voor vele fabrikanten een te grote verleiding te zijn om er weerstand aan te kunnen bieden. Zij rekenen op de kans niet betrapt te worden en zij berekenen dat, zelfs in geval zij wél worden betrapt, de boetes en proceskosten zo gering zijn dat er altijd nog wel winst voor hen overblijft.’[56] ‘Waar de extra tijd wordt verkregen door een vermenigvuldiging van kleine diefstallen (‘a multiplication of small thefts’) in de loop van de dag, staan de inspecteurs voor vrijwel onoverkoombare moeilijkheden om het bewijs daarvan te leveren.’[57] Deze ‘kleine diefstallen’ van het kapitaal ten nadele van de schaft- en rusttijden van de arbeider worden door de fabrieksinspecteurs ook wel aangeduid als petty pilfering of minutes, kruimeldiefstallen van minuten,[58] snatching a few minutes, een paar minuutjes wegkapen[59] of, zoals de arbeiders het technisch uitdrukken, nibbling and cribbling at meal times (knabbelen en krabbelen aan de schafttijden).[60]
Men ziet: in deze sfeer is de vorming van meerwaarde door de meerarbeid geen mysterie. ‘“Indien u mij toestaat,” zo verklaarde mij een zeer achtenswaardige fabrikant, “dagelijks slechts 10 minuten over te laten werken, steekt u jaarlijks £1000 in mijn zak.”’[61] ‘Tijddeeltjes vormen de elementen van de winst.’[62]
Niets is in dit opzicht zo typerend als de term full timers ter aanduiding van de arbeiders, die de hele dag werken en de term half timers ter aanduiding van kinderen onder de 13 jaar, die slechts 6 uur mogen werken.[63] De arbeider is hier slechts gepersonifieerde arbeidstijd. Alle individuele verschillen verdwijnen in die van ‘voltijders’ en ‘halftijders’.
Tot nu toe beperkten wij onze beschouwing over de drift tot verlenging van de arbeidsdag, de geeuwhonger van de weerwolf naar meerarbeid, tot het gebied waarop mateloze buitensporigheden (volgens een burgerlijke Engelse econoom niet overtroffen door de wreedheden van de Spanjaarden jegens de roodhuiden van Amerika[64]) van het kapitaal ten slotte aan de ketting van de wettelijke regeling werden gelegd. Laten we nu eens kijken naar enige takken van industrie, waar de uitzuiging van de arbeidskracht vandaag nog onbelemmerd is of gisteren nog onbelemmerd was.
‘De heer Broughton, een vrederechter, verklaarde als voorzitter van een vergadering die op 14 januari 1860 in de stedelijke zaal van Nottingham plaatsvond, dat onder het deel van de stadsbevolking, dat in de kantindustrie werkzaam is, zoveel ellende en ontbering heerste als onder de rest van de beschaafde wereld niet voorkwam. . . Om 2, 3, 4 uur in de ochtend worden kinderen van 9-10 jaar uit hun vuile bedden gesleept en gedwongen tot ‘s nachts 10, 11, 12 uur voor hun naakte bestaan te werken, waarbij hun ledematen wegteren, hun gelaatstrekken afstompen en hun menselijk wezen geheel en al verstart tot een steenachtige gevoelloosheid, waarvan de aanblik alleen al ons doet huiveren. Het verbaasde ons niet dat de heer Mallet en andere fabrikanten opstonden om tegen iedere discussie te protesteren. . . Het systeem, zoals dat door de eerwaarde heer Montagu Valpy werd beschreven, is een systeem van onbeperkte slavernij, slavernij in maatschappelijke, lichamelijke, zedelijke en geestelijke betekenis. . . Wat moet men denken van een stad, waar een openbare vergadering wordt gehouden ten einde te verzoeken de dagelijkse arbeidstijd voor mannen te beperken tot 18 uur!. . . Wij protesteren tegen de planters uit Virginia en Carolina. Maar is hun negermarkt, met alle verschrikking van de zweep en van het gesjacher in mensenvlees, wel afschuwelijker dan deze langzame mensenslachting, welke plaatsvindt opdat sluiers en kragen ten voordele van kapitalisten worden geproduceerd?’[65]
Gedurende de afgelopen tweeëntwintig jaar is de aardewerkindustrie (pottery) van Staffordshire object geweest van drie parlementaire enquêtes. De resultaten hiervan zijn opgetekend in het verslag van de heer Scriven, in 1841 uitgebracht aan de Children’s Employment Commissioners; in het verslag van dr. Greenhow van 1860, op last van de geneeskundige ambtenaar van de Privy Council gepubliceerd (Public Health, 3rd Report, I, pp. 112-113); ten slotte in het verslag van de heer Longe van 1862, gepubliceerd in het First Report of the Children’s Employment Commission van 13 juni 1863. Voor ons doel is het voldoende aan de verslagen van 1860 en 1863 enkele getuigenissen van de geëxploiteerde kinderen zelf te ontlenen. Uit de situatie van de kinderen kan men de situatie van de volwassenen (in het bijzonder van de meisjes en vrouwen) afleiden en dat nog wel in een tak van industrie, vergeleken waarbij de katoenspinnerij en dergelijke een aangename en gezonde bezigheid schijnt te zijn.[66]
De 9-jarige William Wood ‘was 7 jaar en 10 maanden toen hij begon te werken’. Van begin af aan hij ‘ran moulds’ (het dragen van de klaargemaakte waar naar de droogkamer om vervolgens de geleegde vorm terug te brengen). Hij komt iedere werkdag om 6 uur in de ochtend en hij houdt om ongeveer 9 uur ‘s avonds op. ‘Ik werk iedere werkdag tot 9 uur ‘s avonds en dat heb ik de laatste 7 of 8 weken gedaan.’ Dus een arbeidsdag van 15 uur voor een kind van 7 jaar! J. Murray, een jongen van 12 jaar, zegt: ‘I ran moulds and turn jigger (draai het wiel). Kom om 6 uur, soms om 4 uur ‘s ochtends. Ik heb de hele afgelopen nacht gewerkt tot 8 uur vanmorgen. Sinds de afgelopen nacht ben ik niet naar bed geweest. Behalve ik hebben 8 of 9 andere jongens de afgelopen nacht doorgewerkt. Uitgezonderd één zijn ze allemaal vanmorgen weer teruggekomen. Ik krijg per week 3s.6d. Ik krijg niet meer als ik de hele nacht doorwerk. In de afgelopen week heb ik twee nachten gewerkt.’ Fernyhough, een jongen van 10 jaar: ‘Ik heb niet altijd een heel uur voor het middageten; vaak slechts een half uur, op donderdag, vrijdag en zaterdag.’[67]
Volgens dr. Greenhow is de levensduur in de aardewerkdistricten Stoke-upon-Trent en Wolstanton buitengewoon kort. Ofschoon in het district Stoke slechts 30,6 % en in Wolstanton slechts 30,4 % van de mannelijke bevolking boven de 20 jaar in de aardewerkindustrie werkt, vindt men onder deze arbeiders in het eerste district meer dan de helft en in het tweede district ongeveer 2/5 van het totale aantal gevallen van sterfte ten gevolge van longziektes voor deze categorie mannen. Dr. Boothroyd, arts in Hanley, verklaarde: ‘Iedere volgende generatie van pottenbakkers is dwergachtiger en zwakker dan de voorafgaande.’ En op dezelfde wijze verklaart een andere arts, de heer McBean: ‘Sinds ik, vijfentwintig jaar geleden, met mijn praktijk onder de pottenbakkers begon, was voortdurend een duidelijke degeneratie waarneembaar in het afnemen van de lengte en van het gewicht.’ Deze verklaringen zijn ontleend aan het rapport van dr. Greenhow van 1860.[68]
Het volgende is ontleend aan het verslag van de commissie van 1863. Dr. J. T. Arledge, eerste geneesheer van het ziekenhuis van North Staffordshire, zegt: ‘Als klasse vertegenwoordigen de arbeiders in de aardewerkindustrie, mannen en vrouwen. . . een gedegenereerde bevolking, zowel lichamelijk als geestelijk. Zij zijn gewoonlijk dwergachtig, slecht gebouwd en zij hebben vaak een vergroeide borst. Zij worden vroeg oud en ze leven kort; flegmatisch en bloedarm als ze zijn treedt de zwakte van hun constitutie aan het licht door hardnekkige aanvallen van dyspepsie, lever- en nierkwalen en reumatiek. Maar van alle ziekten zijn zij vooral gevoelig voor borstziekten: longontsteking, tering, bronchitis en astma. Een vorm van de laatste ziekte is typerend voor hen en staat bekend onder de naam van pottenbakkersastma of pottenbakkerstering. Scrofulose, die de amandelen, beenderen of andere lichaamsdelen aantast, is een ziekte waaraan meer dan 3 van de pottenbakkers lijdt. Dat de degeneratie (degenerescence) van de bevolking van dit district nog niet veel groter is, is uitsluitend te danken aan de rekrutering van arbeidskrachten uit de omliggende districten en door de vermenging via huwelijken met gezondere rassen.’ De heer Charles Pearson, tot voor kort chirurg aan hetzelfde ziekenhuis, schrijft in een brief aan het commissielid Longe onder andere: ‘Ik kan slechts spreken uit persoonlijke ervaring en niet volgens statistische gegevens; maar ik aarzel niet te verklaren dat steeds weer mijn verontwaardiging werd gewekt bij het zien van deze arme kinderen, wier gezondheid werd opgeofferd om de hebzucht van hun ouders en werkgevers te bevredigen.’ Hij geeft een opsomming van de oorzaken van de ziekten van de arbeiders in de aardewerkindustrie en hij sluit deze opsomming samenvattend af met ‘long hours’ (lange arbeidstijden). In het verslag van de commissie wordt de hoop uitgesproken dat ‘een bedrijfstak, die in de wereld zo’n belangrijke plaats inneemt, niet langer de schandvlek zal dragen van het feit dat haar groot succes gepaard gaat met fysieke degeneratie, zeer omvangrijk lichamelijk lijden en een vroege dood van de arbeidersbevolking, welke door haar arbeid en bekwaamheid in staat was zulke grote resultaten te bereiken.’[69] Wat opgaat voor de aardewerkfabrieken in Engeland geldt ook voor dezelfde bedrijfstak in Schotland.[70]
De luciferindustrie dateert van 1833, toen men had uitgevonden hoe fosfor op de strijkhoutjes kon worden aangebracht. Sinds 1845 vond een snelle ontwikkeling van deze industrie in Engeland plaats en zij verspreidde zich van de dichtbevolkte delen van Londen vooral ook naar Manchester, Birmingham, Liverpool, Bristol, Norwich, Newcastle en Glasgow; hiermee ging gepaard een verbreiding van de mondklem, waarvan een Weense arts reeds in 1845 ontdekte dat het een typische ziekte van de lucifersmakers is. De helft van de arbeiders zijn kinderen onder de 13 jaar en jongeren onder de 18 jaar. Deze bezigheid staat door de ongezondheid en de onaangenaamheid ervan in zulk een kwade reuk, dat slechts het meest verkommerde deel van de arbeidersklasse — half verhongerde weduwen en dergelijke — er kinderen aan afstaat, ‘haveloze, half verhongerde, totaal verwaarloosde en bandeloze kinderen’.[71] Van de getuigen, die door het commissielid White werden verhoord (1863) waren 270 nog geen 18 jaar, 50 nog geen 10 jaar, 10 slechts 8 jaar en 5 slechts 6 jaar. De arbeidsdagen varieerden van 12 tot 14 à 15 uur, er was nachtarbeid, de maaltijden waren onregelmatig en werden meestal genuttigd in de werkplaatsen, welke door de fosfor verpest waren.[71bis] In deze tak van bezigheid zou Dante zijn meest afschuwelijke helle fantasieën overtroffen hebben gevonden.
In de fabrieken voor behangselpapier worden de grovere soorten met machines, de fijnere soorten met de hand (block printing) gedrukt. De drukste tijd valt tussen begin oktober en eind april. In deze periode duurt de arbeid vaak zonder onderbreking van 6 uur ‘s ochtends tot 10 uur ‘s avonds of tot later in de nacht.
