V.I. Lenin
Over Gorki
Hoofdstuk 4


Aan A. M. Gorki

25.II.08

Vanuit Geneve verzonden naar Capri (Italië)
Werken, 5de druk, deel 47. blz. 141-145.

Waarde A. M.! Ik heb op uw brief niet onmiddellijk geantwoord, want naar aanleiding van uw artikel[1], of tenminste in enig verband daarmee, is er bij ons op de redactie, hoe vreemd dat op het eerste gezicht ook moge lijken, een tamelijk ernstige kloppartij ontstaan met Al. Al. Hm hm... ik heb niet gesproken op die plaats en bij die aanleiding waar u aan dacht!

De zaak is zo gelopen.

Het boek ‘Schetsen over de filosofie van het marxisme’[2] heeft de oude meningsverschillen tussen de bolsjewieken in de vraagstukken van de filosofie flink toegespitst. Ik beschouw mezelf niet als voldoende competent in deze vraagstukken om veel haast te maken met een optreden in de pers. Maar ik heb altijd onze eigen partij-wrijvingen over de filosofie aandachtig gevolgd — te beginnen met de strijd van Plechanov met Michajlovski & Co vanaf het eind van de jaren tachtig tot aan 1895 en later de strijd van dezelfde man tegen de kantianen in 1898 en de daarop volgende jaren (deze strijd heb ik al niet meer slechts gevolgd, maar ik heb er gedeeltelijk ook aan meegedaan, vanaf 1900 als redactielid van de ‘Zarja’[3], en tenslotte de strijd van weer dezelfde tegen de empiriokritici & Co.

De werken van Bogdanow over de filosofie heb ik gevolgd vanaf zijn energieke boek over de ‘Historische kijk op de natuur’, welk boek ik heb bestudeerd tijdens mijn verblijf in Siberië. Voor Bogdanow was dit standpunt slechts een overgang naar andere filosofische inzichten. Ik maakte persoonlijk met hem kennis in 1904, waarbij wij al direct presentjes uitwisselden: ik de ‘Sjagi’ en hij een van zijn toenmalige filosofische werken.[4] En ik heb hem meteen (in het voorjaar of de vroege zomer van 1904) vanuit Genève naar Parijs geschreven dat hij mij door zijn schrifturen diep had overtuigd van de juistheid van mijn eigen inzichten en mij diep overtuigde van de juistheid van Plechanovs standpunten.

Toen wij nog samenwerkten heb ik meer dan eens gesprekken met Plechanov gevoerd over Bogdanow. Plechanov zette me de onjuistheid van Bogdanows standpunten uiteen, maar hij beschouwde deze afwijking niet als wanhopig groot. Ik herinner me nog uitstekend dat ik in de zomer van 1903 samen met Plechanov uit naam van de redactie van de ‘Zarja’ een gesprek had met een afgevaardigde van de redactie van de ‘Schetsen van een realistische wereldbeschouwing’[5] in Genève, waarbij wij het eens werden om samen te werken -ik over het agrarische vraagstuk, Plechanov over de filosofie tegen Mach. Zijn aanval op Mach stelde Plechanov als een voorwaarde voor de samenwerking, welke voorwaarde door de redactieafgevaardigde van de ‘Schetsen’ volledig werd aanvaard. Plechanov beschouwde Bogdanow toen als een bondgenoot in de strijd tegen het revisionisme, maar als een bondgenoot, die zich in zoverre vergiste dat hij eerst Ostwald volgde en later ook Mach.

In de zomer en herfst van 1904 gingen Bogdanow en wij definitief uit elkaar, als bolsjewieken, en sloten wij dat stilzwijgende en de filosofie als neutraal terrein buiten beschouwing latende blok, dat de hele revolutietijd heeft bestaan en ons de mogelijkheid bood om in de revolutie gezamenlijk de politiek van de revolutionaire sociaaldemocratie (=bolsjewisme) door te voeren, die naar mijn diepste overtuiging de enig juiste was.

