Friedrich Engels
Anti-Dühring


Tactiek van de infanterie uit materiele oorzaken afgeleid [260]

1700 — 1870

In de 14e eeuw werden het buskruit en de vuurwapens in West- en Midden-Europa bekend, en ieder schoolkind weet dat deze zuiver technische vooruitgang de hele oorlogvoering revolutioneerde. Maar deze revolutie voltrok zich zeer langzaam. De eerste vuurwapens waren zeer primitief, vooral de handbuksen. En hoewel er ook al gauw een massa aparte verbeteringen uitgevonden werd — de getrokken loop, de achterlading, het radslot enz. — duurde het toch meer dan 300 jaar, tot het einde van de 17e eeuw, eer er een geweer werd vervaardigd dat voor de bewapening van de gehele infanterie geschikt was.

Het voetvolk van de 16e en 17e eeuw bestond ten dele uit piekdragers, ten dele uit schutters met buksen. In het begin waren de piekeniers ervoor bestemd om op het beslissende ogenblik van de slag met het blanke wapen tot de aanval over te gaan, terwijl het vuur van de schutters de verdediging overnam. De piekeniers vochten daarom in een dichte massa, zoals de Oudgriekse falanxen. De schutters stonden in acht tot tien opsluitende gelederen, omdat er juist zoveel schutters achtereenvolgend afvuren konden, eer de eerste weer geladen had. Wie schietklaar was, sprong naar voren, vuurde af en ging dan weer terug in het laatste gelid om opnieuw te laden.

De geleidelijke vervolmaking van de vuurwapens veranderde deze verhouding. Het lontroer kon eindelijk zo vlug geladen worden, dat nu nog maar vijf man — dus vijf opsluitende gelederen — voor het onderhoud van een ononderbroken vuur vereist werden. Men kon dus nu met hetzelfde aantal musketiers een bijna dubbel zo lang front bezetten als vroeger. De piekeniers werden, wegens de veel vernietigender geworden werking van het geschutvuur op de dichte massa, nu ook nog maar in zes tot acht gelederen opgesteld, en zo naderde de slagorde geleidelijk aan die van de linie, waarin de beslissende slag nu eerder voor rekening van het geweervuur kwam en de piekeniers niet meer tot aanval overgingen, maar alleen nog voor dekking van de schutters tegen de ruiterij bestemd bleven. Aan het einde van deze periode vinden wij een slagorde die uit twee echelons en een reserve bestaat. Ieder echelon rukt aan in linie, die meestal uit 6 gelederen bestaat. De schutters en ruiters bevonden zich ten dele in de intervallen tussen de bataljons, ten dele op de flanken. Ieder infanteriebataljon bestond daarom hoogstens uit 1/3 piekeniers en minstens 2/3 musketiers.

