V.I. Lenin
Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme


VII. Het imperialisme als bijzonder stadium van het kapitalisme

Wij moeten nu trachten het hierboven over het imperialisme gezegde samen te vatten en bepaalde conclusies te trekken. Het wordingsproces van het imperialisme bestond uit een rechtstreeks voortzetten en ontwikkelen van de fundamentele hoedanigheden van het kapitalisme. Maar dit werd eerst kapitalistisch imperialisme op een bepaalde, zeer hoge trap van zijn ontwikkeling, toen enige van zijn fundamentele hoedanigheden in hun tegendeel omsloegen, en zich overal kentekenen voordeden van een overgangsperiode van het kapitalisme naar een hogere sociaal-economische formatie. Het economisch fundamentele in dit proces is de aflossing van de kapitalistische vrije concurrentie door het kapitalistische monopolisme. De vrije concurrentie is een fundamentele hoedanigheid van het kapitalisme en van de warenproductie in het algemeen; het monopolisme is de directe tegenstelling van de vrije concurrentie. Deze laatste begon echter voor onze ogen over te gaan in monopolisme, waarbij grote bedrijven werden opgericht, het kleinbedrijf werd verdrongen en de grote bedrijven uitgroeiden tot reusachtige. Daarbij bereikte de concentratie van productie en kapitaal dus zo’n peil dat er zich monopolies uit ontwikkelden en ontwikkelen: kartels, trusts en syndicaten, gevoed met het kapitaal van een tiental, over miljarden beschikkende banken. Toch heffen de uit de vrije concurrentie voortspruitende monopolies, deze niet op, maar bestaan boven en naast haar, waardoor ze een reeks bijzonder scherpe en krasse tegenstellingen, wrijvingen en conflicten veroorzaken. Het monopolisme is de overgang van het kapitalisme naar een hogere structuur.

Indien men een zo kort mogelijke definitie van het imperialisme moest geven, zou men kunnen zeggen, dat het imperialisme het monopolistische stadium van het kapitalisme is. Zo’n definitie zou het belangrijkste omvatten, want enerzijds is het financierskapitaal monopolistisch bankkapitaal, samengesmolten met kapitaal van industriële monopolies; anderzijds vormt de verdeling van de wereld de overgang van een koloniale politiek van ongebreidelde expansie in nog niet verdeelde gebieden — tot een koloniale politiek van monopolistische heerschappij over stukken van een volledig verdeelde wereld.

Te korte definities zijn echter — hoewel gemakkelijk omdat zij de hoofdzaak samenvatten — toch onbevredigend omdat sommige zeer wezenlijke kenmerken van het te definiëren verschijnsel er extra uit moeten worden afgeleid. Zonder de voorwaardelijke en betrekkelijke betekenis van elke definitie in het algemeen (die nooit het alzijdig verband van een verschijnsel in zijn volle ontwikkeling kan samenvatten) uit het oog te verliezen, willen wij daarom een definitie van het imperialisme geven, die de volgende vijf fundamentele kenmerken omvat:

Imperialisme is kapitalisme dat een ontwikkelingsstadium heeft bereikt, waarin de monopolies en het financierskapitaal heersen, de kapitaalexport een enorme betekenis heeft gekregen, de verdeling van de wereld tussen de internationale trusts is begonnen, en de territoriale verdeling van de aarde tussen de grootste kapitalistische landen is voltooid.

Wij zullen hieronder nog zien, hoe men het imperialisme ook anders kan en moet definiëren, indien men niet alleen de fundamentele, zuiver economische begrippen (waartoe de aangehaalde definitie zich beperkt) op het oog heeft, maar tevens de historische plaats die dit stadium van het kapitalisme inneemt ten opzichte van het kapitalisme in zijn geheel, of ook de verhouding van ‘het imperialisme tot de twee fundamentele richtingen in de arbeidersbeweging. Wij moeten evenwel terstond opmerken dat het imperialisme, zo opgevat, ongetwijfeld een uitzonderlijk ontwikkelingsstadium van het kapitalisme is. Om de lezer een goed gefundeerde voorstelling van het imperialisme te geven, hebben wij er met opzet naar gestreefd, zoveel mogelijk uitlatingen te citeren van burgerlijke economen die zich gedwongen zien, de absoluut onbetwistbare feiten van de nieuwste kapitalistische economie te erkennen. Met hetzelfde doel citeerden wij nauwkeurige statistische gegevens, die o.a. tonen in welke mate het bankkapitaal is gegroeid en waarin de overgang van kwantiteit in kwaliteit, de overgang van het ontwikkelde kapitalisme in het imperialisme, tot uitdrukking kwam. Daarbij spreekt het natuurlijk vanzelf dat alle overgangen in de natuur en de maatschappij voorwaardelijk en bewegelijk zijn, dat het dwaas zou zijn er over te polemiseren, in welk jaar of decennium bvb de ‘definitieve’ consolidering van het imperialisme plaats had.