Wij kwamen er in de hitte van de revolutie weinig aan toe om ons met de filosofie bezig te houden. Begin 1906 schreef Bogdanow in de gevangenis nog iets — ik geloof de IIIde aflevering van zijn ‘Empiriomonisme’. Hij gaf het me in de zomer van 1906 cadeau en ik ben er toen aandachtig voor gaan zitten. Toen ik het uit had werd ik kwaad en ging ik vreselijk tekeer: het was mij nog duidelijker geworden dat hij een aarts-onjuiste, niet-marxistische weg volgde. Ik schreef hem toen een ‘liefdesverklaring’, een briefje over de filosofie met een omvang van drie schriften. Ik zette hem daarin uiteen, dat ik natuurlijk in de filosofie maar een doodgewoon marxist was, maar dat juist zijn heldere, populaire en prachtig geschreven werken mij definitief overtuigden van zijn ongelijk wat de essentie betreft en van het gelijk van Plechanov. Ik liet deze schriftjes aan een paar vrienden zien (waaronder ook Loenatsjarski) en dacht erover om ze te publiceren onder de titel ‘Opmerkingen van een gewoon marxist over de filosofie’, maar ik kwam er niet aan toe. Dezer dagen heb ik naar Petersburg geschreven met het verzoek om die schriftjes op te zoeken en ze mij toe te sturen.[6]

Nu zijn de ‘Schetsen over de filosofie van het marxisme’ uitgekomen. Ik heb alle artikelen gelezen, behalve dat van Soevorov (waar ik nu aan bezig ben) en bij elk artikel was ik gewoon razend van verontwaardiging. Nee, dat is geen marxisme! En onze empiriokritici, empiriomonisten en empiriosymbolisten duiken het moeras in. De lezer verzekeren dat het ‘geloof’ in de realiteit van de buitenwereld ‘mystiek’ is (Bazarov), op de meest onwijze manier het materialisme verwarren met marxisme (Bazarov en Bogdanov), een variëteit op het agnosticisme (empiriokriticisme) en idealisme (empiriomonisme) prediken — de arbeiders ‘religieus atheïsme’ bijbrengen en de ‘vergoddelijking’ van de hoogste menselijke potenties (Loenatsjarski) — Engels’ leer van de dialectiek tot mystiek verklaren (Berman) — putten uit de stinkende bron van zekere Franse ‘positivisten’, agnostici of metafysici — moge de duivel hen halen met hun ‘symbolistische kennistheorie’ (Joesjkevitsj)! Nee, dat loopt de spuigaten uit. Natuurlijk zijn wij gewone marxisten geen mensen die in de filosofie belezen zijn — maar daarom hoeven ze ons nog niet zo te beledigen door ons zoiets als zijnde de filosofie van het marxisme op te dissen! Ik laat me nog eerder vierendelen dan dat ik instem om mee te werken aan een orgaan of een groep die zulke dingen predikt.

Ik werd weer aangetrokken tot de ‘Opmerkingen van een gewoon marxist over de filosofie’ en ik begon eraan te schrijven[7], en aan Al. Al-tsj heb ik gedurende het lezen van de ‘Schetsen’ natuurlijk duidelijk en grofweg mijn indrukken uiteengezet.

