V.I. Lenin

Over de houding van de arbeiderspartij tegenover godsdienst


Geschreven: 13 (26) mei, 1909
Eerste publicatie: Proletary, No. 45, 13 (26) mei, 1909
Originele transcriptie naar HTML: Geert Cool, voor www.marxisme.net
Deze versie: Marxists Internet Archive, november 2003, verzorgd door Maarten Vanheuverswyn


Verwant:
De oorsprong van het christendom
De kerk en het socialisme
Sociaaldemocratie, godsdienst en kerk
Bloed en Purper
Kunst en Religie
Het belang en de methodes van antireligieuze propaganda
Waarom ik vrijzinnig ben?
Een overgang tot het socialisme
Het wezen van het christendom
Het joodse vraagstuk
Het wezen van de menselijke hoofdarbeid
Socialisme en godsdienst

De redevoering van afgevaardigde Soerkov in de Staatsdoema bij de behandeling van de begroting van de Synode en de hieronder gepubliceerde discussie in onze Doema-fractie bij het bespreken van het ontwerp van die redevoering, hebben een juist nu uiterst belangrijke en actuele kwestie opgeworpen. Belangstelling voor alles wat met de godsdienst samenhangt heeft zich vandaag ongetwijfeld meester gemaakt van brede kringen in de maatschappij. Die belangstelling strekt zich ook uit tot de intellectuelen die met de arbeidersbeweging sympathiseren en tot bepaalde kringen van de arbeiders. De sociaaldemocratie is absoluut verplicht haar houding ten aanzien van de godsdienst duidelijk te maken.

De gehele wereldbeschouwing van de sociaaldemocratie is gebouwd op het wetenschappelijke socialisme, d.w.z. op het marxisme. De filosofische grondslag van het marxisme vormt, zoals Marx en ook Engels herhaaldelijk hebben verklaard, het dialectische materialisme, dat de historische tradities van het materialisme van de 18e eeuw in Frankrijk, alsmede die van Feuerbach (eerste helft van de 19e eeuw) in Duitsland in hun volle omvang heeft overgenomen – een materialisme dat absoluut atheïstisch is en vijandig staat tegenover elke godsdienst. We herinneren eraan dat de gehele “Anti-Dühring” van Engels die door Marx in manuscript is gelezen, de materialist en atheïst Dühring een inconsequent materialisme verwijt en bewijst hoe Dühring een achterdeurtje openlaat voor de godsdienst en voor een godsdienstfilosofie. Wij herinneren eraan dat Engels hem in zijn werk over Ludwig Feuerbach verwijt dat hij het geloof heeft bestreden, niet om het af te schaffen, maar om het te vernieuwen, om een nieuw, “hoger” geloof te construeren en dergelijke meer. Godsdienst is opium van het volk. Deze uitspraak van Marx vormt de hoeksteen van de gehele wereldbeschouwing van het marxisme ten aanzien van de godsdienst. Het marxisme beschouwt alle tegenwoordige godsdiensten en kerken, alle religieuze organisaties steeds als organen van de burgerlijke reactie die de uitbuiting moeten verdedigen en de arbeidersklasse dom moeten houden.

