Ernest Mandel

De Duitse sociaaldemocratie is 100 jaar geworden


Geschreven: januari 1964
Bron: La Gauche nr. 3, 17 januari 1964.
Transcriptie/Vertaling: Valeer Vantyghem
Oorspronkelijke titel La Social Démocratie Allemande a eu 100 ans.
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive

Laatste bewerking: 28 augustus 2009


Verwant:
Vijftig jaar geleden, 1914, het Grote Schisma
De Belgische sociaaldemocratie en de reformistische erfenis
Het revisionisme in de praktijk

De Algemene Associatie van de Duitse arbeiders

Voor 1848 waren er reeds arbeidersorganisaties opgericht geweest. Doch toen de revolutie was neergeslagen werden die groeperingen door de autoriteiten van de verschillende staten van de Duitse Confederatie ontbonden.

Vijftien jaar later had Lassalle de buitengewone verdienste in Duitsland de onafhankelijke arbeidersbeweging terug leven in te blazen: hij stichtte op 23 mei 1863 de Algemene Associatie van de Duitse arbeiders.

Hij stelde een programma voor bestaande uit drie punten:

  1. een politieke arbeidersbeweging die los staat van de burgerlijke partijen;
  2. het algemeen stemrecht;
  3. het oprichten van productiecoöperatieven gesteund door de Staat.

De sociaaldemocratische partij, gesticht te Eisenach

Een deel van de leden van de bestaande arbeidersorganisaties volgden Lassalle die het jaar daarop overleed. Hoewel ze militant waren binnen deze groeperingen bleven de twee meest opgemerkte figuren van het Duitse socialisme, W. Liebknecht en A. Bebel , in nauw contact met de radicale vleugel van de democraten.

Toen beide zich in 1864 aansloten bij de Internationale Arbeidersassociatie, waarvan de inhuldigingsrede en de statuten door Karl Marx te Londen waren geschreven, kwamen deze democraten in conflict met Liebknecht en Bebel.

De stichting, in 1869, van de ‘Sociaal Democratische Arbeiderspartij’ was enkel het gevolg geweest van een evolutie die zich reeds het jaar ervoor had afgetekend. De arbeidersorganisaties, op hun jaarlijks congres bijeen, en voorgezeten door Bebel, namen een programma aan dat de belangrijkste ideeën overnam van de inhuldigingsrede en van de statuten van de Internationale Arbeidersassociatie.

Het programma van Eisenach bevatte ideeën en eisen die zowel terug te vinden waren bij Lassalle, Marx en Engels als bij de Saksische Volkspartij, een democratische partij, enkele jaren eerder door Bebel en Liebknecht gesticht.

Dit programma betekende echter een breuk met deze partij daar het duidelijke stelde dat het bestaande economische systeem moest vervangen worden door een socialistisch stelsel, wat verder ging dan de doelstellingen van de democraten.

Na de stichting van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij, terwijl de Algemene Associatie van Duitse Arbeiders reeds bestond, waren er in Duitsland twee socialistische partijen.

In 1870 bestreden de socialistische volksvertegenwoordigers met vuur de oorlog, en hiervoor werden Liebknecht en Bebel in de gevangenis opgesloten.

Het programma van Gotha

Toen in 1870 het Duitse Rijk was gevormd dreef het gerecht de vervolgingen tegen de twee socialistische partijen verder op.

Er bestonden niet langer meningsverschillen tussen de twee organisaties. En wat later, in 1875, kwam er te Gotha een eenwordingscongres.

Het programma van Gotha werd vooral vermaard door de scherpe kritiek van Karl Marx. Deze kritiek is van het grootste belang voor de socialistische theorie en praktijk, meer bepaald betreffende de opvattingen over de Staat. Uit het programma kwam het klassenkarakter van deze staat duidelijk naar voor.