Maar wat heeft uw artikel hiermee te maken, zult u vragen. Wel dit, dat precies in de tijd dat deze meningsverschillen tussen de bolsjewieken zich bijzonder dreigden toe te spitsen, u op een duidelijke manier een begin maakt met de uiteenzetting van de standpunten van één stroming in uw werk voor de ‘Proletari’. Ik weet natuurlijk niet wat en hoe het er in zijn totaliteit bij u zou uitkomen. Bovendien ben ik van mening, dat een kunstenaar voor zichzelf heel wat nuttigs mag putten uit welke filosofie dan ook. En tenslotte ben ik het er geheel en onvoorwaardelijk mee eens dat u in de vraagstukken van het artistieke scheppen alle boeken ter beschikking moet hebben en dat u vanuit dit soort opvattingen en uit uw eigen artistieke ervaring en uit de filosofie, al is ze dan ook idealistische, tot conclusies kunt komen, die van enorm groot nut zullen zijn voor de arbeiderspartij. Dat is allemaal waar. Maar toch moet de ‘Proletari’ absoluut neutraal blijven ten opzichte van al onze meningsverschillen in de filosofie, zonder de lezer ook maar een schaduw van aanleiding te geven om de bolsjewieken als richting, als tactische lijn van de revolutionaire vleugel binnen de sociaaldemocraten, te koppelen aan empiriokriticisme of empiriomonisme.

Toen ik, na uw artikel gelezen en herlezen te hebben, tegen A. A-tsj zei dat ik tegen plaatsing ervan was werd hij donkerder dan een regenwolk. Boven ons hoofd hing een regelrechte sfeer van splitsing. Gisteren hebben we onze redactionele trojka verzameld voor een bijzondere zitting ter beoordeling van het vraagstuk. Toen kwam ons onverwacht een domme uitval in de ‘Neue Zeit’ te hulp. In nummer 20 had een onbekende vertaler daar een artikel van Bogdanow geplaatst over Mach, waarbij hij er in een voorwoord nog uitflapte dat de meningsverschillen tussen Plechanov en Bogdanow de tendentie zouden hebben om onder de Russische sociaaldemocraten een fractieverschil te worden tussen bolsjewieken en mensjewieken! Door deze woorden heeft de dwaas of sufferd die dit voorwoord had geschreven ons weer aaneengesloten. Wij waren het er dadelijk over eens, dat een verklaring van onze neutraliteit onherroepelijk noodzakelijk was in het eerstvolgende nummer van de ‘Proletari’. En dat was uitermate goed in overeenstemming met mijn stemming na het verschijnen van de ‘Schetsen’. De verklaring is opgesteld, eenstemmig bevestigd en morgen verschijnt hij in nummer 21 van de ‘Proletari’ en wordt ook aan u toegezonden.

Aangaande uw artikel hebben wij besloten om dat vraagstuk op te schorten; in drie brieven van elk der drie redactieleden van de ‘Proletari’ wordt u de hele stand van zaken uiteengezet en de reis van mij en Bogdanow zal worden versneld.

U hebt dus nog een brief te ontvangen van Al. Al. en van de derde redacteur, over wie ik u al eerder in een brief heb geschreven.

Ik acht het noodzakelijk om u mijn mening volkomen direct te zeggen. Een zeker gevecht tussen de bolsjewieken onderling over het vraagstuk van de filosofie acht ik nu volkomen onvermijdelijk. Maar een scheuring over dit onderwerp zou volgens mij een domme zaak zijn. Wij hebben een verbond gesloten om binnen de arbeiderspartij een bepaalde politiek te kunnen doorvoeren. Wij hebben deze tactiek ook gevoerd en wij doen dit tot op de dag van vandaag zonder meningsverschillen (het enige meningsverschil ging over de boycot van de Derde Doema, maar in de 1ste plaats is dit onder ons nooit zodanig toegespitst dat er ook maar een verwijzing naar een scheuring is geweest, en ten 2de viel het niet samen met het verschil van mening tussen de materialisten en de machisten, want de machist Bazarov was bijvoorbeeld net als ik tegen de boycot en heeft er een groot feuilleton over geschreven in de ‘Proletari’.

Het opwerpen van hinderpalen voor de doorvoering van een tactiek van de revolutionaire sociaaldemocratie in de arbeiderspartij ter wille van ruzies over materialisme of machisme zou volgens mij een onvergeeflijke domheid zijn. Wij moeten op het stuk van de filosofie dusdanig strijden, dat de ‘Proletari’ en de bolsjewieken, als fractie van de partij, hier niet door worden geraakt. En dat is heel wel mogelijk.

