Friedrich Engels
Anti-Dühring


VI. Natuurfilosofie. Kosmogonie, natuurkunde, scheikunde

In het verdere verloop komen wij nu aan de theorieën omtrent de wijze waarop de huidige wereld tot stand is gekomen.

Een toestand van universeel verstrooid-zijn van de materie was reeds het uitgangspunt voor de voorstelling der Ionische filosofen. Vooral sedert Kant echter zou het aannemen van een oernevel een nieuwe rol gespeeld hebben, waarbij zwaartekracht en warmte-uitstraling de geleidelijke vorming van de afzonderlijke, vaste hemellichamen bewerkstelligden. De mechanische warmtetheorie van onze tijd maakt het mogelijk, de gevolgtrekkingen over de vroegere toestanden van het heelal een veel stelliger karakter te geven. Bij dit alles kan ‘de toestand van het verstrooid-zijn in gasvorm slechts dan een uitgangspunt voor ernstige overwegingen zijn, wanneer men in staat is het daarin gegeven mechanische systeem eerst bepaald te kentekenen. Anders blijft niet alleen de idee inderdaad uiterst nevelachtig, maar de oorspronkelijke nevel wordt ook naarmate de conclusies verder gaan, werkelijk steeds dichter en ondoordringbaarder; ... voorlopig blijft alles nog in het vage en vormloze van een niet nader te omlijnen verspreidingsidee’, en zo hebben wij ‘met dit gasheelal slechts een hoogst ijle conceptie’.

De theorie van Kant over het ontstaan van alle tegenwoordige hemellichamen uit draaiende nevelmassa’s was de grootste vooruitgang die de sterrenkunde sedert Copernicus gemaakt had. Voor het eerst begon men te wrikken aan de voorstelling als zou de natuur geen geschiedenis in de tijd hebben. Tot dusver heette het dat de hemellichamen van het begin af steeds aan gelijke banen en toestanden gebonden waren, en al stierven ook op de afzonderlijke hemellichamen de individuele organische wezens, toch golden geslachten en soorten als onveranderlijk. De natuur bevond zich wel ogenschijnlijk in voortdurende beweging, maar deze beweging werd opgevat als de onophoudelijke herhaling van dezelfde processen. In deze, met de metafysische denkwijze volkomen overeenstemmende voorstelling, sloeg Kant de eerste bres en dit wel op zo wetenschappelijke wijze dat de meeste door hem aangevoerde bewijsgronden ook thans nog gelden. Stellig is Kants theorie tot op heden nog, strikt genomen, een hypothese. Maar ook het Copernicaanse wereldsysteem is tot op de huidige dag niet méér [44] en nadat de spectroscoop zulke gloeiende gasmassa’s aan de sterrenhemel heeft aangetoond, en zo elke tegenspraak neergeslagen is, heeft de wetenschappelijke oppositie tegen Kants theorie gezwegen. Ook de heer Dühring kan zijn wereldconstructie niet zonder zulk een nevelfase pasklaar maken, waarvoor hij wraak neemt door te eisen dat men hem het in die neveltoestand gegeven mechanische systeem zal tonen, en omdat men dat niet kan wordt de neveltoestand door hem in allerlei geringschattende termen afgedaan. De hedendaagse wetenschap kan helaas dit systeem niet tot tevredenheid van de heer Dühring omschrijven. Evenmin is zij in staat op vele andere vragen te antwoorden. Op de vraag: waarom hebben de padden geen staarten? — kan zij tot op heden slechts antwoorden: omdat zij ze verloren hebben. Maar wanneer men er zich dan druk over zou willen maken en zeggen: ja, maar dat is allemaal in het vage en vormloze van een niet nader te bepalen verlies-idee en een hoogst ijle conceptie, dan zouden wij met dergelijke toepassingen van de moraal op de natuurwetenschap geen stap verder komen. Dergelijke discrediterende opmerkingen en gemelijkheden kan men altijd en overal te pas brengen en juist daarom zijn zij nooit en nergens van pas. Wie belet de heer Dühring om zelf het mechanisch systeem van de oernevel te ontdekken?