Aan het einde van de 17e eeuw kwam eindelijk het vuursteengeweer met bajonet, dat met gefabriceerde patronen geladen werd. Daarmee verdween de piek helemaal uit de infanterie. Het laden werd minder tijdrovend, het snelle vuur dekte zich zelf, de bajonet nam in geval van nood de plaats van de piek in. Hiermee kon de diepte der linie van zes op vier, later op drie en uiteindelijk hier en daar op twee man verminderd worden. De linie werd dus bij een gelijk aantal lieden steeds langer, er kwamen steeds meer geweren gelijktijdig in actie. Maar deze lange dunne linies werden daarmee ook steeds meer onhandelbaar, zij konden alleen op vlakke terreinen zonder hindernissen zich met orde en daardoor langzaam, 70-75 passen per minuut, bewegen. En juist op vlakten boden zij, vooral op de flanken voor de vijandelijke ruiterij, een goed uitzicht voor een succesvolle aanval. Ten dele om deze flanken te beschermen, ten dele om de doorslaggevende vuurlinie te versterken, trok men de ruiterij helemaal op de flanken samen, zodat de eigenlijke slaglinie alleen uit het voetvolk met zijn licht bataljonsgeschut bestond. Het uiterst plompe zware geschut stond voor de flanken en veranderde gedurende de slag hoogstens een maal van plaats. Het voetvolk rukte in twee gevechtslinies aan, waarbij hun flanken door de infanterie in haakstelling gedekt werden, zodat de opstelling een enkele, zeer lange, holle vierhoek vormde. Deze massa was hulpeloos, wanneer zij zich niet als een geheel kon bewegen, en bestond alleen uit drie delen: het centrum en de beide flanken. De hele beweging van de delen bestond daarin, om een flank die van de vijand in getal overtrof, voor een omtrekkende beweging vooruit te schuiven, terwijl men de andere dreigend terughield om de vijand een overeenstemmende frontverandering te verhinderen. De totale opstelling gedurende de slag te veranderen was zo tijdrovend en bood de vijand zoveel zwakke plekken, dat de poging bijna altijd gelijk was met een nederlaag. De oorspronkelijke opmars bleef dus voor de hele slag maatgevend, en de beslissing viel zodra het voetvolk eenmaal in het vuur was, met één onherroepelijke slag. En deze hele manier van oorlogvoeren, die door Frederik II tot volmaaktheid ontwikkeld werd, was het onvermijdelijke gevolg van twee samenwerkende materiële factoren. Ten eerste, van het mensenmateriaal van de toenmaals streng gedrilde, maar gans onbetrouwbare, slechts met de stok samengehouden vorstelijke huurlegers, die ten dele waren samengesteld uit onvrijwillige vijandige krijgsgevangenen. Ten tweede, van het wapenmateriaal — van het onhandige zware geschut en de gladlopende, vlugge, maar slecht schietende vuursteengeweren met bajonetten.

Deze manier van oorlogvoeren duurde zolang de tegenstanders met betrekking tot het mensenmateriaal en de bewapening op dezelfde stand bleven en het daarom beide zijden van pas kwam zich aan de voorgeschreven regels te houden. Toen echter de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, kwamen de goed gedrilde huursoldaten plotseling tegenover troepen insurgenten te staan, die weliswaar niet exerceren, maar des te beter schieten konden, die meestal trefzekere buksen hadden en die voor hun eigen zaak streden, dus niet deserteerden. Deze insurgenten deden de Engelsen niet het genoegen, in vrije vlakten, volgens al de meegebrachte regels van de krijgsetiquette het bekende krijgsmenuet in langzame pas met hen mee te dansen. Zij lokten de tegenstanders naar dichte wouden, waar hun lange marscolonnes weerloos aan het vuur van de verspreide, onzichtbare schutters waren overgeleverd. Zij benutten, in losse zwermen geformeerd, iedere terreindekking om de vijand afbreuk te doen en bleven daarbij, door hun grote beweeglijkheid, steeds onbereikbaar voor zijn onbeholpen massa. Het vuurgevecht van verspreide schutters, dat reeds bij de invoer van de handvuurwapens een rol gespeeld had, bleek hier dus in bepaalde gevallen, vooral in kleine oorlogen, een betere tactiek te zijn dan die van de gevechtslinies.

Waren de soldaten van Europese huurlegers al niet voor het verspreide gevecht geschikt, hun bewapening was het nog minder. Men steunde weliswaar niet meer bij het afvuren het geweer tegen de borst, zoals de oude musketiers dat met hun lontroeren gedaan hadden, men sloeg aan zoals nu, maar van mikken op het doel was nog steeds geen sprake, daar bij de helemaal rechte in de verlenging van de loop liggende kolf het oog niet tegen de loop gelegd kon worden. Pas in 1777 werd in Frankrijk de gebogen kolf van het jachtgeweer ook bij het infanteriegeweer in gebruik genomen, en daarmee werd een werkzaam tirailleursvuur mogelijk. Een tweede noemenswaardige verbetering was de in het midden van de 18e eeuw door Gribeauval geconstrueerde lichtere en toch solide affuit van het geschut, waardoor de artillerie een grotere bewegingsmogelijkheid kreeg, die later een absoluut vereiste werd.