Tegelijkertijd veroordeelde Engels echter herhaaldelijk de pogingen van mensen die “linkser” of “revolutionairder” wilden zijn dan de sociaaldemocratie door in het programma van de arbeiderspartij een directe belijdenis van het atheïsme op te nemen in de zin van een oorlogsverklaring aan de godsdienst. In 1874, toen Engels over het beroemde manifest sprak van de blanquistische Communevluchtelingen die als emigranten in Londen leefden, kenschetste hij hun luidruchtige oorlogsverklaring aan de godsdienst als een domheid en verklaarde hij dat een dergelijke oorlogsverklaring het beste middel is om de belangstelling voor de godsdienst nieuw leven in te blazen en het werkelijke uitsterven van de godsdienst te bemoeilijken. Engels verweet de blanquisten dat zij er geen begrip voor konden opbrengen dat alleen de klassenstrijd van de arbeidersmassa’s, waardoor de brede lagen van het proletariaat alzijdig in de bewuste en revolutionaire maatschappelijke praktijk betrokken worden, in staat is de onderdrukte massa’s werkelijk van het juk van het geloof te bevrijden, terwijl het een anarchistische frase is om de oorlog tegen de godsdienst tot politieke taak van de arbeiderspartij te proclameren. En in 1877, terwijl Engels meedogenloos in de Anti-Dühring zelfs de geringste concessies van de filosoof Dühring aan het idealisme en de godsdienst brandmerkte, veroordeelde hij tegelijkertijd niet minder krachtig de zogenaamd revolutionaire idee van Dühring om in de socialistische maatschappij de godsdienst te verbieden. Een dergelijke oorlog aan de godsdienst verklaren betekent volgens Engels ‘bismarckser zijn dan Bismarck’, d.w.z. de dwaasheid van Bismarcks strijd tegen de klerikalen herhalen (de beruchte Kulturkampf, d.w.z. de strijd die Bismarck in de zeventiger jaren door middel van politievervolgingen van het katholicisme tegen de Duitse partij van de katholieken, de Centrum-partij, heeft gevoerd). Door deze strijd heeft Bismarck het strijdbare klerikalisme van de katholieken alleen maar versterkt en aan de zaak van de werkelijke cultuur alleen maar afbreuk gedaan. Immers, in plaats van de politieke scheidsmuren plaatste hij de godsdienstige scheidsmuren op de voorgrond en leidde op die manier de aandacht van bepaalde lagen van de arbeidersklasse en van de democratie af van de dringende taken van de revolutionaire en de klassenstrijd naar een heel oppervlakkig en burgerlijk-leugenachtig antiklerikalisme. Engels maakte Dühring, die ultrarevolutionair wilde zijn, het verwijt dezelfde dwaasheid van Bismarck in een andere vorm te willen herhalen. Hij verlangde van de arbeiderspartij er begrip voor te hebben dat zij geduldig moet werken aan het organiseren en opvoeden van het proletariaat, wat tot het uitsterven van de godsdienst zal leiden, maar dat zij zich niet in het avontuur van een politieke oorlog tegen de godsdienst mag storten. Deze opvatting is vlees en bloed geworden van de Duitse sociaaldemocratie; ze heeft zich bijv. uitgesproken voor de vrije werkzaamheid van de jezuïeten, voor hun toelating in Duitsland, voor het afschaffen van alle politiemaatregelen ter bestrijding van welke godsdienst ook. “De godsdienst tot een privé-zaak verklaren” – in dit beroemde punt van het programma van Erfurt (1891) werd de geschetste politieke tactiek van de sociaaldemocratie verankerd.

Deze tactiek is ondertussen echter een holle frase geworden en heeft al een nieuwe vervalsing van het marxisme in tegengestelde richting, in de richting van het opportunisme, doen ontstaan. Men is de zin uit het programma van Erfurt zo gaan uitleggen alsof wij, sociaaldemocraten, en onze partij de godsdienst als privé-aangelegenheid beschouwen, alsof voor ons als sociaaldemocraten, voor ons als partij de godsdienst een privé-zaak is. Zonder zich in een directe polemiek tegen deze opportunistische opvatting te begeven, heeft Engels het in de jaren negentig noodzakelijk geacht er met kracht stelling tegen te nemen, en wel niet in polemische, doch in positieve vorm. En hij deed dat in de vorm van een door hem bewust onderstreepte verklaring dat de sociaaldemocratie de godsdienst tegenover de staat als een privé-zaak beschouwt, maar in geen geval tegenover zichzelf, in geen geval tegenover het marxisme en tegenover de arbeiderspartij.