Gelukkig krijgen wij nu te horen, dat Kants nevelmassa

‘zich in de verste verte niet met een volledig identieke toestand van het wereldmedium, of anders gezegd, met de aan zichzelf gelijke toestand van de materie kan dekken’.

Een buitenkansje voor Kant, die er tevreden mee kon zijn van de bestaande hemellichamen terug te kunnen gaan tot de nevelbal en in het geheel nog niet droomde van de aan zichzelf gelijke toestand van de materie! Terloops opgemerkt, wanneer in de huidige natuurwetenschap Kants nevelbal als oernevel wordt aangeduid, dan spreekt het vanzelf dat dit slechts betrekkelijk opgevat moet worden. Oernevel is hij enerzijds als oorsprong van de bestaande hemellichamen, en anderzijds als de vroegste vorm van de materie waartoe wij tot dusver kunnen teruggaan. Wat volstrekt niet uitsluit, maar veeleer veronderstelt, dat de materie vóór de oernevel een oneindige reeks andere vormen heeft doorgemaakt.

Hier waant de heer Dühring het voordeel aan zijn kant. Waar wij met de wetenschap bij de voorlopige oernevel voorlopig blijven staan, helpt zijn wetenschap van de wetenschap hem veel verder terug naar de

‘toestand’ van het wereldmedium, die noch als zuiver statisch in de huidige zin der voorstelling, noch als dynamisch’

— dus in het geheel niet —

‘te begrijpen is. De eenheid van materie en mechanische kracht, die wij als wereldmedium aanduiden, is een om zo te zeggen logisch-reële formule om de zichzelf gelijke toestand van de materie als de voorwaarde voor alle telbare ontwikkelingsstadia aan te duiden’.

Wij zijn blijkbaar van de zichzelf gelijk blijvende oertoestand van de materie nog lang niet af. Hier wordt hij aangeduid als eenheid van materie en mechanische kracht, en dat als een logisch-reële formule enz. Zodra dus de eenheid van materie en mechanische kracht ophoudt, vangt de beweging aan.

De logisch-reële formule is niets dan een kreupele poging om Hegels categorieën van het op zichzelf en voor zichzelf, voor de ‘werkelijkheidsfilosofie’ bruikbaar te maken. In het ‘op zichzelf’ bestaat bij Hegel de oorspronkelijke identiteit van de in een ding, een proces, een begrip verborgene, onontwikkelde tegenstellingen. In het ‘voor zichzelf’ zet de onderscheiding en de afscheiding van deze verborgen elementen in en begint hun onderlinge strijd. Wij zouden ons dus de roerloze oertoestand moeten voorstellen als eenheid van materie en mechanische kracht en de overgang naar de beweging als afscheiding en aan elkaar tegenoverstelling van die beide. Wat wij daarmee gewonnen hebben is niet dat daarmee de realiteit van die fantastische oertoestand aangetoond is, maar slechts dit, dat men hem bij Hegels categorie van het ‘op zichzelf’ kan onderbrengen en zijn even fantastisch wegvallen bij de categorie van het ‘voor zichzelf’. Hegel, kom te hulp!

De materie, zegt de heer Dühring, is de drager van al het werkelijke. Bijgevolg kan buiten de materie geen mechanische kracht bestaan. Verder is de mechanische kracht een toestand van de materie. In de oertoestand nu, waar niets gebeurde, was de materie en haar toestand, de mechanische kracht, één en hetzelfde. Later, toen er wel iets begon te gebeuren, moet de toestand zich dus wel van de materie onderscheiden hebben. Met zulke mystieke frases dus en met de verzekering, dat de zichzelf gelijke toestand noch statisch noch dynamisch, noch in evenwicht, noch in beweging was, moeten wij ons laten afschepen. Wij weten nog altijd niet waar de mechanische kracht in de toestand was, en hoe wij zonder stoot van buiten, d.w.z. zonder god, van het absoluut bewegingloze tot beweging zouden moeten komen.