En volgens mij behoort u daarbij te helpen. En u kunt helpen door in de ‘Proletari’ te werken aan neutrale (d.w.z. geheel buiten verband met de filosofie staande) vraagstukken van de literaire kritiek, de publicistiek, de artistieke creatie enz. Uw artikel zou u — als u een scheuring wilt verhinderen en wilt helpen om een nieuwe strijd te lokaliseren — moeten omwerken: alles wat ook maar zijdelings te maken heeft met de filosofie van Bogdanow zou naar een andere plaats moeten worden overgebracht. U hebt, de hemel zij dank, nog andere mogelijkheden van publicatie buiten de ‘Proletari’. Alles wat niet in verband staat met de filosofie van Bogdanow — een groot deel van uw artikel staat er niet mee in verband — zou uiteen gezet kunnen worden in een reeks artikelen voor de ‘Proletari’. Een ander gedrag van uw kant, d.w.z. een weigering om uw artikel om te werken of een weigering om mee te werken aan de ‘Proletari’, zal volgens mij onvermijdelijk leiden tot een verscherping van het conflict tussen de bolsjewieken, tot moeilijkheden bij het lokaliseren van nieuwe strijd en tot een verzwakking van de wezenlijke, praktisch en politiek gezien onontkoombare zaak van de revolutionaire sociaaldemocratie in Rusland.

Dat is mijn mening. Ik heb u alles verteld wat ik denk en ik wacht nu uw antwoord af.

Wij wilden vandaag naar u toegaan, maar het bleek dat we dat voor niet minder dan een week moesten uitstellen en misschien zelfs wel voor twee of drie.

Ik druk u warm de hand. Uw N. Lenin

_______________
[1] Lenin schrijft over artikel ‘De vernietiging van de persoonlijkheid’, waarvan de eerste variant door Gorki werd voorgesteld op te nemen in de ‘Proletari’ in de vorm van een serie opmerkingen. ‘De vernietiging van de persoonlijkheid’ werd voor het eerst afgedrukt in de bundel ‘Opstellen over de filosofie van het collectivisme’, uitg. ‘Znanië’, St.-Petersburg 1909.
[2] Lenin bedoelt hier de bundel ‘Schetsen over de filosofie van het marxisme’ van W. Bazarov, J. Berman, A. Loenatsjarski, P. Joesjkevitsj, A. Bogdanov, I. Gelfond en S. Soevorov, die in 1908 te Sint-Petersburg werd uitgegeven.
[3] ‘Zarja’ (‘Dageraad’) — een marxistisch wetenschappelijk-politiek tijdschrift dat in 1901-1902 legaal te Stuttgart werd uitgegeven door de redactie van de ‘Iskra’. In totaal verschenen er vier nummers van de ‘Zarja’. Het blad trad op met kritiek tegen het internationale en het Russische revisionisme het ‘legale marxisme’ en het ‘economisme’ ter verdediging van de theoretische grondslagen van het marxisme.
[4] Bedoeld wordt Lenins boek ‘Een stap voorwaarts, twee stappen terug’, dat in mei 1904 in Genève verscheen en A. Bogdanovs boek ‘Empiriomonisme’, aflevering 1, Moskou 1904.
[5] De bundel ‘Opstellen over een realistische levensbeschouwing’ van A. Loenatsjarski, W. Bazarov, A. Bogdanov, P. Maslov, W. Sjoeljatikov, W. Fritsche en anderen verscheen in 1904 te Sint-Petersburg. De artikelen van Plechanov en Lenin werden niet in de bundel opgenomen.
[6] De ‘Schriftjes’ - ‘Opmerkingen van een gewone marxist over de filosofie’ werden in 1906 door Lenin geschreven naar aanleiding van Bogdanovs boek ‘Empiriomonisme’, aflevering 3. Het is tot dusverre niet gevonden.
[7] Lenin was in die tijd begonnen aan zijn werk ‘Materialisme en empiriokriticisme’.