J. Leach verklaart: ‘De afgelopen winter (1862) bleven er van de 19 meisjes 6 weg wegens ziekten ten gevolge van overmatige inspanning. Om ze wakker te houden moest ik tegen hen schreeuwen.’ W. Duffy: ‘De kinderen konden vaak van moeheid hun ogen niet open houden; trouwens, we konden dat zelf vaak nauwelijks.’ J. Lightboume: ‘Ik ben 13 jaar. . . De afgelopen winter werkten we tot 9 uur ‘s avonds en de winter daarvoor tot 10 uur. De afgelopen winter huilde ik bijna iedere avond van de pijn aan mijn kapotte voeten.’ G. Apsden: ‘Deze jongen van mij placht ik, toen hij 7 jaar was, op mijn rug door de sneeuw heen en weer te dragen en gewoonlijk werkte hij 16 uur!. . . Dikwijls ben ik bij hem op mijn knieën gaan liggen om hem te voeden terwijl hij aan de machine stond; want hij mocht de machine niet verlaten of stilzetten.’ Smith, de beherende vennoot van een fabriek in Manchester: ‘Wij (hij bedoelt zijn arbeidskrachten, die voor ‘ons’ arbeiden -M.) werken zonder onderbreking voor de maaltijden, zodat de dagelijkse arbeid van 101/2 uur om 4.30 uur in de middag klaar is. De rest is overwerk.[72] (Gebruikt de heer Smith geen maaltijden in 101/2 uur? -M.) Wij (dezelfde Smith -M.) houden bijna nooit voor 6 uur’s avonds op (hij bedoelt met de consumptie van ‘onze’ arbeidskrachtmachines -M.), zodat wij (iterum Crispinus, wederom Smith -M.) in feite het hele jaar door overwerk verrichten. . . De kinderen en volwassenen (152 kinderen en jongeren beneden de 18 jaar en 140 volwassenen) hebben regelmatig gedurende de afgelopen 18 maanden gemiddeld ten minste 7 dagen en 5 uur per week gewerkt, dus 781/2 uur per week. Voor de periode van 6 weken, eindigend op 2 mei van dit jaar (1863) was dit gemiddelde hoger — 8 dagen of 84 uur per week!’ Maar dezelfde heer Smith, die er zo dol op is de pluralis majestatis te gebruiken, voegt hier meesmuilend aan toe: ‘Machinearbeid is niet zwaar’. En op dezelfde wijze verklaren de fabrikanten, die block printing toepassen: ‘Handenarbeid is gezonder dan machinearbeid’. Algemeen wijzen de heren fabrikanten met verontwaardiging het voorstel van de hand ‘de machines tenminste tijdens de maaltijden stop te zetten’. ‘Een bepaling,’ zo zegt de heer Otley, bedrijfsleider van een behangselfabriek in Borough (Londen), ‘volgens welke arbeidsuren worden toegestaan van 6 uur ‘s ochtends tot 9 uur ‘s avonds, zou ons (!) zeer wel aanstaan, maar de uren van de Factory Act van 6 uur ‘s ochtends tot 6 uur ‘s avonds komen ons (!) slecht uit. . . Onze machines worden tijdens het middageten stopgezet (welk een grootmoedigheid -M.). Het stilzetten veroorzaakt geen noemenswaardig verlies aan papier en verf.” Maar,’ voegt hij er vol medeleven aan toe, ‘ik kan me voorstellen dat de daarmee gepaard gaande verliezen niet aangenaam worden gevonden.’ In het rapport van de commissie wordt, op naïeve wijze, de mening uitgesproken dat de vrees van enige ‘toonaangevende firma’s’ om tijd (dat wil zeggen tijd, waarin arbeid van anderen wordt toegeëigend) en daardoor ‘winsten verloren te laten gaan’ geen ‘afdoende reden’ is om voor kinderen onder de 13 jaar en jongeren onder de 18 jaar gedurende 12 tot 16 uur hun middagmaal ‘verloren te laten gaan’ of om hen dat maal toe te voegen op de wijze, zoals men de stoommachine voorziet van steenkool en water, de wol van zeep, het wiel van smeerolie, enzovoort — dus tijdens het productieproces zelf als een loutere hulpstof van het arbeidsmiddel.[73]
Wanneer we afzien van de pas nu opkomende machinale bakkerij, heeft geen enkele bedrijfstak in Engeland zulk een ouderwetse, ja — zoals men kan leren van de dichters uit het Romeinse keizerrijk — een voorchristelijke productiewijze gehandhaafd als de bakkerij. Het kapitaal, we hebben het reeds hierboven gezien, staat eerst onverschillig tegenover het technische karakter van het arbeidsproces, waarvan het zich meester maakt. Aanvankelijk neemt het kapitaal dit proces, zoals het bestaat.
De ongelofelijke broodvervalsing, in het bijzonder in Londen, werd voor het eerst onthuld door een commissie uit het Lagerhuis ‘Over de vervalsing van voedingsmiddelen’ (1855-56) en door het geschrift van dr. Hassall, Adulterations Detected.[74] Deze onthullingen hebben geleid tot de wet van 6 augustus 1860 ‘for preventing the adulteration of articles of food and drink’ (wet ter voorkoming van vervalsing van voedingsmiddelen en dranken). Deze wet is een dode letter gebleven, aangezien natuurlijk alle mogelijke consideratie werd gehouden met de vrijhandelaar, die van plan is door koop en verkoop van vervalste waren ’to turn an honest penny’ (een eerlijke duit te verdienen).[75] De commissie zelf formuleerde op min of meer naïeve wijze als haar mening dat vrijhandel in wezen betekende handel in vervalste materie, of, zoals de Engelsen het geestig uitdrukken, in sophisticated goods. Inderdaad slaagt dit soort ‘sofisten’ er beter in dan Protagoras om van zwart wit te maken en van wit zwart en beter dan de Eleaten om ad oculus (zo dat men het kan zien) aan te tonen dat al hetgeen reëel is slechts schijn is.[76]
In ieder geval had de commissie de aandacht van het publiek op zijn ‘dagelijks brood’ gevestigd en daardoor ook op de bakkerij. Tegelijkertijd weerklonk op de openbare vergaderingen en in de petities aan het parlement de klacht van de Londense bakkersgezellen over afbeuling, enzovoort. Deze klacht werd zo luid, dat de heer H. S. Tremenheere, die ook lid was geweest van de hierboven genoemde commissie van 1863, werd aangesteld tot Koninklijk Commissaris van Onderzoek. Zijn rapport[77] en de daarbij gevoegde getuigenissen vielen het publiek zwaar, niet zozeer op het hart dan wel op de maag. De bijbelvaste Engelsman wist dat de mens — tenzij uitverkoren om te leven als kapitalist, landlord (grondbezitter) of ‘sinecurist’ — geroepen is het brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen, maar hij wist niet dat hij mét zijn brood dagelijks een zekere hoeveelheid mensenzweet moest eten, doortrokken met ettervocht, spinnenwebben, dooie kakkerlakken en bedorven Duitse gist, afgezien nog van aluin, zandsteen en dergelijke aangename minerale ingrediënten. Zonder enige consideratie voor Zijne Heiligheid de Vrijhandel werd daarom de tot die tijd ‘vrije’ bakkerij onderworpen aan het toezicht van een rijksinspectie. Dit geschiedde volgens een wet, die tegen het einde van de parlementszitting van 1863 werd aangenomen. Bij dezelfde wet werd voor bakkersgezellen beneden de 18 jaar verboden te werken van 9 uur ‘s avonds tot 5 uur ‘s ochtends. Deze laatste bepaling spreekt boekdelen over de overmatige arbeid in deze, ons zo ouderwets prettig aandoende bedrijfstak.
‘Een Londense bakkersgezel begint gewoonlijk om 11 uur ‘s avonds met zijn arbeid. Hij maakt dan het deeg, hetgeen een zeer vermoeiende bezigheid is en wat, al naar gelang de omvang en de fijnheid van het baksel, een half uur à drie kwartier in beslag neemt. Hij gaat dan op de deegplank liggen (welke tevens dient als deksel van de trog, waarin het deeg gemaakt wordt) en slaapt een paar uur met een meelzak onder zijn hoofd en een andere over zijn lichaam. Daarna begint een snelle en onafgebroken arbeid van 4 uren: het werpen, afwegen, vormen, in de oven schuiven en uit de oven halen van het deeg. De temperatuur in een bakkerij varieert van 75° tot 90° en in kleine bakkerijen is de temperatuur eerder hoger dan lager. Wanneer de arbeid van het bakken van brood en broodjes voltooid is, begint de bezorging; een aanzienlijk deel van de dagloners brengt, na de hierboven beschreven zware nachtarbeid, in manden en in karren het brood huis aan huis rond en werkt intussen ook nog vaak in de bakkerij. Naar gelang van het jaargetijde en de grootte van de zaak is het werk tussen 1 en 6 uur in de middag afgelopen, terwijl een ander deel van de knechten tot laat in de namiddag in de bakkerij bezig is.’[78] ‘Tijdens het Londense seizoen beginnen de knechten van de bakkers in West End, die hun brood tegen de “volle” prijs verkopen, ‘s avonds om 11 uur en werken, met een onderbreking van één of twee vaak zeer korte tussenpozen, tot de volgende ochtend 8 uur. Zij worden dan nog tot 4, 5, 6, ja zelfs tot 7 uur gebruikt voor de broodbezorging of in de bakkerij voor het bakken van koekjes. Na gedane arbeid genieten zij een slaap van 6, vaak slechts van 5 of 4 uur. Op vrijdag begint de arbeid altijd vroeger, ongeveer 10 uur ‘s avonds, en duurt, hetzij met het bereiden hetzij met het bezorgen van brood, zonder onderbreking tot de daaropvolgende zaterdagavond 8 uur, meestal echter tot 4 of 5 uur ‘s nachts. In de deftige bakkerijen, waar het brood tegen de “volle prijs” wordt verkocht, moet op zondag ook 4 à 5 uur voorbereidende arbeid worden verricht voor de volgende dag. . . De bakkersgezellen van de underselling masters (die het brood beneden de volle prijs verkopen en die, zoals we zagen, meer dan 3/4 van het aantal Londense bakkers omvatten -M.) hebben nog langere arbeidsuren, maar hun arbeid is bijna geheel beperkt tot de bakkerij, aangezien hun bazen — uitgezonderd de levering aan kleine winkeltjes — slechts in de eigen zaak verkopen. Tegen het einde van de week. . . dat wil zeggen donderdag, begint de arbeid hier om 10 uur in de avond en duurt, met slechts een korte onderbreking, tot laat in de nacht van zaterdag.’[79]
Zelfs van burgerlijk standpunt uit bekeken begrijpt men wat de underselling masters doen: ‘de onbetaalde arbeid van de knechten (the unpaid labour of the men) vormt de basis van hun concurrentie’.[80] En de full priced baker stelt zijn underselling concurrenten bij de Commissie van Onderzoek aan de kaak als vervalsers en als dieven van andermans arbeid. ‘Zij slagen er alleen maar in door het publiek te bedriegen en door uit hun knechten 18 uur arbeid te halen voor een loon van 12 uur.’[81]
De broodvervalsing en de vorming van een categorie bakkers, die het brood beneden de volle prijs verkopen, ontwikkelden zich in Engeland sinds het begin van de achttiende eeuw, toen dit beroep de kenmerken van de gilden verloor en de kapitalist in de gedaante van molenaar of van commissionair in meel achter de schijnbaar zelfstandige meester-bakker ging staan.[82] Hiermee was de basis gelegd voor de kapitalistische productie, voor de mateloze verlenging van de arbeidsdag en voor de nachtarbeid, hoewel de nachtarbeid zelf pas in 1824 in ernstige mate in Londen werd verbreid.[83]
Na het voorafgaande zal men begrijpen dat in het rapport van de Commissie de bakkersknechten worden gerekend te behoren tot de arbeiders met een korte levensduur, die, indien zij al zo gelukkig mochten zijn te ontsnappen aan de enorme kindersterfte welke alle delen van de arbeidersklasse treft, zelden het 42e levensjaar bereiken. En toch zijn er altijd meer dan voldoende liefhebbers voor het bakkersbedrijf. De bronnen, waaruit de ‘arbeidskrachten’ voor Londen worden geput, zijn Schotland, de landbouwgebieden in het westen van Engeland en — Duitsland.