Dit is de buitenkant van het verhaal over de stellingname van Marx en Engels ten aanzien van de godsdienst. Mensen die oppervlakkig staan tegenover het marxisme, die niet kunnen of willen denken, komt dit verhaal voor als een kluwen zinloze tegenspraken en weifelingen van het marxisme: om zo te zeggen als een mengelmoes van “consequent” atheïsme en “toegevendheid” jegens de godsdienst, als “beginselloos” weifelen tussen de o-zo-revolutionaire oorlog tegen god en het laffe streven om de gelovige arbeiders ‘naar de mond te praten’, de vrees hen af te schrikken enz., enz. In de literatuur van de anarchistische fraseurs kan men heel wat uitvallen van die aard tegen het marxisme vinden.

Wie echter ook maar bij benadering in staat is het marxisme serieus te doorgronden, zich in zijn filosofische grondslagen en in de ervaringen van de internationale sociaaldemocratie te verdiepen, zal gemakkelijk inzien dat de tactiek van het marxisme tegenover de godsdienst heel consequent en door Marx en Engels grondig doordacht is en dat datgene wat dilettanten of weetnieten voor weifelingen aanzien, een directe en onontkoombare conclusie uit het dialectische materialisme is. Het zou volstrekt onjuist zijn als men zou geloven dat de vermeende “matiging” van het marxisme tegenover de godsdienst te verklaren viel uit zogenaamde “tactische” overwegingen – in de zin van het streven “niet af te schrikken” enz. Integendeel, de politieke lijn van het marxisme is ook voor wat dit vraagstuk betreft onafscheidelijk verbonden met zijn filosofische grondslagen.

Marxisme is materialisme. Het staat als zodanig even meedogenloos vijandig tegenover de godsdienst als het materialisme van de Encyclopedisten van de 18e eeuw of het materialisme van Feuerbach. Dat staat buiten kijf. Maar het dialectische materialisme van Marx en Engels gaat verder dan dat van de Encyclopedisten en van Feuerbach, want het past de materialistische filosofie toe op het gebied van de geschiedenis, op het gebied van de sociale wetenschappen. Wij moeten de godsdienst bestrijden. Dat is het abc van het gehele materialisme en dus ook van het marxisme.

Maar het marxisme is geen materialisme dat bij het abc is blijven stilstaan. Het marxisme gaat verder. Het zegt: men moet de godsdienst weten te bestrijden, maar daartoe is het nodig dat men de oorsprong van het geloof en de godsdienst onder de massa’s materialistisch verklaart. Men mag de strijd tegen de godsdienst niet beperken tot abstract-ideologische propaganda; men mag die niet tot een dergelijke propaganda reduceren, maar moet die in verband brengen met de concrete praktijk van de klassenbeweging die het afschaffen van de sociale wortels van de godsdienst als doel heeft. Waarom handhaaft de godsdienst zich onder de achterlijke lagen van het stedelijke proletariaat, onder brede lagen van het halfproletariaat en ook onder de grote massa van de boeren? Tengevolge van de onwetendheid van het volk, antwoordt de burgerlijke vooruitstrevende, de radicaal of de burgerlijke materialist. Dus: weg met de godsdienst, leve het atheïsme, onze voornaamste taak is het verbreiden van atheïstische inzichten. De marxist zegt: dat is verkeerd. Zo’n opvatting is oppervlakkige, burgerlijk beperkte cultuurverspreiding. Zulk een opvatting verklaart de wortels van de godsdienst niet grondig genoeg, niet materialistisch, doch idealistisch. In de moderne kapitalistische staten zijn deze wortels in hoofdzaak van sociale aard. De sociale onderdrukking van de werkende massa’s, hun schijnbaar volledige machteloosheid tegenover de blinde werking van de krachten van het kapitalisme dat de eenvoudige werkende mensen iedere dag en ieder uur duizend keer meer ontzettend leed en onmenselijke kwellingen berokkent dan welke buitengewone gebeurtenissen als oorlogen, aardbevingen enz. ook, daarin ligt vandaag nog de godsdienst het diepst geworteld. “De vrees heeft de goden voortgebracht.” De vrees voor de blinde werking van de macht van het kapitaal. Blind omdat haar werking door de volksmassa’s niet kan worden voorzien en omdat ze de proletariër en de kleine zelfstandige bij elke stap van hun leven de “plotselinge”, “onverwachte”, “toevallige” ruïnering, de ondergang, de verandering tot bedelaar, tot pauper, tot een geprostitueerde, de hongerdood dreigt te brengen en dit ook inderdaad doet – dat is de wortel van de tegenwoordige godsdienst, waarop de materialist in het bijzonder en het meest moet letten als hij geen beginneling in het materialisme wil blijven. Geen propagandageschrift zal de godsdienst uit de massa’s uitdrijven die, terneergedrukt door de kapitalistische dwangarbeid, door de blindelings werkende, verwoestende krachten van het kapitalisme afhankelijk blijven, zolang deze massa’s niet zelf zullen hebben geleerd deze wortel van de godsdienst, de heerschappij van het kapitaal in al haar vormen, verenigd, georganiseerd, planmatig en bewust te bestrijden.