Deze beide stappen vooruit in de techniek op het slagveld te benutten, was de Franse Revolutie beschoren. Toen het verenigde Europa haar aanviel, stelde de revolutie alle burgers die in staat waren wapens te dragen, ter beschikking van de regering. Maar deze natie had niet de tijd zich in de kunstige manoeuvres van de linietactiek zo goed te oefenen, dat zij tegenover de oudgediende Pruisische en Oostenrijkse infanterie een gelijke formatie kon stellen. In Frankrijk ontbraken echter niet alleen de Amerikaanse oerwouden, maar ook de praktisch grenzeloze uitgestrektheden voor de terugtocht. Het ging er dus om de vijand tussen de grens en Parijs te verslaan, dus een bepaald gebied te verdedigen, en dat kon uiteindelijk alleen in een open massaveldslag gebeuren. Er moest dus, naast de schutters nog een andere vorm te vinden zijn, waarin de slecht geoefende Franse massa de staande legers van Europa met enig uitzicht op succes konden weerstaan. Deze vorm vond men in de reeds bij bepaalde gevallen, maar meestal slechts op de exerceerplaats aangewende gesloten colonne. De colonne was makkelijker in orde te houden dan de linie. Zelfs wanneer deze in enige onorde geraakte, bood zij als dichte massa altijd nog — ten minste passieve — weerstand. Zij was makkelijker te handhaven, was beter door de aanvoerder te leiden en kon zich vlugger bewegen. Het marstempo steeg tot 100 en meer passen per minuut. Maar het belangrijkste resultaat was dat de colonnetactiek als uitsluitende strijdvorm van de massa het mogelijk maakte het onbeholpen, ondeelbare geheel van de oude linieslagorde in aparte eenheden te verdelen, die een zekere zelfstandigheid verkregen en die in staat waren hun algemene instructies aan de toestand ter plaatse aan te passen. Elk van deze eenheden kon samengesteld worden uit al de drie wapens. De colonne was elastisch genoeg om iedere mogelijke combinatie van troepenaanwending toe te laten, zij stond het nog door Frederik II streng verboden gebruik van dorpen en hofsteden toe, die van nu af aan in iedere slag de hoofdsteunpunten vormden. Zij was op ieder terrein aanwendbaar. De colonne kon uiteindelijk tegenover de alles op één kaart zettende linietactiek een manier van oorlogvoeren stellen, waarbij door schutterszwermen en door de geleidelijke, het gevecht rekkende aanwending van troepen, de vijandelijke linie dusdanig werd afgemat en uitgeput raakte, dat deze de stoot van de tot het laatst in reserve gehouden, frisse strijdkrachten niet meer kon afslaan. Terwijl de linieopstelling op alle punten even sterk was, kon de in colonnes vechtende tegenstander een deel van de linie met schijnaanvallen van zwakkere krachten bezighouden en zijn hoofdmassa tot aanval op een beslissend punt van de stelling concentreren. — Het vuurgevecht werd nu bij voorkeur door verspreide schutterszwermen gevoerd, terwijl de colonnes de bajonetaanval moesten uitvoeren. De verhouding leek dus weer op die van de schutterszwermen en piekeniersmassa’s uit het begin van de 16e eeuw, met dit verschil dat de moderne colonnes zich ieder ogenblik in schutterszwermen konden oplossen en deze zich weer terug in colonnes konden samentrekken.