In de jaren 1858-60 organiseerden de bakkersknechten in Ierland op eigen kosten grote vergaderingen om te ageren tegen nachtarbeid en tegen het werken op zondag. Het publiek koos met Iers enthousiasme partij voor hen, bijvoorbeeld op de meivergadering van 1860 in Dublin. Inderdaad, wist deze beweging in Wexford, Kilkenny, Clonmel, Waterford, enzovoort, met succes door te voeren dat uitsluitend dagarbeid zou worden verricht. ‘In Limerick, waar — zoals bekend — de ellende onder de loontrekkers iedere beschrijving tart, strandde deze beweging op het verzet van de meester-bakkers, in het bijzonder van de bakker-molenaars. Het voorbeeld van Limerick leidde tot een terugslag in Ennis en Tipperary. In Cork, waar de algemene verontwaardiging zich in de meest felle vormen uitte, deden de bazen de beweging mislukken door gebruik te maken van hun macht om de knechten op straat te zetten. In Dublin boden de bazen een zeer koppige tegenstand en dwongen zij door vervolging van de knechten, die aan de agitatie leiding gaven, de anderen toe te geven en zich neer te leggen bij nachtarbeid en bij werk op zondag.’[84] De commissie van de in Ierland tot de tanden gewapende Engelse regering vermaant met een doodbiddergezicht de onverbiddelijke meester-bakkers van Dublin, Limerick, Cork, enzovoort: ‘De Commissie is van mening dat de arbeidsuren beperkt zijn door natuurwetten, welke niet ongestraft kunnen worden overtreden. Terwijl de bazen door met ontslag te dreigen hun arbeiders dwingen tot schending van hun godsdienstige overtuiging, tot ongehoorzaamheid aan de landswetten en tot veronachtzaming van de openbare mening (dit laatste heeft allemaal betrekking op de zondagsarbeid -M.), laaien zij haat tussen kapitaal en arbeid en stellen zij een voorbeeld, dat gevaarlijk is voor de godsdienst, de zedelijkheid en de openbare orde. . . De commissie is van mening dat de verlenging van de arbeidsdag boven de 12 uur een onrechtmatige inbreuk is op het huiselijke en particuliere leven van de arbeider en zedelijk tot noodlottige gevolgen leidt door inmenging in het gezin van een man en in zijn gezinsplichten als zoon, broeder, echtgenoot en vader. Langere arbeid dan 12 uur neigt de gezondheid van de arbeider te ondermijnen, leidt tot vroegtijdige veroudering en vroege dood en derhalve tot onheil in arbeidersgezinnen, die juist op het moment dat zij er het meeste behoefte aan hebben worden beroofd (are deprived) van de steun van het gezinshoofd.’[85]
We waren zo-even in Ierland. Aan de andere kant van het water, in Schotland, protesteert de landarbeider, de man van de ploeg, tegen zijn 13- tot 14-urige arbeid in het meest gure klimaat, met nog een extra-arbeid van 4 uur op zondag (en dat in dit land van de Sabbatheiliging!),[86] terwijl op hetzelfde moment in Londen drie spoorwegarbeiders voor een Grand Jury moeten verschijnen, een conducteur, een machinist en een seinwachter. Door een spoorwegongeluk zijn honderden passagiers naar de andere wereld geholpen. De oorzaak van het ongeluk lag in de nalatigheid van de spoorwegarbeiders. Voor de jury verklaren zij eenstemmig dat 10 tot 12 jaar geleden hun dagelijkse arbeid slechts 8 uur bedroeg. Gedurende de laatste 5 à 6 jaren heeft men dit opgedreven tot 14, 18, en 20 uur en bij een bijzonder drukke toeloop van reislustigen, in de vakanties als de pleziertreinen rijden, moesten zij vaak 40 tot 50 uur onafgebroken doorwerken. Dit zijn gewone mensen en geen Cyclopen. Op een zeker punt raakt hun arbeidskracht uitgeput. Ze raken verdoofd; hun hersenen denken niet meer en hun ogen zien niet meer. De beslist respectable British Jurymen (achtenswaardige leden van de Britse jury) beantwoorden dit met een uitspraak, waardoor de arbeiders op beschuldiging van manslaughter (doodslag) voor de rechter kwamen. In een in milde termen gesteld aanhangsel spreken de leden van de jury de vrome wens uit dat de heren kapitalisten-spoorwegmagnaten in de toekomst toch wat guller zullen zijn bij de aankoop van het nodige aantal ‘arbeidskrachten’ en zich ‘meer zullen onthouden’ of zich ‘meer zullen ontzeggen’ of ‘spaarzamer’ zullen zijn bij de uitzuiging van de betaalde arbeidskracht.[87]
Uit de bonte mengeling van arbeiders van alle mogelijke beroepen, leeftijden en geslachten — die zich driftiger rondom ons verdringen dan de zielen van de gevallenen rondom Odysseus en die waarlijk geen blauwboeken onder de arm hoeven te dragen om hen op het eerste gezicht de overmatige arbeid aan te zien — halen we nog twee figuren: een modiste en een smid. De frappante tegenstelling tussen deze twee bewijst dat voor het kapitaal alle mensen gelijk zijn.
In de laatste weken van juni 1863 kwamen alle dagbladen in Londen met een artikel onder de sensationele kop: Death from simple overwork (dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, welke gedreven werd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. De oude en reeds vaak vertelde geschiedenis[88] werd nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 161/2 uur, tijdens het seizoen echter vaak 30 uur zonder onderbreking, waarbij zij, als hun ‘arbeidskracht’ het dreigt te begeven, op de been worden gehouden door een tijdige toediening van sherry, port of koffie. En men zat juist in de drukste periode van het seizoen. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaargetoverd voor het bal, dat gegeven werd ter gelegenheid van de inhuldiging van de vers geïmporteerde Prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met 60 andere meisjes onafgebroken 261/2 uur gewerkt. Met z’n dertigen zaten zij in één kamer, welke nauwelijks 1/3 van de noodzakelijke kubieke hoeveelheid lucht bevatte; ‘s nachts moesten zij in één van de stinkholen, waarvan men een slaapkamer had gemaakt door deze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen.[89] En dit was een van de betere modezaken van Londen. Mary Anne Walkley werd op vrijdag ziek en stierf op zondag, zelfs — tot grote verbazing van Madame Elise — zonder het laatste kledingstuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts, de heer Keys, verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge termen: ‘Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en te slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury daarentegen: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd versneld door overmatige arbeid in een te volle werkplaats, enzovoort.’ ‘Onze blanke slaven,’ zo riep de Morning Star, het orgaan van de vrijhandelsheren Cobden en Bright, uit, ‘worden tot in het graf afgebeuld en sterven en vergaan zonder dat iemand er naar omkijkt.’[90]
‘Het laten werken tot de dood er op volgt is aan de orde van de dag, niet alleen in de werkplaatsen van de modistes, maar op duizenden plaatsen, ja, op iedere plaats waar zaken worden gedaan. . . Laten we de smid eens als voorbeeld nemen. Wanneer we de dichters mogen geloven, bestaat er geen man met meer levenskracht en levenslust dan de smid. Hij staat vroeg op en hij slaat zijn vonken reeds voordat de zon daar de kans toe krijgt. Hij eet en drinkt en slaapt als geen ander. Fysiek beschouwd bevindt hij zich bij matige arbeid inderdaad in één van de beste menselijke posities. Maar laten we hem eens naar de stad volgen en laten we eens kijken welke hoeveelheid arbeid op de schouders van deze sterke man rust. Welk rangnummer bezit hij in de sterftecijfers voor ons land? In Marylebone (één van de grootste stadswijken van Londen -M.) sterven de smeden in de verhouding van 31 per 100 per jaar, dat wil zeggen 11 meer dan het gemiddelde sterftecijfer voor volwassen mannen in Engeland. Dit beroep, een bijna instinctmatige bezigheid der mensheid waartegen op zichzelf geen bezwaren bestaan, wordt door een loutere overdrijving van de arbeid een vernietiger van de mens. Dagelijks kan hij een bepaald aantal slagen met de hamer maken, een bepaald aantal schreden zetten, een bepaald aantal keren adem halen, een bepaalde hoeveelheid werk verzetten en gemiddeld bijvoorbeeld 50 jaar leven. Men dwingt hem zoveel slagen meer te maken, zoveel schreden meer te zetten, zoveel vaker dagelijks adem te halen, alles bij elkaar zijn levensinspanningen dagelijks met een kwart te vergroten. Hij probeert het en het resultaat is dat hij in een bepaalde periode een kwart meer aan werk verzet en op zijn 37e in plaats van op zijn 50e sterft.’[91]
Het constante kapitaal, de productiemiddelen, zijn, vanuit het proces van meerwaardevorming gezien, slechts aanwezig om arbeid, en met iedere druppel arbeid een evenredige hoeveelheid meerarbeid, te absorberen. Voor zover de productiemiddelen dat niet doen vormt hun aanwezigheid slechts een negatief verlies voor de kapitalisten, want gedurende de tijd dat zij niet gebruikt worden vertegenwoordigen ze een nutteloos kapitaalvoorschot en dit verlies wordt positief zodra de onderbreking verdere kosten met zich meebrengt om het werk weer op gang te brengen. De verlenging van de arbeidsdag tot over de grenzen van de natuurlijke dag, tot in de nacht, is slechts een lapmiddel en lest slechts gedeeltelijk de vampierdorst naar het levende arbeidsbloed. De aangeboren hartstocht van de kapitalistische productie is dus de toe-eigening van arbeid gedurende alle 24 uren van het etmaal. Aangezien het echter fysiek onmogelijk is dezelfde arbeidskrachten bij voortduring dag en nacht uit te zuigen heeft men, om deze fysieke hindernis te overwinnen, een afwisseling nodig van arbeidskrachten, die overdag en arbeidskrachten, die ‘s nachts worden gebruikt. Voor deze afwisseling bestaan verschillende methodes; zij kan bijvoorbeeld zo geregeld zijn dat een deel van het personeel de ene week dagarbeid, de andere week nachtarbeid verricht, enzovoort. Het is bekend dat dit aflossingssysteem, deze wisselbouw, in de periode van de onstuimige opkomst van de Engelse katoenindustrie de overhand had en op het ogenblik onder andere opgeld doet in de katoenspinnerijen van het gouvernement Moskou. Als systeem bestaat dit 24-urige productieproces vandaag nog in vele van de tot op heden ‘vrije’ takken van industrie van Groot-Brittannië, onder andere de hoogovens, smederijen, pletterijen en andere metallurgische industrieën in Engeland, Wales en Schotland. Het arbeidsproces omvat hier, behalve de 24 uren van de 6 werkdagen, ook nog voor het grootste deel de 24 uur van de zondag. De arbeiders zijn zowel mannen als vrouwen, volwassenen en kinderen van beide geslachten. De leeftijden van de kinderen en van de jongeren doorlopen alle stadia vanaf het 8e (in enkele gevallen het 6e) tot het 18e jaar.[92] In enkele bedrijfstakken werken ook meisjes en vrouwen ‘s nachts samen met het mannelijk personeel.[93]
Afgezien van de algemeen schadelijke gevolgen van nachtarbeid[94] biedt het onafgebroken, 24 uur lang durende productieproces een zeer welkome gelegenheid de grenzen van de nominale arbeidsdag te overschrijden. Bijvoorbeeld in de hierboven benoemde takken van industrie, waar een grote arbeidsinspanning wordt gevergd, bedraagt de officiële arbeidsdag voor iedere arbeider meestal 12 uur, dag of nacht. Maar het overwerk, waarmee deze grenzen worden overschreden, is in vele gevallen — om de termen van het officiële Engelse rapport te gebruiken — ‘truly fearful’ (werkelijk verschrikkelijk).[95] ‘Geen mens,’ zo schrijft men, ‘kan zich de hoeveelheid arbeid voorstellen die volgens de getuigenverklaringen door jongens in de leeftijd van 9 tot 12 jaar wordt verricht, zonder onweerstaanbaar tot de conclusie te komen dat dit machtsmisbruik van ouders en werkgevers niet langer geduld mag worden.’[96]
‘De gewoonte om jongens afwisselend ‘s nachts en overdag te laten werken leidt zowel gedurende zeer drukke als in normale periodes op zichzelf al tot een schandelijke verlenging van de arbeidsdag. Deze verlenging is in vele gevallen niet slechts onmenselijk, maar volslagen onvoorstelbaar. Het kan niet missen dat om de een of andere reden een jongen, die moet aflossen, soms niet komt opdagen. Een of meer van de aanwezige jongens, die hun arbeidsdag reeds voltooid hebben, moet dit wegblijven dan opvangen. Dit systeem is zo algemeen bekend dat een bedrijfsleider van een pletterij op mijn vraag, op welke wijze de plaatsen van de afwezige aflossers werden bezet, antwoordde: “Ik weet best dat u dat even goed weet als ik.” En hij aarzelde niet het feit toe te geven.’[97]
‘In een pletterij, waar de nominale arbeidsdag duurde van 6 uur ‘s ochtends tot 5.30 uur ‘s avonds, werkte een jongen wekelijks vier avonden tot minstens 8.30 uur . . .en dit gedurende 6 maanden.’ ‘Een andere jongen van 9 jaar werkte vaak 3 12-urige arbeidsperioden achtereen en toen hij 10 jaar was 2 dagen en 2 nachten achter elkaar.’ ‘Een derde jongen, nu 10 jaar oud, werkte van ‘s ochtends 6 uur tot ‘s nachts 12 uur drie nachten achtereen en gedurende de andere avonden tot 9 uur.’ ‘Een vierde jongen, nu 13 jaar oud, werkte gedurende een hele week van 6 uur ‘s middags tot de volgende dag 12 uur ‘s middags en vaak gedurende 3 aaneengesloten arbeidsperioden, bijvoorbeeld van maandagochtend tot dinsdagavond.’ ‘Een vijfde, nu 12 jaar, werkte in een ijzergieterij in Stavely gedurende 14 dagen van 6 uur ‘s ochtends tot 12 uur ‘s nachts en hij is niet in staat het langer vol te houden.’ ‘George Allinsworth, 9 jaar: “Ik kwam hier afgelopen vrijdag. De volgende dag moesten we om 3 uur ‘s ochtends beginnen. Ik bleef daarom de hele nacht hier. Woon 5 mijlen hier vandaan. Sliep op de grond met een voorschoot onder me en een jasje over me heen. De twee andere dagen was ik hier om 6 uur in de ochtend. Ja, het is een harde baan. Voor ik hier kwam werkte ik een heel jaar in een hoogoven. Het was een hele grote fabriek buiten de stad. Begon ook zaterdagochtend om 3 uur, maar ik kon tenminste naar huis om te slapen, omdat het dichtbij was. De andere dagen begon ik om 6 uur ‘s ochtends en hield om 6 of 7 uur ‘s avonds op”. Enzovoort.’[98]
Laten we nu eens kijken hoe het kapitaal zelf dit 24-uren-systeem beschouwt. Aan de overdrijvingen van dit systeem, het misbruik dat ervan gemaakt wordt voor de ‘onmenselijke en onvoorstelbare’ verlenging van de arbeidsdag, wordt natuurlijk met stilzwijgen voorbijgegaan. Het kapitaal spreekt slechts over het systeem in zijn ‘normale’ vorm.