Volgt daaruit soms dat een voorlichtingsbrochure tegen de godsdienst schadelijk of overbodig zou zijn? Geenszins. Er volgt iets heel anders uit. Namelijk dat de atheïstische propaganda van de sociaaldemocratie ondergeschikt moet zijn aan haar allereerste taak: het ontplooien van de klassenstrijd van de uitgebuite massa’s tegen de uitbuiters.

Iemand die zich niet in de grondslagen van het dialectische materialisme, d.w.z. van de filosofie van Marx en Engels, heeft verdiept, zal deze stelling mogelijkerwijze niet begrijpen (of althans niet onmiddellijk begrijpen). Hoe zit dat nu? Moet de ideologische propaganda, het propageren van bepaalde ideeën, de strijd tegen de vijand van de cultuur en de vooruitgang, die zich sedert duizenden jaren in leven houdt (d.w.z. tegen de godsdienst), ondergeschikt worden gemaakt aan de klassenstrijd, d.w.z. aan de strijd voor bepaalde praktische doeleinden op economisch en politiek gebied?

Dit is een van de meest voorkomende bezwaren tegen het marxisme die alleen maar bewijzen dat men in het geheel niets heeft begrepen van de dialectiek van Marx. De tegenstrijdigheid die al diegenen verwart die dergelijke bezwaren opperen, is een levende tegenstrijdigheid van het levende leven, d.w.z. een dialectische tegenstrijdigheid en geen tegenstrijdigheid in woorden, geen bedachte tegenstrijdigheid. De theoretische propaganda van het atheïsme, d.w.z. het vernietigen van het religieuze geloof bij bepaalde lagen van het proletariaat, door een absolute, niet te overschrijden grens scheiden van het welslagen, het verloop, de voorwaarden van de klassenstrijd van deze lagen, wil zeggen ondialectisch denken. Het wil zeggen van iets dat een beweeglijke, relatieve grens is, een absolute grens maken. Het wil zeggen iets met geweld uit elkaar scheuren dat in de levende werkelijkheid onafscheidelijk met elkaar verbonden is. Laten we een voorbeeld nemen. Gesteld dat het proletariaat van een bepaald gebied en een bepaalde industrietak uiteenvalt in een ontwikkelde laag van tamelijk bewuste sociaaldemocraten die vanzelfsprekend atheïsten zijn, en een tamelijk achterlijke laag van nog met het dorp en het boerenleven verbonden arbeiders die in god geloven, naar de kerk gaan of zelfs onder de directe invloed van de plaatselijke geestelijke staan, die, laten we maar eens wat zeggen, een christelijke arbeidersvereniging opricht. Gesteld verder dat de economische strijd in zo’n plaats tot een staking heeft geleid. De marxist is verplicht het succes van de stakingsbeweging op de voorgrond te plaatsen, met kracht in te gaan tegen een verdeling van de arbeiders in die strijd in atheïsten en christenen en een krachtige strijd tegen zo’n verdeling te voeren. Atheïstische propaganda kan onder die omstandigheden helemaal overbodig, ja zelfs schadelijk zijn. Niet vanuit het standpunt van kleinburgerlijke overwegingen over het afschrikken van de achterlijke lagen, over het verlies van een zetel bij verkiezingen enz., maar vanuit het standpunt van de werkelijke vooruitgang van de klassenstrijd. Onder de verhoudingen van de moderne kapitalistische maatschappij zal die klassenstrijd de christelijke arbeiders honderd keer beter tot de sociaaldemocratie en tot het atheïsme brengen dan de louter atheïstische propaganda. Een propagandist van het atheïsme zou op zo’n moment en onder zulke omstandigheden alleen de pope en de geestelijkheid bevoordelen, die niets liever willen dan een splitsing van de arbeiders volgens geloof in god in plaats van een verdeling naar hun deelname aan de staking.