Maar toch moeten wij nu eerst over de definitie van het imperialisme polemiseren met Kautsky, de voornaamste marxistische theoreticus uit de jaren van de zogenaamde Tweede Internationale, de kwarteeuw 1889-1914. Karl Kautsky trad in 1915 en zelfs reeds in november 1914 met beslistheid op tegen de voornaamste gedachten die in de door ons gegeven definitie van het imperialisme zijn vastgelegd. Hij verklaarde dat men onder imperialisme niet een “fase” of een ontwikkelingstrap van de economie moet verstaan, maar een politiek, en wel een bepaalde politiek waaraan door het financierskapitaal “de voorkeur wordt gegeven”, en dat het imperialisme niet “geïdentificeerd” kan worden met het “moderne kapitalisme”. Hij zei verder dat indien men onder imperialisme “alle verschijnselen van het moderne kapitalisme” — kartels, protectionisme, heerschappij van de financiersoligarchie, koloniale politiek — verstaat, de vraag of het imperialisme voor het kapitalisme noodzakelijk is, neerkomt op “de platste tautologie”, want dan is “het imperialisme natuurlijk onontbeerlijk voor het kapitalisme” enz. Wij kunnen Kautsky’s gedachte het nauwkeurigst weergeven, door zijn definitie van het imperialisme te citeren, — een definitie die zich direct richt tegen het wezen van de door ons uiteengezette opvattingen (want de tegenwerpingen uit het kamp van de Duitse marxisten die dergelijke opvattingen jarenlang huldigden, waren Kautsky goed bekend als tegenwerpingen van een bepaalde stroming in het marxisme).

De definitie van Kautsky luidt:

“Het imperialisme is een product van het hoogontwikkelde industriële kapitalisme. Het bestaat in de drang van iedere industriële kapitalistische natie, een steeds groter agrarisch (cursief van Kautsky) gebied te onderwerpen en te annexeren zonder er rekening mee te houden, door welke naties het wordt bewoond”. [102]

Deze definitie deugt in geen enkel opzicht, want zij is eenzijdig, d.w.z. willekeurig; ze brengt alleen de nationale kwestie naar voren (al is deze ook, zowel op zichzelf als met betrekking tot het imperialisme, uitermate belangrijk) en verbindt deze kwestie willekeurig en foutief, uitsluitend met het industri8le kapitaal in de landen die andere naties annexeren. Tenslotte brengt zij, al even willekeurig en onjuist, uitsluitend de annexatie van agrarische gebieden naar voren. Imperialisme is het streven naar annexaties — daar komt het politieke deel van Kautsky’s definitie op neer. Dit is juist, doch uiterst onvolledig, want op politiek gebied is imperialisme zonder meer: streven naar geweld en reactie. Maar ons houdt thans de economische kant van de zaak bezig, die Kautsky zelf in zijn definitie betrok. De onjuistheden in Kautsky’s definitie springen in het oog. Kenmerkend voor het imperialisme is juist niet het industriële, maar het financierskapitaal. Het is geen toeval, dat in Frankrijk juist de bijzonder snelle ontwikkeling van het financierskapitaal, naast de verzwakking van het industriekapitaal, in de jaren ‘80 leidde tot een uiterste toespitsing van de annexionistische (koloniale) politiek. Juist het streven naar annexatie van niet slechts agrarische, maar zelfs van hoogst ontwikkelde industriële gebieden (de Duitse begeerten naar België, de Franse naar Lotharingen) is kenmerkend voor het imperialisme. Ten eerste dwingt immers de voltooide verdeling van de wereld, bij een herverdeling, de hand uit te strekken naar elk gebied zonder onderscheid; ten tweede is het kenmerk van het imperialisme dat enkele grote mogend- heden wedijveren in het streven naar de hegemonie, d.w.z. naar het in bezit nemen van gebieden, niet zozeer direct voor zichzelf, dan wel om de tegenstander te verzwakken en diens hegemonie te ondermijnen (voor Duitsland is België bijzonder belangrijk als steunpunt tegen Engeland; voor Engeland Bagdad, als steunpunt tegen Duitsland enz.).