De heren Naylor en Vickers, staalfabrikanten, die ongeveer 600 à 700 personen in dienst hebben, waarvan slechts 10 % onder de 18 jaar en waarvan slechts 20 jongens in de nachtploeg werken, laten zich als volgt uit: ‘De jongens hebben beslist niet onder de hitte te lijden. De temperatuur schommelt waarschijnlijk om de 86°-90°. . . In de smederij en in de pletterij werken de arbeidskrachten afwisselend dag en nacht, maar daar staat tegenover dat ook al het andere werk dagarbeid is, van 6 uur ‘s ochtends tot 6 uur ‘s avonds. In de smederij wordt gewerkt van 12 uur tot 12 uur. Enkele arbeidskrachten werken altijd ‘s nachts, zonder afwisseling met dagarbeid. . . Wij vinden geen verschil in gezondheid (van de heren Naylor en Vickers? -M.) tussen de mensen die nachtarbeid en de mensen, die dagarbeid verrichten en waarschijnlijk slapen de mensen beter wanneer zij dezelfde rustperiode hebben dan wanneer deze wisselt. . . Ongeveer 20 jongens onder de 18 jaar werken in nachtploegen. . . We zouden het niet goed zonder nachtarbeid van jongens onder de 18 jaar kunnen stellen (not well do). Ons bezwaar betreft de verhoging van de productiekosten. . . Geschoolde krachten en afdelingshoofden zijn moeilijk te krijgen, maar jongens krijg je zoveel je maar wilt. . . Natuurlijk zou, gezien het geringe aantal jongeren dat we in dienst hebben, beperking van de nachtarbeid voor ons weinig betekenis of belang hebben.’[99]
De heer J. Ellis, van de firma John Brown & Co., staal- en ijzerfabrieken, die ongeveer 3.000 mannen en jongens in dienst hebben (waarvan een deel de zware arbeid ‘dag en nacht in een ploegenstelsel’ verricht), verklaart dat bij de zware arbeid in het staal één of twee jongens per twee volwassen mannen worden gebruikt. Hun firma heeft 500 jongens onder de 18 jaar in dienst, waarvan ongeveer 1/3, dus 170, nog niet de leeftijd van 13 jaar hebben bereikt. Wat betreft de voorgestelde wetswijziging meent de heer Ellis: ‘Ik geloof niet dat er ernstige bezwaren tegen zouden bestaan (very objectionable) niemand beneden de 18 jaar meer dan 12 van de 24 uur te laten werken. Maar ik geloof niet dat men ergens een grens kan trekken wat betreft de onmisbaarheid van jongens boven de 12 jaar voor de nachtarbeid. We zouden zelfs eerder voor een wet zijn, waarbij helemaal geen jongens onder de 13 jaar of zelfs onder de 15 jaar in dienst mogen worden genomen dan voor een verbod de jongens, die we eenmaal in dienst hebben, gedurende de nacht te laten werken. De jongens, die in de dagploeg zitten, moeten afwisselend ook in de nachtploeg werken, omdat de mannen niet onophoudelijk nachtarbeid kunnen verrichten: dat zou hun gezondheid ruineren. We menen echter dat nachtarbeid om de week niet schadelijk is. (De heren Naylor en Vickers meenden daarentegen, geheel en al in overeenstemming met de belangen van hun firma, dat in plaats van continue juist de periodiek afwisselende nachtarbeid mogelijkerwijs schadelijk is -M.) We zien dat de lieden, die afwisselend nachtarbeid verrichten, even gezond zijn als degenen die uitsluitend overdag werken. . . Onze bezwaren tegen het niet laten deelnemen aan nachtarbeid van jongens beneden de 18 jaar zijn gebaseerd op de daarmee gepaard gaande kostenverhoging, maar dat is dan ook de enige reden (wat een cynische naïviteit.). Wij menen dat deze kostenverhoging groter zou zijn dan het bedrijf, gelet op een lonende exploitatie, redelijkerwijs kan dragen (as the trade with due regard to etc. could fairly bear! welk een breedsprakige fraseologie! -M.). Arbeid is hier schaars en er zou bij een dergelijke regeling een tekort aan arbeid kunnen ontstaan (dat wil zeggen: Ellis, Brown & Co zouden in de noodlottige situatie kunnen komen te verkeren dat zij de arbeidskracht tegen de volle waarde zouden moeten betalen -M).’[100]
De Cyclops Staal- en IJzerfabrieken van de heren Cammell & Co. maken, even als de fabriek van John Brown & Co., deel uit van het grootbedrijf. De directeur had zijn getuigenverklaring schriftelijk aan de regeringscommissaris White doen toekomen, maar het leek hem later beter om het manuscript, dat hem ter revisie weer was toegezonden, te verdonkeremanen. De heer White heeft echter een goed geheugen. Hij herinnert zich nog heel precies dat voor deze heren Cyclopen het verbod van nachtarbeid voor kinderen en jongeren ‘een onmogelijke zaak’ is; ‘het zou hetzelfde zijn als wanneer men hun fabriek stopzette’ en desondanks bestaat hun personeel voor iets meer dan 6 % uit jongens onder de 18 jaar en slechts 1 % onder de 13 jaar![101]
Over hetzelfde onderwerp verklaart de heer E. F. Sanderson van de firma Sanderson, Bros & Co., staalfabriek en smederij in Attercliffe: ‘Een verbod om jongens onder de 18 jaar ‘s nachts te laten werken zou grote moeilijkheden met zich meebrengen. Het belangrijkste bezwaar zou de kostenverhoging zijn, welke noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de vervanging van arbeid van jongens door arbeid van volwassen mannen. Ik kan niet zeggen hoeveel dat zou bedragen, maar waarschijnlijk niet zoveel dat de fabrikant de staalprijs zou kunnen verhogen. Derhalve zou de fabrikant het verlies dragen, aangezien de mannen (wat een onhandelbaar volk! -M.) natuurlijk zouden weigeren het verlies te dragen.’ De heer Sanderson weet niet hoeveel hij de kinderen betaalt, ‘maar misschien is het 4 à 5s. per hoofd per week. . . De arbeid van de jongens is zodanig, dat in het algemeen (‘in het algemeen’, natuurlijk niet ‘in het bijzonder’ -M.) de kracht van de jongens precies toereikend is. Uit de grotere kracht van de volwassen mannen zou derhalve geen winst voortvloeien waarmee het verlies kan worden gecompenseerd, of althans slechts in de weinige gevallen, waarbij het metaal zeer zwaar is. De volwassen mannen zouden het ook niet prettig vinden geen jongens onder zich te hebben, aangezien mannen minder gehoorzaam zijn. Bovendien moeten de jongens vroeg beginnen om het vak te leren. Beperking tot enkele dagarbeid zou voor dit doel niet voldoende zijn.’ En waarom niet? Waarom kunnen jongens hun vak niet overdag leren? Welke reden geeft u hiervoor? ‘Omdat daardoor de mannen, die afwisselend de ene week ‘s nachts, de andere week overdag werken, in de nachtploeg hun jongens zouden missen en daardoor de helft van hun winst zouden derven, die zij uit de jongens halen. De leiding, die zij aan de jongens geven, wordt namelijk berekend als deel van het arbeidsloon van de jongens, waardoor de mannen in staat zijnde arbeid van de jongens goedkoper te krijgen. Elk van de mannen zou de helft van zijn winst verliezen.’ Anders gezegd: de heren Sanderson zouden een deel van het arbeidsloon van de volwassen mannen uit hun eigen zak moeten betalen in plaats van met de nachtarbeid van de jongens. Hierdoor zou de winst van de heren Sanderson een beetje dalen en dat is Sandersons goede reden waarom de jongens hun vak niet overdag kunnen leren.[102] Bovendien zouden de mannen hierdoor regelmatig nachtarbeid moeten verrichten, terwijl ze nu door de jongens kunnen worden afgelost; dit zouden de mannen niet uithouden. Kortom: de moeilijkheden zouden zo groot zijn dat deze waarschijnlijk zouden leiden tot een algehele afschaffing van de nachtarbeid. ‘Wat de productie van staal zelf betreft,’ zegt E. F. Sanderson, ‘zou dit niet het geringste verschil maken, maar. . .’ Maar de heren Sanderson hebben meer te doen dan staal te maken. Het fabriceren van staal is alleen maar een voorwendsel voor het maken van meerwaarde. De smeltoven, de pletterijen, de gebouwen, de machines, het ijzer, de steenkool, enzovoort hebben meer te doen dan zich alleen maar in staal om te zetten. Zij dienen meerarbeid te absorberen en natuurlijk absorberen zij meer in 24 uur dan in 12 uur. Zij geven inderdaad van Gods- en rechtswege aan de Sandersons een recht op de arbeidskracht van een bepaald aantal werkkrachten gedurende de volle 24 uur van de dag; zodra hun functie van absorptie van arbeid wordt onderbroken, verliezen zij hun kapitaalkarakter en vormen zij dus voor de Sandersons een puur verlies. ‘Maar dat zou dan het verlies aan zoveel kostbare machinerie met zich meebrengen, welke voor de helft van de tijd niet zou worden gebruikt; om dezelfde hoeveelheid producten te maken, die we in het huidige systeem kunnen produceren, zouden we het aantal gebouwen en machines moeten verdubbelen, waardoor de uitgaven zouden worden verdubbeld.’ Maar waarom maken nu juist deze Sandersons aanspraak op het voorrecht boven de andere kapitalisten, die slechts overdag arbeid mogen laten verrichten en wier gebouwen, machines, grondstoffen ‘s nachts dus ‘braak liggen’? ‘Het is waar,’ antwoordt E. F. Sanderson uit naam van alle Sandersons, ‘het is waar dat dit verlies door het niet-gebruiken van machines alle takken van industrie treft waar alleen overdag wordt gewerkt. Maar het gebruik van de smeltovens zou in ons geval een extra verlies veroorzaken. Houdt men de ovens aan, dan wordt brandstof verspild (in plaats van nu verspilling van arbeidskracht van de arbeiders -M.) en houdt men de ovens niet aan, dan treedt tijdverlies op bij het aanleggen van het vuur en bij het bereiken van de vereiste hitte (terwijl gebrek aan slaap, zelfs van kinderen van 8 jaar, voor de Sanderson kliek winst aan arbeidstijd betekent -M.) en de ovens zouden te lijden hebben onder temperatuurschommelingen (terwijl immers dezelfde ovens niet te lijden hebben onder de ‘schommeling’ van dag- en nachtarbeid -M.).’[103]
‘Wat is een arbeidsdag?’ Hoe lang is de tijd, gedurende welke het kapitaal de arbeidskracht, waarvan het de dagwaarde betaalt, mag gebruiken? Hoe ver kan de arbeidsdag worden verlengd boven de arbeidstijd, welke noodzakelijk is voor de reproductie van de arbeidskracht zelve? Zoals we hebben gezien luidt het antwoord van het kapitaal op deze vragen: de arbeidsdag telt dagelijks de volle 24 uur, na aftrek van de weinige rusturen zonder welke de arbeidskracht absoluut niet in staat is haar werkzaamheden voort te zetten. Het spreekt dan ook vanzelf dat de arbeider tijdens zijn hele leven niets anders is dan arbeidskracht en dat derhalve alle, hem beschikbare tijd van nature en van rechtswege arbeidstijd is en dus gewijd dient te worden aan de meerwaardevorming van het kapitaal. Tijd voor menselijke beschaving, voor geestelijke ontwikkeling, voor de vervulling van sociale functies, voor maatschappelijk verkeer, voor het vrije spel van fysieke en geestelijke krachten, voor de zondagsrust, — en dit in het land van de Sabbat heiliging[104] — dit alles is beuzelarij! Maar in zijn teugelloze, blinde drift, zijn weerwolfgeeuwhonger naar meerarbeid rent het kapitaal niet alleen de zedelijke, maar ook de zuiver fysieke maximale grenzen van de arbeidsdag voorbij. Het kapitaal eigent zich de tijd toe voor de groei, de ontwikkeling en de gezonde instandhouding van het lichaam. Het kapitaal rooft de tijd, welke nodig is voor de consumptie van frisse lucht en zonneschijn. Het kapitaal knabbelt aan de maaltijd; zoveel mogelijk tracht men de maaltijden in het productieproces zelf in te passen, zodat de arbeider als een zuiver productiemiddel spijzen krijgt toegevoegd, zoals kolen voor de stoomketel of smeerolie voor de machines. De gezonde slaap, nodig voor de verzameling, vernieuwing en verfrissing van de krachten, wordt door het kapitaal gereduceerd tot zoveel uren verstijving als voor het weer in leven roepen van een absoluut uitgeput organisme onontbeerlijk is. In plaats dat de normale instandhouding van de arbeidskracht de grenzen van de arbeidsdag bepaalt, bepaalt omgekeerd de dagelijks zo groot mogelijke besteding van arbeidskracht — hoe krankzinnig gewelddadig en pijnlijk het ook moge zijn — de grenzen van de rusttijd van de arbeider. Het kapitaal vraagt niet naar de levensduur van de arbeidskracht. Het kapitaal is uitsluitend en alleen geïnteresseerd in het maximum aan arbeidskracht dat in één arbeidsdag vlottend kan worden gemaakt. Dit doel bereikt het kapitaal door verkorting van de duur van de arbeidskracht, zoals een inhalige boer de opbrengst van de grond verhoogt door het plegen van roofbouw op de vruchtbaarheid van de grond.