Vóór de heer Dühring spraken de materialisten van materie en beweging. Hij brengt de beweging terug tot de mechanische kracht als haar vermeende grondvorm en daarmee maakt hij het zichzelf onmogelijk het werkelijke verband tussen stof en beweging te begrijpen, dat trouwens ook alle vroegere materialisten niet duidelijk was. En toch is de zaak eenvoudig genoeg. De beweging is de bestaanswijze van de materie. Nooit en nergens heeft materie zonder beweging bestaan, of kan zij bestaan. Beweging in de wereldruimte, mechanische beweging van kleine massa’s op afzonderlijke hemellichamen, moleculaire trillingen als warmte of als elektrische of magnetische stroom, chemische ontleding en verbinding, organisch leven — in de ene of andere van deze bewegingsvormen of in verscheidene tegelijk bevindt zich ieder afzonderlijk stofatoom van de wereld op elk gegeven ogenblik. Elke rust, elk evenwicht is slechts betrekkelijk, heeft alleen zin met betrekking tot deze of gene bepaalde bewegingsvorm. Een lichaam kan zich bv. op de aarde in mechanisch evenwicht, mechanisch in rust bevinden; dit belet volstrekt niet dat het aan de beweging van de aarde zogoed als aan die van het hele zonnestelsel deelneemt, en evenmin belet het zijn kleinste natuurkundige deeltjes om de met zijn warmtegraad overeenkomende trillingen te verrichten of zijn stofatomen om een scheikundig proces door te maken. Materie zonder beweging is even ondenkbaar als beweging zonder materie. De beweging is daarom even onverwerkbaar en onvernietigbaar, als de materie zelf. Wat de oudere filosofie (Descartes) zo uitdrukt, dat de hoeveelheid van de in de wereld voorhandene beweging steeds dezelfde is. Beweging kan dus niet verwerkt, zij kan slechts overgebracht worden. Wanneer beweging van het ene lichaam op het andere overgaat, kan men haar — voor zover zij zich overdraagt, actief is — beschouwen als de oorzaak van de beweging, voor zover deze overgedragen wordt, passief is. De actieve beweging noemen wij kracht, de passieve krachtsuiting. Dientengevolge is het zonneklaar dat de kracht even groot is als haar uiting, omdat het in beide toch dezelfde beweging is die zich voltrekt.

Een bewegingloze toestand van de materie is derhalve een van de meest holle en platte voorstellingen, een echte ‘koortsfantasie’. Om daartoe te komen, moet men het relatieve mechanische evenwicht, waarin zich een lichaam hier op aarde bevinden kan, als volstrekte rust voorstellen en dan op het ganse heelal overdragen. Dat wordt weliswaar vergemakkelijkt wanneer men de universele beweging tot enkel mechanische kracht terugbrengt. En dan biedt de beperking van de beweging tot enkel mechanische kracht nog het voordeel, dat men zich een kracht als rustend, gebonden, als voor het ogenblik niet werkend kan voorstellen. Wanneer nl. het overbrengen van een beweging, wat zeer vaak voorkomt, een enigszins ingewikkeld proces is, waartoe verschillende tussenschakels behoren, dan kan men de werkelijke overbrenging naar een willekeurig ogenblik verschuiven door de laatste schakel in de keten weg te laten. Zo bv. wanneer men een geweer laadt en zich het ogenblik voorbehoudt waarop door overhalen van de trekker het afgaan, de overbrenging van de door ontsteking van het kruit vrijgekomen beweging moet plaatsgrijpen. Men kan zich derhalve voorstellen dat gedurende de bewegingloze, aan zichzelf gelijke toestand de stof met kracht geladen zou zijn geweest en dit schijnt de heer Dühring onder eenheid van materie en mechanische kracht te verstaan, als hij daar in het algemeen tenminste iets onder verstaat. Deze voorstelling is onzinnig, omdat zij op het heelal een toestand die van nature relatief is en waaraan dus steeds slechts een deel van de materie tegelijkertijd onderworpen kan zijn, als iets absoluuts overbrengt. Maar ook afgezien daarvan blijft toch nog altijd de moeilijkheid: ten eerste, hoe de wereld het zover brengen kan geladen te worden, aangezien geweren tegenwoordig niet de gewoonte hebben zichzelf te laden; en ten tweede, wiens vinger dan wel de trekker overgehaald heeft. Wij kunnen ons draaien en keren zoveel wij willen, onder leiding van de heer Dühring komen wij altijd weer terecht bij — de vinger gods.