De nieuwe methode van oorlogvoering die door Napoleon tot op het hoogtepunt ontwikkeld werd, stond zo hoog boven de oude methode dat deze laatste reddeloos en hulpeloos in stukken brak, nadat bij Jena de onbeholpen, voor het grootste deel voor een verspreid gevecht onbruikbare, langzame Pruisische linies voor het Franse tirailleursvuur, dat zij met pelotonvuur beantwoorden moesten, letterlijk als sneeuw voor de zon wegsmolten. Wanneer de linieslagorde dus niet meer te gebruiken was, dan kon dat toch in geen geval van de linie als gevechtsformatie gezegd worden. Enkele jaren nadat de Pruisen met hun linies bij Jena zo een nederlaag geleden hadden, voerde Wellington zijn Engelsen die in linie opgesteld waren tegen de Franse colonnes aan en versloeg hen regelmatig. Maar Wellington had juist de hele Franse tactiek toegepast, met deze uitzondering dat hij zijn gesloten infanterie, inplaats van in colonnes, in linies vechten liet. Hij had daarbij het voordeel dat hij onder het vuur al de geweren en bij de aanval al de bajonetten gelijktijdig gebruiken kon. In deze slagorde hebben de Engelsen tot voor enige jaren gevochten; zowel bij de aanval (Albuera) als bij de verdediging (Inkerman) [261] bleven zij in belangrijke mate in het voordeel ondanks de overmacht in aantal van de vijand. Bugeaud die tegenover deze Engelse linies gestaan had, gaf hun tenslotte de voorkeur boven de colonnes.

Ondanks dit alles was het infanteriegeweer behoorlijk slecht, zo slecht dat men op 100 passen afstand maar zelden een bepaalde man, en op 300 passen even zelden een heel bataljon treffen kon. Toen de Fransen naar Algerije gingen leden zij daarom door de lange buksen van de Bedoeïenen sterke verliezen op afstanden waarop hun geweren nutteloos waren. Hier kon dus alleen de buks met getrokken loop helpen. Maar juist in Frankrijk had men zich steeds tegen de buksen, zelfs als uitzondering verzet, omdat zij maar langzaam geladen konden worden en zo vlug verstopten. Nu echter de behoefte aan een makkelijk te laden buks zich liet voelen, werd zij dan ook meteen bevredigd. Na de voorbereidende werken van Delvignes verschenen Thouvenins geweer en Minié’s kogels. Hierdoor kon het geweer met getrokken loop net zo vlug geladen worden als het geweer met gladde loop, zodat van toen af aan de hele infanterie met vérdragende en trefzekere geweren met getrokken loop bewapend kon worden. Maar voordat men de tijd had om voor de voorlader met getrokken loop een passende tactiek uit te werken, werd hij alweer verdrongen door het nieuwste oorlogswapen, de achterlader met getrokken loop, waarmee zich gelijktijdig de getrokken kanonnen tot een steeds grotere oorlogsbruikbaarheid ontwikkelden.

De door de revolutie geschapen bewapening van de hele natie onderging spoedig belangrijke beperkingen. Alleen een deel van de dienstplichtige jongelieden werd door loten opgeroepen voor dienst in het staande leger en men vormde uit een meer of minder groot deel van de overige burgers hoogstens een ongeoefende nationale garde. Of daar waar men de algemene dienstplicht werkelijk streng doorvoerde, vormde men hoogstens een maar enige weken onder de vanen geoefend militieleger, zoals in Zwitserland. Financiële overwegingen noopten tot de keus tussen conscriptie of een militieleger. Slechts één land in Europa, en daarbij nog het armste, probeerde algemene weerplicht en een staand leger met elkaar te verenigen. Dat was Pruisen. En wanneer ook de algemene dienstplicht in het staande leger nooit anders dan benaderend werd doorgevoerd, eveneens door dwingende financiële overwegingen, zo stelde toch het Pruisische landweersysteem [262] de regering een zo belangrijk aantal geoefende en in strijdbare kaders georganiseerde lieden ter beschikking dat Pruisen beslist boven ieder ander land met het gelijke aantal bevolking stond.