De kapitalistische productie, die in wezen productie is van meerwaarde, absorptie van meerarbeid, brengt door de verlenging van de arbeidsdag dus niet slechts het wegkwijnen met zich mee van de menselijke arbeidskracht, welke beroofd wordt van haar voorwaarden voor een normale zedelijke en fysieke ontwikkeling en voor de uitoefening van de functies; bovendien brengt de kapitalistische productie een versnelde uitputting en afsterving van de arbeidskracht zelve teweeg.[105] Deze kapitalistische productie verlengt gedurende een zekere periode de productietijd van de arbeider door verkorting van zijn levensduur.
Maar de waarde van de arbeidskracht omvat de waarde van de waren, welke nodig zijn voor de reproductie van de arbeider, dat wil zeggen voor de voortplanting van de arbeidersklasse. Wanneer dus door de tegennatuurlijke verlenging van de arbeidsdag — hetgeen het kapitaal door zijn mateloze drift tot zelfvermeerdering noodzakelijkerwijs nastreeft — de levensduur van de afzonderlijke arbeider en daardoor de duur van zijn arbeidskracht wordt verkort, zal een snellere vervanging nodig zijn, van hetgeen versleten is; we zien derhalve een toeneming van de slijtagekosten bij de reproductie van de arbeidskracht, evenals het dagelijks te reproduceren waardedeel van een machine groter wordt naarmate men die machine sneller verslijt. Het kapitaal schijnt dus in zijn eigen belang te zijn aangewezen op een normale arbeidsdag.
De slavenhouder koopt zijn arbeiders zoals hij een paard koopt. Wanneer hij een slaaf verliest, verliest hij een kapitaaldeel, dat hij door een nieuwe besteding op de slavenmarkt moet vervangen. Maar: ‘De rijstvelden van Georgië en de moerassen van Mississippi mogen op een fatale wijze schadelijk zijn voor de menselijke constitutie, nochtans is de vernietiging van menselijk leven niet zo groot of zij kan worden goedgemaakt uit de overvloedige reservoirs van Virginia en Kentucky. Overwegingen van economische aard, die nog een zekere waarborg konden bieden voor een menselijke behandeling van de slaven voor zover het belang van de meesters samenviel met het welzijn van de slaven, worden na de invoering van de slavenhandel omgekeerd de oorzaak van de meest extreme vernietiging van de slaven; immers zodra de slaaf door toevoer uit andere negerreservoirs kan worden vervangen, wordt zijn levensduur minder belangrijk dan zijn productiviteit tijdens zijn leven. In een op slavenarbeid gebaseerd economisch stelsel is het derhalve een stelregel dat in landen met een slaveninvoer de meest effectieve economie die is, waarbij de grootst mogelijke hoeveelheid arbeid in de kortst mogelijke tijd uit het menselijk vee (human cattle) wordt geperst. Juist in de tropische landbouw, waar de jaarlijkse winsten vaak gelijk zijn aan het totale kapitaal van de plantages, wordt het leven van de neger op de meest roekeloze wijze opgeofferd. Het is de West-Indische landbouw, sinds eeuwen de bron van fabelachtige rijkdommen, die miljoenen van het Afrikaanse ras heeft verslonden. Op het ogenblik is het in Cuba, waar de opbrengsten in miljoenen worden geteld en waar de planters vorsten zijn, dat we bij de slavenklasse behalve het grofste voedsel de meest uitputtende en onophoudelijke afbeuling zien en waar we door de langzame kwelling van overmatige arbeid en het gebrek aan slaap en rust een groot deel op directe wijze te gronde zien gaan.’[106]
Mutato nomine de te fabula narratur! (Indien de naam veranderd wordt, is het verhaal op uzelf van toepassing!) Lees in plaats van slavenmarkt arbeidsmarkt, in plaats van Kentucky en Virginia Ierland en de landbouwgebieden van Engeland, Schotland en Wales, in plaats van Afrika Duitsland! We hebben gezien hoe door de overmatige arbeid in Londen opruiming wordt gehouden onder de bakkers en desondanks is de Londense arbeidsmarkt voor het bakkersbedrijf voortdurend overladen met Duitse en andere ten dode opgeschrevenen. We zagen dat de pottenbakkerij een industrie is, waar het leven maar kort duurt. Ontbreekt het daarom aan arbeiders voor de aardewerkindustrie? Josiah Wedgwood, uitvinder van de moderne pottenbakkerij en van huis uit zelf een gewone arbeider, verklaarde in 1873 voor het Lagerhuis dat in deze bedrijfstak in totaal 15.000 à 20.000 personen werkzaam zijn.[107] In het jaar 1861 bedroeg alleen al de bevolking van de stedelijke centra van deze industrie in Groot-Brittannië 101.302 zielen. ‘De katoenindustrie bestaat 90 jaar. . . In de tijd van drie generaties van de Engelse natie heeft zij negen generaties katoenarbeiders verslonden.’[108] Toch vertoonde de arbeidsmarkt gedurende enkele perioden van koortsachtige bloei ernstige leemten, bijvoorbeeld in 1834. Maar de heren fabrikanten stelden toen de opzichters van het Armenwezen voor de ‘overtollige bevolking’ van de landbouwgebieden naar het noorden te sturen, waarbij zij verklaarden dat ‘de fabrikanten hen zullen absorberen en verbruiken.’[109] Dit waren hun eigen woorden. ‘Met goedvinden van de opzichters van het Armenwezen werden in Manchester agenten benoemd. Men maakte lijsten op van landarbeiders en deze lijsten werden aan de agenten toegezonden. De fabrikanten gingen naar de kantoren van de agenten en nadat zij daar hadden uitgezocht wat hun geschikt leek, werden de gezinnen vanuit het zuiden van Engeland overgestuurd. Deze pakketten mensen werden, zoals balen goederen, voorzien van etiketten per boot of wagen afgeleverd; enkelen kwamen te voet na en velen dwaalden verloren en half uitgehongerd in de industriegebieden rond. Dit alles ontwikkelde zich tot een ware tak van handel. Het Lagerhuis zal het nauwelijks kunnen geloven. Deze regelmatige handel, dit gesjacher in mensenvlees, bleef voortduren en deze lieden werden gekocht en verkocht, van de agenten in Manchester aan de fabrikanten in Manchester, even gewoon als in de zuidelijke staten de negers aan de katoenplanters werden verkocht. . . In het jaar 1860 bereikte de katoenindustrie een hoogtepunt. . . Men kwam weer arbeidskrachten te kort. De fabrikanten wendden zich opnieuw tot de agenten in vlees. . . en deze snuffelden in de duinen van Dorset, de heuvels van Devon en de vlakten van Wilts, maar de overtollige bevolking was reeds verbruikt.’ De Bury Guardian jammerde dat na het sluiten van het Engels-Frans handelsverdrag nog 10.000 arbeidskrachten konden worden opgenomen en dat daarna spoedig nog 30.000 tot 40.000 nodig zouden zijn. Nadat in 1860 de agenten en de subagenten in de vleeshandel met betrekkelijk weinig resultaten de landbouwgebieden hadden afgegraasd, ‘wendde een afvaardiging van fabrikanten zich tot de heer Villiers, voorzitter van de Raad voor het Armenwezen, met het verzoek wederom de aanvoer van kinderen van arme lieden en wezen uit de tehuizen toe te staan.’[110]
In het algemeen leert de ervaring de kapitalist dat de overbevolking bestendig is, dat wil zeggen overbevolking in verhouding tot de onmiddellijke behoeften van het kapitaal voor de vorming van meerwaarde, ofschoon de stroom van deze overbevolking wordt gevormd door wegkwijnende, vroeg stervende, elkaar snel verdringende, om zo te zeggen onrijp geplukte mensengeneraties.[111] Aan de andere kant leert de ervaring de intelligente waarnemer hoe snel en diep de kapitalistische productie — welke, historisch beschouwd, nauwelijks van gisteren dateert — de kracht van het volk aan de wortel heeft aangetast, hoe de degeneratie van de industriële bevolking slechts werd vertraagd door een onophoudelijke absorptie van natuurlijke elementen van het platteland en hoe zelfs de arbeiders van het platteland — ondanks het leven in de vrije natuur en ondanks dat bij hen het principle of natura) selection (principe van de natuurlijke selectie) zo’n universele werking bezit, zodat slechts de krachtigste individuen in het leven blijven — reeds beginnen weg te kwijnen.[112] Het kapitaal, dat zulke ‘goede redenen’ heeft om het lijden van de aanwezige arbeidersgeneratie te ontkennen, wordt in de praktijk door het vooruitzicht van een toekomstige verrotting van de mensheid en van een uiteindelijk niet tegen te houden ontvolking evenmin beroerd als door het vooruitzicht, dat de aarde mogelijk op de zon zou kunnen vallen. Bij elke beurszwendel weet iedereen dat het onweer eens moet losbarsten, maar een ieder hoopt dat het de kop van zijn naaste zal treffen nadat hij zelf de regen van goud heeft opgevangen en in veiligheid heeft gebracht. Après moi le déluge! (na mij de zondvloed!) is de leuze van iedere kapitalist en van iedere natie van kapitalisten. Waar het kapitaal niet door de maatschappij gedwongen wordt rekening te houden met de gezondheid en de levensduur van de arbeider, springt het dan ook roekeloos om met deze zaken.[113] Op de klachten over fysiek en geestelijke verval, vroegtijdige dood, marteling door overmatige arbeid antwoordt het kapitaal: Waarom moet deze kwelling ons kwellen, als zij ons genot (de winst) vergroot? Over het algemeen is dit ook niet afhankelijk van de goede of kwade wil van de individuele kapitalist. Ten gevolge van de vrije concurrentie vormen de immanente wetten van de kapitalistische productie voor de individuele kapitalist externe, dwingende wetten.[114]
De vaststelling van een normale arbeidsdag is het resultaat van een eeuwenlange strijd tussen kapitalist en arbeider. Toch geeft de geschiedenis van deze strijd twee tegengestelde stromingen te zien. Laten we bijvoorbeeld de Engelse fabriekswetgeving van onze tijd eens vergelijken met de Engelse arbeidsverordeningen sedert de veertiende eeuw tot ver in de eerste helft van de achttiende eeuw.[115] Terwijl de moderne fabriekswet de arbeidsdag onder legale dwang verkort, waren de verordeningen er juist op gericht de arbeidsdag onder legale dwang te verlengen. Zeker, de aanspraken van het kapitaal in zijn embryonale toestand — dus toen het kapitaal ontstond en nog niet alleen door het blote geweld van de economische verhoudingen maar ook met behulp van de staatsmacht zich het recht toeeigende om een voldoende hoeveelheid meerarbeid te absorberen — waren zeer bescheiden wanneer men ze vergelijkt met de concessies, die het kapitaal op latere leeftijd mokkend en met tegenzin moest doen. Het duurde eeuwen voordat de ‘vrije’ arbeider ten gevolge van de ontwikkelde kapitalistische productie er vrijwillig in toestemde, dat wil zeggen er maatschappelijk toe gedwongen werd, voor de prijs van zijn gebruikelijke bestaansmiddelen het totaal van zijn actieve leven, ja zelfs zijn arbeidsvermogen, zijn eerstgeboorterecht, voor een schotel linzen te verkopen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verlenging van de arbeidsdag, welke het kapitaal van het midden van de veertiende tot het einde van de zeventiende eeuw door middel van de staatsmacht de volwassen arbeiders trachtte op te dringen, ongeveer overeenkomt met de beperkingen van de arbeidstijd, welke in de tweede helft van de negentiende eeuw hier en daar van staatswege moesten worden opgelegd ten einde omzetting van kinderbloed in kapitaal te voorkomen. Wat bijvoorbeeld vandaag in de staat Massachusetts — tot voor kort de meest vrije staat van de Noord-Amerikaanse republiek — van staatswege is vastgesteld als uiterste grens van kinderarbeid beneden de 12 jaar, was in Engeland in het midden van de zeventiende eeuw nog de normale arbeidsdag van krachtige ambachtslieden, stevige boerenknechten en forse smeden.[116]