Van de sterrenkunde begeeft onze werkelijkheidsfilosoof zich naar de mechanica en de natuurkunde, en beklaagt er zich over dat de mechanische warmtetheorie in een mensenleeftijd sedert zij ontdekt werd, niet belangrijk verder gekomen is dan tot daar waar Robert Mayer zelf haar geleidelijk gebracht heeft. Bovendien is de hele zaak, naar hij meent, nog zeer duister:

wij moeten er ‘altijd weer aan herinneren dat met de bewegingstoestanden van de stof ook statische verhoudingen gegeven zijn en dat deze laatste in de mechanische arbeid geen maat vinden ... Wanneer wij vroeger de natuur als een groot arbeidster gekenschetst hebben en deze uitdrukking nu streng opvatten, dan moeten wij daaraan nog toevoegen dat de aan zichzelf gelijke toestanden en rustende verhoudingen geen mechanische arbeid vertegenwoordigen. Hier ontbreekt ons dus wederom de brug van het statische naar het dynamische, en wanneer de zogenaamde latente warmte tot nu toe voor de theorie een steen des aanstoots is gebleven, dan moeten wij ook hier een tekort toegeven dat bij de kosmische toepassingen wel allerminst mag worden verloochend’.

Deze gehele orakeltaal is weer niets anders dan een uiting van het slechte geweten, dat heel goed voelt dat zijn verwekking van beweging uit het volstrekt bewegingloze hopeloos vastgelopen is en zich toch schaamt op de enige redder een beroep te doen, namelijk op de schepper van hemel en aarde. Wanneer zelfs in de mechanica, met inbegrip van die der warmte, de brug van het statische naar het dynamische, van evenwicht tot beweging, niet gevonden kan worden, hoe zou het dan de plicht van de heer Dühring kunnen zijn de brug van zijn bewegingloze toestand tot de beweging te vinden? En daarmee zou hij dan gelukkig uit de nood zijn.

In de gewone mechanica is de brug van het statische naar het dynamische — de stoot van buiten. Wanneer een steen ter zwaarte van een centenaar tien meter hoog opgeheven en vrij in de ruimte opgehangen wordt, zodat bij in een aan zichzelf gelijke toestand en in staat van rust daar blijft hangen, dan moet men zich wel tot een publiek van zuigelingen wenden om te kunnen beweren dat deze toestand van dat voorwerp geen mechanische arbeid vertegenwoordigt of dat voor de afstand tot zijn vroegere plaats in de mechanische arbeid geen maat zou zijn te vinden. Iedere voorbijganger zou de heer Dühring zonder moeite kunnen uitleggen dat de steen niet vanzelf daar hoven in de lus gekomen is en het eerste het beste handboek over mechanica kan hem vertellen, dat wanneer hij de steen weer laat vallen, deze bij het vallen precies zoveel mechanische arbeid verricht als nodig was om hem tien meter hoog op te heffen. Zelfs het eenvoudige feit dat de steen daar boven hangt, vertegenwoordigt mechanische arbeid, want als hij lang genoeg blijft hangen breekt het touw zodra het tengevolge van chemische ontbinding niet sterk genoeg meer is om de steen te dragen. Maar tot zulke eenvoudige grondvormen, om met de heer Dühring te spreken, laten zich alle mechanische processen terugvoeren en de ingenieur moet nog geboren worden die de brug van het statische naar het dynamische niet vinden kan zolang hij over de nodige stootkracht de beschikking heeft.