Van 1878 tot 1890 moest de arbeidersbeweging afrekenen met de ‘socialistenwet’ en de vervolgingen door Bismarck. Op Kerstmis 1878 werden er talrijke arrestaties verricht. De pers van de partij werd opgeheven en vergaderingen verboden. Erger nog, de socialisten konden krachtens die wet sommige beroepen niet langer uitoefenen.

Het congres van Erfurt

K. Kautsky en E. Bernstein hadden, met de goedkeuring van Frederich Engels, de metgezel van Marx, een ontwerp van programma voorgesteld, dat in 1891 op het Congres van Erfurt werd aanvaard.

Dit programma bestond uit een gedeelte dat alle basisprincipes bevatte, en bijna letterlijk uit het ‘Kapitaal’ was overgenomen. Hier sprak Marx van de natuurlijke eigenschappen waarbinnen de geschiedenis zich ontwikkelde, natuurlijk in de betekenis van natuurwetten. Deze evolutie wijst aan de arbeidersklasse de doelstelling toe om de productiemiddelen aan de gemeenschap terug te schenken. Een daad die veronderstelt dat deze arbeidersklasse in het bezit komt van de politieke macht.

Het eerste deel stond, naar het leek, in geen enkel verband met het tweede deel, dat het had over de onmiddellijke eisen.

Dit programma was aan kritiek onderhevig, er zou een tegenstelling hebben bestaan tussen beide delen Men zou de mening kunnen hebben dat uit het eerste gedeelte kon blijken dat enkel de socialisatie van de productiemiddelen echt de toestand van de arbeiders zou kunnen verbeteren en dat enkel propaganda voor die opvatting zin had. Het tweede verwees enkel naar maatregelen die als werkzaam werden beschouwd, en hier zou er geen sprake zijn geweest van de socialisatie van de productiemiddelen. Deze onduidelijkheid was vooral te wijten aan het feit dat men in het Duitsland van de Kaiser onmogelijk openlijk kon zeggen dat het regime diende omvergeworpen te worden.

Heel vlug al nadat het nieuwe programma was aangenomen, stelde er zich een concreet en heel belangrijk voorbeeld waaruit zou blijken welke de politieke gevolgen waren van het conflict over de interpretatie van het eerste en het tweede deel. Een belangrijke groep binnen de Duitse bevolking bestond uit boeren. Veel socialisten – waaronder Bebel – dachten dat men er belang bij had om aan het programma van de partij eisen toe voegen ten voordele van deze boeren. In die zin deden ze in 1895 een voorstel op het Congres van Breslau.

Kautsky, echter, zorgde ervoor dat dit voorstel werd afgewezen en hij steunde hierbij op het basisprogramma. Er kon geen afdoende verbetering komen in het lot van de boeren daar de kleine onderneming, historisch gezien, verdoemd was om te verdwijnen.

Het revisionisme

Heel gewichtige debatten over het programma doken op rond de eeuwwende. Toen verschenen Eduard Bernstein en zijn ‘revisionisme’ op het toneel. In 1898 verklaarde Bernstein namelijk in een brief, gericht aan het Congres van Stuttgart: ‘Ik heb bezwaren geopperd tegen de opvatting als zouden we weldra te maken krijgen met het te verwachten ineenstorten van de burgerlijke maatschappij en dat de sociaaldemocratie haar tactiek moet bepalen in het vooruitzicht van een dergelijke sociale rampspoed, en eventueel haar tactiek hierbij moet aanpassen. Dat hou ik volledig staande. ’

En: ‘De sociaaldemocratie heeft tot taak, in plaats van te speculeren op de grote ineenstorting, om nog gedurende lange tijd de arbeidersklasse politiek te organiseren, haar op de democratie voor te bereiden, en te strijden voor alle hervormingen die eigen zijn aan de democratische omvorming van de Staat.’

Bernstein had gewoon bevestigd wat de Partij al geruime tijd in de praktijk bracht.