Kautsky beroept zich telkens speciaal op de Engelsen die de zuiver politieke betekenis van het woord imperialisme, in zijn — Kautsky’s — geest, zouden hebben vastgesteld. Wanneer wij er echter het in 1902 verschenen “Imperialisme” van de Engelsman Hobson op naslaan, lezen we:

“Het nieuwe imperialisme onderscheidt zich van het oude: ten eerste doordat het het streven van één enkel groeiend imperium vervangt door de theorie en de praktijk van wedijverende mogendheden waarvan elk beheerst wordt door een zelfde begeerte naar politieke expansie en commercieel voordeel; ten tweede doordat de handelsbelangen het moeten afleggen tegen die van financiers en kapitaalbelegging.” [103]

Wij zien dat Kautsky met zijn beroep op de Engelsen in het algemeen absoluut ongelijk heeft (hij zou zich ten hoogste kunnen beroepen op de vulgaire Engelse imperialisten of op de onverhulde apologeten van het imperialisme). Wij zien ook dat Kautsky die zegt nog steeds het marxisme te verdedigen, in feite een stap achteruit doet vergeleken bij de sociaal-liberaal Hobson. Deze toont een juistere kijk te hebben op twee “historisch concrete” bijzonderheden van het moderne imperialisme. (Kautsky hoont met zijn definitie juist het historisch concrete.) Deze bijzonderheden zijn. 1. de concurrentie van een reeks imperialistische mogendheden en 2. het overwicht van de financier op de handelaar. Wanneer men echter de annexatie van een agrarisch land door een industriële mogendheid vooropstelt, kent men juist de handelaar een overheersende rol toe.

De definitie van Kautsky is niet alleen zelf onjuist en onmarxistisch, maar dient bovendien als grondslag voor een heel systeem van opvattingen die over de hele linie, zowel met de theorie als met de praktijk van het marxisme breken. Hierop komen wij nog terug. Erg onsolide klinkt de door Kautsky ontketende woordenstrijd: — of men de nieuwste ontwikkelingstrap van het kapitalisme “imperialisme”, dan wel “tijdperk van het financierskapitaal” moet noemen. Noem het zoals ge wilt; dat is onverschillig. Waar het op neer komt is, dat Kautsky de politiek en de economie van het imperialisme van elkaar losmaakt; annexaties beschouwt als een politiek, die “de voorkeur” van het financierskapitaal heeft, en daartegenover, eveneens op basis van het financierskapitaal een andere burgerlijke politiek mogelijk acht. Dit komt erop neer, dat het monopolisme in de economie verenigbaar zou zijn met niet-monopolistische, geweldloze, niet-agressieve activiteiten in de politiek. Dit komt erop neer, dat de — juist in het tijdperk van het financierskapitaal voltooide — territoriale verdeling van de aarde, die ten grondslag ligt aan de uitzonderlijke vormen van de huidige wedloop van de grote kapitalistische mogendheden, verenigbaar zou zijn met een niet-imperialistische politiek. Zo worden de fundamentele tegenstellingen die het jongste stadium van het kapitalisme eigen zijn, verdoezeld in plaats van aan de kaak gesteld; zo krijgt men burgerlijk reformisme, in plaats van marxisme.

Kautsky polemiseert met Cunow, de Duitse apologeet van imperialisme en annexaties. Deze redeneert primitief en cynisch: imperialisme is modern kapitalisme; de ontwikkeling van het kapitalisme is onvermijdelijk en vooruitstrevend; dus is het imperialisme vooruitstrevend; dus moet men het imperialisme onderdanig loven! Dit doet denken aan de karikatuur die de narodniki in de jaren 1894-1895 van de Russische marxisten maakten: indien de marxisten het kapitalisme in Rusland nu eenmaal voor onvermijdelijk en vooruitstrevend houden, moeten zij kroegen openen en zich met het bevorderen van het kapitalisme bezig houden.