Het is echter voor onze metafysicus een harde noot en een bittere pil, dat de beweging haar maat moet vinden in baar tegendeel, in de rust. Dat is toch een ten hemel schreiende tegenstrijdigheid, en iedere tegenstrijdigheid is volgens de heer Dühring, zinloosheid. Niettemin is het een feit dat de hangende steen een bepaalde, door zijn gewicht en door zijn afstand tot de grond nauwkeurig meetbare, op verschillende wijze — bv. door rechtstreekse val, door afglijding op het hellend vlak, door het in draaiing brengen van een drijfas — een willekeurig te gebruiken hoeveelheid mechanische beweging vertegenwoordigt; en zo staat het ook met een geladen geweer. Voor de dialectische opvatting biedt de mogelijkheid om de beweging in haar tegendeel, de rust, uit te drukken in het geheel geen moeilijkheid. Voor haar is, zoals wij gezien hebben, de gehele tegenstelling slechts betrekkelijk, voor haar bestaat geen volstrekte rust, geen onvoorwaardelijk evenwicht. De afzonderlijke beweging streeft naar het evenwicht, de totaalbeweging heft het evenwicht weer op. Zo zijn rust en evenwicht, waar zij voorkomen, het resultaat van een beperkte beweging en spreekt het vanzelf dat deze beweging aan haar resultaat meetbaar is, daarin is uit te drukken en daaruit in de een of andere vorm weer te voorschijn is te roepen. Maar met zulk een eenvoudig voorstelling der dingen mag de heer Dühring zich niet tevreden stellen. Als goed metafysicus scheurt hij eerst beweging en evenwicht zover uiteen dat tussen beide een, in de werkelijkheid niet bestaande, gapende kloof ontstaat, en dan verbaast hij zich wanneer hij over die zelfgefabriceerde kloof geen brug kan vinden. Hij had evengoed zijn metafysische rossinante kunnen bestijgen en Kants ‘ding op zichzelf’ kunnen najagen: want dat is het en anders niet wat er tenslotte achter die onvindbare brug steekt.

Maar hoe staat het met de mechanische warmtetheorie en de gebonden of latente warmte die voor deze theorie ‘een steen des aanstoots gebleven is’?

Wanneer men een pond ijs van vriespunttemperatuur en onder normale luchtdruk door warmte in een pond water van dezelfde temperatuur verandert, dan verdwijnt een hoeveelheid warmte die toereikend zou zijn om hetzelfde pond water van 0 tot 79,4 graad van de honderddelige thermometer of om 79,4 pond water één graad te verwarmen. Wanneer men dit pond water tot op het kookpunt, tot 100 graden dus, verwarmt, en nu in stoom van 100 graden omzet, dan verdwijnt, tot het water geheel in stoom omgezet is, een bijna zeven maal zo grote hoeveelheid warmte, voldoende om de temperatuur van 537,2 pond water [45] één graad te verhogen. Deze verdwenen warmte noemt men gebonden. Wordt door afkoeling de stoom weer in water en het water weer in ijs omgezet, dan wordt dezelfde hoeveelheid warmte die tevoren gebonden werd, weer vrij, d.w.z. als warmte voelbaar en meetbaar. Dit vrij worden van warmte bij het verdichten van stoom en het bevriezen van water is de oorzaak dat waterdamp die tot 100 graden is afgekoeld, zich eerst geleidelijk in water, en dat een hoeveelheid water van vriespunttemperatuur zich slechts zeer langzaam in ijs verandert. Dat zijn de feiten. De vraag is nu: wat gebeurt er met de warmte terwijl zij gebonden is?