De eerste Statute of Labourers (23 Edward III, 1349) ontstond onder het directe voorwendsel (niet de oorzaak, want dit soort wetgeving zou nog eeuwen zonder dit voorwendsel blijven bestaan) van de grote pestepidemie, welke de bevolking decimeerde en waardoor — zoals een Tory schrijver het uitdrukt — ‘de moeilijkheid om tegen een redelijke prijs (dat wil zeggen een prijs, welke de gebruikers van de arbeid een redelijke hoeveelheid meerarbeid laat -M.) arbeiders aan het werk te zetten, inderdaad ondragelijk werd’.[117] Daarom werden redelijke arbeidslonen, evenals de grenzen van de arbeidsdag, bij wet vastgesteld. Dit laatste punt, waarmee we ons op het ogenblik bezighouden, werd in de verordening van 1496 (onder Henry VII) opnieuw geregeld. De arbeidsdag van alle artificers (handwerkslieden) en landarbeiders zou volgens deze verordening (welke een dode letter bleef) in de periode van maart tot september duren van ‘s ochtends 5 uur tot ‘s avonds tussen 7 en 8 uur, met de volgende schafttijden: 1 uur voor het ontbijt, 11/2 uur voor het middageten en een 1/2 uur voor een boterham in de namiddag, dus in totaal twee keer zoveel als onder de thans geldende fabriekswet.[118] ‘s Winters moest worden gewerkt van 5 uur in de ochtend totdat het donker werd, met dezelfde onderbrekingen voor de maaltijden. Een verordening van Elisabeth uit 1562 voor alle arbeiders, ‘gehuurd tegen een dag- of weekloon’, tastte de lengte van de arbeidsdag niet aan, maar trachtte het totaal van de schafttijden te beperken tot 21/2 uur ‘s zomers en 2 uur ‘s winters. Het middagmaal diende slechts een uur in beslag te nemen en ‘het middagslaapje van een 1/2 uur’ zou alleen worden toegestaan tussen half mei en half augustus. Voor ieder uur, dat men afwezig was, diende 1d. van het loon te worden afgetrokken. In de praktijk was de situatie van de arbeiders veel beter dan men, gezien deze verordeningen, zou vermoeden. De vader van de economische wetenschap en in zekere zin de uitvinder van de statistiek, William Petty, schrijft in een werk, dat tegen het einde van de zeventiende eeuw werd gepubliceerd: ‘Arbeiders (labouring men, waarmee toen eigenlijk landarbeiders werden bedoeld -M.) werken dagelijks 10 uur en gebruiken per week 20 maaltijden, namelijk 3 op de werkdagen en des zondags 2; hieruit volgt onmiddellijk dat, wanneer zij op vrijdagavond zouden vasten en in 11/2 in plaats van de 2 uren tussen 11 en 1 uur hun middagmaal zouden willen nuttigen, wanneer zij dus 1/20 meer zouden werken en 1/20 minder zouden besteden, de hierboven genoemde belasting zou kunnen worden opgebracht.’[119] Had dr. Andrew Ure geen gelijk, toen hij de 12-urenwet van 1833 bestempelde als een terugkeer tot de eeuw der duisternis? Het is waar dat de in de verordeningen en de door Petty vermelde bepalingen ook voor apprentices (leerlingen) golden, maar hoe het tegen het einde van de zeventiende eeuw nog met de kinderarbeid gesteld was blijkt duidelijk uit de volgende klacht: ‘Hier in Engeland voert onze jeugd, tot op het moment waarop zij leerlingen worden, helemaal niets uit; daarna hebben zij natuurlijk een lange tijd — zeven jaar — nodig om zich tot volmaakte handwerkslieden te ontplooien.’ Duitsland daarentegen wordt geprezen, omdat men daar de kinderen vanaf de wieg tenminste ‘een beetje aan het werken went’.[120]
Nog gedurende het grootste deel van de achttiende eeuw, tot aan het tijdperk van de grootindustrie, was het kapitaal in Engeland er niet in geslaagd door betaling van de wekelijkse waarde van de arbeidskracht de gehele week van de arbeiders (met uitzondering echter van de landarbeiders) te bemachtigen. Aangezien zij een hele week konden leven van het loon van 4 dagen bleek er voor de arbeiders geen voldoende reden te zijn om ook de resterende 2 dagen voor de kapitalist te werken. Een deel van de Engelse economen, in dienst van het kapitaal, veroordeelde deze eigenzinnigheid in de meest felle termen; een ander deel van de Engelse economen verdedigde de arbeiders. Laten we eens luisteren naar de polemiek tussen Postlethwayt (wiens Dictionary of Trade in zijn dagen dezelfde faam genoot als op het ogenblik gelijksoortige geschriften van MacCulloch en MacGregor) en de reeds eerder aangehaalde schrijver van de Essay on Trade and Commerce.[121]
Postlethwayt zegt onder andere: ‘Ik kan deze enkele opmerkingen niet besluiten zonder aandacht te schenken aan de triviale opmerking, welke men maar al te vaak kan horen, namelijk dat, indien de arbeider (industrious poor) in 5 dagen voldoende kan verdienen om in zijn onderhoud te voorzien, hij niet de volle 6 dagen wil werken. Hieruit leiden zij de noodzakelijkheid af om zelfs de meest noodzakelijke middelen van bestaan door belastingen of op welke andere wijze dan ook duurder te maken ten einde de handwerkslieden en de manufactuurarbeiders te dwingen tot een onafgebroken arbeid van 6 dagen per week. Ik ben zo vrij er een andere mening op na te houden dan deze grote politici, die een lans breken voor de eeuwigdurende slavernij van het werkvolk (the perpetual slavery of the working people) van dit koninkrijk; zij vergeten het spreekwoord: all work and no play (alleen maar arbeid en geen spel maakt dom). Beroemen de Engelsen zich niet op de vindingrijkheid en vaardigheid van hun handwerkslieden en manufactuurarbeiders, waaraan tot nu toe de Britse waren in het algemeen hun goede naam en faam te danken hebben? Hoe kwam dat? Waarschijnlijk dank zij de eigen wijze, waarop onze arbeidende bevolking zich weet te ontspannen en te vermaken. Indien zij gedwongen zouden worden het gehele jaar door 6 dagen per week in voortdurende herhaling hetzelfde werk te doen, zou dan niet hun vindingrijkheid afstompen en zouden zij dan niet dom en traag worden in plaats van vrolijk en vaardig? En zouden onze arbeiders door zulk een eeuwige slavernij niet hun reputatie verliezen in plaats van deze op te houden. . . Welk een bekwaamheid zouden we kunnen verwachten van zulke afgebeulde dieren (hard-driven animals)?. . . Velen van hen verrichten in 4 dagen evenveel arbeid als een Fransman in 5 of 6 dagen. Maar indien de Engelsen eeuwige ploeteraars moeten worden, dan moet men vrezen dat zij nog meer dan de Fransen zullen ontaarden (degenerate). Wanneer ons volk beroemd is om zijn dapperheid in de oorlog, zeggen wij dan niet dat dit enerzijds te danken is aan de goede Engelse roast beef en pudding in hun buik, maar anderzijds niet minder aan onze constitutionele geest van vrijheid? En waarom zouden de grotere vindingrijkheid en behendigheid van onze handwerkslieden en manufactuurarbeiders niet te danken zijn aan de vrijheid, waarmee zij zich op hun eigen wijze mogen ontspannen? Ik hoop dat zij nimmer deze voorrechten zullen verliezen, noch het goede leven, waaruit zowel hun vindingrijkheid als hun moed voortspruiten’![122]
Daarop antwoordt de schrijver van de Essay on Trade and Commerce:
‘Wanneer het als een Goddelijke instelling geldt dat op iedere zevende dag van de week wordt gerust, dan brengt dit met zich mee dat de overige dagen van de week toebehoren aan de arbeid (hij bedoelt het kapitaal, zoals we direct zullen zien -M.) en men kan niet beweren dat het wreed is om aan dit Goddelijk gebod de hand te houden. . . Dat de mensheid in het algemeen van nature neigt tot gemakzucht en vadsigheid ervaren wij op noodlottige wijze in het gedrag van het arbeidersgespuis, dat gemiddeld niet meer dan 4 dagen per week werkt, tenzij men de levensmiddelen in prijs laat stijgen. . . Laten we eens veronderstellen dat alle levensmiddelen van de arbeider worden vertegenwoordigd door een schepel tarwe, dat verder een schepel tarwe 5s. kost en dat de arbeider per dag 1s.: verdient. Hij hoeft dan slechts 5 dagen per week te werken; zou de schepel tarwe 4s. kosten, dan hoefde hij maar 4 dagen te werken. . . Aangezien het arbeidsloon in dit land, vergeleken met de prijs van de levensmiddelen, veel hoger ligt beschikt de manufactuurarbeider, die 4 dagen werkt, over een surplus aan geld, waarmee hij de rest van de week kan luieren. . . Ik hoop voldoende gezegd te hebben om duidelijk te maken dat matige arbeid gedurende 6 dagen per week geen slavernij is. Onze landarbeiders doen dat en naar het zich laat aanzien zijn zij de gelukkigste onder alle arbeiders (labouring poor),[123] maar de Hollanders doen het in de manufactuur en zij schijnen een gelukkig volk te zijn. De Fransen doen het, voor zover zij daarbij door de vele feestdagen niet worden gehinderd.[124]. . . Maar ons gepeupel heeft het zich in zijn hoofd gehaald dat hen als Engelsen, krachtens hun geboorte, het privilege toekomt vrijer en onafhankelijker te zijn dan (de arbeiders) in enig ander Europees land. Nu mag dit idee, voor zover het de dapperheid van onze soldaten betreft, van enig nut zijn, maar hoe minder de manufactuurarbeiders er van af weten, des te beter het is voor hen zelf en voor de staat. Arbeiders dienen zich nimmer onafhankelijk van hun meerderen (independent of their superiors) te beschouwen. . . In een handelsland als het onze, waar wellicht 7/8 van de totale bevolking lieden zijn met weinig of geen bezit, is het buitengewoon gevaarlijk het gepeupel aan te moedigen[125]. . . De genezing zal niet volkomen zijn voordat onze werkende armen er in toestemmen 6 dagen voor dezelfde som geld te werken als zij nu in 4 dagen verdienen.’[126] Voor dit doel — en eveneens om te komen tot ‘uitroeiing van leegloperij, uitspattingen en romantische vrijheidsdromen’ en ook tot ‘vermindering van de armenlasten, aanwakkering van een geest van vlijt en verlaging van de prijs van de arbeid in de manufactuur’ — komt onze trouwe hoeder van het kapitaal met het probate middel dergelijke arbeiders, die ten laste van de openbare liefdadigheid vallen, kortom de paupers, op te sluiten in een ‘ideaal werkhuis’ (an ideal workhouse). ‘Van een dergelijk huis moet men een huis der verschrikking (house of terror) maken.[127] In dit “huis der verschrikking”, dit “ideale werkhuis”, dient dagelijks 14 uur gewerkt te worden, met inbegrip van passende schafttijden, zodat 12 volle arbeidsuren overblijven.’[128]
In 1770 twaalf arbeidsuren per dag in het ideal workhouse, in het huis der verschrikking! Drieënzestig jaar later, in 1833, toen het Engelse parlement in vier industrietakken de arbeidsdag voor kinderen in de leeftijd van 13 tot 18 jaar beperkte tot 12 volle arbeidsuren, leek het of de jongste dag van de Engelse industrie was aangebroken! In 1852, toen Louis Bonaparte bij de bourgeoisie een wit voetje trachtte te halen door aan de wettelijke arbeidsdag te morrelen, riep het Franse volk eenstemmig: ‘De wet, die de arbeidsdag tot 12 uur beperkt, is het enige goede dat ons van de wetgeving der Republiek is gebleven!’[129] In Zürich is de arbeid van kinderen boven de 10 jaar tot 12 uur beperkt; in Aargau werd in 1862 de arbeid van kinderen tussen 13 en 16 jaar van 121/2 uur teruggebracht tot 12 uur en in Oostenrijk werd in 1860 de arbeid van kinderen tussen 14 en 16 jaar eveneens tot 12 uur teruggebracht.[130] Welk een ‘vooruitgang sinds 1770’, zou Macaulay met exultation hebben uitgeroepen!
Het ‘huis der verschrikking’ voor paupers, waarvan in 1770 de ziel van het kapitaal nog droomde, ontstond een aantal jaren later in de vorm van een gigantisch ‘werkhuis’ voor de manufactuurarbeiders zelf. Men noemde het: fabriek. En dit keer verbleekte het ideaal bij de werkelijkheid.
Nadat het kapitaal eeuwen nodig had gehad om de arbeidsdag te verlengen tot zijn normale uiterste grens en om daarna deze grens te overschrijden tot de natuurlijke dag van 12 uur,[131] volgde nu, na het ontstaan van de grootindustrie tegen het einde van de achttiende eeuw, een mateloze overschrijding der grenzen, die het geweld van een lawine bezat. Alle grenzen van gewoonte en natuur, leeftijd en geslacht, dag en nacht, werden te buiten gegaan. Zelfs de begrippen dag en nacht, welke met een landelijke eenvoud in de oude verordeningen waren omschreven, werden zo vaag dat nog in 1860 een Engelse rechter een waarlijk talmoedische scherpzinnigheid aan de dag moest leggen om op ‘oordeelkundige wijze’ te kunnen verklaren wat onder dag en nacht werd verstaan.[132] Het kapitaal vierde zijn orgieën.