De oorlog van 1914

Heel zeker, de totale ineenstorting van het kapitalisme is er niet gekomen. Doch de oorlog kwam er wel: waar het de historische taak was van het kapitalisme om de werkende klasse en de productiemiddelen te concentreren, als noodzakelijke voorwaarde voor het socialisme, begon het nu echter tekenen van verval te vertonen.

De sociaaldemocratie bleek, waar de organisaties een doel op zich waren geworden, niet langer in staat om zelfs ook maar moreel tegen de oorlog ten strijde te trekken, naar het voorbeeld van de Duitse socialisten in 1870, die nochtans over minder middelen beschikten.

De meerderheid van de Duitse Sociaal Democraten heeft zelfs actief aan de vijandelijkheden deelgenomen. Eerst stemden ze de militaire kredieten om vervolgens onder het bewind van de Kaiser tot de regering toe te treden. Dit gebeurde op een ogenblik dat de arbeidersklasse in beweging was gekomen, en begon te spreken van de waanzin van een oorlog, die zo weinig met haar klassenbelangen strookte.

Die socialisten nu die zich alras tegen de oorlogskredieten keerden, hadden zich gegroepeerd in een Onafhankelijke Socialistische Partij. Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, de leiders van de groep ‘Spartacus’ die de Revolutie voorstond, werden er lid van.

De revolutie van 1918

De revolutie van 1918 – die er kwam tegen de wil van de Sociaal Democratische Partij – had de Republiek tot gevolg.

Alle macht kwam in handen te liggen van een Raad van Volkscommissarissen waar de meerderheidssocialisten en de onafhankelijke samenwerkten. De Raad zelf stond onder controle van het Algemeen Congres van de Raden van Arbeiders en Soldaten.

De Onafhankelijke Socialisten werden al snel van de macht uitgesloten, terwijl de meerderheidssocialisten maatregelen namen om de orde te herstellen. In plaats van de arbeidersklasse te bewapenen vormden ze vrijkorpsen, aangevoerd door chefs die later leidende nazi’s zouden worden. Hitler zelf startte hier als propagandaofficier zijn loopbaan.

Een open strijd barstte los tussen de reactionaire benden, houvast van een regering bestaande uit meerderheidssocialisten, en de gewapende arbeiders aangesloten bij de groep Spartacus en de Onafhankelijke Socialistische Partij. De arbeiders werden verpletterd.

Na de nederlaag werden Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg aangehouden en om het leven gebracht. De moordenaars hebben aan de regering geen enkele rekenschap moeten afleggen en zodoende nam die de verantwoordelijkheid op zich.

Zo heeft de sociaaldemocratische regering met geweld de kapitalistische orde hersteld. Dit was het werk van Ebert, Scheidemann, maar vooral van Noske.

Léon Blum heeft in 1933 niet geaarzeld om te bevestigen dat, het aan de macht komen van de nazi’s de prijs is geweest die de sociaaldemocratie heeft moeten betalen voor haar weigering om de revolutie van 1918 te steunen.

Gustave Noske, rechts volksvertegenwoordiger van de socialistische partij, specialist, reeds voor de oorlog, in militaire vraagstukken, verwierf, hoewel gemobiliseerd als eenvoudige sergeant, het vertrouwen van de legerleiding. Zo werd hij, in 1914, bij het begin van de vijandelijkheden, belast met zendingen. Hij was aanwezig, in het gezelschap van officieren van de generale staf, bij het bombardement van Antwerpen. Wanneer hij niet op zending was, verbleef hij in de loopgraven waar hij de gewone soldaat leerde kennen. Tegelijkertijd kreeg hij een grenzeloze bewondering voor het officierenkorps.

Bij de revolutie van 1918, terwijl Ebert decreten spuwde, nam Noske het op zich om de arbeidersklasse neer te slaan. Zijn reactie, toen hij werd benoemd aan het hoofd van het Ministerie van Landsverdediging, luidde als volgt: ‘Er moest toch iemand van ons de taak van beul op zich nemen’ (letterlijk, Bluthund). Fascist bij uitstek had hij geen enkel begrip voor de ellende van de arbeiders.