Een anarchist die tot elke prijs de oorlog tegen god predikt, zou daardoor in werkelijkheid de popen en de bourgeoisie helpen (zoals de anarchisten immers in werkelijkheid altijd de bourgeoisie helpen). Een marxist moet materialist zijn, d.w.z. een vijand van de godsdienst, maar dan een dialectische materialist, d.w.z. een materialist die de strijd tegen de godsdienst niet abstract voert, niet op grond van een abstracte, zuiver theoretische, zichzelf steeds gelijk blijvende propaganda, maar concreet, op grond van de klassenstrijd, zoals die zich in werkelijkheid afspeelt en die de massa’s het meest en het best opvoedt. Een marxist moet met de gehele concrete situatie rekening weten te houden. Hij moet steeds de grens tussen anarchisme en opportunisme weten te vinden (deze grens is relatief, beweeglijk, veranderlijk, maar ze is er).

Hij mag noch in het abstracte, opgeschroefde, in werkelijkheid holle “revolutionaire” gedoe van de anarchist vervallen, noch in de kleingeestigheid en het opportunisme van de kleinburger of van de liberale intellectueel die niet tegen de godsdienst durft te strijden, die deze taak vergeet en zich bij het geloof in een god neerlegt. Die zich niet laat leiden door de belangen van de klassenstrijd, maar door kleinzielige, jammerlijke berekening: niemand krenken, niemand afstoten, niemand afschrikken, door de waanwijze regel “leven en laten leven” enz., enz.

Vanuit dit standpunt moeten alle afzonderlijke kwesties worden opgelost die te maken hebben met de houding van de sociaaldemocratie ten aanzien van de godsdienst. Er wordt bijv. vaak de vraag opgeworpen of een geestelijke lid kan zijn van de sociaaldemocratische partij. Deze vraag wordt gewoonlijk zonder enig voorbehoud bevestigend beantwoord, waarbij men zich beroept op de ervaringen van de Europese sociaaldemocratische partijen. Deze ervaringen zijn echter niet alleen tot stand gekomen door toepassing van de leer van het marxisme op de arbeidersbeweging, maar ook door de bijzondere historische verhoudingen van het Westen die Rusland niet kent (wij zullen op deze verhoudingen nog terugkomen), zodat een onvoorwaardelijk bevestigend antwoord hier niet juist zou zijn. Men kan niet eens en voor altijd en voor alle omstandigheden verklaren dat geestelijken geen lid kunnen zijn van de sociaaldemocratische partij, maar men kan ook niet eens en voor altijd de tegenovergestelde regel stellen. Als een geestelijke naar ons toekomt om gemeenschappelijk politiek werk te verrichten en als hij naar beste geweten zijn partijwerk verricht zonder tegen het partijprogramma op te treden, kan hij door ons in de gelederen van de sociaaldemocratie worden opgenomen. De tegenspraak tussen de geest en de grondslagen van ons programma enerzijds en de godsdienstige overtuiging van de geestelijke anderzijds zou dan onder zulke omstandigheden een persoonlijke tegenspraak kunnen blijven die alleen hem betreft. Een politieke organisatie kan haar leden er niet op onderzoeken of er tussen hun opvattingen en het partijprogramma niet een tegenspraak bestaat. Maar het spreekt vanzelf dat een dergelijk geval zelfs in Europa een zeldzame uitzondering zal zijn, terwijl het in Rusland al helemaal onwaarschijnlijk is. En als bijvoorbeeld een geestelijke tot de sociaaldemocratische partij zou toetreden en in deze partij als zijn belangrijkste en nagenoeg uitsluitende werk zou beginnen met het actief propageren van religieuze opvattingen, zou de partij hem absoluut uit haar midden moeten verwijderen. Wij moeten niet alleen toestaan dat arbeiders die hun geloof in god nog hebben bewaard, lid worden van de sociaaldemocratische partij, maar moeten hen er welbewust voor winnen. Wij zijn er absoluut op tegen dat hun religieuze overtuigingen ook maar het minst worden gekwetst, maar we trachten hen te winnen om hen in de geest van ons programma op te voeden, niet opdat zij dit programma bestrijden. Wij laten binnen de partij vrijheid van meningen toe, doch binnen zekere, door de vrijheid van groepering bepaalde perken: wij zijn niet verplicht samen op te trekken met mensen die op actieve wijze opvattingen propageren die door de meerderheid van de partij van de hand worden gewezen.