Zodra de arbeidersklasse, verdoofd door het geraas van de productie, weer enigszins tot bezinning was gekomen, begon zij weerstand te bieden, allereerst in het geboorteland van de grootindustrie, Engeland. Gedurende dertig jaren echter bleven de door haar afgedwongen concessies slechts theorie. Het parlement nam in de periode 1802-33 vijf arbeidswetten aan, maar men was wel zo slim om geen cent uit te trekken voor de legale uitvoering er van, voor de aanstelling van de noodzakelijke ambtenaren, enzovoort.[133] De wetten bleven een dode letter. ‘De feiten lagen zo dat men vóór de wet van 1833 kinderen en jongeren de hele nacht, de hele dag of beide ad libitum (naar welgevallen) liet werken.’[134]
De normale arbeidsdag in de moderne industrie dateert pas van de fabriekswet van 1833; deze was van toepassing op de katoen-, wol-, vlas- en zijdefabrieken. Niets kenmerkt de geest van het kapitaal zo goed als de geschiedenis van de Engelse fabriekswetgeving in de periode 1833-64!
Volgens de wet van 1833 behoorde de gewone arbeidsdag in de fabriek te beginnen om 5.30 uur ‘s ochtends en te eindigen om 8.30 uur ‘s avonds; binnen deze grenzen — een tijdsduur van 15 uur — was het toegestaan jongeren (dat wil zeggen personen tussen 13 en 18 jaar) onverschillig welk deel van de dag te laten werken, met dien verstande echter dat dezelfde jeugdige persoon op één en dezelfde dag niet meer dan 12 uur mocht werken, uitgezonderd enkele met name genoemde gevallen. Artikel 6 van deze wet bepaalde ‘dat in de loop van iedere dag aan dergelijke personen met beperkte arbeidstijd tenminste 11/2 uur zal worden toegestaan voor het nuttigen van de maaltijden’. Het laten werken van kinderen onder de 9 jaar werd — met later te noemen uitzonderingen — verboden; de arbeid van kinderen tussen 9 en 13 jaar werd beperkt tot 8 uur per dag. Nachtarbeid (dat wilde volgens deze wet zeggen: arbeid tussen 8.30 uur ‘s avonds en 5.30 uur ‘s ochtends) werd voor alle personen tussen 9 en 18 jaar verboden.
De wetgevers waren allerminst van plan de vrijheid van het kapitaal om de volwassen arbeidskracht uit te zuigen of — zoals zij het noemden — ‘de vrijheid van de arbeid’ aan te tasten; daarom broedden zij een systeem uit om dergelijke afschuwelijke gevolgen van de fabriekswet te voorkomen.
‘Het grote euvel van het huidige fabriekssysteem,’ zo lezen wij in het eerste rapport van de Centrale Raad van de Commissie van 25 juni 1833, ‘is dat het de noodzaak met zich meebrengt de arbeid van kinderen te verlengen tot de langst mogelijke arbeidsdag der volwassenen. Behalve beperking van de arbeid van volwassenen — waardoor men een euvel in het leven zou roepen dat groter is dan men wil voorkomen — schijnt het enige geneesmiddel het plan te zijn, dubbele groepen kinderen te laten werken.’ Dit ‘plan’ werd uitgevoerd onder de benaming van system of relays (zowel in het Engels als in het Frans betekent relay het wisselen van postpaarden op de verschillende stopplaatsen), zodat bijvoorbeeld van 5.30 ‘s ochtends tot 1.30 uur ‘s middags de ene groep kinderen tussen 9 en 13 jaar wordt voorgespannen en van 1.30 ‘s middags tot 8.30 uur ‘s avonds een andere groep, enzovoort.
Om de heren fabrikanten te belonen voor het feit dat zij alle wetten over de kinderarbeid, die gedurende de afgelopen tweeëntwintig jaar waren afgekondigd, op de meest brutale wijze hadden genegeerd, werd ook nu voor hen de pil verguld. Het Parlement bepaalde dat na 1 maart 1834 geen kinderen onder de 11 jaar, na 1 maart 1835 geen kinderen onder de 12 jaar en na 1 maart 1836 geen kinderen onder de 13 jaar langer dan 8 uur in een fabriek zouden mogen werken! Dit ‘liberalisme’, dat het ‘kapitaal’ zo gaarne ontzag, was des te prijzenswaardiger als men nagaat dat dr. Farre, Sir. A. Carlisle, Sir B. Brodie, Sir C. Bell, de heer Guthrie, enzovoort, kortom de beroemdste artsen en chirurgen van Londen, in hun getuigenverklaringen voor het Lagerhuis het periculum in mora (er is gevaar bij uitstel) hadden uitgesproken! Dr. Ferre drukte zich nog wat scherper uit: ‘Wetgeving is vereist ter voorkoming van de dood, onverschillig de vorm, waarin dood voortijdig kan worden veroorzaakt; en zeker deze vorm (de vorm van de fabriek -M.) moet worden beschouwd als de wreedste wijze van het veroorzaken van de dood.’[135] Ditzelfde ‘verlichte’ Parlement, dat uit fijngevoeligheid jegens de heren fabrikanten nog jarenlang kinderen beneden de 13 jaar veroordeelde tot de hel van 72 uur fabrieksarbeid per week, verbood daarentegen in de Emancipation Act, die ook al druppelsgewijs de vrijheid toediende, de planters zonder meer een negerslaaf langer dan 45 uur per week te laten werken!
Maar geenszins verzoend, begon het kapitaal nu met een luidruchtige agitatie, die vele jaren duurde. Deze agitatie ging voornamelijk om de leeftijd van de categorie ‘kinderen’, die niet langer dan 8 uur mocht werken en die aan een zekere schoolplicht onderworpen was. Volgens de kapitalistische antropologie eindigde de kinderleeftijd met het 10e, hooguit met het 11e jaar. Hoe meer het tijdstip van de volledige uitvoering van de fabriekswet, het noodlottige jaar 1836, naderde, des te luidruchtiger raasde de fabrikantenkliek. En inderdaad gelukte het de fabrikantenbende de regering zozeer te intimideren, dat deze in 1835 voorstelde de limiet van de kinderleeftijd te verlagen van 13 tot 12 jaar. Inmiddels nam de pressure from without (druk van buitenaf) een dreigende vorm aan. Het Lagerhuis werd bang en weigerde 13-jarigen langer dan 8 uur dagelijks aan de moloch van het kapitaal te offeren: de wet van 1833 trad volledig in werking. Deze wet bleef ongewijzigd tot juni 1844.
Gedurende de tien jaren, waarin deze wet eerst gedeeltelijk, ten slotte volledig de fabrieksarbeid regelde, wemelden de officiële rapporten der fabrieksinspecteurs van klachten over de onmogelijkheid van toepassing van de wet. Aangezien namelijk de wet van 1833 de heren van het kapitaal vrijliet om iedere ‘jongere persoon’ en ieder ‘kind’ gedurende de 15-urige periode van 5.30 uur ‘s ochtends tot 8.30 uur ‘s avonds op onverschillig welk tijdstip de 12-urige, respectievelijk 8-urige arbeid te laten aanvangen, onderbreken en beëindigen en eveneens om aan verschillende personen verschillende schafttijden aan te wijzen, vonden de heren al spoedig een nieuw system of relays uit, waarbij de werkpaarden niet op bepaalde stopplaatsen werden verwisseld, maar op verschillende stopplaatsen steeds weer opnieuw werden voorgespannen. We zullen hier niet lang bij de schoonheid van dit systeem stilstaan, omdat we er later toch nog over moeten spreken. Maar we zien onmiddellijk dat dit systeem niet alleen met de geest, maar ook met de letter van de gehele fabriekswet in strijd was. Hoe zouden de fabrieksinspecteurs met een dergelijke, gecompliceerde boekhouding over ieder afzonderlijk kind en over iedere jongere persoon de wettelijk bepaalde arbeidstijd en de toewijzing van de wettelijk vastgestelde schafttijden kunnen afdwingen? In een groot deel van de fabrieken bloeide spoedig het oude meedogenloze misbruik weer ongestraft op. Tijdens een bijeenkomst met de Minister van Binnenlandse Zaken (1844) toonden de fabrieksinspecteurs aan dat iedere vorm van controle onder het nieuw bedachte system of relays onmogelijk was.[136] Inmiddels echter waren de omstandigheden in belangrijke mate gewijzigd. Vooral sinds 1838 hadden de fabrieksarbeiders de 10-urenwet als economische eis gesteld, zoals het Charter hun politieke eis was. Zelfs de fabrikanten, die hun bedrijven wél in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 1833 hadden georganiseerd, overstroomden het Parlement met memoranda over de onzedelijke ‘concurrentie’ van hun ‘valse broeders’, die door grotere brutaliteit of door gunstiger plaatselijke omstandigheden de wet konden schenden. Daarbij kwam dat, hoezeer de individuele fabrikant nog steeds de oude roofzucht vrije teugel zou willen laten, de woordvoerders en de politieke leiders van de fabrikantenklasse er op aandrongen tegenover de arbeiders een andere houding aan te nemen en een andere toon aan te slaan. Zij hadden een begin gemaakt met de strijd voor afschaffing van de graanwetten en om de overwinning te behalen hadden zij de steun van de arbeiders nodig! Zij beloofden daarom onder het Duizendjarige Rijk van de Free Trade (vrijhandel) niet alleen twee maal zoveel brood, maar ook het aanvaarden van de 10-urenwet.[137] Zij konden derhalve niet goed een maatregel bestrijden die slechts de wet van 1833 effectief zou maken. Bedreigd in hun heiligste belang, de grondrente, fulmineerden de Tories eindelijk filantropisch verontwaardigd tegen de ‘infame praktijken’[138] van hun vijanden.
Op deze wijze kwam de aanvullende fabriekswet van 7 juni 1844 tot stand. Zij werd op 10 september 1844 van kracht. Deze wet bracht een nieuwe categorie arbeiders onder de groep van de beschermde arbeiders, namelijk de vrouwen boven de 18 jaar. Zij werden in ieder opzicht gelijkgesteld met de jongere personen: beperking van de arbeidstijd tot 12 uur, verbod van nachtarbeid, enzovoort. Voor de eerste keer was de wetgever dus gedwongen ook de arbeid van volwassenen rechtstreeks en officieel te controleren. In het rapport over de fabrieken van 1844-45 schrijft men ironisch: ‘Ons is geen enkel geval ter kennis gekomen waarin volwassen vrouwen zich beklaagden over deze inmenging in hun rechten.’[139] De arbeid van kinderen onder de 13 jaar werd beperkt tot 62 uur, onder bepaalde voorwaarden tot 7 uur per dag.[140]
Om de misbruiken van het ergerlijke system of relays te voorkomen, werden in de wet onder meer de volgende belangrijke kwesties geregeld: ‘De arbeidsdag voor kinderen en jongere personen wordt geacht aan te vangen op het tijdstip, waarop enig kind of jongere persoon in de fabriek met het werk begint.’ Zodat wanneer bijvoorbeeld A om 8 uur ‘s morgens begint te werken en B om 10 uur, de arbeidsdag van B toch op hetzelfde tijdstip moet eindigen als voor A. Het begin van de arbeidsdag moet worden aangegeven door een openbaar uurwerk (bijvoorbeeld de klok van het dichtstbijzijnde station), waarmee de fabrieksklok gelijk moet lopen. De fabrikant moet een duidelijk leesbare kennisgeving in de fabriek ophangen met vermelding van aanvang, einde en onderbrekingen van de arbeidsdag. Kinderen, die hun arbeid vóór 12 uur ‘s middags aanvangen, mogen niet weer nat uur ‘s middags aan het werk worden gezet. De middagploeg moet dus uit andere kinderen bestaan dan de ochtendploeg. De 11/2 uur schafttijd moet aan alle beschermde arbeiders op hetzelfde tijdstip worden gegeven en tenminste 1 uur daarvan moet vóór 3 uur ‘s middags worden gegeven. Kinderen of jongere personen mogen vóór 1 uur ‘s middags niet langer dan 5 uur werken zonder een schafttijd van ten minste een 1/2 uur. Kinderen, jongere personen en vrouwen mogen gedurende geen enkele schafttijd in een fabriekslokaal blijven waar een arbeidsproces gaande is, enzovoort.