De ‘Putch’ van Kapp

Noske bouwde het Duitse leger weer op. Hij gaf aan het officierenkorps terug een zeker prestige. Maar op 13 maart 1920 wilde een deel van hen de socialisten uit de regering verjagen. Kapp, aan het hoofd van de troepen uit het Oosten, trok Berlijn binnen. De socialistische ministers vluchtten naar Stuttgart, en deden een beroep op de arbeidersklasse. Ze riepen de algemene staking uit.

In de Ruhr bewapenden de arbeiders zich en stichtten raden. Om hen te belonen stuurde de regering het leger, om hen te verpletteren.

De generaal die het bevel voerde over de expeditie was in het gezelschap van een commissaris van het Reich, speciaal voor de omstandigheden benoemd, de socialistische volksvertegenwoordiger Severing.

Aldus, ondanks het feit dat ze met een militaire staatsgreep hadden kennis gemaakt, gaf de sociaaldemocratie de voorkeur aan het reactionaire leger, bestaande uit huurlingen, eerder dan aan de arbeidersklasse.

Dit zou een tragische fout blijken: ze maakte de weg vrij voor de macht van Hitler. Deze verkeerde keuze was bovendien logisch. Ze was het gevolg van de bewondering die de sociaaldemocraten koesterden voor de Duitse staat en voor het officierenkorps. Heel zeker, het leger en de staat waren voortreffelijk georganiseerd. Doch de organisatie – en de Staat is enkel een organisatie – mag geen doel op zich zijn. Men moet er de bedoeling van inzien. De Duitse staat en het leger, dat er het belangrijkste instrument van was, dienden om de kapitalisten en de grootgrondbezitters te verdedigen. Vijfentwintigduizend onder hen bezaten één vierde van de Duitse gronden.

Tegenover de klassenstaat van de uitbuiters, zo toont de geschiedenis, is het nodig een arbeidersstaat te plaatsen, die steunt op arbeidersmilities.

Een nieuwe reeks programma’s

Daarna werd de reeks programma’s almaar langer: in het programma van Görlitz van 14 september 1921, werd er niet langer gesproken over de ‘noodwendige’ evolutie, wat nochtans heel dienstig was gebleken in het eerste deel van het programma van Erfurt. Men sloot zich aan bij de staat en bij de republikeinse grondwet, bij de Democratie, en bij de vrede door ontwapening en de door het oprichten van de Volkenbond. Dat was niet zo moeilijk, gezien Duitsland, als het gevolg van het verdrag van Versailles, slechts over een beperkt leger kon beschikken. Er werd geen rekening gehouden met de tegenstellingen tussen de kapitalistische naties die vroeg of laat naar nieuwe conflicten moesten leiden; ondanks alle denkbare Volkenbonden. Het programma eiste, in een bovendien duistere zin, ‘de overdracht van de grote bedrijven, samengebracht in een economie van de gemeenschap’ en, is het om te spotten, ‘de totale vrijheid om de syndicale en socialistische strijd te voeren’. En daar waar een tijdje eerder, de sociaaldemocratie over alles beschikte en alles had kunnen in handen houden, ware het dat ze had gesteund op de arbeidersklasse.

Het programma van Heidelberg zat iets steviger ineen. De noties van het authentiek socialistisch programma van Erfurt worden hernomen, meer bepaald wat betrof de socialisatie van de productiemiddelen, want de tegenstander was sterker geworden.

Na de ervaringen met het fascisme en het stalinisme en de algemene evolutie van de economische en sociale toestand, zagen de socialisten zich genoodzaakt om hun ideeën en hun middelen te herzien.

Het programma van de Duitse Socialistische Partij werd in 1959, op het Congres van Godsesberg, bijna eenparig aanvaard, en was het resultaat van lange voorbereidende interne gesprekken.