Kautsky antwoordt Cunow: neen, imperialisme is niet modern kapitalisme, doch slechts een vorm van politiek van het moderne kapitalisme en wij kunnen en moeten tegen deze politiek, tegen het imperialisme, de annexaties enz. strijden.

Deze tegenwerping lijkt goed bedoeld, maar komt in werkelijkheid neer op een fijner gecamoufleerd (en daarom gevaarlijker) sermoen voor verzoening met het imperialisme; — want een “strijd” tegen de politiek van de trusts en banken, die hun economische grondslagen niet aantast, leidt tot burgerlijk reformisme en pacifisme, tot lankmoedigheid en vrome wensen. De niets met marxisme gemeen hebbende theorie van Kautsky komt neer op dooddoeners over de bestaande tegenstellingen, waarvan de voornaamste bovendien niet uit de doeken gedaan, maar eenvoudig vergeten worden. Het is duidelijk dat zo’n theorie slechts dient om de gedachte aan eenheid met de Cunows te verdedigen!

“Van zuiver economisch standpunt bekeken”, schrijft Kautsky, “is het dus niet onmogelijk, dat het kapitalisme nog een nieuwe fase zal doormaken, waarin de kartelpolitiek wordt toegepast op de buitenlandse politiek: de fase van het ultra-imperialisme [104] , d.w.z. van het super-imperialisme, van het verbond, en niet van de onderlinge strijd van de imperialisten in de ganse wereld, — de fase van het ophouden van de oorlogen onder het kapitalisme, de fase van de “gezamenlijke exploitatie van de wereld door het internationaal verenigde financierskapitaal”. [105]

Op deze “theorie” van het ultra-imperialisme moeten wij straks nog terugkomen om uitvoerig aan te tonen, hoe zij volkomen en onherroepelijk met het marxisme breekt. Eerst moeten wij (in overeenstemming met het algemene plan van deze studie) echter een blik werpen op de nauwkeurige economische gegevens met betrekking tot deze kwestie. Is het “ultra-imperialisme” vanuit een “zuiver economisch standpunt” mogelijk, of is dat ultra-onzin?

Indien men het “zuiver economische standpunt” als “zuivere” abstractie opvat, komt alles wat men zeggen kan, neer op de sterling: de ontwikkeling leidt tot monopolies en dus tot één enkel wereldmonopolie, tot één wereldtrust. Dat is onbetwistbaar, maar ook volkomen inhoudsloos, zoals bvb. de vaststelling, dat de “ontwikkeling leidt” tot fabricatie van voedingsmiddelen in laboratoria. Zo opgevat, is de “theorie” van het ultra-imperialisme even grote onzin, als een “theorie” van de ultra-landbouw zou zijn.

Maar indien men de “zuiver-economische” voorwaarden van het tijdperk van het financierskapitaal historisch concreet opvat, als vallend in het begin van de 20e eeuw, kan men de dode abstracties van het “ultra-imperialisme” (die uitsluitend het ultra-reactionaire doel dienen: de aandacht af te leiden van de omvang van de bestaande tegenstellingen) het best beantwoorden door ze te toetsen aan de concreet economische werkelijkheid van de moderne wereldeconomie, Kautsky’s absoluut inhoudsloze praatjes over het ultra-imperialisme steunen overigens de volkomen verkeerde (maar voor de apologeten van het imperialisme aantrekkelijke) opvatting, als zou de heerschappij van het financierskapitaal de ongelijkmatigheden en tegenstellingen binnen de wereldeconomie verzwakken, terwijl zij deze in werkelijkheid versterkt. [106]

R. Calwer tracht in zijn boekje “Inleiding tot de wereldeconomie” [107] een overzicht te geven van de voornaamste zuiver-economische gegevens die een concreet beeld scheppen van de onderlinge verhoudingen binnen de wereldeconomie op de drempel van de 20e eeuw. Hij verdeelt de wereld in vijf “economische hoofdgebieden”; 1. het Midden-Europese (Europa behalve Rusland en Engeland); 2. het Britse; 3. het Russische; 4. het Oost-Aziatische, en 5. het Amerikaanse, — waarbij hij de koloniën toevoegt aan het “gebied” van de staten, waaraan zij toebehoren, en enige landen, “ter zijde laat” die niet in zijn “gebieden” passen: bv. Perzië, Afghanistan en Arabië in Azië, Marokko en Abessinië in Afrika, enz.