De mechanische warmtetheorie — volgens welke de warmte uit een, naar temperatuur en aggregatietoestand grotere of kleinere trilling van de kleinste natuurkundig werkzame deeltjes (moleculen) van de lichamen bestaat, een trilling die onder bepaalde omstandigheden in elke andere vorm van de beweging kan omslaan — verklaart dit verschijnsel daarmede dat de verdwenen warmte arbeid heeft verricht, in arbeid omgezet is. Bij het smelten van ijs is de innige vaste verbinding van de afzonderlijke moleculen met elkaar opgeheven en in een toestand van los verband veranderd. Bij het verdampen van water op het kookpunt is een toestand ingetreden waarin de afzonderlijke moleculen in het geheel geen merkbare invloed op elkaar uitoefenen en onder de inwerking van de warmte zelfs in alle richtingen uit elkaar vliegen. Zo is het dan duidelijk dat de afzonderlijke moleculen van een lichaam in gasvormige toestand een veel grotere energie bezitten dan in vloeibare toestand, en in vloeibare weer meer dan in vaste toestand. De gebonden warmte is dus niet verdwenen, zij is alleen maar omgezet en heeft de vorm van moleculaire spankracht aangenomen. Zodra de voorwaarde ophoudt waaronder de afzonderlijke moleculen deze volstrekte of betrekkelijke vrijheid ten opzichte van elkaar kunnen handhaven, zodra namelijk de temperatuur onder het minimum van 100 graden, resp. 0 graden daalt, wordt deze spankracht opgeheven, de moleculen dringen weer met dezelfde kracht aaneen, waarmee zij tevoren uiteengescheurd waren. En deze kracht verdwijnt, maar slechts om als warmte opnieuw te verschijnen, en wel als precies dezelfde hoeveelheid warmte die vroeger gebonden was. Deze verklaring is natuurlijk een hypothese, zoals de hele mechanische warmtetheorie, daar niemand tot op heden ooit een molecule, laat staan in trillende toestand heeft gezien. Daarom juist is die verklaring zeker vol gebreken evenals de gehele, nog zeer jonge theorie, maar zij kan althans het verloop verklaren zonder ook maar enigszins met de omstandigheid dat de beweging niet vernietigd en niet geschapen kan worden, in strijd te komen en zij is zelfs in staat er nauwkeurig rekenschap van af te leggen waar de warmte tijdens haar omzetting bleef. De latente of gebonden warmte is dus geenszins een steen des aanstoots voor de mechanische warmtetheorie. Integendeel, deze theorie brengt voor het eerst een rationele verklaring van het proces tot stand en aanstoot kan hoogstens daaruit ontstaan dat de natuurkundigen er mee voortgaan de in een andere vorm van moleculaire energie omgezette warmte met de verouderde en niet meer toepasselijke uitdrukking ‘gebonden’ aan te duiden.

Derhalve vertegenwoordigen de aan zichzelf gelijke toestanden en de zich in rust bevindende verhoudingen van de vaste, vloeibare en gasvormige aggregatietoestand ongetwijfeld mechanische arbeid, in zoverre de mechanische arbeid de maat van de warmte is. Zowel de vaste aardkorst als het water van de oceaan vertegenwoordigen in hun huidige aggregatietoestand een nauwkeurig bepaalde hoeveelheid vrijgekomen warmte die vanzelfsprekend met een even nauwkeurig bepaalde hoeveelheid mechanische kracht overeenkomt. Bij de overgang van de gasmassa, waaruit de aarde ontstaan is, in de vloeibare en later in de grotendeels vaste aggregatietoestand, is een bepaalde hoeveelheid moleculaire energie als warmte in het heelal uitgestraald. De moeilijkheid waarover de heer Dühring op geheimzinnige wijze mompelt bestaat dus niet. Zelfs bij de kosmische toepassingen kunnen wij weliswaar op gebreken en leemten stoten — die aan onze onvolkomen kenmiddelen te wijten zijn — maar nergens op theoretisch onoverkomelijke hindernissen. De brug van het statische naar het dynamische is ook hier de stoot van buiten — afkoeling of verwarming, door andere lichamen teweeggebracht, die op het zich in evenwicht bevindend voorwerp inwerken. Hoe verder wij in deze natuurfilosofie van Dühring doordringen, des te onmogelijker blijken alle pogingen om de beweging uit de bewegingloosheid te verklaren of de brug te vinden waarover het zuiver statische, zich in rust bevindende uit zichzelf tot het dynamische, tot de beweging kan komen.