Er was geen sprake meer van het ‘onvermijdelijke karakter van de geschiedenis’. Theorie en praktijk waren niet langer in tegenspraak, wat onverhuld betekende, dat het programma de weerspiegeling was van een politiek waarin samenwerking met de burgerij centraal stond.

In het werkstuk gepubliceerd ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de sociaaldemocratie (Programme der Deutschen Sozialdemokratie) kon men lezen: ‘Het doel van het socialisme is, min of meer duidelijk verwoord, altijd hetzelfde geweest: het socialisme is altijd een beweging van verzet geweest tegen de onderdrukking van de mens, tegen de dwang binnen de menselijke verhoudingen. En dit protest is gebaseerd op het geloof dat er een sociale ordening mogelijk is die aan elke mens evenveel kansen biedt om zijn leven waardig in te richten en zo deelachtig te zijn aan een rijk gevuld cultureel leven, waaraan alle menselijke wezens kunnen bijdragen.’

Dit was een heel laag bij de grond en totaal ontoereikende definitie van wat het socialisme is. Want uiteindelijk vertellen alle partijen, als ze zich tot het volk richten, ditzelfde verhaal, en, eenmaal aan de macht zien we goed wat dit verhaal inhoudt.

In de Verenigde Staten verkondigen kapitalistische partijen juist hetzelfde. Maar welke zijn hun daden? Progressieve militanten worden aangehouden, de negers worden slecht behandeld, er worden politieke moorden gepleegd, Cuba wordt gewurgd en er zijn de schietpartijen in Panama. In hetzelfde werkstuk (Programme der Deutsche Sozialdemokratie), het is waar, vond men ook het volgende terug: ‘Vrijheid en gelijkheid leken in de ogen van veel socialisten een strijdkreet van de burgerij ten gunste van haar gelijkheid. In feite had de arbeidersklasse bijna helemaal geen deel in het tot stand brengen van deze sociale en morele waarden, uitgesloten als ze was van de vrijheid en de gelijkheid.’

Men kon zich afvragen waarom deze tekst in de verleden tijd was opgesteld. In feite was de situatie dezelfde gebleven.

Insgelijks kon men er lezen: ‘De ongebreidelde macht van hen die de productiemiddelen bezitten valt in feite niet te verzoenen met een democratisch stelsel. Maar die macht is niet langer onbeperkt dankzij de politiek van de socialisten.’

Men zou zich waarlijk de vraag stellen waar en wanneer de socialisten er in geslaagd waren om in Duitsland de macht van de kapitalisten te beperken. Men kon zijn ogen niet geloven.

Het programma van de Duitse sociaaldemocratie steunde geheel en al op de continue welvaart die het kapitalisme biedt.

En inderdaad: ‘De algehele socialisatie is niet langer het middel tegen sociale kwalen en vooral niet langer synoniem aan socialisme.’

Als dat geen frauduleus failliet was. Het socialisme werd overboord gegooid daar waar de democratie ingesteld was geweest door de overwinnaars van de oorlog. Deze sociaaldemocratie bewonderde hen in dusdanige mate, dat ze de sociale concepten heeft overgenomen van het meest imperialistische land ter wereld, de Verenigde Staten.

In dat land, dat model staat, vinden we geen socialistische partij. Dus moet die ook elders de baan ruimen. Eigenlijk was dit standpunt het enig logische voor wie zich op Washington wilde richten.

De Duitse sociaaldemocratie heeft niks socialistisch meer, dat weten wel al sinds 1914.

Het Duitsland dat we erkennen en dat ons diepste respect verdient is het Duitsland van het proletariaat, het Duitsland van Marx en Engels, van de miljoenen mensen die strijd hebben geleverd voor de zaak van het socialisme, waarvan er duizenden en duizenden gedood zijn, het wapen in de hand, of in de concentratiekampen. En waarvan er duizenden strijders vandaag in de schoot van de vakbonden hun krachten bundelen.


Zoek knop