Een ander voorbeeld: kan men onder alle omstandigheden leden van de sociaaldemocratische partij gelijkelijk veroordelen, wanneer ze verklaren “het socialisme is mijn godsdienst” en wanneer ze opvattingen propageren die in de lijn van zo’n verklaring liggen? Neen. We hebben hier ongetwijfeld te maken met een afwijking van het marxisme (en dus ook van het socialisme), maar de betekenis van die afwijking, om zo te zeggen, haar soortelijk gewicht kan in verschillende situaties verschillend zijn. Het is één ding wanneer een agitator of iemand die voor arbeidersmassa’s optreedt in die geest spreekt om begrijpelijker te zijn, om zijn uiteenzetting mee te beginnen, om zijn opvattingen bevattelijker weer te geven met uitdrukkingen die de onopgevoede massa het meest aanspreken. Een ander ding is het, wanneer een publicist begint “godmakerij” of een godzoekend socialisme te prediken (zo ongeveer in de geest van onze Loenatsjarski en co.). Net zoals in het eerste geval een veroordeling slechts haarkloverij of misschien zelfs een ongepaste beperking van de vrijheid van de agitator, van de vrijheid van “pedagogische” beïnvloeding zou kunnen zijn, zo zou in het tweede geval een veroordeling door de partij noodzakelijk en absoluut geboden zijn. De stelling “het socialisme is een godsdienst” is voor de één een vorm van overgang van de godsdienst naar het socialisme en voor de ander van het socialisme naar de godsdienst.

Laten we nu de voorwaarden behandelen die in het Westen hebben geleid tot het opkomen van een opportunistische interpretatie van de stelling over het “verklaren van de godsdienst tot een privé-zaak”. Natuurlijk hebben we daar te maken met de invloed van algemene oorzaken die het opportunisme als zodanig laten ontstaan, zoals het opofferen van de fundamentele belangen van de arbeidersbeweging ten gunste van tijdelijke voordelen. De partij van het proletariaat eist van de staat dat hij de godsdienst tot een privé-zaak verklaart, doch zij beschouwt de strijd tegen de opium van het volk, de strijd tegen het religieuze bijgeloof enz. geenszins als een “privé-zaak”. De zaak wordt door de opportunisten zo verdraaid alsof de sociaaldemocratische partij de godsdienst als een privé-zaak beschouwt!