Hiermee zouden wij dan gelukkig voor enige tijd van de aan zichzelf gelijke oertoestand af zijn. De heer Dühring gaat tot de scheikunde over en onthult ons bij deze gelegenheid drie tot op heden door de werkelijkheidsfilosofie ontdekte bestendigheidswetten der natuur, en wel:

1. de totaalhoeveelheid van de materie in het algemeen; 2. die van de enkelvoudige (scheikundige) elementen; en 3. die van de mechanische kracht zijn onveranderlijk.

Derhalve: de onmogelijkheid om de stof, zowel als haar enkelvoudige bestanddelen zover zij die heeft, en de beweging te scheppen of te vernietigen — deze oude, alom bekende feiten, hoogst onvoldoende uitgedrukt — dat is het enig werkelijk positieve wat de heer Dühring ons als uitkomst van zijn natuurfilosofie der anorganische wereld bieden kan. Allemaal dingen die wij al lang wisten. Maar wat wij niet wisten is dat het ‘bestendigheidswetten’ en als zodanig ‘schematische eigenschappen van het systeem der dingen’ zijn. Het gaat ons weer zoals zo-even bij Kant: de heer Dühring neemt de een of andere overbekende gemeenplaats, plakt er een Dühring-etiket op en noemt dat:

‘Fundamenteel bijzondere resultaten en opvattingen... systeem-scheppende gedachten... wortelvaste wetenschap’.

Maar wij behoeven daarom nog lang niet te wanhopen. Welke gebreken de meest wortelvaste wetenschap en de beste maatschappij-inrichting ook mogen aankleven, één ding kan de heer Dühring met beslistheid volhouden:

‘Het in het heelal voorhanden goud moet steeds uit dezelfde hoeveelheid bestaan hebben en kan zich evenmin als de algemene materie vermeerderd of verminderd hebben’.

Wat wij echter voor dat ‘voorhanden goud’ kunnen kopen, zegt de heer Dühring er jammer genoeg, niet bij.


Voetnoten

[44] Over het coperniciaanse systeem zegt Engels in zijn Ludwig Feuerbach und der Ausgang der klassischen deutschen Philosophie (Ludwig Feuerbach en het einde der klassieke Duitse filosofie) het volgende: “Das kopernikanische Sonnensysteur war dreihundert Jahre lang eine Hypothese, auf die hundert, tausend, zehntausend gegen eins zu wetten war, aber doch immer eine Hypothese; als aber Leverrier aus den durch dies System gegebenen Daten nicht nur die Notwendigkeit der Existenz eines unbekannten Planeten, sondern auch den Ort berechnete, wo dieser Planet am Himmel stehn müsse, und als Galle dann diesen Planeten wirklich fand, da war das kopernikanische System bewiesen.” (Het coperniciaanse zonnestelsel was drie honderd jaar lang een hypothese, waarop men honderd, duizend, tienduizend tegen één wedden kon, maar toch bleef het een hypothese; maar toen Leverrier met de hulp van de door dit stelsel gegeven data niet alleen de noodzakelijkheid van het bestaan van een onbekende planeet vaststelde, maar ook de plaats berekende waar deze planeet aan de hemel moest staan, en toen Galle uiteindelijk deze planeet werkelijk vond, was hiermee het coperniciaanse systeem bewezen). (Marx-Engels, Werke, Band 21, blz. 284.) De planeet Neptunus, waarover het hier gaat, werd in 1846 ontdekt door de observator J. Galle in het Berlijnse observatorium.

[45] Volgens later geprecizeerde gegevens is de latente warmte bij stoomvorming van water met 100° t gelijk aan 538,9 cal/gr.