Ziehier in kort bestek, de door Calwer gepubliceerde economische gegevens over deze gebieden:

Economische hoofdgebieden Gebied Bevolking Transport Handel Industrie
miljoenen km2 miljoenen 1000 km spoor miljoenen ton handelsvloot In-en uitvoer
miljoenen mark
Output  
miljoenen ton steenkool miljoenen ton ijzer Aantal spindels in katoenindustrie
(miljoenen)
1) Centraal
Europa
27.6
(23.6)
388
(146)
204 8 41 251 15 26
2) Engeland 28,9
(28.6)
398
(355)
140 11 25 249 9 51
3) Rusland 22 131 63 1 3 16 3 7
4) Oost-AziŽ 12 389 8 1 2 8 0,02 2
5) Amerika 30 148 379 6 14 245 14 19

Wij zien hier drie gebieden met een hoog ontwikkeld kapitalisme (sterke ontwikkeling zowel van de verkeersmiddelen als van handel en industries het Midden-Europese, het Britse en het Amerikaanse. Hiertoe behoren drie wereldbeheersende mogendheden — Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Hun imperialistische wedloop en onderlinge strijd worden ten zeerste verscherpt doordat Duitslands gebied klein is en het weinig koloniën heeft; de oprichting van een “Midden-Europa” ligt nog in de toekomst en zal met een wanhopige strijd gepaard gaan. Voorlopig wordt heel Europa gekenmerkt door politieke verbrokkeling. In de Britse en Amerikaanse gebieden is de politieke concentratie weliswaar zeer groot, maar daar bestaat een enorme onevenredigheid tussen het onmetelijk koloniaal bezit van het eerste en de nietige koloniën van het tweede. Daarbij begint het kapitalisme zich pas te ontwikkelen in de koloniën. De strijd om Zuid-Amerika spitst zich steeds meer toe.

In twee gebieden is het kapitalisme zwak ontwikkeld, nl. in Rusland en in Oost-Azië. In het eerste is de dichtheid van- de bevolking uiterst gering, in het tweede groot. In het eerste is de politieke concentratie groot, in het tweede ontbreekt zij. Met de verdeling van China is pas begonnen en de strijd die Japan, de Verenigde Staten enz. om dat land voeren verscherpt zich steeds meer.

Vergelijk nu eens deze werkelijkheid, — haar enorme verscheidenheid aan economische en politieke situaties; de zo uiteenlopende ontwikkelingstempo’s in de verschillende landen; de woedende strijd tussen de imperialistische staten, — met Kautsky’s dwaze sprookje over het “vreedzame” ultra-imperialisme. Is dit niet echt de reactionaire poging van een bang geworden kleinburger, om zich voor de wrede werkelijkheid te verbergen? Geven de internationale kartels die Kautsky als kiemen van het “ultra-imperialism” beschouwt (zoals men de productie van tabletten in laboratoria, de kiem van de ultra-landbouw “kan” noemen), ons soms niet een voorbeeld van de verdeling en de herverdeling van de wereld, van de overgang van vreedzame verdeling tot niet- vreedzame en omgekeerd? Is soms het Amerikaanse en andere financierskapitaal dat de hele wereld vreedzaam verdeelde, onder deelname van Duitsland, — bvb. in het internationale railskartel of de internationale scheepvaarttrust, — thans niet bezig met de herverdeling van de wereld op basis van nieuwe machtsverhoudingen die zich allerminst langs vreedzame weg wijzigen?