In de discussie van onze Doema-fractie over de redevoeringen ten aanzien van de godsdienstkwestie zijn de gebruikelijke opportunistische vervalsingen volstrekt onopgehelderd bleven. Maar naast die vervalsingen zijn er nog bijzondere historische voorwaarden die de tegenwoordige, als men zich zo mag uitdrukken, buitengewone onverschilligheid van de Europese sociaaldemocraten jegens het godsdienstvraagstuk hebben teweeggebracht. Deze voorwaarden zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats is de taak van het bestrijden van de godsdienst historisch gezien een taak van de revolutionaire bourgeoisie, en in het Westen heeft de burgerlijke democratie in het tijdperk van haar revoluties of van haar stormloop tegen het feodalisme en de middeleeuwen deze taak in grote mate vervuld (of heeft dit in elk geval trachten te doen). Zowel in Frankrijk als in Duitsland bestaat een traditie van de burgerlijke strijd tegen de godsdienst, die lang voor het ontstaan van de socialistische beweging ter hand werd genomen (de Encyclopedisten, Feuerbach). In Rusland valt, overeenkomstig de voorwaarden van onze burgerlijk-democratische revolutie, ook deze taak nagenoeg volledig toe aan de arbeidersklasse. De kleinburgerlijke (narodnikistische) democratie heeft bij ons in dit opzicht niet te veel gedaan (zoals de nieuwbakken Zwarte Honderd-kadetten of kadetse Zwarte Honderd-lui van de ‘Wjechi’ geloven), maar in vergelijking tot Europa te weinig.

Aan de andere kant heeft echter de traditie van de burgerlijke strijd tegen de godsdienst in Europa ook een specifiek burgerlijke verwringing van deze strijd door het anarchisme doen ontstaan, dat, zoals de marxisten al lang en bij herhaling hebben duidelijk gemaakt, met heel de ‘heftigheid’ van zijn aanvallen tegen de bourgeoisie toch op de grondslag van de burgerlijke wereldbeschouwing staat. De anarchisten en blanquisten in de Romaanse landen, Most (die overigens een leerling van Dühring was) en co. in Duitsland en de anarchisten van de jaren tachtig in Oostenrijk hebben de revolutionaire frase in de strijd tegen de godsdienst nec plus ultra gedreven. Geen wonder dat de Europese sociaaldemocraten op de overdrijvingen van de anarchisten met overdrijvingen naar de andere kant reageren. Dat is begrijpelijk en in zekere zin wetmatig, maar wij, Russische sociaaldemocraten, mogen de bijzondere historische voorwaarden van het Westen niet vergeten.

In de tweede plaats was in het Westen na het einde van de nationale burgerlijke revoluties, na het tot stand brengen van een meer of minder volledige vrijheid van godsdienst de kwestie van de democratische strijd tegen de godsdienst historisch al zozeer door de strijd van de burgerlijke democratie tegen het socialisme op de achtergrond gedrongen, dat de burgerlijke regeringen bewust trachtten de aandacht van de massa’s van het socialisme af te leiden door een quasi-liberale “veldtocht” tegen het klerikalisme. Zulk een karakter had zowel de cultuurstrijd in Duitsland alsook de strijd van de burgerlijke republikeinen in Frankrijk tegen het klerikalisme. Het burgerlijke antiklerikalisme als middel om de aandacht van de arbeidersmassa’s van het socialisme af te leiden ging in het Westen vooraf aan het verbreiden van de tegenwoordige “onverschilligheid” tegenover de strijd tegen de godsdienst, zoals ze vandaag onder de sociaaldemocraten gevonden kan worden. En dat is op zijn beurt begrijpelijk en wetmatig, want, als tegenhanger van het burgerlijke en het bismarckse antiklerikalisme, moesten de sociaaldemocraten juist de strijd tegen de godsdienst ondergeschikt maken aan de strijd voor het socialisme.

In Rusland liggen de verhoudingen heel anders. Het proletariaat is de leider van onze burgerlijk-democratische revolutie. Zijn partij moet de ideologische leider zijn in de strijd tegen alles wat middeleeuws is, waaronder ook tegen de oude staatsgodsdienst en tegen alle pogingen om deze godsdienst op te peppen, hem opnieuw of op andere wijze te grondvesten enz. De Duitse sociaaldemocraten hadden de eis van de arbeiderspartij, dat de staat de godsdienst tot privé-zaak diende te verklaren, vervangen door de verklaring dat de godsdienst voor de sociaaldemocraten zelf en voor de sociaaldemocratische partij privé-zaak was. Engels heeft dit opportunisme betrekkelijk mild gecorrigeerd, maar het is begrijpelijk dat het overnemen van deze Duitse verdraaiing door de Russische opportunisten een honderd keer scherpere veroordeling door Engels te beurt zou vallen.