We hebben gezien dat deze minutieuze bepalingen, die tijdsduur, grenzen en onderbrekingen van de arbeid op zo’n militair-gelijkvormige wijze volgens de klokslag regelen, geenszins het resultaat waren van parlementair gefantaseer. Deze bepalingen ontwikkelden zich langzamerhand uit de verhoudingen, als de natuurwetten van de moderne productiewijze. Hun formulering, officiële erkenning en legale afkondiging waren het resultaat van een langdurige klassenstrijd. Eén van de eerste gevolgen van deze bepalingen was, dat ook de arbeidsdag van de volwassen mannelijke fabrieksarbeiders in de praktijk aan dezelfde beperkingen onderworpen was, aangezien voor de meeste productieprocessen samenwerking met kinderen, jongere personen en vrouwen onontbeerlijk was. Over het geheel gezien was derhalve de 12-urige arbeidsdag in de periode 1844-47 algemeen en uniform van kracht in alle takken van industrie, die onder de fabriekswetgeving vielen.
De fabrikanten stonden deze ‘stap vooruit’ echter niet toe zonder een compenserende ‘stap achteruit’. Op hun aansporen bracht het Lagerhuis de minimumleeftijd, waarop men kinderen mocht laten werken, terug van 9 jaar tot 8 jaar, ter verzekering van de van God- en rechtswege aan het kapitaal verschuldigde ‘extra toevoer van fabriekskinderen.’[141]
De jaren 1846-47 luidden in de economische geschiedenis van Engeland een nieuw tijdvak in. Herroeping van de graanwetten, afschaffing van de invoerrechten op katoen en andere grondstoffen, de vrijhandel verklaard tot richtsnoer van de wetgeving! Kortom: het Duizendjarige Rijk was aangebroken. Aan de andere kant bereikten in dezelfde jaren de chartistenbeweging en de agitatie voor de 10-urenwet hun hoogtepunt; zij vonden bondgenoten in de op wraak beluste Tories. Ondanks fanatieke tegenstand van het ontrouwe leger der vrijhandelaars, met Bright en Cobden voorop, werd de zo lang nagestreefde 10-urenwet door het Parlement aangenomen.
De nieuwe fabriekswet van 8 juni 1847 bepaalde dat op 1 juli 1847 een voorlopige verkorting van de arbeidsdag tot 11 uur zou ingaan voor ‘jongere personen’ (tussen de 13 en 18 jaar) en voor alle vrouwelijke werkkrachten, maar op 1 mei 1848 de definitieve beperking tot 10 uur. Voor het overige was de wet alleen een geamendeerde uitbreiding van de wetten van 1833 en 1844.
Het kapitaal ondernam nu een voorlopige veldtocht om de volledige uitvoering van de wet van 1 mei 1848 te verhinderen. En wel zo, dat de arbeiders zelf — zogenaamd door ervaring wijs geworden — zouden helpen hun eigen werk te vernietigen. Het tijdstip was slim gekozen. ‘Men moet niet vergeten dat ten gevolge van de vreselijke crisis van 1846-47 grote ellende heerste onder de fabrieksarbeiders, aangezien in vele fabrieken slechts korte arbeidstijden werden gemaakt en in sommige fabrieken helemaal niet was gewerkt. Een aanzienlijk aantal arbeiders bevond zich daardoor in zeer benarde omstandigheden en velen van hen zaten met schulden. Men kon daarom met vrij grote zekerheid aannemen dat zij de voorkeur zouden geven aan een langere arbeidstijd om de geleden verliezen weer goed te maken, wellicht schulden af te betalen, hun meubels uit de bank van lening terug te halen, verkochte bezittingen te vervangen of voor zichzelf en voor hun gezinnen nieuwe kledingstukken aan te schaffen.’[142] De heren fabrikanten trachten de natuurlijke uitwerking van deze situatie te versterken door een algemene loonsverlaging van 10 %. Dit geschiedde om zo te zeggen ter inwijding van het nieuwe tijdperk van de vrijhandel. Toen de arbeidsdag tot 11 uur werd verkort, volgde een tweede loonsverlaging met 81/3 % en toen de arbeidsdag tenslotte tot 10 uur werd beperkt, kwam nogmaals eenzelfde loonsverlaging tot stand. Waar de omstandigheden het dus toelieten, had een loonsverlaging plaats van ten minste 25 %.[143] Onder deze zo gunstig voorbereide situatie begon men onder de arbeiders een actie voor de intrekking van de wet 1847. Men versmaadde daarbij geen middel van bedrog, verleiding of bedreiging; het was echter allemaal tevergeefs. Wat betreft het halve dozijn verzoekschriften, waarin men de arbeiders liet klagen over ‘hun onderdrukking door de wet’, verklaarden de verzoekers zelf tijdens een mondeling verhoor dat hun handtekeningen waren afgedwongen. ‘Zij voelden zich onderdrukt, maar niet door de fabriekswet.’[144] Toen het de fabrikanten echter niet gelukte de arbeiders in hun geest te laten spreken, schreeuwden zij zelf namens de arbeiders des te harder in de pers en in het Parlement. Zij beschuldigden er de fabrieksinspecteurs van zich te gedragen als een soort commissarissen van de Conventie, die de ongelukkige arbeiders op onbarmhartige wijze opofferden aan hun grillen van wereldverbetering. Ook deze manoeuvre mislukte. Fabrieksinspecteur Leonhard Horner nam in eigen persoon en met zijn onderinspecteurs in de fabrieken van Lancashire talrijke getuigenverhoren af. Ongeveer 70 % van de ondervraagde arbeiders spraken zich uit voor 10 uur, een veel kleiner percentage voor 11 uur en een totaal onbelangrijke minderheid voor de vroegere 12 uur.[145]
Een andere ‘aardige’ manoeuvre was om de volwassen mannelijke arbeiders 12 tot 15 uur te laten werken en dan dit feit rond te bazuinen als de ware uitdrukking van de hartenwens der proletariërs. Maar de ‘onbarmhartige’ fabrieksinspecteur Leonhard Horner was weer ter plaatse. Het grootste deel der arbeiders met ‘overuren’ verklaarde dat ‘zij er verreweg de voorkeur aan zouden geven 10 uur te werken tegen een lager arbeidsloon, maar zij hadden geen keus; zovelen van hen waren werkloos, zoveel spinners waren gedwongen tegen stukloon te werken, dat — indien zij de langere arbeidstijd niet accepteerden — anderen onmiddellijk hun plaats zouden innemen, waardoor voor hen het probleem was: óf langer werken óf op straat worden gezet.’[146]
De voorlopige veldtocht van het kapitaal was op niets uitgelopen en op 1 mei 1848 werd de 10-urenwet van kracht. Inmiddels echter had het fiasco van de chartistenpartij, wier leiders in de gevangenis waren geworpen en waarvan de organisatie was vernietigd, reeds het zelfvertrouwen van de Engelse arbeidersklasse aangetast. Spoedig daarop, na de Juniopstand in Parijs en de bloedige onderdrukking daarvan, verenigden zich, zowel op het Europese vasteland als in Engeland, alle groepen van de heersende klasse, grondbezitters en kapitalisten, beurswolven en winkeliers, protectionisten en vrijhandelaars, regering en oppositie, papen en vrijdenkers, jonge hoeren en oude nonnen, onder de gemeenschappelijke leuze eigendom, religie en maatschappij te redden! De arbeidersklasse werd overal vogelvrij verklaard, in de ban gedaan, onder de loi des suspects (wet der verdachten) gesteld. De heren fabrikanten behoefden zich dan ook niet te generen. Zij kwamen openlijk in verzet, niet alleen tegen de 10-urenwet, maar tegen de gehele wetgeving, waarmee men sinds 1833 de ‘vrije’ uitzuiging van de arbeidskracht enigermate had trachten te beteugelen. Het was een pro-slavery rebellion (rebellie ten gunste van de slavernij) in miniatuur, welke langer dan twee jaar werd gestreden met cynische onverbiddelijkheid en gewelddadige energie; dit was voor de rebellerende kapitalist des te gemakkelijker, omdat hij niets anders op het spel zette dan de huid van zijn arbeiders.
Tot goed begrip van hetgeen volgt moeten we ons herinneren: dat de fabriekswetten van 1833, 1844, en 1847 alle drie van kracht waren voor zover de ene de andere niet had gewijzigd, dat geen van deze wetten de arbeidsdag van mannelijke arbeiders boven de 18 jaar beperkte en dat sinds 1833 de 15-urige periode van 5.30 uur ‘s ochtends tot 8.30 uur ‘s avonds de wettelijk vastgestelde ‘dag’ bleef, waarbinnen de jongere personen en de vrouwen onder de voorgeschreven bepalingen aanvankelijk de 12-urige, later de 10-urige arbeid moesten verrichten.
De fabrikanten begonnen hier en daar een deel, meestal de helft, van de door hen in dienst genomen jongere personen en vrouwelijke arbeidskrachten te ontslaan en stelden daarentegen de bijna verdwenen nachtarbeid weer in voor de volwassen mannelijke arbeiders. De 10-urenwet, zo riepen zij uit, liet hen geen andere keus toe![147]
De tweede stap had betrekking op de wettelijk vastgestelde onderbrekingen voor de maaltijden. Laten we luisteren naar de fabrieksinspecteurs: ‘Sinds de beperking van het aantal arbeidsuren tot tien beweren de fabrikanten — hoewel ze dit in de praktijk nog niet tot de uiterste consequentie hebben doorgevoerd — dat, indien bijvoorbeeld van 9 uur ‘s ochtends tot 7 uur ‘s avonds wordt gewerkt, zij aan de wettelijke voorschriften voldoen wanneer zij 1 uur aan schafttijd vóór 9 uur ‘s ochtends geven en een 1/2 uur ná 7 uur ‘s avonds, in totaal dus 11/2 uur aan schafttijd. In enkele gevallen staan zij nu een half of een heel uur toe voor het middageten, maar ze leggen er tegelijkertijd de nadruk op, dat zij volstrekt niet verplicht zijn enig deel van de 11/2 uur in de periode van de 10-urige arbeidsdag te laten vallen.’[148] De heren fabrikanten beweerden dus dat de uiterst nauwkeurig omschreven bepalingen van de wet van 1844 wat betreft de schafttijden de arbeiders slechts toestonden vóór hun komst en na hun vertrek uit de fabriek, dus thuis, te eten en te drinken! En waarom zouden de arbeiders ook niet vóór 9 uur ‘s ochtends hun middagmaal gebruiken? De rijksadvocaten beslisten echter dat de voorschreven schafttijden ‘gedurende de onderbrekingen van de werkelijke arbeidsdag dienen te worden gegeven en dat het in strijd met de wet is tien uren achtereen, van 9 uur ‘s ochtends tot 7 uur ‘s avonds, zonder onderbreking te laten werken’.[149]
Na deze gemoedelijke demonstraties zette het kapitaal zijn rebellie in met een stap die niet in strijd was met de letter van de wet en die dus legaal was.
De wet van 1844 verbood weliswaar kinderen van 8 tot 13 jaar, die vóór 12 uur ‘s middags aan het werk waren gezet, na 1 uur ‘s middags weer te laten werken, maar de wet regelde op geen enkele wijze de 62-urige arbeid van de kinderen, die om 12 uur ‘s middags of later begonnen te werken. Kinderen van 8 jaar kon men dus, wanneer hun arbeid om 12 uur ‘s middags begon, laten werken van 12 tot 1: 1 uur; van 2 tot 4 ‘s middags: 2 uren; van 5 tot 8.30 uur: 31/2 uur. Alles bij elkaar dus de wettelijk toegestane 61/2 uur! Of nog beter: om het gebruik van hun arbeid tot 8.30 uur ‘s avonds aan te passen aan de arbeid van volwassen mannen, was het niet nodig dat de fabrikanten hen vóór 2 uur ‘s middags aan het werk zetten, waardoor de fabrikanten hen zonder onderbreking tot 8.30 uur ‘s avonds in de fabriek konden houden! ‘En het wordt nu uitdrukkelijk toegegeven dat onlangs, ten gevolge van de hebzucht der fabrikanten om hun machines langer dan 10 uur te laten lopen, in Engeland de gewoonte is ontstaan kinderen van 8 tot 13 jaar van beiderlei kunne, na verwijdering van alle jongere personen en vrouwen uit de fabriek, alleen met volwassen mannen tot 8.30 uur ‘s avonds te laten werken.’[150] Arbeiders en fabrieksinspecteurs protesteerden uit hygiënische en zedelijke overwegingen. Maar het kapitaal antwoordde:
Inderdaad waren volgens de statistische gegevens, die op 26 juli 1850 aan het Lagerhuis werden voorgelegd, ondanks alle protesten, op 15 juli 1850 3.742 kinderen in 275 fabrieken aan dit ‘gebruik’ onderworpen.[151] En nog was het niet voldoende! Het scherpe oog van het kapitaal ontdekte dat de wet van 1844 geen 5-urige arbeid in de ochtend toestond zonder een onderbreking van tenminste een 1/2 uur voor verfrissing, maar dat hieromtrent voor de middagarbeid niets was voorgeschreven. Het kapitaal eiste en dwong daarmee het genot af, 8-jarige arbeiderskinderen niet slechts onafgebroken van 2 uur tot 8.30 uur ‘s avonds te laten ploeteren, maar ook nog te laten hongeren!
. . .Ja, zijn borst
Zoo zegt mijn stuk [152]
[Noot van de vertaler: Uit Shakespeare’s De Koopman van Venetië, in de verta