Het financierskapitaal en de trusts vergroten het onderscheid in groeitempo tussen de verschillende delen van de wereldeconomie in plaats van het te verminderen. En hoe kunnen de nieuwe tegenstellingen die ontstaan bij wijziging van de machtsverhoudingen onder het kapitalisme anders worden opgelost dan met geweld? Over de verschillen in groeitempo van het kapitalisme en het financierskapitaal in de wereldeconomie, verstrekt de statistiek van de spoorwegen bijzonder nauwkeurige gegevens. [108]

In de jongste decennia van imperialistische ontwikkeling heeft de lengte van het spoorwegnet zich als volgt gewijzigd:

Spoorwegen

Het snelst ontwikkelden de spoorwegen zich dus in de koloniën en in de zelfstandige (en semi-zelfstandige) landen in Azië en Amerika. Zoals men weet heerst het financierskapitaal van de vier of vijf grootste kapitalistische staten hier onbeperkt. Tweehonderdduizend kilometer nieuwe spoorlijnen door koloniën en andere landen in Azië en Amerika, — dat betekent ruim 40 miljard mark investeringen op bijzonder gunstige voorwaarden, met extra rentabiliteitswaarborgen, winstgevende orders voor de staalindustrie enz. enz.

Het kapitalisme ontwikkelt zich het snelst in de koloniën en in de verre landen, waar nieuwe imperialistische mogendheden ontstaan (Japan). De onderlinge strijd van de imperialistische mogendheden spitst zich toe. De inkomsten van het financierskapitaal uit de bijzonder winstgevende ondernemingen in de koloniën en overzeese landen nemen toe. Het leeuwendeel van deze “buit” valt in handen van landen die lang niet altijd de eerste plaats innemen wat betreft het ontwikkelingstempo van de productiekrachten.

De lengte van het spoorwegnet bedroeg in de grootste landen, met inbegrip van hun koloniën:

Spoorwegen

Ongeveer 80 procent van de spoorwegen is dus geconcentreerd in de vijf grootste Staten. Maar de concentratie van de eigendom aan deze spoorwegen, de concentratie van het financierskapitaal is oneindig veel groter, want de Engelse en Franse miljonairs bvb. bezitten een geweldige hoeveelheid aandelen en obligaties van Amerikaanse, Eussische en andere spoorwegen. Dank zij zijn koloniën, kon Engeland “zijn” spoorwegnet uitbreiden met 100.000 kilometer, ofwel viermaal meer dan Duitsland. Toch is het algemeen bekend dat het ontwikkelingstempo van de productiekrachten in Duitsland tijdens die periode — vooral bij de steenkool- en ijzerproductie — onvergelijkelijk veel hoger was dan in Engeland, om van Frankrijk en Rusland maar niet te spreken. In 1892 produceerde Duitsland 4,9 miljoen ton gietijzer, Engeland daarentegen 6,8 miljoen; in 1912 was de verhouding reeds 17,6 tegen 9,0 miljoen ton; — dat is een geweldig overwicht op Engeland! [109] De vraag rijst of er onder het kapitalisme, behalve oorlog, ook andere middelen bestaan tegen een wanverhouding tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de kapitaalaccumulatie enerzijds, en de verdeling van de koloniën en “invloedssferen” van het financierskapitaal anderzijds.


Voetnoten

[102] “Die Neue Zeit” XXXII, 11, S. 909 van 11 september 1914.

[103] J.A. Hobson, “Imperialism”, London 1902, p. 324.

[104] “Die Neue Zeit”, XXXii (1913-1914), 11 S. 921 van 11 September 1914. Vergelijk ook XXXIV (1915-1916), 11, S. 107 e.v.

[105] “Die Neue Zeit”; XXXIIL I (van 30 april 1915), S. 144.

[106] Een uitvoeriger kritische analyse van K. Kautsky’s artikel “Der Imperialismus” in “Die Neue Zeit” geeft Lenin in zijn “Schriften over het imperialisme”. — (Red.)

[107] R. Calwer, “Einführung in die Weltwirtschaft”, Berlin 1906.

[108] “Statistisches jahrbuch for das deutsche Reich” 1915 Aanhangsel S. 46 en 47. — “Archiv für Eisenbahnwesen”, l892; voor het jaar 1890 moest ik de spreiding van de spoorwegen over de koloniën van de verschillende landen hier en daar bij benadering berekenen.

[109] Zie ook Edgar Crammond: “The Economic Relations of the British and German Empires”, in ,Journal of the Royal Statistical Society”, 1914, juli, p. 777 e.v.