Toen onze fractie vanaf het spreekgestoelte van de Doema verklaarde dat godsdienst de opium van het volk is, handelde ze volkomen juist en schiep ze een precedent dat de grondslag moet vormen voor alle uitlatingen van Russische sociaaldemocraten ten aanzien van de godsdienst. Had men nog verder moeten gaan en nog uitvoeriger atheïstische conclusies moeten trekken? Wij geloven van niet. Dat zou het gevaar met zich hebben kunnen brengen dat de strijd van de politieke partij van het proletariaat tegen de godsdienst te veel de nadruk zou krijgen, en het zou ertoe hebben kunnen leiden dat de grens tussen de burgerlijke en de socialistische strijd tegen de godsdienst zou worden uitgewist. De eerste taak die de sociaaldemocratische fractie in de Doema van de Zwarte Honderd moest volbrengen, heeft ze met ere volbracht.

De tweede en voor de sociaaldemocratie zeker de belangrijkste taak, namelijk precies uit te werken welke klassenfunctie de kerk en de geestelijkheid uitoefenen bij het ondersteunen van de Zwarte Honderd-regering en van de bourgeoisie in hun strijd tegen de arbeidersklasse, is evenzeer met ere volbracht. Er valt over dit onderwerp natuurlijk nog veel te zeggen en in komende redevoeringen zullen de sociaaldemocraten heus wel weten waarmee ze de redevoering van kameraad Soerkov moeten aanvullen, maar ondanks dat was diens redevoering uitstekend, en het is niet meer dan de plicht van onze partij haar via alle partijorganisaties te verbreiden.

Wat de derde taak betreft, had men heel uitvoerig de juiste betekenis van de door de Duitse opportunisten zo vaak verdraaide stelling over ‘het verklaren van de godsdienst tot privé-zaak’ moeten verduidelijken. Helaas heeft kameraad Soerkov dit niet gedaan. Dat is des te meer te betreuren daar de fractie al bij vorige gelegenheden ten aanzien van dit vraagstuk de fout van kameraad Belousov heeft begaan die bijtijds door de Proletari aan de kaak werd gesteld. De discussie in de fractie laat zien dat het probleem van een juiste formulering van de beruchte eis de godsdienst tot privé-zaak te verklaren, hier overschaduwd is geworden door de discussie over het atheïsme. Wij zullen voor deze fout van de gehele fractie niet alleen kameraad Soerkov laken. Sterker nog. We erkennen openlijk dat we hier te maken hebben met een schuld van de gehele partij die dit probleem niet voldoende duidelijk gemaakt heeft en de sociaaldemocraten niet voldoende de betekenis heeft doen beseffen van de opmerking van Engels die tegen de Duitse opportunisten gericht was. Zoals de discussie binnen de fractie bewijst, gaat het erom dat het vraagstuk niet duidelijk werd begrepen, maar geenszins dat men geen rekening had willen houden met de leer van Marx, en wij zijn ervan overtuigd dat de fout in de komende redevoeringen van de fractie gecorrigeerd zal worden.

In haar algemeenheid is de redevoering van kameraad Soerkov, wij herhalen het, uitstekend en dient ze door alle organisaties verbreid te worden. De fractie heeft met het bespreken van deze redevoering bewezen dat zij haar sociaaldemocratische plicht beslist gewetensvol vervult. Het blijft te wensen dat in de partijpers vaker correspondenties verschijnen over de discussies binnen de fractie, opdat de fractie dichter bij de partij wordt gebracht, opdat de partij vertrouwd wordt gemaakt met het door de fractie verrichte moeilijke werk in de fractie zelf en opdat de ideologische eenheid in het werk van de partij en de fractie tot stand gebracht wordt.