In de Duits-Franse oorlog van 1870 werd het Franse conscriptiestelsel door het Pruisische landweersysteem verslagen. In deze oorlog waren echter ook voor het eerst beide zijden met achterladers bewapend, terwijl de reglementaire vormen waarin de troepen zich bewogen en vochten, in wezen dezelfde gebleven waren als in de tijd van het oude vuursteengeweer. Hoogstens met dit verschil dat de tirailleurszwermen iets dichter waren. Voor de rest vochten de Fransen nog altijd in de oude bataljonscolonnes, soms ook in linie, terwijl bij de Duitsers door invoering van compagniecolonnes althans een poging gedaan werd een aan de nieuwe wapens aangepaste strijdvorm te vinden. Zo behielp men zich in de eerste slagen. Toen echter bij de bestorming van Saint-Privat (18 aug.) drie brigades van de Pruisische garde het met de compagniecolonne in ernst probeerden, toonde zich het neerslaande geweld van de achterladers. Van de vijf regimenten die het meest in actie waren geweest (15.000 man) vielen bijna alle officieren (176) en 5.114 man, dus meer dan een derde. De hele garde-infanterie, die met een sterkte van 28.160 man het gevecht was begonnen, verloor op één dag 8.230 man, waaronder 307 officieren. [263] Van toen af aan was de compagniecolonne als strijdvorm veroordeeld, niet minder dan de bataljonscolonne of de linie. Iedere poging werd opgegeven, verder nog welke gesloten troepen dan ook aan het vijandelijke geweervuur bloot te stellen. De strijd werd van Duitse zijde voortaan alleen nog in dichte tirailleurszwermen gevoerd, waarin zich de colonnes ook vroeger al regelmatig als vanzelf onder de kogelregens verspreidden, wat men echter van boven af als in strijd met de regels zijnde, steeds bestreden had. De soldaat was weer eens knapper geweest dan de officier. De enige gevechtsvorm, die zich tot nu toe onder het vuur van de achterladers met getrokken loop heeft gerechtvaardigd, had hij instinctief gevonden en zette hij ondanks het weerstreven van de aanvoerders met succes door. Evenzo werd nu in het bereik van het vijandige geweervuur alleen nog de looppas toegepast.


Voetnoten

[260] Aanvankelijk was dit artikel een fragment uit het handschrift van het tweede gedeelte van de Anti-Dühring. Het fragment was opgenomen in hoofdstuk III van het tweede gedeelte. Later verving Engels dit deel van het manuscript door een andere, kortere tekst (zie: Theorie van het geweld (vervolg)), en de oorspronkelijke tekst voorzag hij van de titel Tactiek van de infanterie uit materiële oorzaken afgeleid. 1700-1870. Het fragment werd geschreven in 1877 van begin januari, toen Engels het werk aan het eerste gedeelte beëindigde, tot midden augustus, toen in de krant Vorwärts Hoofdstuk III van het tweede gedeelte van de Anti-Dühring gedrukt werd.

[261] De slag bij Albuera (Spanje) vond plaats op 16 mei 1811 tussen het Engelse leger van Beresford, dat de door Fransen bezette vesting Badaioz belegerde, en het Franse leger van maarschalk Soult, die de vesting te hulp kwam. De slag eindigde met een nederlaag voor de Fransen.

De slag bij Inkerman tussen het Russische leger en de legers van Engeland en Frankrijk vond plaats op 5 november 1854 tijdens de Krimoorlog (1853-1856). De slag eindigde met een nederlaag voor de Russen. Doch de felle strijd die door het Russische leger gevoerd werd leidde tot zware verliezen van de tegenpartij, vooral van de Engelsen, waardoor zij afzagen van een directe bestorming van Sebastopol en overgingen tot een lange belegering van de vesting.

[262] Pruisisch landweersysteem — zie voetnoot 97.

[263] Alle gegevens die hier aangehaald zijn over het Pruisische legeraantal en de verliezen tijdens de slag bij Saint-Privat heeft Engels naar alle waarschijnlijkheid verkregen als resultaat van het bestuderen der materialen van de officiële geschiedenis van de Frans-Pruisische oorlog van 1870—1871 die was samengesteld door de afdeling krijgsgeschiedenis van de Pruisische generale staf (zie Der Deutsch-französische Krieg 1870-71 (De Duits-Franse oorlog 1870-71), deel I, vol. 2, Berlijn 1875, blz. 669.